Menu

dinsdag 11 april 2017

Als we niet geloven, wat geloven we dan? – Umberto Eco en Carlo Maria Martini


Subtitel: Een filosoof en een kardinaal over goed en kwaad

Zoals beloofd: “Als we niet geloven, wat geloven we dan?”. Het gaat om een korte briefwisseling tussen twee invloedrijke Italianen: de ‘vrijdenker van katholieke huize’, wijlen schrijver en filosoof Umberto Eco (zie mijn vorige blog) en wijlen kardinaal en jezuïet Carlo Maria Martini. Waar vinden ze elkaar (zie ook: “Open geloven” – Jart Voortman)? In de jaren negentig werd deze discussie opgenomen in het tijdschrift ‘Liberal’. De dialogen worden gevolgd door een ‘koor’ van nietgelovige reageerders - twee filosofen, twee journalisten en twee politici . De eindconclusie is aan de kardinaal. Hoewel van een tijdje terug, doet deze openbare correspondentie verrassend verheffend aan. Zeker in een tijd waarin verschillen van mening vaak verzanden in ongenuanceerd kleuterachtig geroeptoeter over dat we de ander vooral ‘stom’ vinden. En dat niet alleen op facebook maar ook in de ‘gevestigde’ literatuur: zie Maarten ’t Harts’ moederboek "Magdalena". Maar ja, schelden is natuurlijk nog altijd te verkiezen boven afgrijselijk geweld wanneer we elkaar het licht in de ogen niet gunnen (zie de aanslagen in Stockholm en op de Koptische kerken in Egypte van de week). Eco en Martini laten zien hoe dat ook alweer moet: met elkaar te praten.

Apocalyps

Omdat het tegen het einde van het tweede millennium loopt stelt Eco voor het in de eerste gedachtewisseling te hebben over wat de hele menselijke familie met fascinatie, angst en hoop heeft vervuld: de Apocalyps (zie ook mijn blog over “Apocalyps in kunst” van Marcel Barnard en Wessel Stoker). Hij waagt het te veronderstellen dat het denkbeeld van het einde der tijden vandaag de dag meer bij ongelovigen dan gelovigen leeft. De laatsten geven aan het Armageddon zoals geopenbaard in de Openbaring aan Johannes meestal een geestelijke in plaats van een historische duiding: “… niet meer de zeven trompetten en de hagel en de zee die tot bloed wordt en het vallen van de sterren en de sprinkhanen, en de legers van Gog en Magog en het Beest dat uit de zee oprijst, maar de groeiende aantallen ongecontroleerde en oncontroleerbare opslagplaatsen van nucleair afval en de zure regen en het Amazonegebied dat verdwijnt en het gat in de ozonlaag en de migratie van misdeelde horden die soms met geweld aan de deur van de welvaart kloppen en de honger op hele continenten en nieuwe ongeneeslijke ziekten en de inhalige verwoesting van de aarde en het klimaat dat verandert en de ijsbergen die smelten en de genetische wetenschap die ‘replicanten’ van ons zal construeren en, voor de mystieke ecologie, de zelfmoord van de mensheid die noodzakelijk zal zijn om de soorten te redden die de mens bijna heeft uitgeroeid, moeder Gaia die is gedenatureerd en verstikt…”. We vieren het einde van de ideologieën en de solidariteit in een maalstroom van onverantwoordelijk consumentisme, en hoe banger we zijn, des te meer bezweren en projecteren we onze angsten in bloederige schouwspelen op onze beeldschermen, in de hoop ze daarmee onwerkelijk te hebben gemaakt. Is er eigenlijk nog wel hoop? Volgens kardinaal Martini zeker. Het 'christelijke' einde is geen doel op zich. Hij spreekt van een ‘doeleinde’: “… We zouden deze visie in drie fasen kunnen uitdrukken: 1) de geschiedenis heeft een betekenis, een richting, en is geen opeenhoping van absurde en loze feiten; 2) deze betekenis is niet zuiver immanent (aards/ E. de N.) maar reikt veel verder, en is daarom geen voorwerp van berekening maar van hoop; 3) door deze visie wordt de betekenis van contingente (toevallige/ E. de N.) gebeurtenissen niet verzwakt, maar versterkt: het zijn de ethische plaatsen waar de metahistorische toekomst van het avontuur van de mens wordt beslist…”.

Abortus
Het volgende onderwerp: abortus provocatus. Eco: “… ik ben nooit in de positie geweest een vrouw die vertelde zwanger van mij te zijn abortus aan te raden of om in te stemmen met haar wens abortus te plegen. Als ik ooit in die positie zou zijn geweest, had ik alles in het werk gesteld om haar ervan te overtuigen het schepsel te laten leven, welke prijs wij beiden daar ook voor hadden moeten betalen. En dat is omdat ik van mening ben dat de geboorte van een kind iets prachtigs is, een natuurwonder dat je moet verwelkomen…”. Maar: “… Ik ga ervan uit dat er verschrikkelijke momenten zijn, waar wij allen heel weinig vanaf weten (en daarom onthoud ik mij van enige typologie of casuïstiek), waarin een vrouw het recht heeft een autonome beslissing te nemen over haar lichaam, haar gevoelens en haar toekomst…”. Over de opvattingen wat betreft het respect voor leven: “… Er zijn tegenwoordig ook mensen die zich radicale ecologen noemen, voor wie er een leven is van moeder aarde zelf, met inbegrip van haar bergen en vulkanen, zodat zij zich zelfs afvragen of de menselijke soort niet zou moeten verdwijnen opdat de planeet (die erdoor bedreigd wordt) kan overleven. Er zijn vegetariërs die afzien van het respect voor het plantaardige leven om het dierlijke leven te beschermen. Er zijn oosterse asceten die hun mond afschermen om geen onzichtbare micro-organismen in te slikken en te vernietigen…”. Wanneer begint het menselijk leven? Zelfs Thomas van Aquino maakte zich daar al druk om: “… U weet dat dergelijke vraagstukken niet alleen een bespiegeling over het probleem van de abortus inhouden, maar een dramatische reeks splinternieuwe vragen, over genetische manipulatie bijvoorbeeld, en de bio-ethica waarover iedereen tegenwoordig meepraat, gelovig of niet…” (zie ook mijn blog over “De slaap en de dood” van A.J. Kazinski). De bewering dat het menselijke leven voor katholieken de hoogste waarde heeft, is volgens kardinaal Martini op zijn minst onzorgvuldig: “… Het leven dat de hoogste waarde heeft voor het Evangelie is niet het lichamelijke en zelfs niet het psychische leven (waarvan het evangelie de Griekse termen ‘bios’ en ‘psyche’ gebruikt) maar het goddelijke leven dat de mens is ingeblazen (waarvoor de term ‘zoë’ wordt gebruikt)…”. Daar is die buitengewoon fascinerende christelijke drie-eenheid weer: zie mijn blog over “De geschiedenis van mijn leven” van George Sand. Het goddelijke leven is een leven waaraan elke man en vrouw wordt opgeroepen deel te nemen. Het menselijk leven ontleent zijn waardigheid niet alleen aan een welwillende waardering of humanitaire impuls van andere mensen, maar ook en vooral aan een goddelijke roeping.

Man- vrouwverhouding
Volgens Eco heeft niemand het recht de verplichtingen die verschillende godsdiensten aan hun gelovigen opleggen te veroordelen (mits ze natuurlijk niet tegen de wetten van de staat indruisen: zie “De kinderwet” van Ian McEwan). Immers, niemand hoeft er aan mee te doen: “… Er zijn (zeer wereldse) ontvangsten waar een smoking vereist is, en het is aan mij om te beslissen of ik me in een pak wil worstelen waaraan ik een hekel heb, omdat ik een dringende reden heb om aan die gebeurtenis deel te nemen, of dat ik mijn eigen vrijheid wil bevestigen door thuis te blijven…”. Maar als redelijke vrijdenker mag je natuurlijk wel vragen waarom de Kerk bepaalde dingen goed- of afkeurt: “… En dat brengt mij op mijn vraag. Ik ben er niet in geslaagd in de doctrine overtuigende redenen te vinden waarom vrouwen worden uitgesloten van het priesterschap. Als de Kerk vrouwen van het priesterschap wil uitsluiten - herhaal ik – neem ik dat voor een feit aan en respecteer haar autonomie in zulke delicate aangelegenheden. Als ik een vrouw was en tot elke prijs priester wilde worden, zou ik overgaan naar de cultus van Isis, en niet proberen de paus om te praten. Maar als intellectueel, als lezer (sinds jaar en dag) van de Schrift, blijf ik met verwarrende dingen zitten die ik graag opgehelderd zag…”. Je kunt de Bijbel natuurlijk lezen als een protestantse fundamentalist: het priesterschap is volgens Exodus en Leviticus toevertrouwd aan Aäron en zijn zonen en niet aan hun vrouwen, en ook als Paulus in zijn brief aan de Hebreeën zegt niet de ordening van Aäron maar van Melchizedek – die de oudste papieren heeft volgens Genesis 14 – te willen volgen, verandert er niet veel. Maar zo vast staat alles niet. Wat te doen met Leviticus die verordonneert dat priesters ‘noch hun hoofd noch hun baard mogen scheren’ en Ezechiël 44:20 die zegt dat ze hun hoofdhaar juist wél moeten knippen? Volgens kardinaal Martini moet je naar de context kijken, en in dit geval gaat het er in Leviticus vooral om dat je niet mee moet doen met heidense rouwrituelen. Maar hoe zit het dan met dat priesters volgens voorgaande teksten niet bij doden mogen komen? Terwijl Leviticus ook nog zegt dat priesters een vrouw mogen nemen? Het antwoord is natuurlijk dat de Bijbel aansluit bij de veranderende gebruiken van de cultuur. Wat wordt er gedaan met de tegenargumenten zoals dat Christus zich heeft opgeofferd voor zowel mannen als vrouwen, hij geboren is uit het enige menselijke wezen dat volgens de Rooms-Katholieke Kerk niet geschonden zou zijn door de erfzonde, een vrouw, en na zijn opstanding het eerst gezien werd door vrouwen? Ook Thomas van Aquino heeft zo zijn vragen. Waarom zijn er dan profetessen? En abdissen? En waarom heeft God in de oerstaat een vrouw laten verschijnen als ze zo slecht is (de mensen waren in het paradijs onsterfelijk – dus niet ter overleving van de soort)? Het antwoord van kardinaal Martini is dat het hier niet om een ethisch maar om een theologisch probleem gaat en over een tweeduizend jaar oude traditie: “… Wat ons thema betreft hebben de exegeten die in de bijbel naar positieve argumenten voor het priesterschap van vrouwen zochten altijd problemen gehad…”. Hij weet het ook niet: “… De Kerk erkent derhalve nog niet volledig inzicht te hebben bereikt in de mysteries die zij beleeft en celebreert…”.

Het goede
In de laatste briefwisseling stelt kardinaal Martini de vraag waar iemand, die geen persoonlijke God erkent, zijn idee van het goede (altruïsme, eerlijkheid, rechtvaardigheid, solidariteit, vergeving) op baseert. Volgens Eco onder andere op onze ‘lichamelijkheid’: “… we moeten vooral de rechten van de lichamelijkheid van de ander respecteren, waaronder ook het recht om te praten en te denken. Als onze medemensen die rechten van het lichaam hadden gerespecteerd, zou er nooit de moord op de onschuldige kinderen zijn geweest, christenen in het circus, de Bartholomeusnacht, de brandstapel voor de heidenen, vernietigingskampen, censuur, kinderen in de mijnen, de verkrachting van Bosnië…”. De ethische dimensie ontstaat wanneer ‘de ander’ ten tonele verschijnt: “… net zoals wij niet kunnen leven zonder eten of slapen, kunnen wij niet begrijpen wie we zijn zonder de blik en de reactie van de ander…”. Door de aanwezigheid van de ander weten we dat we iets als een ziel hebben. Het gaat mis als we het concept ‘anderen’ beperken tot onze stamgemeenschap of ons volk (zie ook: “Het hart van de duisternis” van Jan de Laender). Daarbij moet je wel bedenken dat “… de erkenning van de rol van de anderen, de noodzaak hun het recht te gunnen op dezelfde eisen die we voor onszelf onontbeerlijk achten, het product is van een duizendjarige groei…”. We geven zin aan ons leven en dood door de troost van liefde voor anderen, door te proberen anderen een leefbaar leven te geven – ook na de dood: “… En het is ook het enige wat een filosoof aanzet tot filosoferen, een schrijver tot schrijven: een boodschap in de fles achterlaten, zodat op de een of andere manier dat waarin we geloofden of dat ons mooi leek, geloofd kan worden of mooi wordt gevonden door de mensen die het zullen zien…” (ik doe niet anders via mijn blog). Ook goddelozen reiken naar het goede, want “… let wel, wie niet gelooft gaat ervan uit dat niemand hem van boven in de gaten houdt en weet dus ook - en juist daarom – dat er niemand is om hem te vergeven. Als hij weet dat hij kwaad heeft gedaan, zal zijn eenzaamheid onbegrensd zijn, en zijn dood wanhopig. Hij zal daarom nog meer dan de gelovigen de reiniging van de openbare biecht zoeken, zal de anderen om vergiffenis vragen…”. Stel dat het evangelie niet ‘waar’ is? So what: “… stel dat Christus alleen het onderwerp is van een groot verhaal, dan was het feit dat dit verhaal kon worden voorgesteld en gewenst door ongevederde tweevoeters die alleen weten dat ze niet weten, een even groot wonder (wonderbaarlijk mysterieus) als het feit dat de zoon van een echte God echt zou zijn geïncarneerd…”.

Koor
Daarna dus een zestal stemmen die commentaar leveren op de bovenstaande debatten. De eerste gaat over dat als volgens het huidige denken de waarheid niet bestaat wij ‘te goede trouw’ handelen, waarmee bedoeld wordt “… de rechtschapenheid van het geweten, de goede wil, de overtuiging dat te doen waarvan men overtuigd is dat het gedaan moet worden door ieder bewust wezen…”, en wat is dat anders dan ‘geloof’? Dus wat is nu eigenlijk het probleem tussen Eco en Martini? Vervolgens stelt een ander dat het goede voor iemand willen is: willen dat iemand niet sterft. God wil wel dat je sterft, dus kan God niet ‘goed’ zijn. Dat pareert Martini een eind verderop met dat dat een kwestie is van godsbeeld. Inderdaad: zie Lukas 20:38. De derde heeft het er over dat een absolute moraal tot niets leidt. Zie de bloedbaden en reeksen misdaden tegen de liefde die de Kerk op haar geweten heeft. Volgens hem staan er alleen maar twee menselijke instincten tegenover elkaar die met elkaar moeten dealen: het overleven van het individu en dat van het overleven van de soort. De vierde kan niet geloven en voelt zich daardoor gehandicapt. Hij betitelt dat zelfs als ‘onrechtvaardig’ en heeft het over ‘een mislukking’: “… Als ik de ogen moet sluiten zonder te hebben geweten waar ik heen ga, waar ik vandaan kom en wat ik hier ben komen doen, had ik ze net zo goed niet kunnen openen…”. De vijfde relativeert het verschil tussen de gelovige en ongelovige: “… is wie gelooft wel zo zeker te geloven? En is de ongelovige (ik spreek uit ervaring) wel zo zeker niet te geloven? Ik heb altijd gedacht dat een gelovige, ook als hij weet, nooit ophoudt met zoeken. De grenzen zijn vaag…”. En de laatste beargumenteert dat de Verlichting, waarop ongelovigen zich zo vaak baseren, niets ‘anders’ is dan geëvolueerd christendom: “… De Verlichting is geen breuk met het christelijke ethos: het is een poging die te zuiveren van absurditeiten en fanatisme…”. We ‘geloven’ allemaal: “… Ook dat is geloven: geloven in exacte wetenschappen, in de medische wetenschap, in een carrière, in de beroepsorden, in de rechters, in de politie, in de verzekeringen: het leven van de hedendaagse mens is een voortdurende uiting van onconfessioneel geloof in zaken die soms veel duisterder, absurder en onzinniger zijn dan dingen die bij voorbaat op het mysterie zijn gebaseerd…”. En even verder: “… Het christendom is een groot, misschien wel het grootste, humanisme, het enige wat zonder helden en halfgoden, onsterfelijkheid en reïncarnatie en onbeweeglijke theocratieën de God heeft bedacht die mens wordt en de mens die God wordt en in zijn naam het Westen heeft geëvangeliseerd. En het christelijke Westen heeft de mens bevrijd…”. Het is daarom groteske waanzin “… het grootste, het duurzaamste, het meest omvattende humanisme dat door de mens is gesmeed af te doen als een fabeltje, een vooroordeel, een bijgeloof of pure macht…”. Want wat haar aanhangers er ook van gebrouwen hebben: de christelijke ethica is liefde. En: “… Aan de andere kant hebben ethieken die verstoken zijn van transcendentie, maar een wereldse waarde aanhangen die als absolute wordt verkondigd, nog minder respect voor de mensheid getoond: denk aan de totalitaire ethieken van de rassenleer of de klassenstrijd die onze eeuw hebben geteisterd…”, waarna een vurig pleidooi voor ‘tolerantie’volgt.

Laatste woord
Kardinaal Martini eindigt met de constatering dat het moderne atheïsme, dat alweer gedeeltelijk achter ons ligt, is voorbereid en begeleid (misschien - en volgens mij wel zeker - ook door toedoen van sommige gelovigen) door een degradatie van het idee God: als horlogemaker van het universum, als een verslindende Leviathan, als vijand van de mens, als boze demiurg en wat niet al. Het valt hem ook op dat in bijna alle bijdragen de vraag naar het raadsel van het kwaad ontbreekt, terwijl we in een tijd leven die de afschuwelijkste uitingen van slechtheid laat zien: “… Een zeker klimaat van gemakkelijk optimisme dat de dingen vanzelf wel goed zullen komen, maskeert niet alleen het drama van de aanwezigheid van het kwaad, maar ondermijnt ook het gevoel dat het morele leven strijd, een gevecht, gruwelijke spanning is; dat de vrede bereikt wordt ten koste van doorstane en overwonnen verscheurdheid. Daarom vraag ik me af of onvolkomen ideeën over het kwaad niet verbonden zijn aan ontoereikende ideeën over het goede; of de verlichting niet tekortschiet door geen oog te hebben voor het dramatische element dat inherent is aan het ethische leven…”.

Uitgave: Prometheus - 1999, vertaling Martine Vosmaer, 119 blz., ISBN 978 905 333 783 7, € 26,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen