Menu

zondag 29 juni 2014

Gebed voor de vermisten – Jennifer Clement


Een boek als gebed. Jennifer Clement studeerde literatuur in New York en Parijs en schreef het. Ze woont in Mexico-Stad en won met “Prayers for the Stolen” (vertaalt door Molly van Gelder), waarvoor ze tien jaar lang onderzoek deed naar vrouwen die het slachtoffer werden van geweld in Mexico, de NEA Fellowship in Fiction. Het verhaal speelt zich af in de Mexicaanse drugswereld waar vrouwen worden gestolen en verhandeld als seksslavin. Worden onderworpen aan dwangarbeid en schuldslavernij. Worden gedwongen op te treden in pornofilms.
Clement: “… Een vrouw wordt soms diverse keren doorverkocht en zelfs tientallen keren per dag verhuurd als prostituee, terwijl een pakje drugs maar één keer wordt verhandeld…”. De slachtoffers zijn allemaal jong, arm en mooi. “… Jarenlang hoorde of las ik: ze is verdwenen; ze is nooit meer teruggekomen; ze zou vandaag zestien zijn geworden; ik bid om een teken; ze is vermist; ze is ontvoerd door een stel mannen; als ik naar de politie stap, lachen ze me uit; ze liep gewoon over straat, ze liep over straat; ze heeft nooit teruggebeld; ik zie haar elk moment binnenkomen; die man weet waar mijn dochter is; hij heeft nog andere meisjes ontvoerd; ik voel dat ze nog leeft; ze hebben iemand op mijn dochter af gestuurd; ze hebben iemand op mijn dochter af gestuurd …”.
Jennifer Clement schreef eerder “Een waar verhaal gebaseerd op leugens”, dat de mishandeling van huispersoneel in Mexico als onderwerp heeft. Als je het hebt over geëngageerde literatuur…


De lelijkheidssalon
Natuurlijk is dit een gruwelijk verhaal, maar tegelijk zo mooi, dat het iets weg heeft van een sprookje. Trouwens, sprookjes zijn ook vaak gruwelijk: Hans en Grietje, Roodkapje…
Meisje Ladydi Garcia Martinez woont middenin de subtropische rimboe op een berg in de criminele drugsstaat Guerrero: “… Een heet gebied met rubberplanten, slangen, leguanen, schorpioenen, van die lichtgekleurde, doorschijnende schorpioenen, die je moeilijk kunt zien en dodelijk zijn…” (en dan heeft ze het nog niet over de muggen en de mieren en de spinnen: tarantula’s, zwarte weduwen – dát soort).
Ze leeft samen met haar bierdrinkende moeder die alles steelt wat los en vast zit, “… In deze streek wonen de meest woeste, kwaadaardige mensen van de wereld, en daar zijn we trots op, zei mijn moeder…”, en dag en nacht naar History Channel kijkt omdat ze verzot is op geschiedenis. Daarom zegt ze dingen als dat de geblindeerde SUV’s, waar drugsdealers met machinepistolen in rond rijden, een soort paard van Troje zijn. En dat het op het platteland wel het Romeins Rijk lijkt, vanwege alle ongevraagde bemoeienis uit de grote stad.
Op de berg wonen alleen moeders. Met hun kinderen. De vaders vertrekken doorgaans illegaal naar Amerika, om daar hun geluk te beproeven. Als ze al terug komen brengen ze aids mee. Soms sturen ze een beetje geld.
Omdat de moeders bang zijn dat drugsbendes hun dochters zullen stelen verkleden ze ze als zonen: “… Bij ons op de berg werden alleen jongetjes geboren, maar als ze een jaar of elf waren veranderden sommigen in meisjes. En daarna moesten de jongens lelijke meisjes worden, die zich soms in holen onder de grond moesten verstoppen…”. Ruth, ooit een vuilnisbakkenbaby, die huilend “… tevoorschijn was gekomen uit een zwarte plastic vuilniszak, vol vuile luiers, rotte sinaasappelschillen, drie lege bierflesjes, een colablikje en een in kranten gewikkelde dode papegaai…”, drijft een schoonheidssalon, of eerder: een lelijkheidssalon, waarin ze de meiden van het dorp niet mooi maar lelijk maakt (later komt die vuilniszak weer prachtig terug, als de broer van een vriendinnetje een pistool blijkt te bezitten: “… Mike’s verhaal was dat hij het pistool bij de weg had gevonden, in een grote, zwarte plastic vuilniszak die was opengebarsten. Het wapen lag daar te glanzen tussen stukjes eierschaal. Ik geloofde het. In vuilniszakken was immers van alles te vinden…”).
Ladydi: “… Toen ik wat ouder was wreef ik met gele of zwarte marker over het witte glazuur van mijn tanden, zodat het leek of ze rot waren. Niks walgelijker dan een rotte bek, zei mijn moeder…”.
De berg heeft iets weg van een konijnenhol; zo gauw er het geluid van een auto wordt gehoord, verdwijnen de meisjes in gaten in de grond, die de moeders hebben gegraven. Je kunt maar beter geen meisje zijn.

Het mooiste meisje van Mexico
Nooit zijn er gestolen meisjes teruggekeerd naar de berg, behalve Paula: het mooiste meisje van Mexico. Zwijgend en met haar gezicht naar de grond kwam ze de weg aflopen alsof ze kiezelsteentjes volgde. Haar moeder nam haar op schoot en liet haar daarna melk drinken uit een flesje. Voerde haar met een klein lepeltje baby-eten uit een potje. Jennifer Clement heeft maar een paar woorden nodig om te vertellen wat er met Paula is gebeurd: een drugsbaron heeft de onschuld uit haar jonge lichaam geperst.
Ladydi ontdekt dat Paula’s linkerarm onder de brandplekjes zit van uitgedrukte sigaretten. Dat doen alle seksslavinnen zegt Paula, “… Als we dan ergens dood worden gevonden, weet iedereen dat we gestolen zijn. Dat is ons merkteken. Mijn brandwonden zijn een signaal…”.
Ladydi vertelt hoe ze Paula ooit in de klas afgesponst hebben met water uit de wc-pot omdat ze doorweekt met paraquat binnen was komen vallen - de legerhelikopters die de papavervelden moeten vernietigen lozen het giftige sproeimiddel lukraak boven het regenwoud, om er vanaf te zijn. De soldaten willen niet tussen de stalen kabels terecht komen die over de gewassen zijn gespannen of neergeschoten worden door met machinegeweren bewapende drugsboeren.

Flipperkast
Ladydi mist haar verdwenen, vrolijke vader mateloos. Hoe het ging als hij ’s avonds tegen achten thuis kwam van zijn werk: “… We hoorden hem al voor we hem zagen, omdat hij liep te zingen en zijn stem door de donkere bananen- en meloenbomen schalde. Als hij dan eindelijk in de deuropening verscheen, deed hij zijn ogen dicht en spreidde zijn armen. Wie mag ik het eerst knuffelen? vroeg hij dan. Dat was altijd mijn moeder. Ze ging keihard op mijn voet staan, duwde me weg of liet me struikelen, zolang ik maar niet het eerst bij hem was…”.
In een dronken bui vertelt haar moeder echter dat haar vader vreemd gaat met iedere vrouw die hij tegenkomt: “… En toen barstte ze in tranen uit, een stortvloed van tranen. Mijn moeder veranderde in een gigantische wolkbreuk…”. En nog veel erger, ze vertelt ook nog dat hij de vader is van haar beste vriendinnetje, Maria, die werd geboren met een hazenlip – de straf van God: “… Ze leek de woorden in haar hand te willen uitspuwen als olijven- of pruimenpitten, als een stuk taai vlees dat ze niet kon weg krijgen. Ze leek de woorden met haar hand te willen vangen toen ze de kamer in schoten en mij bereikten. Haar woorden leken met een veer naar binnen te springen. Mijn lichaam was een flipperkast en de woorden stuiterden als metalen balletjes langs mijn armen en benen en rond mijn nek, tot ze in het gat vielen waar mijn hart eruit was gerukt…”. Heeft een schrijver ooit beter totale onthutsing omschreven?
Maria lijkt inderdaad sprekend op haar vader: ‘alsof ze uit een kopieermachine is gekomen’. Daarom is Ladydi naar prinses Diana genoemd, vertelt haar moeder. Niet alleen omdat die zo mooi was, maar uit eerbetoon, omdat ze ook werd belazerd door een schuinmarcheerder.

Wollendekenbliksem
Na school komt Ladydi in een enorme villa in Acapulco terecht waar ze als kindermeisje voor een rijk jongetje zal gaan zorgen, maar de enige aanwezige is een oude huishoudster van in de zeventig. En later een jonge illegale tuinman, op wie ze stapelgek wordt: “… Hij liep halsoverkop mijn lichaam binnen. Hij klom via mijn ribben in me omhoog. Ik dacht: bid voor ladders…”. Heeft een schrijver ooit beter totale verliefdheid omschreven?
Via het nieuws horen ze dat de familie is vermoord. Met z’n drieën wachten ze af. Er gebeurt niets. Maandenlang bemint Ladydi haar tuinman klappertandend onder een stapel dekens in de echtelijke slaapkamer - ze heeft de airco op iglostand gezet. Kou als luxe: “… Ons bed werd verlicht door knetterende elektrische vonkjes. Behalve in de lucht hadden we zoiets nog nooit gezien. We vreeën in de wollendekenbliksem…”. In de wereld van Ladydi zitten mensen om een wagenwijd geopende koelkast zoals wij om de open haard.

En nu maar bidden dat het een jongetje is

Natuurlijk kan dat allemaal niet goed gaan. Op een dag komt de politie Ladydi inrekenen. Ze bewaart een pakje heroïne voor een jongen die een beroemde drugsbaron en zijn dochtertje heeft vermoord - het wordt onder haar matras wordt gevonden. Hij heeft haar naam genoemd. De oude huishoudster schieten ze achteloos neer (een leven is in Mexico niks waard – zegt de moeder van Ladydi). De tuinman is hem allang gesmeerd. Ladydi wordt als verdachte naar de vrouwengevangenis in Mexico-Stad gebracht.
Als je wil weten hoe het toegaat in zo’n gevangenis, als je wil weten waarom sommige vrouwen dievegges of moordenaressen worden, moet je dit boek lezen.
Ondanks de rauwe en harde inhoud brengt Jennifer Clement haar verhaal met een ongekend gevoel voor humor: “… Vanwaar ik stond zag ik Violetta voetballen met een brandende sigaret in haar mond. Al heen en weer rennend rookte ze gewoon door. De brandende peuk bleef bij alles wat ze deed aan haar lip hangen. Wanneer ze een kluwen om de bal vechtende vrouwen naderde, gooide ze haar hoofd in haar nek, een gebaar dat me deed denken aan een vogel die water drinkt. Dat deed ze zodat niemand zich aan de hete peuk zou branden… ”.
Ondanks alles, wint het gevoel van zusterschap (Mexico is van de vrouwen – zegt de moeder van Ladydi). Wint het leven. Op een dag komt de moeder van Ladydi haar samen met Maria ophalen met een taxi: beneden de achttien mogen ze je niet vasthouden. Later die middag zullen ze een gesprek hebben met mensen van de Sociale Dienst die Ladydi waarschijnlijk in een jeugdgevangenis willen stoppen. Dat zal niet gebeuren. We gaan naar Amerika, kondigt de moeder van Ladydi aan, en daar ga ik de borden van heel het land wassen.
“… Ik moet jullie iets vertellen, zei ik. We zitten met z’n vijven in de taxi. Ik wees op mijn buik. Er zit een baby in, zei ik. Mijn moeder knipperde niet met haar ogen, hapte niet naar adem en vertrok geen spier, en toen gaf ze me een zoen op mijn ene wang. En Maria gaf me een zoen op de andere. Ze kusten me, maar ze kusten niet mij. De kus was al voor mijn kind. Mijn moeder zei: En nu maar bidden dat het een jongetje is…”.
Never give up!

Uitgave: De Bezige Bij – 2014, vertaling Molly van Gelder, 238 blz., ISBN 978 902 348 289 5, €17,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen