Menu

vrijdag 9 juni 2017

Wat is nieuw zonder oud? – Andries J. Visser


Ondertitel: Over de onmisbaarheid van het Oude Testament

Tegelijk met "Is dit onze Vader?" - zie mijn vorige blog - gaf iemand anders mij "Wat is nieuw zonder oud?" van Kierkegaardkenner Andries Visser. Je kunt het zien als een verdere uitdieping van het eerst genoemde boek. Het gaat over de relatie tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Visser studeerde wiskunde, filosofie en theologie.

Vreemd

Ook Visser constateert dat het Oude Testament een voor ons nogal ‘vreemd’ boek is, waardoor het vaak op afstand wordt gehouden. Uit het voorwoord: “… In de Arabische kerken van het Midden-Oosten wordt zelden of nooit uit het Oude Testament gepredikt. Deze kerken staan in de traditie dat zij in de plaats van Israël zijn gekomen: de zogenaamde vervangingsleer. De kerk in West-Europa komt uit dezelfde traditie. Maar de verschrikkingen van de Holocaust en de stichting van de staat Israël in 1948 hebben de bezinning over deze leer op gang gebracht…”. De Joodse geleerde Martin Buber, die samen met Franz Rosenzweig in de vorige eeuw een zo letterlijk mogelijke vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Duits heeft verzorgd, schrijft in een bijgaande slotopmerking dat de christelijke opvattingen over God en de Bijbel hem doen denken aan de bekende christelijke ‘ketter’ Marcion, uit de tweede eeuw. Marcion wilde geen andere Bijbelboeken erkennen “… dan een ‘uitgekleed’ (lees: ont-Joodst) evangelie van Lucas, tezamen met enkele evenzeer gekuiste brieven van de apostel Paulus. De god van de Hebreeuwse bijbel was een ‘demiurg’, een schepper-god, die niet verward moest worden met de Vader van Jezus Christus…”. Toch staat er in het boek Handelingen dat de Joden in de synagoge vol interesse luisteren naar de verkondiging van het evangelie door Paulus en vervolgens de Schriften gaan bestuderen om te checken of het wel waar is wat hij allemaal zegt (Handelingen 17:1-12). Paulus toonde aan de hand van teksten uit het Oude Testament aan dat de Messias moest lijden en sterven en daarna uit de dood opstaan. De Schriften bestonden uit ‘Mozes en de profeten’, want het Nieuwe Testament was er nog niet. Sterker: pas “… Omstreeks het midden van de tweede eeuw was er hier en daar bekendheid met een viertal evangeliën en met een flink aantal brieven van apostelen, maar tot een (definitieve?) vaststelling van de canon van het Nieuw Testament kwam het pas omstreeks het jaar 400…”. Die evangeliën en brieven kwamen natuurlijk niet zomaar in de Bijbel terecht: “… Ze berichtten over een nieuw spreken van God. In het verleden had hij ‘op velerlei wijzen en langs velerlei wegen tot de voorouders gesproken door de profeten’, maar nu had hij gesproken door zijn Zoon…”.

Vervanging of aanvulling?

Visser is niet gelukkig met de aanduiding ‘Oude en Nieuwe Testament’, omdat ze geassocieerd wordt met vervanging. En de term ‘wet en evangelie’ drukt volgens hem teveel een tegenstelling uit. Misschien is het beter te spreken over ‘evangelisten en apostelen’ als aanvulling op de geschriften van 'Mozes en de profeten'. De uitdrukking Nieuwe Testament heeft vooral te maken met het ‘nieuwe verbond’ dat God met Israël maakt en wordt meestal direct gelinkt aan de woorden van Jezus bij de instelling van het avondmaal: “… Deze beker (…) is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt…” (Lucas 22:20). Israël bleek te onvolmaakt om de wetten die God aan Mozes op de berg Sinaï had gegeven te kunnen naleven. Daarom gaat God het anders aanpakken. Daar heeft Jeremia het in het Oude Testament al over: “… De dag zal komen – spreekt de Heer – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben mijn verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de Heer. Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël sluiten zal – spreekt de Heer: Ik zal mijn wet (mijn Tora) in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met woorden: ‘Leer de Heer kennen’, want iedereen, groot en klein, kent mij al – spreekt de Heer. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan…” (Jeremia 31:31-34, zie ook Ezechiël 16:60, 20:37, 34:25, 36 en 37:26). Er wordt een geestelijke verandering, een radicale vernieuwing beloofd in de omgang van God met het volk Israël. Hun relatie krijgt een ander, een innerlijk karakter. Paulus zegt dan ook: “… Jood is men door zijn innerlijk (in zijn hart), en de (ware) besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet van een voorschrift…” (Romeinen 2:29). Tussen haakjes, hij heeft niets tegen de besnijdenis, hoor! Ook bij Paulus is er dus sprake van een ‘nieuw’ verbond met een ‘oude’ inhoud.

De Tora toegespitst

De fanatieke godvereerder Paulus dacht dat hij een dwaalleer van een sekte aan het bestrijden was, maar het bleek juist de waarheid te zijn. De Tora is volbracht door Jezus de Messias. Zijn volgelingen zijn ‘nieuwe’ mensen die niets anders hoeven te doen dan ‘liefhebben’. Want dat is uiteindelijk de vervulling van de Tora. Midden in het boek Leviticus, in het centrum van de Tora, staat het gebod “… Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de Heer…”. Daar draaien alle geboden om: niet echtbreken (Mozes heeft in de Tora de echtscheiding wel toegestaan, maar de bedoeling, het ideaal is anders, zegt Jezus in Matteüs 5:27-36 en Matteüs 19:1-12), niet doden (zelfs iemand verwensen is al een vorm van doodslag volgens Jezus in Matteüs 5:21-26), het eren van je vader en moeder (ook Paulus dikt deze regel aan door de vaders er op te wijzen dat ze het daarom hun kinderen niet moeilijk moeten maken door constant op hen te vitten, zie Kolossenzen 3:20,21), niet stelen (in plaats van te stelen moet je eerlijk de kost verdienen met werken en als het even kan ook nog wat uitdelen aan de armen en behoeftigen). De Oudtestamentische wetten worden in het Nieuwe Testament dus zelfs nog wat toegespitst, nog wat radicaler, zou je kunnen zeggen. Als je de Tora, de ‘onderwijzing’ veracht, zal je liefde bekoelen, zegt Jezus (Matteüs 24:12).

Zonder het Oude Testament snap je niets van het Nieuwe Testament
Vervolgens haalt Visser een enorme reeks Nieuwtestamentische teksten aan die teruggrijpen op het Oude Testament. Neem alleen al het geslachtsregister, waarin een keur aan Oudtestamentische personages wordt genoemd, waarmee Matteüs begint: Abraham, Tamar, Rachab, Boaz, Ruth, David, Salomo, enzovoorts. Vervolgens beschrijft hij de geboorte van Jezus, waarbij hij voortdurend refereert aan het boek van de Psalmen en de profeten Jesaja, Jeremia, Hosea en Micha. Steeds gebruikt Matteüs uitdrukkingen als “… want aldus staat geschreven…” en “… dit is gebeurd opdat vervuld werd hetgeen gesproken werd door de profeet…” of “… toen werd vervuld het woord…”. Alles bij elkaar verwijst hij naar minstens 25 van de 39 boeken van het Oude Testament. Hij sluit daar dus naadloos bij aan. Ook Jezus valt constant terug op de Hebreeuwse bijbel. Jezus wijst de verzoeker in de woestijn tot drie keer toe terecht met teksten uit het boek Deuteronomium (zie Matteüs 4:4, 7, 10 en Deuteronomium 8:3, 6:16,13). Visser vergelijkt de veertig dagen en nachten die Jezus in de woestijn verblijft met de tocht door de woestijn in het boek Exodus (zie ook Hosea 2:13) en onderstreept de verheerlijking op de berg waar de Oudtestamentische Mozes en Elia verschijnen (zie Maleachi 3:4-6). Wat moeilijker voorbeelden: Jezus controversiële oproep “… Volg mij en laat de doden hun doden begraven…” (zie Matteüs 8:21,22), valt alleen te rijmen met wat er over de hogepriester staat in de Tora: “… Hij mag nooit in de nabijheid van een dode komen. Zelfs omwille van zijn vader of moeder mag hij zich niet verontreinigen…” (zie Leviticus 2:11, Numeri 19:11-22 en Numeri 6:1-7). Het volgen van Jezus heeft blijkbaar dezelfde ernst als het nazireeërschap. Als Jezus de discipelen uitzendt zegt Hij: “… Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven…”. Ook Abraham weigert een beloning van de koning van Sodom (zie Genesis 14:21-23) evenals Elisa, nadat hij Naäman de Syriër heeft genezen (zie 2 Koningen 5:16). Zijn knecht Gehazi denkt daar echter anders over. De zonen van Eli zijn schrikbeelden van priesterlijke roofzucht terwijl Mozes, Samuël, Jesaja, Daniël en Nehemia juist voorbeelden zijn van goddelijke onbaatzuchtigheid (zie 1 Samuël 2:13-17, Numeri 16:15, 1 Samuël 12:1-3, Jesaja 55:1, Daniël 5:17 en Nehemia 5:14-19). Als Jezus door de farizeeën wordt berispt omdat hij door de vingers ziet dat zijn discipelen op de sabbat aren eten geeft Hij hen lik op stuk door te verwijzen naar David, die zijn soldaten de toonbroden van de priesters in de tempel liet eten (zie Matteüs 12:1-8 en 1 Samuël 21:1-7 in verband met Leviticus 24:5-9). In de brief aan de Romeinen refereert Paulus in meer dan de helft van de teksten naar het Oude Testament. Van de 405 verzen die Openbaringen telt verwijzen er 263 naar het Oude Testament. Conclusie: zonder het Oude Testament snap je niets van het Nieuwe Testament.

Het nieuwe in het Nieuw Testament
Als het Nieuwe Testament teruggaat op het Oude Testament, waarom heb je die nieuwe boeken dan eigenlijk nog nodig? Omdat door het optreden van Jezus veel beloften uit het Oude Testament in vervulling zijn gegaan. De Hebreeënbrief heeft het over een ‘eerbiedwaardiger dienst’ waarvoor Jezus is aangesteld en zaken die ‘verouderd, versleten’ zijn en ‘de teloorgang nabij’. In 70 n. Chr. is de tempel verwoest. Al tweeduizend jaar wordt er inmiddels niet meer geofferd. Dat hoeft ook niet, want Jezus, de Messias, is als ‘de grote hogepriester’ gaan functioneren. Niet op aarde maar in de hemel. Paulus: “… De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht…” (Hebreeën 8:1,2). Ook in het Oude Testament is het al duidelijk dat het bloed van schapen en bokken geen zonden kan vergeven. Dat kan alleen God (zie Psalm 40:7-9, Psalm 50:8-15, Jesaja 1:11-17, Amos 5:21-24, Micha 6:6-8, Micha 7:18,19). De tempeldienst was enkel maar een schaduwdienst. De uiterlijke dingen moeten zich verinnerlijken: ‘Besnijd daarom je hart’. Het maakt niet uit op welke plek en onder welke omstandigheden je God aanbidt, als je Hem maar aanbidt in ‘geest en waarheid’. De mensen moeten ‘waarachtige aanbidders’ worden volgens Jezus: “… En daarmee zijn we bij dat andere aspect van het ‘nieuwe verbond’ waarover we al bij Jeremia hoorden: de Geest zal de Tora schrijven in het hart van mensen. Een wereldwijde werking van de Geest van God in de geest van mensen. Want juist doordat de mens geest is, kan hij beelddrager van God zijn en openstaan voor de werking van Gods Geest…”.

Het tegoed van het Oude Testament
Daarnaast gaat het in het Oude Testament over veel onderwerpen waar het in het Nieuwe Testament over zwijgt. De bekende theoloog K.H. Miskotte spreekt dan ook over een ‘tegoed van het Oude Testament’. Jezus en de apostelen veronderstellen blijkbaar dat die bekend zijn: “… In haast elke stad wordt de Tora van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen…” (Handelingen 15:19-21 en 28-29). De apostel Jakobus over het omgaan met lijden: “… Jullie hebben gehoord hoe standvastig Job was…” (Jakobus 5:11). Ook het scheppingsverhaal vind je bijvoorbeeld niet in het Nieuwe Testament terug. Na zijn opstanding wijst Jezus de discipelen nadrukkelijk op de achtergrond van zijn missie: “… Toen ik nog bij jullie was, heb ik jullie gezegd dat alles wat in de Tora van Mozes, bij de profeten en in de Psalmen (het hele OT dus) over mij geschreven staat in vervulling moest gaan. Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften…” (Lucas 24:44,45). Verder staan er in het Oude Testament nog steeds beloften die niet zijn vervuld. Bijvoorbeeld over de verlossing van de hele wereld: alles komt uiteindelijk goed.

Aversie
Uitgebreid gaat Visser in op de aversie die bepaalde fenomenen in de Bijbelse cultuur oproepen. In de Tora is de vrouw ‘letterlijk’ minder waard dan een man: de tegenwaarde van een mensenleven was voor een man vijftig sikkels en voor een vrouw dertig sikkels. Visser: “… Maar in geestelijk opzicht deed een vrouw voor een man niet onder…”. Denk aan de profetes Deborah die richter (rechter en leider) was in Israël en Barak bij zich ontbiedt (Rechters 5:7). Denk aan de profetes Hulda: de priester Chilkia komt haar samen met vier andere belangrijke adviseurs van koning Josia raadplegen. Denk aan Abigaïl, die over haar eigen man, koning David zegt: “… Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt…”. David prijst vervolgens haar verstand (1 Samuël 25:35)! Denk aan Ruth die meer waard was dan zeven zonen (Ruth 4:15). En zelfs de ‘vrouwonvriendelijke’ Paulus moet toegeven dat er geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen: “… u bent allen één in de Messias Jezus…” (Galaten 3:27,28). Er bestond slavernij. Maar de Tora geeft regels voor een milde en eerlijke behandeling tussen heren en slaven die Visser vergelijkt met recente schandalen rond Oost-Europese arbeiders in ons eigen land, die dan wel geen slaaf waren, maar een stuk slechter af. Er werden veel dieren geslacht voor de offers, maar het aantal staat in geen verhouding tot de draaierig makende aantallen die jaarlijks alleen al in de Nederlandse vleesindustrie worden verwerkt: zo‘n 2 miljoen runderen, 15 miljoen varkens, 125.000 geiten en 750.000 schapen. Daarbij stelt God herhaaldelijk dat Hij meer behagen schept in het liefhebben van God en de naaste dan in slachtoffers en brandoffers. En over al het geweld. Het is geen excuus maar wel de realiteit: oorlogen zijn er altijd geweest. Zomaar een krantenbericht: in 2007 raakten meer dan 45 miljoen mensen betrokken bij gewapende conflicten. In de Psalmen wordt van God juist gezegd dat Hij ‘oorlogen doet ophouden’ (Psalm 46:10): “… En Israëls profeten laten weten dat er een tijd komt waarin god ‘zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige naties. En dan volgen direct daarop de indrukwekkende woorden die nu al (tamelijk voorbarig) geschreven staan op het gebouw van de Verenigde Naties: ‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is’…” (Jesaja 2:1-5, Micha 4:1-5).

Geloof, hoop en liefde

Visser legt uit dat in de Bijbel het woord ‘geloven’, dat vaak in het Nieuwe Testament voorkomt hetzelfde is als het woord ‘vertrouwen’, dat vaak in het Oude Testament wordt gebruikt. Hoop is de verwachting van de mogelijkheid van het goede en brengt Visser in verband met de grootse visioenen en beloften van profeten als Micha, Jesaja, Daniël, en Ezechiël. In het gesprek met de teleurgestelde Emmaüsgangers vraagt Jezus dan ook waarom ze niet geloven ‘in alles wat de profeten hebben gezegd’. Vervolgens verklaart hij hun de Schriften, te beginnen bij Mozes en de profeten. Het ‘grote gebod’ van de liefde heeft zoals gezegd zijn oorsprong in het boek van Leviticus. In de Tora is liefhebben een opdracht waarbij het er om gaat je voortdurend in de ander te verplaatsen. Aan de hand van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus steekt Visser tenslotte nog eens een stevig pleidooi af voor het belang van het Oude Testament: als de vijf broers van de rijke man niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat (Lucas 16:19-31). Het punt dat Visser vooral maakt: “… Wie zichzelf verwijdert van de woorden van het OT kan Jezus niet werkelijk begrijpen. Zo iemand maakt Jezus los van zijn eigen bijbel, maakt hem los van Israël, maakt hem eigenlijk van God los. Maar wie dat probeert, verwijdert zich in wezen van de redding die God mensen aanbiedt, want ‘de redding komt immers van de Joden’. Zo iemand maakt zich los van ‘de woorden Gods’, die Israël zijn toevertrouwd, en hij vergeet dat Jezus alleen maar gezonden was ‘naar de verloren schapen van het huis van Israël…” (zie Johannes 4:22, Romeinen 3:1,2 en Matteüs 15:24).

Uitgave: Boekencentrum – 2010, 104 blz., ISBN 978 902 392 454 8, € 7,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen