Menu

vrijdag 3 januari 2014

Heliand – Jaap van Vredendaal (vertaler)


Subtitel: Een Christusgedicht uit de vroege middeleeuwen

Overige betrokkenen: Redbad Veenbaas en Willem van der Meiden

Deze kerst heb ik tussen de bedrijven door de "Heliand" (Oudsaksich voor de ‘Heiland’, ‘de helende’, van het werkwoord hêlian, ‘helen’, ‘beter maken’) gelezen; het gedicht waarin Christus rond 830/840 de Oudsaksische cultuur binnenkwam in de moedertaal (de geletterden, voornamelijk geestelijken, communiceerden in het Latijn: de taal van de Bijbel en de wetenschap). De kerstening van onze contreien was in volle gang. Volgens het voorwoord werd het geschreven in opdracht van Lodewijk de Vrome, zoon van de Frankische Keizer van het Heilige Roomse Rijk: Karel de Grote, die zijn onderdanen als ze niet goedschiks tot het christendom overgingen, daar zonder scrupules en met ongekend geweld kwaadschiks toe dwong. Eén rijk, één keizer, één godsdienst. Toch bleef het nieuwe geloof niet alleen een politieke kwestie. Het vond zijn weg naar het innerlijk van onze voorouders. Iets wat mij mateloos boeit. Want laten we wel wezen: het christendom kwam van ver, en was vreemd. Het zit mij zelfs na anderhalf millennium nog vaak als een slecht passende jas. Ik moet het altijd bevechten.

Inculturatie
In bijna 6000 allitererende verzen vertelt (of zingt) de onbekende dichter - alhoewel sommigen denken met de Friese bard Bernlef van doen te hebben, die door Liudger van zijn blindheid werd genezen - het verhaal over Jezus zoals dat opgetekend is in de vier evangeliën. Maar dan wel op z’n Germaans. Het is een soort heldensage, zoals we dat kennen van “Beowulf” en het “Hildebrandslied”.
De brengers van het christendom begonnen niet bij nul, maar probeerden aan te sluiten bij de bestaande cultuur. Veel kapellen en kerken staan op eertijds heilige heidense plekken, die met wijwater werden gereinigd en waar vervolgens de christelijke God werd aanbeden. Traditionele bezweringsformules bij ziekte en dood bleven bestaan, alleen werden de namen van de oude goden vervangen door die van een heilige of Christus. Voor het Germaanse joelfeest kwam het tegenwoordige kerstfeest in de plaats. Een heel mooi voorbeeld is ook de oudste liturgische tekst ooit gevonden, die van de z.g. Utrechtse doopgelofte, waarin drie inheemse goden worden genoemd, waarvoor de christelijke drie-eenheid in de plaats is gekomen: “… Forsachistu diabolae? / verzaak je de duivel? – et respondeat: ec forsacho diabolae / Antwoord: ik verzaak de duivel – end allum diobolgelde? / En alle duivelsoffers? – respondeat: end ec forsacho allum diobolgeldae / Antwoord: en ik verzaak alle duivelsoffers – end allum diobeles uuercum? / En alle werken van de duivel? – respondeat: end ec forsacho allum dioboles uuercum / Antwoord: en ik verzaak alle werken en woorden - and uuordum, Thunaer ende Uuoden ende Saxnote / van de duivel, Donar en Wodan en Saxnoot – ende allum them unholden the hira genotas sint / en alle afgoden die hun gezellen zijn – gelobistu in got alamehtigan fadaer? / Geloof je in God, de almachtige Vader? – ec gelobo in got alamehtigan fadaer. / Ik geloof in God, de almachtige Vader. – gelobistu in Crist godes suno? / geloof je in Christus, Gods zoon? – ec gelobo in Crist gotes suno. / Ik geloof in Christus, Gods zoon. – gelobistu in halogan gast? / Geloof je in de Heilige Geest? – ec gelobo in halogan gast. – Ik geloof in de Heilige Geest…”. Deze werkwijze wordt ‘inculturatie’ genoemd. Vredendaal staat in een voorafgaande inleiding uitgebreid stil bij de achtergronden van het gedicht.

Droom
Er is maar heel weinig bekend over het Germaanse heidendom omdat het om een orale traditie ging. Wat is overgeleverd, komt ook nog eens uit christelijke teksten, en wordt zonder meer bestempeld als duivelse afgodendienst.
Wel komt de naam van Wodan o.a. terug in plaatsnamen als Woensel en Woensdrecht en in Woensdag, en de naam van Donar in Donderberg en Donderdag: “… Uit de levensbeschrijvingen van de missionarissen en uit een overgeleverde lijst van heidense gebruiken valt af te leiden dat de bewoners van de Lage Landen heilige plaatsen kenden in de vorm van een bos, een boom, een bron of rots. Karel de Grote verwoestte bij zijn eerste veldtocht tegen de Saksen de ‘Irminsûl’, letterlijk ‘reusachtige zuil’. Het is niet duidelijk of het hier om een boom of een beeld ging, maar de plaats (in Westfalen in Duitsland) had voor de Saksen wel een grote sacrale waarde. Ook de plaatsnaam Ermelo (van ‘Irminlo’) herinnert wellicht aan zo’n heilige zuil: middeleeuwse bronnen spreken namelijk van een ‘columna Ermelo’…”.
Uit de heldenliederen kan worden opgemaakt dat er sprake moet zijn geweest van voorouderverering.
De dichter vertelt dat hij aanvankelijk een eenvoudige boer was (wel erg bescheiden: hij was anders aardig thuis in de godsdienstwetenschap van zijn dagen en kende zijn talen), die in een droom de goddelijke opdracht kreeg in ‘zijn eigen tongval’ de ‘god’lijke wetten te reciteren’ – een literair motief dat wel vaker opduikt in de christelijke overlevering (zie b.v. John Bunyan’s “The Pilgrim’s Progress” - 1678).

Leer ons de runen
Het probleem van onze tijd is dat het Bijbelse kerstgebeuren zo oud en uit-den-treure is herkauwd, dat het moeilijk is om er nog een vonkje inspiratie uit te slaan. Iedereen weet hoe het afloopt. Maar toen de “Heliand” op het toneel verscheen was het een ‘nieuw’ verhaal: een opwindende gedachte.
De vier evangelisten zijn bijzondere helden die als enigen de goddelijke wijsheid ontvangen om het ‘geheim’ van Christus woorden en werken te ‘boekstaven’ en de goede boodschap te verkondigen die ‘in de ganse wereld haar weerga niet kent’.
Christus is een ‘machtige heer’, die in onze ‘Middelgaard’ – middenaarde, tussen de godenwereld (boven) en het dodenrijk (beneden), waar de mensen wonen – menigeen zou helpen en velen ‘vrijwaren van vijandschap, van duivelse bedwelming’.
Prachtige uitdrukkingen komen voorbij: “… Van hun sibbe was hij niet, geen aver van Israël door edele geboorte…”. Aver is nakomeling, in het Nederlands alleen nog bewaard gebleven in de uitdrukking ‘van aver tot aver’ (van geslacht tot geslacht), verbasterd tot: ‘van haver tot gort’.
Zacharias is een bejaarde man, ervaren en ‘vroed’, van het Oudsaksisch ‘frôd’, dat ‘oud’ en ‘wijs’ betekent, zoals in ‘de vroede vaderen’, ‘vroedschap’ (gemeentebestuur), het werkwoord ‘bevroeden’, en wie weet, misschien ook wel ‘vroedvrouw’. Als Zacharias een engel ziet staan ‘ijsde’ hij van schrik. Mijn moeder spreekt dialect, en heeft het wel eens over ‘ik ies er van’ of ‘heel iezig’, en als we iets heftigs meemaken voelen we ons nog steeds ‘bevroren’. De oude Zacharias over zijn vrouw: “… Twintig winters lagen in deze wereld achter ons, zo oud waren we allebei, toen ze mijn echtgenote werd. Zeventig winters brachten we gezamenlijk door als bank- en bedgenoten…”. In de Oudgermaanse talen werden niet de jaren, maar de winters geteld.
De tempel in Jeruzalem is het ‘wijhuis’.
‘Wurd’, het lot en mogelijk een macht uit voorchristelijke tijden, beschikt, maar is een dienaar van de Allerhoogste. Er is sprake van een demon die ‘Mudspelli’ heet, en een rol speelt aan het einde van de tijd. De ‘grimmige’ Satan zet soms een ‘verhulhelm’ op waardoor hij zich als iemand anders kan voordoen.
Bijbelse plaatsen heten ‘Nazarethburg’, Bethlehemburg’ en ‘Romeburg’. En ze liggen in ‘Galilealand’ of ‘Kanaänland’. Gevaren wordt er in ‘hooggehoornde’ schepen, die doen denken aan de boten van Vikingen. De woestijn is in de Germaanse versie een woud.
De herders hoeden geen schapen, maar paarden (paarden fungeerden als statussymbool, het woord maarschalk betekent oorspronkelijk ook paardenknecht; ‘maar’ is verwant aan merrie en ‘schalk’ aan knecht).
Jezus is een ‘luttel’ jongetje, en de blijde boodschap is de blijde ‘mare’. Eenmaal volwassen wordt Hij voorgesteld als de ‘allarco cuningo craftigast’, ‘de krachtigste der koningen’, met als vorstelijk gevolg zijn twaalf trouwe vazallen; wat eerder doet denken aan koning Arthur met zijn dappere ridders van de ronde tafel dan aan de ‘lijdende Knecht des Heren’. Hij is machtiger dan Wodan, Donar en Saxnoot samen: “… Dit licht ziet nooit meer een wijzere waarzegger…”, dus als je de keus hebt!
In de Bergrede zijn degenen ‘zalig die een mild hart in hun heldenborst dragen’, en in het Onze Vader (dat gezien wordt als een soort toverformule) gaat het niet over ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, maar ‘geef ons dagelijks raad’. Het gaat om ‘wijsheid’: leer ons de runen!
Herodus, die van een foute vrouw houdt, krijgt te horen: “… mijd haar in je gemoed: bemin haar niet meer…”.
Door aan de ‘roede’ (staak/kruis) ‘te hangen zou Christus de mensen leiden naar het licht van God’. De dichter heeft het niet over ‘dit leven’, maar ‘dit licht’.
Het gedicht breekt af tijdens de verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers. Vermoed wordt dat er een paar honderd verzen verloren zijn gegaan. In deze uitgave zijn ook een aantal Oudsaksische Genesis-fragmenten toegevoegd. Verder is het boek prachtig geïllustreerd met afbeeldingen van middeleeuwse kunst.

Christus versus het Joodse Volk
Opvallend is dat naarmate het verhaal vordert de stemming steeds anti-joodser wordt: “… Eerst moeten de joden, de scharen mij binden, hoe onschuldig ik ook ben, me tot het uiterste pijnigen – een beproeving zal het zijn: in de stad Jeruzalem steken ze me met speren, met scherpe zwaarden schenden ze mijn lichaam, beroven ze me van het leven…”. Het zijn Joodse in plaats van Romeinse soldaten die Christus kruisigen. Het Joodse volk is vervult met ‘wolfse woede’.
De “Heliand” is een schitterend gedicht, maar Henk Vreekamp (voormalig predikant voor Kerk en Israël) wijst ook op de gevaarlijke onderstroom: “… Ontzetting overvalt me wanneer ik in dit epos Christus zie optreden tegen de grimmige Joden. Daarin herken ik tot mijn grote schrik het begin van een verwoestend spoor dat uiteindelijk zal uitlopen op Auschwitz…” (RD; 08.12.06) en “… De Schriften van Israël zijn wat betreft de Heliand namelijk in geen Saksische velden of wegen te bekennen. En niemand schijnt ze te missen. Het Evangelie is blijkbaar gemakkelijker te assimileren dan het Oude Testament. De Wet van Mozes is daarom blijvend nodig om het Evangelie zuiver te houden, aldus Van Ruler. Het Evangelie, met andere woorden, zal zich in Noord-Europa blijvend in gezelschap moeten bevinden van enerzijds de Edda en anderzijds de Thora…” (Transparant; jan. 2005).
Waarschijnlijk heeft het hierdoor zo lang geduurd voordat dit meesterwerk werd vertaald in het Nederlands (2006). Na WO II stond alles wat Germaans aandeed in een verdachte reuk.


Uitgave: SUN – 2006, 270 blz., ISBN 978 908 506 580 7, €19,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen