Menu

dinsdag 8 december 2020

Het kindeken Jezus in Vlaanderen – Felix Timmermans

 



Toen ik van de zomer tussen oude boeken aan het neuzen was in een kringloopwinkel, waar ik op mijn zwerftochten door het land altijd even een kijkje neem als de gelegenheid zich voordoet, stuitte ik op een gedateerde Salamanderpocket van “Het kindeken Jezus in Vlaanderen”. Wat ik het mooiste vond aan het boekje is de schitterende afbeelding van Jozef en Maria op de voorkant. Binnenin staan ook allerlei kleine illustraties. Naïef werk. Houtsneden die Felix Timmermans (1886 - 1947) zelf gemaakt schijnt te hebben. Ik bedacht dat ik er misschien met kerst wat mee kon, omdat het dan altijd weer een uitdaging is om iets origineels te lanceren. Toen ik aan het lezen sloeg, bleek de oude vertelling (1922) tot mijn grote verrassing ook nog eens ongelooflijk te boeien. Het gaat om een alternatief kerstverhaal, waarin Felix Timmermans de geboorte van Christus laat afspelen in het katholieke Vlaanderen, waar hij woonde. Het houdt een beetje het midden tussen “A Christmas Carol” van Charles Dickens en “Het kerstfeest van twee domme kindertjes” van W.G. van de Hulst. Nadat hij kantje boord had gelegen in een ziekenhuis focuste Felix Timmermans op ‘de goedheid van het leven’ (zie “Pallieter”). Hij liet zich vooral beïnvloeden door het werk van de zestiende-eeuwse schilder Pieter Breughel. Overigens: in Oost-Vlaanderen bestaan de dorpen Bethlehem, dat tegenwoordig Bellem heet, en Nazareth echt. Ik snapte ook ineens waar Dimitri Verhulst zijn inspiratie voor “De intrede van Christus in Brussel” vandaan moet hebben. 

 

Een engel op je pad

 


Als Maria, “… nog maar een maagdeken van achttien jaar…”, dromerig naar het portretje van haar overleden moeder Anna, die de monnik Lucas heeft geschilderd, zit te staren, komt een “… korte, dikke parochiepaap…” langs, die al wandelend zijn brevier leest. Of hij haar zijn zegen wil geven. Met alle genoegen natuurlijk. “… Het hoofd van de paap was groot, rood en vetblinkend tegen de avondlucht…”. Hij kijkt naar haar pronte borsten in het ‘spannende, zwaarplooiend blauwe kleed’: “… En vol bekommernisme om haar zielezuiverheid zocht hij naar woorden om haar zijn onrust diets te maken. Want hij wist maar al te wel hoe gevaarlijk de duivel zoekt en vindt, bijzonder in den maagdekenstijd. En hij zei: ‘Ge zoudt nonneken moeten worden’. ‘Ja?’ vroeg Maria verschietend. ‘Ja,’ zei de paap…”. Nou, daar heeft Maria totaal geen zin in. Dan zal ze nooit meer lekker langs de Nete kunnen lopen en de ‘patattenvuren’ ruiken in haar ‘eenvoudige, witte’ leven. Terwijl ze die zondagavond zwaar in gedachten ter kerke gaat, hoort ze ineens muziek door de takken van de bomen waaien: “… Maria zag bevreesd omhoog en toen ze weer voor zich keek, stond er daar, geweven uit avonddamp en maneschijn, een overschone engel met kersrode kazuivel om, en leliënbloemen in zijn hand. Hij was doorlicht van een hemels vuur en blonk als een kerkraam in de zon. Met zijn ruisende pauwsteertenvlerken hief hij zich boven den grond, en een bedwelmende reuk van violen en kruidnagelen walmde van hem uit…”. Hij komt haar boodschappen dat zij de moeder van de Heer zal worden.

 

Ge moet nu met Jozef trouwen

 


Op een mooie lentedag besluit Maria het geweldige nieuws aan haar nicht Elizabeth te melden. Dolgelukkig huppelt ze over de ‘Grobbedonkse heuvelen’, “…. De molens sloegen kruisen van blijdschap naar de zon…”, richting het “… witgekaleide huisje van koster Zachaar…”. Als ze daar aankomt is de eveneens zwangere Elizabeth net de was aan het ophangen. Ze vliegen elkaar ‘wenend’ om de hals. Zachaar staat het wilde stelletje vrouwen een beetje ongemakkelijk te bekijken: “… Terwijl zij voor het huis gingen, vertelde Elizabeth, hoe Zachaar in de kerk ineens stom en doof geworden was, omdat hij de woorden van een engel, die hem de eindelijke geboorte van een kind kwam melden, niet geloven kon; en dit moest zo nog duren tot de bevalling. Maria zag hem medelijdend aan, maar hij schudde zijn mager, met witte haren omkranst hoofd, als wilde hij zeggen: ‘ ’t Is niets, ’t is niets, ik heb het verdiend en ’t zal wel over gaan.' En hij liep hen voor om in den kelder een potteken bier te tappen…”. Elizabeth brengt Maria naar de kelderzolder waar ze mag logeren: “… Zij lei haar mantel af, verfriste zich en deed malse sloefkens aan haar voeten…”. Als ze samen de zaak nog eens doorpraten zegt Elizabeth ineens: “… Maria, ge moet nu met Jozef trouwen…”. Maria schrikt zich rot. Daar heeft ze nog nóóit aan gedacht. Ze is toen ze nog heel jong was uitgehuwelijkt aan de oude Jozef. Ze heeft hem één keer gezien. Een en ander beweegt haar tot tranen met tuiten. Maar de evenwichtige Elizabeth weet haar gerust te stellen. Ze hoeft niet bang te zijn voor Jozef: “…want dat hij was een heilig man, en die haar reinheid en haar maagdom zou eerbiedigen, dat hij steeds verlangde om wettig in haar bijzijn te mogen wonen, maar haar niet bezocht om geen opspraak te verwekken, en ten leste dat Maria huwen moest ter wille van haar en Jozefs eerbaarheid voor ’t aanschijn van de mensen…”. Maria komt al gauw tot bedaren: “… Weldra kriepte en sjirpte de koffiemolen, en terwijl Maria de gemaalde boontjes met kokend water begoot, sneed nicht Elizabeth de lange tarweboterhammen…”.

 

Kletsen doen ze toch

 


Ondertussen zit een eind verderop Jozef op een omgevallen boomstam “… te peinzen, altijd maar te peinzen aan hetzelfde ding, hoe het kwam dat Maria zwanger was, en wat hij nu als bruidegom moest doen; zijn handen speelden zenuwachtig met een korenaar…”. Gék wordt hij er van. Hij weet zeker dat Maria niet de persoon is om vreemd te gaan, en tóch… Een lange pastoor komt naast Jozef zitten en zegt dat hij als een ‘vuurken’ over de tong gaat, “… maar gij weet zo goed als ik, dat ze van een pink een arm kunnen maken…”. Dus hoe komt Maria zwanger. Voor de draad er mee. “… ‘Luister,’ sprak Jozef kort, ‘ik heb er geen schuld aan!’…”. Hoe dan? “… De pastoor zat daar als uit de wolken gevallen, en wist niet wat te denken…”. Hij “… liet een peerdezucht en krabde met een vinger in zijn haar…”. Uiteindelijk draagt hij Jozef op eens met Maria te gaan praten: “… Ge moogt u niet nutteloos op de tong laten rijden…”. Als Jozef het niet doet, zal hij zélf wel eens verhaal gaan halen bij Maria. Jozef ziet dat niet zitten en besluit er de volgende dag tussenuit te knijpen. Die nacht krijgt hij echter een droom, waarin een stem van ‘gevleugeld licht’ hem vertelt dat Maria zwanger is van de Heilige Geest. Hij moet niet bang zijn om haar tot vrouw te nemen. Wat volgt is een boerenbruiloft. Eerst de inzegening in de kapel: “… En och, het was er zo stil. De stilte zat naar haar eigen te luisteren. Maar toch, nu en dan, zei met een kort gekraak de ene stoel wat tegen den andere…”. Tot de deuren open vliegen, “… en, wijl het buiten nog tokkelde en vedelde…”, de bruiloftsstoet binnen komt. Zachaar speelt zich op het orgel regelrecht de hemel in. En als de dienst is afgelopen ligt de straat naar de oude uitspanning ‘De Zoeten Inval’ vol met rozen: “… Daar gingen ze de bruiloft, volgens oude manieren, met goeden sier doormaken, en reeds hong in de smoorlucht de smakelijke reuk van ajuinsoep, gestoofd konijn en andere lekkere beetjes…”.

 

De volkstelling 


Over Vlaanderen heerst een vreemde, wrede koning: Herodes. Er is weinig werk, dus verhuist Jozef met Maria naar de stad, waar ze hun intrek nemen in een ‘roversholleken’. Een “… ingezakt lemen hutteken, van onder tegen de walhelling…”, zodat Maria kan uitkijken over de bevroren Nete waar blij geluid van schaatsenrijders benevens ‘smoutebollenreuk’ vandaan komt. Dan rijden er twee in pelzen gewikkelde soldeniers onder tromgeroffel en “… de versmachtende stem van een koperen hoorn…” hun straatje in. Eén ontrolt een papier en verkondigt met schorre, bijtende stem dat alle inwoners zich op zondag 25 december moeten laten opschrijven in de gemeente waaruit het hoofd van het huisgezin vandaan komt, want Herodes wil wel eens weten hoeveel zielen zijn domein bewonen. Wie het bevel negeert “… verbeurt zijne goederen, of wordt gestraft naar den lijve…”. Jozef en Maria wordt het wit om de neus. Hoe moet dat, Maria loopt op alledag! Er zit niets anders op, ze gaan toch op pad: “... naar het kleine vlek Bethlehem…”. De weg is eindeloos, het vriest dat het kraakt, grote kladden kraaien wieken over de besneeuwde velden, “… en de luie zon, bleek als een hostie, volgde Jozef en Maria als een koppig dingen mee…”.  Ze krijgen eten van medelijdende mensen: “… ‘Ik wil het betalen,’ zei Jozef. ‘We zijn geen bedelaars.’ ‘ ’t Is om de liefde Gods,’ zei de jonge vrouw…”. Een sneeuwstorm steekt op, Maria kan niet meer, er is geen huis te zien: “… Doch plots liepen ze terecht op een enorm dikken, hogen beukeboom, die van onder, tot manshoogte was uitgehold…”. Waarschijnlijk de voormalige  ‘woonste’ van “… een vroom eremijt, te zien aan de gelovige spreuken in het hout gesneden…”. Jozef en Maria kruipen lekker warm tegen elkaar aan en brengen zo de nacht door. Hoog boven hen hangen drie vleermuizen in hun winterslaap en nog hoger roept een uil: “… En de boom, de holle boom, bromde in de wind; ’t was alsof er wondere wezens in de kruin zaten, en gilden of laag zongen als zatte vrouwlie…”.

 

Geen plaats in de herberg

 
 

De volgende dag strompelen ze weer verder, en net als Jozef beseft dat hij verdwaald is, ziet hij een molentje waar een kwiek Hollandertje hem een borreltje geeft, een ezeltje leent en hem de goede richting wijst: “… ‘Altijd recht vooruit! En dan de grote baan!’ riep het ventje hun nog toe. ‘Ge kunt niet missen. Goede reis en den Baas van hierboven met u!’…”. Bethlehem puilt uit van het volk. Het is één grote kermis. Zatlappen, bedelaars, blinden, gebrekkigen, een doedelzakspeler, sneeuwballen gooiende snaken, een dansende beer, ruziezoekers, steltlopers, janklaassenspelers, een paardjesmolen, bruine paters, meisjes van plezier, soldeniers die slechte vuile liedjes zingen. Als laatsten melden Jozef en Maria zich bij het gemeentehuis waar ze ingeschreven worden. Op zoek naar een slaapplek blijken alle herbergen en tot herberg verbouwde huizen vol te zitten. Terwijl de weeën op komen zetten, stuit het wanhopige echtpaar op een onnozel kind, dat hen over ‘bevrozen’ water naar een “… een verlaten stalleken, waar bieënkorven staan, het is er droog en er is warm hooi….”  brengt. Als de geboorte nadert gaat Jozef zenuwachtig in de donkere nacht op zoek naar water. Hij moet een eind lopen voor hij ontdekt dat hij op ijs staat. Hij stampt met zijn voet om er een gat in te krijgen. Hij kapt met zijn ‘lierenaar’ tot de splinters ijs in het rond spetteren. Het zweet lekt hem in zijn baard. Het bloed staat hem aan de oren. Tevergeefs. Tot hij een gebroken knotwilg ontwaart die hij met uiterste kracht al blazend op het ijs dondert. Eindelijk barst en scheurt het en kan Jozef zijn ‘blikken busken’ met water vullen. Als hij terugkomt zit Maria met een spartelend ‘borelingske’ in haar armen, terwijl “… de bieën in hunne korven zingen…”.

 

De herdertjes lagen bij nachte

 

Een eindje verderop hangen slaperige herders rond een vuur bij hun kudde in het veld. Een ‘bolneuzig bultenaarken’ ziet het in de verte weerlichten. Dat kan niet volgens de anderen, want de hemel staat vol sterren. Toch gelooft hij dat hij het gezien heeft. Ze kaarten rustig verder, terwijl een blinde een ‘weke klank’ aan zijn viool onttrekt. Plotseling schreeuwt een ‘zwartogig jongsken’: “… Moeder, moeder de hemel valt!...”.  De herders schrikken zich te pletter: “… Ze zagen allemaal omhoog; heel de stille hemel kwam in beroering, miljoenen sterren vielen uit de lucht, verlichtten de aarde als bij klaren dage, maar als afgesproken hield het plotseling stil; de grote beer, de botermelkweg, de reus, ze zaten nog wel op hunne plaatsen, maar in al zijn verheven glorie stond er ginder een ontzaglijk grote komeet. ‘De sterre met den steert! De sterre met den steert!’ wierd er verbaasd geroepen…”. Het is de tweede keer dat ze de ster zien. Ze vragen zich af wat het aankondigt. Oorlog? Pest? Hongersnood? Het vergaan van de wereld? Alleen de oude Bienus, die net noch met houten priemen een saaie kous stond te breien, weet het: “… Zijn stem was een gebod, hij was geleerd, want hij kon boeken lezen, en was ervaren in al de geheimen der schapen en der bieën, hij kon kruiden bezweren, kende den loop der sterren, en wist aan water, zon en manestand, het weder voor den anderen dag, soms wel voor een heel seizoen te voorspellen. Er wierd zelfs gezegd, dat hij den wind kon keren, en vele tovenaars uit de streek, die met den ‘Zwarten Ambrosius’ werkten, waren venijnig op hem, omdat hij meer kon dan zij, en kracht putte uit de woorden van God en van de engelen…”.  De ster staat boven Bethlehem. “… Ik geloof dat in Bethleëm grote dingen gebeuren…”, orakelt Bienus. “… ‘Ik zet nooit meer een voet in dat duivelsnest,’ zei het dikzaksken…”. Iedereen weet dat het er vol zit met “… slechte wijven, zatlappers, tuisers en bandieten…”. Bovendien komen er ieder jaar minder bladeren aan de bomen en wonen er toverheksen.

 

Stary, stary night 


Dan merken ze dat de ster steeds lichter wordt: “… ‘Ze geeft zoveel licht als de maan!’ doddelde een platneuzige sul die tot hiertoe niets gezegd had, ‘Zie achter mij de schaduw eens!’…”. Overal beginnen hanen te kraaien. De schapen gaan recht staan en draaien hun koppen naar het oosten. In de lucht klinkt prachtige muziek, en ineens verrijst er hoog voor hen een blinkende engel, “… met draaiende lichtkransen aller kleuren om zich henen…”, die vertelt dat de Zaligmaker is geboren. De bevende mannen zijn omhangen “… met het perelmoerig licht, dat van den engel kwam, uit zijn groengewaterde mantelplooien, uit zijn gulden haren, ’t hemelsblauwe kleed en zijn trillende vlammenvleugelen…”. Verbouwereerd zien de boertige herders hoe de hemel open gaat als een roos van blinkend engelengewemel en het vanuit heel ver in de duizelende diepte van engelenlicht een ‘mare’ opklinkt: “… Glorie aan God in den Hoge, en Vrede op de aarde aan de mensen van goeden wil…”. Kolommen van licht wandelen over de aarde. Sterren van licht maken grote cirkels, als op een schilderij van Vincent van Gogh. Als het visioen plotseling voorbij is oppert Bienus met bevende bestoppelbaarde kin: “… Laten wij seffens naar Betleëm gaan dit kindeke zoeken…”. Ze besluiten de andere herders in de heuvelen te roepen. Iemand begint “… op een koehoren te blaaskaken, en door de nachtstilte wandelde het getromp over de bergen en gaf een flauwe echo terug…”. Uit de eenzame hutten die ze voorbijgaan komen er koppen met slaapmutsen op die vragen waar de opgewonden stoet heen gaat: “… En in elke hut waar vroomheid was, schudde de vrouw haren rok om, de man schoot zijn broek aan zijn benen, en de kinderen kropen uit hunnen strooizak en vroegen om ook dit schone kindeken te mogen zien…”. Allemaal dragen ze giften van wat ze kunnen missen bij zich: “… eieren, boter, zoete lies, doeken enzovoort…”. Een vondelingetje komt met een lammetje aanzetten: om mee te spelen. Jozef weet niet wat hij ziet als er zachtjes wordt geklopt en er een hele menigte voor de schuurdeur staat. Nog meer hoogbezoek is onderweg...

 

Op de vlucht

 

Jozef en Maria gaan een kaarsje voor hun kind branden in de kathedraal van Gent, het ‘Jeruzalem van Vlaanderen’. Daar ontmoeten ze de oude profetes Anna en de heilige eremijt Simeon, die zich ook naar de kerk heeft gespoed om ‘het lichaam geworden licht’ te ontmoeten: “… ‘Vandaag! Vandaag! O blijdste dag van mijn leven!’ juichte Simeon, ‘ ’t Is zonne in mij, ’t is zonne in mij, ’t is zonne!’…”. Maar hij voorspelt ook met haperende stem dat een zwaard Maria’s hart zal doorboren, waarop ze prompt flauw valt.  Als Jozef en Maria met een piepend huifkarretje de stad uit trekken begint de sinds tijden zwijgende klok van Gent, “… Roeland, de tong, het hart van Vlaanderen…”, te galmen. “… Het Belfort beefde, Gent beefde en de mensen, als van de hand Gods geslagen, huiverden en ontroerden, voelden ’t gehamer door hun herten gaan, en staarden verbijsterd naar boven in de lucht…”. Op een prachtige februaridag komt Kruisduit, een vrolijke marskramer, langs het stalletje van Jozef en Maria, en vertelt over de drie koningen met hun duizenden soldaten die hij in Gent heeft gezien: “… Zij zijn uit de warme landen gekomen, over den Rhijn, langs Hasselt, Leuven, Mechelen, Antwerpen en Gent…”. Ze hebben Herodes naar de nieuwe koning gevraagd. Herodes heeft, in alle staten, de wijsneuzen van de stad, filosofen, kletskoppen, lettervreters en profetenbazen bijeengetrommeld. Staat er in oude papieren soms écht iets vermeld over een nieuwe koning? De schrik slaat Jozef en Maria om het hart. De marskramer heeft zijn hielen nog niet gelicht of bazuingeschal en paukengebrom vult de lucht en een leger komt als een kronkelende slang door de heuvels op hen af marcheren. De koningen Balthazaar, Gaspar en Melchior stappen van hun olifanten - dat zijn beesten met een ‘steert’ van achteren en een ‘steert’ van voren – om de Koning der Koningen te aanbidden en geschenken van goud, wierook en mirre aan te bieden. Ze zitten nog lang op een gevelde boom met Jozef en Maria en de oude marskramer te praten. Als ze eindelijk opstappen delen ze opgeruimd mee dat ze nog even langs Herodes gaan om te vertellen waar het goddelijke kind zich bevindt. Dan kan hij het een dezer dagen ook komen bezoeken en aanbidden. Jozef en Maria gaan diep bezorgd te bedde. Herodes is tot alles in staat. Diezelfde nacht nog krijgt Jozef een droom waarin een engel verschijnt die hem gebiedt te vluchten. Herodes zal hun kind zeker gaan zoeken om het te doden. Nog voor het ochtend wordt zijn ze vertrokken.

 

Warmte in kille coronatijden


In het paleis zit de nar Hobbelewitje in de leunstoel van de koning te wachten tot zijn heer de ogen opendoet: “… Door een spleetje in de saffraanzijden bedgordijnen beloerde de nar het wezen van Herodes. Zijn grote kop lag daar rood als een uitgebrande zon gezonken in witte, malse kussens; ene hand kwam boven het deksel, zij bezat puttekens van dikkigheid en glansde van juweelbezette ringen, en de buik die de dekens op en neder deinen deed, was enorm als van een zwangere vrouw die aanstonds kan bevallen. ‘Hij slaapt als een verken,’ peinsde Hobbelewitje…”. Hij moet niesen “… en alles belde en rinkelde wat aan hem was…”, waarop “… Het hoofd verroerde, een paardegekroch roffelde uit de zachte warme kussens en Herodes opende de waterbalken zijner bruine koeogen…”. Terstond probeert Hobbelewitje de koning met een grap op te vrolijken, want hij was in een vreselijk humeur ingeslapen, omdat de drie koningen nog steeds niet waren weergekeerd. Het is als een pleister plakken op een houten been: “… ‘Zwijg, bult!’ baste Herodes woest…”. Wat zou er vandaag gebeuren? Heel het hof zat “… met een ei van schrik…”. Als een hijgende boodschapper komt melden dat de drie koningen heimelijk een andere weg naar huis hebben genomen, ontploft Herodes zo’n beetje. Een geniepige minister raadt hem aan alle jongetjes onder de twee jaar in Bethlehem te doden: daar zit de verborgen koning zeker tussen. Een vreselijke pogrom barst los. Jozef en Maria krijgen het voor elkaar de Schelde over te steken en zoeken hun heil in Holland. Als de aan afzichtelijke zweren lijdende Herodes die zomer hoort dat het koninklijke kind toch nog is ontsnapt, wordt hij geveld door een epileptische aanval: “… zijn geest verdraaide lijk een omgekeerde handschoen…”. Hij sterft een afschuwelijke dood, waarna Vlaanderen herademt. Die zomer, in “… de baldadige joel van de zon, het wilde geweld van het licht…”, keert de heilige familie terug naar Nazareth. Jozefs “… ziel hong vol-gelukkig in hem als een rijpe peer…”, als hij de grond van zijn geliefde Vlaanderen betreedt. Het huisje van Maria staat nog steeds leeg op hen te wachten. Een avond in september: “… op het veld brandt een rood patattenvuur dat luie strepen smoor voor de hoge bomen weeft. Een laat vledermuisken trilt door de lucht…”.  Jozef en Maria zitten aan de avondpot: “… Terwijl een mannenstem brommend als een hommel den zegen des hemels over het eten roept, slaan de bolle handekens van een kind een houten lepel rumoerig op de tafel…”.

Wát een warmte in deze kille coronatijden…

 

Uitgave: Querido – 1964, 16e druk, Salamander 175, 160 blz., alleen nog tweedehands verkrijgbaar

Geen opmerkingen :

Een reactie posten