In “Vreemden voor onszelf” (zie mijn voorlaatste blog) vertelt Rachel Aviv het verhaal van Naomi Gaines, een zwarte vrouw die in psychotische toestand haar veertien maanden oude tweeling van een brug in een rivier gooide en er zelf achteraan sprong. Een van de jongetjes overleed. Ze wordt veroordeeld voor doodslag. In de gevangenis raakt ze enorm onder de indruk van de film “Beloved”, gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1987 van de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931 – 2019), die in 1993 de Nobelprijs voor Literatuur won. Het boek gaat eveneens over een moeder: een gevluchte slavin die uit wanhoop haar dochtertje vermoordt om haar te behoeden voor slavernij. De geschiedenis van slavernij is niet ten einde: “… De pijn verdampt niet gewoon; die geef je door…”. De schrijver James Baldwin: “… Het lijkt of zich in het hele lichaam een grote, grote, grote wond bevindt, terwijl niemand die durft te opereren: hem te sluiten, te onderzoeken, te hechten…”. “Beminde” doet wel wat denken aan het werk van Marilynne Robinson. Het wordt vaak gezien als de belangrijkste literaire roman over de erfenis van slavernij.
Totale dehumanisering
Voor wie denkt dat slavernij een gepasseerd station is: volgens de Global Slavery Index leven er tegenwoordig nog steeds 50 miljoen mensen in moderne slavernij, waaronder mensenhandel, gedwongen arbeid en seksuele uitbuiting. Van hen bevinden zich er naar schatting 5.000 tot 30.000 in Nederland. Daar profiteren wij allemaal, direct of indirect, van. In de Verenigde Staten werd de slavernij in het noorden eerder afgeschaft dan in het zuiden, waardoor sommige tot slaaf gemaakten probeerden naar het noorden te vluchten. Eén van hen in het boek: “… Het was 1874 en de blanken konden nog steeds hun gang gaan. Uit hele steden waren de negers compleet weggevaagd, zevenentachtig lynchpartijen in een enkel jaar in Kentucky, vier gekleurde scholen tot de grond toe afgebrand, grote mannen afgeranseld als kinderen, kinderen afgeranseld als volwassenen, zwarte vrouwen verkracht door een hele ploeg, eigendom in beslag genomen, nekken gebroken. Hij rook huid, huid en warm bloed. De huid was nog tot daaraantoe, maar kokend mensenbloed als er iemand bij een lynchpartij verbrand werd, was wel even wat anders…”. Als dit de werkelijkheid is waarin je leeft, is het voorstelbaar dat die de belevingswereld van de gemiddelde rijke, verwende westerling nauwelijks nog raakt. Het boek, gebaseerd op een waargebeurd verhaal, is dan ook een magisch-realistisch ‘spookverhaal’: een fabel over totale dehumanisering. Het verhaal gaat dat de vader van Toni Morrison, die als kind twee opgehangen zwarte zakenlieden in zijn straat zou hebben gezien, geen witte mensen in zijn buurt kon verdragen.
De hel
Het boek gaat over een huis dat iedereen mijdt omdat het er spookt: “… Nr. 124 wrokte. Zo giftig als een klein kind. De vrouwen in het huis wisten het en de kinderen ook…”. Het wordt bewoond door de weggelopen slavin Sethe en haar dochter Denver. Het huis was ooit van haar schoonmoeder Baby Suggs, die inmiddels al acht jaar dood is. Twee andere zoontjes zijn ervandoor gegaan toen ze genoeg kregen van de situatie. Als Sethe terugkomt van haar werk in de stad (Cincinnati, Ohio), waar ze kookt voor een restaurant, zit Paul D op de veranda op haar te wachten. Ze heeft hem achttien jaar niet gezien. Hij was een van de vijf tot slaaf gemaakte mannen op Sweet Home in Kentucky, waar Sethe ooit werkte. Een ‘schaamteloos mooie’ plek, omringd door ‘de mooiste platanen ter wereld’: “… hoewel er geen boomblad op dat bedrijf was dat haar niet aan het gillen bracht…”. Even verder: “… Het zag er nooit zo verschrikkelijk uit als het was en daardoor vroeg ze zich af of de hel soms een aantrekkelijk oord zou zijn. Vuur en zwavel natuurlijk, maar verstopt in het kantwerk van boomgroepen…”.
Witte griezels
Met horten en stoten komt de geschiedenis van Sethe boven tafel: zelfs de vorm van het boek is traumatisch. Nadat de baas op Sweet Home is overleden, arriveert er een beest van een schoolmeester om de zaken van mevrouw te regelen. Omdat het onder hem niet is uit te houden, besluiten de slaven te vluchten. Sethe heeft haar drie kinderen alvast vooruitgestuurd met een groep die de rivier oversteekt. Ze zullen afgeleverd worden bij haar schoonmoeder. Als ze weg zijn, wordt ze overmeesterd door een stelletje doodenge neefjes van de onderwijzer, die zich ‘op haar vermaken’ en aan haar borsten beginnen te zuigen – ze voedt de kleine Denver nog zelf en is alweer zwanger van de vierde – terwijl haar echtgenoot, “… de liefste man die God schiep…”, in geen velden of wegen is te bekennen. Ze vertelt haar bazin wat haar is overkomen. Dat wordt niet gewaardeerd door de heren. Ze geselen haar rug kapot, terwijl ze met haar dikke buik in een gat op de grond ligt. Er knakt voorgoed iets in Sethe. Wanneer ze vlucht en op den duur geen energie meer heeft om verder te gaan, wordt ze geholpen door een meisje: “… Een armzalige witte baal vodden zoals je nog nooit hebt gezien…”. Een kletskous die haar naar een schuurtje sleept waar ze haar voeten masseert.
Kom op, Jezus
Wanneer ze Sethe’s jurk losknoopt en haar rug ziet, mompelt ze met ingehouden adem: “… Kom op, Jezus…”. Een poos is het stil, dan zegt ze terwijl ze met haar vingers over haar rug gaat: “… Je hebt een hele boom op je rug. In bloei. Wat heeft God in Z’n hoofd, dat vraag ik me af…”. Ze gaat op zoek naar spinnenwebben die ze over de beschadigde huid legt. Ze ratelt over Boston, waar het mooiste fluweel van de wereld te koop is. Ze zingt Sethe in slaap, die waarachtig de volgende ochtend haalt. Het meisje (een engel?) brengt haar naar de oever van de Ohio, waar ze een lekke boot vinden, waarin Sethe haar baby krijgt: Denver.
Eenzaam
Als Paul D merkt dat het spookt, gaat hij tekeer, en “… nu was het weg. Gevlogen, op de rukwind van een schreeuwende man met de kleur van een hazelnoot…”. Bij Paul D worden de dingen zoals ze zijn. Denver ziet met lede ogen aan hoe Sethe en Paul D een koppel vormen, waar zij buiten staat. Ze stikt van de eenzaamheid en is ‘doodmoe’: “… ‘Ik kan niet meer. Ik kan niet meer.’ ‘Wat dan? Wat kan je niet meer?’ ‘Hier wonen. Ik weet niet waar ik heen moet of wat ik moet doen, maar hier kan ik niet wonen. Niemand praat met ons. Niemand komt langs. De jongens mogen me niet. En de meisjes ook niet…”. Denver lijkt het huis altijd al meer als een mens te hebben gezien dan als een gebouw: “… Een mens die huilde, zuchtte, huiverde en de stuipen had…”. Als ze thuiskomt, loopt en kijkt ze “… zo voorzichtig als een kind dat bij een zenuwachtig familielid komt dat niets om handen heeft…”.
God neemt wat Hij wil
“… Zolang Baby Suggs leefde, en dat gold ook voor Sethe, werd er met mannen en vrouwen geschoven als damstenen. Iedereen die Baby Suggs kende, laat staan liefhad, en die niet was weggelopen of opgehangen, werd verhuurd, uitgeleend, opgekocht, teruggebracht, in voorraad gehouden, verpand, gewonnen, gestolen of gegrepen. Dus hadden de acht kinderen van Baby zes vaders…”. Eén kind weet ze vrij lang bij zich te houden door te paren met de ploegbaas, maar uiteindelijk ruilt hij het toch voor een stapel timmerhout. Zo gaat dat. “… ‘God neemt maar wat Hij wil,’ zei ze. En Hij nam en Hij nam en Hij nam…”.
Gek om niet krankzinnig te worden
Ook het verhaal van Paul D. wordt in fragmenten geopenbaard. Hij heeft met 46 gevangenen aan een ketting gezeten omdat hij zijn baas aanviel. Hij had een ‘bit’ in zijn mond, zodat hij niet kon praten. Hij herinnert zich dat hij bij Alfred in Georgia ’s nachts bevend in een ingebouwde kist in de grond zat en dat hij uitsluitend het daglicht zag om steen te hakken. Hij moest wel weglopen als hij niet meer in boeien wilde slapen, pissen, eten of met een moker zwaaien. “… Na Alfred had hij een groot gedeelte van zijn hoofd voorgoed stilgelegd en draaide hij op het deel dat hem liet lopen, eten, slapen en zingen…”. Hij “… werd gek om niet krankzinnig te worden…”. Als hij Sethe ziet, gaat ‘het verboden gedeelte van zijn hoofd open als een geolied slot’.
Ik hou je enkels wel vast
Denver vraagt brutaalweg aan Paul D wanneer hij weer opkrast. Sethe kan geen partij kiezen; misschien is het beter dat hij gaat, moet het maar blijven zoals het was. “… Voor Sethe was de toekomst alleen een kwestie van het verleden op afstand houden. Het ‘betere leven’ dat zij en Denver volgens haar leidden, was domweg niet dat andere leven…”. Ze zullen zich wel redden, zegt ze. Maar Paul D geeft niet op. “… ‘En hoe staat het vanbinnen?’ ‘Daar kom ik nooit.’ ‘Sethe, als ik hier bij jou ben en bij Denver, dan kun je overal heen. Spring maar als je daar zin in hebt, want ik vang je wel op, meisje. Ik vang je wel op voor je valt. Ga maar zo ver naar binnen als je moet. Ik hou je enkels wel vast. Om zeker te weten dat je er weer uit komt ook. En ik zeg dat niet omdat ik ergens onderdak moet hebben. Dat is het laatste wat ik nodig heb. Ik zei je al, ik ben een loper, maar ik kom wel al zeven jaar hieropaan lopen. Ik ben er rondom heen gelopen. Ik heb het noorden, het zuiden, het oosten en het westen gehad; ik ben in streken geweest die geen naam hebben en nergens ben ik lang gebleven. Maar toen ik hier kwam en daarbuiten op de veranda op jou zat te wachten, nou toen wist ik dat ik niet op deze plek af kwam. Maar op jou. Wij kunnen er een leven van maken, meisje. Een leven…”. Sethe weet het niet. Ze stelt voor elkaar voorlopig geen beloften te doen. In plaats daarvan besluiten ze naar de kermis te gaan. Paul D: “… Donderdag, morgen, is het voor de gekleurden en ik heb twee dollar. Jij en ik en Denver gaan die tot de laatste stuiver opmaken. Wat zeg je me daarvan?...”.
Een dweper die zijn leermeester bevredigt
Als ze terugkomen van de kermis zit er bij het huis een onbekende jongedame op een boomstronk te slapen, die uit het water is opgerezen en zegt dat ze ‘Beminde’ heet (zie de overeenkomst met Aphrodite). Ze nemen haar mee naar binnen waarna ze “… blijft hangen als een huisgeest…”. De eerste dagen doet ze niets anders dan slapen en water drinken, daarna eet ze doorlopend zoetigheid. Denver zorgt voor haar als voor een pasgeboren baby. Paul D voelt nattigheid en beweert dat hij Beminde met één hand de schommelstoel heeft zien optillen. Niemand gelooft hem. Sethe vindt het wel leuk voor Denver dat er een meisje in huis is. Ondertussen loopt de hond weg en komt niet meer terug. De lieve, maar vreemde gast kan haar blik niet van Sethe afhouden; ze wordt “… gelikt, geproefd en verslonden door de ogen van Beminde…”. Zoals “… een dweper zijn leermeester bevredigt…”. Sethe voelt zich gestreeld door alle overweldigende aandacht.
De draak die dorst naar zwart bloed
Paul D kan niet goed uitleggen waarom hij Beminde niet vertrouwt. In ieder geval lijkt ze op niemand die hij de afgelopen twintig jaar toevallig is tegengekomen: “… Hij had in de oorlog en daarvoor en daarna negers ontmoet die zo totaal in de war waren of zo uitgehongerd of doodmoe en door de dood van zoveel beroofd dat het een wonder was dat ze nog iets wisten of iets zeiden. Ze hadden zich schuilgehouden in grotten en om eten gevochten met uilen, net als hij; van varkens gejat, net als hij; overdag in een boom geslapen en ’s nachts gelopen, net als hij; hadden zich, net als hij, in de varkensslobber verstopt en waren in putten gesprongen om uit de buurt te blijven van de mensen die orde op zaken kwamen stellen, razzia’s hielden, koppen snelden, van de oudgedienden, de heikneuters, de meutes en de mensen die op een geintje uit waren. Hij kwam een keer een neger van een jaar of veertien tegen die in z’n eentje in het bos woonde en zich niet kon herinneren dat hij ooit ergens anders had gewoond. Hij zag dat een achterlijke gekleurde vrouw in het gevang kwam en werd opgehangen voor het stelen van eenden; zij dacht dat het haar kinderen waren…”. Maar ja: “… je kon een hulpeloos gekleurd meisje niet de deur uitzetten in een streek waar de Klan heerste. De draak, die dorstte naar zwart bloed omdat hij zonder niet kon leven, zwom de Ohio over wanneer het hem beliefde…”.
Baby Suggs
Een prachtig stuk gaat over Baby Suggs, de manke schoonmoeder van Sethe die, “… omdat het slavenbestaan ‘haar benen, rug, hoofd, handen, nieren, baarmoeder en tong kapot hadden gemaakt’, besloot dat ze alleen nog een hart had om haar brood mee te verdienen…”. Ze wordt een ‘buitenkerkelijk’ predikant. “… Niet geroepen, zonder toga en ongezalfd…”, laat ze haar grote hart kloppen voor iedereen die dat nodig heeft. Ooit “… was nr. 124 een vrolijk, roezemoezig huis waar Baby Suggs, de vrome, liefhad en vermaande, voor voedsel zorgde, kastijdde en troostte…”. Even verder: “… Vreemdelingen rustten er uit terwijl de kinderen hun schoenen aanpasten. Er werden boodschappen achtergelaten, want wie ze nodig hadden zou binnenkort wel langskomen…”. Elke zaterdagmiddag preekt ze op een open plek diep in het bos: de Lichting. Dat zijn geen gewone preken. Ze gaat op een afgeplatte rots zitten en doet een stil gebed. “… Dan riep ze: ‘Laat de kinderen komen!’ en die renden vanaf de bomen naar haar toe. ‘Laat eens aan jullie moeders horen hoe jullie lachen,’ zei ze tegen hen en het bos weergalmde ervan…”. Daarna moeten de mannen laten zien hoe ze kunnen dansen. En ten slotte roept ze de vrouwen bij zich om te huilen: “… Voor de levenden en de doden…”. Ze zegt niet tegen hen dat ze hun leven op orde moeten brengen of moeten ophouden te zondigen. Ze zegt dat ze van hun lichaam moesten houden, omdat ze het ‘daarginds’ verachten, net zo lief villen, de ogen uitpikken en de handen afhakken. En dat ze het allermeest van hun hart moeten houden. Maar Baby Suggs wordt moe, gaat naar bed en wil alleen nog maar over ‘kleur’ nadenken (zie “Ademschommel” van Herta Müller waarin een concentratiekampgevangene helemaal overdonderd wordt door de schoonheid van een witte zakdoek), tot haar gulle oude hart het begeeft. “… Zestig jaar lang had ze kinderen verloren aan mensen die haar leven opkloven en als een visgraatje uitspuugden…”. Op de laatste dag van haar bestaan hipt ze nog één keer naar de kamer om Sethe en Denver bekend te maken met “… de les die zij geleerd had in haar zestig slavenjaren en tien vrije jaren: dat de wereld maar één ongeluk kende en dat waren de blanke mensen. ‘Ze weten niet van ophouden,’ zei ze en ze ging weer naar bed, trok de sprei op en liet hen voor eeuwig met die gedachte zitten…”.
Zondebok
Baby Suggs wordt een ‘zondebok’ wanneer ze, nadat Sethe met haar nieuwe baby is opgedoken, een enorm ‘bramenfeest’ organiseert dat Kerstmis in de schaduw stelt. Ze bakt tien, of misschien nog wel meer, bramentaarten waar negentig mensen op af komen die zo lekker eten en zoveel lachen ‘dat ze boos worden’, omdat nr. 124 ‘schudt van het lachen’. De volgende dag ruikt Baby Shuggs ‘afkeuring in de lucht’ die om te snijden is. “… Haar vrienden en buren waren boos op haar omdat ze te ver was gegaan, te veel had gegeven, aanstoot had gegeven door overdaad…”. Ze zijn woest: “… Er was iets slechts op komst…”. Zie René Girard in “De zondebok”: “… Uiteindelijk trekken alle extreme eigenschappen van tijd tot tijd collectieve uitbarstingen aan, niet alleen buitengewone rijkdom en armoede, maar ook andere extremen van succes en mislukking, schoonheid en lelijkheid, deugd en ondeugd, de kunst te behagen of te ergeren, de zwakte van vrouwen, kinderen en grijsaards, maar ook de kracht van de sterksten die zwakte wordt tegenover de numerieke overmacht. Met grote regelmaat keren de massa’s zich tegen hen die aanvankelijk een buitengewone greep op hen hadden…”.
De rechtschapen blik
Het slechte blijken de slavenvangers te zijn, waarvoor niemand nr. 124 komt waarschuwen, terwijl ze toch zo herkenbaar zijn door hun ‘rechtschapen’ blik. Een speciale blik die als een uitgestoken vlag het signaal is voor en de aankondiging van “… de takkenbos, de zweep, de vuist, de leugen…”. Sethe ziet de hoed van de meester boven de spijlen van het hek zweven als ze in de tuin aan het werk is. Ze draait volledig door, pakt haar kinderen op en neemt ze mee naar een schuurtje, waar ze hen probeert te vermoorden voordat haar baas ze in zijn fikken krijgt. Dat lukt alleen bij het ‘kruipt-ze-al-meisje’: Beminde. Verbijsterd bekijken de heren de chaos die ze aantreffen en druipen af. Alleen de sheriff heeft hier nog een taak. Als een schooljongen veel later aan Denver vraagt of ze ‘haar moeder niet opgesloten hebben voor moord’, wordt Denver doof. Twee jaar lang. Een steenhouwer wil de naam van Beminde op haar prachtige grafsteen vol rose flintertjes beitelen, als hij tien minuten gebruik mag maken van Sethe’s lichaam. Sethe stemt toe en schort haar rokken op terwijl ze tegen de steen staat. Later bedenkt ze dat de smeerlap, voor twintig minuten tekeergaan, misschien wel het woord TEER ervoor had willen beitelen…
Bemoeial
Na de ‘Ellende’ hangt er een doem boven nr. 124. Het raakt in verval. Iedereen loopt er met een grote boog omheen. Paul D hoort pas via een collega op de slachterij waar hij werkt over de geschiedenis – een man die later gruwelijk spijt heeft van zijn ‘eerlijkheid’: “… Misschien had hij er zich niet moeten bemoeien, misschien was hij niet de hoogstaande strijder van Christus voor wie hij zichzelf hield, maar een doodgewone, alledaagse bemoeial die iets wat prima liep, afbrak ter wille van de waarheid van een gewaarschuwd man, omdat hij daar zelf zo veel waarde aan hechtte…”. Zie de vromen die in de oorlog Joden verlinkten omdat ze niet wilden liegen: soms is ‘voor de waarheid gaan’, koste wat kost, alleen maar weerzinwekkend egoïsme. De teruggekeerde geest van Beminde werkt Paul D langzaam maar zeker de deur uit. Hij weet dat hij verloren is zodra “… hij net als de vrouw van Lot bezorgd werd en, alsof hij een vrouw was, zo nodig moest zien hoe de zonde achter hem eruitzag, misschien medelijden kreeg met de gedoemde die doem bracht…”. Hij ziet geen andere weg dan te vertrekken: de enige ‘normale’.
Omslaande stemming
Als Paul D weg is, gaat het van kwaad tot erger. Eerst hebben de vrouwen het heel leuk met z’n drietjes. Maar allengs raken Sethe en Beminde compleet geobsedeerd door elkaar en valt Denver buiten de boot. Sethe verwaarloost haar werk en wordt ontslagen. Beminde eist steeds meer snoepgoed, terwijl het eten opraakt. Net als in “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” - zie mijn vorige blog – slaat de stemming om. Ruzies beginnen en houden aan. Iemand die zich zorgen maakt en bij het huis gaat kijken, hoort “… stemmen die nr. 124 als een strop omringen…”, voelt “… een muur van kou…”. Hij wéét wie de woorden spreekt: “… De mensen met de gebroken nekken en het bloed dat kookte in het vuur en de zwarte meisjes die hun linten verloren hadden. Wat een gebrul…”. Zie de niet-bestaande ‘Gemeenschap’ in mijn vorige blog. En dan zijn we bij de eigenlijke duiding van het verhaal.
Was er wel ‘iets’?
Nergens maakt Toni Morrison expliciet duidelijk wie Beminde is. Een bovennatuurlijk wezen? Een getraumatiseerd mens? De fysieke belichaming van herinnering, schuld en slavernijtrauma? Soms lijkt het erop dat Sethe en Beminde een en dezelfde persoon zijn. Beminde zegt ergens (in haar gebroken taaltje): “… ik ben niet apart van haar ik hou nergens op haar gezicht is mijn gezicht…”. De gemeenschap buigt zich ook over de vraag: “… Er zat een meisje opgesloten in het huis van een blanke man ginds bij Deer Creek. Vorige zomer werd-ie dood gevonden en het meisje was weg. Misschien is zij dat wel. De mensen zeggen dat-ie d’r had vanaf dat ze een jong katje was…”. Op den duur móét Denver het huis wel uitkomen, wil ze niet verhongeren. Wanneer de vrouwen in de stad vernemen dat nr. 124 veranderd is in een bezeten gekkenhuis, slaan ze de handen ineen en trekken er gezamenlijk zingend en biddend naartoe om het fantoom te verjagen. Als Sethe en Beminde in de voordeur verschijnen, lost Beminde ook daadwerkelijk op. Achteraf blijkt dat sommigen niets hebben gezien: “… ‘Geloof jij dat ze het zagen?’ ‘Tja. Ze zagen wel iets…”. Even verder: “… Op één punt zijn ze het eens: eerst zagen ze het wel en toen zagen ze het niet…”.
Rimboe
Ik denk dat je Beminde in ieder geval kunt zien als de psychologische projectie van schuld en rouw. Was Sethe schuldig of onschuldig? Slavernij vernietigt de normale morele orde. Net als James Baldwin toont Toni Morrison dat trauma door blijft spoken in mensen én generaties. De eerste de beste blanke kon je hele wezen “… gebruiken voor wat er maar in zijn hoofd opkwam. Hij kon je niet alleen laten werken, je vermoorden of je verminken, hij kon je bevuilen. Je zo erg bevuilen dat je niet meer van jezelf kon houden. Je zo erg bevuilen dat je vergat wie je was en er niet meer op kon komen…”. Ze doden je ziel. Zie Mattheüs 10:28. En dat ook nog vaak met een uitgestreken, vrome kop. Blanke mensen geloven dat er in elke zwarte een rimboe schuilt, zegt iemand, en in zekere zin is dat waar: “… De rimboe plantten de blanke mensen aan. En hij groeide. En verspreidde zich. Verspreidde zich in, tijdens en na het leven, tot hij zich massaal meester maakte van de witten die hem hadden geschapen…”. Je zou bijna een hekel aan je eigen ‘soort’ krijgen. “… ‘Je moet me ’s wat zeggen, Stamp’. Paul D’s ogen waren vochtig. ‘Eén ding moet je me zeggen. Hoeveel moet een nikker eigenlijk pikken? Zeg me dat‘. Hoeveel?’ ‘Zoveel hij kan,’ zei Stamp Paid. ‘Zoveel als hij kan.’ ‘Waarom? Waarom? Waarom? Waarom? Waarom?’…”.
Uitgave: De Bezige Bij – 2020, vertaling Nettie Vink, 352 blz., ISBN 978 940 318 930 7, €24,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten