Menu

maandag 17 augustus 2026

De broers Karamazov – F.M. Dostojevski

 


Op alle boekenlijsten die je maar kunt bedenken, komt de laatste grote roman van de geniale Russische verteller Fjodor Dostojevski (1821–1881) voor: “De broers Karamazov” (1879/1880) – en eindelijk heb ik hem gelezen. Je moet er wel even voor gaan zitten: zijn meesterwerk beslaat bijna duizend bladzijden. Het is een misdaadroman waarin de meest uitzinnige karakters de revue passeren. Het is evengoed een familieroman waarin een liederlijke, wellustige, hebzuchtige, leugenachtige vader het leven van zijn soms bijna karikaturale zonen onmogelijk maakt. En het is ook nog een diepreligieuze c.q. filosofische klassieker, met zinderende debatten en een vleugje horror. Je kunt er maar beter een papiertje bijhouden om de namen van de personages te noteren, want het zijn er veel en ze worden ook nog steeds anders genoemd (afhankelijk van wie iemand aanspreekt en in welke situatie). Eerder recenseerde ik van Dostojevski: “De speler”, “Misdaad en straf”, “De dubbelganger” en “Witte nachten / Ondergrondse notitie”.

 

Gezinsachtergrond

Ik ga snel door de familieomstandigheden van de Karamazovs, om wat langer stil te staan bij de drie theologische discussies die voor mij de hoogtepunten van het boek vormden. Dostojevski , die zichzelf nadrukkelijk in het verhaal schrijft, vertelt dat hij het wil hebben over een achterbakse, verlopen landheer die precies dertien jaar geleden op een tragische en duistere manier aan zijn einde kwam: Fjodor Pavlovitsj. Hij heeft drie zonen: Dmitri/Mitja/Mitjenka van zijn eerste vrouw, een heetgebakerde tante die haar wellustige echtgenoot zo nodig om de oren sloeg, en Ivan/Vanja plus Aljosja/Aleksej van zijn tweede vrouw, een geestelijk kwetsbare schoonheid die aan de ‘gilziekte’ leed, dat wil zeggen: af en toe hysterische buien had. Beide echtgenotes overleden jong. De jongens werden door anderen opgevoed, omdat hun meestal dronken vader al gauw vergat dat ze bestonden, druk als hij was met ‘achter de wijven aanzitten’. Dmitri is inmiddels 28 en een heetgebakerde ex-militair annex onverbeterlijke boemelaar. Ivan is 24 en een hautaine atheïstische geleerde. Aljosja is 20 en heeft zich bij het klooster gemeld om onder de hoede van starets Zosima monnik te worden. Zijn enige verlangen is om uit de duisternis van de wereld op te stijgen naar het licht. Er zit geen greintje kwaad in die jongen – hij doet mij vooral aan Francesco denken (zie mijn vorige blog). Eigenlijk is het Grigori, de ‘eeuwige’ bediende, die het huishouden nog een beetje bij elkaar houdt: een chagrijnige, domme en halsstarrige zedenprediker. Omdat Dmitri, die geld nodig heeft, zijn deel van de erfenis opeist, en de heren Karamazov niet in staat zijn over financiën te praten zonder elkaar de hersens in te slaan, stelt Aljosja voor om dat onder het toeziend oog van de starets te doen. Iedereen stemt daarmee in.

 

Over het overwinnen van ongeloof

Tijdens het bezoek van de Karamazovs aan de starets schaamt Aljosja zich dood voor zijn vader, die geen ogenblik zijn grote waffel kan houden en zich aanstelt als een pias. Papa definieert zichzelf als ‘bijna net zoiets als een heilige idioot’: “… ik wil niet ontkennen dat er een onreine geest in me huist, eentje van een klein kaliber trouwens, een grotere had wel een andere behuizing gekozen, alleen zeker niet bij u, Pjotr Aleksandrovitsj, want u stelt ook niet veel voor…”. Uitgebreid vertelt Dostojevski over de mensen die bij de starets om raad komen vragen. Een dame bekent dat ze niet in de onsterfelijkheid (en dus ook niet in God) gelooft: “… Hoe kun je het bewijzen, hoe moet ik overtuigd raken?...”. Daar zijn door de eeuwen heen talloze antwoorden op gegeven. Te bewijzen valt er natuurlijk niets, zegt de starets, maar het is wel mogelijk om overtuigd te raken. En wel door de liefde: door te proberen de naaste actief en onvermoeibaar lief te hebben. “… Als u in de naastenliefde het stadium van de volledige zelfopoffering hebt bereikt, dan gelooft u pas echt, en dan zal er nooit meer enige twijfel uw hart binnensluipen. Dat is bewezen, dat is waar…”. Wel iets om over na te denken, en misschien zelfs uit te proberen, toch?!

 

Het eerste debat

Ondanks dat Ivan niet gelooft, schrijft hij ‘voor de grap’ artikelen over theologie. Het eerste debat gaat, naar aanleiding van een boek inzake kerkelijk recht, over de vraag of de kerk staat moet worden, of de staat kerk. Dat klinkt in deze context misschien wat abstract, maar als de kerk opgaat in de staat, zal ze zo verwateren dat er niets van haar overblijft. Wordt de staat daarentegen kerk, dan is dat zoiets als dat de paus het voor het zeggen krijgt. In feite gaat de discussie dus over de scheiding tussen staat en kerk. Dostojevski zelf zag het laatste als de grootste voorbestemming van het Russisch-Orthodoxe geloof op aarde: “… Vanuit het oosten zal die ster gaan stralen…”. Mensen als Beatrice de Graaf denken dat deze religieuze gedachte ook achter Poetins veroveringstechniek van Oekraïne zit: ‘Moskou als het Derde Rome’. Ivan gaat door met zijn stokpaardje: wanneer het geloof in de onsterfelijkheid verdwijnt, zal niet alleen de liefde opdrogen (als goddelijke opdracht), maar ook elke drijvende kracht om het leven op aarde voort te zetten. Dan zal niets meer amoreel zijn. Goede literatuur roept altijd meer vragen op dan ze beantwoordt. Heeft Ivan in ieder geval niet ‘een beetje’ gelijk? Zie de tegenwoordige ‘baarschaamte’ bijvoorbeeld. Zonder geloof is een ‘schurkachtig egoïsme’ niet alleen geoorloofd, volgens hem, maar zelfs noodzakelijk: het recht van de sterkste.

 

Is er schoonheid in Sodom?

Enfin, papa wordt er niet alleen van beschuldigd dat hij geld van zijn kinderen heeft achterovergedrukt; hij blijkt ook nog eens op dezelfde sloerie verliefd te zijn als zijn zoon Dmitri, die zijn officiële verloofde zelfs de bons wil geven – en het lijkt erop dat Ivan klaarstaat om haar in te pikken zodra ze weer vrij is. Drama, drama. Daar kan alleen maar moord en doodslag uit volgen, voorspelt een vriend van Aljosja, want een Rus die verliefd wordt, is in staat zijn vader en moeder voor zijn duifje te verkopen. Dmitri: “… ik weet nog steeds niet of ik in de stront en de schande ben beland of in het licht en de vreugde. Dat is de ellende juist, want alles op de wereld is een raadsel! …”. Even verder: “… Een hoogstaand mens begint met het ideaal van de Madonna en eindigt met het ideaal van Sodom. Wat zich aan de geest voordoet als schandalig, dat is voor het hart pure schoonheid. Is er schoonheid in Sodom? Reken maar van wel, voor de overgrote meerderheid der mensen – kende je dat geheim soms niet? …”.

 

Stinkermans

Thuis blijkt er nog een vierde jongeman rond te lopen, van wie gedacht wordt dat hij ook weleens een zoon van de oude Karamazov zou kunnen zijn. Hij blijkt het kind van een verwilderd, zwakzinnig vrouwtje dat als ‘dwaas van God’ in het hele stadje geen kwaad kon doen. Op een dag bleek ze zwanger, dus moest ze wel verkracht zijn (ze kon het niet vertellen, want ze kon niet eens praten). De meesten wisten maar één iemand te bedenken die tot zo’n schurkendaad in staat was: Fjodor Karamazov. Bij hoog en bij laag bleef hij beweren dat hij niet de vader was. Ze kreeg haar baby evenwel op zijn erf en liet daarbij het leven. Grigori en zijn vrouw namen de vondeling in huis. Ze noemden hem Pavel en leidden hem op tot kok. Later kreeg Pavel ook een achternaam: Smerdjakov (‘Stinkermans’), misschien wel juist omdat hij zich heeft ontwikkeld tot een norse fat die drie keer per dag zijn pak afborstelt en rondloopt op blinkend gepoetste schoenen. Hij doet me vooral aan Gollem (‘Sméagol’) denken. In zijn puberteit krijgt hij last van de 'vallende ziekte' (Dostojevski leed zelf aan epilepsie). Af en toe kan hij wel tien minuten ergens stil gaan staan (zie het schilderij van Kramskoj), diep in contemplatie verzonken (sommige epileptici ervaren hun aanvallen als spiritueel).

 

Hysterisch vrouwvolk

Dostojevski, die een geweldige psycholoog is, beschrijft hoe Aljosja zich door iedereen laat gebruiken als praatpaal en klaagmuur. Broertje Dmitri stuurt hem zelfs met een brief naar diens angstaanjagende, bazige, zich aan iedereen superieur wanende, steenrijke verloofde, Katarina Ivanovna, oftewel Katja. Ze gelooft zo in haar eigen deugdzaamheid dat ze het in haar hoofd heeft gehaald Dmitri te ‘redden’. Hij is niet te min voor haar. Aljosja schrikt zich te pletter als hij in haar huis ook nog eens haar rivale aantreft, Groesjenka, een echte tokkie, en meemaakt dat beide dames elkaar als duivelinnen in de haren vliegen. De voorname Katja woont bij mevrouw Chochlakova en haar dochter Lise; een hysterische puber die in een rolstoel zit en haar kalverliefde op Aljosja botviert. Ze hoeft hem maar te zien en ze krijgt oncontroleerbaar de slappe lach, zoals alleen tieners zich dat straffeloos kunnen permitteren. Dostojevski beschrijft met enorm veel humor hoe moeder en dochter met elkaar omgaan. Als Aljosja bij hen op bezoek is, zit Lise het gesprek achter een deur af te luisteren en kwettert ze allerlei commentaar door een kier. Wanneer er gepraat wordt over iets wat er staat te ‘gebeuren’: “… Met wie, met wie? riep Lise. Mama, u wilt me zeker dood hebben. Ik vraag u wat en u geeft geen antwoord…”. Op dat moment stormt het dienstmeisje binnen met de mededeling dat Katja vanwege haar liefdesperikelen, die door de achter haar rug konkelende vrouwen in haar omgeving natuurlijk watertandend worden gevolgd, over haar toeren zit te huilen in haar kamer: “ … Wat! schreeuwde Lise, ditmaal met bezorgdheid in haar stem. Mama, ik word dadelijk hysterisch, en niet zij! – Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo, heb mededogen met me. Je bent nog op een leeftijd waarop je niet alles hoeft te weten wat de volwassenen weten, ik vlieg erheen – ik zal je alles vertellen wat ik je zeggen kan. O, lieve hemel! Ik vlieg, ik vlieg… Hysterie, dat is een goed teken, Aleksej Fjodorovitsj, dat is uitmuntend, dat ze hysterisch is. Dat is precies wat ze nodig heeft. In zo’n geval ben ik altijd tegen de vrouwen, tegen al die hysterie en vrouwentranen. Julia, ga eens gauw zeggen dat ik vlieg…”. En als een tegenstrijdig vat vol ontploffend vuurwerk: “… Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo! Ach ja, jij schreeuwt niet, ik schreeuw, vergeet je lieve moeder, maar ik ben zo opgewonden, zo opgewonden, zo ontzettend opgewonden!...”. Als haar moeder eindelijk weg is, wil Aljosja de deur opendoen waarachter Lise zich verborgen houdt: “… Geen denken aan, schreeuwde Lise, geen denken aan! Praat maar door de deur heen. Waarom vinden ze u opeens zo’n engel? Dat is het enige wat ik nog wil weten. – Door een ontzettende stommiteit, Lise! Vergeef me. – Heb niet het hart zo weg te gaan! schreeuwde Lise weer…”.

 

Het tweede debat

Tegelijk loopt er een ongelooflijk sentimenteel verhaal door het boek over een jongetje dat gepest wordt en voor wie Aljosja het opneemt, zodat zijn aartsvijanden, wanneer hij doodgaat, zijn beste vriendjes zijn geworden. Dat is óók Dostojevski. Wat je verder van de Karamazovs vindt, ze blijken wel heel erg van kinderen te houden. Ivan wil God het toegangskaartje tot het leven teruggeven omdat hij niet kan aanzien hoe onschuldige kinderen lijden. Hij somt een serie door mensen veroorzaakte monsterlijke gruwelen op (Dostojevski verzamelde bizarre krantenberichten). De mens is de mens een wolf: er bestaat geen gewelddadiger wezen. Hij vertelt Aljosja tijdens het tweede grote debat het wereldberoemde — mag ik wel zeggen — verhaal van ‘De grootinquisiteur’, dat zich afspeelt “… in Spanje, in Sevilla, in de ergste tijd van de inquisitie toen er in het land dagelijks ter ere van God brandstapels vlamden en in schitterende autodafé’s de boze ketters brandden…”. Christus komt een ogenblik terug op aarde om de kathedraal te bezoeken. Het is alsof het volk Hem woordeloos herkent. De uitstraling van Zijn liefde doet de harten van de mensen ontwaken en ze antwoorden met wederliefde. Dat is in één zin de hele religie van Dostojevski. De grootinquisiteur is ‘not amused’, neemt Jezus gevangen en gooit Hem in een kerker. ’s Nachts gaat de grootinquisiteur met Hem in gesprek. Waarom loopt Hij de kerk voor de voeten? Waarom komt Hij de christenen storen? Hij heeft zelf het gezag aan de paus overgedragen, dus Hij moet niet denken dat Hij dat terugkrijgt. Voortaan heeft de clerus het voor het zeggen en dat vindt het volk alleen maar fijn, want dan hoeft het zelf niet na te denken. De mensen kunnen de vrijheid Gods helemaal niet behappen: “… zodra de mens vrij is geworden, is zijn eerste en dringendste zorg zo gauw mogelijk iets vinden waarvoor hij kan knielen…”. En het liefst allemaal samen. Daarom bestrijden ze elkaar te vuur en te zwaard. Als de goden uit de wereld zijn verdwenen, zullen ze voor idolen vallen. Verander stenen in brood en de hele mensheid rent achter je aan. Tegelijk moet je zijn geweten sussen, want hij wil ergens vóór leven. Zie de hedendaagse zingevingscrisis, zou ik zeggen. “… Jij verlangde de vrije liefde van de mens, dat hij jou uit vrije wil volgde, door jou betoverd, in jouw ban…”. Volgens de grootinquisiteur zijn er drie voor de mens onweerstaanbare krachten die Jezus willens en wetens heeft verworpen: het wonder, het mysterie en de autoriteit. Tijdens de verzoeking in de woestijn had Hij van het dak van de tempel moeten springen om zich door engelen op te laten vangen. De mens zoekt niet zozeer God als wel wonderen, aldus de grootinquisiteur. Jezus wees alle koninkrijken van de aarde af, maar de kerk niet: “… wij hebben Rome van hem (de duivel) aangenomen en het zwaard van de Caesar en hebben onszelf tot koningen der aarde verklaard, tot de enige koningen, hoewel er tot op heden nog steeds niet in zijn geslaagd ons werk te voltooien…”. De behoefte om de hele wereld te verenigen is de derde en laatste kwelling van de mensen, zegt de grootinquisiteur. Utopia: “… Altijd heeft de mensheid in haar geheel gestreefd naar een de gehele wereldomspannende orde…”. Zie de huidige globaliseringsgedachte. Als de grootinquisiteur uitgepraat is en wacht op het antwoord van Jezus, loopt deze naar hem toe en kust hem “… op diens bloedeloze negentigjarige lippen…”.

 

Over het individualisme

Voordat de starets overlijdt, houdt hij Aljosja en zijn medebroeders voor dat het paradijs verborgen ligt in hun hart. Diep het op en leef het uit, adviseert hij. “… Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf niet ook echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken…”. Het paradijs zal komen, maar eerst moeten we nog door een periode van ‘vereenzaming’ heen, profeteert de starets: “… een ieder streeft er nu naar zijn persoon zoveel mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot…”. Maar uiteindelijk komt alles goed: “… het zal zo geschieden dat zelfs onze meest verdorven rijkaard zich uiteindelijk tegenover de armen voor zijn rijkdom zal schamen, en als de arme die nederigheid ziet, zal hij hem begrijpen en hem zijn rijkdom gunnen, en hij zal met vriendelijkheid antwoorden op de terechte schaamte van de ander…”. De oplossing is ‘liefde’. Altijd ‘nog meer liefde’.

 

De verschrikkelijke kracht van de liefde

Het mysterie van de liefde kan ontsloten worden door te beginnen met een heel klein dingetje lief te hebben en dat elke dag uit te breiden, tot je tenslotte de hele wereld liefhebt met een totale, wereldwijde, alomvattende liefde. De starets begrijpt heel goed dat de soms onbeschrijflijke zonden van de mensheid je woest kunnen maken. Maar je hebt een keus: tussen geweld en liefde. Neem een weloverwogen besluit, zegt hij. Neem je voor altijd voor ‘nederige liefde’ te gaan: “… Nederigheid en liefde vormen een verschrikkelijke kracht, de sterkste van allemaal, die zijn gelijke niet kent…”. De monniken moeten hun licht laten schijnen. Een ander had zijn schurkenstreek wellicht niet gepleegd als hij jouw licht had gezien. Wij zijn verantwoordelijk voor elkaar en voor elkaars zonden. Ook degenen die het christendom verwerpen zijn tot op de huidige dag niet in staat gebleken om een hoger beeld van de mens en zijn waardigheid te scheppen dan het beeld dat van oudsher door Christus is gegeven, aldus de starets. Hem moeten we navolgen. Je kunt geen rechtvaardige wereld scheppen en tegelijk Christus verwerpen. Het zal uitlopen op een bloedbad, waarschuwt hij: “… want bloed roept bloed op, en allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen…”. Tevens moeten wij God om ‘vrolijkheid’ vragen, aldus de starets: “… Kus de grond, heb onvermoeibaar, onverzadigbaar lief, heb allen lief, heb alles lief, zoek die vervoering en verrukking…”. De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat.

 

Extase

Direct na deze voorgaande ernstige preek maakt Dostojevski alles weer een beetje belachelijk door te beschrijven hoe het lijk van de dode starets begint te stinken. Volgens de gelovigen kan dat helemaal niet, want heiligen zijn niet aan bederf onderhevig. De ongelovigen verheugen zich, en sommige gelovigen zelfs nog meer, want “… de mensen houden van de val eens rechtschapene en van zijn ongenade…” (wijlen de starets). In het begin durft niemand er iets over te zeggen, maar uiteindelijk is de geur niet meer te harden. Zelfs Aljosja is in de war. Die nacht loopt hij naar buiten en valt hij in extase op de aarde, als in een omhelzing: “… hij huilde in zijn vervoering zelfs om de sterren die vanuit het uitspansel naar hem straalden…”. Het is alsof de draden van al die talloze werelden Gods tegelijk in zijn ziel samenkomen. Hij lijkt een soort Paulus-ervaring te ondergaan. Zijn ziel beeft bij de aanraking met die andere dimensies. “… Als een zwakke jongeling was hij ter aarde gevallen, als een voor de rest van zijn leven onverzettelijk strijder stond hij op…”. Even verder: “… ‘Toen is mijn ziel door iemand bezocht’, zei hij later, vast overtuigd van zijn eigen woorden…”. Drie dagen later verlaat hij het klooster voorgoed, “… wat in overeenstemming was met de woorden van wijlen de starets, die hem had opgedragen ‘in de wereld te verkeren’…”.

 

Moordverdachte

Op een nacht wordt Fjodor Pavlovitsj morsdood vanwege een gespleten schedel aangetroffen in zijn kamer. Op de grond liggen een verdwaalde roze strik en een opengescheurde, lege envelop waar drieduizend roebel in gezeten moet hebben, gericht aan zijn ‘kuikentje’ Groesjenka. Wie, o wie, is de moordenaar? In eerste instantie krijgt Dmitri de schuld, want hij is diezelfde nacht over de schutting van zijn ouderlijk huis geklommen, met een koperen stamper waarmee hij de bediende Grigori bewusteloos heeft geslagen, nadat die hem bij zijn actie betrapte. Bovendien is hij daarna door ettelijke personen gezien, onder het bloed en met een pakket geldflappen in zijn hand. Daarnaast heeft hij de week ervoor tegen iedereen die het maar horen wilde verkondigd dat hij zijn vader ging vermoorden. Dmitri wordt opgepakt en belandt in de gevangenis om zijn rechtszaak af te wachten.

 

De dubbelganger

Er zijn heel veel commentaren over “De gebroeders Karamazov” geschreven. Een van de mooiste vind ik die van de filosofen K.J. Popma en H.E.S. Woldring uit 1979: “Monniken en moordenaars”. Zij gebruiken het dubbelgangersmotief om Dostojevski’s mensbeeld te begrijpen: de mens die in zijn dubbelganger zichzelf ontmoet en tegelijk een figuur die zijn identiteit bedreigt en vernietigt. In de mens huist zowel de hemel als de hel, leeft een witte en een zwarte wolf. Wie geef je te eten? (Zie ook Jung en zijn visie op de ‘schaduw’, of Prediker 7:20) Als je erop gaat letten, zie je inderdaad hoe het wemelt van de in zichzelf verdeelde personages. Zelfs Aljosja’s vriendinnetje Lise zit op zeker moment ‘bleekgeel’ en compleet gestoord in haar rolstoel wanneer hij haar opzoekt. Ze wil dat iemand haar ‘kwelt’. Ze wil kwaad doen. Ze heeft zin om het huis in brand te steken. Ze wil een echtgenoot die ze haar leven lang met de zweep kan geven. Ze leest slechte boeken. Ze vindt het prachtig dat Dmitri zijn vader heeft vermoord. Ze haat iedereen. Ze wil zichzelf vernietigen. Ze droomt van duivels: “… ontzettend grappig, doodeng…”. Ze heeft erg genoten van een verhaal over een gemartelde Joodse kleuter. Ze heeft een brief aan Ivan geschreven die Aljosja vlug-vlug naar zijn broer moet brengen. Als Aljosja vertrekt en je net denkt dat hij met een wel héél aanstellerig wicht van doen heeft, beschrijft Dostojevski doodgemoedereerd hoe Lise de klink van de deur weer opent, haar vinger in de spleet stopt en de deur zo hard mogelijk dicht knalt. Vervolgens gaat ze aandachtig zitten kijken naar het bloed dat van onder haar nagel drupt, terwijl ze met trillende lippen heel snel fluistert: “… gemeen kreng, gemeen, gemeen, gemeen kreng!…”

 

Schuldvraag

Dmitri blijft ondertussen volhouden dat hij de moord niet heeft gepleegd, maar er desondanks voor wil boeten, omdat hij het wél gedaan had kunnen hebben. Smerdjakov, die op het moment suprême in bed lag vanwege een epileptische aanval, en Ivan, die onverwachts blijkt te zijn teruggekeerd van een reis naar Moskou, zijn net zo goed verdachten. Het is mij een raadsel waarom criticus Karel van het Reve schrijft dat de lezer, wanneer het boek uit is, nog steeds niet weet wie het gedaan heeft: “… Dus net omgekeerd als bij ‘Misdaad en straf’: daar weet de lezer juist van het begin af aan wie de dader is…”. Als Ivan op een zeker moment verhaal gaat halen bij Smerdjakov, bekent die namelijk onomwonden dat hij de dader is en haalt hij ook nog eens het gejatte geld uit zijn kous. Zijn toeval was fake. Goed, Smerdjakov is dan misschien een krankzinnig en volkomen onbetrouwbaar figuur, maar dat gaat voor bijna alle personages op, gevangen als ze zijn in zichzelf. Het is iets anders dat Smerdjakov niet wordt veroordeeld, omdat hij, voordat het zover is, zelfmoord pleegt. Het is ook iets anders dat Smerdjakov Ivan ervan beschuldigt dat hij alleen maar op diens initiatief heeft gehandeld. Ivan maakte hem wijs dat alles geoorloofd is omdat God niet bestaat. Ivan gaf hem de opdracht en ging er zelf vandoor. Dostojevski maakt de moord feitelijk steeds duidelijker, terwijl hij de schuldvraag steeds onduidelijker maakt. Als geen ander laat hij zien dat de juridische waarheid en de morele waarheid niet noodzakelijk hetzelfde zijn.

 

Het derde debat

De derde grote discussie speelt zich af tussen Ivan en de duivel. Hij zit als een gentleman à retour thuis op hem te wachten. De dubbelganger bij uitstek: “… Nog geen moment houd ik je voor de realiteit, schreeuwde Ivan opeens, razend van woede. Jij bent een leugen, jij bent mijn ziekte, jij bent een spook. Ik weet alleen niet hoe ik je moet uitdrijven en ik denk dat ik je enige tijd moet verdragen. Jij bent een hallucinatie van me. Jij bent de belichaming van mijzelf, maar dan van slechts één kant van me… van het slechtste en domste uit mijn gedachten en gevoelens. Van die kant zou je zelfs nog interessant voor me kunnen zijn, als ik wat meer tijd had om me in je te verdiepen…”. Even verder: “… Door jou uit te schelden, scheld ik mezelf uit! lachte Ivan weer. Jij bent mij, mijzelf, alleen met een ander smoelwerk…”. De duivel over zichzelf: “… In God geloven, zeg ik, ja, dat is reactionair in onze tijd, maar ik ben de duivel, daar kun je rustig in geloven…”. Hij voelt zich nergens verantwoordelijk voor; hij heeft de wereld niet geschapen. Evenals Arnold Grunberg in “Mogen we nog een beetje leven?” legt hij uit dat de wereld zou stilstaan zonder ‘problemen’ – die sommigen dan ook typeren als ‘uitdagingen’ (Grunberg heeft dat idee dus zeker niet van zichzelf): “… Als alles op aarde koek en ei is, dan zou er niets meer gebeuren…”. De duivel schept op bevel wanorde. Jawel. Het is pas een tragedie dat de mensen die hele komedie serieus nemen, al zijn ze nog zo slim. Voor Ivan bestaat alleen het verstand: daarom is hij altijd boos. De duivel weet ook niet of God bestaat dan wel alleen maar een consequente ontwikkeling van het ‘ik’ is. De sjofele duivel vindt de moderne straffen die in het kader van de ‘gewetenswroeging’ staan maar niks. De gewetenlozen hebben natuurlijk helemaal geen wroeging. Het ouderwetse vuur (van de hel) is volgens hem veel beter. Zodra de mensheid God verloochent, voorspelt de duivel, zullen de mensen zich verenigen om alles uit het leven te halen wat het kan geven, maar uitsluitend voor het geluk en de vreugde in déze wereld. De mens zal zich zélf God wanen (zie "Het lege ik" van Jeffrey Satinover): “… De mens zal zichzelf verheffen tot een staat van goddelijke, titanische trots en de mensgod zal verschijnen. Door zijn voortdurende en grenzeloze overwinningen op de natuur, dankzij zijn wilskracht en de wetenschap, zal de mens voortdurend een genot ervaren dat zo groot is dat het alle vroegere verlangens naar hemelse extase zal vervangen…” (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley).

 

De rechtzaak

Met verve en ongelooflijke humor beschrijft Dostojevski het spektakel van de rechtszaak waar “… heel Rusland over spreekt …”. Mensen komen er van heinde en verre op af. Bijna alle ondervraagden raken zo’n beetje buiten zinnen. “… Het was een rijk schouwspel …”, concludeert Dostojevski droogjes. De openbaar aanklager zet alles wat er is gebeurd in een ellenlang betoog nog eens op een rijtje en geeft er zo’n meeslepende psychologische draai aan dat het wel lijkt alsof Dmitri de dader móét zijn. De lezer weet dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Dmitri’s advocaat maakt dan ook gehakt van zijn verhaal. Hoe het afloopt, moet je zelf maar lezen.

 

Uitgave: Van Oorschot – 2020, vertaling Arthur Langeveld, 966 blz.; ISBN 978 902 822 009 6, € 39,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten