Menu

woensdag 18 mei 2011

De Bijbel van Doré – Torgny Lindgren


Dit verhaal speelt zich af in het hoge noorden van Zweden, Västerbotten; de geboortestreek van de schrijver. De sfeer is voelbaar anders dan bij ‘ons’: dieper, donkerder, zwijgzamer, mysterieuzer.

Hoofdpersoon is een op leeftijd gekomen, naamloze man (hij oefent in het boek alleen zijn handtekening, met de nadruk op ‘tekening’, die bestaat uit “een stukje oever van de Avabeek, drie struikjes, twee hoekige stenen en, om af te sluiten, nog twee kruipende stenen”: ik heb het zitten bekijken, maar ik kan er niets van maken...) die terugblikt op zijn leven, dat vooral geënt en geïnspireerd  blijkt op de platenbijbel van Gustave Doré, waar hij zo’n beetje alles vanaf weet. Hij kan niet lezen of schrijven; maar ieder streepje van Doré’s tekeningen ligt opgeslagen in zijn - op dit gebied - fotografische geheugen. Als hij zijn Doré-bijbel kwijt raakt tekent hij alle platen exact na; een bezigheid die hij bestempelt als zijn ‘levenswerk’. Toch blijft hij zijn echte Doré-bijbel missen. Op het einde van het boek vindt hij die onverwachts terug, terwijl het klaar ligt om te verdwijnen in een vuilverbrandingsoven. Uitzinnig van vreugde redt hij de platenbijbel, en rent er mee vandoor.

Wanneer er een groot Doré-jubileum nadert wordt de Doré-expert door de Zweedse Kerk gevraagd een herdenkingsboek voor dit evenement samen te stellen:
“… De crux, zei ik met enigszins bevende stem en een tong die droog en stijf was van de troosteloze inhoud van deze afschuwelijke bekentenis, de crux, zei ik met verholen pijn, de crux is dat ik niet kan schrijven. Maar hij (de man van de Kerk) antwoordde meteen: Dat hindert niets. Nee, dat is geen enkele belemmering. De Kerk kent vele consulenten en voorgangers die kunnen lezen noch schrijven...”. 

‘Huh’, denk je dan meteen, ‘waar slaat dit nou weer op?’. En dat is precies het rare aan dit boek. De verteller hangt af en toe zulke idiote praatjes op, dat je je gaandeweg af gaat vragen of het allemaal wel klopt wat hij zegt.

“… Hoe de afgezant van de Kerk de colonneweg bereikt heeft, is me een raadsel, hij moet struikelend en op de tast, met boomstammen als houvast, het glibberige pad zijn afgedaald. Ik heb geen hand uitgestoken, nee, ik dacht: als hij te pletter valt, dan is die kwestie ook uit de wereld…”.
Tsja, zo kun je er natuurlijk over denken. En zo kon het gebeuren dat dit boek het resultaat is van wat de hoofdpersoon tegen een opneemapparaat van het merk Sony MZN zevenhonderdtien zegt. Hij merkt op dat degenen die zijn verhaal gaan uitschrijven alles waarvan ze vinden dat het niet ter zake doet en overbodig is, gerust weg kunnen laten of veranderen, dus in hoeverre het uiteindelijke boek authentiek is, blijft voor de lezer een vraag zonder antwoord.

Er gebeuren veel mooie maar nog meer vervelende dingen met de hoofdpersoon. Hij ondergaat alles volkomen gelaten en in onverstoorbaar monter optimisme. Als een arts hem wil vertellen waaraan hij lijdt, zegt hij: “... Ik lijd niet. Mijn situatie is voor mij de enige normale...”.
Over zijn schooltijd: “... Nee, ik heb nooit leren lezen… Ieder jaar kreeg ik nieuwe klasgenootjes, ik volleerde me in het schoolgaan. Degenen die even oud waren als ik, mijn oorspronkelijke klasgenoten, werden van mij afgescheiden en doorliepen geheel volgens de regels klas na klas, zoals de natuur bedoeld heeft… Maar mijn nieuwe kameraden werden met het jaar kleiner, ik moest voortdurend buigen of bukken om met hen te kunnen praten, zodat mijn kromme rug krommer en krommer werd… Ook geestelijk maakte ik me kleiner. Tijdens de pauzes rende ik rond als een kip zonder kop, en ik deed mee aan de banale grappenmakerij over ontlasting en urine…”.
Zo leuk is dat allemaal niet. Toch bestempelt hij zijn schooltijd als de gelukkigste tijd van zijn leven. Als hij uiteindelijk op moet stappen, zegt hij: “... We huilden nog een keer samen, mijn onderwijzeres en ik. Mijn hand ging strelend over haar piekharen om haar te troosten…”.
Hij veronderstelt dat hij vervolgens naar de universiteit van Uppsala zal gaan, of misschien naar de Bosbouwhogeschool, en hij ziet de zomercursussen in Dalarna ook wel zitten. In plaats daarvan brengt zijn vader hem naar een instelling voor ‘onnozelen’. Maar ook dat accepteert hij zonder morren: “... Vaderliefde gaat zo diep en is zo raadselachtig dat wij kinderen die nooit zullen begrijpen...”.
Papa overhandigt hem een brief waarvan hij denkt dat zijn zoon hem toch nooit zal kunnen lezen. De verteller is ervan overtuigd dat de brief een onnoemelijke vaderliefde vertolkt, maar als deze in het verhaal openbaar komt, blijkt dat de vader niets dan walging voor zijn geestelijk onvolwaardige zoon kan opbrengen.
Deze over-intellectuele en haast autistisch aandoende vader verbouwt een kamer van zijn woning om tot laboratorium, waar hij op een dag de boel laat ontploffen. "... Alles was volledig weggevaagd (inclusief pa en ma zelf). Wat ik voor me zag liggen, datgene wat me moest worden getoond, was een krater, een diepe wonde in de flank van de Avaberg of juister gezegd zijn voet...". Maar ach: “... Het was gruwelijk. Hoewel er eigenlijk geen reden was om ontdaan of van streek te raken. Iets dergelijks gebeurt toch met vrijwel ieders ouderlijk huis?...”.
Een vrouw knoopt een relatie met hem aan, alleen omdat een partijprogramma van haar verwacht dat ze voor iemand zorgt. Hij zegt dat het gemakkelijk is om met haar te vrijen. Maar dat vrijen lijkt voornamelijk te bestaan uit het opsteken van haar haren. Hij ziet zichzelf als haar ‘secretaris’. Als ze uit de partij wordt gezet, dumpt ze hem direct.
Een pastor voegt hem toe: “... Het is buitengewoon jammer dat je onnozel bent. Anders had er warempel iets van je kunnen worden...”.
Het enige commentaar dat de verteller op alles heeft is: begrepen of niet-begrepen worden, wat maakt het uit? In beide gevallen leef je.  

In het verhaal wordt er veel gepraat over kunst en literatuur. De opa van de verteller heeft hem de hele wereldliteratuur uit de doeken gedaan. Hij voelt zich erg met hem verbonden. De moeder speelt Brahms voor hem. Althans dat denkt hij. Of het echt Brahms is, weet hij niet.
Als hij een keertje erg dronken wordt, merkt hij dat hij plotseling zomaar kan lezen: “… De letters stonden volkomen stil, ze rustten kalm en onverschillig voor mijn ogen in een voor het overige volslagen bandeloze wereld… Ik had nooit gedacht dat het onmiddellijke en naakte lezen, het lezen uit de eerste hand, zo schokkend en hartverscheurend kon zijn. Dat was het moment waarop ik besloot om nooit meer sterkedrank te drinken…”.

Het boek munt uit in onderkoelde humor. Ergens gaat het over “… een tolk die zo snel kon praten dat ze meestal zonder aarzeling leek te kunnen voorspellen wat iemand zou gaan zeggen, ze kon het van tevoren al vertellen…”. En over de directrice van het huis voor ‘onnozelen’: “… Ik kreeg het gevoel dat ze me niet alleen opnam met haar twee scherpe ogen, maar ook met haar pukkel…”. Zij wordt opgevolgd door een directeur die tijdens zijn studie plagiaat heeft gepleegd. In het verhaal wordt dat zo verdraaid dat de ontdekker van deze fraude uiteindelijk de schuld krijgt:  “… die overijverige student… die Fransman, die overigens half Italiaans was, diegene die om zo te zeggen zijn proefschrift een paar jaar voordat de directeur het zelf zou schrijven geplagieerd had…”.

Hoe mooi kan ironie zijn. Een prachtig stukje over ‘godsbewijzen: “… Omdat wij ons een volmaakte wereld kunnen voorstellen, moet het er zijn. Als het er niet is, dan is het niet volmaakt. Dus. En iemand moet het hele heelal in gang hebben gezet. Dus. De hele schepping is doelgericht en fraai, er is een achterliggende gedachte, er moet een schepper zijn. Dus. In ons bewustzijn is de gedachte aan God als vanzelfsprekend aanwezig. Dus. Alle volkeren stellen zich voor dat God bestaat, er is geen volk te vinden dat er niet een of andere God op na houdt. Behalve mogelijkerwijs de communisten. Dus. Bovendien is God bijzonder van nut. Dus. Daar komt bij het godsbewijs van Spinoza, die weliswaar erg duister is maar desondanks zonder meer houdbaar moet zijn omdat Spinoza erin geloofde…”.

Torgny Lindgren (1938) heeft een steeds weer door allerlei onverwachte plotwendingen buitengewoon verrassend, post-modern aandoend verhaal geschreven. Want wat is waarheid. Ieder brouwt zijn eigen waarheid: dit is enkel de waarheid van de verteller.
En die zegt op een gegeven moment: wat voor de een licht is, is voor de ander duisternis. Is de verteller gek of geniaal? Het blijft een raadsel.

Het boek is verluchtigt met enkele gravures van Doré. Hij wordt in het boek neergezet als een ‘middelmatig kunstenaar’: zijn kronkelige figuren ondergaan de vreselijkste kwellingen zonder enige gelaatsuitdrukking. En misschien is dat maar goed ook. Anders was het voor de verteller niet te verdragen.

De in 1980 rooms-katholiek geworden Lindgren wordt als een van de grootste hedendaagse auteurs van Scandinavië beschouwd. Zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald. Het doet mij een beetje denken aan de IJslandse auteur Halldor Laxness (waarover ik ook nog wel eens wat wil schrijven): ook zo noors en vol linken met oude, bijna vergeten sagen. Dit boek verscheen voor het eerst in 2005. Het is vertaald door Lia van Strien.

Uitgave: De Geus - 2010

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen