Menu

woensdag 6 juli 2016

Demian – Herman Hesse


Tjeu van den Berk - zie mijn vorige blog - noemt “Demian” (1919), een nog steeds pakkend verhaal van de Zwitserse schrijver en dichter Herman Hesse (1877-1962), de meest jungiaanse roman ooit. Hesse en Jung kenden elkaar. Hesse onderging psychotherapie bij een leerling van Jung, Joseph Lang, en later bij Jung zelf. In 1946 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.

Crisis

Volgens Jung gaat het er in het leven om dat wij ‘onszelf’ worden via een zogenaamd ‘individuatieproces’. Allerlei mythen, sprookjes en legenden hebben het daar over. Of het nu gaat om Boeddha of Christus, Parsifal of Hercules, Odysseus of Osiris, steeds legt de held een zelfde weg af. Van den Berk: “… Meestal vindt de geboorte in het verborgene plaats, onbereikbaar voor de gevaarlijke, duivelse krachten, die hen willen doden. De kindertijd ontstegen, gaat onze held de strijd aan met deze krachten. De held moet op de een of andere manier daarvoor ‘de draak’ opzoeken in zijn hol, de bewoonde wereld verlaten, in de onderwereld afdalen en het gevecht met het ‘Ungeheuer’ aangaan. Daarmee komt op de een of andere manier de weg vrij voor het vinden van de schat. De held komt terug met die schat en laat zijn medemensen erin delen…”. Het aparte is eigenlijk, dat de ik-persoon in “Demian”, de puber Emil Sinclair – die staat voor Hesse zelf, naar mijn gevoel de schat helemaal niet vindt, laat staan zijn medemensen ervan laat mee genieten. Van den Berk over het ‘bewustwordingsproces’ dat ieder mens idealiter dient te ondergaan: “… Het bewustzijn moet zelf afdalen in het onbewuste. Daar komt het op krachten maar daar kan het ook verslonden worden. Dit proces zien we overal uitgebeeld. Of het nu Jona en de grote vis is, Roodkapje en de wolf, Osiris en Seth, Joris en de Draak, of we in de loden kist (Osiris), in het graf (Christus) of in een glazen kist (Sneeuwwitje) begraven worden, steeds is daar weer een noodzakelijke overgangsfase in onze menswording, een die via desintegratie naar herintegratie leidt. Je kunt dit ook anders zeggen: het is een onontkoombare voorwaarde voor geestelijke volwassenwording dat je regressieve stappen moet zetten, in retraite moet gaan, een ‘Nachtmerfahrt’ moet aangaan net zoals de zon in de Egyptische mytholgie…” (ik moest denken aan de mensen in mijn blog over “Wat burnout met je doet” die achteraf allemaal zeggen veel van hun crisis te hebben geleerd).

Heaven and hell
Hesse in het voorwoord van “Demian”: “… In ieder mens heeft de geest gestalte gekregen, in ieder mens lijdt het schepsel, in ieder mens wordt een verlosser gekruisigd…”. Zijn verhaal begint als Emil Sinclair tien jaar is, en zich uiteenzet over twee tegenovergestelde werelden die door elkaar heen lopen: heaven and hell. De lichte, ordelijke, warme wereld van thuis, een gegoed milieu waar ‘milde glans, duidelijkheid en netheid, zachte, vriendelijke woorden, gewassen handen, schone kleren en goede manieren’ horen. Evenals ‘des ochtends gezongen koralen, kerstmis, rechte lijnen en wegen die naar de toekomst leiden, plicht en schuld, slecht geweten en biecht, vergeving en goede voornemens, liefde en verering, Bijbelwoord en wijsheid’. En de duistere, lawaaiige, gewelddadige wereld van ‘dienstboden en werklieden, spookgeschiedenissen en roddelpraatjes, een bonte stroom van wonderbaarlijke, lokkende, vreselijke, raadselachtige dingen als slachthuis en gevangenis, dronken mannen en ruzie makende vrouwen, barende koeien, gevallen paarden, verhalen over inbraken, moorden en zelfmoorden’. Die schaduwwereld is natuurlijk veel spannender, maar onverenigbaar met de sfeer thuis. En gevaarlijker. Emil Sinclair komt een straatjoch tegen die hem afperst en manipuleert. Hij durft er niets over tegen zijn ouders te zeggen – ook al maakt het hem misselijk van angst. Voor het eerst voelt hij de verschrikking van het ‘afgesneden-zijn’. Dan verschijnt Demian op het toneel, een imponerende nieuwe schoolleerling, die al gauw in de gaten heeft dat iemand Sinclair in zijn macht heeft, en hem van zijn duivel verlost. Hoe, dat weet Sinclair niet, maar hij heeft in ieder geval nooit meer last van zijn kwelgeest. Dan kan hij het gebeurde pas aan zijn ouders opbiechten en keert hij terug in het paradijs. Eigenlijk had Sinclair, volgens Hesse, bij Demian moeten biechten, maar Demian zou “… met spot en ironie, met aansporing en vermaning gepoogd hebben mij zelfstandiger te maken. Ach , dat weet ik nu: van niets ter wereld heeft de mens een grotere afkeer dan van het bewandelen van de weg die hem tot zichzelf leidt…”.

Puberen
Als ze beiden dezelfde catechesatielessen volgen blijkt Demian er wel héél verontrustende denkbeelden op na te houden. Volgens hem waren Kaïn en de misdadiger aan het kruis die weigerde te geloven, juist sterke figuren in plaats van slechterikken. En Abel en de gelovige misdadiger watjes. Demian over de God van de Bijbel: “… Hij is het goede, het edele, het vaderlijke, het mooie en hoge, het gevoelvolle – allemaal waar! Maar er is ook nog iets anders op de wereld. En dat wordt nu eenvoudig de duivel in de schoenen geschoven, en dat hele deel van de wereld, die hele helft wordt weggedrukt en doodgezwegen. Net zoals ze God prijzen als vader van alle leven, maar de hele seksualiteit waarop het leven toch berust eenvoudig doodzwijgen en misschien voor duivelswerk en zonde uitmaken…”. Ideeën die mij vooral doen denken aan wat Tom Wright in “Jezus en het evangelie van Judas” schrijft over gnostiek. Sinclair begrijpt dat ook het kwaad onder ogen moet worden gezien. Verder experimenteren beide jongens nog wat met gedachtebeïnvloeding. Volgens Demian hebben we geen vrije wil. Mensen kunnen alleen maar willen wat al diep in hen verborgen ligt. Als ze dát willen gebeurt het ook echt. Hij vertelt over bepaalde nachtvlinders waarvan mannetjes over een urenlange afstand naar een zeldzaam vrouwtje vliegen als ze behoefte hebben te paren. Niemand weet hoe ze op kilometers afstand het enige vrouwtje in de omgeving gewaar worden. Sinclair verliest Demian uit het oog als hij naar een jongenspensionaat wordt gestuurd. Daar nemen leegte en eenzaamheid bezit van hem. Duisternis wordt zijn deel. Hij gooit de kont tegen de krib, slaat aan het zuipen, heeft een grote bek, maakt schulden. Het is een wonder dat ze hem niet van school jagen. Tot hij op afstand verliefd wordt op een meisje, waardoor hij omdraait als een blad aan een boom. Hij verinnerlijkt haar beeld dat hij zegt ‘als een heilige te aanbidden’. Noemt haar zijn ‘Beatrice’, naar Dante. Als hij haar probeert te tekenen, blijkt ze de trekken van Demian te hebben. Of is hij het zelf? “… Lot en hart zijn twee namen voor één denkbeeld…”. En even verder: “… Het is goed om te beseffen: in ons is iemand die alles weet, alles wil, alles beter doet dan wij zelf…”. In ieder geval is het positieve, dat de lichte wereld nu niet bereikt wordt via een terugval op thuis, maar veroorzaakt door een beeld uit zijn eigen wezen.

Wat niet in onszelf huist, windt ons niet op
Sinclair mist Demian. Op een dag tekent hij de wapenvogel boven de deur van zijn ouderlijk huis, waar Demian ooit meer dan normale belangstelling voor toonde. Het wordt een goudkleurige sperwer die zich uit een ei verheft. Hij stuurt de tekening op naar Demian. Na een tijdje vindt hij een briefje op een boek in zijn klas met de boodschap:
“… De vogel ontworstelt zich aan het ei. Wie geboren wil worden, moet een wereld vernietigen. De vogel vliegt naar God. De God heet Abraxas…”. Sinclair begrijpt dat dit het antwoord van Demian is, en blijft van dan af bezig deze mythe innerlijk te verwerken. Hij hoort een jonge leraar het over de god/duivel Abraxas hebben. Even later ontmoet hij een zonderlinge organist - Pistorius - die hem mee naar huis neemt. Terwijl ze samen als vuuraanbidders in het haardvuur staren, wordt hij verder in de geheimen van de ziel gewijd: “… Als we iemand haten, dan haten we in zijn beeld iets dat in onszelf huist. Wat niet in onszelf huist, windt ons niet op…”. Ik las dat Pistorius staat voor Joseph Lang, de psychiater van Herman Hesse (zie hierboven). Ook van deze leidsman moet Sinclair weer afscheid nemen. Op een dag kwetsen zijn woorden Pistorius onbedoeld hard en onherstelbaar: “… Toen ik toesloeg had ik gedacht een sterke en weerbare te treffen – nu was het een stil, lijdzaam mens, een weerloze, die zwijgend berustte…”.

De ondergang van het oude Europa
Sinclair tegen een jongen die zelfmoord wil plegen (een thema dat nogal eens voorkomt in de boeken van Hesse): “… Je hebt de verkeerde weg gekozen, de verkeerde weg! We zijn geen varkens, zoals je denkt. We zijn mensen. We maken goden en strijden met hen en zij zegenen ons…” (Genesis 32). En over welke richting hij moet kiezen: “… Ik was niet op de wereld om te dichten, om te prediken, om te schilderen, noch ik, noch enig ander mens was daartoe op de wereld. Dat waren allemaal slechts bijverschijnselen. Het ware beroep van iedereen was slechts dat ene: zichzelf vinden…”. En dan zijn we natuurlijk weer helemaal bij Jung. Naarmate Sinclair ouder wordt verdwijnt de reine Beatrice om plaats te maken voor een soort moedergodin. Een aantrekkelijke Lilith. Mooi, zinnelijk en angstaanjagend tegelijk. In een studentenstad loopt Sinclair Demian weer tegen het lijf en blijkt de godin sprekend op zijn moeder, Frau Eva, te lijken. Zijn grote liefde. Toch zal Frau Eva nooit de zijne worden. Bij haar thuis vindt hij zijn gelijken: allemaal individualisten die op hun eigen manier iets nieuws willen bereiken. Mensen met het onzichtbare kaïnsteken. Demian voorvoelt dat het oude Europa zo rot is dat het ten onder zal gaan, om plaats te maken voor een nieuwe toekomst. Daarop breekt de oorlog uit. Het individuele lot gaat samen op met het algemene. Sinclair raakt gewond aan het front. In een veldhospitaal vindt hij Demian terug die hem namens zijn moeder een kus op zijn lippen drukt, om vervolgens op te gaan in hemzelf. Hesse schreef deze roman niet voor niets tussen twee wereldoorlogen. Wij staren niet meer in het haardvuur. Wij staren naar de televisie – en ik bedacht dat daar misschien helemaal niet zoveel mis mee is. We zien het kwaad onder ogen, en, in ieder geval in films wordt het kwade altijd overwonnen door het goede.

Uitgave: De Bezige Bij – 2010, vertaling M. & L. Couthino, 159 blz., ISBN 978 902 342 298 3, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen