Jan van Aken (1981) schreef een beschouwende roman waarin twee intrigerende thema’s samenkomen: de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog - veel opiniemakers vergelijken onze tijd daarmee – en de psychologie van Carl Jung. Van Aken verwijt hem zijn politieke blindheid. Volgens de schrijver zag Jung in het Derde Rijk slechts een fascinerende eruptie van het Wodan-archetype. Als je het over een ‘tunnelvisie’ hebt…
Wierook en lysol
Van Aken begint met het beschrijven van de omgeving waar het verhaal zich afspeelt: de psychiatrische kloosterinstelling Sint-Dymphna in het fictieve Hilligenkapel, waar anno 1939 nonnen de scepter zwaaien. Je rúíkt de wierook en de lysol. Op het Hilligerspad trekt een lawaaiige kermistroep voorbij waardoor iedereen overprikkelt raakt, dus worden flux de openstaande ramen gesloten en zet men rustgevende muziek op. Op dat moment arriveert er een nieuwe assistent-psychiater: Victor Montanus, de protagonist van het verhaal. Voorlopig wordt hij vanwege zijn moderne analytische aanpak tewerkgesteld in het vrouwenpaviljoen. Volgens de geneesheer-directeur werkt zijn therapie het effectiefst bij de ‘lichtere’ gevallen met ‘luxeproblemen’: hysterisch gedrag en neurotische verschijnselen. Het mannengedeelte, waar geweldplegers, zedendelinquenten en gedegenereerde zijn opgenomen - in de wandelgangen de ‘psychopatenafdeling’ genoemd - is andere koek. Gradje, een achterlijk manusje van alles, brengt Vincent naar zijn kamer.
Schaduwjager
Wanneer Victor een kijkje in het dorp gaat nemen, loopt hij een luidruchtige collega van de mannenkant tegen het lijf; Gé Kentering, die hem een biertje aanbiedt. Nieuwsgierig vraagt Gé de ‘schaduwjager’ wat analytici toch met ‘schaduwen’ hebben. “… In de dieptepsychologie is de schaduw het aspect van onze persoonlijkheid dat we verbergen voor de buitenwereld, maar ook voor onszelf. Het is datgene waarvan we onszelf bewust moeten maken om volledig mens te worden…”, legt Victor geduldig uit (ik heb heel vaak gedacht dat precies dát de eigenlijke bedoeling van de katholieke biecht moet zijn geweest). “… ‘En wat verbergt zich daar allemaal voor diabolisch?’ ‘Niets diabolisch. Het zijn oerbeelden. Dat kan van alles zijn, zelfs je ideale vrouwbeeld, dat je vervolgens projecteert op een echte vrouw.’ Gé hief zijn glas. ‘Ik kan niet wachten haar te ontmoeten. Op onze schaduwen!’…”.
Monsterzicht
Een van de patiënten die Victor krijgt toegewezen, is Lena, een buitengewoon schuw maar evenzeer superintelligent meisje van een jaar of zeventien. Ze spreekt vier talen en leest er zes. Ze kijkt hem niet aan. Ze werkt het liefst in haar eentje bij de administratie en in de bibliotheek, is handig in boekbinden en houdt zich bezig met het sorteren van tweedehands boeken. Daarbij drukt ze een clandestien exemplaar achterover van “La folie de Jésus”, een boek waarin de Franse psychiater Binet-Sanglé Jezus een psychiatrische aandoening in de schoenen schuift. Zie zijn visioenen, zijn dagenlange somberheid en zijn razernij tijdens de tempelreiniging. Voor een timmerman is alles een spijker, zullen we maar zeggen. Doordat Lena haar vader, die haar om de een of andere reden niet wil zien, uitgebreide, in het boek afgedrukte brieven schrijft, komen we erachter dat zij na een auto-ongeluk waarbij haar moeder is overleden en zelf drie dagen bewusteloos is geweest, bijkwam met een ‘chimerische blik’. Ze ziet menselijke gezichten gespleten in een normale en monsterlijke helft. “… Het lijkt alsof alle mensen zijn veranderd in hybride wezens, zoals de Chimaera in de mythologie…”. Wanneer mensen te dichtbij komen, raakt ze zo in paniek dat ze hen aanvalt.
Duitse wedergeboorte
Het tweede deel van het boek verplaatst de lezer naar twee jaar daarvoor: 1937. Ondanks alle politieke onrust besluit Victor zich, tegen de zin van zijn ouders, in Heidelberg te specialiseren als psychiater: “… een verstandig man maakt zich niet druk om de waan van de dag. Duitsland was nog altijd hét land waar alles gebeurde op het gebied dat hem boeide. Studeren was er goedkoop en er bestond een schreeuwend tekort aan medisch personeel…”. Bij aankomst ziet hij overal rode vaandels die in een witte cirkel de swastikarune dragen: “… Een oeroud levensteken, wist hij, dat de nieuwe orde zich had toegeëigend als symbool van een Duitse wedergeboorte…”. Boven de ingang van de universiteit prijkt een bronzen rijksadelaar met in zijn klauwen een hakenkruis in reliëf. Een studente die plotseling achter hem staat, noemt het een ‘krachtig’ symbool. Maar niet origineel, vindt Viktor, en omdat je het overal ziet, kan het snel onzichtbaar worden. “… Dat maakt niet uit, als het maar inzinkt in het onbewuste…”, aldus de dame die zich voorstelt als Fräulein Verena Kirsch, studente geneeskunde, en hem wegwijs maakt in het studentenleven.
Wenteltrap
Evenals in het vorige verhaal de geneesheer-directeur Victor een wenteltrap laat beklimmen om hem het uitzicht te tonen over het terrein van de psychiatrische instelling, neemt Verena hem mee naar het trappenhuis van de middeleeuwse Hexenturm voor een blik over Heidelberg en omstreken (in de mystiek staat de wenteltrap voor de reis van de ziel: de spiraalvormige beweging geeft aan dat spirituele groei niet rechtlijnig verloopt, maar dat je dezelfde levenslessen op steeds diepere niveaus ervaart). “… ‘Hier sloten ze de heksen op voordat ze werden verbrand,’ zei Verena…”. Hij huurt een kamer in hetzelfde pension als Verena, waar de seksen strikt worden gescheiden – evenals in het psychiatrisch ziekenhuis. Het wemelt in het verhaal van de ‘tegenhangers’. Wanneer de pensionhoudster verneemt dat Victor katholiek is, draait ze het portret van Hitler op zijn kamer om. De achterkant toont een reproductie van Albrecht Dürer: Christus met de doornenkroon. Neem de plaatsnamen: Heidelberg, ‘heideberg’, berg van de heidenen (oorspronkelijk betekende heidenen ook ‘bewoners van de heide’) tegenover Hilligenkapel, ‘heilige kapel’.
Freud en Jung
Vanaf dan verspringt het verhaal telkens tussen 1937 en 1939, wat goed wordt aangegeven en daardoor niet verwarrend werkt. Victor heeft een prachtig gesprek met moeder-overste Ragnilda in haar zelfontworpen kloostertuin, die hetzelfde effect op haar patiënten heeft als een mandala. Wat ze heeft gelezen over de theorieën van Freud bevalt haar helemaal niet, zegt ze. Ze kan niet geloven dat de mens enkel geregeerd wordt door lichamelijke driften en lusten. Victor vindt dat zelf ook een nogal beperkte en eenzijdige blik op de menselijke geest. “… Freud ziet godsdienst als een neurose. Ik ben eerder een aanhanger van de dieptepsychologie van Carl Gustav Jung…”. Hoe of Jung zich verhoudt tot religie? “… Jung heeft altijd gezegd dat veel mensen troost en genezing vinden in de godsdienst, en hij vindt dat een groot goed. Net als Freud gelooft Jung dat de persoonlijkheid een onbekende kant heeft, maar bij hem gaat het niet om seksuele verdringing; hij ziet het onbewuste als een schaduw, als een duistere kant van de persoonlijkheid, die we aan het licht moeten brengen en doorgronden voor we volledig mens kunnen worden…”. Die duistere kant komt overeen met het kwaad, vindt moeder-overste. Victor: “… Dat kan het ook zijn; in de schaduw leven oerbeelden, betekenisvolle geestesinhouden die ons iets willen zeggen. Wij moeten leren hiervoor open te staan en ze proberen te begrijpen…”.
Maria
Hoe Jung over Maria denkt? Victor: “… Hij ziet haar als een universeel symbool van vrouwelijke kracht. Zuiverheid en barmhartigheid, bemiddelaar tussen hemel en aarde. Met Maria werkt de vrouwelijke kracht in de man en die is essentieel voor de geestelijke ontwikkeling…”. Maar Maria is toch niet enkel een symbool? Zeker niet, aldus Victor: “… zij is een belangrijke historische en theologische figuur, zij is de goddelijke wijsheid, en onze brug naar het mysterieuze in onze ervaring van God. Maria vormt een contrapunt met het mannelijke godsbeeld, een noodzakelijke en toegankelijke tegenhanger, en als zodanig is zij essentieel voor het evenwicht in onze menselijke ziel…”. Moeder-overste begint te giechelen, constateert dat er een vuur in zijn ziel is ontstoken en vraagt of hij wel zeker weet of hij het juiste beroep heeft gekozen. Victor lacht mee: “… We werken allemaal aan de heling van de ziel…”.
Enantiodromie
Het dorpscafé wordt al gauw de vaste plek waar Victor en Gé van gedachten wisselen over hun vak en hun leven. Ze bomen door over het begrip ‘enantiodromie’, waarmee wordt bedoeld dat een proces dat te ver wordt doorgevoerd, vanzelf omslaat in zijn tegendeel. Zoiets als ‘weeromstuit’, voert Gé aan. “… Omslag? De wal die het schip keert? De volheid der tijden? Tegenkeer?...”. Dat is veel te simpel, vindt Victor. “… ‘Als ik het voor je in een metafoor giet,’ triomfeerde Gé, ‘dan zou ik zeggen: als ik zo veel zuip dat ik het er weer uit gooi – dát is enantiodromie…”.
Diabolische paljas
Victor wil de confrontatie aangaan met het monsterzicht van Lena. Zijn patiënte stemt toe. Hij zoekt de verklaring in de richting van de inspiratie van kunstenaars. Hij vraagt of ze wil vertellen wat ze in zijn gezicht ziet; ze hoeft niet bang te zijn dat ze hem kwetst of beledigt. Hij schrikt zich echter rot als ze zegt dat het angstaanjagende zit in de combinatie van zijn goede en misvormde kant. Ze ziet een diabolische figuur, een grijnzende paljas. Is ze in staat tot een diepere waarneming van de persoonlijkheid dan anderen? “… Kon zij zojuist zijn duistere, onbewuste schaduw hebben gezien?...”.
Persona non gratae
Terug in 1937 wordt Victor de dag na aankomst zowat ontvoerd door de sportieve Verena, die hem laat klimmen en roeien tot zijn tong op zijn schoenen hangt Ze dwingt hem ook nog in zijn nakie te zwemmen (“… wij zijn van de Freikörperkultur, dat weet u toch?...”), waarna ze hem - overigens met algehele zo niet verbaasde dan toch enthousiaste instemming – zo ongeveer verkracht. Victor laat het allemaal lijdzaam gebeuren. Hij krijgt een aanstelling bij de universiteitskliniek. Hij merkt dat Freuds gesprekstherapie inmiddels verboden is en dat de theorieën van Jung evenmin serieus worden genomen – al worden diens ideeën over mythologie en de volksziel wel interessant gevonden. Hij krijgt te horen dat ongeneeslijk psychiatrische patiënten gesteriliseerd worden om degeneratie tegen te gaan. Hij wordt gemaand lid te worden van de ‘Kameradschaft der Medizinstudenten’. Professor Jaspers, aan wie hij zijn introductie aan de universiteit te danken heeft, krijgt hij echter niet te pakken. Verena lijkt hem opzettelijk bij de hoogleraar weg te houden. Wanneer Victor op een onverwachte manier aan diens adres komt, blijkt de professor als ‘persona non gratae’ te worden beschouwd omdat hij gehuwd is met een Joodse vrouw. Verena zweert bij de nazi-ideologie, terwijl Victor denkt dat haar naïeve toewijding aan al die onzin wel zal overwaaien. Ze wijst hem op de stand van de sterren, gelooft in astrologie. Ze denkt dat een tijdje bij de Hitlerjugend hem goed zou doen: zo een stijve hark als hij. Ze wil dat hun relatie hoe dan ook geheim blijft: “… U wilt me toch niet compromitteren?...”.
Individuatie
In 1939 blijkt Lena de spiegel op haar kamer te bedekken omdat ze zichzelf er niet in zit. Victor, steeds op zoek naar nieuwe perspectieven op haar aandoening, geeft haar een zilveren handspiegeltje waarin ze, gek genoeg, de mensen om haar heen wel ‘normaal’ kan zien: “… Dacht u aan Perseus, die Medusa neutraliseert door naar haar te kijken via de reflectie in zijn bronzen schild?...”. Volgens hem moet ze haar bijzondere zicht beschouwen als een proces, als de weg naar integratie van haar eigen persoonlijkheid. Hoe een fantastische therapeut zou ze kunnen zijn, met haar gevoeligheid en empathisch vermogen: “… ‘Gevoeligheid, empathie – is dat wat u ziet in mij? Geen krankzinnigheid, geen schizofrenie?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Beslist niet. Ik zie iemand die worstelt om tot individuatie te komen…”. Tegelijk bekruipt hem twijfel: zal dat haar niet beroven van haar unieke talent?
Sieg Heil
In 1937 laat Victor zich meetronen naar het ‘Immatrikulationsfeier’ van nieuwe studenten. De toosten op de Führer en het nieuwe Duitsland zijn niet van de lucht. Hij ondergaat een ontgroeningsritueel waarbij hij wordt aangewezen als ‘nar’ en ze hem bijna verzuipen door zijn hoofd drie keer in een wijnvat te dompelen. Straalbezopen marcheert hij met een fakkel in zijn hand mee in een zingende optocht: “… hij stak zijn flambouw hoog in de lucht toen zijn corpsgenoten hun leuzen scandeerden en ‘Sieg Heil’ riepen voor het grote Hitlerportret dat was opgesteld op de Universitätsplatz, waar alle groepen samendromden…”. Victor woont afschuwelijke practica ‘Moderne Shocktherapie’ bij, waar insulten en toevallen bij schizofreniepatiënten worden opgewekt middels insulinecoma’s en cardiazolinjecties, met als resultaat botbreuken en ruggengraatbeschadigingen. Een man bijt zijn tong af. Je vraagt je af wie hier de ‘monsters’ zijn. Ten langen leste vindt Victor een arts waar hij in ‘leeranalyse’ kan gaan. De aankomende dromenduider droomt zelf echter nooit - hoe gek is dat. Op de zolder van een universiteitsgebouw vindt Victor een vergeten collectie fascinerende outsiderskunst, maar hij kan er niets mee omdat de nazi’s die bestempelen als ‘entartete Kunst’. Toch drukt hij een tekening achterover. Ook maakt hij kennis met de ‘wonderpil’ pervitine – zie “Drugs in het Derde Rijk” van Norman Ohler.
De geest van Wodan
Al gauw merkt hij dat hij Verena, een van de miljoen wezen uit de Grote Oorlog, moet delen met de nazi-ideologen, die haar een warme, zorgzame vervangende familie bieden. “… Grote overtuigingen kunnen mensen het gevoel geven dat ze opgaan in iets wat hun ik overstijgt…”. Hij probeert haar te laten nadenken over de Jungs visie: “… volgens Jung leven er in de collectieve geest van een volk oerbeelden, die grote betekenis hebben, maar waarvan wij ons niet zomaar bewust zijn. Wodan is zo’n oerbeeld. Hij is een Germaanse god…”. Even verder: “… Hij is de rusteloze jager, de god van storm en razernij. Het christendom heeft hem lang geleden tot duivel gemaakt en daardoor heeft hij misschien wel duizend jaar gesluimerd in het onbewuste van de Duitsers. Maar nu het christendom grotendeels zijn greep verliest, begint dit oerbeeld zich onweerstaanbaar in het volk op te dringen. Het begon bij die rusteloze jonge mensen die na de laatste oorlog in groepen de natuur in gingen, die teruggrepen op de oude verhalen, zich verbonden in kameraadschap en op zoek gingen naar een nieuwe wereld, naar een spirituele dimensie die meer in overeenstemming was met hun diepere bewustzijnslagen. Hij beschrijft hoe de crises van de afgelopen decennia de massa’s in beweging brachten, hoe een heel volk op drift ging en, verlost van de oude structuren en zekerheden, een nieuw Duitsland schiep. Hij beschouwt het als een oerkracht, het wederoplaaien van een sluimerende vulkaan…”. Verena vindt dat wel mooi, maar Victor waarschuwt: “… De archaïsche Germaanse geest van Wodan brengt strijd en inspiratie maar ook waanzin en extase. Volgens Jung is de wedergeboorte van Duitsland een gevaarlijke maar noodzakelijke ontwikkeling…”. De woeste energie moet beheerst worden. Oerkrachten en mythische schaduwen moeten worden begrepen en in goede banen geleid, willen we er niet door worden opgeslokt en verzwolgen.
Natuurtalent
Terwijl Gé in 1939 de draak steekt met een processie die langs het terras trekt waar hij met Victor een biertje drinkt (zie de tegenstelling met de kermisklanten), denkt Victor in stilte dat het wegvallen van religie juist een belangrijke factor is in de geestelijke nood van de tijd: “… Het onderbewustzijn kon zich in vroeger tijden vanuit de archetypen uitdrukken in de religieuze gebruiken. In deze tijd vond de psychische energie die hierdoor vrijkwam geen weg meer en blokkeerde, met neurose en geesteszieken tot gevolg…”. Gé steekt ook de draak met de vage dieptepsychologie, wat Victor niet over zijn kant laat gaan. Hij zegt dat hij beschikt over harde feiten die zich niet laten negeren en vertelt over zijn patiënte, die de schaduwzijde van haar medemensen lijkt te kunnen lezen. “… Zij hoort de kans te krijgen om te studeren, zodat ze tot de medische stand kan toetreden. Zij is een van ons. Ik zie een geweldige psychoanalytica in haar, een natuurtalent…”. Gé luistert verbouwereerd. “… Als hier iets in zit, dan heb je iets groots te pakken!...”.
Minotaurus
Misschien had Christus wel een ‘chimerische blik’, bedenkt Victor. Hij wil proberen Lena zo snel mogelijk als patiënte te ontslaan. Daarvoor zal ze eerst moeten leren anderen onder ogen te komen. Zo makkelijk gaat dat allemaal echter niet. Lena stribbelt in eerste instantie heftig tegen. Later vertelt ze wat ze ziet. De alledaagse gezichtshelften zijn de maskers, zegt ze. Victor herkent in wat ze zegt onmiddellijk Jungs ‘persona’. Wanneer Victor eindelijk droomt, kan hij er niks mee. Hij loopt namelijk als een minotaurus door een eindeloos labyrint: zie zijn naam, Montanus. Zoekt hij de rode draad? Wie wil hij redden? Welk monster houdt zich in de gangen schuil?
Nymfomanie
In 1937 hebben Victor en Verena heel af en toe heftige seks in afgelegen jagershutten, steeds uit het zicht van anderen. Overal wordt Victor geconfronteerd met de doodscultuur. Via zijn werk komt hij in aanraking met de euthanasiepraktijken van het Derde Rijk. Tijdens een van hun sporadische ontmoeting vertelt Verena dat ze een abortus heeft ondergaan. Hij is hevig ontdaan. Hij had graag met haar willen trouwen. Op een winterse dag wordt hij opgewacht door twee mannen van de geheime dienst, die hem vertellen dat Verena is opgepakt wegens nymfomanie, een degeneratieve karakterzwakte.
Kokervisie
In 1939 breekt alles met betrekking tot Lena, Victor wederom bij de handen af. Evenals bij Verena wordt er, ditmaal door de nonnen, bij Lena een diep ‘zedenbederf’ en een ‘seksuele obsessie’ geconstateerd, mogelijk zelfs als gevolg van erfelijke belasting. Alleen moeder Ragnildis voorkomt met onweerstaanbaar gezag dat Lena’s ‘behandeling’ uitloopt op sterilisatie. Trillend van woede verklaart zij dat zelfs het kromste boompje nog gezonde vruchten kan voortbrengen. En daarmee basta! Victor merkt later vilein op dat de Bijbel anders het tegenovergestelde beweert: “… ‘Aan de boom herkent men de vruchten.’ ‘Verdomd,’ zei Gé, ‘laat de nazi’s dat maar niet horen.’…”. Allerlei psychiatrische ‘gevallen’ passeren de revue, waarbij een letterlijk gespleten zelfmoordenaar met diaphallia verreweg het meest shockerend lijkt. Jan van Aken heeft absoluut zijn best gedaan. Maar de allergekste is uiteindelijk Victor zelf – mede dankzij zijn ‘tunnelvisie’, meen ik. Lees zelf maar…
Uitgave: Querido – 2026, 320 blz., ISBN 978 902 532 111 6, € 27,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten