Menu

maandag 28 oktober 2013

Coupé N˚ 6 – Rosa Liksom


De vertaling van de in eigen land bekroonde Finse bestseller “Coupé N˚ 6” van Rosa Liksom (pseudoniem voor Anni Ylävaara, Lapland, 1958) door Annemarie Raas is zo waanzinnig mooi, dat je je van de weeromstuit afvraagt hoe het origineel wel niet moet uitpakken. Het gekke is: eigenlijk gebeurt er niets in dit verhaal. Je zou het boek bijna kunnen omschrijven als een literaire reisbeschrijving. Als het verhaal uit is, heb je Rusland leren kennen: de sfeer, de natuur, het weer, de alcohol, het eten, de melancholie, de mensen…
Het deed me denken aan de prachtige tv-serie “Licht op het Noorden” van de VPRO over de vier landen die samen Scandinavië vormen, met filosofe Stine Jensen - geboren in Denemarken -, die vorige week zondag is begonnen (ik noem het hierbij maar even). Opvallend is de neerslachtige gemoedsgesteldheid van de inwoners. Alleen de Eskimo’s schijnen erger te zijn, heb ik van horen zeggen. Vergelijk dit maar eens met de mediterrane wereld in een boek als “Zuidenwind” van Norman Douglas (zie mijn blog van 06.05.13).


Paardenstront
Het verhaal is snel verteld. Een studente uit Moskou zit opgescheept met een Russische rauwdouwer, een metaalarbeider, in een slaapcoupé van de Trans-Siberië Express. Ze wordt Anna genoemd, maar Raas zegt in een artikel dat ik op internet vond dat er in feite gewoon ‘meisje’ staat. In het Fins is dat een normale aanduiding voor een volwassen vrouw – wat ik wel lief vind -, maar in het Nederlands wekt dit woord vooral associaties met een kind. Dat kon dus niet. De aanduiding ‘studente’ legde weer teveel nadruk op studie, waar het in het boek niet over gaat. Uiteindelijk stelde de schrijfster zelf voor om haar maar gewoon de naam ‘Anna’ te geven. Ik heb het hier even over omdat Annemarie Raas de schrijfster dus gesproken moet hebben, wat opmerkelijk is, want op de flaptekst staat dat Liksom maar sporadisch naar buiten treedt: “… ‘Publiciteit is paardenstront,’ vindt ze…”. Nou, goed. Dan weten we dat ook weer.

The beauty and the beast
Anna zegt in het hele boek geen woord. Haar medepassagier, die konsekwent wordt betiteld als ‘de man’, braakt er – meestal in dronken toestand – de meest lompe dingen uit. Tergende provocaties, gore praatjes over vrouwen, rotopmerkingen over buitenlanders. Anna wil het allemaal niet horen. Ze bedelt zonder succes bij de treinconductrice - een dragonder van een manwijf - om een ander plaatsje, gooit een laars naar z’n kop, leegt een potje nagellakremover in z’n wodkaglas – zonder effect, zijn maag is volledig alcoholbestendig. Ze heeft geen keus. Uiteindelijk went ze min of meer aan zijn grote bek. En jij als lezer ook (al moet je niet al te kinderachtig zijn om een boek als dit te waarderen).
En toch. Als de trein een paar dagen stilstaat in een stad omdat de locomotief moet ‘uitrusten’, en de reizigers hun heil ergens in the middle of nowhere zoeken, staat de man erop Anna te beschermen. Hij is beledigd als Anna hun thee wil betalen, deelt grootmoedig zijn eten met haar (het verhaal speelt zich af in de nadagen van de Sovjet-Unie; er is bijna niets te krijgen – al het regeringsgeld gaat in de oorlog met Afghanistan zitten), en in nuchtere toestand biedt hij Anna nederig zijn verontschuldigingen aan als hij beseft dat hij te ver is gegaan. Hij wordt af en toe helaas 'overmand door de duivel'. Sorry. Zijn tirades zijn doorspekt met onverwacht melancholieke ontboezemingen en filosofische beschouwingen waarin de diepgang van de Russische ziel flonkert. Gaandeweg krijg je te horen dat hij op straat is opgegroeid omdat zijn ouders hem niet wilden, en hij een moord op zijn geweten heeft. The beauty and the beast.

Anna’s odyssee
Anna studeert archeologie, en is van plan in de buurt van de hoofdstad van Mongolië, Ulaanbatar, oude rotstekeningen te gaan bekijken. Sporadisch komt aan het licht dat dat niet haar enige beweegreden is. Ze wil ook in het reine komen met haar leven. Wat is er gebeurd? Mitka, haar 17-jarige geliefde (Anna zal dus niet veel ouder zijn), heeft zich laten opnemen in een psychiatrische inrichting om onder de oorlog in Afghanistan uit te komen. Door de inname van psychotische medicijnen is hij pas echt goed gek geworden. Terwijl Mitka weg was werd Anna langzaam maar zeker verliefd op zijn lesbische moeder, die haar veel aandacht gaf, meenam naar musea en tentoonstellingen, en haar de Russische schrijvers liet lezen. Houdt ze van zowel moeder als zoon? Als blijkt dat Anna al heel jong door haar eigen moeder - die in een visfabriek in Denemarken is gaan werken - in de steek is gelaten, vallen haar verwarde gevoelens wel te begrijpen. Waarschijnlijk hunkerde ze naar een moederfiguur (denk ik).

Dat liefhebben waar de dood niet aankomt
In Ulaanbatar treft ze een gids die weigert haar de rotstekeningen te laten zien: ‘onze heilige plaatsen zijn niet te koop’. Ze belt de man uit de trein op, die met de gids afrekent, een -oude- auto met chauffeur regelt, en haar meeneemt op een ontdekkingstocht over de Mongoolse vlakte. Als het oude barrel het in het donker begeeft, ze uitstappen, en Anna tegen een rots aan gaat zitten, merkt ze dat er een tekening in is gegrift: “… Anna legde haar hand op het oppervlak van het rotsblok en voelde dat er een groef in was gehakt. Ze tastte de steen beter af. De lichten van een langsdeinende vrachtwagen veegden over de rots. Er waren in ieder geval rendieren en bokken in verschillende houdingen op de steen geschilderd. Ze wachtte op de volgende vrachtwagen en het zwepende licht dat die verschafte. Ze bewoog haar vingers langzaam over het oppervlak van de rots. Rond de dieren waren tekens uitgehakt. Merktekens, Oeigoerse tekens, runen. Anna leunde met haar wang op de rots en kuste die, en er rolden tranen over haar gezicht…”. Terwijl de chauffeur zich volspuit met drugs streelt ze stiekem de steen: “… Anna voelde de gloed van de rotstekening in haar hand… Anna aaide nog één keer over het verre verleden en voelde de levenskracht binnen in zich…”. Haar odyssee eindigt geslaagd: “… In de maansikkel hing een oranje ster. Het tweetal gaf bijna geen licht af aan de slapende stad, de sterren waren in het bevroren, rode zand van de Gobiwoestijn neergevallen, alleen Venus fonkelde helder en hartstochtelijk, de laatste sneeuwvlokken dwarrelden op de grond. Anna was er klaar voor haar leven te accepteren, zowel in voorspoed als in tegenspoed. Ze was er klaar voor om terug te keren naar Moskou! Naar Moskou!...”. Het is alsof Donna Tartt (zie mijn blog van 20.10.13) in mijn oor fluistert: “…. Ik heb het idee dat ik iets heel ernstigs, iets heel dringends moet zeggen, niet-bestaande lezer, en ik heb het idee dat ik dat zo moet benadrukken dat het is of ik vlak bij u sta. Dat het leven – naast al het andere - kort is. Dat het lot wreed is, maar misschien niet toevallig. Dat de natuur (ofwel de dood) altijd wint zonder dat het betekent dat we er nederig voor moeten buigen. Dat, zelfs als we er niet altijd zo blij mee zijn, het toch onze taak is om ons in het leven onder te dompelen, om dwars door die zinkput naar de overkant te waden, met onze ogen en ons hart open. En als we bezig zijn weg te sterven, als we uit het organische verrijzen en er smadelijk in terugzinken, is het een glorieus voorrecht dat lief te hebben waar de dood niet aankomt.’…”.
Toen ik een beetje zat te googelen kwam ik op Youtube een werk van Borodin tegen: “In the Steppes of Central Asia” (A musical journey to Mongolia, zie hier), waar je in een filmpje op het eind inderdaad bewerkte rotsblokken ziet – misschien doelt Liksom hierop.

Dit is schrijven
En toch is dit allemaal NIET waar het boek om draait. Waar het echt om gaat is de ontzagwekkende buitenwereld waar de trein doorheen spoort. Ik denk niet dat ik ooit iets van iemand heb gelezen dat de wilde schoonheid van een land beter tot uitdrukking brengt dan Liksom. Ze schrijft niet: ze schildert, ze filmt (dat doet ze in het echt ook allemaal - wat mij niet verwondert). Alleen al het steeds weerkerende refrein bij het verlaten van een stad die de vaart van de trein verbeeldt: “… In de verte verdwijnt Omsk. Een gesloten stad. Vermoeid, opgezogen door de taiga, dat goeie ouwe Omsk dat door de jeugd in de steek is gelaten. In de verte verdwijnt de gevangenis waar een jonge Dostojevski in ballingschap verkeerde en bijna het leven liet, in de verte verdwijnt het levenloze standbeeld van Dostojevski als volwassen man, in de verte verdwijnen de rijen mensen voor de schoenenwinkel, een vermoeid land, een rij houten datsja’s, grijs verbleekt. Dit hoort nog bij Omsk. Een eenzaam gebouw van negentien verdiepingen midden tussen de akkers, vijfhonderd kilometer oliepijpleiding, de gele vlammen van de olieboortorens, en zwarte rook. Bos, lariksen, bos, dit hoort niet meer bij Omsk, een huis dat is ingestort onder de sneeuw. De trein dendert door het witte lege land. Alles is in beweging: sneeuw, water, lucht, bomen, wolken, wind, steden, dorpen, mensen en gedachten…”. Dat ‘in de verte’ en ‘dit hoort bij’ en ‘dit hoort niet meer bij’ en ‘alles is in beweging’ keert steeds weer terug.
De magnifieke natuurbeschrijvingen (die in het hele boek zo doorgaan): “… De zon schrok op aan de rand van het bos en dook achter een groenige wolk. Kort daarop sloegen de eerste loodzware waterdruppels tegen de voorruit van de auto. Er waren geen ruitenwissers, alleen de rigide regen was door het glas heen zichtbaar, en de man was genoodzaakt de auto in de berm te zetten. Bevroren regenballen hamerden zo hard op de weg dat die in een modderbrij veranderde. De door vorstschade getekende weg slalomde door de vallei als een luie rivier. De hemel ontvlamde in de kleuren van de regenboog, een kraai met één vleugel viel uit de lucht. Al snel waren de vinnige, kletterende regen en de regenboog verdwenen. Nu trok er een naar groen neigende mist door het kaarsrechte geboomte en over treurige stroken bos. Daarachter klom een heldere zon op en sloeg een strenge vorst toe. Die vulde het beschadigde wegdek in korte tijd met grote brokken ijs, waar de Pobeda overheen stuiterde als een pingpongbal. Aan gene zijde van de kale, stijve, en verijsde taiga bevonden zich verkleumde, onder sneeuw bedolven dorpen, bevroren kolchozen, rokende sochozen, waar hele bergen zwart brood tegen de gevels van de stal lagen opgestapeld…”. Nou jongens: gooi de televisie maar uit het raam.
De prachtige beschrijving van mensen: “… Oma bood hun koolsoep, boekweitpap, thee, jam, en vispasteitjes te eten aan. Ze bezat een mooi, gebarsten theeservies. Ze poetste de grote lepels door erop te spugen en ze vervolgens aan haar schone gebloemde schort droog te wrijven. Anna zat in gedachten verzonken te knikken. De man veegde het zweet van een beginnende kater van zijn voorhoofd…”.
Dit is schrijven. Eigenlijk zou iedereen die met teksten bezig is dit boek verplicht moeten lezen, want echt: dit is nog eens schrijven…!

Uitgave: Podium - 2012, 160 blz., ISBN 978 905 759 539 4, €18,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 25 oktober 2013

Dit is hoe een storm ontstaat – Pim te Bokkel


Om even bij te komen van Donna Tartt (zie mijn vorige blog) ga ik wat doen wat ik nog nooit eerder heb gedaan: een dichtbundel recenseren. Ik weet eigenlijk helemaal niet hoe dat moet, dus ik schrijf maar gewoon wat mij is opgevallen. Na lezing dacht ik dat je in ieder geval kunt zeggen dat als je jezelf wilt vergeten je een roman moet lezen, en als je jezelf wilt tegenkomen je naar een gedicht moet grijpen.

Uniek
“Dit is hoe een storm ontstaat” is de derde dichtbundel van Pim te Bokkel (1983). Hij werd ontdekt tijdens het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam, treedt regelmatig op tijdens festivals als b.v. Poetry International, en publiceert in kranten en literaire tijdschriften.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam heeft deze bundel voor het eerst verrijkt met een z.g. Layer, een digitale content die op je smartphone is te downloaden, waardoor je kunt luisteren naar de auteur die een paar van zijn gedichten voorleest. Een unieke uitgave dus!

Storm in je binnenste

Te Bokkel heeft vier jaar met het idee voor deze bundel rondgelopen. Hij zegt dat het vooral gaat om ‘de storm in je binnenste’. Het boekje (59 blz.) begint met een citaat uit “Meteorologica” van Aristoteles, dat bijna een metaforisch gedicht op zich is: “… Een wervelwind ontstaat dus als een storm die is voortgebracht zich niet kan bevrijden van de wolk (…) en treedt op wanneer de spiraal richting aarde zakt en de wolk, waarvan het zich niet weet te bevrijden, met zich meesleurt…”. Gaat dit over ‘loslaten’? Als je dingen niet kunt loslaten, wordt het onrustig, gaat het stormen, in je hart.
Te Bokkel: “… een moeder haalt haar targets niet / een hand reikt - / bereikt het verlangde niet / Dit is hoe een storm ontstaat…”.

Reizen
De bundel bestaat uit drie gedeelten, waarvan het eerste om gedichten rond het thema ‘reizen’ draait (vooral ook naar jezelf).
Prachtig is het gedicht “Roltrap”, waarop de reizigers naar boven gedragen worden - de gang door het leven: “… Soms draagt er één een steen / Soms stopt er één / een winegum in zijn mond / en denkt iets minder te bestaan…”. Het deed me denken aan een gesprek dat ik laatst had met een oude dame. ‘Hoe zwaar je het leven neemt is aan jou’, zei ze. En ook aan Sisyphus, die tot het eind der tijden een rotsblok tegen een berg op moet duwen. Telkens als hij boven is rolt de steen weer naar beneden.
Te Bokkel: “… Je kan me vragen hoe het gaat - / het gaat / het gaat…”.
Het is niet alleen melancholie dat de klok slaat. Er verrijzen mooie beelden als: “… door gloeiende wolken / de zon als Superman…” die ‘uit zijn overhemd breekt’ en ‘een moeder die de keuken blauw bakt’.
En altijd weer de liefde: “… Zie je / ik hou van je / maar laat je / en omarm je niet – nog niet / maar mooi ben je / met achter je oor je haar / en hoe je volmaakt eigenwijs / mij beziet / zo mooi / zo wij zo breekbaar nu…”.

Wie ik ben
Het tweede gedeelte gaat over zelfreflectie. De auteur wil zichzelf doorgronden, maar dat gaat niet: “… Ik wil mijzelf zijn / en doorzien / maar zie mij telkens als een Pim / die mij van buitenaf bekijkt…” en “… Er is een man / die in mijn hoofd / als in een doorzonwoning / woont…” en “… Hij wil geraakt worden / om echt te zijn / maar is de man die telkens / ergens anders is…”. Wij kennen onszelf niet; dat wist de dichter van Psalm 139 al: “ Heer, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken”. Te Bokkel concludeert dat: “… het oog dat op zichzelf gericht / zichzelf verliest…”. Teveel met jezelf bezig zijn is niet goed. Een gedicht dat opgedragen is aan Rutger Kopland heeft als titel: “… Melancholie is gevaarlijk…”.
Om jezelf te zijn, moet je jezelf zelfs vergeten, stelt Roos Vonk in een column (zie hier) waar ik aan moest denken.

Verlangen

Het laatste gedeelte is doorademd van eindeloos verlangen: “… Het is niet uitzichtloos / zo met die mist / je kijkt naar wat er nu nog is…” en “… als in de wintertuin eens het bal waarop / elk mens de ander ongemaskerd binnenlaat / zo droomt de mens dat hij de tuindeur openslaat / en in het barre land – het kale bos – de zon omarmt…”. Alle Menschen werden Brüder.
De beelden van de zee met haar eb en vloed. Smachten en terugtrekken. Nooit het volmaakte bereiken, en toch geloven dat het bestaat.
Nooit weten wie de geliefde ander écht is: “… Wij drijven zonder bakens / uit elkaar en worden ik en jij / en afstand die verlangen is…”.
Dit is voor de romantici onder ons. Eigenlijk zou je als je opstaat moeten beginnen met één gedicht te lezen en dat de hele dag door herkauwen zodat je ’s avonds weet wat het jou te zeggen heeft. Niet dat ik dat doe – ik ben een snellezer.
Pim te Bokkel: “…. Het gedicht is een schaduw van dingen en mensen…” en “… Poëzie is verlangen / naar iets wat nog niet echt bestaat…”.
Deze dichter heeft wat je noemt: de macht van het woord. Hij schrijft ontzettend mooi, gevoelig, en fijnzinnig. Misschien is dichten wel dromen en denken tegelijk…

Uitgave: Nieuw Amsterdam - 2013, 64 blz., ISBN 978 904 681 582 3, €17,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 20 oktober 2013

Het puttertje – Donna Tartt


Ik word wel op mijn wenken bediend, zeg. Zat ik in mijn vorige blog nog te oreren dat ik meer iemand ben van het grote drama, komt Donna Tartt (Greenwood-Mississippi, 1963, studeerde klassieke talen en filosofie) na elf jaar, letterlijk en figuurlijk, als een bom uit de lucht vallen. “Het puttertje”; ruim 900 bladzijden – van het cliché dat schrijven ‘schrappen’ is heeft Tartt duidelijk nog nooit gehoord, of misschien kan ze het gewoon niks schelen, een schrijver met haar sterallures kan natuurlijk alle regels aan haar laars lappen – Dickiaans proza van de bovenste plank. Haar derde boek.

Nature morte
Het verhaal begint met een man die zich ziek en doodsbang heeft teruggetrokken in een Amsterdamse hotelkamer. Om hem heen liggen kranten die hem in verband brengen met een moordpartij. Dan gaat hij vertellen hoe het zover heeft kunnen komen.
Naam: Theo Decker.
Als dertienjarige New Yorker moet hij met zijn alleenstaande moeder op school op het matje komen. Omdat ze te vroeg zijn voor de afspraak en het gaat regenen, lopen ze een museum binnen waar een expositie over Nederlandse schilders in de Gouden Eeuw te zien is.
Zijn moeder is een kunstfreak: “… ‘Zo gek,’ zei ze wel, ‘ik zou volmaakt tevreden zijn als ik de rest van mijn leven naar dezelfde zes schilderijen kon zitten kijken. Ik kan geen betere manier bedenken om krankzinnig te worden.’…”.
Prachtig schrijft Tartt over ‘onze’ schilders: “… Ze wisten precies hoe ze die grens moesten weergeven, die Hollandse schilders: rijpheid die overgaat in verrotting. Die vrucht is volmaakt, maar hij is niet blijvend, hij is binnenkort vergaan…” (nature morte – de dood in het leven), en “… Frans Hals kent niet meer dan negenentwintig schakeringen zwart! Of waren het er zevenentwintig?...”. Over ‘De anatomische les’ van Rembrandt: “… ‘Ze zeggen altijd dat dit schilderij gaat over de rede en de verlichting, de dageraad van het wetenschappelijk onderzoek, dat soort dingen, maar ik vind het griezelig, zo keurig netjes ze daar om die snijtafel rondhangen als om een buffet op een cocktailparty. Hoewel – zie je die twee verbaasde mannen op de achtergrond? Die kijken niet naar het lijk, ze kijken naar ons. Naar jou en mij. Alsof ze ons hier voor zich zien staan, twee mensen uit de toekomst. Geschrokken. “Wat doen júllie hier?” Heel naturalistisch. Maar toch…’ ze omlijnde met haar vinger in de lucht het lijk, ‘… is het lichaam helemaal niet zo natuurgetrouw geschilderd, als je goed kijkt. Het straalt een vreemd schijnsel uit, zie je wel? Bijna de lijkschouwing van een alien. Zie je hoe het de gezichten van de mannen die ernaar kijken doet oplichten? Alsof het zelf een lichtbron is? Hij heeft het die radioactieve uitstraling gegeven omdat hij onze blik wil vangen, het moet ons in het oog springen. En hier…’ze wees op de gevilde hand, ‘… zie je hoe hij de aandacht erop vestigt door hem zo groot af te beelden, totaal niet in verhouding tot de rest van het lichaam? Hij heeft de hand zelfs omgedraaid, zodat de duim aan de verkeerde kant zit, zie je wel? Nou, dat is geen vergissing geweest. De huid is van de hand afgestroopt, dat zie je meteen, dat is iets akeligs, maar door die duim om te draaien heeft hij het nog akeliger gemaakt, dat voelen we onbewust, al kunnen we er de vinger niet op leggen, er is iets wat helemaal niet klopt.’…”.


Maar Theo heeft geen oren naar het verhaal van zijn moeder; hij ziet een verontrustend zwierig meisje met een opa voorbijschuiven. Als zijn moeder hem opdraagt een paar ansichtkaarten in de kadoshop te kopen, en zij nog even terugholt om "De anatomische les" nog een keer van dichtbij te bekijken, slaat het noodlot toe in de vorm van een enorme explosie. De algehele chaos die uitbreekt, de ontreddering, de verschroeiende lucht, de zalen die veranderen in betonnen puinhopen met daarin de zachte materie van menselijke lijven, het verstarrende denken van Theo; het is werkelijk ongeëvenaard hoe Donna Tartt tot in detail het effect van een terroristische aanslag beschrijft. Alsof de tijd stilstaat. De verdwaasde Theo komt bij de opa terecht, die hem stervend op een houten rechthoek wijst dat hij ‘niet mag achterlaten’ en hem een ring in handen drukt terwijl hij de naam van een firma fluistert: ‘druk op de groene bel’.

Outlaws
Negenhonderd pagina’s kan ik natuurlijk niet anders dan in sneltreinvaart samenvatten. Wat volgt is van een hoog ‘alleen op de wereld’-gehalte.
Theo glipt via een nooduitgang ongezien naar buiten, en besluit thuis de komst van zijn moeder af te wachten. Ze komt niet opdagen. Wel maatschappelijk werk met in haar kielzog een heel rataplan aan hulpverleners, die hem vertellen dat zijn moeder is overleden (“… Haar dood was mijn schuld. Anderen hebben me er altijd een beetje te snel van verzekerd dat dat niet zo was, want ja: ‘nog maar een kind’, en ‘wie had kunnen weten’, ‘vreselijk ongeluk’, ‘puur pech’, ‘het had iedereen kunnen overkomen’, het is allemaal volkomen waar en ik geloof er niets van…”).
Lukraak geeft Theo het adres van een vriendje op, waar hij misschien kan logeren. Gelukkig willen die mensen hem een poosje hebben. Het lukt Theo de ring terug te brengen naar de plek waar hij hoort: een antiekwinkel. Daar ziet hij het zwaargehavende museummeisje terug, Pippa. Zijn leven lang zal hij verliefd op haar blijven. Haar voogd, Hobie, blijkt een geniale restaurateur. Theo gaat vaak bij hen langs. Tot op een kwade dag zijn wettige vader met zijn vriendin op de stoep staat. Theo wordt meegenomen naar, en aan zijn lot overgelaten in, Las Vegas - waar zijn pa geld verdient met gokken en drugshandel. Op school papt Theo aan met een andere desperado zonder moeder, Boris, die door zijn dronken vader zo ongenadig in elkaar wordt geslagen, dat hij hem maar in huis neemt (“… Waarom moesten ze dood, die engelen, die godinnen, terwijl die afschuwelijke vaders van ons dronken en wel gedijden, er languit op de bank of wankelend op hun benen in ogenschijnlijke onuitputtelijke gezondheid een puinhoop van maakten?...”). Ze slapen samen in één bed, met de hond tussenin, zijn constant dronken en high van drugs en pillen, jatten hun eten bij elkaar uit winkels - niemand die naar hen omkijkt. En toch zijn het outlaws waar je van gaat houden: buitengewoon intelligente overlevers die Thoreau lezen en discussiëren over “De idioot” van Dostejevski.
Als de vader van Theo omkomt bij een auto-ongeluk laat hij wederom alles en iedereen achter en vertrekt illegaal terug naar New York, waar hij liefdevol wordt opgenomen door Hobie, die hem inwijdt in het vak van restaurateur. Na zijn schooltijd gaat hij in de zaak werken als verkoper – iets waar Hobie niet voor in de wieg is gelegd. Al gauw leidt hij een dubbelleven. Voor het oog is hij een buitengewoon succesvol ondernemer, verloofd met een prachtig meisje (Pippa wijst hem af: twee getraumatiseerde mensen bij elkaar – dat is vragen om ellende), en zich bewegend tussen de New-Yorkse hooggeborenen, welgestelden en machtigen (“… ‘Ik bedoel, je gelooft niet hoeveel die mensen hebben. Zwemmen in het geld. Komt ze de reet uit.’…”). Tegelijk houdt hij zich nog steeds op de been met drank en drugs en besodemietert hij zijn klanten waar ze bij staan. Dat kan natuurlijk niet goed gaan.

Synchroniteit
Ondertussen sjouwt hij overal het wereldberoemde clandestiene schilderijtje uit het museum met zich mee: “Het puttertje” (bijnaam voor de distelvink, een indertijd populair huisdiertje dat vaak het kunstje werd aangeleerd om zelf met een emmertje drinkwater uit een bakje of glaasje te scheppen) van Carel Fabritius. Een van de twaalf overgebleven werken van de schilder, een leerling van Rembrandt, die tijdens zijn werk werd gedood toen in 1654 het Delftse kruithuis ontplofte. De synchroniteit. “… ‘Wie zei ook alweer dat het toeval niet meer was dan Gods manier om anoniem te blijven?’…”. Theo wordt erdoor geobsedeerd. “Het puttertje” is het enige waar hij voor leeft, het verheft zijn ziel, het maakt hem gelukkig: “A thing of beauty is a joy forever”. Het wordt ontvreemd, maar duikt weer op, en uiteindelijk bezorgt het hem handen vol geld – meer zeg ik er niet over, want dit boek is een thriller, en moet dat natuurlijk vooral ook blijven…


Niet de vrolijkste
Eerlijk is eerlijk: na het spectaculaire begin zakt het middengedeelte van dit boek zo’n beetje in naar het nivo van een ouderwetse roadmovie. Maar ja; je kunt op de snelweg ook niet constant 130 blijven scheuren, toch?
Theo is niet de vrolijkste: “… Depressiviteit, dat was het juiste woord niet. Het was een onderdompeling in een verdriet en een walging die het persoonlijke ver te boven ging: een ellendige, allesoverheersende afkeer van de mensheid en elk menselijk streven sinds het begin der tijden. Het weerzinwekkende gewriemel van de hele biologische orde. Ouderdom, ziekte, dood. Niemand die eraan ontsnapt. Zelfs mooie mensen waren als zacht fruit dat elk moment kon gaan rotten. En toch bleven mensen maar neuken en fokken en nieuw vlees aanmaken voor het gapende graf, alsmaar meer levende wezens die gedoemd waren te lijden, alsof dat de verlossing bracht, alsof het juist was of zelfs moreel bewonderenswaardig; nog meer onschuldige wezens betrekken in het spel dat enkel verliezers kende. Spartelende baby’s en ploeterende, tevreden moeders die beneveld werden door hun hormonen. ‘Ooo, is hij niet schattig? Awww.’ Kinderen die schreeuwden en de glijbaan af roetsjten in de speeltuin zonder te beseffen in wat voor een hel ze later terecht zouden komen: een stomvervelende baan, een wurgende hypotheek, een slecht huwelijk, haaruitval, kunstheupen, eenzaam koffiedrinken in een leeg huis en een stomazak in het ziekenhuis. De meeste mensen leken tevreden met het decoratieve laagje glazuur en het kunstige podiumlicht die de fundamentele wreedheid van de menselijke conditie soms iets mysterieus gaven of minder weerzinwekkend deden lijken. Mensen gokten, speelden golf, legden een tuin aan, handelden in aandelen, hadden seks, kochten een nieuwe auto, deden aan yoga, werkten en baden, richtten hun huis opnieuw in, maakten zich druk om het nieuws, wonden zich op over hun kinderen, roddelden over hun buren, bogen zich over restaurantbeoordelingen, begonnen liefdadigheidsorganisaties, steunden politieke kandidaten, woonden de U.S. open bij, dineerden, reisden, zochten verstrooiing bij allerlei gadgets en apparaatjes, lieten zich van alle kanten overvoeren met informatie, met teksten en mededelingen en entertainment, alles om maar te vergeten waar we waren en wat we waren. Maar in een helder licht was het één grote ellende. Het leven was door en door verrot. Je uren volmaken op kantoor, braaf je tweeënhalve kind voortbrengen, beleefd glimlachen op het feestje voor je pensioen, daarna kauwen op je beddenlaken en je verslikken in de perzik uit blik in het verpleeghuis. Het was beter geweest als je nooit was geboren – nooit iets had gewild, nooit iets had gehoopt…”. Maar ach; misschien denken we er allemaal wel eens zo over als we ‘s nachts wakker liggen. “Lucht en leegte. Alles is leegte”. Prediker.

Het desondanks
Op het eind komt Donna Tartt mijns inziens weer helemaal terug, en maakt ze het lezen van dit boek alsnog méér dan de moeite waard, als ze Theo laat terugblikken op zijn leven, en hij de filosofische konsekwenties uit het gevangen (zit vast aan een kettinkje om zijn pootje), maar dappere (trekt zich niet terug, kijkt de wereld recht aan), puttertje trekt: “… Het schilderij heeft me ook geleerd dat we over de tijd heen met elkaar kunnen praten. En ik heb het idee dat ik iets heel ernstigs, iets heel dringends moet zeggen, niet-bestaande lezer, en ik heb het idee dat ik dat zo moet benadrukken dat het is of ik vlak bij u sta. Dat het leven – naast al het andere - kort is. Dat het lot wreed is, maar misschien niet toevallig. Dat de natuur (ofwel de dood) altijd wint zonder dat het betekent dat we er nederig voor moeten buigen. Dat, zelfs als we er niet altijd zo blij mee zijn, het toch onze taak is om ons in het leven onder te dompelen, om dwars door die zinkput naar de overkant te waden, met onze ogen en ons hart open. En als we bezig zijn weg te sterven, als we uit het organische verrijzen en er smadelijk in terugzinken, is het een glorieus voorrecht dat lief te hebben waar de dood niet aankomt.’…”. Verwonderd bedacht ik dat ik voor ‘Het puttertje’, wat mijzelf betreft, net zo goed ‘de Bijbel’ in kan vullen.
Over verlies en over troost, over lijden en over schoonheid, over schuld en over het desondanks…

Ik vind “Het puttertje” beter dan het tweede boek van Donna Tartt “De kleine vriend”(2002); maar het kan niet in de schaduw staan van haar debuut “De verborgen geschiedenis” (1992). Zo’n megabestseller schrijf je natuurlijk maar één keer in je leven.

Donna Tartt in de media:
http://nieuwsuur.nl/video/554656-wereldprimeur-donna-tartt.html
http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/300523

Uitgave: De Bezige Bij - 2013, 928 blz., ISBN 978 902 348 503 2, €24,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier