Menu

donderdag 8 september 2016

Van vogels en mensen – Margriet de Moor


Het was een beetje stil rond Margriet de Moor (Noordwijk – 1941, studeerde piano, solozang, kunstgeschiedenis en archeologie – moeder van schrijfster Marente de Moor: zie mijn recensie aangaande “De Nederlandse maagd”), maar eind september komt haar nieuwe boek op de markt: “Van vogels en mensen”. Ik kreeg alvast een voorproefje – dus de teksten die ik citeer kunnen eventueel nog anders uitvallen. Evenals “De tsaar van liefde en techno” - zie mijn vorige blog - bestaat deze roman uit verschillende verhalen die vanuit het verschillende perspectief van verschillende personen worden verteld. Onderling zijn ze zo met elkaar verweven dat ze samen een fijnzinnig boek opleveren dat draait om de moord op een oude man.

Leeswolf

Zoals “De tsaar van liefde en techno” als het ware Rusland ademt, zo ademt “Van vogels en mensen” Holland. Eén van de hoofdpersonen is vogelverjager op luchthaven Schiphol en woont in Schalkwijk, “… een tussen weilanden en water gelegen dorp…”. Met een vleugje Baantjer erin: als de vogelverjager na een nachtdienst uit zijn auto stapt “… vallen de in neutrale kleding gestoken man en vrouw op de voorbank van een Volkswagen hem net zomin op als het vogelgetsjilp. De twee hebben dienst. Straks zullen ze zo netjes mogelijk een arrestatie verrichten, op zichzelf niets bijzonders, alleen is het dit keer een vrouw…”. Zíjn vrouw: een bescheiden en sympathieke verpleegkundige. Nachtdiensten en werkroosters maken dat ze amper met elkaar praten. Zelfs als hun tienjarige zoontje zoek raakt en terug gebracht wordt door de politie “… was er nadat de agent was vertrokken een stilzwijgen blijven hangen…”. Al vraagt de vrouw wel naar de vogels en andere dieren die de vogelverjager heeft gezien: hazen, mollen, hermelijnen, bunzingen. “… Dieren interesseren haar…”. Bovendien is ze een ‘leeswolf’; in haar verbeelding spiegelt ze zich alles moeiteloos voor. Hij denkt dat hij haar kent. Als hij bij haar in bed kruipt: “… Slaap maar door in je vaste vertrouwen dat je weet wie ik ben en ik ook weet dat ik, tot op de bodem van je hart, weet wie jij bent…”. Maar kunnen mensen elkaar écht kennen? Moet je altijd alles tegen elkaar zeggen om elkaar te begrijpen? In hoeverre ken je jezélf? En getuigt het soms ook niet van liefde de ander een beetje te laten begaan? De vogelverjager is gelukkig met haar. Tot ze wordt opgepakt vanwege moord. Ik kan natuurlijk niet alles uit de doeken doen, dat haalt de hele clou van het boek onderuit. Maar ik moest tijdens het lezen denken aan John Ajvide Lindqvist die in “Ik zal je altijd vinden” schrijft over een jongen die ‘een monster in zich bergt, waar hij mee moet leren dealen’. Dat monster roert zich niet zomaar, het is ontstaan doordat hij vreselijk gepest is op school. Lindqvist: “… Als je alles weet en begrijpt van iemand, dan is het moeilijk om die persoon te veroordelen. Of dat vervolgens goed of slecht is, is een ander verhaal…”. Dat is hier ook zo.

De reis van de schreeuw
Beetje bij beetje vertelt Margriet de Moor hoe het monster opstaat. Alleen heeft ze het niet over een monster, maar over een ‘verdeelde wil’: “… Een kalme normale wil, als elk mens, en een donkere razende wil, ook als elk mens, maar die zij al jarenlang als een gigantische plunjezak met zich meetorste, waaraan ze gewend was geraakt en die ze koesterde zoals je een lichaamsdeel koestert, een voorziening waar je het mee moet doen en die je maar hebt te verzorgen en te achten…”. Verderop in het boek gaat het over “… De reis van de schreeuw…”. Een verhaal over de verpleegster als ze nog klein is: “… Diep binnen in haar zat de echte schreeuw opgeborgen, vers en rozig en nog geduldiger dan een toekomstvoorspelling…”. Als ze na een verschrikkelijke gebeurtenis, als troost een sorbet krijgt voorgeschoteld, is het meisje “… totaal niet gewend aan de onder ijs en slagroom bedolven razernij in zichzelf, had geen flauw idee hoe het die razernij in haar verdere leven zou moeten vergaan…”. Tijdens een kerkgang: “… Ze had mogen meezingen in het kinderkoor en had op het aller- allerheiligste moment van de mis zich het aller- allerkwaadste moment van haar leven te binnen gehaald. Dat ging vanzelf. Dat kwam van God. Ze had haar vingers om het bovenbalkje van de knielbank geklemd zoals je je vastgrijpt aan de reling van een boot. Kinderverstand of niet, huiverend van vreugde heeft ze de band, de woordenoverstijgende versmelting van de twee momenten gevoeld en onderkend wat dat was. Een gebed, een gebed, voorwaar! Dat je met ziel en zaligheid kunt doen om het net zo gemakkelijk weer los te laten omdat je weet, er vast van op aan kan, dat het zijn eigen onverzoenlijke gang zal blijven gaan! Woede – verwensen, woede– betaald zetten, woede – schoppen, slaan, ogen uitkrabben…”. Ze is er niet bepaald met haar gedachten bij als ze voor de eerste keer in het gras ligt met een jongen die haar wil kussen: “…Dwars door hem heen kijkend stelt ze zich voor hoe een zeker iemand, iemand die ze nog nooit heeft gezien maar die wel bestaat, vanuit duizelingwekkende hoogte een afgrond in stort en daar jammerlijk omkomt. Ze voelt haar borstkas volstromen met plezier…”. En als jong-volwassene: “… Ze sliep lekker. De geweldige opschudding bij haar van binnen, de prop die al jaren tussen haar keel en haar hart vastzat, zich daar op zijn plaats voelde en zich net zo natuurlijk ontwikkelde als zijzelf, stoorde niet in het minst. Groeikapitaal. Duurzaam bezit…”. De stem binnen in haar als ze even uitpuft tijdens haar werk: “…‘Moge je hele leven één smeerboel worden. Moge het rottende vlees van je botten vallen. Mogen je handen nooit, never, ook nog maar enig genot of zelfs maar een ietsje gevoel ondervinden. Bij de…’ De stem zweeg even, dacht na en ging genietend omlaag. ‘Bij de zwarte duivel. Bij de withete God. Moge de schurftige Satan je vader en moeder levenslang geven, je broers en zussen failliet verklaren en je kinderen tot in de eeuwen der eeuwen tot zware werkstraffen veroordelen. Dit is wat ik zeg en herhaal. Dit is wat ik met mijn naam onderteken. Schande over jou! Misbaksel!'...”. Dat kan natuurlijk niet goed gaan.

Jacob in gevecht met de engel
Iemand die net zo goed overrompeld wordt door het monster in hem is een bejaarde man: “…Verliet hij het verzorgingscomplex dan kon hij links of rechts afslaan, dat stond hem vrij, maar het traject dat binnen het bereik van zijn voeten lag stond wel zo’n beetje vast. Niet eens zulke slechte voeten, mits vakkundig verzorgd, knieën die het ook nog deden en heupen die op breken stonden, maar daar tot nu toe mee hadden gewacht…”. Hij blijkt een drenkeling uit het water te hebben gevist. De herinnering: “…Bagger tintelt net als het koperen lipje van een zaklampbatterij tegen je tong en je tanden…”. De redding is heerlijk, maar niet om verheven redenen: “… De jongen leek zich met alle kracht van zijn verdrinkende lijf tegen hem teweer te stellen. Jacob in gevecht met de engel. Anders hoefde je het niet te noemen. Jacob in gevecht met zijn bloedeigen leven dat zich gedroeg als een roofdier. Wie een drenkeling redt moet meedogenloos zijn…”. De jongen probeert zich instinctmatig aan hem vast te klampen waardoor ze allebei in gevaar komen: “ … Wie van nature een zachte inborst heeft, veel schuchterheid aangaande andermans gevoelens en die per definitie achtenswaardig vindt, kan zijn leven lang onbekend blijven met de eigen razernij. Bruno voelde een golf van haat in zich opkomen. Hij greep de jongeman met de grofste kracht waarover hij op zijn leeftijd nog kon beschikken bij de haren en duwde het hoofd onder water. Bruno was oud, maar de jongen was finaal op. Toen het lichaam verslapte begon Bruno, nog steeds buiten zichzelf van kwaadheid, zijn oorspronkelijke plan uit te voeren. Hij nam het verzuipende hoofd in zijn greep. Dwong neus en mond naar de lucht…”. Over de bejaarde wordt kort maar krachtig meegedeeld: “… Bruno las het nieuws van de dag, zijn sterfdag…”. Omdat er in een eerder hoofdstuk sprake is van moord en doodslag doet dat het ergste vermoeden.

Dik snertwijf
Wat mij betreft gaat het mooiste verhaal over een vrouw die een moord bekent die ze niet heeft gepleegd. Hoe komt ze daartoe? Valse bekentenissen komen vaker voor dan je denkt – zie hier. Als geen ander beschrijft Margriet de Moor over de mentale druk die tijdens het verhoor wordt toegepast op de vrouw. Sommige monsters zijn blijkbaar beroepsmatig: “…Hij inhaleerde diep, bleef me voortdurend aankijken, ook toen hij de asbak naar zich toehaalde en zijn sigaret al halverwege weer uitdrukte. Toen schoot hij weer overeind en begon me diep te beledigen. Ik keek naar zijn bewegende, vlezige mond. De mond was een wildeman. Hij bevond zich op een handbreedte voor mijn gezicht en fascineerde me totaal. Het was onmogelijk om er niet naar kijken. Hij brulde, loeide, toeterde, greep mijn gedachten vast, onderzocht ze, kneedde ze en greep ze opnieuw, allemaal, al mijn gedachten die zo verschrikkelijk waar waren, zo honderd procent waar, hij greep ook mijn ogen, mijn oren en ook mijn armen, alle twee, om ze achter mijn rug samen te binden. Dochter van me: het was pure magie. Ik behoorde hem. Vastgehecht aan de rondwentelende, vochtig glinsterende tong in zijn hol van lippen dronk ik in wat Van Altijd (rechercheur) me over mezelf wist bij te brengen.‘Ja, ja, ja…!’ onderbrak ik toen het punt van het onhoudbare was bereikt. Waarop alles verstomde…”. Even het optimisme, maar “… Dan verbergt de verdachte het gezicht in haar handen en barst uit in een gejammer van nee, nee! Toestand. Ergerniswekkend vrouwenspektakel van een schepsel dat aan het verstand is gepeuterd een dom, achterbaks, bot, dik, zweterig, truttig, aangeboren onbenullig, aangeboren lelijk, aangeboren leugenachtig en nogmaals een dik, veel te dik snertwijf te zijn. De bewaakster bracht me terug naar de cel…”. Constant wordt haar het misdrijf ingepeperd, tot ze het langzaamaan zelf gaat geloven: “…Gestaag druppelde het allemaal, zwaar en gruwelijk, mijn ogen, handen en hersenen in. Hoe was het mogelijk. Had ik dit, naar zij zeker zeiden te weten, allemaal gedaan? …”. Op een nacht besluit ze simpel te bekennen. Een tomeloze opluchting is het gevolg. Onmiddellijk wordt de sfeer zacht en liefdevol. Als ze voor de rechtbank haar bekentenis echter herroept begint de hel opnieuw “… tot gek-, serieus gekmakens toe…”. De vrouw: “…Ik bestond niet meer. Op een enkel, walgelijk vies en vuil ding na. Mijn verhaal…”.

Het fenomeen Margriet de Moor
De schrijfster voert nog veel meer personages op. Complexe familieverhoudingen worden ontrafeld. Verschillende figuren overkomen dezelfde gebeurtenissen, alsof ze elkaars dubbelganger zijn. Gewone mensen doen soms op een bijna autistische wijze de meest monsterlijke dingen: “… Wat je niet voelt, gebeurt niet…”. En toch beweegt alles zich in een vriendelijke, warme, serene sfeer, fluiten de vogels hun hoogste lied en kan de liefde véél hebben. Allemaal kenmerken die horen bij het fenomeen Margriet de Moor.

Uitgave: De Bezige Bij – 2016, 336 blz., ISBN 978 902 349 830 8, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen