zondag 26 februari 2012
Alsof het voorbij is – Julian Barnes
Met zijn vierde nominatie,“The Sense of Ending”, in het Nederlands vertaald als “Alsof het voorbij is” door Ronald Vlek, won de 65-jarige Londense schrijver Julian Barnes de Man Booker Prize 2011. Eerder haalde hij de shortlist met “Flaubert’s Parrot” (1984), “England, England” (1998) en “Arthur and George”(2005).
Een boek over 'tijd'.
In het eerste deel van deze roman kijkt een alleenstaande gepensioneerde eind-zestiger, Tony Webster, met weemoed terug op zijn, als zand door de vingers geglipte, leven.
Hij herinnert zich hoe zijn driekoppige vriendengroep op school uitgebreid werd met een briljante vierde, Adrian, een jongen die met kop en schouders boven de middelmoot uitstak, en die hij daarom bewonderde: “… Wij namen de boel voornamelijk in de zeik, behalve als we serieus waren. Hij was voornamelijk serieus, behalve wanneer hij de boel in de zeik nam. Het kostte ons enige tijd om daar achter te komen…”.
Adrian kwam uit een ‘gebroken’ gezin; zijn moeder nam de benen: “… Dat had hem van een wagonlading existentiële woede moeten voorzien, maar dat deed het op de een of andere manier niet; hij zei dat hij van zijn moeder hield en zijn vader respecteerde. We namen zijn geval onder de loep en kwamen tot een theorie: dat de sleutel tot een gelukkig gezinsleven gelegen was in het feit dat er geen gezin was – althans, geen bij elkaar wonend gezin. Nadat we tot deze analyse waren gekomen benijdden we Adrian des te meer…”. Want natuurlijk had ieder voor zich het nogal slecht getroffen met zijn ouders:
“… Ach, hoe overtroffen hun angsten onze ervaringen…”.
De arrogantie van de jeugd: “… Intussen smachtten we naar boeken en naar seks en waren we meritocratisch en anarchistisch. Alle politieke en sociale systemen waren in onze ogen verrot, toch weigerden we een ander alternatief dan hedonistische chaos in overweging te nemen…”.
De torenhoge idealen: wat kwam er van terecht?
Juist de geïdealiseerde Adrian pikte zijn eerste vriendinnetje in, Veronica, een mysterieus en volgens de verteller misschien zelfs ‘beschadigd’ meisje, en pleegde zelfmoord na zijn studie. Hij geeft Veronica de schuld:”… Het kreng, dacht ik. Als er één vrouw op de hele wereld is op wie een man verliefd kon worden en het leven toch niet de moeite waard kon vinden, dan was het Veronica…”.
Het mooiste stukje over Veronica: “… We liepen langzaam de trap op naar mijn kamer, waar Veronica me met mijn rug tegen de deur duwde, me op mijn mond kuste en ‘Slaap de zoete slaap der verdorvenen’ in mijn oor fluisterde…”.
Over beschadiging: “… Ik geloof dat we allemaal op de een of andere manier beschadigingen oplopen. Hoe zouden we ze niet oplopen, behalve in een wereld van volmaakte ouders, broers en zussen, buren, lotgenoten? En daarna is er de vraag waar zoveel van afhangt: hoe we op die beschadigingen reageren: of we ze aanvaarden of verdringen, en hoe dat van invloed is op onze betrekkingen met anderen. Sommigen aanvaarden de beschadigingen en proberen ze te verzachten; sommigen proberen hun hele leven andere beschadigden te helpen; en dan zijn er nog degenen die vooral bezig zijn verdere beschadiging van zichzelf te voorkomen, tot elke prijs. En dat zijn degenen die meedogenloos zijn, en degenen voor wie je moet oppassen…”.
Wat Barnes in het verhaal uitlegt is hoe je altijd weer probeert de zaken die je overkomen zo te reconstrueren dat ze voordelig voor je uit pakken. Dat heet volgens mij ‘psychologische zelfbescherming’: “… Je kunt het natuurlijk ook anders stellen; dat kan altijd…”.
“… ‘Geschiedenis is de leugen van de overwinnaars,’ antwoordde ik, iets te snel. ‘Ja, ik was al bang dat je dat zou zeggen. Ach, zolang je maar bedenkt dat ze ook het zelfbedrog is van de overwonnenen.’…”.
De verteller trouwde, kreeg een dochter, kwam een ‘makkelijke’ scheiding door, maakte niet al teveel carrière, durfde niets, kortom; hij heeft zijn pijnloze bestaan, dat is getekend door ‘wat verdiensten en wat teleurstellingen’, tot dan toe, overleefd: “… Voor mij is het interessant geweest, al zou ik niet klagen of verbaasd zijn als anderen het heel wat minder boeiend vonden…”.
Wat een ongelóóflijk vervelende, kleurloze, saaie piet! Als je op zo’n figuur een heel boek kunt bouwen heb je zéker de Man Booker Prize verdient, ja…
In het tweede deel verandert dit korte verhaal (158 blz.) toch nog in een spannende intrige, omdat Tony van zijn advocaat een erfenis krijgt toebedeeld die bestaat uit een kleine geldsom en twee documenten. De afzender blijkt de moeder van zijn jeugdvriendinnetje Veronica te zijn. Het rare is dat hij maar één, nogal vervelend, weekend bij Veronica thuis heeft doorgebracht. De zaak brengt hem in de gelegenheid om weer contact met haar te leggen, temeer daar ze geen afstand kan doen van de betreffende documenten. Oude liefde roest niet. Ook kan hij op deze manier eindelijk achter het hoe en waarom van Adrians zelfmoord komen.
Eén van de documenten blijkt een van venijn schitterende brief te zijn die hij stikkend van jaloezie naar Adrian en Veronica heeft geschreven:
“… Beste Adrian – of liever, Beste Adrian en Veronica (hallo, Trut, en welkom bij deze brief), nou jullie verdienen elkaar volkomen en ik wens jullie veel plezier. Ik hoop dat jullie zo dik met elkaar worden dat de wederzijdse beschadiging permanent zal zijn. Ik hoop dat jullie spijt krijgen van de dag dat ik jullie aan elkaar heb voorgesteld. En ik hoop dat als jullie uit elkaar gaan, wat onvermijdelijk gaat gebeuren – ik geef jullie een half jaar, wat jullie verenigde trots wel tot een jaar zal weten te rekken, des te beter, kan het jullie nog dieper in de ellende storten, zou ik zeggen – dat jullie dan je leven lang vervuld mogen blijven van een bitterheid die al jullie volgende relaties zal vergiftigen…”, dat gaat een tijdje zo door, en eindigt dan met: “… Fijne feestdagen alvast, en moge de zure regen op jullie beider ongezalfde hoofden nederdalen. Tony…”.
Ik zei het al: die Julian Barnes is een fantastisch schrijver!
Het mafste wat ik in tijden gelezen heb: “… ‘Je bent kaal geworden,’ zei ze. ‘Dat gebeurt. Het toont in elk geval aan dat ik geen alcoholist ben.’(…) ‘Waarom denken mensen dat je een alcoholist bent?’ ‘Dat denken ze niet.' 'Waarom begin je er dan over?’ ‘Ik begon er niet over. Jij zei dat ik kaal was geworden. En het is toevallig een feit dat als je een zware drinker bent iets in de drank voorkomt dat je haar uitvalt.’ ‘Is dat echt zo?’ ‘Nou, ken jij soms een kale alcoholist?’…”.
Gaandeweg dit boek blijkt dat alles heel anders in elkaar zit dan Tony altijd dacht.
“… We leven in tijd – die beperkt ons en bewerkt ons -, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik hem heel goed begreep…”; aldus Tony aan het begin van zijn verhaal.
Hij doet er ook gewoon zijn best niet voor. Na veertig jaar zegt zijn voormalige jeugdvriendinnetje nog steeds tegen hem: “… Je snapt het gewoon niet, hè? Maar ja, dat heb je nooit gedaan…”. Zijn bevriende ex-vrouw wijst hem op zijn verantwoordelijkheid: “… Je bent nu op jezelf aangewezen, Tony…”, en zijn dochter heeft het te druk met haar kinderen om normaal met hem over de telefoon te praten. Kortom, de drie belangrijkste vrouwen in zijn leven worden alleen maar moe van hem. En ik ook, eerlijk gezegd.
Het tweede deel begint met: “… In je latere leven verwacht je een beetje rust, ja toch? Je vindt dat je het verdient. Ik wel tenminste…”, en eindigt zo: “… er is accumulatie. Er is verantwoordelijkheid. En daarboven is er onrust. Is er grote onrust…”.
Barnes heeft een schitterend boek geschreven over een zielige ouwe kerel die het leven over zich heen heeft laat komen zoals het kwam. Daarover klagen als het te laat is, vind ik nogal irritant. Die Tony Webster is gewoon een meelijwekkende, passieloze, ouwe brompot. Sorry, Julian Barnes!
"Alsof het voorbij is" is voor €18,95 rechtstreeks te bestellen bij internetboekhandel IZB-Ark als je hier klikt (voor meer informatie over IZB-Ark: zie kolom hiernaast).
Uitgave: Atlas - 2011
dinsdag 21 februari 2012
Onuitwisbaar – Kristen Heitzmann
Afgaande op de romantische buitenkant zou je het niet zeggen, maar tot mijn verrassing verdient dit boek zonder meer het predikaat ‘psychologische thriller’, en wat mij betreft reikt het zelfs met kop en schouder boven het gemiddelde nivo van dit genre uit. Heerlijk om weer eens zoiets tegen te komen!
Ik kende Kristen Heitzmann niet. Ze blijkt een christelijke bestsellerauteur uit Colorado Springs, met al 14 in het Nederlands vertaalde boeken op haar naam. Ik kon geen geboortedatum vinden, maar aangezien ze inmiddels 29 jaar getrouwd is met haar man Jim en vier kinderen heeft, zal ze dus van middelbare leeftijd zijn.
Dit verhaal vangt aan met een reddingsactie. Oud-ski-kampioen Trevor MacDaniel die samen met een vriend een Out Door Center leidt, redt een peuter uit de muil van een poema. Het jongetje is het neefje van zijn nieuwe buurvrouw, Natalie, een excentrieke beeldhouwster.
Deze zaak zet een reeks onheilspellende gebeurtenissen in gang. Trevor krijgt per post nare foto’s toegestuurd van kinderen die in levensgevaar verkeren. Hij wordt overmand door het gevoel dat ‘iets’ hem volgt.
Elk hoofdstuk sluit af met een tweede, korte verhaallijn, waarin de emoties van een boosaardig, bijna verdoemd, en op Trevor gefixeerd wezen worden beschreven (Een ooggetuige: “… ‘Ik denk dat je zou kunnen zeggen dat die vent een demonische vleermuis is.’…”); waarboven steeds een vreemd stuk geestelijk proza wordt geciteerd. Gaandeweg kwam ik erachter dat het om stukken tekst uit ‘Paradise Lost’ van de 17e eeuwse dichter John Milton gaat. Het gedicht draait om Lucifers (Satans) val uit de hemel.
Ik ga natuurlijk niet het hele plot verklappen.
Wel wil ik het hebben over de, mij ongewoon verrassende, persoonlijkheden die Kristen Heitzmann in dit boek neerzet.
Natalie Reeve is n.m. geen ‘gewone’ kunstenares, maar iemand met een zogenaamd ‘eidetisch’ (fotografisch) geheugen. Gezichten overweldigen haar. Daarom kijkt ze bijna niemand rechtstreeks aan. De beelden blijven in haar brein zitten, zodat ze ze steeds ‘voor zich ziet’. Daardoor vermindert zelfs haar normale gezichtsvermogen: “… Hoe kon ze uitleggen, dat beelden van Cody’s angst en verwarring, Aarons wanhoop, gedeeltelijk overlapt door Paiges woede en haat nagenoeg alles blokkeerden wat zich voor haar bevond?...”.
Alleen als ze de gezichten in klei boetseert, raakt ze van de beelden af.
Het verontrustende is dat haar beelden iemands karakter tot in de finesses doorgeven: het is alsof Natalie gedachten kan lezen.
“… Soms haalt klei dingen naar boven die heel diep zitten (…) Denk er maar eens over na. God maakte al het andere met woorden, maar er was klei voor nodig om een levende ziel te maken…”.
De 25-jarige Natalie is erg afhankelijk van de hulp van anderen: “… Ik zou het best in mijn eentje redden als ik maar kon stoppen om mensen te ‘zien’…”. Trevor wordt haar superheld; alsof hij tussen het kwaad en haar onschuld in staat.
Als Natalie door een schedelbasisfractuur een levensgevaarlijk hersentrauma oploopt verdwijnt haar gave en moet ze een nieuw evenwicht zien te vinden: “… ‘Ik kon de wereld niet veranderen, maar ik kon ‘zien’. Ik zag met ‘zijn’ (Gods) ogen. (…) Ik zou dankbaar moeten zijn. Voor zoveel dingen. Ik weet alleen niet … wie ik moet zijn.’ …”.
Natalie vat een diepe vriendschap op voor Fleur, een ‘blinde’ schilderes; jawel.
“… ‘Soms schrik ik ervan hoeveel we op elkaar lijken.’ ‘Jij beeldhouwt wat je blijft zien; ik schilder wat ik dolgraag zou willen zien. (…) Het verlies van een zintuig heeft mijn andere vier zintuigen versterkt…”. Ze zegt dat ze nadat ze blind is geworden met haar ‘geestesoog’ ziet. Samen gaan ze aan de slag. Een hyperziende en een niet-ziende kunstenares die een volmaakt geheel vormen.
Dan is er nog een vriendin, Piper, eigenares van een bakkerij die het houdt met een autistische jongen : “…’Miles houdt er niet van om aangeraakt te worden. Dan raakt hij in paniek’…”. Ze schijnt ervan overtuigd te zijn dat zij hem zijn angsten kan laten overwinnen.
Miles wordt op een ontroerende manier beschreven: “… Hij zat in haar (Natalies) hoofd, zo kwetsbaar, maar dat besefte hij niet, en zij zou het hem niet vertellen. (…) Ze stapte aan de passagierskant in zijn BMW. Hoe was het mogelijk dat het zo goed aanvoelde om gereden te worden door een man met een obsessieve-compulsieve stoornis en een aversie tegen aanraking, die net een schokkende ervaring (Piper heeft zijn haren geknipt) achter de rug had?
Omdat engelen voorkomen in allerlei vormen en gedaanten, sterktes en zwaktes.
Hij startte de motor. ‘Anders is moeilijk. Het is moeilijk om anders te zijn (…) Ik houd van Piper. Ik houd zo veel van haar dat ik een groot gat voel vanbinnen. Maar mijn hoofd voelt aan als duizenden rode mieren omdat de persoon van wie ik houd me aangeraakt heeft. Het enige wat ik wil is het afwassen, haar aanraking wegwassen, wegspoelen door een afvoer waar het niet pijn kan doen. Ik wil Piper wegwassen.’
Ze slikte het brok in haar keel weg. ‘Wat erg voor je.’
‘Niet aanraken. Mensen raken niet aan. Dat gebeurt er in mijn hoofd, maar ik ‘wil’ aanraken. Ik wil haar aanraken.’
‘Blijf het proberen, Miles. Zoek iets wat de klei voor mij is, een manier om het over te brengen van het gedeelte dat het niet aankan naar een gedeelte dat het wel aankan. Zoek de manier.’…”.
In een interview las ik dat Kristen Heitzmann de ‘verhalen’ die in haar hoofd ontstaan ook alleen maar weg krijgt door ze ‘van zich af te schrijven’. Ze vertelt dat ze haar eerste boek in 14 dagen schreef, etend aan haar buro (als ze al at), en met niet meer dan vier uur slaap per nacht: het ‘dwingende’ van schrijven.
Alle karakters in het boek zijn min of meer afwijkend van de middenmoot en behoeven daarom veel uitleg, die gaandeweg het boek ook komt. De roman lijkt een beetje op een puzzel; je moet goed je aandacht bij de personen houden, om uiteindelijk te gaan snappen waarom iedereen doet wat die doet. Ik vind dat heel mooi: laat je hersens maar eens kraken …
“Onuitwisbaar” werd vertaald door Connie van de Velde.
Dit boek is voor €19,95 rechtstreeks te bestellen bij internetboekhandel IZB-Ark als je hier klikt (voor meer informatie over IZB-Ark: zie kolom hiernaast).
Uitgave: Barnabas - 2011
woensdag 15 februari 2012
Frederick Weinreb - René Marres
Subtitel: verzetsman en groot schrijver
‘Over de geschiedenis zal men altijd blijven strijden. Geschiedenis is niet iets wat vaststaat, iets onomstotelijks, maar iets waar continu over gediscussieerd wordt, iets wat altijd opnieuw besproken zal worden.’ – Salman Rushdie
Tegelijk met “Vermoord en verbannen” – zie mijn vorige blog - kreeg ik een wat gedateerd boekje, uit 2002, van de Leidse literatuurwetenschapper René Marres over Frederik Weinreb (1910 – 1988): joods-chassidisch schrijver, econoom, en onderwerp van de z.g. “Weinreb-affaire” vanwege zijn activiteiten als Duits collaborateur en vermeend jodenhelper tijdens WO II.
Mensen onder de 45 hebben waarschijnlijk nooit van hem gehoord, en mensen boven de 45 (waaronder ik) denken misschien vaagjes: “oh ja, dat was die verrader”. In ieder geval; hij lijkt me compleet vergeten. Ik kan me dan ook haast niet voorstellen dat er nog iemand is die belangstelling voor hem heeft, maar omdat dit z.g. ‘pamflet’ nu eenmaal in het recensiepakket van de uitgever zat, zal ik er toch maar wat woorden aan wijden.
De grote vraag is: was Frederik Weinreb ‘goed’ of ‘fout’ in de oorlog?
Weinreb zette in de oorlog een fictief emigratiebureau op waar Joden zich
– tegen betaling - konden laten registreren en zo hun deportatie uitstellen. Hierdoor kregen ze de tijd om onder te duiken. De Duitsers waren Weinreb nogal ter wille: hij zou hen contacten met een nep-generaal voorgespiegeld hebben. Toch werden er joden die op zijn lijst stonden opgepakt.
In 1944 begonnen de Duitsers argwaan te koesteren en dook hij onder.
Na de oorlog werd Weinreb veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Beschuldiging: heulen met de vijand. Vanwege het 50-jarig jubileum van koningin Wilhelmina kreeg hij gratie; en ging, ter rechtvaardiging van zijn doen en laten tijdens de oorlog, aan het schrijven. Een autobiografie: “Collaboratie en verzet”.
Dit werk deed enorm veel stof opwaaien en gaf aanleiding tot de “Weinreb-affaire”.
Het kamp werd aangevoerd door pro-Weinreb aanhanger Renate Rubinstein en contra-Weinreb tegenstander W.F. Hermans.
Het pikante is dat Willem Ottespeer op 17 september 2011 in de Volkskrant met het verhaal naar buiten kwam dat W.F. Hermans lid is geweest van de Nederlandse Kultuurkamer (dat kon Marres natuurlijk niet weten). Dit was een door de Duitse bezetter ingesteld instituut waar iedere kunstenaar zich verplicht moest melden, en waarvan Joden waren uitgesloten. Hermans heeft dit altijd buiten de publiciteit weten te houden. En uitgerekend hij ging als een gek tekeer tegen Weinreb. Hoezo ‘boter op je hoofd’! Maar misschien is het zo dat wie zich het dichtst bij elkaar bevinden, elkaar het hardst bijten…
Marres zegt dat ze qua overtuigingen toch al veel op elkaar leken. Zowel Weinreb als Hermans waren beiden anti-autoritair en ook hun mensbeeld verschilde weinig.
Hij is een bewonderaar van “De donkere kamer van Damokles”, maar vindt “Collaboratie en verzet” nog sterker geschreven. Het is enkel te krijgen bij de Slegte. Toch zeggen verschillende deskundigen dat het buitengewoon scherp is geschreven. Als je echt wilt weten hoe het er in de oorlog aan toeging, kun je niet om dit verhaal heen, vindt Marres.
Enfin; om het tumult te smoren gaf de minister van justitie in 1970 het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD, later RIOD) de opdracht een rapport uit te brengen over deze zaak. Leiding: dr. Lou de Jong. Na zes jaar onderzoek publiceerden Riod-medewerker A.J. van der Leeuw en oud-rechter D. Gilthay Veth een vernietigend rapport. Er werd geen spaan heel gelaten van Weinreb’s verzetsdaden.
Weinreb-aanhangers trokken dit werk van het begin af aan sterk in twijfel: volgens hen stond van te voren al vast dat Weinreb beschuldigd zou worden. Weer bonje, dus.
Bedoeld als uiteindelijk laatste woord in deze geschiedenis schreef historica Regina Grüter in 1988 haar proefschrift “Een fantast schrijft geschiedenis: De affaires rond Friedrich Weinreb”, dat notabene bekroond werd met de dr. L. de Jong-prijs.
Ze noemt Friedrich Weinreb daarin een oorlogsmisdadiger en een pathologische leugenaar en veegt de vloer aan met Aad Nuis (D-66 politicus) die in “Het monster in de huiskamer”(1979) het Weinreb-rapport zwaar bekritiseerde.
En toen werd René Marres wakker.
Hij fulmineerde dat het Niod zijn reputatie te grabbel heeft gegooid door Grüters proefschrift te lauweren, en kreeg de haat van Weinreb-tegenstanders over zich heen:
“… Toen ik me naar aanleiding van mijn studie over het werk van W.F. Hermans in de zaak-Weinreb begon te verdiepen, werd ik door collega’s aan de Universiteit van Leiden gewaarschuwd. Weinreb, dat was taboe, daar moest je je vingers niet aan branden. Maar dat heeft mij nooit kunnen afschrikken. In mijn werk als literatuuronderzoeker heb ik altijd een voorkeur gehad voor non-conformisten in de traditie van Du Perron en Hermans, en ik ben nooit erg gevoelig voor autoriteiten geweest. Onafhankelijk denken is een eerste vereiste voor iedereen die de Weinreb-affaire bestudeert. En je moet een dikke huid hebben…”.
Als een soort Peter R. de Vries ontleedt hij in dit pamflet alle Weinreb-kritiek. Hij noemt het Weinreb-rapport “wrak en hol”, en kwalificeert het werk van Grüter als “onbetrouwbaar” en een “smaadschrift”.
Marres: “… Ik zeg niet dat Weinreb onschuldig is, maar slechts dat zijn schuld niet bewezen kan worden…”.
Marres kreeg positieve kritieken van René Zwaap in ‘De Groene Amsterdammer’ en Martin Ross in de ‘Nieuwsshow’ van Tros-radio. Schrijfster Marja Brouwers maakte echter weer gehakt van hem.
Weinreb, die zich na alle gedoe terug trok in Zwitserland, werd internationaal bekend op het gebied van Joodse mystiek en bijbelinterpretatie. Vanaf de publicatie van zijn boek “De Bijbel als Schepping” (1963), legde hij zich meer en meer op dit onderwerp toe.
René Marres noemt zich geen “Weinrebbiaan”. Hij is niet religieus en kan weinig met het theologische werk van Weinreb, al vindt hij diens vroomheid “niet storend”.
De film “In de schaduw van de overwinning” van Ate de Jong gaat voor een gedeelte over het verhaal van Weinreb. Edwin de Vries speelt hierin een personage dat op Weinreb is gebaseerd.
Hoe meer ik over de oorlog lees, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat ‘zwart’ en ‘wit’ nooit hebben bestaan; iedereen was voornamelijk ‘grijs’.
Uitgave: Aspekt - 2002
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)


