Menu

vrijdag 12 december 2014

De thuiskomst – Anna Enquist


Met de leesclub een al wat ouder, oneindig melancholiek, droevig, maar wel heel mooi boek, “De thuiskomst” van Anna Enquist (1945, studeerde psychologie, psychoanalyse en piano aan het conservatorium), gelezen. Enquist deed onderzoek voor het verhaal toen haar dochter Margit verongelukte op de Dam in Amsterdam. In een nawoord achter in het boek vertelt ze dat haar dochter weet had van haar plannen en haar nieuwsgierigheid haar hielp door te zetten met schrijven, al wist ze vaak niet hoe. Ze zegt veel gehad te hebben aan de adviezen van anderen: Heleen Bokmeier (‘doe het uit het perspectief van de vrouw’), Hugo Claus (‘nooit meer of minder dan twee A-viertjes per dag’), Marcel Möring (‘niet plannen, gewoon gaan zitten en beginnen’) …

Wat weet je nou

Het historische verhaal “De thuiskomst” is gebaseerd op het leven van de vrouw van de beroemde Engelse ontdekkingsreiziger James Cook (1728-1779): Elizabeth Batts (1741 – 1835). Ze kreeg zes kinderen van hem - hoe ze dat voor elkaar bokste snap je niet, want het verhaal begint met de opmerking dat ze van de twaalf jaar dat ze getrouwd waren, James amper een jaar thuis heeft gehad – die ze allemaal overleefde, inclusief haar man. Ze werd maar liefst vierennegentig.
Ze zegt dat ze wist waar ze aan begon toen ze besloot met een zeeman te trouwen, dat ze goed tegen alleen-zijn kon, zich zelfs wel op haar eenzaamheid verheugde – maar ach, wat weet je nou, als je eenentwintig bent… Als ze moeder is van twee schoolgaande zonen, en een dochtertje en twee andere zoontjes heeft begraven, is ze er heel anders aan toe: “… Ze was moe. Alles in haar vierendertigjarige lichaam wilde naar beneden, naar de grond, en daar blijven liggen. Liever nog, in het gras onder de linde…”. Ze bereidt zich voor op de thuiskomst van haar echtgenoot, die drie jaar weg is geweest. Het is wennen als hij vertrekt, het is wennen als hij terugkomt. Jarenlang is ze een onafhankelijke vrouw die haar zaakjes zelf beslist en alleen alle moeite en verdriet van het leven torst, en dan is daar ineens die man die denkt het nodige te zeggen te hebben over het gezin en haar opeist in bed. Maar nu is het de laatste keer geweest, denkt ze. Het is genoeg geweest – nu zal hij niet meer weggaan; nooit meer. Dat heeft Hugh Palliser, kapitein aan wal en contactpersoon van James, op wie ze het hele verhaal door heimelijk verliefd lijkt - en hij op haar - beloofd. Nou, als dat zo stellig in het begin van een roman wordt geponeerd kun je er donder op zeggen dat het anders loopt.

Huppelend meisje
Het verhaal over Elly. Dochter van Elizabeth. Een kleuter nog. In een onbewaakt ogenblik glipt ze de straat op, en loopt onder een paardenkoets: dood. Elizabeth blijft steken in haar rouw – komt er nooit meer overheen. Veel lezers vonden het storend dat Elizabeth zoveel meer ontdaan lijkt door het omkomen van Elly, dan door het overlijden van de overige kinderen. Maar ‘dochters zijn de toekomst’; ‘zonen worden opgegeten door de zee’. Het is alsof de moeders in het boek zich zo-bij-zo al instellen op het afscheid nemen van hun mannen. Bovendien geeft Elizabeth zichzelf de schuld van het ongeluk. Ze lette niet op; déze dood had ze kunnen voorkomen. Ongelooflijk mooi schrijft Enquist over de begrafenisdienst. Elizabeth hoort niets van wat de dominee zegt; het is de organist die haar woordeloos door het gebeuren loodst met Händels ‘Water Music’: “… Ze herkende de melodie. De oude organist riep de zee op, hij herinnerde haar aan het feit dat James bestond, dat haar man daarbuiten, ver weg, op het water voer en naar haar terug zou keren, dat niet alles verloren was. Het kistje was tot halverwege het middenpad geschoven. Aan de arm van Palliser volgde zij, omspoeld door muziek. De volle klank verdween om plaats te maken voor een puur houtblazersgeluid. Het was of het breekbare trio gespeeld werd door in volmaakte eenheid opererende hobo’s, fluiten en fagotten. Op het eerste gehoor leek het een vrolijk lied, maar zij wist wel beter en meneer Hartland ook. De manier waarop hij steeds de korte, smekende frases afsloot brak haar hart. Zo was het. Een huppelend meisje op de weg. In de zon. Onder de zware koets…”. En ík herken de schrijfster: de musicus, de moeder van een verloren dochter.

Wachten
James komt thuis. Alles lijkt erop dat hij niet meer weg zal gaan. Dan looft de koning een prijs van twintigduizend pond uit aan de zeevaarder die een noordelijke doorgang ontdekt naar de andere kant van de wereld. James kan geen weerstand bieden en neemt in een dronken bui de uitdaging aan. Weer laat hij Elizabeth in de steek. Hij kan niet anders, zegt hij, alleen op zee is hij zichzelf. Haar moeder vindt dat Elizabeth niet zo moeilijk moet doen. Die kerels hou je toch niet tegen; die willen alleen maar weg. Ze komen vanzelf wel weer terug. “… Het enige wat je kan doen is: meegeven. Je moet zijn als gras. Ze vertrappen je met hun zware klompen, en je buigt mee. Ooit zullen ze hun voeten verplaatsen, dan richt je je weer op. Als je stijf rechtop zou blijven staan, zoals het riet, dan breek je. Het gaat voorbij, Elizabeth, aan alles komt hoe dan ook een einde. Wachten. Geen verzet, dan ga je verliezen.’ ‘Als het gras,’ fluisterde Elizabeth. Wat mooi. Het gras langs de rivier: verdronken, verdroogd, opgevreten, platgeranseld. Altijd komt het weer op. Als het gras zal ik zijn. Als het gras…”. Elizabeth is een vrouw die haar leven verdoet met wachten: “… Er lag een tapijt van bruine bladeren in de tuin. Ze kon er zich niet druk om maken. Een voor een zouden de regenwormen de blaadjes de grond in trekken, soms zag ze een blad rechtop staan als een vaasje in de aarde. Wachten moet je, rustig wachten, dan kwamen de meeste dingen vanzelf goed…”.

Meestal zien mensen alleen wat ze weten

Via de verhalen en logboeken van James, die Elizabeth corrigeert, komen we van alles te weten over het leven aan boord, en over de vreemde werelden die de ontdekkingsreizigers aantreffen op verre kusten. De hardhandige manier waarop James Cook zijn bemanning van scheurbuik tracht te vrijwaren. Kannibalisme. De vrije seksuele gewoonten op Tahiti waardoor de matrozen binnen no time de bewoners opzadelen met vreselijke geslachtziekten. De bemanning die bij bosjes het leven laat – is het niet in de huizenhoge golven of vanwege verwoestend pakijs, dan wel door moeraskoorts. De afgrijselijke straffen waarmee gezag wordt afgedwongen op de schepen die vergeven zijn van de wantsen, vlooien en luizen. Beschuit met maden, stinkend pekelvlees, rottend water. Matrozen die zich niet willen wassen en hun behoeften benedendeks doen als ze het buiten te koud vinden. Maar ook de voortschrijdende wetenschap - het is tenslotte de tijd van de ‘Verlichting’ - waarvoor al die onmogelijke offers worden gebracht. Het zeemansleven is kei- en keihard. Het gekste verhaal dat ik tegen kwam wordt verteld door een neef van Elizabeth, die als eerste een voet zette op nieuw land waar de mensen net deden of ze hem niet zagen: “… Heel vreemd was dat. Er lag een reusachtig schip in hun baai, ze hadden zoiets nog nooit gezien natuurlijk – maar het was of we niet bestonden. Ze gingen gewoon door met hun bezigheden. Ze keken door ons heen. De kapitein probeerde ze iets te geven, hij legde spijkers en kralen bij hun hut. Ze lieten de geschenken op de grond liggen. Hun blik gleed eroverheen, ze moeten alles gezien hebben maar het drong niet door. Wij, met onze schepen en spullen, bestonden niet…”. Eerder plaatste de schrijfster de opmerking: “… Meestal zien mensen alleen wat ze weten…”. Ik tast in het duister over hoe dit fenomeen psychologisch is uit te leggen, maar als je erover doorfantaseert, heeft het wel bizarre implicaties: wie weet wat wij dan allemaal niet zien!?

Onttakeld door de dood
Na het laatste vertrek van James wordt Elizabeth’s leven meer en meer onttakeld door de dood. Ze krijgt bericht dat haar echtgenoot onder vreemde omstandigheden om het leven is gebracht op het eiland Hawaii. Eerst werd hij binnengehaald als een god. Toen hij verder trok, maar genoodzaakt was terug te keren omdat een mast het had begeven, keerden de inboorlingen zich tegen hem. Een slachtpartij volgde. Zijn overblijfselen kregen een zeemansgraf.
Hun overgevoelige, muzikale zoon Nathaniel, die tegen zijn zin door zijn vader werd gedwongen de zeemansschool te volgen, komt om tijdens zijn eerste en enige reis als matroos en trompettist, in een vliegende storm: vijftien jaar oud.
Mary, haar oude moeder, gaat dood. Dement. De enige die trouwens voor een vrolijke noot zorgt in het boek: ze lustte wel een glaasje. Dreef een matrozenkroeg.
De jongste zoon, Benny, net geboren voordat James voor de laatste keer vertrok, opgevoed door een min omdat Elizabeth nooit van hem heeft kunnen houden, sterft als theologiestudent in Cambridge. Elizabeth haatte dominees, en hij werd uitgerekend gelovig: “… Het maakte haar op een onverklaarbare wijze doodsbang…”.
Na zijn begrafenis verdrinkt de enig overgeblevene, de oudste, Jamie, commandant van de ‘Spitfire’, in de haven van Portsmouth, als hij in een open sloep op weg is naar zijn schip terwijl er een storm woedt: “… De sloep aan barrels tegen de rotsen. Het lichaam van Jamie, met ingeslagen schedel, beroofd van geld en horloge, aangespoeld op het strand…”. Roofmoord?
Hugh, haar rots in de branding, wil haar niet meer zien – omdat hij daar niet tegen kan. Hij houdt teveel van haar. Zegt hij.
Alle mannen die met James hebben gevaren sterven een voor een.
Brieven van wanhopige buurvrouwen en vriendinnen uit die periode beschrijven haar beklagenswaardige toestand: “… Dat ze niet meer buiten, zelfs niet naar beneden kwam. Dat ze in drie weken maar één klein stukje vis had gegeten. Dat ze maandenlang iedere ochtend en iedere middag een uur lang brullend huilde. Dat niets haar helpen kon…".

Alleen de feiten
Enquist laat het boek op een buitengewoon lugubere manier eindigen. Voordat Hugh sterft stuurt hij Elizabeth een brief waarin hij vertelt dat hij het laatste gedeelte van het scheepsjournaal van James achterover heeft gedrukt, om hem niet in opspraak te brengen. Al eerder heeft een collega van James haar heimelijk op de hoogte gesteld van het feit dat zijn lichaam door de inlanders in stukken werd gehakt en verdeeld onder de opperhoofden van de verschillende provincies op het eiland (het was enorm steggelen om zijn stoffelijke resten terug te krijgen): het lijkt wel een beetje op de Oud-Egyptische mythe van Osiris. James had zichzelf niet meer in de hand. Deelde ongelooflijk wrede straffen uit: liet diepe voren kerven in de armen van inboorlingen, sneed de oren af van dieven, gijzelde een prinses die nergens schuld aan had. Uit het in het boek afgedrukte journaal blijkt dat hij zichzelf was gaan zien als Lono, de god van de inlanders, die zichzelf moest offeren voor zijn volk. Pas dan zou het eiland echt in zijn macht zijn. Het idee vatte bij hem post dat de priester en zijn onderdanen een toneelstuk opvoerden, dat ze hem helemaal niet beu waren, dat ze maar deden alsof, omdat zijn bemanning te stom was om te snappen wat er stond te gebeuren. Dronk hij teveel hallucinerende drankjes? Was het hem in de bol geslagen? Als zijn weduwe dik in de negentig is verbrandt ze al het belastende materiaal in een vuurkorf. Zo eindigt het leven van de man die er prat op ging geen geloof, laat staan bijgeloof, nodig te hebben: alleen de feiten telden.
Toen ik op internet ging zoeken naar de dood van James Cook vond ik inderdaad teksten van antropologen die nog steeds discussiëren over deze vreemde geschiedenis.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2005, 414 blz., ISBN 978 902 956 258 4, €12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen