Menu

zondag 24 november 2013

De tovenaar en de dominee – Henk Vreekamp


Subtitel: Over de verschijning van God

Het tweede deel van de Veluwe-trilogie is een totaal ander boek dan het eerste (zie hier). Hierin beschrijft Henk Vreekamp zijn wortels, die in Hoevelaken liggen. Het is een moeilijk boek, zelfs zo moeilijk dat ik mij afvraag of je niet de nodige basiskennis van de - gereformeerde - theologie moet hebben, wil je het allemaal nog kunnen volgen. Vreekamp begint met te verwijzen naar "Hoe God verdween uit Jorwerd" van Geert Mak en "Knielen op een bed violen" van Jan Siebelink. Allebei bestsellers indertijd. Het eerste heb ik niet gelezen, het laatste wel. Als je niets met theologie hebt, is het misschien raadzaam deze twee verhalen te lezen voor je aan “De tovenaar en de dominee” begint.


Muizenissen
Het klinkt absurd, maar in het voorgeslacht van Henk Vreekamp bevond zich een grootvader die ‘witte muizen’ kon toveren (hij ging trouwens gewoon naar de kerk):
“… Zo nam hij een hand met zand en strooide dat vanaf de hilt op de deel en ’t waren ineens muizen en kikkers. Wel honderden vlogen over de deel…”. Ik had nog nooit over zulke vreemde toestanden gehoord, maar in de jaren zestig, blijkt het P.J. Meertens Instituut in Amsterdam (van de Voskuil- boeken ja, die ik tot mijn schande nooit heb gelezen), onderzoek te hebben gedaan naar dergelijke verhalen op de Veluwe: “… Zo’n honderd jaar geleden lijkt de toverkunst met witte muizen nog welig te tieren in de Gelderse Vallei en Oost-Utrecht. Heupers trekt van Lunteren tot Muiden en van Nijkerk tot Driebergen de regio door, op zoek naar onvervalste toverij. Onderweg raken maar liefst vierenveertig zegslieden aan de praat over de witte muis…” (waarschijnlijk gaat het om epilepsie-lijders: wit schuim op de mond, enzo). Er worden 6000 (!) toverijsagen verzameld.

Bevindelijke vroomheid
Daarnaast komt Vreekamp op de proppen met een voorvader die militair was tijdens de eerste wereldoorlog, en waarvan de briefwisseling met zijn geliefde bewaard is gebleven.
In deze brieven komt de bevindelijke vroomheid naar voren die ook de vader in “Knielen op een bed violen”, het mega-succes van Jan Siebelink, eigen is. Ik snap nog steeds niet waarom dat boek zo’n geweldige hype geworden is in Nederland: ik vond het een ongelooflijk deprimerend verhaal – eerlijk gezegd.
Ook Vreekamp tekent iemand die volkomen opgaat in zijn geloof. Hij was soldaat, hij moet toch haast wat gehoord hebben van de gruwelijkheden tijdens de loopgravenoorlog - ook al waren wij onafhankelijk? Al die jongens die omkwamen, het gifgas, de Belgen die bij ons een goed heenkomen zochten: er is niets over te vinden in zijn brieven. Of heeft Vreekamp deze aantekeningen er bewust buiten gehouden omdat hij het alleen over zijn vroomheid wilde hebben? Ondanks zijn overgodsdienstigheid is het best te harden tussen de andere dienstplichtigen. Hij voelt zich geen vreemde eend in de bijt. Er wordt helaas niet altijd gebeden voor het eten, “… Ze vallen aan als beesten…”, dan voelt hij zich wel eens alleen. Maar verder niet. Misschien was het in die tijd gewoon veel normaler om religieus te zijn dan nu.
Zijn vroomheid wordt gekenmerkt door een hoog ‘tale Kanaänsgehalte’, een soort eigen groepstaal die de bevindelijke kring er op nahoudt. Een paar opvallende kenmerken zijn de verkleinwoorden: uurtjes van korte duurtjes, psalmversjes, een blijmoedig dagje, enz.; en de eindeloos zich herhalende godsdienstige clichés - hoe bekender hoe aangenamer - waarmee een soort analyse van de geestelijke staat wordt verwoord die mij verrassend genoeg doen denken aan de inzichten uit de dieptepsychologie, waar toen nog echt niemand van had gehoord.

Het ‘volkje’
De ingewijden zijn het ware volk van God. Het ‘volkje’. De uitverkorenen. De bekeerden. Een soort van bijzondere heiligen die een rechtstreekse verbinding lijken te hebben met God. Reken maar dat dat je macht geef. Je bent bijna onaantastbaar. Onder elkaar wordt beoordeeld wie dat zijn (je moet jezelf wel weten te verkopen): de meeste gewone kerkgangers in elk geval niet.
Ik weet niet zo goed wat ik er van moet denken. Bij mij komt de vader in “Knielen op een bed violen” over als een enorme egoïst. Vreekamp: “… Zo werpt een jongere broer van Jan Siebelink zijn vader voor de voeten dat deze hem nooit gezien heeft. ‘Ik fietste achter je aan op mijn driewieler, maar je stuurde me weg, want je dacht alleen aan je eigen ziel die gered moest worden. Alles draait om jou, om jouw zogenaamde uitverkiezing, om jouw redding. Ik heb een vader die gered wil worden. Of anderen eeuwig branden (in de hel), snakkend naar een druppel water, maakt niet uit. Hij heeft een stem gehoord, wij niet…”. Iedereen lijdt aan het geloof van de vader: zijn vrouw en de jongens worden afgewezen en buitengesloten, van zijn moeizaam verdiende geld koopt hij stiekem godsdienstige boeken, de kwekerij gaat naar de knoppen.
Vreekamp heeft het over ‘gezelschappen’ waarin mensen tijdens het vertoog over hun persoonlijke geloofservaring dusdanig in trance raken dat ze in de derde persoonsvorm overgaan als ze het over zichzelf hebben: ‘Hij mocht nog even in de ruimte staan’ en ‘Hij kreeg nog een woordje van boven’. Alsof ze vanaf een afstandje naar zichzelf staan te staren. Ik vind het eng en bizar. Dit is toch Narcissus ten voeten uit (als hij in het water kijkt wordt hij verliefd op zijn eigen spiegelbeeld)?
Ik moest denken aan de Friese koning Redband, die terwijl hij met één been in het doopvont stond, aan de prediker vroeg of zijn dode stamgenoten in de hemel waren en toen hij daar een ontkennend antwoord op kreeg terugstapte, en zei dat hij dan liever met zijn voorouders in de hel was. Kijk; dat vind ik een mooier, en eigenlijk ‘christelijker’ verhaal. Want uiteindelijk gaat het toch om de liefde. Als je het grote gebod van het christendom – God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf – letterlijk door midden hakt zodat je alleen het eerste gedeelte overhoudt, heb je het dan nog wel over ‘christendom’? Het evenwicht raakt zoek. Het gaat om een mystiek die volkomen losgezongen is van het basale leven. Alleen het gevoel telt.
Soms worden mensen die het over Christus hebben, verachtelijk ‘christusmannetjes’ genoemd, vertelt Vreekamp. Aan de historische Christus heb je niets; het gaat om de Christus in je hart. Dan is er dus bijna sprake van ‘geloven in een God die niet bestaat’. Wanneer dwaalt een christen zover af dat hij een ketter wordt? Vreekamp haalt de theoloog Van Ruler aan die in zijn essay “Ultra-Gereformeerd en Vrijzinnig” (1970) deze bijna autistische vorm van bevindelijkeid dan ook betitelt als ‘gnostiek’. Voor de liefhebber: zie hier. Ik kende het niet. Het is wel gedateerd, maar ik vond het zeer verhelderend om te lezen.

Vraag
Vreekamp stelt in zijn boek een vraag die mij ook zorgen baart. Hoe komt het dat kerkdiensten zo vaak als ‘saai’ worden ervaren? Als de kerken leeglopen (wat ik niet gek vind), moeten we dan niet eens gaan kijken naar dié dominees die wél massaal publiek trekken? Hij noemt een aantal charismatische figuren uit het bevindelijke verleden: Van der Wal, Fraanje, Paauwe, Kuypers (van de ‘Nijkerkse beroeringen’: een soort opwekkingsbeweging – volgens de laatste inzichten misschien wel beïnvloed door de giftige dampen die vrij kwamen tijdens de welig tierende tabaksteelt). Dan zegt hij: ‘Zij begrepen de mythen van het volk’.
Ik denk dat dat heel erg waar is. Als je dat niet doet, preek je in het luchtledige, wordt de kerkdienst kitsch, zegt iemand in het boek. Je ziet dat terug in de literatuur. Gisteren besprak ik met een groep "Het pauperparadijs" van Suzanna Jansen, dat over landlopers gaat. Inmiddels de 52ste (!) druk. Hoe kan het dat een boek zó aanspreekt? Waarschijnlijk dus hierdoor. Siebelink deed dat ook. Vreekamp stelt zelfs dat als je niets van de bevindelijke godsdienst weet je de Nederlandse volksziel niet goed kunt begrijpen.
Nou, dan heeft Siebelink zijn functie dus.
Literatuur heeft te maken met (volks)identiteit. Maar religie ook. Hitler sprak als geen ander de mythe van het volk. Er zit een gevaarlijke kant aan – het kan dus ook heel erg fout gaan. Als ik het goed begrijp, verwoordt Vreekamp dit als hij het heeft over ‘de wraak van de mystiek’; waaronder ook een bevinding valt die nergens anders meer op stoelt dan het eigen hart.

Spitten en niet moe worden
Vreekamp komt met zijn eigen visie op geloof en ambt. Ik ben geen theoloog; ik vond het zware stukken. Temeer daar hij in een hele poëtische stijl schrijft zodat je als leek soms een beetje moet gissen naar wat hij bedoelt. Hij definieert het geloof als een mysterie:
“… De God van Israël is mij vreemd. Als heiden van huis uit probeer ik mijn leven lang eigen met Hem te worden. Het lukt niet. Hij houdt zich verborgen (Jes. 45:15)…”, - gelukkig geeft het dus niet als je niets van Hem snapt - tussen aan de ene kant mythe (het volksgeloof) en aan de andere kant mystiek (bevinding): “… Samen vertonen zij alle tinten van licht en donker…”.
Er zijn prachtige stukken waar ik mij helemaal in herken: “… Toen ik eind 1943 het levenslicht zag, was volgens Elie Wiesel (geb. 1928) het christendom in Europa stervende. ‘De oprechte christen weet dat wat stierf in Auschwitz niet het Joodse volk maar het christendom was.’ Wat ik van de christelijke cultuur nog heb kunnen zien, was in de ogen van Wiesel dus niet meer dan een naglans…”. Vandaag weten we dat dat maar al te waar is. En: “… Het lijkt wel of we in onze tijd met z’n allen wereldwijd op zoek zijn naar het mysterie. Het mysterie van de Rosslyn-kapel, van de echte Jezus, van Maria Magdalena, van Judas, van de Big Bang, van de Graal, van Atlantis, van het DNA, van de schepping, van de evolutie, van het leven zelf. En als – ja, áls – we gevonden hebben, zegt Umberto Eco (de schrijver van "De slinger van Foucault"), is intussen ons leven voorbij. Opgegaan in een zoeken is ons bestaan…”. Het doet me denken aan Bruno, één van de hoofdpersonen in "Elementaire deeltjes" van Michel Houellebecq, die in allerlei New Agecentra terecht komt en doodmoe wordt van zichzelf, omdat hij nergens vindt wat hij zoekt. “Niets is er waar ik in kan rusten” – Psalm 74. Dat kan natuurlijk ook niet anders. Zo komen we vanzelf terecht bij ‘de God van de hemelse machten’, zoals De Nieuwe Bijbelvertaling zo mooi vertaalt. Pas dan kun je – met terugwerkende kracht - ‘spitten, en niet moet worden’, is mijn ervaring. In het Jodendom mogen mannen pas na hun veertigste de Kabbala gaan bestuderen. Dat is niet voor niets.
Net als in het vorige boek staat aan het eind van dit deel een opsomming van bronmateriaal waaruit Vreekamp zijn ideeën heeft geput. Ik heb ze niet geteld maar het moeten zeker een paar honderd (!) titels zijn. Het grappige is dat er tussen allerlei erudiete en stichtelijke werken ook zomaar een Suske en Wiskestrip staat: "De vonkende vuurman", naar aanleiding van een Hoevelakens volksverhaal. Geweldig. Hoge en lage cultuur door elkaar: Joost Zwagerman doet het precies zo. Ik ben mij ervan bewust dat de bespreking van deze Vreekamp-trilogie pittig is. Ik beloof hierbij dat als ik er klaar mee ben, dat Suske en Wiskealbum zal recenseren. Weer eens wat anders! Nog één boek
te gaan…

Trailer: http://www.youtube.com/watch?v=oz4WVXNxR9A

Henk Vreekamp in de media:
http://www.eo.nl/radio5/programmas/andriesradio/aflevering-detail/andries-radio-838fba2cfc/#

Uitgave: Boekencentrum - 2010, 318 blz., ISBN 978 902 392 443 2, €19,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Zwijgen bij volle maan – Henk Vreekamp


Subtitel: Veluwse verkenningen van Edda, Evangelie en Tora

Op 31 oktober – Halloween en Hervormingsdag - kwam het derde en laatste deel uit van wat Henk Vreekamp (1943, Hoevelaken, 1971-1984 hervormd predikant in Oosterwolde en Epe, 1984-2002 predikant Kerk en Israël) zijn Veluwe-trilogie noemt: “Als Freyja zich laat zien”.
Ik heb even zitten dubben of ik alleen dit boek zou recenseren, maar uiteindelijk heb ik toch besloten om ze alle drie te bespreken. "In de ban van de ring" kun je tenslotte ook niet echt goed volgen als je niet met boek één begint, en eigenlijk is Tolkien toch wel een beetje waar ik Vreekamp mee associeer: de Tolkien van de Veluwe. Dat werd dus lezen en herlezen.


Identiteit
Ik was compleet van de wereld met “Zwijgen bij volle maan”. Een boek waarin de schrijver drie personen over de Veluwe – met z’n 88000 hectare één van de grootste aaneengesloten natuurgebieden van Europa, en ooit het ondoordringbare toevluchtsoord voor iedereen die wat op zijn kerfstok had: daar kon niemand je vinden - laat wandelen, die intensief met elkaar in gesprek gaan. Adelheid – ‘vrouwe van edele gestalte’-, ze staat voor het aloude heidendom. Maria, zij staat voor het christendom. En Samuël, die Joods is.
In mijn blog over “Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur” van Thomas Vaessens leg ik uit dat literatuur over identiteit gaat. Als één boek in mijn leven daar het prototype van is, is dat wel “Zwijgen bij volle maan”. Ik ben namelijk op de Veluwe geboren, al heb ik er korter gewoond dan ik er inmiddels weg ben.
Vreekamp voert als oorspronkelijke veluwnaar Evert Bouw op. Zijn naam betekent 'zo sterk als een ever'. Evert is een vrijgezel die zonder technische middelen met zijn dieren en gewassen nog helemaal volgens het eeuwenoude ritme van de natuur leeft. Laat mijn officiële voornaam, Evelina, nu een vrije improvisatie zijn van die van mijn oma aan moederszijde: Evertje Bouw. Jawel. Mijn naam heeft dus niets te maken met Eva, de eerste vrouw en ‘moeder van alle levenden’ volgens Genesis, zoals mijn christelijke omgeving mij altijd heeft opgedrongen, maar veel meer met de everzwijnen uit de strips van Asterix en Obelix. Helaas; mooier kan ik het niet maken.
Het wordt nog veel erger. Vreekamp gaat het over de ‘Thingvellir’ hebben, de vergadering in de open lucht, als hij de Edda bespreekt, het boek waarin de oude goden- en heldenliederen van Noord-Europa staan beschreven. Daarin wordt het visioen van een zieneres beschreven, de Völuspá: “… Proloog. Hljoðs bið eg allar kindir… Stilte verzoek ik, alle kinderen… Aan het woord is de wijze vrouwe. Zij vraagt stilte, zoals bij de opening van de vergadering. We zijn aanwezig bij de volksvergadering op IJsland zoals die elke midzomer wordt gehouden op Thingvellir, de vlakte van Allthing, de plaats van het geding…”. Laat mijn meisjesnaam van vaderskant nu ‘Alting’ zijn. Het is duidelijk: ik ben zo ‘heidens’ als de pest.
Ze is trouwens prachtig, die zieneres: “… Wanneer ze arriveerde in de avond droeg ze gewoonlijk een blauwe mantel, glazen kralen om de hals en op haar hoofd een zwarte lamsleren hoed, van binnen gevoerd met kattenvel. In haar hand had zij een staf die versierd was met koper en onder de knop rondom bezet was met stenen. Rond haar middel droeg ze een riem en daaraan hing een grote tas waarin ze haar amuletten, tovermiddelen en toverwoorden bewaarde die ze nodig had voor haar optreden. Ze droeg harige kalfsleren schoenen met lange punten en op het einde van de punten zaten grote knoppen. Ze had kattenleren handschoenen aan die van binnen harig wit waren. Wanneer ze binnentrad, voelde iedereen zich geroepen haar gepast en volgens de regels te groeten. Ze nam de begroeting in ontvangst naar gelang de donoren bij haar in de gunst vielen. De heer des huizes nam haar bij de hand en begeleidde haar naar de plaats die voor haar in gereedheid was gebracht…”.
Een eindje verder wandelt Vreekamp ook nog door ‘De Maanderbuurt’, de plek tussen Ede en Veenendaal waar ik de eerste zeven jaar van mijn leven heb doorgebracht. Dat maakt het af. Dit boek gaat over ‘mij’. Ik herken de streek, ik herken de mensen, en ik herken het heidendom, het christendom, en het jodendom, zoals Vreekamp het beschrijft. Vanaf de kist met joekels van jaffa-sinaasappels, die wij kregen van kinderloze vrienden van mijn ouders. Iedere herfst werden die vanuit Israël toegestuurd omdat ze tijdens de oorlog - onder de ogen van NSB-buren – Mirjam, een joods meisje, hadden opgevoed als hun eigen kind. Tot aan de herinnering aan het jongste broertje van mijn moeder die met kerst onze kleine voorkamer zo ongeveer behong met dennentakken. Want een kerstboom mocht niet. Dat was heidens. Wij waren heel erg christelijk. Dat hij er minstens vijf kerstbomen voor moet hebben gekapt doet er niet toe. Nog steeds geef ik de voorkeur aan de geur van prikkelend dennengroen boven dat van de zilte zeelucht – al is dat laatste ook erg lekker. Kortom: alles, werkelijk alles aan mij, heeft een verbintenis met religie. Dat is wat Vreekamp mij duidelijk maakt.

Tot in het diepst van je wezen
Ik weet dat geschiedenisdocent Fred van Lieburg (Vrije Universiteit Amsterdam) de vloer aan veegt met “Zwijgen bij volle maan”, zie hier, maar dat kan mij niets schelen. “Zwijgen bij volle maan” is geen wetenschappelijk verhaal. “Zwijgen bij volle maan” is mythe, is poëzie, is romantiek, is gevoel, is emotie, is gewetensonderzoek, is betovering, is de taal van hart en nieren, is gemijmer tijdens een wandeling. Nietzsche (zie hier) wandelde negen uur (!) per dag, waarin hij zijn overdonderende boeken uitbroedde. "Zwijgen bij volle maan" is vooral ook gekend worden tot in het diepst van je wezen… En willen we dat laatste niet allemaal? Toen ik dit boek uit had heb ik een hele poos heel hard zitten janken. Waarom eigenlijk?

Heiligenkalender en almanak
Als de nacht valt zitten Adelheid, Maria en Samuël rond een vuur in het koude Kootwijkerzand (een mini-woestijn: overdag kan het er 40 graden worden, en ’s nachts vriezen). Maria bladert in een heiligenkalender en leest welke apostel bij welke dag hoort. Adelheid bladert door de Veluwse almanak en leest dat ‘bij regenweer de trek van de padden begint’ en dat ‘vandaag de vleermuizen in winterslaap gaan’. Plotseling vraagt Adelheid aan Samuël: ‘Wat betekent het eigenlijk voor jou om joods te zijn?’. Dan begint Samuël te vertellen over het joodse leven op de Veluwe waarvan bijna niets meer over is na de Holocaust, over het antisemitisme en de synagogen en de heilige Tora. En over het begin van de Bijbel, waarin de geschiedenis maar liefst drie keer vastloopt: “… Hoe moet het verder na de zondeval, de zondvloed en na de stad en toren van Babel?...”. Er ontspint zich een gesprek zo’n beetje over het hoofd van Maria heen, die stil luistert. Adelheid vertelt over de oude Veluwse mythen en sagen. Over de schat bij het Uddelermeer: “… Diep in het Heidens gat / begraven ligt een schat / Wie hem bij volle maan weet uit te spitten / en daarbij zwijgen kan, zal hem bezitten…”. Over de reuzen die er ooit woonden. Over Wodan, de eenogige god die negen dagen aan een boom hing om de wijsheid van de runen te bemachtigen, en daarbij een oog moest opofferen (die voortaan naar binnen keek), en Donar met zijn hamer (die later veranderde in het christelijke kruis), en Freyja. Natuurlijk Freyja: “… Haar wilden de mensen beslist niet kwijt. Stel je voor: de godin van de liefde, de natuur, de hartstocht, de vruchtbaarheid, het zaad, de aarde, de geboorte, de passie, de gerijpte vruchten, Freyja leeft. Zij is de wilde vrouw, de matrone, de minnares, de geliefde in zwoele zomerse nachten. Zij draagt haar schat, brisingamen, een gouden snoer, om haar fraai gewelfde hals. Zonder Freyja kun je als mens op aarde niet leven…”.

Vleugellam
Het gaat allemaal over mij maar ik ben er zelf niet bij, denkt Maria. Ze voelt zich uitgeput. Haar ziel is verward. Langzaam beseft ze dat de christelijke God, een ‘vreemde’ God is, die niet van hier komt. De kerk van deze christelijke God roept weerstand op; maakt haar ziek. Zonder Edda en Tora is het Evangelie vleugellam; zegt Vreekamp. Zonder Edda en Tora raken we vervreemd van ons zelf. Inspireert de kerk niet meer.
Dát is wat er met ons christenen aan de hand is in Europa, denk ik. De Edda zit in ons bloed, en de Tora komt van buiten, wij zitten daar tussen in. De christen is een ‘mediater’. Hij kan een brug slaan tussen Edda en Tora, tussen heiden en jood.
Auschwitz kon ontstaan omdat wij voor het gemak even vergaten dat het Evangelie joods is. Christenen hebben de Shoa laten gebeuren, omdat ze hun joodse oorsprong verdrongen. Kijk waar dat toe heeft geleid. En hetzelfde dreigt te gebeuren als we onze heidense wortels niet respecteren, zegt Vreekamp (zie de heksenjacht).
Zonder Edda en Tora weten we niet wie we zijn. Dat is gevaarlijk.

Eenheid in verdeeldheid

Ik liep ooit tegen dezelfde weerstand op als Maria. Ik werd ook ziek van de kerk. Ik herken Maria en Adelheid als twee kanten van mijn verdeelde zelf. Ik vind, net als Adelheid, de raven die Wodan vergezellen, en de wilde ganzen die de zendeling Liutger lang geleden opvoerde als symbolen van de Heilige Geest, oneindig veel mooier dan de duiven, die dat in de Bijbel doen – ik hou nu eenmaal niet van die zalvige zijigheid die de duif bij mij oproept. Er zijn mannen als Samuël geweest die mij hebben ingewijd in de Tora: Frank de Graaff, Willem Ouweneel, Chaim Potok. Er is ook een man geweest die mij terug gebracht heeft naar de kerk: mijn éigen man.
De zoektocht die Vreekamp beschrijft is mijn eigen zoektocht.
“Die christenen altijd met hun wetjes en regeltjes”, hoor ik vaak om mij heen. Maar dat is het niet. Het gaat veel dieper. Het gaat om identiteit. Het gaat er om dat ik dacht dat ik in een kerk nooit mezelf zou kunnen zijn. Dat ik geacht werd er een ‘heilig boontje’ te moeten zitten wezen, terwijl ik wist dat ik dat absoluut niet was en in de verste verte nooit zijn zou (hoe kan dat nou, ik kom van de Veluwe, ik ben een dochter van geboefte en gespuis). Ik was bang dat ik niet geaccepteerd zou worden met heel mijn hebben en houden. Dat ik van mezelf zou vervreemden. Dat ik mezelf zou verliezen. Tot ik begreep dat Christus, die in het gewaad van “De Heliand” - een gedicht dat 1000 jaar geleden onze Westerse cultuur binnenkwam - de ‘helende’ was. Dat Hij, de ‘Drohtin’, de Leider, degene was die mij bij de enige God die mijn verscheurde zelf weer ‘heel’ kon maken - zijn Vader, de vreemde God van Israël - kon brengen. Dat Hij degene is die de tegenstellingen verenigd. In de Tora klinkt het niet voor niets steeds opnieuw: “Hoor Israël, de Heer, uw God, is één…”. Misschien is dat uiteindelijk wel het enige wat ik van Hem weet. En misschien is dat wel genoeg…

Carl Gustav Jung: “… Een heel mens is iemand die zowel met God heeft gewandeld als met de duivel heeft gevochten…”.

Uitgave: Boekencentrum - 2003, 345 blz., ISBN 978 902 391 346 7, €25,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 12 november 2013

Wat borderline met je doet – Arthur Hegger


Zo ongeveer om het half jaar bespreek ik met een pastorale werkgroep een boekje uit de serie “Wat … met je doet”: een reeks praktische gidsen over het omgaan met psychische vragen en problemen, uitgegeven door “Boekencentrum”, en geschreven door verschillende christelijke psychologen en psychiaters, met medewerking van studenten maatschappelijk werk aan de Christelijke Hogeschool Ede. We hebben al een heel rijtje gehad. “Wat autisme met je doet”, “Wat burnout met je doet”, “Wat schizofrenie met je doet” en nu dus “Wat borderline met je doet”. Schrijver Arthur Hegger (1953) is psycholoog en psychotherapeut. Hij werkt als directeur Behandelzaken bij Behandelcentrum Woodbrookers, dat hulp biedt aan jongeren van 12 tot 18 jaar met meervoudige gedrags- of psychiatrische problemen.

Instabiliteit is het enige dat stabiel is
Borderline is een bijzonder complexe persoonlijkheidsstoornis omdat mensen die hieraan lijden psychisch constant uit evenwicht zijn: “…Instabiliteit is het enige dat bij de borderline stabiel is…”. Ze omschrijven dit vaak met het gevoel ‘geen bodem te hebben’, of emotioneel ‘van ijsschots naar ijsschots te springen’. Als je al geen vat op jezelf hebt; hoe moeten anderen dat dan ooit op jou krijgen…
Het boek begint zoals altijd met - in dit geval vijf - diepte-interviews met personen met borderline en naastbetrokkenen, waardoor je direct al een indringend beeld krijgt over waar deze mensen mee kampen.
Borderline wordt gekenmerkt door moeilijke relaties. Familie, vrienden en collega’s weten zich geen raad met de impulsieve, wisselende en heftige stemmingen die opspelen: “… Het gedrag van iemand met een borderlinestoornis ontregelt het normale verwachtingspatroon van mensen uit hun omgeving…”. Daardoor worden mensen met borderline vaak afgewezen of aan hun lot overgelaten. De reactie daarop is begrijpelijke verlatingsangst.
Uit de verhalen blijkt dat borderliners opgelucht zijn als ze weten wat ze hebben, en graag goed geïnformeerd willen worden over hun stoornis. Ook omstanders zijn erg gebaat bij uitleg. Iets waar in de hulpverlening nog te weinig aandacht voor is – volgens Hegger.
Om een indruk te geven wat uitspraken uit de interviews:
  • “… Ik zeg niets of ik zeg alles, er is geen middenweg. Ik heb geen middenweg, het is niet grijs, het is zwart of wit. Het is alles of niets…”
  • “… Ik zal niet staan lachen bij een begrafenis, zo erg is het niet, maar als er iets emotioneels gebeurt dan verwerk ik dat verkeerd…”
  • “… Haar stemmingen wisselen van het ene op het andere moment. Daar is geen touw aan vast te knopen en ook niet in te schatten…”
  • “… Ik kon mij niet aanpassen. Ik had nooit vrienden of vriendinnen…”
  • “… Ze is vaak zo extreem bezig. Vandaag of morgen loopt het echt verkeerd af en dan is ze er niet meer…”
  • “… Ik kan die positieve emotie niet aan en dan sla je door naar de andere kant…”
  • “… In feite is het een soort hechtingsstoornis. Je bent bang om in de steek gelaten te worden…”
  • “… Vijf suïcidepogingen in een week, waarvan ze twee maar net heeft overleefd…”

Opname
Borderliners kunnen zichzelf door hun impulsieve gedrag erg schaden: teveel geld uitgeven, uit woede spullen kapot maken, plotseling drugs gaan gebruiken, seks hebben met vreemden, stelen in winkels, zichzelf verwonden tot zelfmoord toe. Ik las een verhaal van iemand die zichzelf in brand stak. Soms komen dan ook (langdurige) opnames voor die heel verschillend beleefd worden: “… Je werd in je waarde gelaten. In dit ziekenhuis werd naar je geluisterd. Je kon komen als je je rot voelde… Ik wist altijd waar ik aan toe was. In de andere ziekenhuizen werd ik als een kind behandeld en dan had ik juist de neiging om er tegenin te gaan… Ze waren gewoon heel duidelijk. Je kunt bij iedereen die ziek is aan iets gezonds appelleren. Dat deden ze daar heel sterk…. Ze benaderden mij heel praktisch en wilden dat ik het zei als ik niet lekker in mijn vel zat. Ik mocht aan het eind van de avond een kwartier praten met iemand en dan mocht ik zeggen wat mij dwars had gezeten. Op een gegeven moment zwakte het allemaal af en is het snijden overgegaan, omdat ik begon te beseffen dat ondanks wat ik deed, ik mocht zijn wie ik ben. Ik hoef daar dus niet zo extreem voor te doen…”.

Criteria
Psychiatrische aandoeningen zijn te verdelen in psychotische (als het contact met de werkelijkheid verloren is geraakt) en neurotische (als niet adequaat met de realiteit wordt omgegaan) stoornissen. Alles wat daar buiten valt werd tot voor kort aangeduid als borderline (grensgeval): een term die dus eigenlijk doelde op een vergaarbak van onbegrepen problematiek en mislukte behandelingen. In 1980 werd borderline pas officieel in de DSM (handboek voor psychiatrische aandoeningen) opgenomen. Ongeveer 1 à 2% van de bevolking lijdt aan borderline. Daarvan is 75% vrouw en 25% man. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat veel mensen met borderline een voorgeschiedenis hebben van seksueel misbruik. Ook kan het zijn dat mannen de stoornis agressiever uitleven waardoor ze in handen van justitie vallen en gediagnosticeerd worden als antisociaal, waarbij de verhoudingen precies andersom liggen: 75% man en 25% vrouw. Volgens de DSM-IV is er sprake van borderline als tenminste vijf van de onderstaande criteria van toepassing zijn:

  1. Krampachtig proberen te voorkomen om in de steek gelaten te worden
  2. Instabiele en intense relaties waarin de ander overdreven geïdealiseerd dan wel gekleineerd wordt
  3. Problemen op het vlak van identiteit: niet weten wie je bent
  4. Impulsiviteit op minstens twee gebieden die schadelijk zijn (b.v. geld verkwisten, roekeloos autorijden, vreetbuien, seks, misbruik van middelen)
  5. Zelfverwonding en/of suïcidaal gedrag
  6. Stemmingsproblemen
  7. Chronisch gevoel van leegte
  8. Onbeheersbare woede en/of driftbuien
  9. Voorbijgaande paranoïde ideeën of dissociatieve verschijnselen veroorzaakt door stress

In het boek staat een test waarmee je zelf kunt nagaan of je mogelijk aan een borderlinestoornis lijdt.

Verrassend breed
Om een indruk te geven. Een hoofdstuk gaat over de mogelijke oorzaken van borderline waarbij ondermeer gekeken wordt naar hechtingsproblematiek, biologische factoren, de invloed van traumatische gebeurtenissen en miscommunicatie in het gezin van herkomst.
Een ander hoofdstuk behandelt de effecten van borderline op de naastbetrokkenen. Het gaat b.v. over het accepteren van borderline, het stellen van grenzen en spreken in de ik-vorm.
Een volgend hoofdstuk bekijkt de instabiele relaties. Borderliners kunnen plotseling nieuwe contacten aangaan en oude afbreken. Ze zoeken naar een volmaakte relatie; maar die bestaat niet. Vaak treden er heftige schommelingen in de waardering van bestaande relaties op. Sommige mensen met borderline hebben moeite afstand te bewaren, zijn heel direct; met anderen krijg je juist moeilijk contact omdat ze iedereen op afstand houden. Borderliners wisselen tussen aantrekken en afstoten. Ze kennen geen nuances en oordelen vaak heel extreem. Het is alles of niets.
Een speciaal hoofdstuk gaat over eenzaamheid en leegte: “… De leegte waar borderliners over spreken, is erger dan de ervaring van eenzaamheid. Eenzaamheid bewaart nog altijd hoop op herstel van het contact. In de leegte wordt het verdriet over de eenzaamheid niet meer ervaren. Er is geen gevoel en daaraan kunnen geen woorden gegeven worden. Het is een soort verkilling die met levensangst gepaard gaat: ik besta niet…”.
Er is een hoofdstuk over woede: “… De boosheid is vaak een signaal van iets dat (nog) niet verwoord kan worden…”. Boosheid hoeft niet negatief te zijn; iemand die laat zien dat hij boos is reageert tenminste.
Een verrassend hoofdstuk gaat over de invloed van geloof: “… Uit een onderzoek dat in 2001 onder Amsterdamse psychiatrische cliënten is gehouden, blijkt dat vrijwel alle deelnemers aan het onderzoek belangstelling hebben voor levensbeschouwing, waarvan meer dan de helft voor godsdienst. Die interesse is begrijpelijk. Wanneer je de last van psychiatrische problemen meedraagt, zoek je naar een zin voor wat je overkomt en naar een houvast om staande te blijven…”. Psychiatrische cliënten zijn meestal zoekers. Het gaat o.a. over het bijstellen van het Godsbeeld en over de verwevenheid van geloof en identiteit.
Het laatste hoofdstuk gaat vrij diep in op de behandelingstherapieën.
Alle hoofdstukken eindigen met een aantal tips voor borderliners en hun naastbetrokkenen. Achter in het boek is een lijst van boeken en websites met verdere informatie toegevoegd.
“Wat borderline met je doet” (156 blz.) is een verrassend breed en helder, toegankelijk en warm geschreven boek die de weerbarstige praktijk wat handen en voeten geeft.

Uitgave: Boekencentrum - 2011 (bijgewerkte vijfde druk), 149 blz., ISBN 978 902 391 313 9, € 14,50
Rechtstreeks bestellen: hier