Menu

vrijdag 30 oktober 2015

Jij zegt het – Connie Palmen


Oh jongens. La Palmen is terug. En hoe! Je verdwijnt in haar boek. En niet voorzichtig. Ze vreet je op. Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb!

Icoon

“Jij zegt het” gaat over het beroemdste liefdespaar uit de moderne westerse literatuur: Sylvia Plath en Ted Hughes. De door depressies getekende Amerikaanse dichteres, romanschrijfster en essayiste Sylvia Plath pleegde op dertigjarige leeftijd zelfmoord (1963); ziek, na een huwelijk van zeven jaar in de steek gelaten door haar man, en opgezadeld met de verantwoordelijkheid voor twee kleine kinderen. Voor ze haar hoofd in de gasoven stak zette ze eerst nog een bordje met boterhammen en een glaasje melk naast hun bedjes. Na haar dood brak er een storm van verontwaardiging los richting de Engelse dichter en kinderboekenschrijver Ted Hughes. Zij werd een icoon. Hughes het mikpunt van smaad, laster, insinuaties en roddels. Vrouwen jouwden hem tijdens openbare optredens uit met spandoeken boven het hoofd waarop ‘Moordenaar!’ geschreven stond. Feministes hakten meerdere malen zijn naam van de grafzerk van Sylvia. Volgens zijn vijanden zou hij haar literaire nalatenschap plunderen. Hughes verdedigde zich niet. Echter; tien maanden voor zijn overlijden (1998) verscheen “Birthday Letters”, de enige bundel waarin hij een tipje van de sluier oplicht over zijn dramatische verbintenis met Sylvia Plath. Het bevat 88 gedichten die Connie Palmen gebruikt om in de huid van Ted Hughes te kruipen. “Jij zegt het” is zijn verhaal. Of het een beetje klopt zullen we misschien ooit echt weten. In zijn archief bevindt zich een verzegelde kist die pas in 2023 geopend mag worden…

Haat/liefde

Bij hun eerste verzengende ontmoeting kust Sylvia haar aanstaande man niet, maar bijt hem in zijn wang. Brandmerkt hem. Wreed. Tot bloedens toe. “… We omhelsden elkaar niet, we vielen elkaar aan…”, zegt Ted erover. Hij had moeten weten dat om iemand geven bij haar gelijk stond aan met iemand vechten: “… Ik had nooit iemand ontmoet bij wie liefhebben en haten zo dicht bij elkaar lagen dat er bijna geen verschil was. Ze wilde niets liever dan iemand liefhebben, maar ze haatte het als ze het daadwerkelijk deed. Ze wilde niets liever dan bemind worden, maar ze heeft iedereen die ooit van haar heeft gehouden genadeloos voor deze liefde afgestraft…”. Hij vertelt over de indruk die ze maakte: een fladderende, kwetterende vogel (zie de cover), glanzend gepolijst, mooi, groot, beweeglijk, opgewonden, nerveus, intelligent, geestig, talentvol, geniaal, onbeschaamd, grimmig, losbandig, bronstig, gevaarlijk en behept met het griezelige vermogen andermans gedachten te lezen, gebeurtenissen te voorspellen, gevaar te ruiken, op kilometers afstand te weten wat hij doet en denkt en meemaakt. Kortom, een hypergevoelige intelligente Amerikaanse met een grote bek en een klein hartje. Ze vertelt hem over haar dode vader, die ze zich inbeeldde als een wenkende god. Over haar opname in een psychiatrische kliniek. De elektroshocktherapie die haar hersens lam legde. De zelfmoordpoging: ze kroop in de kruipruimte van haar ouderlijk huis met vijftig slaappillen van haar moeder. Werd gevonden. Een verwond kind. Ted wil niets liever dan haar helen.
Als hij later haar dagboeken leest komt hij er achter dat ze lang niet zo onschuldig was als ze leek. Terwijl hij zowat op apengapen lag van adoratie rekende zij nietsontziend af met oude vlammen en minnaars, om tenslotte bij hem te eindigen. Ze verzweeg dat haar grote Parijse liefde met de noorderzon was vertrokken. Tot op heden is zijn naam een mysterie. Ted dacht altijd dat niemand haar zo goed kende als hij. Dat alleen hij wist wie ze werkelijk was. Maar als hij haar memoires onder ogen krijgt leest hij dat ze hun gedeelde wereld totaal anders interpreteerde dan hij.

Witte godin
Ziet de dichterlijke verbeelding dingen die er niet zijn? Of zien ‘gewone’ mensen dingen over het hoofd die er wél zijn? Ted Hughes heeft wat met vosjes (zie de cover). In Cambridge studeert hij verveeld Engelse taal en literatuur, als hij op een dag iets achter zijn rug voelt naderen: “… Toen ik mijn hoofd opzij draaide zag ik een vos, of eerder een magere man met de kop van een vos, zwartgeblakerd en bloedend, alsof hij zojuist aan een brand was ontsnapt. Vreemd bleef ik zitten en wachtte af, gespannen, zonder angst. De vos kwam dichterbij, bracht zijn kop op ooghoogte en keek me aan met een gekwelde blik. Voordat ik het wist liet hij met een zware plof een bebloede mannenhand neerkomen op het lege blad dat voor me lag. Hij boog zich naar me toe en fluisterde in mijn oor: ‘Hou hiermee op – je maakt ons kapot.’ Daarna verdween hij net zo mysterieus als hij kwam. Op het papier stond een van nat bloed glimmende afdruk van een handpalm. De volgende dag deelde ik de faculteit mee dat ik stopte met de studie literatuur. Ik stapte over naar sociale antropologie…”. Later zal hij als een omen een jongen tegenkomen die hem op een brug een jonge vos te koop aanbiedt. Hij is ervan overtuigd dat in oude mythen, volksverhalen en fabels eeuwige wijsheid verborgen ligt. Houdt zich bezig met astrologie, de tarot, het ouijabord, Jung en het collectieve onderbewuste, de kabbala. Volgens hem allemaal wegen naar het onderbewuste. Als hij Sylvia inwijdt in het ‘glaasje draaien’ schrikken ze zich dood als zij op een gegeven moment met een grommende mannenstem gaat praten (net als de moeder van Adriaan van Dis in “Ik kom terug”). Mijn orthodoxe achtergrond heeft altijd streng gewaarschuwd tegen het occulte; het zou alleen maar donkerheid, depressies en zelfmoorden teweeg brengen – en in dit geval krijgt ze daarin dubbel en dwars gelijk. Ted wil Sylvia’s ‘ware ziel’ blootleggen, gelooft heilig in het bestaan daarvan. Wil haar verlosser zijn. Zei Nietzsche niet dat we leven met ontelbaar veel zelven? Maar daarachter en daaronder… Onder invloed van “The White Goddess” van Robert Graves raakt hij ervan overtuigd dat in Sylvia zijn witte godin huist. Ze zwepen elkaar op in hun werk. In het vinden van een eigen stem. In de jacht naar roem en succes. Roepen een wirwar aan emoties bij de ander op: wedijver, passie, jaloezie, bewondering, hysterie.

Wurgslangen in een dodelijke omhelzing
Als Sylvia klaar is met haar studie in Engeland vertrekken ze naar Amerika. Erg gelukkig zijn ze niet. Het echtpaar wordt steeds bekender, maar Ted haat het in de belangstelling te staan. Hij kampt met een aangeboren weerzin tegen de roestvrijstalen wereld van overvloed en onechtheid. Sylvia zeurt de oren van zijn kop. Huilt soms dag en nacht. Hij loopt met oordoppen in om het niet te hoeven horen. Is opgelucht als ze een baantje heeft, waardoor ze s’ morgens de deur uit moet. Hij betrapt zich er op dat hij steeds vaker denkt dat ze niet echt van haar neerslachtige buien af wil.
Over een voorval als Sylvia poseert als schildersmodel: “… Ik weet niet wanneer het gebeurde, hoeveel sessies ik mijn blik op haar deelde met de schilder die voor de driepotige ezel tranceachtig danste, toen Howard opeens – met een beangstigende opwinding – een donkere kleur aan zijn palet toevoegde en met haastige streken een aapachtige belager achter mijn nietsvermoedende bruid liet opduiken. Hij had ons verteld dat hij in diepe concentratie van het schilderen vaak stemmen hoorde of onbekende wezens zag verschijnen die voor hem zo veel werkelijkheid bezaten, dat hij ze onmiddellijk op het doek vereeuwigde, ervan overtuigd dat ze werden opgeroepen door het model en iets verkondigden wat hij soms pas na jaren begreep…”. Hij heeft het gevoel haar met hand en tand te moeten beschermen tegen onbekend onheil. Slikt – in mijn ogen – veel te veel. Aan een vriend biecht hij grijnzend op dat hij, op een ochtend terwijl hij aan het werk was, heeft geteld hoe vaak ze zijn naam riep: 104 keer! En Sylvia, die als een furie tekeer kan gaan over haar bezitterige moeder en veeleisende weldoensters, laat zich op haar beurt volkomen in de luren leggen door Ted: “… Omdat ze zo gevoelig was voor mijn stem als een pasgeboren lam voor het blaten van het moederschaap, kreeg ik haar na twee mislukte pogingen volledig onder hypnose. Spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling en ten slotte haar dromen, ik kon ze sturen met mijn stem. Toen bleek hoe ontvankelijk ze ervoor was – het me zelfs lukte het begin en het einde van haar maandstonden te beïnvloeden en de pijn ervan deels weg te nemen – ging ik verder…”. Palmen zet het stel neer als twee wurgslangen verstrikt in een dodelijke omhelzing.

Gruzelementen
Als ze besluiten terug te gaan naar Engeland lijkt het even wat beter te gaan. Daar worden hun twee kinderen geboren. Sylvia is een zielsgelukkige moeder. Als ze vanwege de drukte in de grote stad verhuizen naar het platteland, beseft Ted niet dat hij zichzelf daardoor nog meer gevangen zet onder ‘de glazen stolp’ van Sylvia. Uiteindelijk slaat hij hem aan gruzelementen door verliefd te worden op een ander. Misschien wel de enige manier om zich te bevrijden uit het verstikkende huwelijk. Sylvia sommeert hem te vertrekken. Hij blijft geloven dat er verzoening mogelijk is, dat de verwijdering tijdelijk is en ze een nieuw begin kunnen maken. Het heeft niet zo mogen zijn. Levenslang heeft hij zichzelf als een van de pionnen gezien die haar de dood indreven. Ook al doet de beschrijving van Sylvia’s laatste dagen denken aan een psychose. Teds’ tweede vrouw pleegde eveneens zelfmoord en nam hun dochter mee. Of Ted het nog heeft meegemaakt weet ik niet, maar ook de zoon die hij met Sylvia had maakte een einde aan zijn leven. Het is of de dood hem levenslang op de hielen zat.

Goed versus kwaad
“Jij zegt het” gaat, zoals alle verhalen, over de strijd tussen goed en kwaad. Sylvia Plath was geen heilige, en Ted Hughes geen demon. Prachtig laat Palmen bij monde van Hughes zien hoe goed en kwaad onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn: “… Alle grote literatuur – Homerus, Dante, Shakespeare, Blake, de Bijbel – gaat over de strijd tegen het kwaad, tegen wat – in en buiten ons – uit is op onze verwoesting, op de dood van het lichaam of de ziel. Het geweld ontkennen, is het geweld oproepen. Het kwaad ontkennen, is het kwaad oproepen. In alle verhalen en gedichten is de ontkenning van het kwaad in onszelf de bron van alle ellende, en is inzicht en kennis de redding. Het kwade kan ten goede worden aangewend door begrip, vormgeving, ritualisering. Daar zijn de literatuur en de religie voor bestemd…”.

Uitgave: Prometheus – 2015, 240 blz., ISBN 978 904 462 810 4, € 19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen