Menu

dinsdag 11 oktober 2016

De witte tijger – Aravind Adiga


Met “De witte tijger” won de Indiase schijver Aravind Adiga (1974) in 2008 de Man Brooker Prize. Het boek is aan de ene kant een satirische schelmenroman en aan de andere kant een woedende aanklacht tegen het achterlijke kastenstelsel en de corrupte klassenmaatschappij waar India nog steeds onder gebukt gaat. Hoofdpersoon is taxiondernemer Balram Halwai, alias ‘De Witte Tijger’, een ‘weldenkend mens’ uit Bangalore. Hij heeft gehoord dat premier Jiabao uit China een bezoek komt brengen aan de stad, omdat deze wel eens uit de eerste hand wil weten hoe de Indiase zakenlui zo succesvol zijn geworden. Als iemand de premier de waarheid kan vertellen is Balram dat wel. Hij is immers opgeklommen van het Donker naar het Licht: “… Kennelijk bent u, het Chinese volk, ons ver voor in alle opzichten, behalve dat u geen ondernemers hebt. En ons land heeft dan wel geen drinkwater, elektriciteit, riolering, openbaar vervoer, besef van hygiëne, discipline, beleefdheid of stiptheid – maar we hebben wel ondernemers. Duizenden en duizenden ondernemers – wij ondernemers – hebben al die outsource-bedrijven opgezet waarop tegenwoordig Amerika nagenoeg draait…”. Balram is er van overtuigd dat de toekomst van de wereld in handen ligt van de gele en bruine mens. De blanke mens heeft zich ten gronde gericht door “… flikkerij, mobiele telefonie en drugsmisbruik…”. In zeven nachten schrijft hij een brief aan de premier waarin hij zijn levensverhaal uit de doeken doet.

Licht op mijn duistere verhaal

Balram begint met de opmerking dat het een oude Indiase gewoonte is om een vertelling te starten met een gebed tot een Hogere Macht. Als een Hindi-film begint zie je ofwel het magische getal 786 opflitsen tegen een zwarte achtergrond, waarvan de moslims denken dat het voor hun god staat, ofwel het beeld van een vrouw in een witte sari met gouden munten die tot op haar voeten valt, en dat is de godin Lakshmi van de hindoes. Dus ziet hij zich genoodzaakt ook ‘de kont van een god te kussen’. Maar welke. Er zijn er zoveel: “… De moslims hebben namelijk één god. De christenen drie. En wij hindoes hebben zesendertig miljoen goden…”. Vol respect: “… Mijn land is er zo een waar het loont om dubbelspel te spelen: de Indiase ondernemer dient tegelijk rechtdoorzee en slinks te zijn, spotlustig en gelovig, sluw en oprecht. En dus sluit ik mijn ogen, vouw ik mijn handen in een eerbiedig namasté en bid ik de goden om licht te doen schijnen op mijn duistere verhaal. Heb geduld met mij, meneer Jiabao. Dit kan even duren. Hoe snel denkt u dat u zesendertig miljoen en vier konten kunt kussen?...”. Dat licht zal hij nodig hebben, want hij duikt in zijn verleden aan de hand van een aanplakbiljet met een opsporingsbericht. Van zichzelf. Hij beschrijft hoe hij op zijn vierentwintigste een heuvel beklimt om een oud fort te bezichtigen waar hij een magnifiek uitzicht heeft over zijn geboortedorp; “… en toen deed ik iets wat te walgelijk is om u te beschrijven. Nou ja, in feite spúúgde ik. Keer op keer…”. Vervolgens daalt hij fluitend en neuriënd de heuvel af, waarna hij zonder blikken of blozen meedeelt: “… Acht maanden later sneed ik meneer Ashok z’n keel door…”. Misschien is hij zelfs wel een massamoordenaar, want misschien heeft zijn daad ook wel bijgedragen aan de dood van zijn naaste familieleden. Voilà.

Menselijke spin
India is verdeeld in een donkere en lichte kant. Balram is geboren aan de donkere kant, in een doodarme familie met neven en nichten en ooms en tantes die allemaal bij elkaar in één huis slapen, de mannen in de ene hoek en de vrouwen in de andere: “… met hun benen over elkaar geslagen, als één wezen, een duizendpoot…”. Zijn kaste van oorspronkelijk suikerbakkers (sinds de Britten zijn vertrokken zijn er nog maar twee kasten in India: die van de Dikke Buiken en die van de Dunne Buiken – en maar twee bestemmingen: vreten of gevreten worden) staat onder het regime van zijn oude, lepe oma, waar iedereen bang voor is. Het belangrijkste familielid is een verwende waterbuffel. Zijn moeder sterft jong en haar lijk wordt op de modderige oever van de heilige Ganges gecremeerd, wat een onuitwisbare indruk op Balram maakt: “… Het vuur vrat het satijn weg en een bleke voet schoot tevoorschijn als een levend ding; de tenen die smolten in de hitte begonnen om te krullen en boden weerstand tegen wat ze werd aangedaan. Kusum schoof de voet in het vuur, maar hij wilde niet branden. Mijn hart begon te bonken. Mijn moeder liet niet toe dat ze haar vernietigden…”. Hij besluit nooit meer terug te gaan om de Ganges te zien - dat laat hij graag aan de toeristen over - al waarschuwt hij de premier wel er geen duik in te nemen, tenzij hij zijn mond vol wil krijgen met uitwerpselen, stro, doorweekte menselijke lichaamsdelen, rottend buffelvlees en zeven verschillende soorten industriële zuren. Ook zijn vader sterft jong. Vanwege uitputting door zijn zware werk als riksjachauffeur. Ze brengen hem nog wel naar een gratis staatsziekenhuis, maar er zijn geen dokters. De regeringsartsen betalen ‘de Grote Socialist’ smeergeld zodat ze zich daar niet hoeven te vertonen. Balram gaat een tijdje naar school. Als er een inspecteur langs komt, blijkt hij het slimste jongetje van de klas, en dat levert hem zijn bijnaam op: “… ‘Jij, jongeman, bent een intelligent, eerlijk, levendig kereltje tussen een stel boeven en idioten. Wat is in elk oerwoud het aller-zeldzaamste dier, het schepsel dat maar één keer per generatie verschijnt?’ Ik dacht even na en zei: ‘De witte tijger.’ ‘Dat ben jij in dit oerwoud.’…”. Zijn meester zit meestal zijn dronkemansroes uit te slapen achter zijn bureau, steekt het geld voor de gratis schoolmaaltijden in zijn eigen zak, en verkoopt de schooluniformen op de zwarte markt: “… Niemand nam dat de schoolmeester kwalijk. Je kunt niet verwachten dat een man die op een mesthoop woont lekker ruikt. Iedereen wist dat hij in zijn positie hetzelfde gedaan had. Sommigen waren zelfs trots op hem, omdat hij er zo handig mee weg kwam…”. Als een nichtje uitgehuwelijkt wordt, moet Balram van school komen om te werken. In een theehuis serveren, kolen kloppen, tafels schoonmaken. Hij wordt een ‘menselijke spin’ die met een lap in zijn hand tussen en onder de tafels kruipt.

Geen oorspronkelijk denker, wel een oorspronkelijk luisteraar
Balram kiest er bewust voor overal het beste van te maken. Hij is dan misschien geen oorspronkelijk denker, maar wel een oorspronkelijk luisteraar. Hij bespioneert en luistert de klanten af, en hoort dat privéchauffeurs in het mijnwerkersstadje Dhanbad goud geld verdienen. Zijn oma is bereid geld in rijlessen te steken - ook al noemt ze hem een ‘inhalig zwijn’- mits hij haar niet vergeet als hij eenmaal rijk is (wat hij natuurlijk wel doet zo gauw hij rupees ziet). Een oude taxichauffeur laat Balram voor elk uur in zijn auto twee uur eronder doorbrengen, neemt hem mee naar de hoeren en leert hem tevens drinken. Na twee weken schooien bij rijke patsers om een baantje, staat Balram ineens voor één van de voormalige landheren uit zijn oude dorp, in dit geval meneer Ooievaar (verder heb je nog de Buffel, het Everzwijn en de Raaf). Deels uit nostalgie, deels om zijn net uit Amerika overgekomen zoon, meneer Ashok, rond te rijden, wordt Balram aangenomen. Als hij de auto niet bestuurt moet hij vloeren vegen, thee zetten, spinnenwebben verwijderen, twee dwergkeesjes baden en föhnen of koeien wegjagen van het terrein – kortom, hij glorieert in een prachtig kaki uniform als het hoogstpersoonlijke slaafje van meneer Ooievaar en zoon. Hij is niet de enige, maar wordt dat wel, als hij een collega weg weet te werken. Een moslim die doet alsof hij een hindoe is. Gelukkig heeft meneer Ooievaar een aartshekel aan moslims. Als meneer Ashok met zijn vrouw, Pinky Madam, verhuist naar een sjiek appartement in Delhi nemen ze Balram mee, die hen naar streng bewaakte shopping malls (op sandalen kom je er niet in), dure nachtclubs, dan wel het hoofdkantoor van de Congrespartij rijdt, want meneer Ashok houdt zich voornamelijk bezig met politiek gekonkel. De Indiase democratie is een lachertje. De stemmen, in de vorm van een vingerafdruk van ongeletterde mensen, worden gewoon opgekocht. Wie zich durft te verzetten riskeert doodgeslagen te worden. Onder in het appartementencomplex is een ruimte waar de bedienden bivakkeren. Balram, de dorpsgek, wordt vierkant uitgelachen door de andere chauffeurs vanwege zijn zogenaamd vergaande onnozelheid. In feite is hij helemaal niet zo dom. Steeds heeft hij het over de vier grootste moslimdichters, Rumi, Iqbal, Mirza Ghalib, en eentje waar hij de naam van vergeten is. Hij filosofeert over uitspraken als: “… Op het moment dat je de schoonheid in deze wereld herkent, ben je geen slaaf meer…” (je hoeft C.S. Lewis maar te lezen om te concluderen hoe waar dat is - zie mijn blog over "Verrast door Vreugde") en “… Jarenlang zocht ik de sleutel, maar de deur was altijd open…”. Uiteindelijk kruipt hij weg in een smerig hok dat leeg staat en vergeven is van de kakkerlakken – daar is hij tenminste alleen.

Klem in een hanenren
Delhi is een gigantische bouwput waarin iedereen altijd en eeuwig in de file staat en de luchtvervuiling je tien jaar van je leven kost. De meeste tijd verdoet Balram met gapend in de auto op zijn baas wachten. Op een nacht kruipt Pinky Madam in een dronken bui zelf achter het stuur. Ze rijdt een kind aan, maar stopt niet. Balram wordt gedwongen een voorlopige schuldbekentenis te tekenen, mocht het gebeuren aan het licht komen: “… De gevangenissen van Delhi zitten vol chauffeurs die achter de tralies zitten omdat ze de schuld van hun goede, betrouwbare, middenklassenbaas op zich genomen hebben. We zijn uit de dorpen weggetrokken, maar de bazen bezitten ons nog steeds, ons lichaam, onze ziel, onze reet…”. Protesteert de familie van zo’n chauffeur dan niet? “… Verre van dat. Ze scheppen er zelfs over op. Hun zoon Balram had de klap opgevangen en was voor zijn baas naar de Tihar-gevangenis gegaan. Hij was zo trouw als een hond. Hij was de volmaakte bediende…”. De rechters pakken smeergeld aan en doen of hun neus bloedt. Indiase bedienden zijn zo betrouwbaar dat bazen ze rustig met een miljoen roepees of een doos diamanten op weg sturen. Volgens Balram komt dat omdat 99,9 procent van de Indiase bevolking klem zit in een hanenren: “… Ga naar Old Delhi, achter de Jama Majid, en kijk hoe ze daar op de markt pluimvee opslaan. Honderden bleke kippen en bontgekleurde hanen zitten opeengepropt in kooien van kippengaas, zo dicht samengepakt als wormen in een buik, ze pikken elkaar en schijten elkaar onder, ze worstelen om een beetje ademruimte; de hele kooi verspreidt een afschuwelijke stank – de stank van doodsbang vlees. Op de houten kraam boven de ren zit een grijnzende jonge slager die het vlees en de organen toont van een zojuist geslachte kip, nog glibberig en bedekt met donker bloed. De hanen in de ren ruiken het bloed van boven. Ze zien de organen van hun broeders om zich heen liggen. Ze weten dat ze hierna aan de beurt zijn. Ze komen niet in opstand. Ze proberen niet de ren uit te komen…”. Want als je dat wél doet gaat je familie er aan: “… Ik heb u toch nog niet verteld wat de Buffel met zijn huisbediende heeft gedaan? Die moest zijn kleine zoontje bewaken, en dat werd ontvoerd door de Naxals en gefolterd en vermoord. Die bediende was iemand van onze kaste, meneer. Een Halwai. Ik had hem een paar keer gezien toen ik jong was. De bediende zei dat hij niks te maken had met de ontvoering; de Buffel geloofde hem niet en liet vier van zijn huurmoordenaars de bediende folteren. Daarna schoten ze hem door zijn hoofd. Snap ik. Ik zou hetzelfde doen met iemand die mijn zoon had laten ontvoeren…”. Alleen een man die bereid is zijn familie kapot te maken kan de hanenren ontvluchten: “… In feite zou alleen een Witte Tijger dat kunnen…”.

De een zijn dood…
En dat gebeurt ook. Om aan geld te komen gaat Balram’s gedrag van kwaad naar erger: “… De afgelopen twee weken heb ik dingen gedaan die ik nog steeds uit schaamte niet kan toegeven. Ik heb mijn werkgever bedrogen. Ik tapte benzine af, ik bracht zijn auto naar een corrupte monteur die hem werk in rekening bracht dat niet nodig was, en drie keer heb ik een betalende klant opgepikt die ik terugreed naar Buckingham B. …”. Steeds vaker stelt hij zich voor hoe hij meneer Ashok, die eigenlijk best een geschikte vent is, vermoordt en uit de hanenren ontsnapt. Als meneer Ashok een rode tas bij zich heeft met daarin duizenden contanten aan politieke steekpenningen suggereert Balram bandenpech en slaat hem met een kapotte whiskyfles op een afgelegen plek hartstikke dood. Daarna vlucht hij naar Bangalore, waar de callcenters als paddenstoelen uit de grond schieten. De jongens en meisjes werken er midden in de nacht omdat ze in dienst zijn van bedrijven in Amerika. De mannen in Bangalore zijn beesten, dus is het gevaarlijk voor de meisjes om in het donker gebruik te maken van het openbaar vervoer (ondanks de ontwikkelde technologie en het hoge opleidingsniveau schijnt India voor vrouwen het vreselijkste land zijn om te wonen - zie "De oorlog tegen vrouwen" van Sue Lloyd-Roberts). Balram zet een goed lopend taxibedrijf op poten, nadat hij eerst de politie heeft omgekocht, die alle taxichauffeurs zonder geldig rijbewijs van straat haalt. De een zijn dood is de ander zijn brood. Ondertussen overweegt hij om in vastgoed te gaan, want er komen steeds meer blanke expats naar India, en die willen natuurlijk niet op het trottoir slapen, zoals zijn landgenoten. Volgens Balram is wat hij vertelt de waarheid achter de bloemenslingers, de sari’s, de kruiden, de sandelhouten souvenirbeeldjes van Ghandi en de lyrische boekjes vol informatie over verleden, heden en toekomst van India. Hij laat geen spaan heel van het prachtige, exotische, magisch-realistische India a là Salman Rushdie. Hij gaat als aan malloot tekeer over wat iedereen fout doet in zijn land – en dat zal allemaal best wel. Maar zélf is hij geen haar beter.

Uitgave: De Bezige Bij – 2011, vertaling Arjaan van Nimwegen, 280 blz., ISBN 978 902 346 570 6, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen