Menu

dinsdag 14 november 2023

Mijn naam is Asjer Lev – Chaim Potok

 


Heschel schrijft in “In het licht van Zijn aangezicht”, zie mijn vorige blog, dat niets de Joodse godsdienst zo vreemd is als het vereren van beelden. Dit is het grote thema in de onwaarschijnlijk mooie, warme kunstenaarsroman van Chaim Potok (1929 -2002) : “Mijn naam is Asjer Lev”. Asjer Lev groeit op in een besloten gemeenschap van orthodoxe Joden in Brooklyn (New York). Al heel vroeg blijkt zijn welhaast bezeten tekentalent. Gaat het om een geschenk van de Ribounou sjel ‘oulom (Meester van het Heelal, Heer van de wereld) of komt zijn gave van de sitra achra (lett.: Gene Zijde, satan, de verleiding, het boze, het slechte)? Eerder besprak ik van Potok “Het boek van het licht”.

 

Gebeten hond

Eigenlijk is “Mijn naam is Asjer Lev”  een verweerschrift tegen de roddels en leugens die over de beruchte en legendarische kunstenaar van het blijkbaar aanstootgevende werk de ‘Kruisiging van Brooklyn’ de ronde doen. Van alle kanten is hij de gebeten hond: “… Ik ben een orthodoxe jood. Ja, natuurlijk, orthodoxe joden schilderen geen kruisigingen. Orthodoxe joden schilderen trouwens helemaal niet – niet op de wijze waarop ik dat doe. Men heeft mythen verzonnen: ik zou een verrader zijn, een afvallige, iemand die zijn eigen nest bevuilt en schande brengt over zijn familie, zijn vrienden, zijn volk; en tegelijkertijd ben ik iemand die de spot drijft met denkbeelden die christenen heilig zijn, die blasfemisch zit te knoeien met vormen en tradities die door de niet-joden al tweeduizend jaar lang vereerd worden…”. Hij is niet van plan zich te verontschuldigen. Hij wil zich ‘ontmythologiseren’. Zichzelf uitleggen. Het ‘mysterie’ van zijn gave uit de doeken doen.

 

De wereld heel maken

Hij  heeft geen idee wanneer hij zich voor het eerst bewust werd van zijn talent: “… Maar ik weet nog wel hoe ik, vier jaar oud, mijn potlood stevig in mijn vuist hield zoals een kind dat doet en de wereld om me heen begon over te brengen op stukjes papier, in de ruimte voor de kantlijn van boeken, op lege stukken muur…”. Zijn geleerde vader vindt dat Asjer wel heel veel tijd verdoet met diens ‘dwaasheid’: “… Hij stond onverschillig tegenover mijn tekenen; hij dacht dat het iets was dat kinderen deden als ze klein waren en waar ze later weer overheen groeiden…”. Zijn moeder staat er heel anders in. Asjer is een eenzaam, overgevoelig jongetje, dat innerlijk totaal van streek raakt als ze in een psychotische depressie belandt. De oorzaak is de dood van haar geliefde broer die op zevenentwintigjarige leeftijd omkomt bij een verkeersongeluk. Hij tekent als in trance, ziet pas later wat hij gemaakt heeft: “… Er lag een tekening voor me vol zwarte en rode strepen en grijze ogen en dode vogels…”. Even verder: “… Ik ging op mijn bed zitten en staarde naar de tekening. Toen voelde ik me wegzinken in een verschrikkelijke nachtzwarte angst, zoals ik nog nooit gevoeld had…”. Zijn moeder draagt hem op de wereld ‘mooi’ te maken. Maar Asjer haat de wereld: “… ‘Je mag niet haten, dat mag niet,’ fluisterde mijn moeder. ‘Je moet proberen om de wereld heel te maken.’…”. Hij wil het licht én het donker tekenen: “… Ik zou de hele wereld verdelen in licht en donker, en leven brengen in alles, in de hele wijde, vermoeide wereld. Dit leek me niet onmogelijk om te doen…”. Zijn oom noemt hem ‘een kleine Chagall’. Direct verbetert de eigenzinnige Asjer zijn opmerking: “… Mijn naam is Asjer Lev…”. Zijn hele leven zal hij vechten om te zijn wie hij is.

 

IJs en duisternis

Met de sigarettenas van zijn moeder brengt hij tot ontsteltenis van zijn vader grijze arceringen aan op een portret van haar. Doet de as de laatste denken aan pogroms? Laconiek vertelt Asjer dat hij ook wel eens zand gebruikt. Zijn vader werkt voor de Rebbe van de Chassidische Ladover beweging. Hij smokkelt Joden uit Rusland die worden vervolgd door de communisten omdat ze hun ‘Jiddisjkeit’ willen handhaven: “… Ze doden mensen zoals je muggen doodslaat…”. Met één van hen maakt Asjer kennis: de schichtig om zich heen kijkende Joedel Krinsky. Zijn hele gezin is omgekomen. Hij zat elf jaar in Siberië. Een land van ijs en duisternis, volgens de huishoudster, waar de Sovjets mensen naar toe sturen die ze haten. Een land als ‘de binnenkant van een ijskast’: “… Twee neven van mij zaten in Siberië. Een van hen stierf; de ander kwam terug maar wist zijn eigen naam niet meer…”. Asjer voelt zich enorm tot Joedel Krinsky aangetrokken: “… Ik ging weer op bed liggen met mijn ogen dicht. Nu was er ijs en duisternis binnenin me. Ik voelde de donkere kou langzaam door me heen trekken. Toen kreeg ik het gevoel dat we broers waren, hij en ik, dat we beiden een land van ijs en duisternis kenden. Het zijne lag in het verleden, het mijne in het heden…”.

 

Geestelijk laboratorium

Asjers moeder knapt pas weer op als ze als één van de zeer weinige vrouwen toestemming krijgt van de rebbe om aan de universiteit van Brooklyn te studeren. Geschiedenis en Ruslandkunde. Net als haar overleden broer, met wie ze in gedachten lijkt te praten. “… Vaak kwam de keuken me helemaal niet meer als keuken voor, alsof de kasten de planken van een bibliotheek waren, de borden boeken, het buffet een rek met kranten en tijdschriften, het aanrecht een leestafel, alsof de hele ruimte een geestelijk laboratorium was geworden…”. Asjers vader hervat zijn reizen zoals voor de ziekte van zijn moeder: hij is er niet voor gemaakt om stil te zitten. In alle wereldsteden sticht hij Ladover scholen om ‘een gaatje te maken waardoor God de wereld binnen kan komen’. Asjer zelf gaat ook naar een jesjiwe en besluit volwassen te worden door zijn talent te begraven. Hij leert niet. De enige plek waar hij zich fijn voelt is de kantoorboekhandel waar Joedel Krinsky een baantje heeft. Hij vraagt Krinsky het hemd van het lijf over Stalin, 'het monster dat tientallen miljoenen mensen heeft vermoord'. De winkel ruikt naar papier, potlood en krijt.

 

Wenen is een stad die Joden haat

Frustratie over het feit dat zijn vader misschien een baan in Wenen krijgt, maakt dat Asjer in de klas tijdens een  godsdienstles onbewust zijn schrift onder kalkt: “... Ik had Stalin getekend, dood in zijn kist…”. Eén ding staat als een paal boven water: hij wil niet naar Wenen. Alleen al het woord Wenen brengt hem in paniek. “… Deze naam riep allerlei verwrongen woorden op en spottend gelach en wijzen naar mijn ‘peijes’ en mijn keppeltje…”. Wenen is een stad die Joden haat. s’ Nachts wordt hij gekweld door dromen over zijn ‘mytische voorvader’, die tijdens een Pesach werd doodgeslagen door een dronken boer. Iemand van Gene Zijde,  “… geweldig groot, als een berg, in zijn zwarte kaftan en met zijn bontmuts op. Stampend baande hij zich een weg tussen de bomen door van het landgoed van zijn Russische meester; de aarde schudde, de bergen beefden en zijn stem klonk als het rollen van de donder…”. Meestal is hij woedend, treedt hij op als een innerlijke scherprechter wanneer Asjer verscheurd wordt tussen zichzelf en de eisen van zijn omgeving. Vele keren staat Asjer door de horizontale spleten van de jaloezie naar de straat waar ze wonen te staren. In zijn fantasie ziet hij er de rebbe langzaam voorbij wandelen. Zijn moeder staat minstens zo vaak voor hetzelfde raam te broeden, terwijl ze met haar hand tegen de middenpost leunt. Een scene die ooit zal uitmonden in het ophefmakende schilderij dat ieders leven op zijn kop zet.

 

Kijken met een ander paar ogen

Tot zijn vaders grote schrik triggeren Asjers problemen zijn onbeheersbare talent en gaat hij weer ‘de artiest uithangen’: “… Als het een gave is van Gene Zijde, dan is het dwaasheid, een gevaarlijke dwaasheid die je af zal doen dwalen van de Tora en je volk, en die zal zorgen dat je alleen maar aan jezelf denkt…”. Ongelooflijk mooi beschrijft Potok hoe Asjer zich steeds verder ontwikkelt: “… Dat was de avond dat ik me begon te realiseren dat er iets vreemds was met mijn ogen. Ik keek naar mijn vader en zag lijnen en vlakken die ik nooit eerder gezien had. Ik was in staat om met mijn ogen te voelen. Ik voelde hoe mijn ogen langs de lijnen om zijn ogen gleden, en over de diepe rimpels op zijn voorhoofd…”. Even verder: “… Ik kon de lijnen voelen, de vlakken en de punten. Ik kon weefsels en kleuren voelen…”. Het overweldigt hem: “… Ik voelde dat ik werd overspoeld door de vormen en structuren van de wereld om me heen. Ik sloot mijn ogen. Maar ook met dichte ogen kon ik nog steeds op die manier kijken. Ik zag met een ander paar ogen, waarover ik plotseling de beschikking had. Ik zat doodstil op mijn stoel en was bang…”.

 

Goed voor de ziel

Als hij stapels brandende boeken en huizen begint te tekenen en tenslotte zelfs het Ladover hoofdkantoor dat in de fik staat, neemt zijn ongeruste moeder hem mee naar een arts. Hij krijgt het advies een middag door te brengen in een mooi museum: goed voor de ziel! Wanneer Asjer in trance het gezicht van de rebbe op een hele enge manier in een ‘Choemasj’  (Joodse Bijbel) tekent, zijn de rapen gaar. Zonder dat hij het zich herinnert, heeft hij de naam van God ontwijd. Hij moet op het matje komen bij de godsdienstleraar die geen raad met hem weet. Alles wat er wordt gezegd lijkt langs Asjer heen te gaan. Huilend en trillend en schokkend zit hij op zijn stoeltje. Het enige wat hij uit kan brengen is dat hij niet ‘verbannen’ wil worden. Hij wordt gepest. Hij jat tubes olieverf uit de winkel van Joedel Krinsky die hij later weer stiekem terugbrengt omdat hij er niet mee kan schilderen. Hij komt uren te laat thuis omdat hij als een ‘wandelende Jood’ zijn onrust eruit beent. Hij bezoekt in zijn eentje een museum waar hij vooral onder de indruk is van het zonlicht van Hopper. Dat begrijp ik, want als er iemand de moderne ‘vervreemding’ heeft geschilderd, is het Hopper wel.  Op de wanhopige vraag van Asjer aan zijn moeder waarom er niemand naar hem luistert: “… ‘Iedereen luistert naar je,’ zei ze. ‘Er zou geen probleem zijn als niemand naar je luisterde, Asjer.’…”. Kortom: iedereen wordt gek van hem. Tenslotte hakt de rebbe de knoop door: zijn vader vertrekt alleen naar Wenen. Zijn moeder zal  in New York blijven om voor haar koppige zoon te zorgen. Het doet me denken aan rabbijn Jonathan Sacks die beschreef hoe belangrijk kinderen in de Joodse wereld zijn.

 

Die man

Allebei missen ze Asjers vader. Beiden zijn doodongelukkig. Toch kan Asjer het niet opbrengen om voor Wenen te kiezen. Zijn moeder neemt hem mee naar een museum waar hij kennis maakt met abstracte kunst, overdonderende kruisigingen en beschamende naakten. Ze koopt zelfs verf voor hem. Zijn vader krijgt een rolberoerte als hij bij thuiskomst de schetsen van blote vrouwen en Jezus ziet: “… Mijn tekeningen hadden iets fundamenteels in zijn wezen aangetast. Hij bleef maar doorgaan over mijn tekeningen van ‘die man’. Hij wilde de naam niet uitspreken. Wist ik dan niet hoeveel joden er in de naam van die man gedood waren tijdens de kruistochten? Kende ik de reden soms niet waarom Hitler zes miljoen joden had kunnen afslachten zonder al te veel protesten uit de rest van de wereld? Omdat de wereld tweeduizend jaar lang was voorgehouden dat het de joden ware geweest en niet de Romeinen, die deze man hadden gedood…”. Even verder: “… Hij praatte niet meer tegen me, hij schreeuwde…”. Asjer wordt de oorzaak van ontelbare ruzies: “… Mijn vader beschouwde me als een slechte zoon…”.

 

Kindermoord

De rebbe is een bijzonder intelligente man en reageert totaal anders. Hij vraagt Jacob Kahn, geen religieuze Jood maar wel een bewonderaar van hem, een oogje op Asjer te houden. Eén van de grootste levende kunstenaars. Kahn neemt de dertienjarige Asjer onder zijn hoede, waarschuwt hem dat hij de wereld van de gojiem binnen zal treden, en geeft hem als eerste opdracht de ‘Guernica’ van Picasso te bestuderen. Daarna het verhaal over de slachtpartij van Herodus onder de kinderen van Bethlehem, in - jawel - het Nieuwe Testament te lezen, en de kindermoorden van Guido Reni en Nicolas Poussin te analyseren. Mijn hart kneep zich samen toen ik ze zelf bekeek. We zijn tweeduizend jaar verder en het gaat er nog steeds zo aan toe. Asjer voelt zich ‘onrein’. “… Maar die schuldgevoelens mogen je kunst niet dwars zitten. Gebruik ze om betere kunst te maken…”. Hij leest in een boek met de titel “The Art Spirit” dat een kunstenaar zich moet ‘bevrijden’ van zijn familie, zijn vaderland, zijn ras. Een kunstenaar is alleen verantwoording schuldig tegenover zichzelf en jegens de waarheid zoals hij denkt dat die is, anders wordt zijn werk ‘propaganda’, volgens Kahn. Zie het discutabele van de ‘christelijke’ boekenbranche.“… Dit is een traditie. Het is zelfs een religie, Asjer Lev. Je treedt toe tot een geloof dat schilderen heet. Een geloof met al zijn fanatici en rebellen. En ik zal je dwingen om het onder de knie te krijgen…”. Even verder: “… Alleen hij die zich een traditie meester heeft gemaakt, heeft het recht om iets aan de traditie toe te voegen of om ertegen in opstand te komen…”.

 

Sentimenteel

De schijnwerper valt op allerlei beroemde namen uit de kunstgeschiedenis: Gauguin, Matisse, Vlaminck, Braque, Giotto, Giacometti, Renoir, Monet, Mondriaan, Cézanne, Van Gogh, Martin, Kandinsky, Hofmann, Brancusi. Duchamp en zijn ‘spottende kunst’. Asjer is te religieus om een abstract expressionist te zijn, volgens Kahn. Te verstandelijk. Dat is zijn Ladover achtergrond. De Joodse kunstenaars Modigliani, Pascin en Soutine komen voorbij: “… Soutine werd ontzettend geslagen toen hij jong was…”. Asjer wordt voorgesteld als ‘wonderkind’ aan de galeriehoudster Anna Schaeffer. Hij tekent vooralsnog met ‘teveel liefde’: “… Niemand kan zoveel liefhebben als jij en tegelijkertijd overleven als kunstenaar. Je zult sentimenteel worden. En sentimentaliteit is de dood van de kunst…”. Dat is precies waarom Potok zélf nooit tot de echte literatuur wordt gerekend.

 

Verdorven broedsel van Gene Zijde

Asjer Lev leert van alles over de sociaal-realisten, de regionalisten, de impressionisten, de expressionisten, de surrealisten, de neoplasticisten, de kubisten, de constructivisten, de fauvisten, de Nabis. Hij maakt reprodukties van beroemde schilderijen als de ‘Beeldhouwer’ van Andreo del Sarto en de ‘Atheense School’ van Raphaël. Ondertussen stuurt een fundamentalistische rotvent uit zijn klas hem treiterige gedichtjes: “… Modigliani, Pascin en Soutine / werkten met oker en ultramarien. / Soutine zat in ’t slop / En Pascin die hing zich op. / Modigliani spoot onverdroten heroïen…”. En onverdraagzaam religieus: “… Asjer Lev / nu heeft-ie lef; / straks in de Hel / dan merkt-ie ’t wel…”. Asjer komt ineens op het lumineuze idee zijn belager terug te pakken met een tekening van een fragment van Michelangelo’s ‘Het laatste oordeel’. Waar de boot de oever van de Styx bereikt en Charon naar zijn gedoemde passagiers slaat met een riem om hen de kusten van hel en verdoemenis op te drijven. “… Ik tekende het wringen en draaien van de gemartelde lichamen die uit de boot tuimelden. Ik tekende de verschrikking op de gezichten van de doden en verdoemden. Alle gezichten tekende ik als zijn gezicht, puisterig, mager – de ogen uitpuilend, de mond open, krijsend van angst. Ik tekende de klauwen en puntige oren van Charon groter dan op het origineel; ik maakte zijn gezicht donkerder, zodat het wit van zijn woedende ogen beter uitkwam…”. Daarna maakt hij nog een tekening van de man die met zijn hoofd naar beneden door slangachtige demonen de hel in wordt gesleurd. “… Ik gaf de man zijn gezicht en stopte de tekening de volgende dag in zijn ‘Gemara’…”. De pestkop begint hem te mijden: “… Zijn magere gezicht kreeg een bange uitdrukking als hij merkte dat ik naar hem keek. Ik had het gevoel dat hij me nu als slecht en kwaadaardig beschouwde, als een demonisch en verdorven broedsel van Gene Zijde…”.

 

Waarheid

Ondertussen weigert Asjer nog steeds met zijn ouders mee naar Europa te gaan. Zijn vader zal zijn kunst plat slaan. Hij trekt bij zijn oom in, die hij eigenlijk maar een patser vindt. Krijgt diens hele zolder ter beschikking. Ruikt de laatste geld? Kahn neemt hem mee op zijn zomervakanties vol strand en water. Hij wordt de jongste kunstenaar die ooit een eenmansexpositie krijgt in een galerie op Madison Avenue. Een journalist schrijft hem weg als een ‘schijntalent’ met ‘een bedenkelijke hang naar Picassoïde vormen’. Een paar tentoonstellingen later denkt deze er heel anders over. “… Vroeg op een ochtend in mei nam ik de ondergrondse naar een joods museum in Manhattan. Ik zag Tora-kronen, aanwijshandjes, Tora-doeken, kruidendoosjes, verluchte manuscripten. Soms waren er prachtige werkstukken bij. Maar nergens zag ik kunst. Het was allemaal ambachtelijk, het leefde niet. Ik voelde me ergens verraden…”. Asjer: “… Mijn vader werkte voor de Tora. Ik werkte voor… voor wat? Hoe kon ik het uitleggen? Schoonheid? Nee. Veel van mijn schilderijen waren niet mooi. Voor wat dan? Voor een waarheid die ik niet in woorden kon omschrijven. Voor een waarheid die ik alleen maar tot leven kon brengen door middel van lijn en kleur en structuur en vorm…”. Even verder: “… Dat is wat kunst is, papa. Iemands persoonlijke visie, uitgedrukt in esthetische vormen…”. Ze bakkeleien tot in het oneindige over het schilderen en tentoonstellen van naakten. Praten volkomen langs elkaar heen. Zijn vader verwijt Asjer ‘morele blindheid’. Asjer verwijt zijn vader ‘esthetische blindheid’. Asjer probeert hem uit te leggen dat het in de schilderswereld belangrijk is om het naakt als kunstvorm te beheersen: “… Alle belangrijke kunstenaars die ooit hebben geleefd, tekenden of schilderden naakten…”. Wie of er met die onzin is begonnen? “… ‘De Grieken.’ ‘Aha,’ zei hij. ‘De Grieken. Onze oude vrienden, de Grieken. Goed, Asjer. Nu begrijp ik iets beter waarom jij naakten schildert. Maar waarom stel je ze tentoon?’ ‘Omdat ik niet in een hoekje voor mezelf zit te schilderen. Ik wil communiceren met mijn werk. En ik wil dat de critici weten dat ik het kan.’…”. Het landt niet.

 

Kruisiging

Op het eind van het boek maakt Asjer een reis naar Florence, Rome en Parijs, waar hij een tijd blijft hangen en zijn meest  spraakmakende werken schildert. Steeds vaker verschijnt zonder dat hij het wil zijn moeder in zijn tekeningen. Langzaam gaat hij steeds meer beseffen hoe ze gevangen zit tussen twee verschillende geesteswerelden: die van zijn vader en hemzelf. Hoe ze haar leven lang tussen deze twee elkaar uitsluitende polen balanceert. Hoe ze hen allebei probeert te steunen, naast haar eigen rouw om haar overleden broer. Hoeveel energie dat kost. De wereld moet in evenwicht gebracht worden volgens de Ladover beweging. Als iemand daarvan is doordrongen en weet wat dat betekent, is het zijn moeder wel. Connie Palmen in “Voornamelijk vrouwen”: “… Ik haat én heb lief. Sigmund Freud meende dat het grootste lijden van de mensen wordt veroorzaakt door het onvermogen om te gaan met de tweeslachtigheid, met innerlijke verscheurdheid en tegenstrijdige gevoelens. De wereld is een strijdperk voor iedereen die de tegenstellingen ontkent, of aanvecht…”. Alles culmineert in een heiligschennende ‘kruisiging’: zijn moeder met de koorden van de jaloezieën vastgebonden aan de spijlen van hun woonkamerraam (zie de omslag). Links en rechts van haar de twee moordenaars: vader en zoon.  Omdat er eindelijk een expositie van hem is zonder naakten komen zijn ouders kijken. Ze weten van niks…

 

Uitgave: BZZTôH – 2004 (oorspronkelijke uitgave 1972), vertaling Lennaert Nijgh, 351 blz., ISBN 978 906 291 174 5, tweedehands 12, 75

Rechtstreeks bestellen bij bol.: klik hier

donderdag 2 november 2023

In het licht van Zijn aangezicht – Abraham Joshua Heschel

 


Subtitel: De betekenis van het gebed in de joodse gedachtewereld

 

Terwijl iedereen de adem inhield vanwege de ontwikkelingen rond de verschrikkelijke Hamas-aanval in Israël hoorde ik menigeen zeggen: we kunnen alleen nog maar bidden. Dat tekent de overweldigende machteloosheid die we voelen. Wat ís bidden eigenlijk. ‘Bidden is ernaar streven ons leven met God in verband te brengen’, schrijft één van de grote Joodse denkers: Abraham Heschel (1907 – 1972). Als er iemand leert vanuit de ogen van slachtoffers - aan welke kant dan ook - te kijken, is dat Heschel wel. Hij zette zich, als medestander van Martin Luther King, in het bijzonder in voor de rechten van Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten. Zijn spiritualiteit wijst een weg uit de sfeer van verbaal en fysiek geweld. Ben je nog in staat tot tomeloze agressie als je leeft ‘in het licht van Zijn aangezicht’? Eerder besprak ik van hem: “God zoekt de mens”.

 

De stilte die de wereld omvat

We moeten leren zien dat ons ‘zelf’ meer omvat dan onszelf, aldus Heschel. We moeten leren boven onszelf uit te stijgen. Tot God bidden is onszelf vergeten. Het enige wat ons kan redden is dat we Gods geest in ons leven toelaten. Religie is wat de mens doet met Gods aanwezigheid. Gebed is de wereld zien in Gods licht. De taal van Heschel is de taal van een dichter en een mysticus: “… Wij bespelen de holle vaten van de zelfzucht in plaats van ons open te stellen voor de stilte die de wereld omvat, die zweeft boven alle rusteloosheid en levensangst – de verborgen stilte die aan onze geboorte voorafgaat en volgt op de dood…”. Waarom probéren we het niet gewoon een keertje? “… Zou het niet de moeite waard zijn onze geldingsdrang even te beteugelen en stil te zijn, om te kunnen luisteren naar de hartslag van het wonder? Waarom wijden we niet een moment van ons dagelijks leven aan God door ons open te stellen voor de stilte? We staan op de drempel van het mysterie en keren het de rug toe…”. Wat kan ons gebeuren? “… Wij laten ons innerlijk licht steeds van Hem af schijnen, hangen een dik gordijn van zelfzucht tussen Hem en ons en maken de duisternis die al zweeft tussen Hem en onze eigenzinnigheid, steeds zwarter…”. Wij kunnen God niet zichtbaar maken voor ons, maar we kunnen ons wel zichtbaar maken voor God. Bewustzijn van God groeit langzaam. Stap voor stap.

 

Alleen

Heschel zegt dat onze ziel verdort als wij worden afgesneden van Gods licht. Zoals een boom die uit de aarde wordt gerukt. Of een rivier die afgesneden is van zijn bron. Door het gebed zien we de wereld in een ander perspectief: “… We ontdekken dat we niet de as zijn van het wiel, maar de spaken…”. Even verder: “… Soms is het gebed meer dan een licht op onze weg. Soms is het een licht binnenin ons…”. Hij vertelt over een Rabbi die droomde over de hemel waarin tot zijn verbazing de tannaïem ‘gewoon’ rond een tafel de Talmoed zaten te bestuderen, wat hem nogal teleurstelde: “… plotseling hoorde hij een stem die zei: ‘Je ziet het verkeerd. De tannaïem zijn niet in het paradijs. Het paradijs is in de tannaïem…”. Dat doet me denken aan een christelijke leermeester die zei: het ultieme doel van het geloof is niet dat jij straks naar de hemel gaat,  maar dat de hemel in jou komt. Hier. Nu. Ik moest denken aan de kreet: ‘Veronica komt naar je toe deze zomer’. Het gebed brengt onszelf onder de aandacht van de Eeuwige: “… We spreken niet met God; we maken ons voor Hem aanspreekbaar…”. We zijn Zijn landingsplaats. Contact met Hem is niet een prestatie van ons: “… Het is als een neerdalende meteoor en niet als een opstijgende raket…”. Wanneer wij God in de steek laten, de banden met Hem aan flarden scheuren, is Híj niet alleen. Dan zijn wíj alleen.

 

Het verborgene

In het gebed nadert de mens het transcendente, wat veel verder gaat dan emotie. Het gebed voert je het verborgene binnen: “… Met de regels van de wetenschap gaan we rationeel en kritisch om, maar het erbarmen en de grootheid van de Oneindige komen op ons af als een mysterie. Het gebed is een aparte bron van inzicht…”. Het gebed is vóór alles ‘kawwana’, een zich volledig richten op één doel, een samenbundeling van krachten in één brandpunt. Wij staan niet zelf in het centrum van het gebed: “… Gebed ontstaat wanneer de mens zijn hart volledig op God richt, op Zijn goedheid en macht. Gebed ontstaat wanneer we dat wat ons persoonlijk bezighoudt, een ogenblik vergeten, en ons bewust worden van God…”. Even verder: “… Vol ontzag voor Zijn aandeel in ons leven strekken we ons naar Hem uit, stellen onze wensen en bedoelingen open voor Zijn goedheid en verruilen onze wil voor Zijn wijsheid…”. Gebed is een uitnodiging aan God in ons leven tussenbeide te komen: “… Zijn wil de doorslag te laten geven in onze aangelegenheden. Het is het openen van een venster om Hem binnen te laten in onze wil, een poging Hem Heer te maken van onze ziel. We maken onze belangen ondergeschikt aan wat Hem ter harte gaat, we trachten ons in te stellen op wat wezenlijk van ons wordt gevraagd…”.

 

In volle vaart door de bocht

De intense eenzaamheid waaronder wij lijden brengt ons ertoe Gods gezelschap te zoeken, aldus Heschel. “… Zelfs met vrienden zijn we alleen. Het vleugje begrip dat een medemens ons kan bieden is niet voldoende om onze behoefte aan medeleven te bevredigen. Menselijke ogen zien het schuim aan de oppervlakte, maar niet het kolken in de diepte. Op het moment van uiterste nood zijn we alleen…”. Alleen God doorziet de motieven achter ons handelen. Alleen Hij is werkelijk te vertrouwen. Bij Hem kunnen we ons hart luchten. “… Wanneer wij de trouw aan wat heilig is opzeggen, verliezen wij onze waardigheid en schrompelt ons leven ineen tot een reeks onbenulligheden…”. Via gebed proberen we onze dromen te zien in Zijn licht, ons leven te voelen als Zijn zaak.  “… In het gebed – en dat geldt ook voor het gedicht – gebruiken wij de woorden niet als tekens voor de dingen, maar zien we de dingen in het licht van de woorden…”. De woorden zijn zo belangrijk dat ze niet van onze lippen moeten “… vallen als bladeren in de herfst. Ze moeten als vogels opstijgen uit ons hart, de wijde uitgestrektheid van de eeuwigheid tegemoet…”. Woorden blijken een inspirerende kracht te kunnen hebben. Uit een arsenaal aan woorden putten wij de kracht om te zorgen dat ons geloof en onze gevoeligheid voor het eeuwige niet verloren gaan: “… In een crisis, in ogenblikken van wanhoop en vertwijfeling, is een woord van gebed als de lus waaraan we ons vastklampen, wanneer de tram waarin we zitten in volle vaart door de bocht gaat…”. 

 

Een lijn die naar God loopt

Heschel: “… We dragen allemaal een lading onuitgesproken verdriet, schuldgevoelens, verwachtingen en verlangens met ons mee, vastgevroren in de sprakeloosheid van onze ziel. In het gebed breekt het ijs en beginnen onze gevoelens onze gedachten te beroeren, op zoek naar een uitlaat…”. Even verder: “… Bidden betekent zich vastgrijpen aan een woord, dat als het ware het begin vormt van een lijn die naar God loopt…”. Ook al vinden we bidden moeilijk, we moeten ons niet laten ontmoedigen: “… Als we niet kunnen springen, moeten we leren kruipen…”. Een waarachtig gebed kan een hele wereld in beweging brengen: “… Het is alsof iemand in alle onschuld op een knop drukt en er opeens een reusachtige machine op volle toeren begint te draaien…”. Gebed opent een ‘heilige werkelijkheid’: “… Centraal staat niet begrip, maar verbazing; niet logisch redeneren, maar ontzag…”. We dalen af in een intuïtieve wereld: “… Nog niet gerijpte inzichten, sluimerende emoties, de ingehouden stem van een dieper weten breekt door in onze geest…”. Het ‘zelf’ wordt rijker als het zich richt op het ‘niet-zelf’: “… Gedachten stijgen boven zichzelf uit, ervaringen uit het verleden lichten op, verlangens worden gevormd. Een gedachte wordt een wens, een wens een verlangen, een verlangen een eis, een eis verwachting, een verwachting een visioen…”.

 

Gebedenboek

Er zijn spontane en liturgische gebeden. Lang niet iedereen bezit de gave om uiting te geven aan wat in het hart verborgen ligt. Een liturgisch gebed stelt ons in staat onze gevoelens en gedachten te vervlechten met het vaste patroon van de tekst, ons hart open te stellen voor de woorden die ons meenemen: “… Slechts weinigen van ons weten een antwoord op de fundamentele vraag wat ons ten diepste beweegt. We weten niet waarvoor we moeten bidden. Het is de liturgie die ons dat leert. De woorden van het gebed helpen ons te ontdekken wat ons, zonder dat we het weten, bezighoudt, waar het in het leven op aankomt, wat ons verbindt met het onzegbare…”. Een ontdekkingsreis door het gebedenboek is als een tocht langs een reusachtige collectie kostbare kunstwerken. Via de liturgie treed je als het ware  in gesprek met Israëls profeten en wijzen: “… Het is goed dat er woorden zijn die zijn geheiligd door eeuwen van gebed, door de eerlijkheid en liefde van vele generaties…”. Een gebed van louter woorden is echter een lege huls. Het gaat om de bezieling: “… Of ons gebed leeft, wordt niet bepaald door onze trouw aan de gebruiken, maar door onze innerlijke betrokkenheid; niet door de lengte, maar door de diepte van ons gebed…”. Even verder: “… De woorden die onze lippen bereiken, zijn vaak niet meer dan het topje van de ijsberg, niet meer dan een zwakke afschaduwing van wat zich afspeelt in het hart…”. De wereld van het onzegbare is de bakermat van onze ziel, de wieg van al onze ideeën. Gebed is geen vlucht, maar een terugkeer naar onze wortels. Het is fijn dat er vaste gebeden bestaan als woorden tekortschieten. Net zoals het fijn is dat er muziek bestaat waar we ons aan kunnen overgeven: “… Op de golfslag van het lied worden we uitgetild boven het niveau van wat uitspreekbaar en zegbaar is…”.

 

Samen

Misschien bereiken we God wel eerder met wat we niet kunnen zeggen dan met wat we onder woorden brengen: zie Jesaja 65:24. Heschel noemt ‘stilte’ de hoogste vorm van gebed. Zie de asjkenasische sabbatsliturgie: “… Door de mond van de oprechten wordt Gij geprezen, door de woorden van de rechtvaardigen wordt Gij gezegend, door de tong van de getrouwen wordt Gij verheven, en binnenin de heiligen wordt Gij geheiligd…”. Hoe dieper ons inzicht, hoe meer we geneigd zijn te zwijgen: Psalm 65:2, Habakuk 2:20, Zefanja 1:7, Zacharia 2:13, Psalm 139:4, Psalm 65:2, Job 37:20. “… Hoe meer je een kostbare parel prijst, des te meer ontluister je hem…”. Even verder: “… Onze gebeden zijn in zekere zin een hogere vorm van stilte. Ze zijn doortrokken van het huiverend besef van Gods grootheid, die elke beschrijving tart en alle woorden te boven gaat…”. Noch ons spreken nog ons zwijgen is toereikend: “… Maar er is iets dat boven beide uitgaat: het lied. Er zijn drie manieren waarop de mens zijn smart kan uiten: op het eerste niveau schreeuwt hij het uit; op het tweede niveau is hij stil; op het derde en hoogste niveau weet de mens zijn smart om te zetten in een lied. Werkelijk gebed is een lied…”. In het Jodendom is, anders dan in het individualistische Westen, de gemeenschap belangrijk: “… Onze relatie tot Hem is niet als een Ik tot een Gij, maar als een Wij tot een Gij…”. Ons vermogen om te bidden danken we aan de gemeenschap en aan de traditie: “… De weg van de kluizenaar, de uitsluitende zorg voor het persoonlijke heil, vroomheid in afzondering, los van gemeenschap, is onvroomheid…”. We verkrijgen ons aandeel aan heiligheid door te leven in de Joodse gemeenschap: “… En toch mogen we nooit vergeten dat gebed in de eerste plaats een gebeurtenis is in de ziel van de enkeling, iets dat van hem uitstraalt en niet alleen iets waaraan hij deelneemt. De waarde van het gemeenschapsgebed hangt af van de diepte van het individuele gebed, van het individuele gebed van hen die samen bidden. De Talmoed leert ons dat het lot van de gehele mensheid afhangt van het gedrag van één enkel individu, van jou…”.

 

Overgave

In Heschels tijd lijkt de synagogedienst net zo te tanen als de kerkgang onder christenen. De ziel ontbreekt, zegt hij, “… synagogebezoek is dienst aan de gemeente geworden in plaats van dienst aan God…”. Even verder: “… In onze bedehuizen hangt een geur van gezapigheid en zelfvoldaanheid. Wat kan er in zo’n atmosfeer nog gedijen?...”. De diensten stralen niets meer uit. Ons hart klopt niet meer in onze stem. Ons gezicht weerspiegelt niet meer onze dromen: “… We zeggen het gebedenboek op alsof het de krant van vorige week is…”. Het is alsof we lijden aan geestelijke versuffing: “… mensen die in het dagelijks leven gevoelig, energiek en boeiend zijn, zitten er in de synagoge lusteloos, lui en afwezig bij…”. Via allerlei technieken uit de reclamepsychologie wordt geprobeerd de synagogedienst te moderniseren, maar “… Geestelijke problemen los je niet op met technische ingrepen…”. Op persoonlijk vlak is religie vaak een weerspiegeling van een zeer gangbare theologie, waarin eerbied voor de traditie het eerste en hoogste geloofsartikel is. Maar het strikt in acht nemen van alle voorschriften is niet hetzelfde als vroomheid. Als moralisme de boventoon voert, kan het hart hermetisch gesloten blijven en elk gevoel voor het onmeetbare, het innerlijk en het bovennatuurlijke ontberen. Religie heeft niet alleen te maken met uiterlijk gedrag, maar met innerlijk leven. We richten ons in onze gebeden niet ‘tot het goede in onszelf’, maar tot God die ‘onze gebeden en smekingen hoort’: “… Het gebed dient om het zwaartepunt van het leven te verschuiven van zelf-bewustzijn naar zelf-overgave…”.

 

God terugbrengen in de wereld

Ons gebed krijgt betekenis doordat God erop wacht: “… Er is iets dat veel groter is dan mijn verlangen om te bidden, en dat is Gods verlangen dat ik bid. Er is iets dat veel groter is dan mijn wil om te geloven, en dat is Gods wil dat ik geloof…”. Gebed komt voort uit inzicht: “… Weet voor Wie je staat…”. Heschel: “… Ons bewust zijn van God, Zijn aanwezigheid in ons dagelijks leven bespeuren is een kunst die we niet in een handomdraai leren…”. God is niet thuis in een wereld waar Zijn wil veronachtzaamd wordt. Bidden betekent God terugbrengen in de wereld: “… Groot is de kracht van het gebed. Want bidden is Gods aanwezigheid in de wereld vergroten…”. Wat ons in staat stelt te bidden is inzicht in het onzegbare: “… Zolang we geen oog hebben voor wat buiten ons gezichtsveld ligt; zolang we blind zijn voor het mysterie van het zijn, is de weg van het gebed voor ons gesloten…”. Bidden is “… Zijn glorie laten oplichten…”. De weg van het gebed loopt via ‘verwondering’ en ‘fundamentele verbazing’. In de Joodse liturgie neemt de ‘lofprijzing’ een hogere plaats in dan de ‘smeekbede’: “… We branden van verlangen om uit te drukken wat Zijn aanwezigheid betekent…”. Hierdoor bereiken we een hoger niveau van leven. Polariteit is een wezenskenmerk van alles wat bestaat. Zo ook het gebed dat altijd een wisselwerking is tussen voorschrift en vrijheid, regelmaat en spontaniteit. De tekst staat in een boek - ‘kawwana’, bezieling, innerlijke toewijding, moet uit ons hart komen. ‘Kawwana’ is “… beseffen wat het betekent voor Gods aangezicht te staan…”. We moeten leren tot een zekere graad van innerlijke reinheid te komen, voordat we het wagen de Koning der koningen aan te spreken. ‘Kawwana’ “… ontstaat doordat we onweerstaanbaar worden aangetrokken door de glans van dat wat op ons af komt…”. We staan voor het aangezicht van de Sjechina. Gebed zonder ‘kawwana’ is als een lichaam zonder ziel. Echter, “… als ik zwak ben, geven de wetten mij kracht. Als mijn blik vertroebeld is, verschaft de plicht mij inzicht…”.

 

Kosmisch gebed

Gebed is een weg tot geloof. Gebed verschaft ons vaak perspectieven die we via filosofische beschouwingen niet kunnen bereiken. De chassidiem hebben het inzicht bereikt dat ‘alles God is’, aldus Heschel. Bedoelt hij een soort ‘eenheidservaring’? Hij vertelt over de leerlingen van Rabbi Nachum van Tsjernobyl die in heftige extase raakten. Hij heeft het over ‘flitsen van inzicht’, waarbij elk besef van tijd en ruimte verdwijnt. Heschel noemt dit een ‘hoger geloof’, dat niet geworteld is in de rede, maar in de ‘goddelijke ziel’. Over de Psalmen waarin de ganse aarde, de ziel van al wat leeft, de zon en de maan, de sterren en de bergen Gods naam loven: “… De wereld staat op het punt één te worden in aanbidding…”. Het gaat om een ‘kosmisch gebed’. Gebed mag nooit een sleur of routinehandeling worden: “… Woorden die worden gezegd zonder vrees en zonder liefde, stijgen niet op naar de hemel…”. Heschel pleit als geen ander voor ‘geestelijke fijngevoeligheid’. Voor ‘een sfeer van gebed’: “… Je schept die sfeer niet rondom je, maar binnenin je…”. Gebed moet mensen dichter bij hun Vader in de hemel brengen. Wie nooit gebeden heeft, is niet volledig mens, stelt hij.

 

Dadensprong

Heschel vertelt hoe hij in Berlijn filosofie ging studeren. Hij bleef iets missen: “… Voor de filosofen is het idee van het goede het hoogste en meest verheven idee. Voor het jodendom is het idee van het goede het op één na hoogste. Het goede kan niet bestaan zonder het heilige. Het goede is de basis, het heilige de top. De mens kan niet goed zijn als hij niet streeft naar het heilige…”. Het christendom is vooral een ‘leer’; het Jodendom is een godsdienst van de ‘daad’: “… geestelijke betekenis wordt zichtbaar in ‘daden’ en niet in filosofische beschouwingen…”. Het vervullen van de Joodse wet is een doorsteek naar het geheim van Gods wil. De fundamentele theologische uitgangspunten van het Jodendom zijn niet in termen van de menselijke rede te vangen. De eisen van vroomheid behelzen een mysterie waartegenover de mens alleen maar eerbiedig zwijgen kan. De Joodse levensorde is een geestelijke orde. In het houden van de Joodse geboden schuilt een goddelijke betekenis, die ver boven het menselijk vernuft uitstijgt. De weg tot kennis loopt via de ‘mitswa’ – religieuze handeling: “… We leren als joden te geloven door als joden te leven. We geloven niet in daden; daden brengen ons tot geloof…”. Even verder: “… Door te doen, leren we horen en begrijpen…”. Het gedrag komt eerst, de rest (gedachten, gevoelens) komt later. Van een jood wordt geen ‘gedachtesprong’ gevraagd, maar een ‘dadensprong’. De daad sleept de gelovige mee: “… Door ons leven voor God open te stellen ontdekken we het goddelijke in onszelf en hoe dat samenklinkt met het goddelijke buiten ons…”. Routine en continuïteit leiden tot aandacht, roepen een antwoord in ons wakker dat anders op de bodem van onze ziel zou blijven liggen. Een ‘mitswa’ doen is de geest ontmoeten. Maar de geest kunnen we niet in bezit nemen. Daarom bestaat de Joodse levenswijze uit eindeloze herhaling, om keer op keer de geest in onszelf en de geest die boven al het bestaande zweeft te ontmoeten. De ‘mitswot’ zijn de instrumenten waarop het heilige ten gehore wordt gebracht. “… Een brede stroom van ongevoeligheid scheidt ons van het gebied van het heilige. Geen mens of generatie is in staat alleen en op eigen kracht naar dat gebied een brug te slaan. Eeuwen lang hebben onze vaders gezwoegd om zo’n gewijde brug te bouwen…”. Ik denk dat voor christenen Jezus de functie van deze  ‘gewijde brug’ vervult.

 

Lege stoel

Niets staat zo ver van het Jodendom af als het vereren van beelden: “… Volgens een oud geloof is de profeet Elia, 'de boodschapper van het verbond', aanwezig bij de besnijdenis. Om dat geloof concreet gestalte te geven wordt naast de stoel van de ‘sandek’ (de peetvader) een lege stoel neergezet, de ‘stoel van Elia’ genaamd. Dit is de grens waartoe we op het gebied van het uitbeelden kunnen gaan: een lege stoel…”. God openbaart zich niet in ‘dingen’, maar in ‘gebeurtenissen’. Een ‘beeld’ of ‘symbool’ van God is een surrogaat: “… Als God een symbool is, dan is religie een spelletje…”. Fictie. Het gaat om kennis van ‘de levende God’. Protestanten hebben/hadden ook de nodige moeite met de rooms-katholieke beeldenwereld: “… Toen in het middeleeuwse christendom de directheid van het geloof ten onder dreigde te gaan in symboliek, kwam de reformatie daartegen in opstand…”. Ik vermoed dat een en ander heel erg te maken heeft met de visie dat er niets of niemand tussen jou en God in kan staan: “… Wat we nodig hebben is een ‘directe’ benadering…”.

 

Een oefening in vreemdheid

Prachtig schrijft Heschel over ‘het gevoel voor het onzegbare’ dat beschouwd kan worden als de wortel van de menselijke creativiteit op het gebied van kunst, denken en leven: “… Het bewustzijn van het onbekende gaat vooraf aan het bewustzijn van het bekende. Zo liggen dan ook niet namen, woorden of symbolen het dichtst bij onze geest, maar het naamloze en onuitsprekelijke. In al onze ervaringen ontmoeten we eerst het andere, het vreemde, het ver verwijderde…”. Zie de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk die lezen/schrijven in “De tedere verteller” definieert als ‘een oefening in vreemdheid’. “… Ons zoeken moet beginnen bij het besef van het onzegbare…”. Heschel over het verschil tussen religie en filosofie: “… Religie begínt met het gevoel voor het onzegbare; filosofie éindigt met het gevoel voor het onzegbare. Religie begint waar filosofie eindigt…”.

 

Wie ben ik echt?

Heschel eindigt zijn boek met een beschouwing over de Shoah: “… Wat ging er door onze broeders heen in de laatste uren voor zij de marteldood stierven? Ze stierven met een gevoel van diepe verachting voor een beschaving waarin het doden van burgers een uitbundig feest kon worden, een beschaving die ons heerschappij gaf over de krachten van de natuur, maar waarin we de controle over de krachten in onszelf verloren…”. Medemensen bleken boze geesten te zijn, monsterlijk en angstaanjagend: “… Beschaamd en ontsteld vragen wij ons af: Wie is hiervoor verantwoordelijk?...”. Even verder: “… We wilden niet vechten vóór wat goed, wat rechtvaardig en wat juist is, en daarom moeten we vechten tégen wat kwaad, wat onrechtvaardig en wat verkeerd is. We wilden geen offers brengen op het altaar van de vrede; dus brachten we offers op het altaar van de oorlog…”. Alsof het over nu gaat. Heschel: “… Natuurlijk is het belangrijk een gevoel voor humor te ontwikkelen, maar is het niet minstens zo belangrijk een gevoel van eerbied te bezitten? Waar kunnen we de eeuwige wijsheid van het mede-lijden leren? De afkeer van wreedheid? De huiver voor harteloosheid? Waar kunnen we leren dat in berouw de diepste waarheid verborgen ligt? Wie opent onze ogen voor de gebrekkigheid van al onze berekeningen? Wie laat ons zien dat vragen naar het nut niet het toppunt van wijsheid is?...”.  Even verder: “… Zo dikwijls blijkt de mens gedreven te worden door externe krachten, door ijdele hoop en irrationele angsten. Het leven wordt een doelloos zwalken…”. Heschel houdt een hartstochtelijk pleidooi voor het gebed waarin we onszelf overgeven aan Gods onpeilbare zorg: “… Bidden betekent: stilstaan, ons niet langer laten afleiden, niet afdwalen, wachten op tekenen die ons de weg wijzen. Dan scheurt de innerlijke camouflage uiteen, waan en zelfbedrog breken open, en in ons denken licht een vraag op: Was ik ooit waarachtig wie ik ben? Word ik ooit wie ik bedoeld ben te zijn? Wat is waardevol genoeg om mijn hart op te zetten?...” (zie ook mijn vorige blog). 

 

Uitgave: Erven J. Bijleveld – 2021 (oorspronkelijke uitgave 1954), Collectie Labyrint, vertaling Dodo van Uden, 191 blz., ISBN 978 906 131 724 1, 22,50

Rechtstreeks bestellen bij bol.com: klik hier