Menu

woensdag 5 augustus 2015

Ketters – Ayaan Hirsi Ali


Subtitel: Pleidooi voor een hervorming van de islam

Zowel Henk Vijver, de schrijver van “De kolonel krijgt eindelijk post. Verhalen over geweld en verzoening in Colombia”, als burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam, geloven dat vrouwen het geweld kunnen keren in samenlevingen die ontregeld worden door agressie, wreedheid en terreur. “De zachte krachten zullen zeker winnen”, zei de laatste in het avondvullende televisieprogramma Zomergasten van vorige week zondag. Dat help ik hem hopen. Ayaan Hirsi Ali reken ik zeker tot die ‘zachte krachten’. Luavut Zahid, een Pakistaanse schrijfster en verdedigster van vrouwenrechter over Hirsi Ali: “… Klinkt ze bij tijden te extreem? Zeker. Maar denk even na en stel jezelf de vraag: hoeveel moslims heeft zij vermoord? Hoeveel moslims moeten zich vanwege haar schuilhouden? …”.

Indrukwekkend

Ayaan Hirsi Ali (1969) werd geboren in Somalië en belandde via Saudi-Arabië, Ethiopië, Kenia en Duitsland in Nederland. Na een spectaculaire carrière in de Nederlandse politiek vertrok ze naar de Verenigde Staten. Haar autobiografie, "Mijn vrijheid", werd wereldwijd een bestseller. Hirsi Ali is verbonden aan de Kennedy School van Harvard University. Bij Hirsi Ali geen ‘Duizend-en-één-nacht’sfeer, zoals Tahmina Akefi die voorschotelt in “De jongen van de oude stad” (zie mijn vorige blog). Hirsi Ali is een onverschrokken islam-criticus. Echter, als iemand vanwege haar achtergrond het waard is om naar te luisteren en recht van spreken heeft, is zij dat wel – vind ik. Wederom Luavut Zahid: “… Hirsi Ali kan en mag geen islamofobe worden genoemd enkel vanwege het feit dat ze luid en duidelijk blijft zeggen wat ze allemaal heeft meegemaakt, en wat er nog steeds om haar heen gebeurt, allemaal in naam van God…” (Pakistan Today, 14 april 2014). Ik ben het niet in alles met Hirsi Ali eens. Waarom zou je bijvoorbeeld Mohammed-cartoons willen maken, als je weet dat je daar moslims mee beledigt. Ik ben christen, ik vind het ook niet fijn als Christus wordt bespot. Ik redeneer vanuit het simpele principe ‘wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Daarom zal Hirsi Ali mij hoogstwaarschijnlijk beoordelen als een ‘idiote moralist’. Het zij zo. Dat neemt niet weg dat ik zeer onder de indruk ben van veel van haar opinies, en de waardigheid waarmee ze die naar buiten brengt.

Optimistisch
“Ketters” is een optimistisch boek. Hirsi Ali begint met te vertellen hoe haar tocht dóór en uiteindelijke afscheid ván de islam is verlopen. Als kind bezocht ze de madrassa en leerde grote delen van de Koran uit haar hoofd. Haar vader werd opgepakt vanwege politieke subversiviteiten, waarna haar behoudende moeder met de kinderen naar Mekka verhuisde, zodat ze op haar achtste de ‘oemra’ (de kleine variant van de hadj, de bedevaart waarmee een pelgrim van alle zonden wordt gereinigd), al had gedaan:
“… Hier werd ik voor het eerst geconfronteerd met de strikte toepassing van de sharia. Op de pleinen werden elke vrijdag na het rituele gebed mannen onthoofd of afgeranseld, vrouwen gestenigd en werden bij dieven de handen afgehakt in een zee van bloed…”. Ze vond dat volkomen normaal. Wel merkte ze dat haar vader, die zich weer bij hen had gevoegd, anders tegen het geloof aankeek dan haar moeder, die te pas en te onpas terugviel op het hellevuur en de eeuwige straf (iets dat ik trouwens in mijn christelijke omgeving ook vaak ben tegen gekomen). Na de nodige omzwervingen streek het gezin neer in Nairobi. Onder invloed van de subtiele indoctrinatiemethodes van een volledig in hidjab gestoken godsdienstlerares en een rondtrekkende charismatische prediker, die het binnen de kortste keren tot zelfverklaarde imam schopte, werd Hirsi Ali een fanatiek lid van de Moslimbroederschap. Pas nadat ze werd uitgehuwelijkt aan een man in Canada, er tijdens de reis naar hem tussenuit kneep en naar Nederland vluchtte, met succes asiel aanvroeg, ging studeren, werken en VVD-kamerlid werd, verloor ze langzaam maar zeker haar geloof. Ontroerend beschrijft ze hoe het voor haar onmogelijk werd om om te gaan met de enorme dissonantie tussen de islam die ze beweerde aan te hangen en de manier waarop ze feitelijk leefde. De druppel was 9/11: “… Na heel wat gewetensnood loste ik mijn innerlijk conflict ten slotte op door de stelling dat God de auteur van de Koran is te verwerpen, door Mohammed te verwerpen als morele leidraad en het standpunt in te nemen dat er geen leven na de dood is en dat God door de mens is geschapen en niet andersom…”. Hirsi Ali zag maar twee mogelijkheden: óf je onderwerpen aan de islam, óf een afvallige worden. Inmiddels is ze gaan nadenken over een tussenweg. Een optie waarbij het geloof op de een of andere manier verzoend kan worden met de eisen van de moderniteit. “Ketters” is niets meer of minder dan een oproep tot een islamitische reformatie.

Moderne Luther
Volgens Hirsi Ali is de islam verdeeld in Mekka- en Medina-gelovigen. Mekka-gelovigen vormen de meerderheid. Zij concentreren zich op de vroege periode in het leven van Mohammed, waarin hij nederig aan mensen vroeg of ze hem wilden volgen. Hun intentie is niet anders dan in vrede hun godsdienstige plichten naleven, zoals vrome christenen en joden dat ook doen. Medina-gelovigen identificeren zich echter met de late periode van Mohammeds’s leven, waarin hij met geweld de islam opdrong aan anderen. Volgens een onderzoek vat maar 3 procent van de moslims in de wereld de islam in deze militante variant op, maar, zegt Hirsi Ali: “… op 1,6 miljard gelovigen, oftewel 23 procent van de wereldbevolking, lijken die 48 miljoen meer dan genoeg…” en “… op grond van onderzoeksgegevens over de houding tegenover de sharia in moslimlanden zou ik het aandeel beduidend hoger inschatten; ik geloof bovendien dat het stijgt naarmate moslims en bekeerlingen tot de islam zich door Medina aangetrokken voelen…”. Het punt is dat Mekka-gelovigen voortdurend op gespannen voet leven met de moderniteit, en zich veelal terugtrekken in zelfgecreëerde enclaves waarbij ze externe invloeden proberen buiten te sluiten. Dit wordt wel ‘cocooning’ genoemd, een proces dat uiteraard herkenbaar is voor christenen uit de reformatorische wereld, zoals ik. Het probleem is dat Mekka-gelovigen niet in staat zijn zich intellectueel te weren tegen Medina-gelovigen. En dat is het gat waar Hirsi Ali in wil springen. Als een moderne Luther heeft ze vijf stellingen op een virtuele deur gespijkerd, die ze vervolgens één voor één behandelt.

Stamhoofd
Ten eerste: “… Laat Mohammed en de Koran openstaan voor interpretatie en kritiek…”. Voor Moslims zijn Mohammed en de Koran zo heilig, dat iedere discussie wordt opgevat als gebrek aan eerbied en voldoende is om te leiden tot gewelddadige protesten, relletjes en - vaak - doden. Eigenlijk mag de Koran niet eens vertaald worden (Arabisch is voor veel moslims de goddelijke taal). Blindelingse gehoorzaamheid aan de letterlijke teksten van de Koran zet aan tot geweld, wat met de Bijbel natuurlijk net zo goed het geval is:
“… zoals de religieuze politie van de Taliban op haar propagandaposters schrijft: ‘Gooi de rede voor de honden; hij stinkt naar corruptie’…”. En, volgens Hirsi Ali, begrijp je veel meer van Mohammed als je hem in de eerste plaats ziet als een stamhoofd in plaats van een profeet en strijder: “… In deze hoedanigheid slaagde Mohammed erin om een nieuwe, op religie gebaseerde gemeenschap te vormen uit de losjes georganiseerde elementen van de tribale Arabische samenleving. Kortom: hij was evenzeer een stichter van een ‘superstam’ als een religieuze figuur…”. Het werkt als volg: iedere familie maakt deel uit van een afstamming, veel afstammingen vormen een clan, veel clans vormen een stam, stammen hebben samen één enkele mythologische of half goddelijke stichter, in het geval van de islam de mythische zwerver Ismael. Dat verklaart ook de onderlinge vetes en het onaantastbare gezag van de leider, de eer en trouw die hem verschuldigd is, de mannelijke voogdij over vrouwen, de taboes, de wreedheid in oorlog en de doodstraf voor het uit de islam treden. Het belang van de groep, de familie, de bloedlijn staat boven dat van het individu. Als de sociale orde door een lid in diskrediet wordt gebracht is dat verraad en genereert het een gevoel van ondraaglijke schaamte. Scepticisme en kritisch denken zijn bedreigend: “… Vanuit het perspectief van een islamhervormer is een van de voornaamste problemen bij de islam dat de tribale militaire en patriarchale waarden die aan zijn oorsprong liggen worden gekoesterd als spirituele waarden die moeten worden gevolgd tot in alle eeuwigheid…”.

De snelste route naar het paradijs
Ten tweede: “… Geef voorrang aan het huidige leven, niet aan dat daarna…”. Moslims wordt geleerd zich vanaf het begin van hun leven te richten op de dood; wat een fatalistische kijk op het hier en nu bevordert. Hirsi Ali: “… Waarom zou je afval oprapen, waarom zou je je kinderen tot de orde roepen als je voor geen van die daden wordt beloond? Het is niet het gedrag waardoor je je onderscheidt als goed moslim: het heeft niets te maken met bidden of bekeren. Dit is mede een verklaring waarom moslims zo notoir ondervertegenwoordigd zijn in vernieuwende wetenschap en technologie…”. Er is een Hadith die luidt dat elke vernieuwing naar de hel voert. Het leven is vergankelijk, het gaat om het leven hierna. Het hiernamaals bergt het eeuwige geluk. Martelaarschap verhoogt de status in het toekomende (mannen-)paradijs, een lustoord met maagden die ‘niet slapen, niet zwanger worden, niet menstrueren, niet spugen, niet hun neus snuiten, en nooit ziek zijn’. Toe maar. De Medina-islam is een doodscultus: “… De islam leert dat niets zo eervol is dan een ongelovige van het leven te beroven – en nóg beter is het als die moorddadige handeling ook jezelf het leven kost…”.
Ten derde: “… Leg de sharia aan banden en maak deze ondergeschikt aan seculier recht…”. Over de sharia: “… In de strikte toepassing van de islamitische wet staat op afvalligheid de doodstraf en wordt overspel gestraft met honderd zweepslagen…”. Onthoofding (Koran hfdst. 47), kruisiging (Koran hfdst. 5:33), amputatie (Koran hfdst.5:38), steniging ( Hadith Sunan Abu Dawud, boek 38 nr. 4413), en zweepslagen (Koran hfdst. 24:2) zijn geen in onbruik geraakte straffen. Degenen die het zwaarst lijden onder deze barbaarse methoden zijn vrouwen, homoseksuelen en afvallige moslims, blijkt uit de tientallen voorbeelden waar Hirsi Ali mee komt. Ze wijst de afgezaagde platitudes van cultuurrelativisten als dat we niet moeten oordelen over andermans religieuze gebruiken zonder meer van de hand: “… De oude Azteken en andere volken brachten mensenoffers en reten nog kloppende harten uit de slachtoffers die geofferd zouden worden. We leren onze kinderen dat dit vijfhonderd jaar geleden gebeurde, maar we vergoelijken het niet, en dat zouden we ook niet doen als deze praktijk plotseling zou herleven in het huidige Mexico…”.
Ten vierde: “… Maak een einde aan de praktijk van ‘het goede bevelen en het kwade verbieden'…”. Deze regel houdt in dat de islamitische wet iedere gelovige verplicht in te grijpen wanneer een andere gelovige zondig gedrag vertoont en moet overhalen of zelfs dwingen daarmee te stoppen. Daar komen zaken als eergerelateerd geweld vandaan.
En als laatste: “… Laat de oproep tot jihad varen…”. Hirsi Ali: “… Jihadisten zijn niet simpelweg ontevreden jongeren uit achtergestelde gezinnen die de verkeerde websites bezoeken. Het zijn mannen en vrouwen met een heilige missie…”. Miljoenen christenen verkeren onder dezelfde slechte politieke en economische omstandigheden als veel islamisten, terwijl niet één van hen zich opblaast om martelaar te worden. Hoe kan dat? Politiek en religie moeten uit elkaar worden gehaald. Ze doet een boekje open over de christenvervolging in islamitische landen, waarbij ze concludeert dat de islamofobie niets voorstelt vergeleken bij de evidente christofobie – iets waar de westerse media amper over berichten.

Tegenverhaal
Evenals Henk Vijver (zie mijn blog van 17.07.2015) pleit Hirsi Ali voor het tegenverhaal: “… Toen we in het Westen druk bezig waren met mensen onder politiebewaking stellen, met controleren en zelfs met militaire acties, hebben we niet de moeite genomen om met een effectief tegenverhaal te komen, omdat vanaf het begin ontkend werd dat islamitisch extremisme enig verband hield met de islam. We blijven ons concentreren op het geweld en niet op de ideeën die eraan ten grondslag liggen… “ en “… We kunnen een ideologie niet slechts bestrijden met luchtaanvallen en drones of zelfs grondtroepen. We moeten haar bestrijden met ideeën, betere ideeën, positieve ideeën. We moeten haar bestrijden met alternatieve visies…”. Ze stelt lastige vragen: “… Is het concept van de heilige oorlog verenigbaar met ons ideaal van religieuze tolerantie? Is het godslastering – die met de dood kan worden bestraft – om de toepasbaarheid van bepaalde zevende-eeuwse doctrines op onze tijd in twijfel te trekken? En waarom heb ik, toen ik deze zaken aan de orde stelde, zo weinig steun en zo veel hoon over me heen gekregen van juist mensen in het Westen die zichzelf feministisch en progressief noemen? …”. Ze eindigt het boek met een waslijst van islamitische dissidenten en hervormers die ze op deze manier een platform geeft.
Zelden heb ik zo’n intellectueel bevredigend boek gelezen. Eindelijk heb ik het idee dat ik een beetje begrijp wat er zich allemaal binnen de islam afspeelt. Daarnaast houdt Ayaan Hirsi Ali mij een geweldige spiegel voor, omdat ik veel wezenlijke kenmerken van de radicale islam in mildere vorm ben tegengekomen in mijn eigen behoudende gereformeerde achtergrond. Ik kom ook fanatieke christenen tegen die niets anders doen dan corrigeren en terechtwijzen en met wie geen discussie mogelijk is. Ik ken ook fundamentalistische kerkgangers die liever willen dat je je mond houdt en gewoon mee blijft hobbelen in de gemeenschap als je niet meer gelooft (wat mij de hypocrisie ten top lijkt), in plaats van dat je daar open en bloot voor uitkomt. Ik hoor ook verhalen van christenen die de hel wordt aangezegd door voorgangers als ze hun doopbewijs komen opvragen; soms om zich alleen maar bij een minder extreme geloofsgemeenschap aan te sluiten. Niets nieuws onder de zon, dus.
Ik val niet zo gauw om van iemand. Maar wél van Ayaan Hirsi Ali. Zij komt daar met de gratie van een koningin van Seba uit de woestijn gesjouwd (“… Mijn moeder was geboren onder een boom en opgegroeid in de woestijn. In haar jeugd had ze een zwervend bestaan geleid, waarbij ze zelfs in Aden, in Jemen, aan de overkant van de Rode Zee was geweest…”) – omgeven door een aura van vrijheid en onafhankelijkheid en vriendelijkheid en eruditie. Ze blaast mij volkomen omver…

Uitgave: Atlas Contact – 2015, vertaling Gina ten Huisse, Jeske Nelissen, Anne Parmi, 288 blz., ISBN 978 904 502 994 8, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen