Menu

vrijdag 19 februari 2016

Het kind van Noach – Eric-Emmanuel Schmitt


Met dank aan de lezer die mij op deze schrijver attendeerde, én met dank aan de lezer die mij dit boek ter beschikking stelde. Evenals in “Ik ben verboden” (zie mijn vorige blog) gaat het in “Het kind van Noach” over een joods jongetje in de Tweede Wereldoorlog die ook nog eens Joseph heet. Daar houdt de gelijkenis op, want zo gruwelijk als het eerste, zo sprookjesachtig is het laatste verhaal. Ik moest denken aan wat godsdienstfilosoof Leen den Besten in "Keulen: Kalifaat Light en de Fallout van een conflict" schreef over de ‘januskop’ van geloof: “… Religie kan fungeren als kracht ten goede en als kracht ten kwade. Welke kracht zegeviert, hangt niet van de religie af, maar van de aanhangers van die religie…”. Eric-Emmanuel Schmitt (1960) is een gelauwerde Franse auteur, toneelschrijver en filmmaker. Tegenwoordig woont hij in België. Zijn boeken zijn in meer dan 35 talen vertaald.

Toverster

Brussel 1942 – De zevenjarige joodse Joseph draagt een jas met een gele ster die zijn vader, een handige kleermaker, zo heeft aangebracht dat hij die kan wegmoffelen en weer tevoorschijn halen, als dat nodig is. Een ‘toverster’ zegt zijn moeder. Ze brengt hem naar een rijke gravin, een ‘hoogedel-geboren’ dame uit een ‘oude’ familie: Comtesse de Sully. Het valt een beetje tegen: de dame is heel jong en bijna net zo klein als Joseph. Hij breekt zich het hoofd over of hij misschien dan ook wel van adel is. Hoe langer het duurt voor zijn moeder terug komt, hoe meer zorgen de dame zich maakt. Als ze maar niet opgepakt is door de politie omdat ze joods is: “…’Wat is ze?’ vroeg ik. ‘Ze is joods.’ ‘Nou en? We zijn allemaal joods in onze familie. Ik ook, hoor.’ Omdat ik gelijk had, zoende ze mij op beide wangen. ‘En jij, ben jij joods, mevrouw?’ ‘Nee. Ik ben Belgisch.’ ‘Net als ik.’ ‘Ja, net als jij. En christen.’ ‘Christen, is dat het tegenovergestelde van joods?’ ‘Het tegenovergestelde van joods is nazi.’ ‘Word je niet opgepakt als je christen bent?’ ‘Nee.’ ‘Dus is het beter om christen te zijn?’ ‘Dat hangt ervan af met wie je te maken hebt.’ …”. De gravin ontfermt zich over Joseph, terwijl zijn ouders een ander heenkomen zoeken. Zoveel speciale zorg voor hem sterkt zijn vermoeden dat hij toch echt van adel is. Als er agenten binnen vallen bekt de piepkleine gravin hen met succes af: “… ‘Je hebt een van mijn geheimen ontdekt, Joseph, een van mijn vrouwentrucjes.’ ‘Wat dan?’ ‘Dat je de ander moet beschuldigen in plaats van je onschuld aantonen. Aanvallen als je verdacht wordt. Van je af bijten in plaats van in je schulp kruipen.’ ‘Is dat alleen iets wat vrouwen mogen doen?’ ‘Nee. Jij kunt het ook proberen.’ …”. Toch is ze bang dat het bedrog aan het licht komt, en wordt Joseph meegegeven aan vader Puym, een priester, die met hem achterop 35 kilometer door de druilerige regen naar een dorp fietst, waar ze aankloppen bij een aartslelijke apothekeres, juffrouw Marcelle. Ze maakt valse papieren voor hem. Joseph is doodsbang voor haar. Ze vloekt - ‘Sakkerju’ is haar bijnaam - en gromt en zegt dat ze van niemand houdt als de priester haar een ‘goed mens’ noemt. Sakkerju vindt dat de priester Joseph op moet nemen in het ‘Gele Huis’, zijn kostschool, maar hij heeft geen voedselbonnen. Geen nood – met behulp van Joseph steelt ze die uit het gemeentehuis. Op het internaat wordt een van de groteren tegen diens wil Joseph’s mentor: de slungelige, dommige, depressieve Rudy.
“… ‘Waarom wil jij mijn mentor niet zijn?’ ‘Omdat ik het boze oog heb. Als er een steentje tussen de linzen zit, ligt dat in mijn bord. Is er een stoel gammel, dan breekt die zodra ik erop ga zitten. Als er een vliegtuig neerstort, valt het op mijn kop. Waar ik ga, heb ik pech en breng ik pech. De dag dat ik werd geboren, raakte mijn vader zijn baan kwijt en begon mijn moeder te huilen. Als je mij vraagt een plant te verzorgen, gaat hij dood. Als je mij een fiets leent, gaat hij kapot. Ik heb de dood in mijn vingers. Wanneer de sterren naar mij kijken, rillen ze. En de maan knijpt zijn billen dicht. Ik ben een regelrechte ramp, een vergissing, een vloek, de wandelende tegenspoed, een echte slamassel.’…”. Van meet af aan neemt de kleine Joseph zijn zestienjarige mentor onder zijn hoede. Binnen de kortste keren zijn ze de grootste vrienden.

Eerbied
Vader Puym stuurt al zijn kinderen naar de katholieke kerk, maar zegt erbij dat ze mogen geloven wat ze willen. Het gaat erom niet op te vallen. Joseph heeft echter reuze zin om een katholiek weesje te worden: “… Joods zijn betekende op dat moment ouders hebben die niet in staat waren voor mij te zorgen, een naam hebben die je beter kon veranderen, voortdurend mijn emoties in bedwang houden en liegen. Wat had ik er dan aan? …”. Vader Puym is het niet met hem eens. Hij vindt dat Joseph joods moet blijven, zodat hij de tradities van zijn oeroude volk door kan geven. Zeker nu Hitler van plan is het joodse volk compleet te vernietigen – met de christenen erbij, als het aan hem zou liggen. Als de kostschooljongens in een rij langs de apotheek van juffrouw Marcelle lopen, die snuivend op de stoep staat, smaalt ze: “… ‘Op naar de volksverlakkerij. Stop hun hoofden maar vol wierook! Geef hun maar hun dosis opium! U denkt hen daarmee te helpen, maar het is allemaal vergif! Geloof nog het meest!’ ‘Goedemorgen, juffrouw Marcelle,’ antwoordde vader Puym met een glimlach. ‘Als u boos kijkt, bent u op uw mooist, zoals elke zondag.’…”. Op een zeker moment merken Rudy en Joseph dat vader Puym zich s’ avonds stiekem voor een paar uur terugtrekt in een verlaten kapelletje achter in de tuin van het internaat. Ook komt er een raadselachtige leverancier spullen afleveren. Uiteindelijk ontdekt Joseph dat vader Puym in een geheime kelder onder het kapelletje een verzameling joodse spullen heeft aangelegd. Een soort ark van Noach, voor als Hitler het Jodendom voorgoed met wortel en tak uitroeit. Vader Puym is zichzelf zelfs Hebreeuws aan het leren, en wil het Joseph ook bijbrengen. Er ontspinnen fantastische discussies:
“… ‘Joseph, jij zou willen weten welke van de twee het ware geloof is, maar dat zijn ze geen van beide! Geen enkel geloof is waar of niet waar, een geloof is een manier van leven.’ ‘Hoe kan ik nou godsdiensten respecteren als ze niet waar zijn?’ ‘Als je alleen maar de waarheid respecteert, respecteer je niet veel. Het enige waar je dan respect voor hebt, is 2 + 2 = 4. Maar daarnaast krijg je met allerlei onzekerheden te maken, zoals gevoelens, normen, waarden, keuzes – allemaal wankele en veranderlijke constructies. Geen rekensommetjes. Respect heeft niet betrekking op dat wat vaststaat, maar juist op dat wat in overweging wordt gegeven.’…”. De Gestapo overvalt het Gele Huis tijdens de communie: de kinderen die niet in de kerk zitten zijn vast joods. Een gesimuleerde besmettelijke ziekte houdt het gevaar af. Bij een tweede overval staan er besneden jongetjes onder de douche. Joseph heeft nooit beseft dat hij besneden is. Het is nogal een schokkende vaststelling. Een Duitse officier houdt hen de hand boven het hoofd; niet iedereen is slecht. Joseph denkt dat God de kinderen heeft geholpen. Vader Puym, die weer een beetje vertrouwen in de mensheid heeft gekregen, vindt dat gevaarlijke kletspraat: “… ‘De mensen doen elkaar onderling kwaad en God bemoeit zich er niet mee. Hij heeft de mensen als vrije wezens geschapen. Dat betekent dat wij lijden en lachen zonder dat dat iets met onze goede of slechte eigenschappen te maken heeft. Welke verschrikkelijke rol wil jij God toebedelen? Kun je je ook maar een seconde voorstellen dat iemand aan de nazi’s ontkomt omdat God hem liefheeft, terwijl de ander wordt gevangengenomen omdat God een hekel aan hem heeft? God bemoeit zich niet met onze zaken.’ …”. Soms vraagt vader Puym zich af of hij niet beter joods had kunnen worden in plaats van christen: “… ‘Het joodse geloof legt de nadruk op eerbied, het christelijke geloof op liefde. Dan vraag ik me af: is eerbied niet van wezenlijker belang dan liefde? En bovendien beter in praktijk te brengen… Mijn vijand liefhebben, zoals Jezus voorstelt, en hem mijn andere wang toekeren, dat vind ik bewonderenswaardig maar ondoenlijk. Vooral in deze tijd. Zou jij Hitler je andere wang toekeren?’…”. Op een soort van Belgische dolle dinsdag pakt de Gestapo juffrouw Marcelle op omdat ze vol vervoering de Brabançonne speelt op het orgel in de kerk en moeten de kostschoolkinderen vluchten omdat in haar huis de negatieven van de foto’s op hun vervalste papieren worden gevonden. Niet lang daarna bevrijden de Engelsen Brussel en vindt Joseph zijn ouders terug. Dat valt niet mee: na drie jaar zijn ze vreemden voor hem geworden. Als hij vader Puym op gaat zoeken blijkt deze zijn joodse verzameling te hebben ingeruild voor een Russische verzameling: “… ‘Stalin zal uiteindelijk de Russische ziel doden: ik verzamel nu werken van dissidente dichters.’…”. Daarna volgt er nog een verzameling van indianen uit Amerika, een Vietnamese verzameling en een verzameling van Tibetaanse monniken. Voor de oorlog was er nog een verzameling ‘negerkunst’, omdat de blanken de zwarten zo verachtten in Belgisch Kongo: “… Door de kranten te lezen kon ik voorspellen wanneer vader Puym me bij mijn volgende bezoek zou vertellen: ‘Ik begin een verzameling.’…”. Rudy wordt boer in Israël, waar Joseph hem vaak gaat opzoeken. Tijdens zo’n bezoek haalt Joseph een bende met elkaar vechtende joodse en Palestijnse jongens uit elkaar. Na afloop raapt hij een keppeltje en een Palestijnse sjaal op: “… ‘Wat doe je?’ vroeg Rudy. ‘Ik begin een verzameling.’…”.

Het goede
Vader Puym krijgt de titel van rechtvaardige toegekend door het Yad Vashem instituut. “Het kind van Noach” is gebaseerd op een waargebeurd verhaal: tijdens de oorlog redde ene Joseph André (1908-1973), een onderpastoor, 271 kinderen van de concentratiekampen. In 1968 kreeg hij als dank van de Israëlische staat de eretitel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’. Op zijn graf staat een kruis én een joodse davidster.
"Het kind van Noach" is onderdeel van vier kleine, toverachtige novellen (de anderen: “"Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran", "Oscar en oma Rozerood" en "Milarepa") over interreligieuze relaties, gezien, gevoeld en verteld door een kind, die een wijze volwassene ontmoet. Kinderen en ouderen zijn kwetsbaar en hebben anderen nodig. In de kindertijd en de ouderdom zijn mensen het meest contemplatief en geneigd tot nadenken over het leven. In verband met de instroom van asielzoekers wordt er vaak en veel gesproken over ‘onze waarden en normen’. Wélke waarden en normen blijft meestal vaag: alsof we ons een beetje schamen iets ronduit ‘goed’ dan wel ‘slecht’ te noemen. Schmitt is daar niet bang voor. Het gaat hem om schoonheid, aanvaarding en troost. Hij groeide op in een atheïstisch milieu, verdiepte zich als tiener in Freud en Nietsche die zijn nihilistische denken bevestigden, en werd bewust agnost. Op zijn 29ste verdwaalde hij tijdens een voettocht door een woestijn. Hij overleefde dertig uur zonder eten en drinken. In de volstrekte eenzaamheid die hem overkwam had hij een mystieke ervaring waardoor hij gelovig werd. Hij omhelst geen specifieke religie maar gelooft in een goddelijke kracht. Hij doet me een beetje aan Philippe Claudel denken.

Uitgave: Atlas Contact – 2005, vertaling Eef Gratama, 157 blz., ISBN 978 904 501 401 2
Dit boek is op het moment helaas niet leverbaar via Bol.com

3 opmerkingen :

  1. http://www.schrijverinfrankrijk.nl/2008/10/vertaalperikelen-wie-te-braaf-is/

    BeantwoordenVerwijderen
  2. http://www.boekwinkeltjes.nl/s/?q=het+kind+van+noach&zip=&dist=0&lang=&tl=NL&img=0&t=1&n=1&prijsvan=0.00&prijstot=

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Bedankt voor het mooie overzicht van dit boek!

    BeantwoordenVerwijderen