Menu

woensdag 29 januari 2014

Vijftig vragen over antisemitisme – Anne Frank Stichting


Tekst: Jaap Tanja / Beeldredactie: Milly Schloss

“Er zijn geen zes miljoen joden vermoord, er is één jood vermoord en dat is zes miljoen keer gebeurd. Zodat je, als je werkelijk zou willen vertellen wat de Jodenvervolging betekend heeft, zes miljoen biografieën zou moeten schrijven van deze zes miljoen enkelingen.” Aldus Abel Herzberg, Joods-Nederlands auteur en schrijver van ‘Tweestromenland: Dagboek uit Bergen-Belsen’ (1950), in het ‘Nieuw Israëlietisch Weekblad’ van december 1976.
Nu ik toch met het thema Jodenvervolging bezig ben, zie mijn vorige blog, ga ik er nog maar even op door. “Vijftig vragen over antisemitisme” slaagt er aan de hand van - vaak moeilijke en pijnlijke - vragen en antwoorden in, kort en bondig inzicht te geven in het complexe fenomeen antisemitisme. Een groot deel van het boek bestaat uit – soms schokkende – illustraties:
“… Ze worden getoond omdat deze verwerpelijke beelden en de al even verwerpelijke ideeën die daarachter schuilgaan alleen met open vizier bestreden kunnen worden…”.


Anne Frank Stichting
De Anne Frank Stichting beheert niet alleen het Anne Frank Huis, een museum dat jaarlijks honderdduizenden bezoekers trekt, maar ontwikkelt ook allerlei educatieve projecten ter bevordering van verdraagzaamheid en wederzijds respect. Daar hoort het bestrijden van antisemitisme vanzelfsprekend bij. Bijna zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is antisemitisme nog altijd niet verdwenen. Er is zelfs sprake van een toename. Antisemitisme moet niet alleen gezocht worden in extreem-rechtse kringen. Mede onder invloed van het vrijwel uitzichtloze conflict tussen Israël en de Palestijnen hebben tal van moslimjongeren hun solidariteit met de Palestijnen vertaald in haat tegen alles wat joods is: “… De geschiedenis heeft geleerd dat antisemitisme meer is dan geweld tegen joden en joodse instellingen. Antisemitisme zit vooral in de hoofden van mensen. Over joden bestaan al eeuwenlang allerlei irrationele ideeën. Joden zouden uit zijn op de wereldheerschappij. Ze zouden infiltranten, woekeraars of de moordenaars van Christus zijn. Deze en andere waanideeën leven vandaag nog steeds. Met name – maar niet uitsluitend – in de Arabische wereld. Veel van deze anti-joodse stereotypen hebben lange wortels in de Europese geschiedenis en blijken bijzonder moeilijk uit te roeien…”.

Joden en het Jodendom
Het boek is verdeeld in zeven items. Het eerste gaat over de vraag ‘Wie is joods?’. Iemand met een joodse moeder is altijd joods, wat hij of zij ook doet of gelooft. Verder kan volgens de liberale traditie binnen het Jodendom een kind van een joodse vader en niet-joodse moeder ook als joods beschouwd worden mits het kind joods wordt opgevoed. In de orthodoxe traditie ligt de lat wat betreft de waarde van bekeringen tot het Jodendom hoger dan in de liberale traditie.
Het land met de grootste joodse gemeenschap is de Verenigde Staten (5,3 miljoen). Israël telt er bijna evenveel (5,1 miljoen). Samen is dat 80 procent van de hele joodse gemeenschap.
Verder gaat dit hoofdstuk in op het denken in racistische termen en het woord semitisch, dat eigenlijk een taalkundig begrip is, dat duidt op de Semitische talen.
Er wordt uitgelegd hoe het komt dat joden overal op de wereld verspreid wonen.
De meeste etnische en religieuze minderheden zijn in de loop van de geschiedenis geassimileerd, uitgeroeid of anderszins verdwenen. Zo niet de joden. In Nederland kwamen eind zestiende eeuw veel – overwegend welgestelde - Portugees-Joodse handelaren naar Amsterdam die uit Spanje en Portugal waren verdreven: de sefardische joden (een van de bekendste onder hen is misschien wel de joodse denker Spinoza, zie mijn blog over “Het raadsel Spinoza” van Irvin D. Yalom). Vanaf 1630 kwamen er ook berooide joden uit Midden- en Oost-Europa die op de vlucht waren voor vervolging en oorlogsgeweld: de asjkenazische joden. De laatste groep sprak Jiddisj. Pas na de Franse Revolutie kregen joden in Nederland gelijke burgerrechten en mochten ze zich overal vrij vestigen. Tot die tijd bleven ze een getolereerde, maar gediscrimineerde minderheid. Tussen 1880 en 1920 vond de grote migratie van joden uit Oost-Europa - geplaagd door armoede en pogroms - naar Amerika plaats.

Geschiedenis van het antisemitisme
Het woord ‘antisemitisme’ werd rond 1880 populair door artikelen en pamfletten van de Duitse journalist Wilhelm Marr: “… Zijn boek ‘Der Sieg des Judenthums über das Germanenthum’ verscheen in 1879 en haalde in korte tijd niet minder dan twaalf drukken. Het is beschreven als ‘de eerste antisemitische bestseller’. Maar opmerkelijk genoeg had Marr veel joodse vrienden en trouwde hij driemaal met een joodse vrouw. Hij brak op het eind van zijn leven met de antisemitische beweging en vroeg de joden om vergeving over wat hij eerder had geschreven…”.
Historicus Gavin Langmuir benadrukt het verschil tussen 1) interetnische vijandschap waar joden in de loop der geschiedenis het slachtoffer van zijn geweest, 2) religieuze rivaliteit en onverdraagzaamheid (anti-judaïsme) van christenen ten aanzien van joden, en 3) spookverhalen en mythen over joden die eeuwenlang de ronde hebben gedaan – en nog steeds doen: “… Interetnische vijandschap en religieuze onverdraagzaamheid zijn in de Europese geschiedenis helaas niet ongewoon en hebben tot heel wat strijd, bloedvergieten en etnische zuiveringen geleid. Maar de mythe- en legendevorming over joden is uniek en juist voor deze categorie jodenhaat wil Langmuir de term ‘antisemitisme’ reserveren. Wat de geschiedenis van antisemitische ideeën in zijn ogen zo apart maakt, zijn de schimmige spookverhalen over de joden als godsmoordenaars en hostieschenders (ze zouden door middel van rituele moorden het bloed van kinderen gebruiken bij het bereiden van matses voor het joodse paasfeest en gewijde hosties met messen doorboren om op die manier Jezus steeds opnieuw te vermoorden) en de bizarre ideeën over een joodse wereldsamenzwering (zie de beruchte ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’: autofabrikant Henry Ford liet het in het Engels vertalen en verspreidde het op grote schaal in de Verenigde Staten, maar gek genoeg kreeg ook hij spijt van zijn anti-joodse opstelling en verontschuldigde zich in 1927 bij de joodse gemeenschap en in 1942 nog eens publiekelijk; sindsdien heeft de familie Ford allerlei joodse projecten gesteund om van de smet van antisemitisme af te komen – de protocollen worden nog steeds in grote oplagen gedrukt in de Arabische wereld, de Egyptische televisie maakte er in 2002 een soapserie van: ‘Ruiter zonder paard)…”.
Joden kregen o.a. de schuld van de Franse Revolutie en van de communistische revolutie in Rusland. Ze werden (in navolging van de discipel Judas) als verraders gezien die heulden met de moslimlegers die Europa in de zestiende eeuw binnenvielen en met de invallende Tartaren. Ze kregen de schuld van de Dreyfus-affaire en van het verlies van de eerste Wereldoorlog.
Economisch getinte anti-joodse stereotypen ontstonden doordat in de middeleeuwen het lidmaatschap van een gilde vereist was om een bepaald beroep uit te oefenen. Joden werden daarvan uitgesloten. Het enige wat hen was toegestaan waren ‘nieuwe’ beroepen in de handel: vaak in tweedehands goederen of het uitlenen van geld tegen rente (door de kerk verboden voor christenen). De verpersoonlijking van de joodse woekeraar is Shylock, het in 1600 door Shakespeare in het leven geroepen personage uit het toneelstuk "The Merchant of Venice". De ‘rijke’ jood was ook de ‘zichtbare’ jood en stond dus symbool voor alle joden. Voor Karl Marx waren jodendom en kapitalisme zelfs grotendeels identiek.
De jodenster tijdens WO II was niet nieuw. Paus en bisschoppen bepaalden in 1215 dat joden herkenbaar moesten zijn door het dragen van een puntvormige ‘jodenhoed’ of een gele cirkel of ronde vlek op hun borst. Deze stigmatiserende kleding is nog op tal van etsen en schilderijen uit die tijd te zien.

Joden, christenen en moslims
Een hoofdstuk gaat over de verhouding tussen joden, christenen en moslims:
“… Anti-judaïsme was tot in de twintigste eeuw een vast onderdeel van de katholieke identiteit. Er is een lange lijst aan te leggen van anti-joodse pauselijke uitspraken en verordeningen…”. En een eindje verder: “… Pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw, na het Tweede Vaticaanse Concilie, nam de katholieke kerk stappen om in het reine te komen met zijn anti-joodse geschiedenis. Paus Johannes Paulus II is de eerste paus in de geschiedenis die een synagoge heeft bezocht en namens de kerk schuld heeft beleden…”.
Over het dagelijkse bombardement in de Arabische media aan antisemitische karikaturen en beelden schrijft de Israëlitische politicoloog Arieh Stav: “… Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid heeft een hele beschaving, verspreid over tweeëntwintig landen, ‘de jood’ en zijn land in karikaturen in honderden kranten dag in dag uit zo zwart gemaakt. Als wij denken in termen van kwaadaardigheid en venijnigheid, dan moeten we concluderen dat de karikatuur van ‘de jood’ in de Arabische pers werkelijk alles overtreft wat wij in de geschiedenis hebben gezien, inclusief de karikaturen die de nazi’s van ‘de jood’ hebben gemaakt…”. In de moslimwereld geloven veel mensen het sprookje dat Israël achter de aanslagen van 11 september zat.
Maar niet vergeten mag worden dat het hedendaags antisemitisme in moslimlanden van Europese makelij is. Veel kwaadaardige stereotypen kunnen herleid worden tot antisemitische beelden die eeuwen geleden zijn ontstaan in christelijk Europa. De islamitische wereld is vergeleken met de christelijke wereld in veertien eeuwen geschiedenis relatief tolerant geweest ten aanzien van de joodse minderheid in hun midden.

Het Israëlisch-Palestijnse conflict
Een apart hoofdstuk is gewijd aan hoe tolerant landen als Marokko, Turkije, Suriname, Aruba en de Nederlandse Antillen tegenover Joden stonden tijdens WO II.
Een hoofdstuk vergelijkt de Holocaust met andere volkerenmoorden zoals de massamoord op de Armeniërs in Turkije en de massale moord op de Tutsi’s in Rwanda in 1994.
De onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949) komt aan bod; evenals de vier oorlogen daarna tegen verschillende buurlanden.
Nog een ander hoofdstuk belicht het zionisme (streven van Joden naar zelfbeschikking en een eigen nationale staat) en staat uitgebreid stil bij de achtergronden van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Zionisme kan gezien worden als een antwoord op antisemitisme, maar zionisme heeft de afgelopen decennia ook antisemitisme opgeroepen: “… Wie zionisme bestempelt als een vorm van kolonialisme en daarmee suggereert dat héél Israël bezet is, en dus niet alleen de West Bank en Gaza, zegt ook dat alle joden terug moeten. Maar terug waar naar toe? Terug naar Europa, naar Irak, Syrië of Egypte? De vergelijking van zionisme met kolonialisme ontkent het bestaansrecht van Israël en daarmee ook het recht van Joden op een eigen land…”.
Michael Walzer, Amerikaans hoogleraar Sociale Wetenschappen aan Princeton University (2003): “… Er zijn vier oorlogen. Er is een Palestijnse oorlog om Israël te vernietigen en te vervangen, die niet gerechtvaardigd is. Er is een rechtvaardige Palestijnse oorlog om naast Israël een Palestijnse staat te vestigen. Israël voert oorlog om zijn staat te verdedigen – die is gerechtvaardigd. Maar er is ook een Israëlische oorlog voor een Groot-Israël en die is niet gerechtvaardigd. Als je een bepaald oordeel wilt vellen, moet je altijd de vraag stellen wie welke oorlog aan het voeren is en met welke middelen. En of die middelen legitiem zijn voor het doel – of voor welk doel dan ook. De meeste mensen die Israël aanvallen of verdedigen, en de meeste mensen die de Palestijnen aanvallen of verdedigen, maken niet eens aanstalten om deze noodzakelijke inspanning te verrichten…”.
De Israëlische schrijver Amos Oz in ‘The Nation’, april 2002: “…In onze regio zijn twee Palestijns-Israëlische oorlogen uitgebroken. De ene is de oorlog van het Palestijnse volk, en heeft als doel de bevrijding van de bezetting en erkenning van het recht om een eigen staat te vormen. Elk fatsoenlijk mens zou dit ideaal moeten ondersteunen. De tweede oorlog wordt gevoerd door de fanatieke islam, van Iran tot aan Gaza en van Libanon tot aan Ramallah, bedoeld om Israël te gronde te richten en de Joden uit hun land te verdrijven. Elk fatsoenlijk mens zou dit streven ten sterkste moeten afkeuren. Jasir Arafat en zijn mannen voeren beide oorlogen tegelijkertijd, en doen alsof het om één oorlog gaat. De mensen die zelfmoordaanslagen plegen maken een dergelijk onderscheid niet. Een groot deel van de wereldwijde verbijstering over het Midden-Oosten, een groot deel van de verwarring onder Israëli’s zelf, komt voort uit het feit dat die twee oorlogen elkaar voor een deel overlappen…”.

Doet Israël met de Palestijnen hetzelfde als de nazi’s met de joden?
Hoe tragisch het conflict tussen Israël en de Palestijnen ook is, de vergelijking gaat mank. Er is geen sprake van ‘Endlösing’, en er zijn geen vernietigingskampen. De strijd in het Midden-Oosten gaat over de zeggenschap in een bepaald gebied. Israëli’s en Palestijnen kunnen het niet eens worden over een mogelijke opdeling en boedelscheiding, ook niet na verschillende bemiddelingspogingen. De Holocaust was primair geïnspireerd door rassenwaan en antisemitisme: “… Hitlers wereldbeeld was een zeer persoonlijk mengsel van religieus en racistisch antisemitisme. Hij zag de strijd van Ariërs tegen joden als een strijd op leven en dood. Hitler zelf was een uitgesproken tegenstander van het christendom, maar ontleende wel veel ideeën aan oude christelijke antisemitische mythen en legenden. In München in de jaren twintig, in zijn beginjaren als politicus, sprak hij geregeld over joden als Godsmoordenaars. In ‘Mein Kampf’ (1925) schreef hij: ‘Ik geloof dat ik in de geest van de almachtige Schepper handel: door de jood te weerstaan, strijd ik voor het werk van de Heer.’ Hij prees Luthers negatieve houding ten aanzien van joden, maar bekritiseerde hem ook omdat hij de ‘joodse geest’ onder het Duitse volk had verspreid met zijn vertaling van de bijbel in het Duits…”. En even verder: “… Hitler zag de joden in de eerste plaats als een ras. Wat dat aangaat, sloot hij aan op het rasdenken uit zijn tijd. Hij was er diep van overtuigd dat ‘het vermengen van joods en Arisch bloed’ zou leiden tot de ondergang van de Germaanse beschaving. Voor hem waren de joden een ‘anti-ras’, een ras zonder beschavingskracht en idealisme, ‘niet met een constructief, doch alleen met een negatief intellect’. Vandaar dat allerlei vroege nazi-wetten vermenging met joden en Duitsers verboden. Een dergelijk racistisch wereldbeeld was in zijn tijd weliswaar niet algemeen, maar ook niet echt uitzonderlijk. Wel uitzonderlijk was het omzetten van dit soort ideeën in concreet beleid en in overheidsmaatregelen. Het radicalisme van Hitler en de nationaal-socialisten lag in de eerste plaats in hun dadendrang om hun rasdenken om te zetten in praktische politiek…”.

Ik denk dat als je het vorige boek dat ik heb besproken en dit leest, je een aardige achtergrond hebt om de stortvloed aan uitgaven met betrekking tot WO II ( en natuurlijk ook de Joodse en Palestijnse literatuur) de baas te blijven.

Uitgave: Anne Frank Stichting/Uitgeverij Boom – 2005, 171 blz., ISBN 978 908 506 095 6, €29,90
Rechtsreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen