Menu

woensdag 27 november 2019

De minnaar, de monnik en de rebel – Suzanne van der Schot


Subtitel: Dagelijks leven met Jezus Christus

Het tweede boek van Suzanne van der Schot, dat ze schreef na haar terugkeer uit het klooster (zie mijn vorige blog), heb ik er maar gelijk achteraan gelezen. Vooral ook omdat wijlen Wim Brands het tijdens een interview in VPRO-Boeken van 22 november 2009 zo mogelijk nog mooier zegt te vinden dan het eerste – zie hier.

Jezus in de kerk

Van der Schot begint met de constatering dat Jezus veel verder van haar afstaat dan God zelf – wat gek genoeg bij mij ook zo is. Ik heb wel eens gedacht dat dat komt doordat in de refowereld waarin ik opgroeide niet zo veel aandacht was voor Jezus: dat was meer het pakkie-an van de ketterse evangelischen en de E.O.-ers. Volgens mij was professor Graafland de eerste die met “Gereformeerden op zoek naar God” (1990) een lans brak voor méér Jezus in de kerk. Maar toen was ik al een twintiger die niet meer zoveel had met het instituut an sich. Nu ik wel weer in de kerk kom, helpen de plaatjes op de beamer voor de kinderen, van een baardig meneertje koekepeertje in een lange soepjurk, ook niet echt. Sinterklaas is indrukwekkender. Ik vraag me ernstig af of een dergelijk voorgeschoteld godsbeeld in lengte van jaren beklijft. Ik vrees het ergste. Ik snap het stringente verbod op het afbeelden van God in de islam en het Jodendom volkomen. Van iedere voorstelling die zich tussen jou en God schuift moet je ook weer af, als je Hem echt wil leren kennen. Ik vind het dan ook helemaal niet zo problematisch dat in de kerk van mijn jeugd Jezus de geheimzinnige figuur op de achtergrond bleef. Dat maakt dat je zelf op zoek moet naar wie Hij is (als je daar tenminste behoefte aan hebt). Ik heb ook wel eens gedacht dat het misschien anders zou zijn als Jezus een vrouw was geweest en God dus zijn eniggeboren dochter in plaats van zijn enig geboren zoon naar onze planeet had gestuurd. Maar eerlijk gezegd vind ik de aseksuele, poeslieve, mierzoete Maria van de Rooms Katholieken ook niet bijster inspirerend. Eerder een beetje irritant (Van der Slot heeft het als katholiek trouwens nooit expliciet over haar), zo niet vreselijk. Als ik het voor het zeggen had zou ik gaan voor ‘vrouwe wijsheid’: Sophia. Ze is intelligent. Ze is sterk. Ze is onafhankelijk. Ze gaat haar mysterieuze gang met koninklijke gratie en allure. Maar moet je wat hebben met iemand om in hem (of haar) te geloven? Waarom zou Jezus niet ‘de zoon van God’ kunnen zijn? Ik bedoel; het gaat wel over een persoon van 2000 jaar geleden in een cultuur die zo totaal niet de mijne is, dat mijn bevreemding toch niet zo gek is? Misschien vallen mij ooit de schellen van de ogen.

Ik ben God niet
Van der Schot stelt dat Jezus geen zaak van of-of is, maar van en-en, zoals eigenlijk bij ons allemaal. Het raadsel dat Hij vertegenwoordigt wordt mede veroorzaakt doordat Hij zelf nooit iets op schrift heeft gesteld. De evangeliën zijn een soort krantenartikelen van ánderen over hem. Over onze geobsedeerdheid met de vraag of ze wel ‘waar’ zijn: “… Wij eenentwintigste-eeuwse westerlingen willen pas iets geloven als we zelf de beelden hebben gezien, als we met eigen ogen hebben kunnen waarnemen dat er ergens op de wereld een aanslag is gepleegd, als we de doden in de straten op ons televisiescherm hebben gezien. Wat we vaak vergeten is dat we ook maar kijken door de lens van de cameraman, en dat hij voor ons de keuze al gemaakt heeft of hij het beeld links van hem of aan de rechterkant filmt. Dé waarheid is per definitie een illusie…”. Wat mij wel zeer kan ontroeren zijn de verslagen van mensen die Hem anno 2019 zien in dromen of visioenen, zoals veel moslims of de Deense onderzoeksjournalist Charlotte Rørth. Mij is dat nooit overkomen. Soms denk ik: is Hij misschien, zoals voorzegd, al teruggekomen? Is Hij al onder ons, zonder dat we het weten? Op de manier zoals Hij na zijn opstanding aan sommigen verscheen, die hem in eerste instantie niet eens herkenden – zie de Emmaüsgangers? Van der Schot kan niet zoveel met ‘wonderen’ (Jezus die een kreupele laat lopen, later weer een meisje van haar ziekte geneest en toen s’ avonds even over het water naar zijn vrienden op het meer liep). Ze laat ze gewoon staan: “… De lezer mag zelf uitzoeken wat de evangelist hiermee wil zeggen…”. Ze doet een volkomen rationeel onderzoek naar Jezus – ik denk niet dat ze veel heeft met dromen en visioenen. Zelf heb ik geen moeite met het idee dat Jezus het rationele overstijgt. Waarom zou Hij niet ook boven- of buitenrationeel kunnen zijn, als Hij écht ‘de Zoon van God’ is? Ook al snap ik niet hoe of wat. Maar ik ben dan ook God niet.

De zoon
Het eerste en grootste geloofsdogma is voor Van der Schot al meteen een onhaalbare kaart: dat Maria bevrucht wordt door de Heilige Geest. De evangelist Mattheüs beschrijft Jezus’ biologische afstamming, te beginnen bij Abraham via de grote koning David en uiteindelijk uitkomend bij Jozef, ‘de man van Maria, uit wie Jezus geboren is’: “… Het leest even spannend als het telefoonboek…”. Is daarmee de zaak opgehelderd? Nee, want meteen na die stamboom vertelt Mattheüs dat Maria in verwachting raakt van de Heilige Geest en dat daarmee de profetie van Jesaja is vervuld. Een maagd zal zwanger worden en een zoon baren die Immanuël (‘God met ons’) heet. Mattheüs geeft geen biologieles, hij was er niet bij, hij laat alleen zien dat Jezus met twee benen stevig in de traditie van het Oude Testament staat, en de aangekondigde Messias is. Nergens verkondigt Jezus zelf dat Hij de zoon van God is. Dat doen anderen. Wel noemt Hij God zijn Vader, en hij spoort de mensen om Hem heen aan God ook zo te noemen, met als beste voorbeeld natuurlijk het ‘Onze Vader’. Jezus zegt dat wij ook kinderen van God kunnen worden: “… Jezus ziet de mensen tegen wie hij spreekt net zo goed als zonen (en dochters) van God als zichzelf…”. Over zijn doop in de Jordaan: “… Dat de relatie tussen God en Jezus toch een geval apart is, blijkt uit Gods woorden, ‘dit is mijn geliefde Zoon’. Jezus is de enige in de Bijbel aan wie deze eer ten deel valt. Zelfs de aartsvader Abraham, of Mozes, David of welke profeet ook, wordt door God niet zo genoemd. De evangelist wil duidelijk maken dat Jezus dichter bij God staat dan wie ook…”. Johannes is heel concreet. Hij zegt dat niemand God ooit heeft gezien, maar als je Jezus als gids neemt, weet je hoe God wil dat je leeft. Jezus moet als zo bijzonder zijn ervaren dat hij opviel onder de vele rabbi’s. Mensen hebben over Hem gepraat en geschreven: “… Als hij zijn leven zuipend, slempend en hoerenlopend zou hebben doorgebracht, om aan het einde te stikken in een hap ganzenlever, dan was hij Gods zoon niet geweest, en dan hadden er na zijn leven wel zeker niet zoveel verhalen de ronde gedaan over hem…”. Dan hadden wij al helemaal nooit van hem gehoord. Anders dan de helden, de visionairs, de filosofen, de goeroes, van vroeger en onze tijd, wijst Jezus er steeds op dat wij zijn Vader, God dus, moeten leren kennen. Waarom? Volgens Van der Schot om gelukkig te worden. En dan zijn we weer helemaal terug bij de boodschap uit de kerk in mijn jeugd: om ‘zalig’ te worden. Want dat is ‘tale kanaäns’ voor ‘gelukkig’ worden. Van der Schot: “… wat moet ik doen om een gelukkig mens te worden? De wil van God kennen, geeft het evangelie als antwoord op deze vraag. Wat is die wil van God? Dat is in ieder geval niet per se míjn wil…”. En even verder: “… Gods wil doen gaat niet over regeltjes en ge- en verboden. Het gaat over de liefde in uitvoering brengen door de ander belangrijker te maken dan mijzelf, Jezus deed dit tot in het uiterste…”. Die opdracht is niet eenvoudig. We zijn op zijn zachts gezegd nogal egocentrisch ingesteld van nature: “… Mijn hoofd zit vol verlangens, voorstellingen, ideeën. Ik wil graag dat het leven verloopt zoals ik van tevoren bedacht heb. Ik houd er niet van als een ander daartussendoor komt fietsen…”. Maar om ons te helpen is er het verhaal over de zoon van God.

Verlossing
Zitten we te wachten op een Redder? Van der Schot niet, maar het volk Israël, dat zuchtte onder de overheersing van de Romeinen, wél. Bovendien was er in de Schriften beloofd dat er een Messias zou komen die hen zou verlossen. Jezus verlost echter niet van de Romeinen, maar van ‘zonden’, een item waar Van der Schot alweer niet zoveel mee kan. Welke zonden? Wat zijn zonden? “… Waarom moet ik gered worden? Wie heeft dat bepaald? Met mij is alles prima, ik heb die redding niet nodig. Jezus had zichzelf wat mij betreft echt niet hoeven opofferen. Wat maakt het voor mijn leven uit of er tweeduizend jaar geleden iemand gestorven is? Bovendien, hoe ‘zondig’ ben ik nou helemaal? Ik heb nog nooit iemand vermoord en ik heb ook nog nooit iets gestolen (behalve dan om mij nu onbegrijpelijke redenen een Holly Hobby-pen uit de supermarkt toen ik een jaar of tien was en die ik, toen mijn moeder erachter kwam, onder haar streng toeziend oog moest terugbrengen)…”. Dat liegt ze. In het vorige boek schrijft ze dat ze in het klooster een stukje chocola heeft gejat als de ‘versterving’ haar een beetje teveel is geworden, haha. Ze vertelt dat ze zo’n vier uur per dag op een krukje in de kerk heeft zitten bidden: “… Bidden is vooral: zitten blijven…”. Wat er dan gebeurt is dat je een ‘niemand’ wordt. Dat je leert wie en wat je bent als geen mens aandacht voor je heeft. Dat je leert luisteren naar Gods wil en die van jezelf op het tweede plan zet: “… Dat proces is geen feest, maar maakt je wel vrij…”. Ik denk dat dit iets is wat ons in belangrijke mate kan helpen te ontsnappen aan de onmenselijke druk waarmee wij onszelf opgezadeld hebben in onze prestatiemaatschappij. Kijk naar alle ‘belaste en vermoeide’ studenten. Nog niet eens volwassen en dan al een burn-out. Kijk naar wat er met ons gebeurt als we tot in het oneindige te horen krijgen dat we de beste moeten zijn, alles horen mee te maken wat er maar te beleven valt, alles uit onszelf moeten halen wat er in zit, overal en altijd tot het naadje moeten gaan. Dát is de zonde van onze tijd. Ik wordt al moe als ik er alleen maar over schrijf. Van der Schot: “… Als wie je bent en wat je kunt er niet meer toe doet, dan valt ook de drang weg om je te bewijzen, om de leukste, de beste, de slimste te zijn. Zonder onderlinge concurrentie is het veel gemakkelijker elkaar en ook jezelf te nemen zoals je bent…”. Jezelf loslaten, zomaar laten drijven. Dat is bevrijding. Van zelfopgelegde verwachtingen en die van de omgeving. Vrij van de uitputtende spelletjes om invloed en aanzien. Dat is leven in zijn puurste vorm. Jezus juk op je nemen betekent dat je het juk van anderen los moet laten. En dat is gelukkig ‘zacht’ en ‘licht’. Opmerkelijk is dat de gevestigde orde zich aangevallen en bedreigd voelt door Jezus: “… De mensen luisteren liever naar Jezus dan naar hen en zo ondermijnt hij hun macht over het volk…”. Misschien werkt het nog steeds zo. Overgave aan Jezus maakt ons los van de dwang uit onze omgeving, die dat niet leuk zal vinden. Zonden doen we altijd onszelf en elkaar aan: “… Het is zonde als ik ongelukkig ben omdat ik iets niet heb wat ik graag zou willen, het is zonde als ik iets niet doe omdat ik bang ben voor schut te staan als het mislukt. Het is zonde om mensen bij voorbaat af te schrijven omdat ze de verkeerde schoenen aan hebben…”.

Omdenken
Van der Schot vertelt over haar leerlingen op een ‘zwarte’ vmbo-school die bestaan uit negen nationaliteiten met overwegend een islamitische achtergrond: “… We delen de ervaring dat de buitenwereld van mening is dat er een steekje bij je los zit als je iets met God hebt…”. Dat schept een band. Ze vertelt over de vooroordelen waar ze mee te maken hebben, en de manier waarop ze zich daartegen te weer stellen. Mensen in de marge. Precies het soort waar Jezus om geeft. Van der Schot interpreteert de Bijbelverhalen als fantastische staaltjes omdenken. Jezus gaat altijd weer in tegen wat normaal is. Van der Schot: “… Er wordt over hem gepraat, gediscussieerd. En dat niet alleen in de tijd dat hij daadwerkelijk rondtrok; het hield niet op na zijn dood. Sterker, de discussies raakten alleen maar meer verhit. Mensen gingen een onderliggende boodschap lezen in zijn optreden. Ze gingen een diepere betekenis geven aan het verloop van Jezus’ leven. Het vermogen tot interpreteren van die betekenis zijn we een beetje kwijtgeraakt. Tegenwoordig lijkt de discussie over weinig anders te gaan dan de vraag of de verhalen ‘waar’ of ‘onwaar’ zijn. Daarmee doen we de evangelisten, noch onszelf, de geïnteresseerde lezers, recht. Die diepere betekenis zit ’m naar mijn idee in het feit dat Jezus steeds het onmogelijke doet, het meest onverwachte, het ondenkbare…”. En even verder: “… Jezus houdt mij iets voor en het is aan mij om dat op te pakken of niet. Hij laat mij vrij om te kiezen. Hij maakt het mij moeilijk door zijn dubbelzinnige taal. Ik hoef geen boekenwurm of geleerde te zijn, maar ik moet wel mijn vermogens inzetten om de wereld te leren bekijken door zijn bril en daaraan mijn leven aanpassen. Jezus is een geduldige leraar, maar wel een die veel huiswerk opgeeft…”.

Het in zichzelf verdeelde ik
En hoe zit het dan met het lijden? “… Bij de aankondiging dat zij zwanger zal worden, zegt de engel tegen Maria dat zij zich moet verheugen, want zij is in Gods ogen een begenadigde vrouw. Zo’n dertig jaar later zal haar het meest verschrikkelijke overkomen dat een mens kan meemaken: zij zal zien hoe haar kind vermoord wordt. Hoezo is Maria een vrouw die zich kan verheugen, een uitverkorene van de Heer? Kennelijk betekent de genegenheid van God niet dat een mens verschoond zal blijven van ongeluk, verdriet of dood…”. Prachtig schrijft Van der Slot over Jezus uitspraak over de nauwe poort. De wijde poort leidt naar de ondergang. Amusante schilderijen uit de tijd van de Reformatie laten zien hoe deze poorten ingezet worden om het ware geloof aan te wijzen. Al naar gelang de denominatie van de schilder dan wel opdrachtgever zijn het de ene keer de katholieken die door de wijde poort regelrecht de hel in lopen; op andere de protestanten. “… Het verhaal over de twee poorten is, als je het mij vraagt, niet gericht tot een groep, maar aan ieder afzonderlijk. Dus ook aan mij. De nauwe poort biedt slechts toegang aan één persoon, ikzelf. Dit geldt voor iedereen. Voor iedereen is er één poort: het leven zoals ik moet leven, met de mogelijkheden en de beperkingen die ik heb. De ondergang is daar waar ik me laat bedelven onder de verwachtingen van anderen en vooral die van mezelf…”. En over ‘het koninkrijk dat innerlijk verdeeld raakt’ en daardoor volgens Jezus verandert in ‘een woestenij’: “… Verdeeldheid tussen mensen, maar ook innerlijke verdeeldheid is zonde. Als ik het ene verlang, maar het andere doe, wordt alles troebel. Leven in een spagaat houdt geen mens vol. Je kunt niet met de een getrouwd zijn en van de ander houden, je kunt geen concertpianist zijn als je het eigenlijk alleen maar doet om je ouders tevreden te stellen. Wie voortdurend op twee gedachtes hinkt, wie verzuimt te kiezen, zal nooit een gelukkig mens zijn. Verdeeldheid is een gif. Vraag het een kind van gescheiden ouders, dat zich gedwongen voelt tussen zijn vader of moeder te kiezen. Vraag het aan de werkende moeder met een doorlopend schuldgevoel omdat ze moet schipperen tussen carrière en kinderen. Vraag het aan mij. Die in stilte wil leven, maar tegelijk de bevestiging van de omgeving zoekt, die milieubewust wil zijn, maar ook in een auto wil rijden, die tijd wil maken voor studie en contemplatie, maar ook die film gezien en alle leuke restaurants in Amsterdam geprobeerd wil hebben. Het verdeelde koninkrijk, dat ben ikzelf, en de woestenij is het onoverzichtelijke, rommelige leven dat ik leid zolang ik niet trouw ben aan wie ik ben en wat ik wil. Het is beangstigend om te kiezen, want ik moet er altijd iets voor opgeven. Wie weet wat ik laat schieten als ik kies, welke mogelijkheden ik allemaal uitsluit. Dus liever rommel ik wat aan, een beetje van dit, een beetje van dat. Ik ga wel knopen doorhakken, maar nu nog even niet. Door mijn wispelturigheid doe ik mezelf tekort. God hoeft me niet te straffen, dat doe ik zelf al meer dan genoeg…”. Ze vertelt over het gevoel gefaald te hebben na haar episode in het klooster: “… Ik ging keihard onderuit en kwam met hangende pootjes terug. Het isolement dat daarop volgde, was diep en langdurig…”. Het is een hardhandige manier om bescheidenheid en nederigheid aan te leren.

Met God wordt niet gebabbeld
Indrukwekkend schrijft Van der Schot over het gebed – ook al weet ze nog steeds niet wat dat precies is en wat voor zin het heeft. Ze is er een ander mens door geworden, zegt ze: “… Ik ben evenwichtiger, weet beter wat ik belangrijk vind en wat niet en durf daarin keuzes te maken…”. En even verder: “… Als ik bid, heb ik meer aandacht voor de mensen en de gebeurtenissen om me heen. Bidden is voor mij een oefening in ‘uw wil geschiede’…”. Ze heeft het over Jezus die veel bad, terwijl je zou denken dat dat niet hoefde, omdat hij nu eenmaal ‘een straalverbinding’ met God had. Aan het eind van zijn leven worden zijn gebeden persoonlijker, indringender en vooral meer invoelbaar. Op het moment dat de nood het hoogst is, aan het kruis, lijkt God van de aardbodem verdwenen, als Hij het uitschreeuwt. 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u Mij in de steek gelaten?': “… De werkelijkheid van het moment is keihard en lelijk. Is hier nog wel plaats voor God? Waar houdt Hij zich op tussen alle lelijkheid? Hier slaan we geen mensen aan kruisen, maar lelijkheid is er genoeg. Van de betonnen verlatenheid van een willekeurige vinexwijk op dinsdagochtend tot het met drommen winkelend publiek overladen Damrak in Amsterdam op zondagmiddag. Van de armoede van gezinnen waarvan de kinderen dag in dag uit met dezelfde kleren aan bij mij in de klas zitten, tot de families waarin de allernieuwste mobieltjes en sportschoenen de afwezigheid van de ouders moet compenseren…”. En even verder: “… Wie bidt, zegt Jezus, moet zorgen dat niemand het ziet, als was het een zeer intieme handeling. Bidden mag ook geen geklets worden, met God wordt niet gebabbeld…”. God weet alles immers al. Het moet over het aller-essentieelste gaan. Dat wat je ten diepste beweegt. Van der Schot:“… als ik bid, dan ben ik mij ervan bewust dat ik niet de enige ben, dat mijn bidden wordt opgenomen in het grote gebed van de mensheid. Een stille, subtiele verbondenheid die als een web van fijne draadjes over de wereld ligt…”. En wat mij het diepste aangrijpt: “… ‘Uw wil geschiede’. Wie is ‘U’ als ik dat zelf niet ben?...”. Dat schiet mij rechtstreeks terug naar “Het evangelie volgens Pilatus” van Eric-Emanuell Schmitt, die misschien wel de mooiste en kortste definitie van mystiek in de mond van Jezus legt, dan nog een kind: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Nee, want daar huist God. Daar stuiten wij op het grootste mysterie dat er in mijn ogen bestaat.

Nu ik nog
Jezus gaat te keer tegen degenen die mensen hun vrijheid afnemen, maar ook en net zo hard tegen hen die zich hun vrijheid laten afpakken. Je hebt altijd een keuze. Je kunt ergens in meegaan of niet. Leven of dood stel ik u voor, zegt de richter Jozua, zegen en vloek. Kies dan het leven. Van der Schot ziet de woorden van Jezus als een richtingaanwijzer, een handreiking: “… Niet dat ik die nodig heb omdat ik niet op eigen benen zou kunnen staan, maar omdat ik de wijsheid niet in pacht heb, ik mezelf niet gemaakt heb, omdat twee meer weten dan één…”. Over de wet, waarvan Jezus pertinent zegt dat Hij niet is gekomen om die af te schaffen maar te vervullen: “… De wet behoedt ons ervoor dat het recht van de sterkste gaat gelden of de waan van de dag. Mijn vrijheid mag die van een ander niet belemmeren. Heb God lief en je naaste als jezelf. Het zijn de enige twee regels die Jezus stelt. Twee regels die universeel en eeuwig zijn…”. Jezus was niet alleen maar een softe man met een baardje en sandalen die predikt dat we toch vooral lief voor elkaar moeten zijn: “… De paus schrijft over Jezus: ‘Iemand die er zulke brave morele opvattingen op na houdt, zou nooit tot de dood op het kruis zijn veroordeeld.’ Dat slaat de spijker op z’n kop. Een man die naastenliefde verkondigde, zal natuurlijk niemand in de weg zitten. Dat Jezus de voor die tijd meest vernederende dood moest ondergaan, een marteling die alleen voor de zwaarste misdadigers werd ingezet, wijst erop dat hij een uiterst omstreden figuur was, die op z’n minst ergernis, irritatie of angst opwekte…”. Uiteindelijk staat of valt het hele christendom met het opstandingsverhaal, waarin Jezus het verschil maakt met alle andere godsdienstleiders, en dat eigenlijk niet te bevatten is. Voor zijn leerlingen was het een levensveranderende gebeurtenis. Eindelijk lijken ze hun Meester te begrijpen. Nu ik nog…

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2009, 188 blz., ISBN 978 904 680 621 8, € 20,-
Rechtstreeks bestellen, klik hier

maandag 25 november 2019

Moeilijk te geloven – Suzanne van der Schot


Subtitel: Leven in een klooster in Parijs

Met dank aan degene die het oeuvre van Suzanne van der Schot (1973) onder mijn aandacht bracht. Het was absoluut een goed idee van de uitgever op de cover van dit boek een foto van de schrijfster te plaatsen, want daardoor dacht ik precies hetzelfde als iedereen om haar heen: wat doet zó ’n leuke meid ‘in hemelsnaam’ in een klooster!? Van der Schot past helemaal in het rijtje van vrouwen, die zijn behept met wat ik het ‘religieus dna’ noem, dat ik inmiddels heb besproken: Lauren Winner, Corrie ten Boom, Willemijn Dicke, Charlotte Rørth, Etty Hillesum, Esther Maria Magnis, Karen Armstrong, Nina Hagen (en mogen er nog vele volgen)…

Waarom

Van der Schot heeft geen gelovige opvoeding achter de rug, wat zo zijn voordelen heeft volgens mij, omdat je dan blanco bent. Haar eerste herinnering in verband met religie is een bezoek aan een mysterieuze, oorverdovend stille, oude kathedraal in Barcelona, op een regenachtige vakantiedag. Ze is een jaar of twaalf en staart met open mond naar de oude dames die op hun knieën zachtjes gebeden prevelen: “… Wat moet dat geweldig zijn, dacht ik, als je weet wat het geheim is dat verborgen zit in deze stilte…”. Als ze net twintig is heeft ze eenzelfde soort ervaring in Indonesië: “… De stilte trof me. Een stilte waarin wat is geweest en wat komen gaat, er een moment lang niet toe doet. Tijd bestond niet. Wat ik voelde of wie ik was, was even van geen belang. Ik maakte deel uit van de omgeving. Ik was slechts een toeschouwer van die vogels, het meer en de regen. Dit kon ik pas later zo verwoorden, op het moment zelf was er alleen maar de stilte en het gevoel dat ik volkomen op mijn plek was…”. Het zijn dit soort transcendente ervaringen die een allesoverstijgend religieus gevoel wakker maken, denk ik: zie ook de verhalen van George Sand en Willemijn Dicke. Het laat je niet meer los. Je wilt weten wat je is overkomen. Een vriendje neemt haar mee naar een katholieke kerk, waar ze weer gegrepen wordt door de gedachte: “… hier is iets aan de hand, er is een geheim en al deze mensen hier weten wat dat geheim inhoudt, behalve ik…”. Over de dienst: “… Het was een openbaring voor me dat het weliswaar over God ging, in mijn verbeelding een soort Sinterklaas die door de EO was uitgevonden, maar dat er geen spoor was van strengheid of betweterigheid. Geen opgeheven, belerende vinger en ook geen zweverig gedoe…”. Ze merkt dat de eeuwenoude psalmteksten over mensen gaan die goeddeels met dezelfde moeilijkheden kampen als wij nu. Het draait om vragen als “… Waarom zijn wij op aarde? Waarom verloopt het leven vaak niet zoals wij graag willen? Waarom, waarom?...”. En even verder: “… Ik vond er geen antwoorden op de bestaansvragen die bij iedereen vroeg of laat naar de oppervlakte komen, maar wel een plek waar ze gesteld mochten worden. De eventuele antwoorden kwamen vanzelf wel. Of misschien waren die antwoorden helemaal niet zo belangrijk…”.

Het geheim dat wij voor het gemak God noemen
De insteek van Van der Schot is steeds ‘zoeken’. De Bijbel “… is geen van boven opgelegde handleiding vol ge- en verboden die het leven zo onaangenaam mogelijk maken, maar een boek geschreven door mensen die met veel vallen en opstaan, net als ik nu, op zoek gaan naar dat geheim, dat we voor het gemak maar God noemen…”. Gedreven door nieuwsgierigheid blijft ze naar de kerk gaan, ook als het allang uit is met haar vriendje: “… Vaak had ik geen idee hoe ik moest verstaan wat daar gebeurde. Dan werd er tijdens de viering gezongen: ‘Volg de weg van Christus’ en: ‘Open je hart voor God’. Dan dacht ik, dat zou ik wel willen, maar hoe dan? Of werd er in de preek gesproken over een ‘Godsontmoeting’. Dan vroeg ik me af of ik misschien alvast een afspraak kon maken…”. En even verder: “… Hoe langer ik naar de kerk ging, hoe meer vragen er rezen. Wat is geloof? Hoe geloof je in iemand die je nog nooit gezien hebt en die nooit wat terugzegt? Is vertrouwen op God misschien gewoon hetzelfde als vertrouwen op jezelf? Dan wordt het wel een hele eenzame en egoïstische bedoening. Hoewel ik het idee had dat ik niets van het geloof snapte, (wie wel?) bleef het me mateloos boeien…”. Uiteindelijk gaat het altijd om dat ‘méér’ dat nergens anders te vinden en met niets te vergelijken is: “… In de kerk kreeg het leven een dimensie die verderging dan het alledaagse, dan het noodzakelijke. Wij hebben een verstand gekregen, wij kunnen nadenken over ons leven, wij hebben een besef van wat waardevol en onecht, rechtvaardig en onrechtvaardig is. Wie daar niets mee doet, laat iets kostbaars liggen…”. Natuurlijk gaat er ook van alles mis in de kerk: “… In naam van het geloof werd en wordt er veel leed aangericht in de wereld. Maar het alternatief zou zijn alle organisatievormen af te schaffen zodat ieder mens op zichzelf betrokken zijn eigen leven moet leiden. Dat vind ik geen optie…”.

Een diep soort vreugde

Terwijl Van der Schot Nederlands studeert sluit ze zich aan bij de ‘stadsmonniken’, een project van pastoor Bernard Zweers in Amsterdam. Twee maal per week gaat ze naar het ‘avondgebed’ in de Nicolaaskerk: “… Bij veel van wat ik hoorde of las gingen er alarmbellen rinkelen. Hoezo, eeuwig leven? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Hoe zijn we überhaupt aan het idee gekomen dat er zoiets als God bestaat? En als hij bestaat, wat heb ik daar dan aan? Waarom lijk ik God nodig te hebben en zoveel anderen niet? Was er misschien iets mis met mij? Waarom beheerste het mijn hele leven, en wat was dat ‘het’ eigenlijk? God?...”. Na haar afstuderen gaat ze als vrijwilligster een jaar naar Bangalore om in een opvanghuis te werken voor straatkinderen, dat op poten wordt gehouden door een groep jonge, jolige paters en zusters, die bij mij over komen als een stel hippies. Weer terug in Nederland merkt ze dat de religieuze ordes hier in hoge mate zijn vergrijsd. Terwijl ze als docent de kost verdient, wordt haar geloofsleven steeds intenser. Ze sluit zich weer aan bij de ‘stadsmonniken’ die inmiddels ‘s morgens en ‘s avonds diensten houden in de Papegaaikerk in de Kalverstraat, waar de deur altijd open staat, zodat iedereen mee kan doen: “… Ik wist dat ik in een ver land, in een totaal andere cultuur, mij zonder enige moeite staande kon houden. Nu wilde ik erachter zien te komen in hoeverre ik in staat was alle ‘buitenkant’ los te laten en te leven vanuit zoiets onzekers als geloof…”. Van der Schot: “… Deel te zijn van iets wat niet helemaal van deze wereld is terwijl ik zelf heel erg van deze wereld ben, vond ik overweldigend…”. En even verder: “… Ik had een vermoeden dat in het monastieke bestaan een diep soort vreugde besloten lag. Maar die moest bereikt worden via zaken als nederigheid, eenvoud, gehoorzaamheid, soberheid. Stuk voor stuk eigenschappen waar ik bepaald niet in uitblonk. Geloofde ik eigenlijk wel in God?...”. Ze bezoekt verschillende kloosters en leest van alles over mensen die kiezen voor een monastiek leven: “… Het bleek veel te maken te hebben met het op zoek willen gaan naar de kern van het mysterie dat leven is. Het had te maken met de wens afstand te nemen van de wereld om er des te beter naar te kunnen kijken. Zoiets…”. Ze neemt de proef op de som en gaat logeren bij de zusters van Jérusalem in Parijs. Daarop besluit ze het meest radicale te doen wat mogelijk is. Het habijt aannemen: “… Ik wilde mezelf en God een kans geven…”.

Theo en Thea
Ze vertelt hoe moeilijk het is om je individualiteit ondergeschikt te maken aan het belang van de gemeenschap: “… Wie met andere mensen samenleeft, moet concessies doen…”. Wie denkt dat kloosterlingen een rustig leventje leiden heeft het mis. De wekker gaat iedere dag om zes uur af. Tussen de gebedsdiensten door in een kerk verderop, die alles bij elkaar vier uur per etmaal in beslag nemen, werkt Van der Schot zich letterlijk te barsten: vloeren dweilen, eten koken, ramen lappen, strijken. s’ Morgens volgt ze een taalcursus, want haar Frans is niet al te best. ’s Avonds zijn er lessen theologie. Iedere dag bevat welgeteld twintig minuten pauze – en ’s maandags is de enige echt vrije dag. Het soort vrouwen dat intreedt: een filmregisseur, een kleuterleidster, een arts, een introverte politicologe, een Libanese econome, een lerares biologie (ik wil echt van het hardnekkige vooroordeel af dat religie iets is voor het domme volk, zie ook “Vrouw zoekt God” van Lauren Winner )… Ze merkt hoe het gaandeweg stiller wordt in haar hoofd: “… De menselijke geest wil vliegen, en als hij die kans niet krijgt om dat te doen door een spannend leven vol uitdagingen, zoekt hij een andere weg, naar binnen, die misschien wel veel spannender en uitdagender is…”. In het klooster word je nooit van de ene op de andere dag monnik. Na een paar maanden ontvangt Van der Schot als eerste stap het ‘postulaatkruis’: een houten kruisje dat je om je nek draagt als teken dat je voornemens bent te gaan intreden. In de kerk is Van der Schot zonder meer gelukkig, maar soms denk ik ook: wat dóe je jezelf aan. Het liegen over telefoongebruik: “… Ik ben laf, bang dat ik geen toestemming krijg, en vraag of ik mijn moeder mag bellen terwijl ik Jolanda bel. Ik mis haar erg, moet huilen aan de telefoon…” (p.s. Jolanda is een vriendin). Met priester Bernhard, die in de mannenafdeling van het klooster zit, drinkt ze zondagsmiddags stiekem een wijntje in een restaurant, als ze een eindje gaan lopen (ik bedoel, ben je daar nu volwassen voor geworden?). Even verderop: “… als ik de tafel dek en de vorken met de tanden naar boven leg, komt er, als ik weg ben, een zuster die alle vorken met de tanden naar beneden legt…” en “… Als ik een raam openzet, is er een andere zuster die zegt dat ik het beter dicht kan doen. Zodra ik het raam gesloten heb, komt er een derde die vraagt of ik het raam misschien een beetje wil openzetten…”. Een volkomen invoelbaar “… Stapelgek word ik ervan…” volgt. Bidden op afroep valt ook niet altijd mee: “… Ik weet niet hoe het komt, maar de laatste tijd zitten er steeds fragmenten van ‘Theo en Thea’ in mijn hoofd. Nu weer uit de aflevering over Sinterklaas waarin Bea Hofman (het alter ego van Theo) een brief schrijft aan de goedheiligman: ‘Beste Sint, ik móét hebben: geld, véél geld, het liefst in bankbiljetten van honderd gulden. Of anders iets exclusiefs uit een elektriciteitszaak. Aan mijn cadeau moet in ieder geval een stekker zitten.’…”. En tóch: “… Ik wist dat ik altijd naar de aanwezigheid van God zou blijven zoeken, dat de nabijheid van God het meest intense gevoel is dat een mens kan overkomen en dat het levensvervullend kan zijn je daarop te richten. Het was zo’n mooie ervaring, ik wilde eigenlijk meteen opspringen om het aan iemand te vertellen. Alsof ik een vallende ster zag, die je ook graag aan een ander wilt laten zien. Maar als je dat doet, is hij alweer verdwenen…”.

Een Eskimo uitleggen wat een aardbei is
Als er familie overkomt naar Parijs is Van der Schot daar niet altijd onverdeeld gelukkig mee. Ze vindt het moeilijk uit te leggen hoe ze innerlijk verandert: “… Het voelt alsof ik aan een Eskimo moet uitleggen wat een aardbei is…”. Over de kerk: “… Het is waar dat de katholieke kerk in vele opzichten een star en verouderd instituut is. Toch is het een wereldkerk die een miljard leden aan zich weet te binden. Het getuigt van arrogantie als wij vinden dat die kerk zich moet aanpassen aan onze westerse, postmoderne maatstaven en ik houd van de symbolen, de gebaren en de sacramenten. Dat alles betrekt je bij het mysterie dat zich voltrekt. God is niet in woorden te vatten, hoe geleerd of doordacht ze ook zijn. Alles wat eromheen bedacht is om uitdrukking te geven aan dat mysterie, is een middel, een kruiwagen om te trachten tot de kern van het geloof door te dringen. Wat die kern van het mysterie is, is voor ieder afzonderlijk weer anders: mijn God is een andere God dan die van degene die naast mij zit. In de kerk wordt een grootste gemene deler verkondigd. Dat kan niet anders. Maar geen pastoor, geen bisschop of paus kan mij vertellen hoe ik moet geloven. Toch ben ik blij dat ze er zijn, om mij een richting aan te geven en als bindende factor voor alle mensen die naar de kerk komen. Met mijn eigen, persoonlijke geloof kom ik naar de kerk om me te laten inspireren, om het onkenbare dat we God noemen uit te drukken. Daarvoor wil ik alles gebruiken wat maar te bedenken is: woorden, maar ook de wierook en de kaarsjes…”. Geloof me, van zo’n belijdenis barst ik bijna in tranen uit – echt waar. Echter, hoe meer ze haar gedachten onder woorden brengt, hoe meer haar moeder ervan overtuigd raakt dat haar dochter niet helemaal normaal is: “… Hoe kun je je leven besteden aan iets waarvan je niet eens zeker weet of het bestaat?...”. Maar is het leven rond zogenaamde zekerheden zo safe? “… Huwelijken kunnen kapotgaan, bedrijven failliet en winsten kunnen verschrompelen…”, argumenteert Van der Schot.

Hysterische wijven
Op een hilarische manier vertelt ze hoe ze via een andere non werk vindt op een klein en ongelooflijk chaotisch Engels vertaalbureau: “… Als Camille de deur opendoet, schrik ik me een ongeluk. Een onbeschrijflijke puinhoop doet mij in één klap de klasse van de hal en het trappenhuis vergeten…”. En even verder: “… In Michelles werkkamer stuiten Camille en ik op twee hysterische vrouwen, allebei van een jaar of veertig die Camille van alles toeroepen over een vergadering ergens op een kantoor die al begonnen is en waarvoor zij iets hadden voorbereid dat nu zoek is. Geen wonder, denk ik, maar ik houd wijselijk mijn mond. Camille moet nú een taxi bellen, terwijl zij doorgaan met spitten tussen de stapels papier. Een van de vrouwen merkt mij op, stelt zich voor als Michelle Brunon en zegt dat ze nu echt geen tijd voor me heeft. Ik weet me niet zo goed een houding te geven, zou graag willen helpen, maar ik weet niet hoe. Camille begint de twee verwijten te maken dat ze beter georganiseerd moeten zijn. Dat is een ding wat zeker is, maar het lijkt mij niet verstandig daar op dit moment over te beginnen. Na een minuut of tien dient de taxi zich aan en het rapport of wat er dan ook zoek is, is nog steeds niet boven water gekomen. Dan maar zonder. Op weg naar de trap gilt Michelle: ‘What a company, two hysterical women and two nuns!’ en weg zijn ze. Ze laten Camille en mij achter, ik in verbijstering en met een opkomende slappe lach. Camille slaakt een diepe zucht. Ik denk: moet dat mijn bazin worden?...”. Michelle over zichzelf: “… I have a temper…”. Dát heeft Van der Schot ondertussen al begrepen. Als het erg druk is luncht Van der Schot met haar collega’s in een restaurantje omdat ze de hele dag blijft werken: “… We drinken een glaasje wijn erbij en praten over het werk, de Franse politiek en de liefde. Wat dat laatste betreft komen we steeds weer tot de conclusie dat het leven zowel met als zonder relatie niet meevalt…”. Steeds vaker vraagt ze zich af wie nu het ware leven leidt: “… die kartuizer die leeft op het ritme van de seizoenen of deze twee vrouwen die zich door het dagelijks bestaan worstelen?...”. Proberen we niet allemaal gelukkig te zijn?

Wie is er nu gek?
Van der Schot blijft twijfelen over de volgende stap: daadwerkelijk het habijt aantrekken en postulant worden. Een vreselijk weekendevenement dat georganiseerd wordt voor katholieke jongeren ervaart ze als totaal niet haar ding. Ze zit in een volle bus waar met vlaggen wordt gezwaaid en vrolijke liedjes worden gezongen bij een gitaar. Een soort E.O.-jongerendag. In een pauze tijdens een padvinderachtige wandeltocht wordt door een megafoon verteld dat God van iedereen houdt, dat Hij de oplossing is voor al onze problemen en dat wij van God moeten houden omdat Hij ons dan zal belonen met een gelukkig leven. Van der Schot heeft niets met deze lawaaierige ‘happy-clappy-mentaliteit’ waar ze in verzuipt: “… Wat echter ontbreekt, is een kritisch geluid. Niemand vertelt deze kinderen – want dat zijn het eigenlijk nog – dat het geloof je niet ontslaat van de plicht kritische vragen te stellen. Hier wordt God aan de man gebracht door hem te verpakken als een licht verteerbaar snoepje, compleet met roze strik eromheen…”. Dat is mij uit het hart gegrepen. Als ze in een kamp zijn aangekomen houdt een priester, ene Nicolas Buttet, type ‘toffe peer’, een grandioze toespraak: “… Op humoristische wijze giet hij de Goede Boodschap van het evangelie bij zijn toehoorders naar binnen. ‘God is liefde, alleluia!’ roept hij keer op keer, wat de jongeren in de kerk luidkeels herhalen. Het hoogtepunt van de avond is het moment waarop in een gouden schrijn, een soort versierde kist, relieken van de heilige Thérèse van Lisieux de kerk worden binnengedragen. De aanwezigheid van haar relieken, lichaamsdelen van de heilige, meestal stukjes bot of haar, moeten de avond een extra cachet geven. De schrijn wordt naar binnen gedragen onder luid gejuich, alsof het de Europacup is. Intussen voel ik me steeds ellendiger worden. De onzekerheid, het niet-weten dat van ieder een eigen invulling vraagt, is wat mij zo boeit, niet deze hapklare brokken evangelie, overgoten met een jus van kunstmatige vrolijkheid. Heb ik het mis gehad wat het geloof betreft? Wie is er nu gek, deze massa mensen om mij heen of ik? Een geloof dat bestaat uit waarheden en feiten, waar de principes kant en klaar liggen en wij ze alleen nog maar hoeven aan te nemen, vind ik eng. Dat is het soort geloof waarin ziekte en leed een straf van God is en gezondheid en geluk een beloning. Dat is een God die, zolang je maar doet wat hij wil, al je problemen oplost, verdriet doet verdwijnen en iedere leegte in je leven moeiteloos opvult. Dat is een infantiele, karikaturele God. Het is een God zoals ik hem voorstelde voordat ik mij werkelijk ging verdiepen in het geloof. Ik dacht destijds dat christenen ten koste van de evolutietheorie het scheppingsverhaal voor waar aannamen, dat zij geen verdriet hadden om een overleden familielid omdat die in de hemel op ons arme stervelingen zou neerkijken. Wat een openbaring was het voor mij, te merken dat je niet je gezond verstand hoefde te verliezen om een gelovig mens te zijn. Ik leerde dat het christendom meer vragen dan antwoorden opwerpt en dat het leven er dikwijls ingewikkelder dan simpeler door wordt, maar altijd boeiender. Mensen die overtuigd zijn van hun eigen gelijk, of ze nu beweren dat God absoluut wel of juist absoluut niet bestaat, wantrouw ik. Hun stelligheid verraadt onverdraagzaamheid, domheid en meestal persoonlijke frustratie…”.

Beroepszoeker

Over de boodschap van liefde en vrede: “… Hoe bestaat het toch dat al deze mensen zo extatisch zijn over wat ze hier meemaken? Realiseert niemand zich dan dat de boodschap van liefde en vrede die hier gepredikt wordt, wel wat al te gemakkelijk de realiteit van een vaak wrede wereld met daarin gebroken mensen omzeilt, en waarin liefde en vrede zaken zijn die niet anders dan met veel moeite te bereiken zijn? De woorden van Nicolas Butter zijn op zichzelf niet onwaar, maar ze hebben de diepgang van een surfplank. En de verdieping van mijn leven is nou juist wat ik zocht in het geloof…”. Over Johannes van het Kruis, wiens ideeën in de zestiende eeuw zo vooruitstrevend waren dat hij een tijdje door leden van zijn eigen orde gevangen werd gezet: “… God is de totaal-andere, en dus per definitie onkenbaar. Ieder beeld dat wij van God hebben, is slechts een menselijke, dus beperkte voorstelling van hem. Om tot enige kennis van hem te komen, moeten wij alle voorstellingen, beelden of ideeën die wij van hem hebben, laten varen en ons begeven in de ‘donkere nacht’. In de ‘donkere nacht’ laten wij al onze zekerheden, onze gehechtheden los om onze aandacht te kunnen richten op dat wat onkenbaar is. Alleen in het duister kan men het licht van God ontwaren…”. En even verder: “… Het verlangen God te kennen botst met de feitelijke onmogelijkheid daarvan…”. In “Le Petit Prince” zegt de kleine prins dat ‘de woestijn zo mooi is doordat er ergens een put verborgen is.’ Volgens Van der Schot is de monnik iemand die op zoek is naar die put. De monniken zijn geen ‘wereldvreemde mollen’, maar ‘beroepszoekers’. Wie kiest moet iets durven opgeven. Uiteindelijk kan Van der Schot dat niet. ‘Ik ben twee mensen’, schrijft ze in haar dagboek. Op een gegeven moment realiseert ze zich dat het opgeven van haar zelfstandigheid, wat voor een monnik als een bevrijding moet voelen, voor haar een beklemming is. Ze is niet voor monnik in de wieg gelegd. Dus wordt het ‘einde verhaal’. Maar “… God laat mij niet met rust. Vaak heb ik het gevoel dat ik er nog steeds niets van begrepen heb, maar de fascinatie blijft…”. Thuis pakt ze haar baan als docent in Amsterdam-Oost weer op: “… Daar geef ik Nederlandse les aan een bonte verzameling Turkse, Marokkaanse, Nederlandse en Antilliaanse leerlingen. Ik vertel ze dat hun juf non is geweest. Vol ongeloof kijken ze me aan. ‘Heeft u dan geen man?’ ‘Nee,’ zeg ik lachend, ‘maar ik heb voorlopig mij handen vol aan God en aan jullie…”.

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2006, 268 blz., ISBN 978 904 680 051 5, € 20,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 20 november 2019

Kerstmis onder vuur – Kevin Prenger


Subtitel: Kerst tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het front, thuis en in de kampen

Met december in zicht beginnen de kerstboeken alweer om mijn oren te vliegen. Een opmerkelijke uitgave is "Kerstmis onder vuur" van Kevin Prenger (1980), hoofdredacteur van de afdeling artikelen op TracesOfWar.nl, het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog. Daarin onderzoekt hij de manier waarop Kerst tijdens de oorlog werd gevierd. Per oorlogsjaar geeft Prenger een bijna schematisch overzicht van wat er overal werd gegeten (als er tenminste eten was), wat er werd gezongen (het is opvallend hoe ver de secularisatie is doorgedrongen - iedereen kende toen bijna ‘Stille nacht’) en welke kadootjes er al dan niet onder de (vaak geïmproviseerde) kerstboom lagen. Natuurlijk zijn de individuele verhalen daaromheen het indrukwekkendst. Eerder besprak ik van hem “Oorlogszone Zoo”.

Maarten Luther en de kerstboom

Als Duitsland in 1939 Polen binnenvalt zijn met Kerst veel consumentenproducten onverkrijgbaar omdat de Britse zeeblokkade de aanvoer van overzeese goederen verhindert. Wél wordt er voor gezorgd dat iedere Duitser een kerstboom heeft. Laat ‘onze’ refo’s – die vaak tegen kerstbomen zijn, want heidens – het maar niet horen, maar volgens een oud Duits verhaal was de protestantse kerkhervormer Maarten Luther de eerste die kaarsjes plaatste in een kerstboom. Tijdens een winteravondwandeling werd hij geraakt door de aanblik van twinkelende sterren tussen de sparrentakken. Zoals bij ons hele miniatuurkerstdorpjes te zien en te koop zijn bij Intratuin, zo wordt in Duitsland de miniatuurversie van allerhande oorlogstuig als speelgoed gefabriceerd. Tot aan gebombardeerde huisjes, soldaatjes met vlammenwerpers plus automatische wapens en gasmaskers op, ambulances voor speelgoedhospitaaltjes met verpleegsters die gewonden verzorgen en artsen die zich buigen over operatietafels, toe. Bordspelen als ‘Oh, welche Lust Soldat zu sein’ en ‘Dass Grosse Belagerungsspiel’ verheerlijken de oorlog. Maar je moet er snel bij zijn. Tegen kerst zijn de grote warenhuizen uitverkocht.

Joelfeest
De middernachtmis wordt tijdens de oorlogskerst druk bezocht. Voor veel Duitsers gaan het christendom en het nationaalsocialisme, ondanks hun contrasterende wereldbeeld, prima samen. Toch zijn veel antropologen, historici, musici en andere deskundigen bezig met vastleggen hoe Kerstmis op een andere manier gevierd kan worden: “… Prioriteit was om zoveel mogelijk verwijzingen naar het christendom te schrappen. ‘Om ons te verblijden hebben we geen verhalen uit het land van de Joden nodig’, zo verwoordde een SS’er dit in een brief aan zijn dochter. ‘Zo’n groot leider als Adolf Hitler schenkt God alleen aan het Duitse volk.’ In Hitler zagen de nazi’s de nieuwe verlosser. Niet langer de geboorte van Jezus Christus moest gevierd worden, maar de Germaanse afkomst van het Duitse volk en de verbinding van Duitsers met de natuur en de grond waarop ze leefden, geheel in lijn met de ideologie van ‘Blut und Boden’. Daarbij werd teruggegrepen op de oude Germaanse folklore waaruit het christelijke kerstfeest ontsprongen was…”. Ver voor de kerstening van Europa vierden Germaanse volkeren het Joelfeest om stil te staan bij de winterzonnewende: “… Het feest nam enkele dagen in beslag en werd gevierd met ceremonieën bij grote vuren (Joelvuren) om boze geesten te verdrijven en te vieren dat het vruchtbare voorjaar eraan kwam…”. Naziorganisaties als ‘Das Ahnenerbe’ en de ‘Arbeitsgemeinschaft für Deutsche Volkskunde’ proberen de Germaanse folklore en oude rituelen nieuw leven in te blazen. Met fakkels en brandend rijshout dansen jonge kerels rond open vuren op besneeuwde bergen en heuvels en rollen zogeheten ‘vuurwielen’ van de hellingen. Nazigeleerden bestempelen de kerstboom, bij voorkeur een fijnspar of zilverspar, tot ‘heiligdom van de familie’. De boom die symbool staat voor vruchtbaarheid mag niet langer ‘Christbaum’ genoemd worden, vanwege de ongewenste verwijzing naar Christus. De spar, met in top de heilige swastika of het zonnerad, moet versierd worden met appels en noten als ‘aankondigers van nieuw leven’, en mag geen christelijke versiering bevatten als engelen of kerststerren. Kerstballen met het hakenkruis of in de vorm van het hoofd van Hitler zijn bij wet verboden vanwege de ‘bescherming van nationale symbolen, al bestaan ze wel’: “… Het idee de Führer in de boom op te hangen was voor trouwe nazi’s natuurlijk niet te verkroppen…”. Kersstalletjes worden verduitst: “… het exotische landschap van het Heilige Land moest dan plaatsmaken voor een Duits landschap en het stalletje zelf voor een bergsmidse of berghut. Mijnwerkers of kruidenvrouwtjes vervingen de drie koningen en de Heilige Familie werd verruild voor een Duits gezin. In plaats van in de kribbe lag het kerstkind in een wiegje en symboliseerde het de ‘blijvende verjonging van het Duitse volk’. Figuren van Duitse arbeiders en boeren konden worden toegevoegd als waren ze op een pelgrimstocht om het kindje te bewonderen. Kerstengelen veranderden van geslacht en werden ‘vrouwelijke lichtgestalten uit de Germaanse mythologie’…”. Moeders worden gepusht koekjes te bakken in de vorm van Keltische runen. De kerstmarkten liggen vol met ambachtelijk spul: “… Het westerse consumentisme werd beschouwd als decadent. De Amerikanen hadden het kerstfeest veranderd in een ‘luidruchtig feest met jazz en gezuip’. De kapitalistische kerstviering werd in verband gebracht met het verachte Jodendom…”. Christelijke kerstliederen worden herschreven. In het ‘Stille nacht’, houden geen engelen, maar Adolf Hitler de wacht. Joodse namen als Zion en Abraham worden uit het gezangenboek geschrapt en ‘on-Duitse’ kreten als ‘amen’ en ‘halleluja’ uitgewist. Maar de oude christelijke tradities laten zich niet zomaar verdringen. Om de overgrote meerderheid van de christelijke bevolking niet van zich te vervreemden drukken de nazi’s hun hervorming niet stringent door.

Run rabbit run
Ondertussen wordt het liedje ‘Run rabbit run’ van het duo Flanagan en Allen in Engeland een kersthit. Het zou slaan op de Duitse Luftwaffe die tijdens een aanval op vliegboten op Shetland enkel twee konijnen weet te raken. Een plaatselijke bewoner laat zich met een dood konijn op de foto zetten in een bomkrater. Het dier heeft geen schrammetje en komt in werkelijkheid dan ook van de slager. In Londen is in 1939 de kerstsfeer ver te zoeken vanwege de van hoger hand bevolen ‘black-out’, maar verder is er nog niet veel aan de hand. In 1940 zullen een miljoen Londenaren de decembermaand vanwege de ‘Blitz’, de onophoudelijke Duitse bommenregen, grotendeels ondergronds, in onder andere de metrostations doorbrengen, waar kerstfeestjes worden georganiseerd waarbij gedanst wordt op de perrons. In het door de atheïstische Sovjet-Unie bezette oostelijk deel van Polen vieren katholieke gevangenen op een andere manier ‘ondergronds’ kerst: “… Een priester sloop op kerstavond stiekem door het kamp en droeg in elke barak een mis op, terwijl iemand in de gaten hield of er geen bewakers in de buurt waren. ‘Zonder een bijbel of gedenkboek begon hij de woorden van de mis te zeggen,’ aldus Zarod, ‘het vertrouwde Latijn, uitgesproken op nauwelijks verstaanbare fluistertoon, en zo zacht beantwoord dat het wel een zucht leek (…). De woorden zweefden over ons heen, en de sfeer in de barak, die meestal zo hard en ruw was, veranderde welhaast onmerkbaar, de gezichten die naar de priester gewend waren, werden zachter en ontspanden zich terwijl de mannen moeite deden het nauwelijks verstaanbare te verstaan.’ Hun geloof hielp hen op dit speciale moment de ellende en het lijden in het kamp beter te doorstaan…”. In Auschwitz zet de SS ‘prachtig verlichte kerstbomen’ op. Bij wijze van grap ranselen ze onder een boom een paar gevangenen af. Een andere bron vermeldt dat er dode lichamen onder de kerstbomen werden gelegd: “… Oud-gevangene Karol Swietorzecki vertelde dat Lagerführer Karl Fritzsch de doden ‘een geschenk’ voor de levenden noemde en dat hij het verbood om Poolse kerstliederen te zingen…”. Er wordt een luguber ‘kerstdiner’ georganiseerd in een ondergronds mortuarium dat de kampbewakers mijden. De Joden in het getto van Warschau vieren Chanoeka als nooit tevoren: nu ze toch hutje-mutje zitten…

Black Christmas

Kerst 1941 komt de onverschrokken Winston Churchill met een zwaarbewapend slagschip aan in Amerika, om te gaan logeren bij de Roosevelts in het Witte huis. Dit keer wijkt Roosevelt van de traditie af om op kerstavond voor te lezen uit "A Christmas Carol" van Dickens, omdat de bespreking van de oorlogsstrategie op het programma staat. Na het eten wordt er nog wel gekeken naar een verfilming van Dickens "Oliver Twist". Churchill keert met nieuwe nylonkousen voor zijn vrouw huiswaarts. Eerste kerstdag geeft de Britse kolonie Hong Kong zich over aan de Japanners, die een bloedbad hebben aangericht in het als hospitaal ingerichte St. Stephen’s College: “… Personeel en patiënten werden hier met bajonetten aangevallen en gedood. Verpleegsters werden verkracht en verminkt…”. Een huiverende medische sergeant vertelt hoe hij onder een laken drie in stukjes gehakte vrouwenlichamen vond. De dag gaat de geschiedenis in als ‘Black Christmas’. Ondertussen vriezen de Duitse soldaten in Rusland zo ongeveer dood van de kou. Temperaturen van min dertig tot veertig zijn ze niet gewend. In Leningrad heerst zo’n hongersnood dat ‘blokadniki’ de behanglijm van de muren eten, huisdieren in kookpotten belanden, en sommigen zich schuldig maken aan kannibalisme of ‘lijkeneterij’. Ook Stalin tracht de christelijke kerst uit te bannen. De Ster van Bethlehem wordt vervangen door de vijfpuntige rode ster. In plaats van het kerstverhaal doet Grootvader Vorst, een figuur uit de Russische folklore zijn intrede, met twee communistische fantasiekarakters: Sneeuwmeisje en Nieuwjaarsjongen. Soms wint het goede het van het kwaad. Een Franse kunsthistorica vertelt hoe haar bewaker haar een paar detectiveverhalen geeft om de wereld om haar heen te kunnen vergeten. Kerst 1942 zitten de Duitse soldaten die nog niet zijn gecrepeerd op de boomloze Russische steppen of in het omsingelde Stalingrad, aan de radio gekluisterd, voor een speciale ‘live’ uitzending van de Grossdeutsche Rundfunk. Ze weten niet dat ze door propagandaminister Joseph Goebbels worden bedonderd bij het leven, die de hele uitzending in scène heeft gezet. Hitlers Duitsland zal niet meer herstellen van de nederlaag in Stalingrad. Het kost het Duizendjarige Rijk een half miljoen doden en krijgsgevangenen. Ondertussen hebben veel Britse kinderen de kerst van hun leven, die ze vieren met de vele gulle Canadezen en Amerikanen die zich voorbereiden op een invasie van Europa. Het is ook het jaar van Bing Crosby en zijn hit ‘White Christmas’. Volgens het Guinness Book of Records de bestverkochte single aller tijden met 50 miljoen verkochte exemplaren.

Stemmenorkest
‘Blooding December’ - Terwijl de straten van de Italiaanse stad Ortona tijdens Kerst 1943 veranderen in ‘killing zones’ passen de Canadezen de tactiek van ‘mouseholing’ toe, waarbij ze met explosieven gaten in de muren van woningen maken, zodat ze huis na huis kunnen veroveren zonder een doelwit voor sluipschutters en mitrailleurbeschietingen te worden. Ondanks de zware gevechten, waarbij ze voor een terreinwinst van 400 meter een week nodig hebben, krijgen de militairen ploeg na ploeg een kerstmaaltijd voorgeschoteld in de kerk. Inclusief orgel- en koormuziek. In Napels zijn de mensen zo arm en hongerig dat vrouwen zich prostitueren voor niet meer dan een blik cornedbeef. Veel soldaten lopen een soa op. De Amerikanen worden bedolven onder kerstpakketten van thuis. De meest rare kadootjes: ‘mooie pantoffels’ en ‘zwarte zijden sokken’. Bing Crosby komt met zijn tweede grote kerstnummer: ‘I’ll be home for Christmas’. In Duitsland worden hele steden door de RAF aan puin gebombardeerd. De spoorwegen hebben wel wat anders te doen dan kerstbomen vervoeren. De stemming is bedrukt. Veel Duitsers beginnen in de gaten te krijgen dat doorgaan met de oorlog zelfvernietiging betekent. In de Sovjet-Unie zijn de Duitse soldaten aan de terugtocht bezig en proberen enkel nog te overleven. In de telefooncentrale van het regeringscentrum van het Derde Rijk proberen drie verveelde militairen een beetje lol te trappen. Ze verbinden voor de grap de in een telefoonboek gevonden achternamen 'Heilig' en 'Abend' met elkaar waardoor een mevrouw en een meneer elkaar begroeten met het samengestelde woord ‘Heiligabend’. Terwijl ze ademloos toeluisteren, horen ze hoe uit het absurde gesprek nog een date volgt ook! Bij ‘ons’ zijn de deportaties van Joden begonnen: “… Van de circa 140.000 Joden in Nederland werden er 107.000 gedeporteerd, waarvan er slechts 5.200 levend terugkeerden…”. In een dorp in Italië preekt priester Borsotto, postuum benoemd tot Rechtvaardige onder de Naties door het Israëlische Holocaustinstituut Yad Vashem, over de Wijzen uit het Oosten, en draagt zijn kudde op net als hen de Joodse vluchtelingen in hun midden geschenken te brengen, waarmee ze in de kerstnacht worden overladen. In een Jappenkamp op Sumatra wordt bij gebrek aan instrumenten een stemmenorkest georganiseerd dat ‘wonderen’ doet: “… De vrouwen zeiden dat het hielp hun menswaardigheid te herwinnen en hun het gevoel gaf dat ze sterker waren dan de vijand. Die avond vergat iedereen de ratten en de viezigheid…”. In de jaren 80 doet een vrouwenkoor in Californië het kerstconcert op Sumatra over. Verschillende koren in de wereld hebben sindsdien het idee overgenomen.

Aan wiens kant staat U eigenlijk?
Kerst 1944: “… Judy Garlands melancholische kersthit ‘Have Yourself a Merry Christmas’ schalde uit de luidsprekers en bracht zelfs door de strijd geharde soldaten tot tranen. Misschien wel het meest populair was Glenn Millers ‘In the Mood’…”. Iconen als Marlene Dietrich, Bob Hope en Laurel en Hardy proberen de militairen moed in te pompen. De slag om de Ardennen, die bekend staat als ‘the Battle of the Bulge’, vangt aan, waarbij de Wehrmacht probeert een wig te drijven tussen de Amerikaanse troepen in het zuiden en Britse en Canadese troepen in het noorden. Hitlers ‘laatste gok’ noemt militair historicus Antony Beevor ‘de grootste en meest barbaarse veldslag van het volledige westfront’ : “… De Amerikanen betreurden in totaal 80.987 slachtoffers, waaronder 10.276 doden en 23.218 vermisten; de Britten 1.408, waaronder 200 doden; de Duitsers 98.024, waaronder 12.000 doden en meer dan 30.000 vermisten. Circa 3.000 burgers kwamen om…”. Over een gebed van de legendarische generaal Patton in een Rooms-Katholieke kerk in Luxemburg: “… Op zijn knieën voor het altaar en met boven zich een crusifix sprak hij God aan op het feit dat de afgelopen twee weken een ‘echte hel’ waren geweest voor zijn manschappen: ‘regen, sneeuw, meer regen, meer sneeuw’. ‘Aan wiens kant staat U eigenlijk?’ vroeg hij zich af. ‘Mijn leger is noch getraind, noch uitgerust voor winteroorlogvoering. En zoals U weet is dit weer beter geschikt voor Eskimo’s dan voor zuidelijke cavaleristen.’ Hij besloot zijn gebed met de mededeling dat hij niet vroeg ‘om een wonder’, het enige dat hij wilde was ‘vier dagen helder weer’…”. Dezelfde dag klaart het op…

Racisme
Het meest verbijsterende verhaal vind ik persoonlijk een fragment dat over het racisme gaat, waar de 1 miljoen Afro-Amerikanen in het Amerikaanse leger mee te maken hebben: “… Zowel door de legerleiding als door blanke soldaten werden ze gediscrimineerd. Zo verrichtte het merendeel van de donkere soldaten ondersteunende taken, bijvoorbeeld als chauffeur of kok, en verbleven ze in van blanke collega’s gescheiden legerkampen. Hun officieren waren meestal blank en vechten aan de zijde van blanke soldaten was uitgesloten. In de zuidelijke staten van de VS kon het gebeuren dat Duitse krijgsgevangenen beter behandeld werden dan hun zwarte bewakers. Maar ook in het noorden van de VS kregen ze te maken met racisme. In Detroit staakten in 1943 2.600 blanke arbeiders uit protest tegen de inzet van Afro-Amerikaanse werknemers in hun fabriek. ‘Ik zie liever dat Hitler en Hirohito de oorlog winnen dan dat ik naast een neger moet werken aan de assemblagelijn’, zo was te lezen op een protestbord…”. Er ontstaat een complete rassenrel in de stad Agana, waar blanke mariniers schieten op gekleurde collega’s. Ook op de nucleaire onderzoekslocatie Hanford Site in de staat Washington is discriminatie schering en inslag: “… Behalve dat ze verbleven in een gescheiden deel van het kamp werden ze ook tijdens de kerstperiode weg gehouden van de vieringen van blanke medewerkers. Terwijl voor blanken vanaf midden december tot de jaarwisseling onder meer variëteitenshows, sportwedstrijden, dansavonden en circusacts werden georganiseerd, waren er voor de donkere medewerkers slechts simpele activiteiten, zoals kaartspelletjes en bingo…”. Dankzij een merkwaardig onderbuikgevoel weten de Berlijners dat dit hun laatste Kerstmis is voor Duitslands doemsdag. Verbroedering tussen westerse krijgsgevangenen en hun Duitse bewakers is in deze kerstperiode geen zeldzaamheid. Met verhalen, liedjes, gedichten en tekeningen wordt een cultus van de dood gepromoot. Verering van dode soldaten krijgt een belangrijke rol in deze kersthorror. Een veel gepubliceerd gedicht is ‘Der Toten Soldaten Heimkehr’ van Thilo Scheller: “… ‘En als de kaarsjes van de boom van licht uitgebrand zijn’, luidde een gedichtregel, ‘plaatst de dode soldaat zijn met aarde bedekte hand zachtjes op elk van de hoofdjes van jonge kinderen. We zijn gestorven voor jullie, omdat we geloofden in Duitsland…”. Prenger vertelt uitgebreid over het beleg van Boedapest, waar vrij weinig over bekend is. Als de Hongaarse en Duitse soldaten zich overgeven aan het Rode Leger is de ellende voor de burgerbevolking nog lang niet voorbij, want dan gaan op hun beurt de plunderende, verkrachtende en moordende Sovjetsoldaten aan de gang. Prenger besteedt de nodige aandacht aan de Hongerwinter in Nederland, en vertelt onder andere over de kerstnachtmis in de mergelgroeve in de Sint-Pietersberg waar nu een Amerikaanse gedenkplaats is.

Vrede op aarde
Kerst 1945 wordt gevierd in vrijheid, maar ‘Ontbering dempt vreugde’ kopt een nieuwsbericht van Associated Press kernachtig. Prenger: “… Er heeft bloed gevloeid voor hoe wij tegenwoordig in het westen kerst vieren, zonder bemoeienis van de overheid, zonder tekorten en rantsoenering, zonder massale afwezigheid van naasten en zonder angst…”. Overal is het een grote puinhoop en aan alles is tekort. Prenger beschrijft hoe deze toestand over gaat in de Koude Oorlog – maar dat is weer een verhaal apart. Misschien is de mooiste kerstgeschiedenis wel een verslag waaraan president Ronald Reagan refereert op 5 mei 1985, vanwege zijn omstreden bezoek aan een Duitse oorlogsbegraafplaats, in het kader van veertig jaar vrede tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten. Omdat hun woonplaats Aken het doelwit is van geallieerde bombardementen zoeken een moeder en haar 12-jarige zoontje een veilig heenkomen in de jachthut van de vader van het gezin, midden in het bos. Aan het begin van de avond wordt er op de deur geklopt en staan er drie verdwaalde Amerikaanse soldaten op de stoep. Ze hebben al drie dagen in de kou rond gezworven. De moeder laat hen binnen en begint een haan voor ze te braden. Als er weer wordt geklopt, doet haar zoon open. Zijn haren rijzen ten berge, want nu staan er drie Duitse militairen voor de deur, die ook al de weg kwijt zijn. De vrouw laat ze binnen op voorwaarde dat ze hun wapens buiten achterlaten: ‘Het is kerstavond en er wordt niet geschoten’. De zes heren hebben een fantastische maaltijd en de wapenstilstand duurt tot de volgende ochtend. Eén Duitser is medicijnenstudent en verzorgt zelfs de wond van een Amerikaanse collega. Dan gaat ieder weer zijns weegs. Voordat ze vertrekken geeft de moeder ze hun wapens terug: ‘Wees voorzichtig jongens’, zegt ze. ‘Ik wil dat jullie op een dag weer naar jullie eigen huis kunnen terugkeren.’ De Duitsers en de Amerikanen schudden elkaar de hand en verdwijnen in tegengestelde richtingen. Zo zwart-wit is het allemaal niet: “… De Amerikaanse president verklaarde tijdens zijn speech dat van de ruim 2.000 gesneuvelde soldaten op de begraafplaats er slechts 48 gediend hadden in de SS. In collectieve schuld gaf hij aan niet te geloven. Veel slachtoffers waren volgens hem gewone, veelal jonge soldaten. ‘Hoeveel waren fanatieke volgelingen van een dictator en voerden gewillig zijn wrede bevelen uit?’ vroeg hij zijn publiek. ‘En hoeveel waren dienstplichtigen, gedwongen om in dienst te gaan gedurende de doodsstrijd van de nazi-oorlogsmachine?’ Hij vertelde dat één van de omgekomen soldaten op de begraafplaats een week voor zijn 16e verjaardag stierf. Op de begraafplaats had hij de Duitse oorlogsslachtoffers geëerd ‘als mensen die verpletterd werden door een kwaadaardige ideologie’, zei hij…”.

Uitgave: Brave New Books – 2019, 350 blz., ISBN 978 940 217 434 2, € 26,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 12 november 2019

Vrouw zoekt God – Lauren F. Winner


Ik las in de krant dat vrouwen religieuzer zijn dan mannen. Vijftig procent van de ondervraagde vrouwen geloven in een hogere macht, dan wel God – waaronder ik. Naarmate de dagen korter en de nachten langer worden, steekt bij mij altijd een gevoel van geestelijke inkeer de kop op. Ik stuitte op een prachtig boek van een gelovige Amerikaanse historica die afstudeerde aan Columbia en Cambridge University en schreef voor ‘New York Times Book Revieuw’, ‘Washington Post Book World’ en ‘Publishers Weekly’. Dat gelovigen dus per definitie sneue, domme types zijn – is bij deze weerlegd. Lauren Winner (1976) is een jonge, moderne, hoogopgeleide vrouw die haar verstand echt niet aan de wilgen heeft gehangen toen ze serieus met religie bezig ging. Integendeel, zou je kunnen concluderen. Ik ken niemand die zoveel heeft gelezen als zij. Ze groeide op in een joods-christelijk gezin en vertelt over haar spirituele weg door beide tradities. Ze doet dat aan de hand van het religieuze kalenderjaar. Ik zal hetzelfde rijtje aanhouden.

Loofhuttenfeest

Winner begint te vertellen hoe ze op een conferentie in Oxford (V.S.) haar ex ontmoet, ook een historicus. Waarschijnlijk was haar moeder blij toen het uit ging, als ze tenminste van zijn verleden op de hoogte was: “… Stevens puberteit in Boston was vol criminaliteit. Vanaf zijn twaalfde blowde hij elke dag, viel flauw door drugsgebruik, hij stal antiek en blikken voedsel uit winkels, dronk te veel whisky en reed vervolgens de auto van zijn moeder in de prak. Eens had een vriend een paar honderd dollar gekregen van de kerk om boodschappen te doen voor een uitje. Steven en hij gaven al het geld uit aan drugs en hebben vervolgens voor 400 dollar aan inkopen gestolen: ham, liters melk, zakken aardappelen enzovoorts. Ik weet niet helemaal zeker wanneer hij ophield met het overtreden van de wet – het tijdsverloop van die periode is altijd wat vaag gebleven – maar ik denk dat het tijdens zijn eerste universiteitsjaar was. Sindsdien bewandelt hij het rechte pad, sterker nog: het uiterst rechte en smalle pad. Steven rookt niet. Zit niet achter vrouwen aan. Drinkt amper alcohol. Zwemt elke dag. Eet ’s ochtends tarwekiemen in zijn havermout…”. Het eindigt ermee dat ze samen whisky gaan zitten drinken op het graf van de legendarische Faulkner, omdat dat zo hoort volgens hem. De dag daarop vraagt hij haar mee te gaan naar een dienst van een Messiasbelijdende Joodse gemeente (wat Winner eigenlijk visch noch vleesch vindt – kies wat!): “… ‘Ik vind het hier fijn omdat deze mensen allemaal buitenbeentjes zijn’, zegt hij. ‘Ze horen nergens helemaal bij – niet bij de Joden, niet bij christenen. Christen-zijn betekent er niet bij horen, Lauren, het betekent dat je niet in deze wereld past. Die episcopaalse vrienden van jou zijn geen buitenbeentjes.’…”. Vervolgens beschrijft ze hoe ze van Joods, christelijk is geworden. Er is geen sprake van een Paulus-bekering, zoals bij haar evangelische vrienden, maar er is wel een droom “… waarin Jezus mij redde van een ontvoering…”. Als ze wakker wordt weet ze zeker, “… zo zeker als ik ooit iets zeker heb geweten, dat die droom van God kwam en over Jezus ging, over dat hij levensecht was en waarachtig en zeker…”. Een paar jaar later vertelt ze tegen een presbyteriaanse predikant op de hogeschool van Columbia dat ze denkt dat ze in Jezus begint te gelovigen. In eerste instantie weet de dominee daar geen raad mee. Hij zegt dat je niet zomaar van geloof kunt veranderen en dringt erop aan met de studentenrabbijn te gaan praten: “… ‘Ik had geen idee toen je wilde afspreken, dat je over het christendom zou beginnen. Ik dacht dat je misschien uit de kast wilde komen als lesbienne.’ Dat zou, op een campus die geobsedeerd is door identiteitspolitiek, waarschijnlijk gemakkelijker geaccepteerd worden dan een Joodse studente die begint te ratelen over Jezus…”. Zijn reactie ervaart ze als een stomp in haar maag, maar de jaren erna voelen inderdaad als een echtscheiding. Ze laat haar Joodse gebedenboeken achter op de trap van een nabijgelegen sjoel, zoals vroeger een ongehuwde moeder haar pasgeboren baby op de stoep van een weeshuis. Ze koopt het “Book of Common Prayer” wat ze ervaart als het meest gewaagde wat ze ooit heeft gedaan. Ze vertelt hoe erg ze Sukkot, het Loofhuttenfeest mist, als Joodse gezinnen een loofhut bouwen, een soort kubus van spaanplaat met een dak van groene takken, een ‘schach’, waardoor je de sterrenhemel moet kunnen zien. Ze eten en drinken en slapen er soms zelfs in. Ter herinnering aan de hutjes waarin de Israëlieten tijdens de woestijnreis sliepen. Het eerste wat ze doet als ze als christen terug is in New York: naar een synagoge vliegen voor een ‘uurtje hakafot’. Het is namelijk Simchat Thora. Dan dansen de Joden uitbundig met de Thorarollen door de synagoge.

Advent

Advent is de voor christenen de tijd van wachten tot het herdenken van Christus’ geboorte met kerst. Winner vertelt hoe ze weer aanpapt met haar vriend, maar de relatie loopt wederom spaak: “… We maken ruzie over het weer, over de beste manier om over geschiedenis te schrijven, over de toon die ik aansla, over hoe je een woonkamer inricht. We weten dat we niet kunnen doen wat we zo graag willen, namelijk een gezamenlijk leven opbouwen…”. Haar ouders zijn gescheiden, maar haar baptistische moeder voedt haar twee dochters Joods op, zoals ze haar Joodse echtgenoot heeft beloofd. Winner vertelt over Poerim, het Joodse carnaval, waarin ze met haar verklede vriendinnen harstikke dronken wordt. Terwijl ze thuis amper praten over God, wordt ze als puber niet een béétje Joods, ze dompelt zich er met heel haar hebben en houden in onder. Volgens sommige wetenschappers zit religiositeit in je dna. Als ik het ‘geval’ Winner bekijk, dan geloof ik dat zeker: “… Langzaam verruilde ik de lacrossetraining en balletles en hockysticks, de ongemakkelijke afspraakjes in de bioscoop en footballwedstrijden op vrijdagavond en talloze normale tieneractiviteiten in voor meer uren, middagen en weekends in de synagoge…”. En even verder: “… Ik weet zeker dat een psycholoog zou zeggen dat ik al die veertigjarige vrouwen met wie ik optrok, zag als surrogaatmoeders. Dat ik zocht naar een thuis dat de plek kon innemen van het thuis dat mijn gescheiden ouders kapot hadden gemaakt…”. Dat zal best mee hebben gespeeld. Ze leest alles over het Jodendom wat ze te pakken kan krijgen: “… Maar het meest van al las ik over het orthodoxe jodendom. Lis Harris’ liefdevolle portret van een chassidische familie in Brooklyn kwam uit toen ik in de tweede klas van de middelbare school zat, en las ik elke maand. Ik las alle romans van Chaim Potok en stelde me voor dat ik ooit een dochter zou krijgen die ik dan Davita zou noemen, naar een van zijn vrouwelijke hoofdpersonen…”. Die boeken heb ik ook allemaal gelezen, en ik heb inderdaad een vriendin die haar dochter Davita heeft genoemd. Haar vakanties brengt ze door in Joodse studiekampen. Ze gaat enkellange rokken dragen. Ze bekeert zich officieel tot het Jodendom, dat gepaard gaat met een ondervragingsformaliteit (bechina) door drie rabbijnen (de bet din), en een onderdompeling in de mikvah (het rituele reinigingsbad), want haar moeder is niet Joods en bij de orthodoxen bepaalt alleen de moederlijke bloedlijn of je automatisch Joods bent. Dan begint ze essays te schrijven over de ‘Great Awakening’ voor het vak ‘Koloniale geschiedenis van Amerika’, raakt verslaafd aan zuidelijke romans zoals van Flannery O’Connor, en ontdekt dat de hoodpersonen daarin allemaal protestants zijn. Ze is verzot op ‘The Cloisters’, een museum in Manhattan, waar de muren vol hangen met duistere, rare, middeleeuwse kunst. Ze is gek op wandtapijten van de mythologische eenhoorns, die staan voor Jezus, iets wat de ouders van kleine meisjes die in de ban zijn van de hedendaagse eenhoornhype vast niet weten. Haar orthodox-joodse verkering van destijds maakt zich zorgen, ziet haar nieuwe bekering al van verre aankomen: “… ‘Lauren, als een jood zich had bekeerd tot het rooms-katholicisme, zou je het dan niet raar vinden als diegene dan alleen nog maar vakken volgde over het jodendom, naar het ‘Jewish Museum’ ging en wekelijks “My name is Asher Lev” las?’...”. Ze geeft hem een preek over identiteit. Zijn tegenwerping: “… ‘Maar Lauren’, zei Dov dan, ‘je groeide juist níet op met bezoekjes aan The Cloisters en luisteren naar preken van Jonathan Edwards! Dit gaat helemaal niet over het verenigen van tegenstrijdige aspecten van je identiteit.’…”. Winner vertelt waarom mensen zich bekeren. Rond 1740 bekeerden pubermeisjes zich omdat ze in de kerk dingen mochten doen die normaal niet waren toegestaan, zoals spreken voor een groep. Slaven bekeerden zich omdat ze dachten dat ze dan zouden worden vrijgelaten. Vrouwen bekeerden zich omdat een christelijke echtgenoot te verkiezen was boven een zuipende heiden. Ze denkt dat een psycholoog waarschijnlijk zal aanvoeren dat ze zelf christen werd om de relatie met haar moeder te verbeteren. Of dat ze de afwijzing van haar moeder door haar vader persoonlijk opvatte en hem dat betaald wilde zetten. Of omdat het haar niet lukte tegelijk Joods en zuiderling te zijn. Net zoals een socioloog onlangs aanvoerde dat vrouwen geloviger zijn dan mannen omdat vrouwen nu eenmaal gewend zijn aan afhankelijkheid, risco’s vermijden en compassie voelen met jan en alleman, een eigenschap die in elke godsdienst hoge ogen scoort. Winner: “… Ze erkennen weliswaar dat bekering een complex proces is, dat het over familierelaties gaat, over geografische ligging, over politiek, over psychologie en over economie. Ze zien alleen over het hoofd dat het ook over God gaat…”.

Kerst
Winner: “… Kerst is misschien wel de moeilijkste tijd van het jaar voor kerken. We zijn niet alleen immuun geworden voor het kerstverhaal, maar ook voor de jaarlijkse tirades van predikanten tegen het consumentisme. Elke creatieve poging om de kersttijd belangwekkend te maken, om Kerst terug te brengen naar de kerk, weg uit de winkelstraten en zoetige kerstmuziek op de radio, is al geprobeerd en de meeste van die pogingen zijn jammerlijk mislukt. Misschien is het probleem wel dat we de betekenis van het feest, van de komst van Jezus naar deze wereld, gewoon niet kennen. Als we dat wel wisten, zouden we ons niet meer druk maken over consumentisme; als we wisten wat de incarnatie (vleeswording) van Jezus betekende, zouden we zo vol verwondering zijn dat we al het winkelen aan ons voorbij lieten gaan…”. En even verder: “… Kerst is voor veel mensen het moment waarop ze het christelijk geloof het dichtst naderen. Maar ook is de waarheid van Kerst, het radicale geheim dat God mens wordt, juist datgene wat mensen afstoot…”. Ze vertelt over een professor die niet kan begrijpen dat een excellente student als Winner kan geloven dat er ergens in de lucht een God zit: “… ‘Je moet me een keer uitleggen hoe intelligente mensen kunnen geloven in iets wat klinkt als een Grieks-Romeinse mythe’, zegt hij. ‘Je weet wel: Zeus, Demeter, Jezus.’ Ik geef toe: het is inderdaad een beetje gek. Grootse, oneindige God, die de vorm aanneemt van een krijsende, menselijke baby. Het is wat sommige oudgedienden een schandaal noemen, het schandaal van het Evangelie. Maar het is ook precies waar het om gaat…”. Jane Vonnegut Yarmolinsky die het heeft over waarom God zich zo klein maakte: “… ‘Het hele idee van God die mens wordt en de liturgie en rituelen daaromheen, waren mij altijd een raadsel. Tot ik op een geweldige dag besefte waarom, juist omdat het zo eenvoudig is. Voor mensen met een lichaam worden belangrijke zaken, zoals liefde, uitgedrukt in een lichaam. Daar gaat het om. God moest een lichaam hebben, omdat anders de mens met zijn lichaam in geen honderdduizend jaar iets zou kunnen begrijpen van Gods liefde.’ Nooit, in geen honderdduizend jaar…”.

Epifaniëntijd

Winner: “… ‘Epifanie’ is Grieks voor ‘manifestatie’. In de kerk lezen we Bijbelgedeeltes die ons leren wie Jezus precies is…”. Winner vertelt over haar christelijke doop en zegt daar mooie dingen over, wat mij aan eindeloze discussies met vrienden doet herinneren, of je nu baby’s of volwassenen moet dopen. Wij kwamen er niet uit. Dit zegt Winner er over: “… Soms vragen mensen zich af hoe het kan dat baby’s gedoopt worden; sterker nog, uit die vraag is het baptisme ontstaan. Baptisten vinden dat je baby’s niet moet dopen. Ze zeggen dat er geen Bijbelse grondslag voor is, omdat zowel Johannes als Jezus als volwassene gedoopt werd. Hannah, die baptist is, zegt vaak dat een baby niet alles kan beloven wat een volwassene belooft bij de doop. Ik vind dat geen steekhoudend argument, het is te individualistisch. Het is namelijk zo dat geen enkele dopeling, ook geen volwassene, deze dingen zelfstandig kan beloven. De gemeente belooft het voor je, met je, namens jou. Dat is waarom ik het geweldig vind om een baby gedoopt te zien worden. Als een baby gedoopt wordt, kunnen we niet volharden in de verpletterende illusie dat een individu de weg in Christus alleen kan of moet gaan. Als een baby gedoopt wordt, worden we stilgezet bij het feit dat het een gemeenschappelijk verbond is, in relatie met de gemeenschap, en dat de beloftes door de hele gemeenschap gedaan worden…”. In feite wordt de hele gemeente een beetje voogd over de baby. Met z’n allen beloven we voor de baby te zorgen. De ouders staan er niet alleen voor (als het echt zo werkte zou jeugdzorg het vast een beetje minder druk hebben, bedacht ik). Als Winner de beloften doorneemt die ze moet beamen tijdens haar doop, zegt ze tegen de voorgangster dat die belachelijk zijn. Dat je ze onmogelijk kunt houden.‘Wie verzint er zoiets’. Het "American Book of Common Prayer" blijkt iets genuanceerder dan de Church of England. Volgens het Amerikaanse gebedenboek geef je niet zonder meer een bevestigend antwoord, maar zeg je achter je ‘ja’, ‘Dat zal ik doen, als God mij bijstaat’. Dat is wat voorzichtiger. Houdt rekening met de menselijke zwakheid. Het doet me denken aan Antoine Bodar die het had over het ideaal, en dat de gelovige probeert zich daar naar te richten. Prachtig vertelt Winner dat er in het Jodendom zoiets bestaat als het ‘Nieuwjaar van de bomen’, de verjaardag van de bomen: ‘Toe Bisjevat’. Dat zal wel iets te maken hebben met het beeld van God als boom in de kabbala. En over het verschil tussen ‘fundamentalisten’ en ‘evangelischen’: “ … Ze staan meestal wantrouwiger tegenover interreligieuze en interkerkelijke gesprekken. Fundamentalistische ouders zijn vaak strenger voor hun kinderen, als het gaat om televisiekijken of popmuziek luisteren. Verder is er het punt van de wetenschap. Niet alle fundamentalisten zien het eerste hoofdstuk van Genesis als een wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van de aarde, maar de meeste mensen die Genesis zo lezen zijn wel fundamentalistisch. En dan nog het punt van de positie van de vrouw. ‘Fundo’s’ zullen vaker het woord ‘gehoorzamen’ laten staan in de huwelijksgeloften die de vrouw uitspreekt (hoewel de evangelischen meestal ook niet uitgesproken feministisch zijn). Een van mijn hoogleraren, die het grootste deel van zijn werktijd besteedt aan het lezen en schrijven over het protestantisme in Amerika, zegt het zo, slechts half grappend: een fundamentalist is een evangelische christen die ergens boos over is…”. Over de man van een vriendin die na tien jaar huwelijk gelovig werd en bevreesd was dat ze een ‘kleingeestige, vuurspuwende, Bijbel citerende gek’ zou worden, en na een paar jaar concludeert dat ze helemaal niet zo veel veranderd is: “… Dat was ook wel zo. Lil gaf nog steeds natuurkunde, hield van ballet en van footballwedstrijden en bakte nog altijd heerlijke hartige taart. Maar de opmerking van haar man sprak ook boekdelen over hun relatie, die nog steeds hecht is, maar ook een beetje oppervlakkiger was geworden. Lils man kon niet zien, al bakte ze nog steeds hartige taart, wat het belangrijkste voor haar was – waarom ze ’s morgens uit bed kwam, hoe ze naar de wereld keek, hoe ze omging met verdriet – geheel anders was, volkomen anders…”.

Lijdenstijd
In de lijdenstijd stapt Winner met een askruisje op haar voorhoofd in de metro. Een studiegenootje wil het met een tissue wegvegen terwijl ze staan te kletsen, en begint glazig te kijken als Winner vertelt dat het daar expres zit, vanwege Aswoensdag: ‘Herinner je dat je stof bent en tot stof zult wederkeren’. Iemand anders vraagt kribbig waarom ze het in haar hoofd haalt met zoiets op haar voorhoofd eerstejaars studenten te onderwijzen in kritisch denken. In de vastentijd besluit ze zes weken niet te lezen: “… Je zou denken dat ik mijn kuisheidsgordel heb afgedaan en bij Tom Cruise ben gaan wonen…”. Winner leest namelijk overal en altijd. In haar piepkleine flatje staan drieduizend boeken: “… ‘Drieduizend boeken? Waar slaap je dan?’ vraagt hij. ‘Op boeken’, antwoord ik…”. Ik moet eerlijk zeggen dat ik blij ben dat het vasten nog niet zo is doorgedrongen in mijn kerk. Over Thomas van Aquino die schrijft: “… ‘Gebed heeft resultaat omdat het ons tot de intimi van God maakt’. Dat vind ik mooi uitgedrukt. Het roept het beeld op van God als een heks met een bezemsteel en een puntmuts en ik als een kleine zwarte kat, die Hem voor de voeten loop. Vervolgens citeerde Van Aquino Psalm 141: ‘Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan.’…”.

Stille week

Op Palmzondag gaan ze met z’n allen zingend de kerk uit om er een rondje omheen te lopen, wuivend met palmtakken. Winner maakt zich zorgen dat ze een bekende tegen zal komen maar is tegelijk “… trots op mijn maffe geloof en overtuigd dat dit hoort om (in de woorden van Paulus) ‘een dwaas te zijn voor Christus’…”. Zonder meer geschokt is ze als kinderen het passiespel opvoeren waarin ‘de Joden’ schreeuwen: ‘Kruisig Hem’. Ik ben het volkomen met haar eens dat deze beeldvorming de bron is geweest van het antisemitisme. Joden als Godsmoordenaars: “… we kunnen niet zomaar toneelstukjes opvoeren, met daarin aanklachten van godsmoord, zonder het verder uit te leggen…”. Ze houdt een cedermaaltijd bij een christelijk koppel waarbij de matse symbolisch in drie stukken wordt gebroken: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. “… We zien dat zo Jezus’ lichaam breekt aan het kruis, steeds weer, elke keer als er een eucharistie of avondmaal gevierd wordt, dag in dag uit, tot het einde der tijden. Ik bedenk; het zijn de christenen die dit doen, wij dus, niet de Joden…”. De last van onze zonden heeft Hem gedood. Ze vertelt dat de Joods-Duitse filosoof Frans Rozenzweig in “Star of Redemtion” schrijft dat Pesach gaat over het smeden van mensen tot een volk. Daarom is voor haar het avondmaal als vervangende pesachmaaltijd de kern van het geloof. Winner: “… ‘hocus pocus’ is een parodie op wat een priester zegt bij de eucharistie: ‘Hoc est corpus meum’, oftewel: ‘dit is mijn lichaam’…”. En even verder: “… De eucharistie is intiem. Toekijken is een beetje alsof je een vrijend stel begluurt…”.

Pasen

Winner: “… Mensen denken vaak dat het jodendom en het christendom radicaal verschillend zijn en dat het verschil eenduidig is – de ene godsdienst heeft een Messias die gekomen is en de andere niet. Maar op Hemelvaartsdag word ik geraakt door de diepliggende overeenkomst die onder het verschil verborgen ligt. Zowel Joden als christenen leven in een wereld die nog niet verlost is en we wachten allebei op de ultieme verlossing. Sommigen van ons wachten tot de Messias voor eens en altijd komt, anderen wachten tot Hij terugkomt…”. Ze vergelijkt het sacrament van de biecht met Jom Kippoer en heeft het over haar favoriete heilige, Beda, die in een gebed Jezus ‘de bron van alle kennis’ noemt: “… In ‘Paradiso’ zet Dante hem in de sfeer van de zon, de hemel van wijsheid, waar hij in een kring danst met Thomas van Aquino, Salomo, en negen andere wijzen…”.

Pinksteren
Pinksteren was ooit gewoon een andere naam voor Sjavoeot: een Joodse feestdag in verband met de graanoogst. In het rabbijnse tijdperk gingen de Joden deze dag gebruiken om te gedenken hoe God de Thora aan Mozes onthulde op de berg Sinaï. Winner vergelijkt dit gegeven met de uitstorting van de Heilige Geest. Bij de Joden is het de gewoonte om tijdens Sjavoeot de hele nacht op te blijven om de Thora te bestuderen: ‘leil tikkun Shavuot’. Om boete te doen voor de Joden die zich versliepen op de ochtend dat God zich op de Sinaï zou openbaren. Mozes moest het hele kamp door om iedereen te wekken. Evenzo vielen de discipelen in slaap in de hof van Getsemane, toen Jezus hen had gevraagd met Hem te waken. Winner zet een ‘pinkster leil tikkun’ op poten met vrienden. In de bibliotheek verzamelen ze alle passages die ze kunnen vinden over Pinksteren. Er zit zelfs een fragment uit een roman van Philip Roth tussen. Ze bestuderen samen wat er over de Heilige Geest is gezegd, wat mij een hele bijzondere en prachtige manier lijkt om dieper in de geloofsmaterie af te dalen: “… De Geest is wat de profeet Elia ‘de kleine stille stem’ noemt…”. En even verder: “… ‘wat God deed op de Sinaï was niet een nieuw spreken, maar juist het tot stilte manen van alle ruis die normaliter zijn goddelijke stem verhult. God is altijd aan het woord op de Sinaï. Hij sprak al lang voor de openbaring van de Thora en Hij spreekt nog altijd, als wij maar konden bedenken hoe we al het gezoem en gebrom van al het andere uit konden schakelen om te kunnen luisteren.’ ‘Misschien is dat wel de reden’, zeg ik, ‘waarom de eerste letter van het eerste woord van het eerste gebod een aleph is, een geluidloze letter. In het uitspreken van aleph deed God al het lawaai verstommen.’ Ik roer in mijn thee. ‘Misschien is dat wat de Heilige Geest doet. Hij maant alle stemmen in ons hoofd die verhinderen dat wij God horen tot stilte.’…”.

Uitgave: Kok – 2012, vertaling Martha Osborn, 320 blz., ISBN 978 904 350 169 9, €9,99 (e-book)
Rechtstreeks bestellen: klik hier