Menu

vrijdag 1 april 2016

Dit zijn de namen – Tommy Wieringa


Met een leeskring nog een boek waarin gereisd wordt – zie mijn vorige blog over onder andere Joseph Campbell en "De held met de duizend gezichten" – besproken: “… Gedurende de tocht had hij al meer gezien en begrepen dan in alle jaren daarvoor. Als hij zou overleven, zou de reis hem gevormd en getekend hebben…”. “Dit zijn de namen” van Tommy Wieringa werd bekroond met de Libris Literatuurprijs en de Gouden Boekenuil. Soms lijkt het alsof schrijvers vooruit lopen op de werkelijkheid. Zie bijvoorbeeld ook “De ontelbaren” van Elvis Peeters. Hoewel “Dit zijn de namen” al een wat ouder boek is (2012), gaat het over een groep vluchtelingen die het slachtoffer zijn van genadeloze mensensmokkelaars. Ze worden een fictieve grens over gebracht. Hoe aktueel en omstreden kan je zijn?! Toevallig start vandaag ook nog de ‘maand van de filosofie’ met als thema ‘de grens’.

Zombies

Het macabere verhaal speelt zich af in Oost-Europa. Wieringa baseerde het op een krantenartikel dat hij ooit las. De groep - vijf mannen, een vrouw en een jongen – zijn gedropt op een eindeloze steppe. Volgens hun chauffeur moeten ze naar het westen blijven lopen, dan komen ze vanzelf in een stad waar hun nieuwe leven kan beginnen. Ze lopen dagen en weken achtereen, maar nergens is er iets bewoonbaars te zien. Ze sterven van de hitte en de kou. Ze worden gek van de dorst en de honger. Hun schoenen en kleding verslijten tot op de draad. De vrouw valt ten prooi aan twee mannen die iedere nacht om haar vechten. Het kind ziet zonden waarvan hij het bestaan niet vermoedde. Langzaamaan veranderen de gelukszoekers in zombies die alleen nog maar gericht zijn op overleven. Het is ieder voor zich. Geknecht door haat en angst gaan ze daarbij letterlijk en figuurlijk ‘over lijken’.

Een hart als een walvis
Een uitzondering vormt een zwarte man die hun taal niet spreekt en bij gebrek aan beter “Afrika” wordt genoemd. Hij ontpopt zich als de barmhartige Samaritaan: “… Hij heeft zijn eten met me gedeeld, dacht de lange man, zijn enige eten. Hij is een groot en edel mens. Hij heeft een hart als een walvis, ik ben niet waard dat hij me het licht van zijn ogen schenkt. Zijn onderlip trilde, tranen liepen over zijn gezicht. De Ethiopiër had hem het licht van zijn ziel laten zien, een fel licht; hij voelde hoe het in hem was overgegaan, zoals je een kaars aansteekt met een andere kaars. Hij sloeg zijn handen voor zijn ogen en schokschouderde. Eenmaal in zijn leven huilt een mens omdat hij zichzelf helemaal doorziet. Eenmaal in zijn leven huilt hij omdat hij weet dat hij niet meer te redden is…”. Gek genoeg roept dat altruïsme alleen maar wantrouwen op in de groep. Waar haalt “Afrika” zijn voedsel vandaan? Terwijl ze hem op een afstand houden gaan ze steeds vreemder over hem denken. Als hij het kruis om zijn nek kust - “… Het was de eerste keer dat de man uit Asjchabad zag dat een Afrikaan een canoniek geloof kon aanhangen. In zijn voorstelling van Afrika dansten zwarten voor regen. Ze aanbaden vreemde voorwerpen. De Koran, de Bijbel, het boek van de joden - daar hadden negers geen deel aan. En daar kuste die zwartkop zomaar een kruis. Ook al was de man uit Asjchabad christen noch moslim, vuuraanbidder nog vooroudervereerder, toch voelde hij diepe afkeuring – alsof hij getuige was van iets blasfemisch. Nu moest hij de man uit Ethiopië als méns beschouwen, terwijl hij hem eerder had gezien als een onschadelijk dier in de staart van de karavaan, dat tussen hun benen schuimde en de hazenbotten nog verder afkloof dan zij al hadden gedaan…” - denken sommigen dat hij bloed uit het lichaam van een achtergelaten dode drinkt. Kannibalisme is zwarten niet vreemd toch? Iemand krijgt een pijnlijke zweer op de plek waar “Afrika” hem aanraakt. Al gauw wordt de zondebok allerlei duistere krachten toegedicht. Als “Afrika” op een morgen vermoord wordt gevonden snijdt iemand (wie, daar kom je niet achter) zijn hoofd van zijn romp, pakt het in plastic, en voeren de overgeblevenen het als een soort mascotte annex afgod met zich mee. Vanaf dan gaan het beter. Het hoofd zendt de jongen dromen die de richting wijzen. De groep loopt recht op de bedoening van een oud kippenvrouwtje af. Iedereen stopt zich vol tot ze kotsmisselijk worden. Door het spoor van de auto die het kippenvoer aflevert te volgen komen ze opduiken in het verloederde en van corruptie vergeven grensstadje Michailopol, waar Pontus Beg als politiecommandant zijn scepter zwaait. Ze kunnen alleen maar huilen: ze zijn nog steeds aan deze kant van de grens – ze zijn belazerd bij het leven.

Meer
Pontus Beg: de held van het verhaal, een vermoeide, melancholische agent van drieënvijftig, die zich oud voelt worden: “… Hij leefde om de toenemende gebreken heen…”. Hij heeft kind nog kraai, alleen een vertrouwde huishoudster, die één keer in de maand zijn bed deelt, wat ze bij haar werkcontract lijkt te hebben ingecalculeerd. Niet vaker, alhoewel hij dat wel wil – want ze is geen hoer. Pontus ontgaat het verschil, maar houdt zijn mond: “… Hij wilde niet nadenken over dingen die onveranderbaar waren. Hij wilde ze niet voelen. Gevoelens waren voor gelukkige mensen…”. Wieringa kan enige humor niet ontzegd worden: in haar slaap onderhoudt de huishoudster een levendige relatie met haar overleden moeder. Hun gesprekken gaan nergens over. De kwaliteit van eieren, de prijs van meel. Eén keer heeft Pontus haar wakker gemaakt: “… ‘Je praat in je slaap’, zei hij. Ze ging rechtop zitten en zei: ‘Pontus, je stoort ons! Nu moet ik maar zien hoe ik haar weer terugvindt!’…”. Sindsdien verlaat hij het bed als het geklets hem teveel wordt. Hij is er niet gerust op: “… Het secreet fluisterde haar dochter van gene zijde valse raad in. Het was een slechte zaak als de doden het hier voor het zeggen kregen…”. Het sterke is dat de schrijver Pontus niet onfeilbaar maakt. Pontus doet - weliswaar tegen zijn zin - mee aan de afpersingspraktijken die in alle lagen van de bevolking gemeengoed zijn geworden. Hij heeft zijn ‘buien’ volgens een ondergeschikte. Meedogenloos slaat hij een onhandelbare vrachtwagenchauffeur in elkaar. Toch won hij mijn sympathie. Ik moest denken aan David Vann die schrijft dat wij allemaal zowel Kaïn als Abel in ons hebben. Pontus is duidelijk op zoek. Hij leest oosterse filosofen. Maar hij verlangt meer dan ‘berusting’.

Lernen

Op een joodse begrafenis herinnert Pontus zich een joods kinderliedje dat zijn moeder vroeger voor hem zong. Hij komt erachter dat de naam van zijn moeder voorkomt onder Azjkenasische joden. Op een oude foto ontwaart hij een verborgen menora: zeven armen die hem terugtrekken naar zijn oorsprong. Is hij joods? Hij gaat thee drinken bij een oude rebbe, de enige overgebleven jood in Michailopol, die in een vervallen synagoge woont. Op diens advies stort hij zich op de Thora, leest alle oude joodse boeken waarop hij beslag kan leggen, en denkt na over de vraag of hij jood wil worden. De rabbijn: “… Tegenover de twijfel staat het Lernen, dat is de methode, Lernen! Onderzoekt u het geloof, niet het ongeloof…” (een methode die me enorm aanspreekt – ik doe niet anders). Het doet denken aan het autobiografische relaas "De wenteltrap" van godsdienstdeskundige Karen Armstrong, waarin ze vertelt hoe ze na zeven jaar tevergeefs proberen een goede non te worden, weer kiest voor de wereld. Uiteindelijk omarmt ze een persoonlijke, integere manier van geloven als ze zich verdiept in de Thora. Bij Wieringa is geloven niet bepaald goedkoop, maar verdomd hard werken. Pontus verlangt ernaar zich onder te dompelen in de mikwe, een koud, ritueel bad, diep in de kelder van het godshuis. Het vuil van de wereld en het leven van zich af te wassen. Zuiverheid: “… Een nieuwe ziel. Daar diep in de aarde, bij het magische water, leek zoiets werkelijk mogelijk. Wat een aangename, troostende gedachte… Zijn oude ziel afleggen, dat rafelige, versleten ding, er een nieuwe voor in de plaats krijgen. Wie wilde dat niet? Wie zou zoiets afwijzen?...”. Het afdalen in de onderwereld lijkt synoniem voor het afdalen in de ziel. Pontus vermoedt dat daar zijn verlossing ligt. Zelfkennis en godskennis gaan hand in hand. Het idee ontroerd hem bij een uitverkoren volk te horen - ook al beseft hij dat dat altijd weer ten koste van anderen gaat. Zo negatief als het religieuze jodendom wordt beleefd in bijvoorbeeld "Ik ben verboden" van Anouk Markovits, zo positief is dat het geval in "Dit zijn de namen". Willem Ouweneel in "Wijsheid voor denkers": "... Voor een groot deel ontwikkelt de wereldbeschouwing van een individu zich via positieve en negatieve ervaringen, of via goede of slechte herinneringen, die leiden tot positieve en negatieve affecties. Zo heeft jouw houding tegenover religie minder te maken met rationele elementen, en meer met goede of slechte ervaringen in de kerk waar je naartoe ging, met goede of slechte herinneringen aan je religieuze opvoeding (thuis, op school), en dat soort dingen...".

Exodus

Als Pontus Berg geconfronteerd wordt met de haveloze vluchtelingen en hun hoofd - dat van de hele zaak trouwens een misdaad maakt – linkt hij dat aan het volk Israël dat veertig jaar door de woestijn zwierf met de botten van Jozef, die in het beloofde land begraven wilde worden. Met “Dit zijn de namen…” begint ook het Bijbelboek Exodus (uittocht).
Wieringa onderzoekt in zijn verhaal op een indringende manier het nut en de functie van religie. Hij heeft daar weinig godsdienstig idioom voor nodig.
Heeft geloven niet altijd iets van een - onzichtbare - grens oversteken? Van te voren weet je niet waar je uitkomt. Wie garandeert je dat je leermeesters geen valse messiassen dan wel criminele mensensmokkelaars zijn? De vluchtelingen vertellen dat ze door ‘een haag van verschrikking’ zijn gegaan. Het lijkt me een geestelijk synoniem voor ‘de nacht van de ziel’. Wieringa laat zien dat op middelbare leeftijd een nieuw leven mogelijk is. Júist op middelbare leeftijd, als je geneigd bent tot inkeer en terugkijken. En dan doelt hij niet op een kinderachtige terugval in de puberteit met de spreekwoordelijke nieuwe vrouw, of man, en een snelle Ferrari. Voor mij zet Wieringa de exodus van het geloof af tegen de Nietzscheaanse verschrikking van de eeuwige wederkeer: “… Ver weg, waar honinggeel licht vanachter de wolken viel, dansten stepperollers over het aardoppervlak; doorschijnende bollen velddistel en loogkruid, voortbewogen door de wind. De huizenhoge wielen rolden langzaam over de steppe, vertraagd, droomverschijningen. Het hart van de reizigers veerde op als er één opsprong en dan verder werd gejaagd. Ze strekten hun handen ernaar uit, maar een voor een verdwenen de rollers uit het zicht en lieten een zeurend verlangen bij ze achter. Waarheen rolden die wielen zo luchthartig, zo ver weg in dat gele licht? Maar nog voor de avond hebben de reizigers hun hoofd weer naar de aarde gebogen. De eeuwige herhaling van hetzelfde heeft ze weer in slaap gewiegd. Het lichte dansen van de stepperollers is vergeten. Alles is vergeten…”. Evenals Mozes komt Pontus niet in het beloofde land terecht, maar via een list stuurt hij wel zijn aangenomen zoon, het kind onder de vluchtelingen, als zijnde joods, naar het hedendaagse Israël.
Wát een boek…

Uitgave: De Bezige Bij – 2012, 276 blz., ISBN 978 902 347 269 8, € 19,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen