Menu

woensdag 2 januari 2013

Vrij man - Nelleke Noordervliet


Laten we het nieuwe jaar maar eens met wat ‘vuurwerk’ binnen vallen! “Vrij man. Het leven van Menno Molenaar”. Nelleke Noordervliet. Ik vond het fantastisch: letterlijk en figuurlijk. Ik was begonnen met “Het boek Henry”, de vertaling van de historische roman “Bring Up the Bodies” van Hilary Mantel, die daarmee voor de tweede keer de prestigieuze Man Booker Prize won, maar na een bladzij of vijf boeide het me nog steeds niet. Toen pakte ik het eveneens historische “Vrij Man”, wat me zo bij de kladden greep dat ik een paar dagen van de wereld was. Gaf niks: het was toch kerstvakantie. Zo persoonlijk kan lezen zijn dus…

Postmodern drama
Het fascinerende is dat Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 1945, Neerlandicus) zichzelf nadrukkelijk in het verhaal schrijft en een ontmoeting met haar 17de eeuwse hoofdpersoon arrangeert in Woodstock anno nu. Alsof hij op zijn Suske’s en Wiske’s verdwaasd uit een teletijdmachine komt rollen, of een late echo is van dat andere schitterende geschiedenisrelaas: “Kruistocht in spijkerbroek” van La Beckman. Ze ondervraagt hem, ze beschuldigt hem dat hij liegt en de helft niet vertelt, en op een gegeven moment gaat ze zelfs met hem naar bed.
‘Hoge’ en ‘lage’ cultuur; Nelleke Noordervliet vlecht het allemaal schitterend ineen, in een ongekend postmodern drama, wat haar – tot mijn verbazing - nogal wat kritiek heeft opgeleverd. Waarom ze niet een ‘gewoon’ geschiedenisboek schrijft… Maar dat is het hem nu juist: dit is geen geschiedenisboek, dit is een roman. En van mij mag in een roman alles, ook en misschien wel juist de dingen die niet kunnen. Dat is de vrijheid van het verhaal, de vrijheid die de kunst voor heeft op het echte leven. Zonder verbeeldingskracht zou er helemaal geen literatuur zijn. ‘Vrij man’ worden, valt dan misschien niet mee : “… De fuik in zwemmen, het weten en niets anders kunnen doen dan dat. De kop met de kieuwen achter het net steken. Wanneer ben je vrij? Nooit. Vrijheid bestaat uitsluitend als verlangen…”, maar ‘vrij vrouw’ zijn, gaat Noordervliet prima af. Ze heeft lak aan de regelen der kunst. Mooi zo!
Trouwens, het is maar de vraag of die ontmoeting niet kan, want het is duidelijk een treffen ‘in de geest’ en ‘vond strikt genomen niet plaats’, aldus de eerste zin van dit boek.
Dat is niet het enige dat “Vrij man” volgens sommigen nodeloos ingewikkeld maakt; het wordt ook nog eens vanuit verschillende perspectieven verteld. Nu staat er boven elke episode keurig de naam vermeldt van degene die aan zet is, dus hoe moeilijk kan dat nu helemaal zijn?! Mopperaars hierover verwijs ik ter oefening naar “De stad der blinden” van Jose Saramago en het wereldberoemde “Rayuela; een hinkelspel” van Julio Cortázar (van de laatste snap ik nog steeds geen laars). Overigens; ik denk dat dit soort commentaar meer zegt over luie lezers dan over getalenteerde schrijvers.
Ik heb gezegd.

Opkomst van de rede
Het boek beschrijft het levensverhaal van Menno Molenaar, armoedzaaier/theoloog i.o./drinkebroer/schuinmarcheerder/arts/jurist/dubbelspion/moordenaar/avonturier maar vooral ‘filosoof’ in de Gouden Eeuw. Het is de tijd waarin het bijgeloof zich langzaam terug gaat trekken in de duisternis waar het vandaan komt: “… Lies Tomboy, de vroedvrouw, kwam bij me met een zwartbehaard hondje, nog nat van de geboorte. Opgewonden vertelde ze dat ze bij een zwangere vrouw was geroepen die zes maanden in haar dracht weeën kreeg en na veel gekerm dit wezen produceerde, waarvan ze niet wist of het een mens of een dier was…”. Het is de tijd van de opkomst van de rede.

Vrijdenkers
Gedwongen theologie te studeren (een oom betaalt!) aan het strenge Statencollege in Leiden onder leiding van Jacob Revius – wat trouwens niet lang duurt, hij wordt betrapt met een hoertje, dat kan natuurlijk niet voor een toekomstige dominee -, beweegt hij zich als opstandige puber al snel in de kringen van vrijdenkers rond de Rijnsburgse lenzenslijper Baruch Spinoza. Adriaan en Johannes Koerbagh, Lodewijk Meijer, Descartes, jawel, hij kent ze allemaal. Hij wordt hulpje van een anatomieprofessor, en zuigt in de openbare snijzaal, het z.g. Theatrum Anatomicum, geobsedeerd praktische kennis op over de werking van het menselijk lichaam. Geneeskunde zal heel zijn leven zijn grote passie blijven. Hij heeft een morbide belangstelling voor de dood. Denkt daarmee het geheim van het leven te kunnen ontrafelen. Hij komt in de macht van een mecenas die een studie rechten voor hem financieert in ruil voor strengverboden homoseks en politieke infiltratie. Het brengt hem in de nabijheid van mannen als raadspensionaris Johan de Witt en de zeehelden Maarten Tromp en Michiel de Ruyter.

Contrasten in de Gouden Eeuw
Menno verkeert in de hoogste kringen maar voelt zich thuis aan de zelfkant:
“… Contrasten, daar hield hij van. Ze stelden hem voor raadsels. Hij stelde zichzelf voor raadsels. Zijn leven was een experiment. In hem keek – afwachtend achteroverleunend – de man toe die hij moest worden…”. Rauw tekent Noordervliet de overweldigende stank van de armoedige achterbuurten, de dodelijke ziektes, de immorele bordelen, de ranzige herbergen die hij bezoekt. Gewapend met medisch inzicht staat Menno zijn hospita bij in het op poten houden van een illegale abortuspraktijk.
Een aantal jaren geleden ben ik naar Madame Tussauds geweest in Amsterdam, waar de Gouden Eeuw ook in de schijnwerpers stond (geen idee of dat nog zo is). Enfin; we kwamen op een lieflijk binnenplaatsje terecht waar zwangeren en hartpatiënten werden geweerd (stront aan de knikker, dacht ik gelijk). Even later doken er een stel doodenge acteurs op, verkleed als waanzinnige misdadigers, die ons dwars door een donkere gevangenis met kooien vol krijsende gekken begonnen te loodsen. Ik heb een grote bek, maar een klein hartje. “Ik vind dit maar niks”, fluisterde ik tegen de studente die ons rondgidste. “Ga aan de buitenkant staan, die lui proberen altijd in het midden van de groep te komen”, siste ze terug. Aan haar dank ik zo niet mijn leven, dan toch mijn soepele passage door dat hellegat. De herinnering werd bij het lezen weer helemaal levend. Moraal van het verhaal: ook dit is de Gouden Eeuw. Het doet een beetje denken aan die andere duizelingwekkende hoerenroman: “Lelieblank, scharlakenrood” van Michel Faber.

Hij zoekt en vindt niet
Bijna 500 bladzijden lang rijgt Nelleke Noordervliet teksten aan elkaar die af en toe de tranen in mijn ogen deden springen, zo mooi - en dat zonder ook maar ergens in te zakken: “… De anderen zouden er niet moeten zijn. Ze kijken je in een vorm die je niet wilt hebben…”. Een katholieke vrouw in een gebed voor Menno: “… ‘Lieve Moeder Maria, wees mijn voorspraak bij Uw zoon naast wie U in de hemel zit. Ik breng U hier een kind Gods, dat zijn God niet kent. Waarom kent hij zijn God niet? De hele schepping is immers getuige van zijn bestaan? Houdt hij zijn ogen stijf gesloten omdat hij bang is voor zijn macht en majesteit? Heeft hij wegen ingeslagen die hem naar duistere oorden leidden, waar het licht van de waarheid niet kan doordringen? Is hij het lam dat verdwaald is? Neem hem bij de hand en leid hem terug naar de kudde. Hij heet Menno Molenaar en hij staat naast me. U ziet hem wel staan. Hij schaamt zich. Hij vindt het gesprek met U een verderfelijke vorm van bijgeloof, want hij vertrouwt op het instrument van de rede, en zijn verstand zegt hem dat ik als een dwaas zit te praten tegen verf op hout, nog wel op mijn knieën, en dat een prentje geen oren heeft. En zelfs al aanvaardt hij de afbeelding van U als een symbool, dan nog ziet hij geen enkel bewijs in deze materiële wereld voor Uw lichaamsloze aanwezigheid. Hij worstelt innerlijk. Hij zoekt en vindt niet. Geef dat ik hem door Uw kracht de liefde Gods mag laten ervaren. Amen…”.

Een verpletterde ziel
Als Menno geen kant meer op kan, doodt hij zijn manipulerende mecenas, en verdwijnt naar de ‘Nieuwe Wereld’ om een tweede leven op te bouwen. Hij sluit zich aan bij andere emigranten, trouwt, en vergaart rijkdom. Maar ook in die verre, ruige wereld, wachten de boeien van godsdienst en familie: “… Wee het schaap dat van de kudde dwaalt, wee degene die een andere god aanbidt, die een ander kerkgenootschap bezoekt, die een vreemde autoriteit erkent. En hij voer voort over de suprematie van de Nederduits Gereformeerde Kerk, die onder druk kwam te staan van de Engelse gezagsdragers die hun eigen opvatting van het Woord van God als wet wensten te stellen, ‘en dat terwijl wij allen weten dat zij dwalen in schemering’. Het woord ‘duisternis’ wilde hij in zijn grote verdraagzaamheid niet gebruiken, omdat hij de mogelijkheid van bekering openhield; de ene sekte was immers de andere niet. En nader dan de verachtelijke roomsen stonden toch de puriteinen. Onderscheid mocht worden gemaakt in de omgang met andersdenkenden, maar vermenging was streng verboden. De leer moest zuiver worden doorgegeven van vader op zoon. Wie laks en toegeeflijk was riep niet alleen de toorn van God (‘ophangen in de zon!’) over zich af, maar vooral de toorn van de dominee en de afkeuring van de hele gemeenschap. Het volk boog het hoofd en dacht aan de maaltijd, aan de oogst, aan de handel, aan de dood, aan liefde en haat, aan een zijden japon, een ziek paard, aan het bleke lichaam van de dominee onder de zwarte toga, aan kots en angst, aan zwangerschap, rum, huis, sneeuw, aan water om in te verdrinken, aan de aard van de zonde, aan verrukking, aan geld, aan de goedheid van God, aan Spinoza. Die laatste was Menno Molenaar…”.
Dit zegt een vriend over hem: “… Hij zoekt iets dat nergens te vinden is, niet in de Bijbel, niet bij de wilden, niet in drank of seks, maar leer mij mensen kennen. De zoektocht naar het geheim, het binnenste van de aarde zal ik maar zeggen bij gebrek aan een betere term, verplettert je ziel. Zo. Foei! Donders! Ik krijg het er helemaal benauwd van…”.
En dat heeft die vriend goed bekeken, want al dat gezoek naar het ‘authentieke zelf’ blijft vruchteloos, omdat iets als een ‘authentiek zelf’ volgens psycholoog Paul Verhaeghe (zie mijn blog van 10.10.’12) helemaal niet bestaat. Onze identiteit ontlenen wij aan onze omgeving – daar is dit boek maar weer eens het bewijs van: “… Het maakt niet uit in welke tijd je woont. Wie zich losdenkt, hangt…”.

Vergezichten van een Godloze samenleving
Aan het eind van zijn leven is Menno misschien ‘klaar’ met God, maar veel levert hem dat niet op: “… Welke leidraad voor goed en kwaad neem ik? Veel anders dan die van de dominee zal het niet zijn, afgezien van diens kleinzielige gelijkhebberij, de angstige dwang van de ene ware kerk. De tien geboden van Mozes staan nog altijd gebeiteld. Maar ik heb de helft ervan overtreden en de grootste misdaad begaan. Hoe moet ik leven? Zeg me hoe ik moet leven…”. Leegte, zinloosheid, wanhoop.
“… Een schorpioen was hij met de staart gericht op het eigen hart…”.
Zo fraai zijn de vergezichten van een Godloze samenleving nu ook weer niet…

Uitgave: Augustus - 2012, “Vrij man” is voor €19,95 rechtstreeks te bestellen bij internetboekhandel IZB-Ark als je hier klikt (voor meer informatie over IZB-Ark: zie kolom hiernaast).

Uitgave: Augustus - 2012

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen