Menu

zaterdag 30 maart 2013

Het raadsel Spinoza – Irvin D. Yalom


De bekende Amerikaanse psychiater en bestsellerauteur Irvin D. Yalom (1931) wilde al heel lang een boek over Spinoza (1632-1677) schrijven, en ík wilde al heel lang een boek over Spinoza lézen – dus dat kwam dan mooi uit.
Het zit zo: ik was een twintiger toen ik mijn eerste boek van de erudiete Hattemse predikant en cultuurfilosoof dr. Frank de Graaff (1918-1993) las: “Spinoza en de crisis van de westerse cultuur”. Ik was ‘gegrepen’ - ook al snapte ik er niets van. Daarom heb ik jaren half bewust, half onbewust, gezocht naar een schrijver die Spinoza wat dichterbij me kon brengen. De werken van F. de Graaff worden niet meer herdrukt en ik vraag me af of er überhaupt nog wel iemand met hem bezig is. In ieder geval kan ik wel zeggen dat hij één van de grootste inspirators in mijn leven is geweest. Het grappige is dat Yalom over bovenstaand fenomeen in “Het raadsel van Spinoza” het volgende schrijft: “… Hoe komt het toch dat één enkel boek zulke uiteenlopende reacties losmaakt? Er moet iets in de lezer zelf zijn wat dat boek onmiddellijk omarmt. Zijn leven, zijn psychische opmaak, zijn zelfbeeld. Er moet diep in zijn geest – of, zoals Freud zegt, in het onderbewuste – iets op de loer liggen wat ervoor zorgt dat een bepaalde lezer zich verslingert aan een bepaalde schrijver…”. Tel daar ook nog eens het verhaal van Yalom over Goethe bij op, die een jaar lang de ‘Ethica’ van Spinoza bij zich droeg omdat hij daar ‘rustig’ van werd, en ik voel me helemaal ‘gekend’…


Een behapbare Spinoza
Na “Het raadsel van Spinoza” herlas ik “Spinoza en de crisis van de westerse cultuur” (1977). Beide boeken verduidelijken elkaar. Yalom is en blijft een a-religieuze psychotherapeut die niet gelooft in God of een leven na de dood en schrijft vanuit zijn eigen gelijk. Net als F. de Graaff natuurlijk. Dat is belangrijk als achtergrondinformatie. F. de Graaff was niet alleen een orthodoxe dominee, maar ook nog eens een vakfilosoof met een joodse schoonfamilie, die als geen ander thuis was in het jodendom. Hij draagt zijn studie op aan “de nagedachtenis van mijn schoonvader Abraham Ricardo, geest- en zielsverwant van Spinoza”. Ik denk dat hij daardoor veel dieper in het werk van de joodse lenzenslijper en wijsgeer Spinoza kon doordringen dan Yalom. Vergeleken bij hem blijft Yalom een beetje oppervlakkig. Dat is niet erg; in de eerste plaats schrijft Yalom fictie. Zijn verhaal is een roman. En in de tweede plaats maakt een eenvoudige weergave van wat had kunnen zijn, Spinoza beter behapbaar voor mensen als ik. Yalom blijft dicht bij de feiten. Tegelijk maakt dat het verhaal tot een echte ideeënroman: weinig actie, veel gepraat – daar moet je van houden. Yalom noemt het zelf een ‘teaching novel’: een geromantiseerd leerboek.
F. de Graaff is echter degene die je gevoelig weet te maken voor het ontzaglijke intellect van Spinoza. Spinoza was niet zomaar iemand. Spinoza was een geniale vrijdenker. Niet voor niets waren zijn bewonderaars mensen als Kant, Goethe, Schopenhauer, Hegel, Nietzsche, Albert Einstein en Thomas Mann.

Banvloek
Yalom vlecht twee verhalen door elkaar.
Het eerste start in het 17de eeuwse Amsterdam, waar een failliete en enigszins aangeschoten Rembrandt van Rijn de laatste hand legt aan zijn ‘Jakob zegent de zonen van Jozef’, de 25-jarige Johannes Vermeer werkt aan ‘De koppelaarster’, en zijn leeftijdsgenoot, de van oorsprong Portugese jood Bento de Spinoza, net op het punt staat zijn winkel in koloniale waren te sluiten als er een paar mannen naar hem toe komen voor theologisch advies. In verschillende gesprekken vragen ze Spinoza het hemd van het lijf, brieven zijn ketterse ideeën over aan de rabbijn, die daarop een ‘cherem’, een joodse banvloek over hem afroept, waardoor hij uit de joodse gemeenschap wordt verstoten. Volgens Yalom waren cherems een gebruikelijk verschijnsel: “… Er werd elke paar maanden een cherem uitgevaardigd, en iedere volwassen jood had er vele meegemaakt…”.
F. de Graaff schrijft echter: “… Het is algemeen bekend, dat de banvloek uiterst zelden door de Joden gebruikt werd, dit in tegenstelling tot de Katholieke praktijk van de inquisitie. Het Jodendom is door de eeuwen heen uiterst tolerant geweest ten opzichte van leerverschillen, ja zelfs van de levenspraktijk, die in het Jodendom altijd veel belangrijker dan de dogmatische leerstellingen werd geacht. Zeker was dit zo bij de Portugese Joden, die voor een groot deel zelf en vele van hun voorouders als Marranen (de door de inquisitie gedwongen schijn-Katholieken) hadden geleefd. Hoe is het mogelijk, dat die zeldzaam gebruikte ban juist tegen Spinoza werd uitgesproken? Men geeft hiervoor dikwijls oppervlakkige en daarom onwaarschijnlijke verklaringen, als deze: De Joodse gemeente was klein. Men vreesde, dat zij door assimilatie bedreigd zou worden in haar voortbestaan. Deze redenering houdt geen stand. Zeer vele Spaanse en Portugese Joden hadden zeer nauwe contacten met de intellectuelen van de Republiek. Spinoza was in dit opzicht volstrekt geen uitzondering. Een andere verklaring zocht men in de blijdschap over de vrijheid, die de Joodse gemeente in de Republiek genoot. Eindelijk kon men nu zonder Marraanse huichelarij openlijk Jood zijn. Die gelegenheid mocht men niet verachten. Dit is evenmin een deugdelijke verklaring. Spinoza wilde geenszins tot een andere godsdienst overgaan. Hij heeft zich nooit zelf van de Joodse gemeente losgemaakt. Maar zelfs als iemand tot een andere godsdienst overging werd de banvloek niet over hem uitgesproken. De vraag blijft hiermee staan: waarom heeft de gemeente en daarmee het Jodendom in het geheel deze ontzettende vervloeking over een van de grootste zonen van het Volk uitgesproken?...”. Het raadsel Spinoza.

Nazi-ideoloog
Het tweede verhaal start in Estland - 1910, waar de zestienjarige, eenzelvige Alfred Rosenberg bij een paar leraren op het matje moet komen, die proberen hem zijn vreemde ideeën over raszuiverheid uit het hoofd te praten. Dat lukt niet, want:
“… Over acht jaar reist hij van Reval naar München en wordt hij een productieve antibolsjewistische en antisemitische journalist. Over negen jaar zal hij een opzwepende toespraak horen tijdens een bijeenkomst van de Deutsche Arbeiterpartei, uitgesproken door een nieuw kandidaat-lid, iemand die in de Grote Oorlog heeft gevochten, Adolf Hitler genaamd, en Alfred zal zich kort na Hitler bij de partij aanmelden. Over twintig jaar zal hij zijn pen neerleggen en triomfantelijk grijnzen als hij de laatste bladzijde heeft voltooid van zijn boek ‘Der Mythos des zwanzigsten Jahrhunderts’. Er zullen maar liefst een miljoen exemplaren van het boek worden verkocht; het zal voor een groot deel de ideologische basis vormen van de nazipartij en een rechtvaardiging bieden voor de uitroeiing van de Europese joden. Over dertig jaar zullen zijn manschappen een klein Nederlands museum in Rijnsburg binnendringen en Spinoza’s uit honderdnegenenvijftig boeken bestaande persoonlijke bibliotheek confisqueren. En over zesendertig jaar zullen zijn ogen met de donkere kringen eronder verdwaasd kijken en zal hij zijn hoofd schudden als de Amerikaanse beul in Neurenberg hem vraagt: ‘Heeft u nog iets te zeggen?’…”. Zijn levensverhaal in vogelvlucht. Via een bevriende psychiater, Friedrich Pfister, horen we wat er zich allemaal afspeelt in de verwrongen geest van Alfred Rosenberg en leren hoe therapeutische gesprekken in zijn werk gaan. Voor Rosenberg is het een compleet raadsel hoe het moedige en wijze leven van Spinoza valt te rijmen met het feit dat hij joods was.

Therapie
Zowel Yalom, als F. de Graaff concluderen dat Spinoza’s leer bedoeld is als ‘therapie’. Mensen lopen achter de verkeerde dingen aan om gelukkig te worden: eer, rijkdom, genot. Dat maakt je een slaaf van je hartstochten. Het geluk ligt in jezelf. Het is door middel van het denken bereikbaar. Voor Spinoza is de wereld, zoals die is, volmaakt. Wij moeten er alleen anders naar leren kijken. Wij redeneren vanuit onze verbeelding. Dat komt door ons gebrek aan redelijk inzicht in de volmaaktheid van de Goddelijke ordening. Wat men voor waarheid uitgeeft is door individuele aandoeningen en voorstellingen, door ‘imaginatio’, vertroebeld. Wonderen bestaan niet. Er is geen leven na de dood. De ijzeren wetmatigheid in de wereld maakt verandering onmogelijk. Alleen ons inzicht kan veranderen. Wie alle dingen, ook die volgens de ‘imaginatio’ kwaad zijn, tot God herleidt, is verlost, is gelukkig. God is eeuwig en oneindig en omvat alle stof. Spinoza wil de moderne rede steeds weer tot de oorsprong van het ‘En-Sof’, de verborgen God, terug brengen. De wereld 'volgt' uit God. Spinoza werd blijmoedig getroost door deze ‘amor fati’, de ‘amor Dei intellectualis’. God is de natuur. De natuur is God.
Was Spinoza daarom een atheïst? Of een pantheïst? Dat is veels te kort door de bocht, stelt F. de Graaff: “… In de zestiende en zeventiende eeuw werd onder natuur iets geheel anders verstaan dan in de negentiende en twintigste eeuw. Dit blijkt o.a. duidelijk uit Calvijn’s Institutie. Calvijn zegt: 'Pro sensu naturam posse dici Deum.' 'In vrome zin kan de natuur God genoemd worden.' Niemand zal Calvijn van pantheïsme durven beschuldigen. Het blijkt, dat bij hem onder natuur verstaan wordt God en zijn betrekking tot de wereld. In die betrekking is de wereld verheven tot schepping. Spinoza’s spreken over de natuur staat hier niet ver van af. Ook bij hem gaat het om de betrekking van God en wereld…”. De ‘amor fati’ komt heel dicht bij de leer van de predestinatie of voorbeschikking van de calvinisten. Voor moderne mensen met 'Wij zijn onz brein'-opvattingen is dit helemaal niet zo onvoorstelbaar, allemaal. Alhoewel de wereld volgens het calvinisme verre van volmaakt is ontkent het het toeval. Alles wordt ons toebeschikt door Gods vaderlijke hand: “… Het grote onderscheid ligt in de verschillende relatie met de verborgen God. Spinoza kent de noëtische relatie der ratio, het Calvinisme de persoonlijke vertrouwensrelatie van het geloof…”. De verlossingsleer van Spinoza is ook verwant aan de Islam: “… De mens, die de beschikking van Allah aanvaardt en bewondert, omdat hij ze herkent, is verlost…”. Spinoza’s rede is in wezen liefde tot God: alle dingen zijn verbonden met God.

Baanbreker van de Verlichting?
Spinoza wordt vaak als een baanbreker van de Verlichting gezien, maar Balthasar Bekker, de mondige schrijver van de ‘Betoverde Wereld’, het boek dat de heksenwaan bestreed, had geen enkele waardering voor Spinoza, en zag in hem niets meer dan een gek, die de wereld ongerijmde geschriften heeft nagelaten. Ook Pierre Bayle, de schrijver van de beroemde ‘Dictionaire historique et critique’, de voorloper van de Encyclopaedisten, heeft Spinoza voor een waanzinnige gehouden.

De vier harde feiten van het leven
Volgens Yalom zijn alle psychische aandoeningen, van obsessieve liefde (Rosenberg's reactie op Hitler) tot depressie, een manier om onze aandacht af te leiden van de ‘vier harde feiten van het leven’: dat we doodgaan, fundamenteel eenzaam zijn, verantwoordelijkheid moeten nemen voor ons eigen leven en zelf de zin van ons leven dienen te vinden: “… Het is mijn doel als therapeut om cliënten deze existentiële feiten onder ogen te laten zien, zodat ze er een oplossing voor kunnen vinden…”. Dat een boek over Spinoza daar wel eens een goede handleiding voor zou kunnen zijn is natuurlijk een open deur…

Uitgave: Balans - 2012, 440 blz., ISBN 978 946 003 374 2, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 22 maart 2013

God op het boekenbal – Evert Jan de Wijer


Subtitel: Bijbel & Bestsellers

Voor iemand die alles aan elkaar leest is een boek over boeken natuurlijk heel leuk. Hier heb ik er weer zo’n eentje. Dominee Evert Jan de Wijer (1964) bespreekt in “God op het boekenbal” een aantal bestsellers aan de hand van de Bijbel. Het gekke is dat ik niet één van zijn besproken titels heb gelezen – ik ben niet zo van de bestsellerslijsten. Je kunt nu eenmaal niet álles lezen, dus volg ik meestal simpel mijn eigen voorkeur. Neemt niet weg dat ik goede stukken over ongelezen boeken hartstikke interessant vind. De Wijer: “… Dit is het verhaal van een onbescheiden dominee die vindt dat hij wat te vertellen heeft (…). Omdat er geen cabaretier, schrijver, filmmaker of politicus is die nog naar zijn mening vraagt, geeft hij die maar ongevraagd…”. Oké.

Over “God is gek” van Kluun
Kluun schreef deze essay, met als uitdagende ondertitel ‘De dictatuur van het atheïsme’, in het kader van de Maand van de Spiritualiteit – 2009. Nederlanders zijn veel ‘geloviger’ dan gedacht. Maar veertien procent blijkt absoluut niet in God of een hogere macht te geloven. Een ‘mindstyle’ magazine als ‘Happinez’ verkoopt veel beter dan het succesvolle glossy magazine ‘Linda’ en bladen als ‘Story’, ‘Voetbal International’ en ‘Playboy’. Spiritualiteit is ‘in’. Toch staat de wereld van de moderne spiritualiteit, die zich voornamelijk buiten de kerken heeft ontwikkeld, haaks op de theologische wereld van de toch best wel ‘moderne’ dominee Evert Jan de Wijer:
“… Predikanten worden academisch opgeleid en ontwikkelen daardoor een kritische houding waarin vooral op een rationele manier over geloof wordt nagedacht…”. Wat chargerend gezegd: “… gelooft de predikant minder, de gemeente meer, en de spirituele mens alles…”. Hij ziet de hang naar het spirituele dan ook vooral als een reactie op de dominante rationele en instrumentele cultuur.
Bij Kluun en in de buitenkerkelijke spiritualiteit lijkt het voornamelijk te gaan om het voortbestaan na de dood, maar God, en met name een persoonlijke God, blijft buiten beeld: “… Ergens schrijft Kluun: ‘over God wordt niet gepraat.’ Op dat gebied reiken atheïsten en Kluun elkaar de hand. God en zijn vertegenwoordigers op aarde, dat is een soort rariteitenkabinet…”. Volgens De Wijer zegt de Bijbel helemaal niet zoveel over het leven na de dood. Hij haalt het verhaal over koning Saul erbij - die de heks van Endor vraagt om de dode priester Samuel op te roepen zodat hij hem advies kan vragen, en de gelijkenis over de arme bedelaar Lazarus - die in het hiernamaals in de schoot van Abraham vertoeft terwijl de rijke man in de hel verkeert, om aan te tonen dat de boodschap van de Bijbel luidt dat wat in het leven ‘unfinished business’ was dat ook in de dood zal blijven: “… In de Bijbel gaat het er meer om dat het niet goed voor een mens is om erg lang in de ‘twilightzone’ te blijven verkeren. De hang naar wie overleden is, helpt of bevrijdt een mens niet. Verzoening of begrip valt niet postuum te regelen. Dat had toch echt bij leven plaats moeten vinden…”.

Over de film “Avatar”
Aan de hand van de meest winstgevende film aller tijden, “Avatar” (2009) van James Cameron (won drie Oscars en twee Golden Globes), denkt De Wijer na over de vraag of God nu wel of niet in de natuur te vinden is en of de natuur misschien zelf God is: “… Nog niet zo lang geleden publiceerde het dagblad Trouw zowaar ‘een kleine catechismus van het groene geloof’, compleet met vraag en antwoord waarmee het groene geloof definitief de status van een nieuwe religie kreeg. Deze catechismus is een collage van uitspraken van diverse ‘charismatische visionairs’ zoals ze in deze krant worden genoemd. Een goed beeld van het gebodene geeft meteen al de eerste ‘zondag’:
‘1. Wat is het ultieme doel in je leven?
Dat is leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. Dat we niet op onszelf staan, maar verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen.’ (Trouw; 12.01.13).
Het zou zomaar uit ‘Avatar’ kunnen komen…”
.
Als de natuur (inclusief jijzelf) ‘goddelijk’ is; valt er niet meer te praten, zegt De Wijer. Juist als jij en de natuur ‘niet heilig’ zijn, blijft er altijd discussie mogelijk.

Over “Bonita Avenue” van Peter Buwalda
Laaiend enthousiast is De Wijer over deze ‘vallende vaderroman’ ( “… In interviews stelt Buwalda dat hij bewust naar een sterke persoonlijkheid heeft gezocht. Zielenpoten heeft de Nederlandse literatuur al genoeg…”), waarin een familie rechtstreeks op de ondergang afkoerst: “… De familie Sigerius valt in Bonita Avenue niet uit elkaar – de familie explodeert alsof ze op een landmijn is gestapt…”. Buwalda schreef zeven jaar lang, zeven dagen per week, dag en nacht onafgebroken aan dit verhaal, tot zijn vrienden dachten dat hij terminaal ziek was. De Wijer heeft het over de ‘bedwelmende, bijna hypnotiserende manier van schrijven’: “… Alles spettert, vonkt en slaat de lezer rechtstreeks in het gezicht…”. Hij vergelijkt de roman met de moeilijke levens van de aartsvaders. Het verschil is dat een worstelaar als de bijbelse Jakob niet ten onder gaat in tragiek, maar ‘ergens zegen vermoedt’.

Over “Het diner” en “Zomerhuis met zwembad” Van Herman Koch
“… Wij zijn helemaal niet van die ‘gelukkige huisvrouwen’ die we geacht worden te zijn, en er is er tenminste één die dat voor ons opschrijft…”, aldus De Wijer. De hoofdpersonen in Koch’s romans zijn continu woedend, en minachten de mensen om hen heen. Volgens Koch wordt het menselijk gedrag bepaald door erfelijkheid en andere biomedische factoren: ‘Wij zijn ons brein’. Het doet denken aan het donkere calvinisme met zijn ‘dubbele predestinatieleer’: al voor je geboren wordt heeft God bepaald of je al dan niet ‘gered’ gaat worden: “… God is door de genetica afgelost, wat is precies het verschil?...”. Maar dat is niet het verhaal van de Bijbel: “… God heeft van de mens in de Bijbel geen hooggespannen verwachtingen. Eigenlijk weet God al eeuwenlang hoe de mens eraan toe is. Bijvoorbeeld dat hij geneigd is God en zijn naaste te haten…”, maar “… een mens kan anders gaan doen. Daartoe heeft hij de vrijheid…”. Je bent verantwoordelijk voor je gedrag. In de Bijbel is het zo “… dat de mens voor de agressie kiest. Sterker nog, de lijn van Kaïn naar Lamech laat zien dat de agressie toeneemt naarmate de mens meer op eigen benen en los van God komt te staan…”. Lamech “… gaat aan haat en wraakzucht ten onder. Niet eens als een straf van God, maar meer omdat hij zichzelf op die manier verteert…”. De Wijer: “… De mens is vrij en niemands onderdaan, noch van God, noch van het lot…”.

Over “Tonio” van A.F.Th. van der Heijden

Over rouw en verdriet: “… De toekenning van zowel de Libris Literatuur Prijs, de NS Publieksprijs en de P.C. Hooftprijs in 2012, maakt duidelijk dat de thematiek van deze roman diep resoneerde in de kom van de Nederlandse moderne ziel…”. Het verhaal over Van der Heijden’s op 21-jarige leeftijd verongelukte zoon is hartverscheurend: “… Er is geen troost. Er is geen hoop. Er is alleen onpeilbaar verdriet…”. De schrijver en zijn vrouw “… zijn als Rachel, van wie de kreten in heel Rama worden gehoord in haar weigering zich te laten troosten omdat haar kinderen niet meer zijn (Jeremia 31:15)…”.
En toch is er in de Bijbel sprake van protest tegen een wereld die zo verschrikkelijk in elkaar zit: “… Een protest dat zich rechtvaardigt met een beroep op de toekomst van God…”.

Over “Wilders”
In een buiten de toon vallend hoofdstuk heeft De Wijer het naar aanleiding van de Bijbelboeken Ezra en Nehemia ineens over de politiek van Geert Wilders, en wat hij bedoelt met de ‘joods-christelijke traditie’.

Over “Vijftig tinten grijs” van E.L. James
Het meest verrassende artikel vind ik de bespreking van de vrouwelijke porno-trilogie “Vijftig tinten grijs”; omdat ik toch ook wel verbijsterd ben over deze internationale hype die zo ongeveer de hele Nederlandse boekenbranche voor instorten behoedt – want zo goed staat die er niet voor. “… Een nieuw genre heeft volgens enkele recensenten met deze boeken zijn intrede gedaan: de mommy porn…”. De titels die intussen mee proberen te liften op het succes van James zijn niet van de lucht: 'Fifty Shames of Earl Crey' van Fanny Merkin is tot nu toe wel de grappigste. Wat heeft een dominee in vredesnaam over dit soort romans te melden? En wat zegt dat over de tijdgeest?
De Wijer: “… In het dagelijks leven is de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw een onbetwiste norm. De latente onvrede daarover zou zijn uitlaatklep vinden in precies dit soort lectuur (puisant rijke, met een jeugdtrauma behepte, dominante zakenman, krijgt een stormachtige, sadomasochistische verhouding met een onderdanige 22-jarige maagd). Helemaal absurd is die gedachte nou ook weer niet. Als student kon ik mijn verbazing amper verbergen toen een medestudente die geheel naar de aard van die tijd voorop liep in vrouwenstrijd en –studies, mij onder haar bed stapels Bouquetreeksen toonde die zij met groot plezier tot zich nam. U kent dat spul wel: pockets met bloemmotief, waar op de voorkant een smachtende vrouw en breedkakige man met ontbloot torso prijken…”.
En dan preekt De Wijer voor mij het verlossende woord als hij zegt dat alle stomende seks niet kan verhullen dat de Vijftig tinten-trilogie veel gemeen heeft met het Bouquetromannetje, ‘ouderwetse zwijmelromannetjes in een nieuw, latex jasje’, inclusief het voor vrouwen vrijwel onweerstaanbare motief: de vrouw die door weet te dringen in de gekwetste ziel van deze lange, sterke, mooie, intelligente, en diepzinnige minnaar: “… ‘Hoe vrouwen uiteindelijk het hart veroveren van moeilijke en getraumatiseerde mannen en hen gelukkig weten te maken’, klinkt op het eerste gehoor vreselijk banaal maar dit soort thema’s oefenen een niet te onderschatten aantrekkingskracht op vrouwen uit. Meer dan al die expliciet beschreven woeste seks, zou dat wel eens de werkelijke reden voor dit grote verkoopsucces kunnen zijn…”. Hallelujah. Met dit commentaar kan ik tenminste uit de voeten, al is het alleen al omdat de door mij zeer gewaardeerde psycholoog Paul Verhaeghe precies hetzelfde zegt in “Liefde in tijden van eenzaamheid”, waarvan ik een stuk citeer in mijn bespreking over de roman “Bevrijdende liefde” van Francine Rivers (zie mijn blog van 27.05.12).
De Wijer vindt dat Vijftig tinten niet bepaald bijdraagt aan een realistisch beeld van de seksuele praktijk: “… Een bestseller als Fifty Shades opereert precies op het grensgebied van het opgeschroefde westerse ideaal van perfecte seks en de heel wat ingewikkelder praktijk…”, en zegt vooral wat over de hedendaagse 'seksstress'. Het ideaal van een spetterend seksleven wordt hoog opgetuigd. : “… Dat seks een aardig tijdverdrijf kan zijn, ‘niet heilig om er toch mee door te kunnen' (G.H. ter Schegget), ‘leuker dan het buitenzetten van de vuilniszakken’ (Bill Cosby) of ‘zolang ze niets leukers hebben uitgevonden, blijf ik het er gewoon bij doen’ (Kees van Kooten), zijn noodzakelijke, maar te weinig gehoorde relativeringen om de druk wat van deze seksuele ketel af te halen...".
De Wijer: “… Vreemd eigenlijk dat het routineuze liefdesleven uiteindelijk het ideaal van de trilogie van E.L. James blijkt te zijn. De twee geliefden vormen op het laatst een gelukkig gezinnetje met twee blozende kinderen…”. En de seks? “… Af en toe komt er nog een verdwaalde handboei bij kijken maar het is toch in niets te vergelijken met het sm-spel van dominantie en gedomineerd worden van het begin…”. Wijers begrijpt dat vooral “… als een verlangen naar het einde van alle seksuele frustratie en misverstanden, waarbij al die kinky seks niet meer nodig is omdat je rustig en vol vertrouwen in elkaars armen kunt liggen…”. De clou van het verhaal is “… dat hij te vertrouwen is en dat jij je aan hem kunt toevertrouwen en dat hij jou vertrouwt…”, en, voegt De Wijer er dan als dominee graag aan toe: “… dat zoiets kan omdat bovenal God te vertrouwen is…”.

De Wijer doet me vooral denken aan die opa - een inmiddels overleden, verlegen, New Yorkse rabbijn - van Susan Cain in "Stil" (zie mijn blog van 03.02.13). Altijd zat hij met zijn neus in de boeken, en iedere sabbat vertelde hij aan zijn ademloos luisterende publiek in een tot de nok toe gevulde synagoge wat zijn spirituele en intellectuele verkenningen van de afgelopen week weer hadden opgeleverd. Misschien is dat een goed idee voor dominees. Om de kerk weer een beetje aantrekkelijk te maken. Iedere week, net als De Wijer de Bijbel uitleggen aan de hand van een moderne roman. Ik zou in ieder geval geen zondag missen!

Uitgave: Skandalon - 2013, 208 blz., ISBN 978 949 070 868 9, €18,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier


maandag 18 maart 2013

Alles wat er was – Hanna Bervoets


Het derde boek van Hanna Bervoets (1984; schrijver, journalist en columnist voor o.a. de Volkskrant), “Alles wat er was”, is een knappe, verontrustende, post-apocalyps roman. Vier tv-makers zijn op een zondag in een school om een filmopname te maken van een wonderkind (hij is dat wel niet, maar ach, hij lijkt er precies op met z’n warrige haar, kinderbrilletje en heldere blik - niet voor niets is de kern van dit verhaal: “… Het gaat er niet om wat je doet. Het gaat erom wat mensen geloven dat je doet…”). Hij wordt bijgestaan door zijn moeder, zijn meester en de conciërge. Dan klinkt er plotseling een harde knal, hult de buitenwereld zich in dikke mist, en wordt op televisie het advies gegeven ramen en deuren te sluiten, de gordijnen dicht te doen, en vooral niet naar buiten te gaan.

Apocalyps
Het boek deed me denken aan de wat lacherige hype op Facebook, vorig jaar, vanwege het feit dat sommige New Agers voorspelden dat volgens de Mayakalender op 21 december 2012 de wereld zou vergaan. En aan de Haarlemse bisschop Jos Punt die, toen hij na drie weken als kluizenaar in Zuid-Spanje had geleefd hoorde dat de paus terug trad, zei: “Het bevestigt mijn zorgen over onze tijd. We zullen ons moeten voorbereiden op beslissende gebeurtenissen, waarin de Heer kerk en wereld zal zuiveren”. Waarop een journalist opmerkte: “Dat klinkt dreigend”. Punt: “Dat is het ook, er zal veel gebeuren. Wat precies weet ik niet…” (ND 12.03.13).
Apocalyps is het Griekse woord voor Openbaringen, het laatste Bijbelboek in het Nieuwe Testament, waarin het gaat over het laatste oordeel en het einde van de wereld. Een thema dat na de creatie van de atoombom maar al te voorstelbaar is voor de westerse geest. Ik ken genoeg buitenlandse boeken die daar een link mee hebben: “The War of the Worlds” – H.G. Wells, “Blindness” – Jose Saramago, “The Road” – Cormac McCarthy, “The Stand” – Stephen King, “Brave New World” – Aldous Huxley, “The Handmaid’s Tale” – Margaret Atwood, "The Hunger Games" - Suzanne Collins, ik noem maar wat, maar amper Nederlandse (in de game- en filmwereld schijnt het helemaal een hot item te zijn; maar daar heb ik geen verstand van). Zijn wij daar te nuchter voor? Dan vormt Hanna Bervoets in ieder geval een verrassende uitzondering.

Sober

Het verhaal. Merel, één van de televisiemensen, vindt een vrijwel onbeschreven agenda van een leerlingetje, en noteert daarin nuchter, afstandelijk en ingehouden wat de tot elkaar veroordeelde overlevenden meemaken. Haar notities zijn doorspekt met filosofische opmerkingen, intellectuele feiten, en een hoop commentaar op de hedendaagse samenleving: "... De resorts, de pretparken, de zwembaden met trechterglijbanen, de bungalows met open haard: ik weet niet of ze er nog staan. En of het leven ooit weer zal betekenen dat je dertig weken werkt en dan twee weken niet, en dat je in die twee weken een trein of vliegtuig neemt naar een plek waar je niet woont maar waar ze wel handdoeken hebben, om daar een tijdje rond te lopen, iets te kopen, en foto's te maken voor de mensen die er niet bij waren, omdat je wilt dat zij weten wat jij zag toen ze jou niet zagen..." en "... Werk was ook dat ik weekend had: twee dagen waarin ik m'n koffie niet uit een kartonnen beker dronk, maar uit een mok. Dan sprak ik met mensen die ik doordeweeks niet zag, om boven die mok de dagen ervoor door te nemen. Wat ik die dagen gedaan had, zouden die mensen snel weer vergeten. Maar dat gaf niet. Ik zou zelf ook snel vergeten. En de oude situatie, vol telefoons, internet, Facebook en tientallen andere mogelijkheden om dingen te delen, was erop ingericht samen te kunnen vergeten. Dat was beter dan in je eentje vergeten. Zo leek het...". Ik houd er van, evenals van de sobere stijl. Het maakt dat je het boek niet te goed begrijpt. Zo blijft er wat te denken over.
Wat het nog iets ingewikkelder maakt is dat de dagboekbladen door elkaar zijn geraakt. Zo begint het boek met dag 91. Dat is een belangrijke dag, want:
… vandaag is de dag waarop ik ontdekte dat jij eraan komt. En nu ik daarachter ben, wil ik alles nog beter vertellen. Hoe het ging en hoe het gekomen is. Ja, alles vanaf het begin. Ik denk dat het betekent dat ik nu al van je houd. Liefde is gekend willen worden. En ik wil dat je alles van me weet. Het moeilijke is alleen dat ik niet weet of jij straks wel van mij zult houden. Wanneer je alles weet…”.
Ook dat nog: Merel is zwanger.

Privacy
Wat gebeurt er als een handvol mensen het met elkaar moeten doen?
Ze letten constant op elkaar. Sommigen houden het niet vol, lopen tegen de instructies in naar buiten en verdwijnen: “… En dan was er nog iets waar we ons vlak na het vertrek van Kaspar en Natalie op verkeken hebben. We dachten: het wordt rustiger, straks zitten we minder op elkaars lip, minder mensen betekent meer privacy. We hadden het mis. Zet acht mensen in een bankgebouw en de man achter de monitor weet niet waar hij moet kijken. Zet vier mensen in een bankgebouw en de man grijpt in zodra hij iemand een verdachte beweging ziet maken. Minder mensen, minder privacy. En sinds Kaspar en Natalie weg waren, voelde ik precies wanneer Leo de begane grond had verlaten. Dan vroeg ik me af waar hij was. En met wie. En wat ze daar deden, samen…”.
Mensen manipuleren elkaar. Er ontstaan groepjes: “…Natuurlijk voelde ik allang dat er een ‘wij’ en een ‘zij’ is. Dat voelen we allemaal. Maar de oorzaak heb ik misschien niet goed ingeschat. Het is niet omdat Leo, Barry en ik bij de televisie werkten en Kaspar en Natalie niet. En ook niet omdat Barry, Leo en ik elkaar kenden voor we dagenlang samen opgesloten werden. Nee, er is iets dat ons bindt én scheidt. Er zijn slachtoffers: zij. En er zijn daders: wij. Ja, hoe je het ook bekijkt; zij zitten hier vanwege ons…”.
Er wordt honger geleden omdat de voedselvoorraad beperkt is en gerantsoeneerd moet worden tot een paar korrels rijst per dag. Een muis die als delicatesse wordt verorberd: “… Toen ik Kaspars lokaal binnenliep lag de muis al op tafel. Ik zag niet waar het diertje aan gestorven was, maar het was duidelijk dat Kaspar het gedood had. Hij pakte de muis bij zijn staart en hield hem naast zijn gezicht, zoals hobbyvissers hun grootste snoek omhooghouden zodat hun vrouw er een foto van kan maken; soms is bewijsmateriaal van een moord leuk voor later. ‘Het ruikt naar kipnuggets,’ zei Joeri toen we s’ avonds de keuken binnenkwamen. Kasper lachte; ‘Ja, en het smaakt nog veel beter.’ Hij had gelijk. De muis was lekker, vooral dankzij de gembermarinade die hij erbij gemaakt had. We vonden het niet erg dat de minuscule stukjes vlees iets te lang gebakken waren, integendeel. Hoe taaier hoe beter: we kauwen hier graag zo lang mogelijk op ons eten…”.
Ondanks alles worden mensen verliefd op elkaar, hebben seks (je zou denken: geen voedsel – geen energie, maar sommigen blijven ook sporten in de gymzaal), en werken elkaar op de zenuwen.

Een verhaal dat niet waar is
“… Goed opletten nu. Ik ga je iets uitleggen en het is belangrijk, misschien wel het belangrijkste wat je echt moet weten…”. En dan vertelt Merel eerst het ‘oude’ verhaal over de liefde: “… Er was eens: jouw geboorte. Ook wel het startschot voor de queeste; de zoektocht naar de enige echte…". Ironisch: “… Duurt de zoektocht tot na je dertigste, dan is het geoorloofd om foto’s van jezelf op internet te zetten en uren achter elkaar te staan op plekken waar ze bier verkopen aan anderen met dezelfde queeste…”. En als je hem/haar dan gevonden hebt “… ga je samen dingen doen die je in je eentje nooit deed: varen, cocktails drinken op een hoog gebouw, buiten blijven zitten ook al is het eigenlijk te koud. Daarna ga je dingen samen doen die je ooit in je eentje deed: eten, televisie kijken, in bed liggen, slapen…”. De les die ze vervolgens meegeeft: “… Goed. Dit is wat ik wil: lees het verhaal hierboven nog een paar keer over en sla het op, ja, sla het héél goed op zodat je het herkent wanneer je het tegenkomt. En wanneer dat gebeurt, houd dan halt, draai je om, en denk aan wat ik je nu zeg: het verhaal is niet waar…”. En dan vertelt ze het ‘nieuwe’ verhaal: “… Ik beweer niet dat ik begrijp wat liefde dan wel is, maar het lijkt waarschijnlijk op iets als dit: je ziet een ander, en in je brein komen neurotransmitters vrij…”. Ze legt uit dat als je de ander bijzonder leuk en aantrekkelijk en opwindend vindt er allerlei stofjes op gaan spelen. Dat dat andersom ook het geval is en heel fijn voelt en maakt dat de verliefde “…geneigd zal zijn je aan te raken, waardoor jouw brein nog meer neurotransmitters zal aanmaken en jij de ander ook zal aanraken, waardoor zijn brein nog meer neurotransmitters gaat maken tot jullie er allebei aan verslaafd zijn en daarom zo vaak mogelijk samen zijn om elkaar zo vaak mogelijk aan te kunnen raken of, nog beter, regelmatig in elkaar te verdwijnen…”. En dan gaat ze nog even door: “… Ja, dat is wat er ongeveer aan de hand is, maar mensen geloofden het niet want het voelt anders…”.

High
En dan volgt misschien wel de mooiste zin uit de wereldliteratuur: “… De transmitters zijn krachtig, stimuleren door wat niet stimuleert te blokkeren, rechtsboven in je hersenen, de plek waar wiet en wijn ingrijpt, zij het met tijdelijk effect en een afgebakende kater, maar dat wat we liefde noemen is niet afgebakend en verliefdheid is geen zuivere motivatie, de noodzaak bij de echte te zijn slechts een teken van verslaving: het was en is niet echt lief, het is een kop koffie, even alert maar dat blijf je niet, met pillen op mocht je niet rijden, met alcohol moet je voorzichtig zijn, terwijl fenylethylamine, noradrenaline, dopamine, oxytocine, die veroorzaken een veel hogere high, kleuren je halve brein blauw in de hersenscanner, als regenwolken op de buienradar, je ziet niet meer wat eronder zit – welke herinneringen, gedachten, handelingen, plaatsen – en als de wolken eenmaal zijn verdwenen, heb je nog steeds geen heldere hemel, want dan heb je alleen maar leegte, een dip aan de high evenredig, dat is wat het leven was en volgens sommigen nog steeds is: verlangen naar verlangen, zoeken naar de high die altijd eindigt in een dip die we moeten bestrijden en als dat niet lukt, omdat de stofjes simpelweg uitgewerkt zijn, noemen we onszelf ongelukkig omdat we gefaald hebben het verhaal waar te maken, het verhaal waarvan ik probeer uit te leggen dat het niet waar is, ook al denk je van wel, voel je het zelfs, ja, je voelt het verhaal maar dat moet je niet doen, ik weet niet of je me gelooft nu want ik ben echt heel moe, echt heel erg moe, maar misschien kan ik juist daarom niet stoppen nu, stoppen vergt actie, doorgaan niet, dus probeer ik het nog één keer, één laatste waarschuwing: het verhaal dat ze liefde noemen is gevaarlijk…”. Wow. Zo ongeveer de literaire samenvatting van “Liefde, lust en ellende”; zie mijn blog van 31.01.13 . Trouwens; dit is gelukkig een eenmalig experiment – als het hele boek van zulk soort zinnen aan elkaar zou hangen was het natuurlijk onleesbaar.

Steeds gekker
Langzaam wordt de situatie steeds gekker. Het jongetje valt tijdens een wild spelletje met Merel zo ongelukkig dat zijn arm geamputeerd moet worden met alles wat een lemmet heeft uit de keuken –hakmes, aardappelschilmesje, broodmes -, en dat door maar twee mensen (ik kan me niet voorstellen dat je dat zonder verdoving voor elkaar krijgt, maar in een verhaal kan alles…).
Op dag 21 vindt Merel een leeg kokertje Halopax, en weer heel didactisch – maar dat geeft niet, ik lees om te leren: “… Dit is wat ik van Halopax weet: je slikt het niet zomaar. We hebben ooit een item over antidepressiva gemaakt. Prozac, Seroxat, Zoloft; merknamen voor fluoxetine op paroxetine, voorgeschreven bij aanhoudende somberheid. Veel mensen voelen zich beter wanneer ze middelen innemen. We weten dus dat ze werken. Maar nog niet precies hoe. Op zich doet dat er niet toe. Voor veel antidepressiva geldt: baat het niet, dan schaadt het niet. En dat ze geen schade aanrichten – althans: geen aantoonbare, in de rechtbank te verhalen schade – dat weten we zeker, want dáár is jarenlang onderzoek naar gedaan. Voor farmaceutische bedrijven is het belangrijker dat een middel niet schaadt dan dat het baat. Halopax is een ander verhaal. Je slikt het omdat je denkt dat je Jezus bent. Omdat stemmen je vertellen dat je nummerbord een brief van satan is. Omdat het een goed idee lijkt jezelf met messen aan de keukendeur te nagelen. Baat het niet, dan schaadt het, want plotseling stoppen is gevaarlijk…”.
Dus kan er iemand in de groep zomaar psychotisch worden. En dat is precies wat er met Merel, getuige haar dagboek, gebeurt (geloof ik). Maar dat kan natuurlijk evengoed door de honger of de waanzin van de situatie komen. Ze eet maden, haar eigen kots, en vervalt uiteindelijk in kannibalisme. Je hoeft er geen sterke maag voor te hebben. Het wordt totaal niet gruwelijk – eerder heel onderkoelt - opgedist. En bovendien: misschien is wat Merel allemaal schrijft wel niet waar…

Claustrofobisch
“Wat er was” is net zo’n claustrofobisch verhaal als de voorkant doet vermoeden. Tel daar de broeierige, aliënachtige foto van Hanna Bervoets op de achterkant bij op, en je hebt een behoorlijke indruk van de inhoud. Geweldig!

Uitgave: Atlas Contact - 2013, 256 blz., 978 902 544 037 4, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier