Menu

zondag 29 maart 2020

De pest – Albert Camus


Omdat “De pest” (1947) over de hele wereld een herboren bestseller is geworden, heb ik het virusboek herlezen (zie de mooie uitzending van DWDD over dit boek). Ik herinnerde me het verhaal vooral als een inktzwarte ver-van-mijn-bed-show. Nooit gedacht dat het nog eens zo dichtbij zou komen natuurlijk. En dat het zo verdraaid to the point de extreme omstandigheden weerspiegelt. Camus schreef het vooral als metafoor voor het fascisme. Het citaat van Daniel Defoe aan het begin maakt dat duidelijk: “… De ene soort gevangenisstraf uitbeelden via de andere is even redelijk als iets bestaands uitbeelden door iets dat niet bestaat…”. Ik las het in de vertaling van Jan Pieter van de Sterre. Eerder besprak ik van Camus “De vreemdeling”.

De onwerkelijkheid van plagen

De pest breekt uit in Oran, een doorsnee-stad onder Frans bestuur aan de Algerijnse kust. Een weinig schilderachtige stad, zonder groen en zonder ziel, waar zelden iets spectaculairs gebeurt, ze allemaal druk bezig zijn met geld verdienen, de zieken en stervenden uit het zicht worden gehouden en iedereen vroeg of laat, ten prooi aan ingesleten gewoonten, indommelt: “… er zijn steden en landen waar de mensen zo nu en dan het vermoeden hebben dat er meer is. Niet dat hun leven in het algemeen daardoor verandert, maar er was een vermoeden en dat alleen al is winst…”. Helaas kun je dat van Oran niet zeggen. Op een dag komen er uit alle hoeken en gaten ratten (die de pest overbrengen) tevoorschijn, om voor het oog van iedereen te creperen. Ineens zijn ze ook allemaal weer verdwenen. Net als de stadsbewoners opgelucht adem halen ziet dokter Rieux de eerste ziektegevallen: koortsige mensen met zulke opgezwollen lymfeklieren dat ze aanvoelen als houten knoesten. Na een korte, heftige doodsstrijd leggen de meeste patiënten het loodje. Verbazing gaat over in paniek. Men begint bang te worden en tegelijk na te denken. Rieux kan zijn oren en ogen niet geloven. De pest is toch iets uit de middeleeuwen? De pest is toch uitgestorven? “… Het is moeilijk in plagen te geloven op het moment dat ze je overvallen…”. En even verder: “… Plagen zijn van een andere orde dan mensen, dus vindt iedereen plagen onwerkelijk. Het zijn boze dromen waar wel weer een eind aan komt. Maar er komt niet altijd een eind aan, en van boze droom tot boze droom zijn het de mensen zelf die aan hun eind komen, de humanisten als eersten, omdat ze geen voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. Onze stadsgenoten waren niet schuldiger dan anderen; ze vergaten bescheiden te zijn, meer niet, en ze gingen ervan uit dat plagen onmogelijk waren en dat alle wegen dus nog voor hen openstonden: ze bleven gewoon zaken doen, ze organiseerden reizen en ze hielden er meningen op na. Waarom zouden ze ook denken aan de pest die een eind maakt aan de toekomst, aan reizen en aan discussies? Ze meenden vrij te zijn, maar niemand zal ooit vrij zijn zolang er plagen bestaan…”.

De sterftecijfers
Rieux gaat door alle stadia die wij ook mee maken: “… Zelfs toen dokter Rieux tegenover zijn vriend had toegegeven dat er, verspreid over de stad, een handvol zieken zomaar ineens aan de pest was gestorven, bleef het voor hem een onwezenlijk gevaar…”. Langzaamaan voelt hij “… de lichte afkeer van de toekomst, die ongerustheid heet, in zich opkomen…”. Terwijl hij nadenkt over wat hij weet over de pest in het verleden: “… Een paar gevallen maken nog geen epidemie en goede voorzorgsmaatregelen zijn afdoende…”. Toch?! Net als ik zit de dokter uit het raam te kijken: “… Aan de ene kant van de ruit de frisse voorjaarslucht en aan de andere kant het woord dat nog naklonk in de kamer: de pest…”. Hij slaagt er na veel aandringen in een gezondheidscommissie bij elkaar te roepen, wat sommigen nogal misplaatst vinden. Je moet de zaak vooral niet erger voorstellen dan het is. Edoch, de koorts grijpt verder om zich heen: “… Het licht duizelige gevoel dat de dokter elke keer beving wanneer hij aan de pest dacht, groeide die dag gestaag. Uiteindelijk gaf hij voor zichzelf toe dat hij bang was…”. De voorzichtige noodmaatregelen worden beetje bij beetje aangescherpt als ze onvoldoende blijken: “… Onze stadsgenoten, die tot dusver hun ongerustheid steeds hadden gemaskeerd met grapjes, leken op straat bedrukter en zwijgzamer…”. Uiteindelijk ziet de prefect van de stad zich genoodzaakt officieel de pest af te kondigen en de stad af te sluiten: “… Ondanks deze ongewone taferelen kostte het onze stadgenoten blijkbaar moeite te begrijpen wat hun overkwam. Wel waren er gemeenschappelijke gevoelens, eenzaamheid en angst bijvoorbeeld, maar men verloor daarnaast zijn persoonlijke besognes geen moment uit het oog. Niemand had nog echt de ziekte geaccepteerd. De meesten bleken vooral gevoelig voor het verstoren van hun gewoontes of voor hun aangetaste belangen. Daar waren ze boos of geïrriteerd over en dat zijn niet de juiste gevoelens om tegenover de pest te stellen. Hun eerste reactie was bijvoorbeeld het beschuldigen van het stadsbestuur. Het antwoord van de prefect tegenover de critici, van wie de pers zich tot spreekbuis had gemaakt (‘Kan er niet een versoepeling van de geplande maatregelen overwogen worden?’) was tamelijk verrassend. Tot dan toe hadden noch de kranten noch ‘Ranscoc’ officiële mededelingen ontvangen over de statistieken van de ziekte, maar voortaan speelde de prefect ze elke dag door aan het bureau, met het verzoek ze wekelijks bekend te maken. Ook nu kwam er geen onmiddellijke reactie van het publiek. De aankondiging dat de derde pestweek driehonderdtwee doden had gekost, sprak niet tot de verbeelding. Enerzijds waren ze misschien niet allemaal aan de pest overleden, anderzijds wist niemand in de stad hoeveel mensen normaliter per week doodgingen. De stad had tweehonderdduizend inwoners. Niemand wist of dit sterftecijfer normaal of abnormaal was…”.

Voor de dokter geen en-en
In het verhaal komen overal inmiddels herkenbare dingen aan de orde. Luxe winkels gaan van de ene op de andere dag dicht: “… velen werden door de sluiting van winkels of van bepaalde kantoren tot nietsdoen gedwongen. Vooralsnog waren ze niet werkloos maar hadden ze verlof…”. Reizigers keren elkaar in de tram zoveel mogelijk de rug toe om wederzijdse besmetting te vermijden. De roekeloze levensdrift van jonge mensen doet denken aan ‘onze’ lockdown-feestjes. Alleen de familieleden van patiënten worden ingeënt omdat er te weinig serum is. Ware en onware verhalen over de epidemie doen de ronde. De gezondheidszorg heeft te weinig mankracht en te weinig tijd; dus wordt er een team van hulpploegen opgezet. Iemand oppert dat: “… de epidemie een zaak van allemaal was en dat ieder zijn plicht hoorde te doen…”. Iedereen mag wel gewoon naar buiten. Het straatleven tiert welig. Dokter Rieux krijgt het razend druk. De pest is eentonig: alle gevallen zijn hetzelfde. Hij voelt hoe hij van binnen aan het veranderen is. De pijnlijke onverschilligheid in hem groeit: “… Je krijgt genoeg van medelijden als het nutteloos is. En het gevoel dat zijn hart zich langzaam van de buitenwereld afsloot, bezorgde de dokter de eerste opluchting in deze loodzware dagen. Hij wist dat zijn taak er lichter door zou worden, daarom was hij er blij mee…”. Ene pater Paneloux houdt in de kathedraal ondertussen een drukbezochte donderpreek, waarin hij de pest voor een goddelijke straf houdt, en de mensheid maant terug te keren naar de Eeuwige. De dokter gelooft niet in God en steekt daarom de handen uit zijn mouwen. Volgens hem draait de wereld in dit soort situaties niet om heldendom, maar om doodeenvoudig fatsoen. Als hij wel geloofde zou hij ophouden de mensen te genezen, om die zorg aan de Almachtige over te laten, zegt hij. Voor hem geen en-en. Het is het een óf het ander: “… niet op de knieën maar vechten, op welke manier dan ook. Doel was zoveel mogelijk mensen te behoeden voor een definitieve scheiding. Daar bestond maar één middel voor: de pest bestrijden. Deze houding was niet bewonderenswaardig, alleen maar logisch…”. Precies de tegenovergestelde redenering van de Heilige Lucas van Simferopol dus (zie mijn blog over “Geest, ziel en lichaam”), die zijn kunstopleiding afbrak om geneeskunde te gaan studeren, daar hij zich geroepen voelde de straatarme boeren in de provincie te helpen. Zo zie je maar weer dat een verschillend godsbeeld je uiteindelijk toch tot dezelfde actie kan bewegen.

Onwetendheid

De verteller heeft een optimistische mensvisie: “… Het kwaad in de wereld komt bijna altijd voort uit onwetendheid, en goede bedoelingen die niet gestuurd worden door het verstand kunnen evenveel schade aanrichten als slechte. De mens is eerder goed dan slecht en in de praktijk ligt daar niet het probleem. Maar hij is meer of minder onwetend, en dat is wat men deugd of ondeugd noemt, waarbij de meest wanhopig makende ondeugd de onwetendheid is die alles meent te weten en zich dan het recht toeëigent om te doden. De ziel van de moordenaar is blind en er bestaat geen ware liefde en ware goedheid zonder een uiterste scherpzinnigheid…”. Een journalist van buiten probeert via mensensmokkelaars de stad uit te komen. Een sjoemelaar is wel blij met de pest, want daardoor heeft hij minder kans gearresteerd te worden. De zwaarst getroffen wijken worden geïsoleerd. De pest heeft het vooral begrepen op diegenen die in groepsverband leven: soldaten, kloosterlingen en gevangenen. De verteller vindt het jammer dat hij niets spectaculairs kan opdissen: “… Maar niets is minder sensationeel dan een plaag. Alleen al door de lange duur zijn grote rampen eentonig. De vreselijke dagen van de pest zijn bij wie ze heeft meegemaakt niet in de herinnering blijven hangen als een onstuimige vlammenzee, maar meer als een eindeloze tredmolen, die gaandeweg alles vermorzelde. Nee, de pest had niets gemeen met de grote, opwindende visioenen die dokter Rieux aan het begin van de epidemie hadden achtervolgd. Het was in de eerste plaats een kwestie van omzichtig, onberispelijk, goed functionerend bestuur. Dat was trouwens ook de reden voor te verteller om te streven naar objectiviteit, in een poging de waarheid en vooral zichzelf geen geweld aan te doen. Hij heeft geen kunstgrepen toe willen passen, behalve waar dat nodig was om een redelijk samenhangend relaas te krijgen. En diezelfde objectiviteit dwingt hem nu tot de constatering dat men in die periode het meest, het diepst en het algemeenst leed onder de scheiding van beminden…”. Zie de verpleeghuizen die op slot zitten. De mensen kunnen niets anders dan zich bij de feiten neerleggen. Worden apathisch als slaapwandelaars: “… Er was niemand meer met verheven gevoelens; eentonige gevoelens waren er voor in de plaats gekomen…”.

Zwijgen en afwachten
Een heftig hoofdstuk gaat over de dood van een kind. Zowel de dokter als de pater zijn er getuigen van. Dat verandert de houding van de pater. In een preek die volgt zegt hij dat God ons bij het lijden van een kind met de rug tegen de muur zet. In extreem ongelukkige tijden wordt een extreem geloof geëist. De christen moet zich verlaten op Gods wil, zonder die te begrijpen. Proberen in het duister, op de tast, goed te doen. Op zijn plaats blijven: “… we hoorden het schandelijke leed te aanvaarden omdat we moesten kiezen tussen haten en liefhebben van God…”. En even verder: “… Broeders, de liefde voor God is een moeilijke liefde, een liefde die van de mens vraagt dat hij zich volledig overgeeft en zichzelf wegcijfert…”. Hij heeft gelijk, zegt iemand, “… Als de onschuld de ogen uitgestoken wordt, moet een christen zijn geloof verliezen of zich erbij neerleggen dat hem ook de ogen worden uitgestoken…”. De pater verliest inderdaad zijn leven. Het doet me denken aan de Italiaanse priester die laatst in het nieuws kwam omdat hij zijn beademingsapparatuur had afgestaan aan een jonger iemand. De builenpest gaat over in longpest waardoor het verhaal alleen nog maar dichterbij komt. Uiteindelijk zwakt de epidemie af. De pest waait over. Het verhaal loopt goed af. In het laatste hoofdstuk komen we er achter dat de verteller dokter Rieux zelf is, die het besluit nam zijn verhaal te noteren, “… zodat hij niet zou horen tot degenen die zwijgen, zodat hij kon getuigen voor deze pestslachtoffers, zodat hij tenminste een herinnering achterliet aan de onrechtvaardigheid en het geweld dat hun was aangedaan, en zodat hij heel eenvoudig kon doorgeven wat je van plagen kunt leren, namelijk dat er in de mens meer te bewonderen dan te verachten valt…”. Mensen zijn geen heiligen en zijn kroniek is geen kroniek van een definitieve overwinning, “… maar alleen de getuigenis van wat tegen het schrikbewind en zijn onvermoeibare wapen gedaan moest worden en ongetwijfeld nog gedaan zal moeten worden door alle mensen die ondanks hun persoonlijke hevige verdriet niettemin weigeren plagen te accepteren en die moeite doen om genezers te worden…”. Op wat voor manier dan ook. Terwijl hij op een dakterras over de feestvierende stad uitkijkt, “… realiseerde Rieux zich dat deze vrolijkheid nog altijd in gevaar verkeerde. Want hij wist wat deze blije menigte niet wist en wat in de boeken te lezen staat: de pestbacil sterft nooit uit en verdwijnt nooit voorgoed, hij kan tientallen jaren achtereen blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, hij wacht geduldig, in kamers, kelders, koffers, zakdoeken en paperassen, en misschien komt er een dag waarop, tot schade en lering van de mensheid, de pest zijn ratten wekt om ze te laten sterven in een gelukkige stad…”. Zover als Rieux zijn wij nog niet, wij zitten ‘er’ nog midden in: “… Maar alleen midden in de ellende wen je aan de waarheid, dat wil zeggen aan zwijgen. Afwachten maar…”.

Uitgave: De Bezige Bij – 2019 (12e druk), vertaling Syt Palma, 320 blz., ISBN 978 940 314 920 2, € 21,40
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 19 maart 2020

De eeuwige bron – Ayn Rand


Door alle commotie rond het coronavirus zou je bijna vergeten dat het ook nog Boekenweek is geweest. Het thema: ‘Rebellen en Dwarsdenkers’. Een heel leuk motto vind ik. In het ND (06.03.20) stond een artikel over Öczan Akyol, die het Boekenweekessay schreef, waarin hij het volgens hem sektarische boekenwereldje vol harkerige uitgevers, schrijvers, recensenten en boekhandelaren een flinke draai om de oren geeft. De literaire elite die het NRC en De Groene Amsterdammer vol schrijft zou een sektarisch clubje zijn, dat met diepe minachting neerkijkt op de smaak van het gepeupel, hetwelk ze met alle geweld buiten de deur tracht te houden (en dat is precies waar “De eeuwige bron” over gaat: machtspelletjes): “… Zo gaf een jury met daarin Joost de Vries een prijs aan Marja Pruis. Doordeweeks delen Pruis en De Vries een bureau bij De Groene…”. Haha, geen idee wie die De Vries is en de stukken die ik van Pruis heb gelezen vind ik steengoed (dus misschien verdient ze die prijs zondermeer), maar het is wel vermakelijk als iemand het donzen dekbed der vaderlandsche literatuur eens goed opschudt. Over de jonge hautaine auteursgarde die geen reet te vertellen heeft: “… Vroeger had je als schrijver een oorlogstrauma, nu heeft iedereen glutenintolerantie…”. Met andere woorden: geef ons oorlog! Ik zou in deze tijden van corona bijna zeggen: je wordt op je wenken bediend, jongeman. Ik zag in de bibliotheek “De eeuwige bron” liggen, op een speciale tafel gewijd aan rebellen en dwarsdenkers. Een dwarse denker was Ayn Rand (1902 – 1982) zeker, en haar hoofdpersoon, de jonge, briljante architect Howard Roark helemaal. Nadat de roman twee jaar geleden in “Moby Dick”, een boekenprogramma van Matthijs van Nieuwkerk, werd aangeprezen als levensveranderend, wilde ik het altijd nog een keer lezen. Wat later kwam ik de schrijfster andermaal tegen in een roman van Willem Kent Krueger, waar een moeder ‘zo goed wil leren schrijven als Ayn Rand’. Van de zomer zag ik het ineens liggen op de Deventer Boekenmarkt. Ik heb er ongeveer een half jaar met grote tussenpozen over gedaan, want “De eeuwige bron” is een ouderwetse zeetanker van maar liefst 750 bladzijden. Het is een areligieus boek (ergens heeft Ayn Rand het over het ‘spirituele gif’ dat in iemands aderen stroomt). De schrijfster zou zich dan ook omdraaien in haar graf als ze zou weten dat haar verhaal mij, met het vorige blog nog in mijn gedachten, vooral doet denken aan een Bijbeltekst. Mattheus 16:26 - “… Want wat baat het een mens als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt, of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?...”.

Individualisme versus collectivisme

In haar werk neemt Rand, die filosofie en geschiedenis studeerde, het zwaar overdreven op voor ongebreideld individualisme, zeg maar gerust narcisme, ten koste van collectivisme. Dat valt enigszins te begrijpen als je weet dat Rand in St. Petersburg werd geboren en de krankzinnige terreur van het bolsjewisme meemaakte. In 1926 wist ze onder het mom van familiebezoek te ontsnappen naar de Verenigde Staten, om nooit meer terug te keren. Rand’s personages zijn zulke uitgesproken types, dat het eigenlijk geen normale mensen meer zijn, maar wandelende principes dan wel karakters op pootjes. Het verhaal begint met een architectuurstudent die halverwege zijn opleiding van de universiteit wordt gestuurd om zijn dwarse opvattingen. Howard Roark. Rand beschrijft hem als een soort halfgod, met als argument dat ze nu eens een ‘volmaakte man’ wilde neerzetten. Een vent uit één stuk. Onafhankelijk, want vroeg wees. Een einzelgänger van graniet, rechthoekig, roodharig, nonchalant, energiek, monomaan, eerlijk, idealistisch, kunstzinnig. Iemand die zich van niets en niemand wat aantrekt: “… Hij kende zijn eigen beweegredenen; die van anderen kon hij echter niet thuisbrengen, want hij had nooit geleerd om over anderen na te denken. Geïntrigeerd vroeg hij zich soms af wat hun drijfveren toch wel konden zijn. En ook nu verwonderde hij zich hier weer over, terwijl hij over de rector nadacht. Op de een of andere manier was er sprake van een belangrijk geheim, dacht hij, een geheim, dat hij moest proberen te ontdekken…”. Kortom, vanwege het totale gebrek aan wederkerigheid volgens mij eerder een hoogbegaafde asperger dan de beoogde übermensch. Een soort kruising tussen Greta Thunberg en Vincent van Gogh. Maar wie ben ik. Zijn tegenspeler is Peter Keating, bij wiens moeder hij een kamer huurt. Peter is een omhooggevallen flapdrol die wél cum laude afstudeert en wordt uitgenodigd te komen werken op het kantoor van de op dat moment meest prestigieuze architect van New York. Peter weet als een giftige slang, vleiend, paaiend en slijmend omhoog te kruipen in de gelederen. Een slim allemansvriendje en eersteklas manipulator, die met zijn charme iedereen om hem heen inpalmt en gebruikt.

Ratrace
Om toch nog wat van zijn idealen waar te maken, meldt Howard zich bij een aan lager wal geraakte architect, waar hij een buitengewone bewondering voor heeft. Een revolutionaire modernist die zijn dagen doorbrengt met zuipen. Ooit was hij een van de eersten die de wolkenkrabber bouwde: een grenzeloos, gewichtloos, omhoogschietend wonder. Beiden zweren bij oorspronkelijkheid. Een hoog gebouw moet ook hoog lijken: “… Terwijl de andere architecten zich vloekend afvroegen hoe ze een gebouw van twintig verdiepingen konden laten lijken op een oud bakstenen landhuis, terwijl ze van elke horizontale lijn gebruik maakten om het van zijn hoogte te beroven, om het te laten krimpen tot de traditionele afmetingen, om de schande van zijn staalstructuur te verbergen, om het klein en veilig en antiek te maken, ontwierp Henry Cameron wolkenkrabbers in ongebroken verticale lijnen en pronkte met hun staal en hoogte. Terwijl andere architecten friezen en frontons tekenden, besliste Henry Cameron dat de wolkenkrabber geen Griekse kopie mocht worden. Henry Cameron besliste dat geen enkel gebouw een kopie van enig andere gebouw mocht zijn…”. Over een rijke dame die een verpletterende villa wil laten bouwen om haar kennissen de ogen uit te steken: “… Tegenover hem zat mevrouw Wayne Wilmot, maar er bestond geen mens van die naam; er bestond alleen een omhulsel dat de meningen van haar vrienden bevatte, de ansichtkaarten die ze had gezien, de romans over landadel die ze had gelezen. Daar sprak hij tegen, tegen dat omhulsel, doof en onpersoonlijk als een prop watten…”. Over iemand die een landhuis wil laten bouwen dat de plantagewoning moet overtroeven waar hij als knechtje diende: “… ‘Ziet u dat dan niet in?’ zei Roark. ‘U wilt een monument bouwen, maar niet voor uzelf. Niet voor uw eigen leven of voor wat u zelf hebt bereikt. Het wordt een monument voor andere mensen, voor hun suprematie over u. U betwist ze die suprematie niet eens. U wilt ze onsterfelijk maken. Denkt u nu echt dat u gelukkig wordt als u zich voor de rest van uw leven opsluit binnen die geleende vorm? Zou het niet beter zijn als u zich eindelijk eens vrijvocht van het verleden en een nieuw huis bouwde, uw eigen huis? Het is immers niet Huize Randolph dat u wilt hebben; u wilt datgene waar het voor stond. Maar waar het voor stond, is datgene waar u uw leven lang voor hebt gevochten.’…”. Zie Franca Treur in “Hoor nu mijn stem” die een studente laat zeggen: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Voor een deel heeft ze zeker gelijk. Op Peter’s kantoor tekenen ze zonder scrupules alles wat de massa wil, en gebruiken alle bouwstijlen uit het verleden door elkaar: “… Imitators kopieerden imitaties…”. Je zou bijna kunnen zeggen dat het postmodernisme het modernisme heeft verslagen. Peter laat zijn oren naar iedereen hangen. Verkoopt zijn ziel aan de duivel. Hij gaat letterlijk over lijken om de top te bereiken: als hij iemand probeert af te persen krijgt diegene een beroerte en sterft. In het geniep zoekt hij steeds Howard op om zijn tekeningen te perfectioneren. En die helpt hem nog ook. Howard komt na wat korte succesjes als arbeider in een steengroeve terecht, waar hij zich de pleuris werkt, omdat hij zich weigert aan te passen aan de modes om hem heen.

Wat is dan die vrijheid
Een held zonder heldin kan bijna niet. De excentrieke dochter van de eigenaar van de granietgroeve komt eens kijken, laat haar oog op Howard vallen, en hij op haar, waarna beiden zijn verkocht. Dominique. Een mooiere dame kom je niet tegen. Echter, ze is bijna allergisch voor de bewonderaars die bij bosjes voor haar vallen. Ze wordt moe van mannen. Ze beweert frigide te zijn. Ze wil ‘vrij’ zijn. Dat houdt in dat ze van niemand en niets mag houden, want “… Als ik een baan vond, of een project, of een mens die ik begeerde, zou ik afhankelijk zijn van de hele wereld…”. Okay. Van de weeromstuit bedenk ik dat ze van haar probleem zou zijn verlost, als ze gelovig zou worden. Immers als je God lief hebt boven alles, kun je niet iets of iemand anders daarboven liefhebben. Bedoelen christenen dat met de ‘vrijheid’ die God hen geeft? Zie “Barabbas” van Pär Lagerkvist waarin een gevangene zegt dat hij niet langer de slaaf is van Caesar, maar van Christus. Enfin, Dominique en Howard draaien om elkaar heen als krolse katten. Howard is voor een minkukel nogal onbeschoft tegen haar, waarna zij hem met een twijg midden in zijn gezicht slaat, als ze hem tegenkomt tijdens het paardrijden. Daarop dringt hij haar huis binnen en verkracht haar. Jawel: ik ga niet zeggen dat ik ook maar een sikkepitje van hun relatie begrijp. Nog steeds in de veronderstelling dat hij een simpele arbeider is, kijkt Dominique toch wel raar op als ze Howard, die zich terug vecht de architectuur in, tegen komt op een jetset feestje. Zonder dat iemand het in de gaten heeft starten ze een heftige haat-liefde verhouding, waarbij Dominique belooft Howard op alle manieren die mogelijk zijn dwars te zitten en kapot te maken. Die macht heeft ze, want ze schrijft een populaire column over binnenhuisarchitectuur in het grootste roddelblad van New York. Het bijzondere is verder, dat ze seksen tot ze er bij neervallen, zonder dat Dominique zwanger wordt (omstreeks 1929, de tijd waarover we het hebben, was het nog een beetje te vroeg voor de pil). Dat werkt bij 'gewone' mensen meestal anders, toch? Ook in New York is het upperclass wereldje klein: ons kent ons. Dominique blijkt namelijk weer de dochter van de beroemde baas van Peter te zijn. En papa zou heel graag zien dat Peter zijn lastige dochter trouwt. Dat stelt zijn kapitaal veilig en bovendien komt er dan misschien toch nog wat van zijn meisje terecht.

Nog nooit iemand zo raar over liefde horen praten

Op een gegeven moment krijgt Howard van een religieus geobsedeerde miljonair de opdracht om een tempel te bouwen voor de ‘Menselijke Geest’(oftewel de eeuwige bron): “… Het zou geen tempel worden voor een bepaald geloof, maar een interconfessioneel, non-sektarisch monument voor de religie, een kathedraal van het gemene geloof, die voor iedereen openstond…”. De meest gevreesde criticus van het land weet het gebouw, als het er eenmaal staat, af te kraken onder het mom van ‘heiligschennis’. Howard zet er namelijk ook nog een beeld van een naakte vrouw in, waar Dominique model voor heeft gestaan. De criticus insinueert dat de tempel een opzettelijke aanval op het geloof zou zijn. Dat is onverdraaglijk voor de miljonair, die net een reis achter de rug heeft langs diverse heiligdommen in de wereld (en voor de hele christelijke natie natuurlijk). Allemaal confronteerden ze hem ‘met de beloften van de hel’. In een godshuis hoort een mens te knielen. Klein te worden. Dit gebouw is eerder een uitdrukking van grootheidswaanzin: de mens is god. Het komt tot een rechtszaak waarin besloten wordt dat de tempel tot een tehuis voor gehandicapte kinderen verbouwd gaat worden. De kosten zijn voor Howard. Ondertussen vindt Dominique dat ze de tempel zouden moeten slopen. Omdat het gebouw het plebs niet waard is. Howard werpt paarlen voor de zwijnen. Haar mening kost haar haar baan. Ze houdt zoveel van Howard dat ze het niet aankan zijn vrouw te worden en daarom van de ene op de andere dag met Peter in het huwelijksbootje stapt, die even vergeet dat hij de dag daarvoor eeuwige trouw heeft gezworen aan het argeloze vriendinnetje dat hij al jaren aan het lijntje houdt, en met wie hij ook al heeft afgesproken diezelfde dag stiekem te trouwen. Hij houdt dan wel niet van Dominique, ze is wel een stuk waar hij ongelooflijk mee kan pronken. Snap je het nog? Ik kan er met mijn kop niet bij. Het wordt allemaal superserieus en hoogliterair gebracht, maar het doet me vooral denken aan de melodramatische boekjes over ‘Zuster Britta’, die ik op mijn vijftiende las. Zij trouwde ook met zo ongeveer iedereen behalve met haar grote liefde Tony. En waarom werd nooit duidelijk, voor zover ik me nog kan herinneren. Enfin; Howard vindt het pijnlijk maar okay. Dominique moet eerst maar eens zichzelf worden, dan komt ze vanzelf wel bij hem terug. Ik heb trouwens nog nooit iemand zo raar over liefde horen praten als de voornoemde gladjanus van een criticus en vriendje van Peter: “… seksuele liefde is een volstrekt egoïstische emotie, Peter. En egoïstische emoties zijn niet de emoties die tot geluk leiden…”. Hij staat met huid en haar voor het collectivisme: “… Ik probeer alleen maar tot uitdrukking te brengen dat een mens zijn meest persoonlijke impulsen moet wantrouwen…”. En even verder: “… Liefde, Peter, de liefde van individu tot individu, is een machtig kwaad, zoals elk individualistisch gevoel. En het loopt altijd uit op ellende. Zie je zelf niet in waarom? Individuele liefde is een discriminerende handeling, een voorkeursdaad. Het is een daad van onrechtvaardigheid, tegenover ieder menselijk wezen op de hele wereld dat je berooft van de affectie die je willekeurig aan één schenkt. Je moet evenveel van alle mensen houden. Maar zo’n nobel gevoel blijft onbereikbaar voor je zolang je niet vastbesloten bent je eigen egocentrische, laag-bij-de-grondse voorkeur de nek om te draaien. Het sentiment waar die op stoelt, is een zondig sentiment, in strijd met de eerste en belangrijkste kosmische wet: de fundamentele gelijkheid van alle mensen…”. Volgens mij is dat gewoon het commentaar van een oude snoeper die met elke mooie meid die langs komt naar bed wil…

Integriteit
Hoe verder het boek vordert, hoe meer het een expliciete ideeënroman wordt. Halverwege het verhaal komt de dagbladenmagnaat Gail Wynand tevoorschijn, die uit de goot is opgeklommen om te muteren tot zo ongeveer de rijkste inwoner van Amerika. Volgens hem vraagt het klootjesvolk om misdaad, schandaal en sentiment. Dus krijgt het dat: “… ‘Sex op de eerste plaats,’ zei Wynand, ‘tranen op de tweede. Geef ze de kriebels en laat ze janken, dan héb je ze.’…”. Natuurlijk krijgt hij van de fatsoensrakkers, die hem verwijten de smaak van het publiek omlaag te halen, de wind van voren, maar “… ‘Het is niet mijn taak,’ zei Wynand, ‘mensen te helpen hun zelfrespect te bewaren dat ze niet bezitten. U geeft hun wat ze publiekelijk beweren te willen hebben. Ik geef hun wat ze in werkelijkheid willen hebben. Eerlijkheid is de beste politiek, heren, zij het niet in die zin als men u altijd heeft willen doen geloven…”. En even verder: “… ‘Als er geen nieuws is, maken we nieuws,’ luidde Wynands bevel…”. Volgens Howard is integriteit “… de eigenschap die maakt dat iemand achter een idee staat. Dat veronderstelt de gave van het denken…”. Omdat Wynand niet weet wat hij met zijn geld moet doen verzint hij de meest onzinnige experimenten inzake integriteit. Hij koopt een grote operavoorstelling uit om er alleen met zijn zoveelste maîtresse naar te kijken. Hij betaalt een toneelschrijver een enorm bedrag om het stuk alleen voor hem op te voeren en het daarna te verbranden. Het gaat van kwaad tot erger: “… Een paar maanden later kocht Wynand een jonge schrijver van een progressief tijdschrift, een man die bekendstond om zijn oprechtheid, en zette hem aan het werk aan een reeks artikelen die bijzondere mannen verheerlijkten en denigrerend deed over de massa. Ook dat maakte een groot aantal lezers kwaad. Maar hij ging ermee door. Hij scheen zich niet langer iets aan te trekken van de invloeden die het oplagecijfer bepaalden. Hij huurde een expert op het gebied van de beeldende kunsten om financieel nieuws te behandelen. Hij nam een socialist om de fabriekseigenaren te verdedigen en een conservatief als kampioen van de arbeidersklasse. Hij liet een man van de wetenschap de lof zingen van de mystieke intuïtie als zijnde verre superieur aan de wetenschappelijke methode. Hij gaf een groot dirigent een ruim jaarinkomen, met als voorwaarde dat hij nooit meer een orkest zou leiden…”. Over grootheidswaan gesproken.

Waar is je ik
Intussen is Dominique net zo rottig bezig ten opzichte van haar wettige man Peter, door zichzelf zo volkomen weg te cijferen dat Peter er zo ongeveer knetter van wordt. In alles geeft ze hem gelijk. Niets eist ze voor zichzelf. Waar is je ik? Vraagt Peter. Waar is de Jouwe? Antwoordt ze. Hij wil toch alleen maar dat zij toneel speelt om zijn toneelspel te ondersteunen? Zijn leven is immers niets anders dan een grote demonstratie tegenover anderen? Dominique: “… Ik heb gedaan wat de wereld van me verlangde. Maar ik kan nu eenmaal niets half doen. Degenen die dat wel kunnen, zijn innerlijk ergens verscheurd. De meeste mensen zijn innerlijk op vele plaatsen gescheurd. Ze zijn vérscheurd. Ze liegen tegen zichzelf, om dat niet te hoeven weten. Ik heb nooit tegen mezelf gelogen…”. Ondertussen krijgt de criticus het voor elkaar een belachelijk boek tot bestseller te maken. Alleen de titel al, ‘De dappere galsteen’: “… Weet je, ik geloof dat het een vreselijk belangrijk boek is. Omdat het waar is dat er geen vrije wil of zoiets bestaat. We kunnen er niets aan veranderen dat we zijn wat we zijn en doen wat we doen. Je kunt eigenlijk geen sterveling iets kwalijk nemen. Het maakt allemaal deel uit van je achtergrond en van je verleden en… En met je inwendige secretie heeft het ook nog te maken. Als je iets presteert, is het helemaal geen verdienste; je hebt alleen geboft met je klieren. Als je prestaties waardeloos zijn, mag niemand je daar eigenlijk voor straffen, want je hebt alleen maar pech gehad.’ …”. Tijdens een literair onderonsje: “… Wat voor prestatie levert een criticus wanneer hij een goed stuk prijst?...”. Geen enkele immers: “… Maar als een criticus in staat is een volkomen waardeloos stuk aan de top te brengen…”. Het wordt pas echt heel erg als Dominique naar Wynand toegaat om haar lichaam te verkopen in ruil voor een giga-opdracht voor manlief, en Peter dat handenwringend toelaat. Wynand zegt geen nee natuurlijk, en vraagt haar twee maanden mee te gaan op een zeiltocht. Waar Peter niet op had gerekend is dat Dominique en Wynand het bijzonder goed met elkaar kunnen vinden (en zij zelf tot hun stomme verbazing trouwens ook niet). Dus geeft Wynand Peter te kennen Dominque van hem te kopen. Voor de opdracht inclusief een fikse bonus. Ze trouwen voor de bühne. Het kost Wijnand een hoop verontwaardigde abonnees: trouwen met een gescheiden vrouw en zonder kerkelijke zegen…

Sympathieke zondaar
Dominique zoekt haar grote liefde, Howard, nog wel een keertje op. Als ik het goed begrijp is de reden dat ze niet met hem in zee gaat inmiddels dat hij al met de architectuur is getrouwd. Als je het hebt over het vergelijken van appels met peren… Ze wil hem dus niet delen. Ze wil hem helemaal. Okay. Nog zo’n overtrokken mening. Als Wynand met een schitterende halsketting voor Dominique komt aanzetten zegt hij dat hij het geweldig vindt dat hij uit "... het afgrijselijke afval van de menselijke geest...", namelijk zijn ordinaire schandaalpers en de huisvrouwtjes die er hun centjes voor over hebben om zijn troep te lezen, zoiets moois tevoorschijn weet te toveren: “… Ik vind het een prettig idee dat ik een alchemist ben die zo’n purificatie tot stand heeft kunnen brengen…”. Rand stemt beslist tot nadenken als ze Wynand en Dominique naar een afschuwelijk toneelstuk laat gaan, dat in zijn bladen de hoogte in wordt gestoken, zodat iedereen denkt dat het vreselijk goed is: “… Jules Fougler had helemaal niet geprobeerd iemand te beïnvloeden; hij had ermee volstaan op tijd duidelijk te maken dat iemand die niet in staat was van dit toneelstuk te genieten, in wezen een waardeloos mens was…”. En even verder: “… Tijdens de pauze hoorde Wynand een dikke vrouw zeggen: ‘Het is fantastisch. Ik begrijp er níéts van, maar ik heb het gevoel dat het verschrikkelijk belangrijk is.’…”. Als hij godsdienstig was zou hij de manier waarop hij de massa bespeelt, bestempelen als verraad tegenover God, zegt Wynand zeldzaam openhartig. En misschien is dat zo, want God wil aan beden worden ‘in geest en in waarheid’ volgens Johannes 4 : 23, 24. In al zijn verdorvenheid is Wynand volkomen oprecht. Hij wéét dat hij slecht is. Dat maakt hem tot een sympathieke zondaar (zie bijvoorbeeld ook Escobar die zijn drugsgeld gebruikte om armoede te bestrijden). Vindt zelfs Dominique. Wat hij wil is macht, vertelt hij haar: “… Het enige wat ik ooit heb begeerd. De wetenschap dat er geen man ter wereld is die ik niet dwingen kan álles te doen. Alles wat ik wil. De man die ik niet kan breken, zou me vernietigen…”. Ondertussen lacht in de coulissen de échte duivel, de criticus, die in het geniep bezig is Wynands macht te breken.

Tweedehands mensen
Rand voert schitterende betogen op over wat zij ‘tweedehands mensen’ noemt: “… Ze hebben geen zelf. Ze leven in anderen…”. En: “… Wat zij willen, is uiterlijk vertoon: ze willen hun luxe aan anderen tonen om ze ermee te onderhouden, om ze ermee te overbluffen, om ze ermee te imponeren…”. Over Peter, de verpersoonlijking van de tweedehands mens, die na nog één keer door Howard te zijn geholpen, waardoor hij de eer opstrijkt voor een grandioos huisvestingsproject voor de allerarmsten, zijn ondergang tegemoet gaat: “… Wat was zijn levensdoel? Grootheid, in de ogen van andere mensen. Roem, bewondering, jaloezie – allemaal dingen die van anderen moeten komen…”. De tweedehands mens wil “… niet groot zijn, maar groot geacht worden…”. En even verder: “… de zinsbegoocheling van de tweedehands mens: prestige. Een stempel van goedkeuring, die niet zijn eigen is…”. De tweedehands mens kan van geen enkel ding zeggen: “… ‘Dit is wat ik verlangde, omdat ík het verlangde, niet omdat mijn buren er met open mond bij zouden staan.’ En vervolgens vraagt hij zich af waarom hij ongelukkig is…”. Over zelfrespect: “… Als iemand zichzelf niet respecteert, kan hij ook voor anderen geen liefde of respect voelen…”. Een eindje verder voert Rand de criticus op die een eindeloze monoloog houdt over de tweedehands mens waar hij over wil regeren. Hoe? “… Vermoord het individu. Dood de menselijke ziel…”. En “… maak dat de mens zich klein gaat voelen. Zorg dat hij zich schuldig voelt…”. Je kunt iedereen alle kanten op krijgen die je wil, als je ze wijs maakt dat ze hun gezonde verstand moeten uitschakelen: “… kun jij heersen over een man die denkt?...”.

Deugen
Howard tekent voor Peter zijn goedkope huisje onder één voorwaarde: er mag niets veranderd worden aan de bouw. Vervolgens gaat iedereen zich tegen Peters tekeningen aan bemoeien en gebeurt dat toch. Daarop blaast Howard de hele bouwput op waarna hij zich laat zich arresteren. Hij wordt zo ongeveer in het openbaar gelyncht: “… ‘Die man is gewoon een ziekelijke egoïst zonder enig moreel besef,’ zei de societydame die zich aan het kleden was voor een liefdadigheidsbazar en die niet zou weten hoe ze haar geldingsdrang tot uiting moest brengen en hoe ze tegenover haar vriendinnen moest pronken als liefdadigheid niet langer de deugd was die voor alle zonden vergeving schonk. Hetzelfde zei de sociaal werker die in het leven geen doel had gevonden en in de steriliteit van zijn ziel ook geen doel tot ontwikkeling kon brengen, zodat hij voor zichzelf zonde in zijn deugdzaamheid en van iedereen het onverdiende respect oogstte door met zijn smoezelige vingers wonden van anderen te betasten. Hetzelfde zei de romanschrijver die niets te zeggen zou hebben als hem de onderwerpen dienen en offeren werden ontnomen, die snikkend duizenden aandachtige lezers telkens weer verzekerde dat hij van hen hield, zo eindeloos van hen hield, zodat ze toch echt niet anders konden doen dan op hun beurt ook een beetje van hem te houden. Hetzelfde zei een vrouwelijke journalist die net een landhuis had kunnen kopen omdat ze zo gevoelig schreef over de kleine man. Hetzelfde zeiden alle kleine mannen die onafgebroken wilden horen spreken over liefde, de grote liefde, de liefde die geen onderscheid maakte, de liefde die alles omvatte, alles vergaf en hun de vrijheid gaf alles te doen wat ze wilden. Hetzelfde zei ieder tweedehands mens die alleen kon bestaan als een teek op de zielen van anderen…”. En even verder: “… Dit was solidariteit. De debutante die naar de pedicure ging, de huisvrouw die worteltjes kocht aan een handkar, de boekhouder die pianist had willen worden maar zich verschool achter een zuster voor wie hij moest zorgen, de zakenman die een hekel had aan zijn zaak, de werkman die een hekel had aan zijn werk, de intellectueel die een hekel had aan iedereen – zij waren broeders verenigd in de weelde van een gemeenschappelijke woede die de verveling verdreef en hen van zichzelf verloste, en ze wisten maar al te goed wat voor weldaad het was om zichzelf verlost te zijn…”.

Goed en kwaad
Er brandt een hevige strijd los tussen Wynand, die het opneemt vóór Howard, en de criticus die het opneemt tégen Howard. De criticus heeft het volk op zijn hand. Als het er op lijkt dat Wynand failliet gaat, loopt hij over, en verraadt Howard. Dat accepteert Dominique niet. Ze verlaat Wynand om zich (eindelijk) openlijk aan Howard's zijde te voegen. Tijdens de rechtszaak die volgt bekent Peter zijn misstappen. Howard weigert een advocaat en verdedigt zichzelf in een briljante speech, die het hoogtepunt van het boek vormt. Zijn statement: “… De schepper brengt voort; de parasiet ontleent…”. Volgens Howard gebruikt de parasiet dan wel de tweedehands mens het altruïsme als wapen om anderen te exploiteren. Om zijn deugdzaamheid te kunnen beoefenen verlangt de altruïst er naar de ander te zien lijden. Rand zet het allemaal in een ongelooflijk zwart-witte alles of niets tegenstelling: “… Als polen van goed en kwaad kreeg hij twee ideeën voorgezet: egocentrisme en altruïsme…”. Ik vind dat Rand er te simpel over schrijft. Het altruïsme dat Rand schetst is eerder een verkapte vorm van egoïsme. Bovendien hebben mensen een bepaalde mate van bevestiging nodig; zie psychiater Anna Terruwe in “De frustratieneurose”. Howard wordt vrijgesproken, alle hoofdrolspelers gaan als echte heren uit elkaar, eind goed - al goed. In deze tijden van corona ondervinden we hoe ontzettend belangrijk waarachtig altruïsme is. Tegelijk weten we ook dat kunst die er toe doet altijd authentiek is. Waarom zou het een het ander uitsluiten?! Ik denk dat de tegenstelling die Rand schept een valse is, wat niet wegneemt dat haar ideeën spannend en discutabel zijn. Ik geloof niet in of-of; ik geloof in en-en. Haar in alle opzichten verbijsterende roman doet me denken aan het werk van Herman Hesse en Carry van Bruggen, die dezelfde fascinerende thema’s onderzochten.


Uitgave: Luitingh-Sijthoff 2015 (oorspronkelijke uitgave 1943), vertaling Jan van Rheenen en Theo Veenhof, 752 blz., ISBN 978 902 101 668 9, € 27,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 6 maart 2020

Zorg voor de ziel – Arjan Plaisier


Subtitel: Spiritueel leven vanuit de christelijke traditie

In mijn zoektocht naar mystiek kwam ik tot nog toe vooral boeken tegen uit andere denominaties dan de mijne (PKN). Zie: Evelyn Underhill – anglicaans, de Heilige Lucas van Simferopol – Russisch-orthodox, Suzanne van der Schot – rooms-katholiek, Sjef Laenen – Jodendom, Willemijn Dicke - van alles en nog wat. Ik was dan ook zeer verrast dat Arjan Plaisier, voormalig scriba van de Protestantse Kerk in Nederland en inmiddels weer predikant in Amersfoort, onlangs een uitgave over dit thema het licht deed zien. Want het ontbreken van een spirituele kant aan het geloof zie ik toch wel als een groot manco. Misschien is dat zelfs dé oorzaak van de leegloop van de hedendaagse kerk, denk ik wel eens (hoe je het ook wendt of keert, feit is dat van de protestantse kerken de ‘bevindelijken’ het nog steeds het beste doen). Ik bedoel: voor het verwerven van een beetje levenswijsheid kun je ook prima buiten de kerk terecht. Ik hoef maar naar psychiater Dirk De Wachter te wijzen die wat dat betreft betere preken houdt dan menige dominee. Mystiek gaat dieper. Kan maar bij benadering omschreven worden. Draait om een onzichtbare dimensie waar eigenlijk geen woorden voor zijn. De protestantse traditie is bij uitstek verbaal. Het woord voert de boventoon. Dus dat men daar de draad betreffende mystiek, die altijd inzet op stilte en inkeer, een beetje is kwijtgeraakt, vind ik niet zo verwonderlijk. Na alles wat ik heb gelezen denk ik daarbij ook dat vrouwen, vanwege hun hogere sensitiviteit en diepere intuïtie, over het algemeen meer met spiritualiteit hebben dan mannen. En aangezien mannen tot voor kort, en nog best vaak, de dienst uitmaken in de kerk (zelfs Arjan Plaisier blijft het meest intellectueel bezig van alle schrijvers die ik heb genoemd)... Plotseling bedenk ik ook dat wat ik poneer wel eens het een en ander zou kunnen verklaren met betrekking tot wat Paulus zegt over het zwijgen van vrouwen in de gemeente. Misschien is dat wel omdat ze een heel speciaal eigen talent hebben! Maar goed, nu beland ik weer op onafzienbare zijpaden. Ik kan beter Virginia Woolf voor mezelf het woord laten doen: “… Waar het bij alles waar we over gesproken hebben werkelijk om gaat, zeiden ze, blijft zich aan taal onttrekken. We stuiten voortdurend op het stiltegebied waar onze woorden hun vleugels moeten vouwen en alleen nog als roeken in de toppen van kale bomen kleumend bij elkaar zitten, en toekijken…”.

Over het spirituele vacuüm

Het is best raar, stelt Plaisier, dat een zinzoeker die tot spirituele verdieping wil komen, in de kerk vaak nul op zijn rekest krijgt: “… waar de kerk op dit gebied niets meer in huis heeft, is de enige weg een keuze te maken uit het scala aan zelfhulpboeken of zich aansluiten bij een cursus mindfulness, waar je zo bij kunt aanschuiven…”. Hoe is dat zo gekomen? Veel mensen verlangen naar wat Plaisier een ‘bezield verband’ noemt. Het leven lijkt uit losse brokstukken te bestaan. Is fragmentarisch geworden. Mist een onderliggende eenheid. Zie Pim Fortuyn over de ‘verweesde samenleving’. “… Dit verlangen naar bezieling is niet van gisteren of eergisteren. Het heeft diepe wortels, die voor een groot deel teruggaan tot de beweging van de Romantiek. Dat is een beweging die in de tweede helft van de 18e eeuw is opgekomen, en die één groot verlangen was naar een nieuw bezield verband. Veel hedendaagse spiritualiteit of verlangen ernaar, gaat terug op deze beweging. De Romantiek is een protest geweest tegen de kaalslag die de industriële revolutie veroorzaakte, zowel in het sociale leven als in de natuur. De Verlichting heeft veel nadruk gelegd op de rede en het gebruik van de rede, in toenemende mate ook om de levenscondities te verbeteren, maar wist weinig raad met hart, ziel en gevoel. Veel proza maar weinig poëzie…”. Degenen die het christelijke geloof passé en teveel onderdeel van het onbezielde bestaan vonden, vielen terug op de Middeleeuwen of zochten hun inspiratie in de natuurbeleving en de diepte van het ‘volkse’. Echter, de Romantiek heeft het tij niet kunnen keren. Verder wijst Plaisier op de ‘leegte’ van tijd en ruimte. Een 24 uurseconomie kent geen heilige of afgezonderde tijd meer. Zoals de vrijdag voor moslims, de zaterdag - de sabbat voor Joden en de zondag voor christenen. En wat betreft de heilige ruimte: zie de eeuwenoude tempels, basilieken en kathedralen, die toch nog steeds heel veel betekenen voor geseculariseerde mensen. Je hoeft maar naar de impact van de brand in de Notre-Dame van Parijs te kijken. Dan nog het een en al van arbeid: “… De wereld is in nauwelijks twee eeuwen een gigantische productiemachine geworden…”. Alles draait om wat we doen en produceren. Daar hangen we onze identiteit aan op. We zijn constant bezig met verbetering, vernieuwing, vooruitgang, groei, maar waarom en waarvoor, is nauwelijks duidelijk. We creëren een oververhitte wereld en dreigen onszelf daardoor psychisch op te blazen. Ook de ‘mediatisering’ maakt het moeilijk ‘alleen bij onszelf’ te zijn en zet de werkelijkheid op afstand. Alsof we in een glazen kooi leven. Vanwege gebrek aan levende interactie verdunt en verdampt de ziel (zie Maxim Februari in “Klont” en Dave Eggers in "De cirkel"). De kerk heeft op haar eigen manier aan een spiritueel vacuüm bijgedragen. Is over-cognitief geworden. De focus is op kennis gaan liggen; en natuurlijk is dat belangrijk. Maar niet als de ziel daardoor het onderspit delft: “… Op de een of andere manier moest alles ‘tussen de oren’ gepropt worden…”. Ik herken mij hier zeer in. Ik ben in mijn protestantse opvoeding ook zo ongeveer ‘plat geluld’, om het maar eens cru te zeggen. Plaisier heeft het over de problematisering van het geloof. Veel dominees weten eigenlijk ook niet meer hoe het zit met God. In het christelijke leven kwam het accent daardoor voornamelijk te liggen op wat christenen konden betekenen voor de samenleving. De ‘innerlijke mens’ werd vergeten, zo niet opzij gezet. Immers: wat kon je daar nu voor zinnigs over zeggen? De christelijke levenspraktijk verdween: na het eten de Bijbel lezen, gebedje voor het slapen gaan, ik noem maar wat. En misschien wel vooral: het verlies van het idee dat het goddelijke ín ons te vinden is.

Het onbekende dat toch aanwezig is
Bij mystiek gaat het altijd om innerlijk licht: “… God is licht maar wel een ontoegankelijk licht en daarom is Hij tegelijk duisternis…”. En even verder: “… Het licht van God vraagt om donkerheid. God is een licht dat pas goed uitkomt in de duisternis…”. Vandaar die ‘nacht van de ziel’? Plaisier haalt verschillende mystici aan om een indruk te geven waar spiritualiteit over gaat. Te beginnen bij Mozes die God ontmoette in het brandende braambos. Hij verbindt dit verhaal met de uitdrukking waar de godsdienstfilosoof Rudolf Otto wereldberoemd mee geworden is: ‘het mysterium tremendum et fascinosum’ ("Das Heilige", 1917). De Eeuwige is zowel fascinerend als vreeswekkend. In Zijn nabijheid blijven wij nergens meer. Dat onderstreept de onoverbrugbare afstand tussen God en mens. Daarom doet Mozes de schoenen van zijn voeten. De grond waarop hij staat is heilig. Plaisier heeft het over de beroemdste zin uit de "Belijdenissen" van Augustinus: “… Onrustig is het hart totdat het rust vindt in U…”. Augustinus heeft niet genoeg aan zichzelf en zijn eigen geest. Maar “… Wie maar diep genoeg graaft, zal vanzelf de Ander tegenkomen, de grond van de zielegrond…”. Plaisier staat stil bij Juliana van Norwich (1342-1416?), Maarten Luther (1483-1546), Blaise Pascal (1623-1662), Gerhard Tersteegen (1697-1769) en de beroemde dichter Thomas Stearns Eliot (1888-1965), om tenslotte uit te komen bij de Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943), van wie ik eerder de roman “Lila” besprak. Anno 2020 heeft de mens volgens het moderne denken helemaal niet zoiets als een ziel. Zie een schitterend fragment in “Hoor nu mijn stem” van Franca Treur: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Het gekke is dat er tegelijk nooit eerder zo werd opgeroepen ‘authentiek’ te zijn, lees de personeelsadvertenties er maar eens op na. Hoe kun je mondig, onafhankelijk en autonoom over jezelf beschikken als je niet eens een zelf hebt? Ik geloof niet dat wij alleen maar een genetische klomp cellen zijn die nu eenmaal doen waar ze voor zijn voorbestemd. Ik geloof er niets van dat ik enkel een golfje in de tijd ben. Dat ik zomaar weer wordt verzwolgen in de gang van de geschiedenis die mij doet opkomen en weer uitwist. Dat ik als een sluis de tijd doorlaat, zonder een spoor achter te laten. Ik denk dat ik meer ben. Ik voel een ziel, een geest in mij, dat een diep en vooralsnog onbevattelijk mysterie bevat. Thomas Merton, over wat hij aanduidt als het hart: “… de diepste psychologische grond van de persoonlijkheid, het innerlijke heiligdom; het is de plaats waar de mens zich openstelt voor de metafysische en theologische confrontatie met de afgrond van het onbekende dat toch aanwezig is…”.

De weg naar binnen
Tal van Bijbelteksten wijzen op het hart dat in verbinding staat met God: Lucas 17:21, Johannes 4:14, 1 Petrus 3:15, Efeze 3:16-17. Plaisier heeft het over de 16e eeuwse Spaanse mystica Teresa van Avila die de ziel omschrijft als een kristal dat het licht van God opvangt en weerkaatst (naar buiten toe, de samenleving in). En over Sören Kierkegaard die schrijft: “… Zoek eerst het rijk van God – dat in uw binnenste is…”. Het gaat over het vinden van de ‘verborgen omgang’ met God (Psalm 25). Deze weg naar binnen confronteert ons altijd met duisternis en de leegte. Eerst om ons, dan in ons. Zie het lijden onder de vervreemding en absurditeit van het leven bij de existentialisten. Zie de Boeddha en zijn liefde tot de leegte. Maar het christendom gaat verder. Plaisier: “… Volgens Pascal is de mens zelfs een oneindige leegte. Een leegte die alleen gevuld kan worden door God…”. T.S. Eliot heeft het zich afkeren van de wereld om de eigen donkerte in te gaan peilloos diep omschreven: “… I said to my soul, be still, and let the dark come upon you / Which shall be the darkness of God…” (Four Quartets, East Coker III). Daar, juist in dat duister, licht God op, als de zon: “… ‘U was wel bij mij maar ik was niet bij U’, schreef Augustinus. De jonge Augustinus was buiten. Ook daar was God, maar zonder de weg naar binnen, ontdekte hij Hem niet. De weg naar binnen in de christelijke traditie is een weg van en in de ziel. Het is geen eenzame weg, want God laat zich er vinden. Hij laat er zich vinden, zonder dat Hij in de ziel opgesloten is. Hij is immers de Schepper van de hemel en de aarde. Maar deze God van de schepping maakt in het bijzonder zijn woning in de ziel van de mens…”. Zie ‘The Rolling Stones’ die het onbevredigende van het kale uiterlijke bestaan heftig aan de kaak hebben gesteld in ‘I can get no satisfaction’. Bijzonder eerlijk toch? Je zou het bijna een muzikale interpretatie van de belijdenis van Augustinus kunnen noemen. Plaisier: “… De mens heeft een ziel. De mens is een ziel. Daarmee is echter niet een stand van zaken bedoeld, die nu eenmaal is zoals hij is. Ziel betekent in de grammatica van het christelijk geloof ook avontuur en risico. Je kunt je ziel verliezen of behouden. In het evangelie klinkt de oproep om je ziel niet verloren te laten gaan: Want wat baat het een mens als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt, of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel? (Matth. 16:26)…”. Marilynne Robinson: “… I find the soul a valuable concept, a statement of the dignity of a human life and of the unutterable gravity of human action and experience…”, om daar vervolgens ironisch aan toe te voegen: “… I would add that I find my own soul interesting company, if this did not seem to cast doubt on my impeccable objectivity…”. Best spannend gezelschap ja, die ziel van ons…

De weg naar buiten
Plaisier onomwonden: “… Een christendom zonder de weg naar binnen, bloedt dood…”. Er is echter ook weer een weg naar buiten. Christus woont niet alleen in het hart, maar ook in de kosmos: “… De mens is binnen en buiten. Hij is ziel maar ook zinnen. Hij is hart en huid. Hij heeft een verborgen kant die aan God raakt, en hij heeft een openbare kant die eveneens aan God raakt…”. De Britse essayist Chesterton, die zelden de nuances zocht, stelt naar aanleiding van het verschil tussen een boeddhistische heilige in een Chinese tempel en een christelijke heilige in een gotische kathedraal: “… dat de boeddhistische heilige zijn ogen altijd gesloten heeft, terwijl de christelijke heilige ze altijd wijd open heeft. De boeddhistische heilige heeft een welgeschapen en harmonieus geproportioneerd lichaam, maar zijn ogen zijn zwaar en zwanger van slaap. Het lichaam van de middeleeuwse heilige is een uitgemergeld beenderstelsel, maar zijn ogen zijn angstwekkend levendig. (…) De boeddhist kijkt met een bijzondere intensiteit naar binnen. De christen staart met een vurige intensiteit naar buiten…”. Een tikkeltje overdreven, maar het maakt wel duidelijk dat de christen intens betrokken is op zijn omgeving: ‘Wees een zegen’. De liefde van God reflecteert in de liefde tot de naaste. Plaisier legt het een en ander uit aan de hand van het werk van Franciscus van Assisi, Bernardus van Clairvaux, Jan van Ruusbroec, Dante Alighieri , F.M. Dostojevski en Esther Maria Magnis. Een heel hoofdstuk gaat over het gebed. Volgens Plaisier focust het protestantisme - misschien wel te veel - op woorden, wat geleidt heeft tot de volkomen lege kerkinterieurs van bijvoorbeeld Pieter Jansz. Saenredam. Ooit bedoelt als een ‘zuivering’ die als een bliksem heeft gewerkt en voor de rooms-katholiek nogal shockerend. Hebben we met het badwater het kind weggegooid?: “… Wat, als die zuivering zover doorgaat dat God zelf verdwijnt? Of als die vraag te groot is, wat als de bemiddeling van God, de presentie van God, de heiligheid, is verdwenen? Wat als protestantisme omtaardt in een schrijnend gebrek aan heiligheid? Wat als de afschaffing van heiligen en heilige plaatsen, gebaren en riten heeft geleid, niet tot concentratie, maar tot verlies van heiligheid? Leidt een dergelijke geradicaliseerde zuivering niet tot een lege wereld, die slechts kan worden opgevuld met veel praten en weinig aanbidding?...”. Plaisier zit vol brandende vragen. Hij stelt dat God ‘het enige echt interessante’ in het christendom is. Plaisier waarschuwt voor een ‘religie zonder mysterie’, wat me doet denken aan “De slinger van Foucault” van Umberto Eco, waar jongens achter een geheim aanzitten dat uiteindelijk leeg blijkt te zijn. Hij waarschuwt ook voor “… een bezorgdheid om het ik dat van geen antwoord meer wil weten…”, zie “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink, dat “… voor velen als een kijken in een zwart gat is geweest…”. Alhoewel Hans Sievez toch ook weer een soort van catharsis heeft ervaren.

Over de Bijbel
Een prachtig hoofdstuk gaat over de Bijbel: “… De Bijbel is niet een boek dat kant en klaar is afgeleverd door de hemel. Het is evenmin een boek dat door één auteur is geschreven, zodat het terug zou gaan op de religieuze genialiteit van een eenling. De Bijbel is ontstaan in het hart van ‘de kerk’. Daar zijn woorden gesproken, gehoord, overgeleverd en uiteindelijk verzameld. De Bijbel is ontstaan in een gemeenschap en heeft die gemeenschap weer verder gevormd. Het is dus een boek van een gemeenschap en het is daarom niet ter zake dit boek te ontvreemden van die gemeenschap…”. Met andere woorden: buitenstaanders zal de Bijbel niet zoveel zeggen, waarschijnlijk. De kerk leest de teksten in het licht van de verschijning van Jezus Christus; “… alsof deze teksten in een magnetisch veld getrokken worden…”. De Bijbel bestaat uit een bonte verzameling genres, die het niet gemakkelijk maakt er een lijn in te ontdekken. Het lijkt op een ondoordringbaar oerwoud waar je in verdwaalt. Het zit vol hiaten, overlappingen en historische tegenstrijdigheden. Plaisier geeft een prachtige vergelijking om de betekenis van de Bijbel te duiden van de filosoof J.G. Hamann, een figuur uit de 18e eeuw en tijdgenoot van Kant. Hij vergelijkt de Bijbel met lappen, lompen die de profeet Jeremia ooit onder zijn oksels moest leggen om opgetrokken te kunnen worden uit de put waarin hij gegooid was: “… Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen vandaan haalde. Hij liet deze aan de touwen naar Jeremia in de put zakken en zei tegen hem: ‘stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronder door’. Jeremia deed wat hij zei en zo trokken ze hem uit de put omhoog…” (Jer. 38:11-13). Plaisier: “… Jeremia zou in de put zijn weggezakt en gestikt in de modder maar hij wordt eruit gehaald door touw en lappen stof. Dat is de Bijbel, het is een boek dat bestaat uit stukken stof. Je denkt: wat moet ik ermee, maar ze zijn nodig voor je verlossing. Het touw alleen is niet genoeg, want zonder de lompen snijdt het touw door je vlees heen. De lompen passen bij de mens van vlees en bloed. Het beeld lijkt weinig eerbied uit te drukken voor de Bijbel, maar dat is schijn. De Bijbel is een hulpmiddel, maar wel onmisbaar. Het boek is er voor de verlossing en het is niet een filosofisch handboek of spiritueel zelfhulpboek. Het is niet een mooie eenheid, uit één stuk geweven, maar het zijn hele verschillende stukken stof. Niet iedereen heeft alles nodig, maar je moet ze wel goed gebruiken. Je kunt ernaar gaan kijken, analyseren, proberen er een mooi verband van te maken, maar je moet nooit vergeten dat je in de put zit, dat de ondergrond van je leven verraderlijk is, dat je er niet zelf uit kunt komen, dat die teksten dat op zich ook niet kunnen, maar dat ze wel kunnen helpen uit die put te komen. God moet het doen maar die doet het met een touw en die lappen. Lappen tekst, of desnoods één lapje tekst. De tekst is het textiel, en de Bijbel is een weefpatroon van teksten, dat er is voor de verlossing…”. Dat de Bijbel niet klopt met de wetenschappelijke inzichten van vandaag vindt Plaisier een wat belegen reactie. Natuurlijk niet. Genesis begint met een gedicht over de schepping: “… als je de Bijbel als een wetenschappelijk verslag gaat lezen van ‘hoe het allemaal is gegaan’ ga je ernstig de fout in, of je nu fundamentalist bent of sceptische wetenschapper…”. Plaisier voelt zich niet geroepen de feitelijke onjuistheden in de Bijbel en de tegenspraak in de vier evangeliën te ontkennen of door moeizame en vergezochte redeneringen te weerleggen: “… De Bijbel is immers een menselijk boek, waar de feilbaarheid in zit die mensen eigen is. God heeft ons een menselijk boek aan de hand gedaan, met rafels en losse eindjes…”. En even verder: “… het is een boek van getuigen en het vraagt gelezen te worden. Wie het leest met een hongerige ziel en een nederig hart zal de ervaring opdoen dat het verlossend werkt…”.

Een begrepen God is geen God
Plaisier eindigt zijn boek met een aantal hoofdstukken over spiritualiteit in de christelijke traditie, gemeenschap en liturgie. Daarin staat de kerk centraal. Prachtig schrijft hij over de kinderdoop, die vaak gezien wordt als voorgesorteerd op de eigen keuze van het kind: “… Ik begrijp dat gevoel. Toch moet de vraag worden gesteld waarom de wereld van het bovennatuurlijke pas gaat werken als ik ervoor kies. Waarom zou de hemel niet zo barmhartig en genadig zijn dat ik al gevonden ben voordat ik zoek? Dat is nu precies wat het evangelie zegt. Als kind lig ik in een wereld die een groot en donker gat is. Later zal ik erachter komen dat dat grote en donkere gat ook in mijzelf zit. Wat is het dan genadig dat er een hemelse gestalte is die zegt: je hoort bij mijn lichtlichaam…”. Volgens Plaisier is iedereen onderhand wel een beetje moe van het slijpen van de hermeneutische messen: “… De voorganger van morgen is de mystagoog, die inwijdt in het geheim van het geloof waar hij of zij ook zelf door is gegrepen…”. Want “… een begrepen God is geen God…”. De christelijke God is een “… drievoudig raadsel…”. Amen.

Uitgave: Kok – 2020, 223 blz., ISBN 978 904 353 273 0, € 16,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 26 februari 2020

Het spirituele leven – Evelyn Underhill


Subtitel: Mystiek voor het dagelijks bestaan

Toen ik op een druilerige zaterdagmiddag door één van de mooiste boekwinkels van Nederland struinde, ‘De Drvkkery’ in het centrum van Middelburg, liep ik tegen een kleine studie aan over christelijke mystiek, van de mij totaal onbekende Britse schrijfster Evelyn Underhill (1875-1941). Het onderwerp boeit mij mateloos. Underhill noemde zichzelf in haar jeugdjaren atheïst, studeerde geschiedenis en botanie aan King’s College in Londen en reisde veel door Europa, waar ze vooral getroffen werd door de oude christelijke schilderkunst. Zoals heel vaak bij mystieke auteurs, overkwam haar, nota bene in haar trouwjaar, een overweldigend visioen. Het liet haar niet meer los en bewerkstelligde een totale innerlijke omkeer (zie bijvoorbeeld ook George Sand in “De geschiedenis van mijn leven”, Charlotte Rørth in “De dag dat ik Jezus ontmoette” en Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik”). Haar man deelde haar interesse in geestelijke zaken niet, maar stimuleerde haar wel te schrijven. Ze publiceerde bijna veertig boeken als auteur of redacteur en schreef honderden artikelen en essays over christelijke spiritualiteit.

Het spirituele landschap

Underhill kreeg een prominente plaats in de Anglicaanse Kerk als begeleider van retraites en geestelijk mentor, maar haar intentie was interreligieus oftewel religie-overstijgend. Ze kwam niet met iets nieuws, maar maakte iets ouds en bestaands – met name de middeleeuwse mystieke schrijvers – weer toegankelijk. Evenals de Russische aartsbisschop Lucas de Belijder, waar ik eerder een blog over schreef, zag ze het hele universum als Gods schepping: “… We mogen, aldus Underhill, álles, de zichtbare en de onzichtbare dingen, het bewuste en het onbewuste, zien en ervaren als een daad van verering…” (zie Ps. 139:8-10). Ze heeft dan ook het nodige contact gehad met Russisch-orthodoxe immigranten. Ze was en bleef heer hele leven pacifist, wat haar vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog veel goodwill kostte. “Het spirituele leven” is een bundel die gebaseerd is op vier radiotoespraken uit 1936. Vergeleken met de helderheid van Lucas de Belijder is Underhill wat vager, vind ik, waarschijnlijk omdat de eerste in een oeroude traditie staat die Underhill ontbeert. Op de vraag wat een spiritueel leven is, antwoordt ze: “… Een spiritueel leven is eenvoudigweg een leven waarin alles wat we doen voortkomt uit de kern, daar waar wij in God verankerd zijn…”. Dat betekent dat we allereerst op zoek moeten gaan naar die bron, ín ons, lijkt mij. Underhill vergelijkt onze naar buiten gerichte praktische levens met een vaak indrukwekkende bontjas waar niemand in zit. Ze heeft het nergens over een drie-eenheid van lichaam, ziel en geest, wat voor mij wel een erg duidelijkheid scheppende manier is om naar de mens te kijken. De geest zou ik dan willen vereenzelvigen met de kern waar Underhill het over heeft, waarin God te vinden is. Het ligt voorbij het ego in onze ziel of psyche, het terrein waar de psychologie zich over buigt. Underhill erkent wel dat we ons ego moeten overstijgen. Al is het in een vroeg stadium van het spirituele leven misschien nodig: “… dit bezig zijn met onszelf – en nog drastisch ook…” (ik denk dat we door de innerlijke dimensie van de psyche heen moeten om de kern te bereiken – zie ‘de donkere nacht van de ziel’ van Johannes van het Kruis). Het spirituele landschap, dat we met ons beperkte verstand niet kunnen bevatten, is veel meer dan ons eigen kleine ik, dat daar enkel een miniem onderdeeltje van is: “… Het is niet alleen iets religieus, maar ook de bron van alles wat in het menselijk bestaan onze wereld overstijgt – grootse daden, grootse muziek, grootse poëzie, grootse kunst. Of wij er aandacht voor hebben of het negeren maakt voor die wereld, voor dat landschap geen verschil, maar voor ons wel!...”. Want onze levens worden pas heel als we er “… een zekere bewuste overeenstemming mee hebben…”. Het gekke is, geconfronteerd met deze kern lijken we ons zelf juist te vergeten.

Onszelf verliezen
Een en ander doet me denken aan de bedwelmende roman "De verborgen geschiedenis" van Donna Tartt waarin het over een docent Grieks gaat die zijn leerlingen vraagt: “… Ik hoop dat we allemaal klaar zijn om de wereld der verschijnselen te verlaten en die van het verhevene binnen te gaan?...”. En vervolgens: “… Het gesprek ging die dag over het verlies van het zelf, over Plato’s vier soorten goddelijke waanzin, over waanzin in alle vormen; hij begon over de last van het zelf, zoals hij het noemde, en de reden waarom mensen het zelf willen verliezen. ‘Waarom kwelt dat hardnekkige stemmetje in ons hoofd ons zo?’ vroeg hij met een blik rond de tafel. ‘Is het misschien omdat het ons eraan herinnert dat we leven, ons herinnert aan onze sterfelijkheid en onze individuele ziel, die we uiteindelijk niet durven opgeven maar die ons ongelukkiger kan maken dan wat ook? Maar is pijn niet tegelijk het gevoel dat ons vaak het meest van onszelf bewust maakt?...”. En even verder: “… Ons eigen zelf maakt ons doodongelukkig en daarom willen we er zo graag van af, geloven jullie niet? Denk eens aan de Erinyen.’ ‘De Furiën,’ zei Bunny met glinsterende ogen achter zijn haren…”. Ik denk dat dat komt omdat wij aangelegd zijn op God. Zie de “Duitse Theologie” samengesteld door Luther, waarin onderwezen wordt dat je je natuurlijke oog moet sluiten wil je met het geestelijke oog kunnen zien (“Geest, Ziel en Lichaam” – Heilige Lucas van Simferopol). Tartt: “… Hoe kunnen we dit gekmakende zelf verliezen, volkomen verliezen?...”. De Heilige Lucas heeft het over drugs, koorts, vasten, slapen of juist waken. In Tartt’s boek komen de studenten met: kunst, liefde, maar ook strijd – wat me aan een merkwaardige interview met oorlogscorrespondent Arnold Karskens doet denken, die zegt dat hij Jezus en de Heilige Geest heeft gezien, ook al weet hij niet of God bestaat (Trouw; 11.01.2020). Tartt: “… We denken dat we vele verlangens hebben maar in feite hebben we er maar één. Welk?’ ‘Om te leven,’ zei Camilla. ‘Om ééuwig te leven,’ zei Bunny met zijn kin in zijn handpalm…”. Als we God willen zien, moeten we onszelf opzij zetten: “… de wortels van eigenliefde uitrukken, namelijk trots en gehechtheid aan bezit, woede en geld, ambitie en hebzucht, in al hun vermommingen – hoe respectabel die ook mogen zijn, welk uniform ze ook dragen…”. Het spirituele leven kan alleen ontkiemen als wij ons niet op onszelf maar op God richten, aldus Underhill.

Magneet
De onvergankelijke kern waarin God woont omkleedt Underhill met begrippen als onveranderlijk en eeuwig: “… als wij dit onveranderlijke in onszelf een kans geven en het laten oprijzen uit de stroom van gebeurtenissen die ons leven bepaalt om in te zien wat het ware huis en het ware doel ervan is, namelijk God zelf – dan zullen bezorgdheid, verwarring, onzekerheid en wanhoop afnemen, ook al is het leven niet zonder lijden…” (in onze kerk zingen we wel eens een lied waar voor mij een enorme troost van uit gaat: ‘Er is een dag’ – daarin komt de volgende strofe voor: ‘… en als je lijdt, weet dat het maar voor even is…’). Underhill: “… Mensen van nu zijn hulpeloos, snel afgeleid en tegendraads, niet in staat om te interpreteren wat er gebeurt en erg bezorgd over wat komen gaat; dit komt vooral doordat het eeuwige hen geen houvast meer biedt…”. Het geloof in de Eeuwige geeft een bijzonder besef van ultieme geborgenheid (zie voor het tegenovergestelde mijn vorige blog over “Barabbas”). Of we het ons nu bewust zijn of niet, we zijn allemaal op reis naar God. Deze overtuiging “… is bij de meeste mensen sluimerend aanwezig…”. Hoe kunnen wij God op het spoor komen? Kijk naar “… het mysterieuze feit dat de mensheid een bijna universele drang kent om een macht buiten zichzelf te zoeken en daar een beroep op te doen: het bidden…”, aldus Underhill. Of de ervaring van schoonheid die onze zintuigen te boven gaat- zie Tartt. “… Nog iets anders: als je terugkijkt op je leven moet je wel toegeven dat niet alles kan worden toegeschreven aan erfelijkheid, sociale omgeving, kansen, eigen initiatief of domweg geluk. De ontmoeting die beslissend bleek, het pad dat zich onverwacht opende, het andere pad dat werd afgesloten, iets wat we gewoonweg moesten zeggen, de brief die we gewoonweg moesten schrijven. Het is alsof een verborgen kracht – persoonlijk, levend, vrij – de gebeurtenissen stuurde, vaak tegen onze plannen en verlangens in. Die kracht duwde ons in een bepaalde richting, kneedde ons in een bepaalde vorm…”. Underhill omschrijft God onder andere als een ‘magneet’, waar ik mij zeer in kan vinden. We keren ons vaak van Hem af, we stribbelen tegen, toch trekt God ons naar zich toe. En even verder: “… Vanuit materialistisch gezichtspunt bezien, is dit natuurlijk tamelijk onverklaarbaar. Als het waar is, betekent het dat er onder de oppervlakte van het bestaan, waar wij over het algemeen genoegen mee nemen, zich onverwachte diepten bevinden en grote spirituele krachten werkzaam zijn die ons kleine leven bepalen en leiden. Sommige mensen zijn, of worden, gevoelig voor de druk die deze krachten op hen uitoefenen. De rest van ons kan gemakkelijk alle bewijs voor deze ervaringen negeren, vooral omdat ze zo verborgen zijn en zich in je binnenste afspelen, terwijl wij voortdurend ingaan op direct waarneembare en uiterlijke zaken…”. Nemen we deze ervaringen wel serieus, dan kunnen we haast niet anders dan concluderen dat we ten diepste zowel geestelijke als natuurlijke schepselen zijn. Beide fenomenen lopen door elkaar heen en zijn niet te scheiden. Probeer je dat wel (‘geloof achter de voordeur’), dan beland je in een bijna schizofrene levenshouding. Welnu, aangezien wij het vermogen hebben ons af te stemmen op een onzichtbare wereld, zijn we toch eigenlijk wel gek als we dat niet doen, of althans proberen.

Laat uw koninkrijk komen

Underhill: “… Het spirituele leven is dus geen eigenaardige of extreme vorm van vroomheid. Integendeel, het is het volle en werkelijke leven waarvoor de mens is geschapen…”. Als we de spirituele atmosfeer als een werkelijk bestanddeel van onze menselijke wereld beginnen op te merken, verandert dat ons hele bestaan, wordt onze horizon ontiegelijk verbreed en onze ervaring sterk verrijkt. We kijken anders naar mensen, anders naar het leven, en daardoor veranderen we zelf. Er begint een nieuwe fase in onze ontwikkeling: “… Vreemd genoeg horen we zelden iets over de belangrijkste stap voorwaarts die een mens kan maken, de stap voorbij eigenbelang en de gewone gang van zaken…”. Het belangrijkste in deze zoektocht naar God is “… de zekerheid dat er tegenover de mens een levende werkelijkheid is die naar hem overneigt…”. De rijkdom en de schoonheid van het geestelijke landschap worden ons niet alleen onthuld om eindeloos te bewonderen. God wil ons gebruiken om te helpen de wereld te vervolmaken, als wij ons door Hem laten leiden: “… Het leven op deze planeet en het menselijk leven in het bijzonder, is een leven waarin iets verkeerd is gegaan en niet zo’n beetje ook. Elk ongelukkig gezicht herinnert ons daaraan, elk ongezond lichaam, elk bitter of wanhopig woord. Soms vangen we een glimp op van pure schoonheid, pure goedheid, pure liefde die ons doet duizelen en laat zien wat God wil en wat Hij is. Dat brengt tegelijk des te scherper in beeld de gruwelen van wreedheid, hebzucht, onderdrukking, haat, lelijkheid – en ook het geklungel en de stommiteiten die het leven frustreren en lijden veroorzaken. We móéten het wel zien, tenzij we oogkleppen opzetten. En we kunnen niet ontkomen aan dat gevoel van verplichting, die schaamte over onze zwijgende instemming, die oproep om er iets aan te doen, tenzij we ons behaaglijk blijven wentelen in onze eigen ideeënwereld en volledig geabsorbeerd worden door onze eigen belangen…”. Het feilbare menselijke wezen blijkt te beschikken over de verbazingwekkende mogelijkheid ja of nee tegen de Eeuwige te zeggen – zie het roepingsvisioen van Jesaja. Zie Mozes die zei: “… ‘Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zou voeren?’ (Ex. 3:11) Maar hij deed het! Het is immers eigen aan de grote spirituele persoonlijkheid dat hij of zij telkens weer datgene doet wat anderen als onmogelijk beschouwen, en dat ondanks de omstandigheden. Zij worden gedreven door een totale toewijding die alle persoonlijke verlegenheid overwint en die een kracht geeft die ongekend is voor wie zijn eigen weg gaat of alleen met de eigen carrière bezig is…”. Heiligen handelen altijd vanuit drie onderscheidende karakteristieken, aldus Underhill, rust, tederheid en kracht. “… Dat veronderstelt dat de aard van de ziel blijvend een immense diepte heeft en een onwrikbare stabiliteit kent…”, veroorzaakt door de zekerheid dat ons kleine handelen deel uitmaakt van God’s grote handelen. “… Gedoe en koortsachtigheid, angst, heftigheid, onverdraagzaamheid, instabiliteit, pessimisme en besluiteloosheid en elke vorm van haast en bezorgdheid – zelfs op het hoogste niveau zijn dit tekenen van de ziel die zichzelf heeft opgewerkt en op eigen houtje handelt, de spirituele parvenu. Zo zijn heiligen nooit…”.

Albrecht Dürer - ‘Ridder, dood en duivel’


Underhill beschrijft de mystieke weg aan de hand van een prachtige gravure van Albrecht Dürer: ‘Ridder, dood en duivel’. “… Je ziet de ridder van de Geest op zijn sterke en goed verzorgde paard: de menselijke natuur, die hij behandelt en gebruikt zoals het zou moeten. Hij rijdt door een donkere en rotsige engte. Naast hem reist de Dood, een vreselijke, strompelende, vervallen figuur. ‘Alle dingen vergaan,’ zegt Dood, ‘de tijd verstrijkt, we worden allemaal ouder. Is deze inspanning echt de moeite waard?’ De figuur aan de andere kant is een zo mogelijk nog afzichtelijker tochtgenoot: onze donkere kant. Het lelijke, perverse, gewelddadige element van onze menselijke natuur, heel onze dierlijke kant, onze kwade impulsen die ook de ridder sarren. Op de een of andere manier horen wij allemaal van tijd tot tijd deze twee stemmen. Hun ontmoedigende opmerkingen en hatelijkheden, hun weerzinwekkende verleidingen, hun cynische commentaar en verderfelijke suggesties. ‘Vergeet me niet, ik ben je toekomst’, zegt Dood. ‘Vergeet me niet,’ zegt je donkere kant, ‘ik ben je onsterfelijke verleden.’ Maar de Ridder van de Geest kijkt niet naar hen. Hij heeft zijn strijd al achter de rug. Op zijn lans zit een akelig schepsel, zijn eigen speciale duivel, gespietst. Hij heeft hem verslagen. Nu is hij verzonken in overpeinzing van iets dat buiten beeld is en dat veel werkelijker is dan het nachtmerrieachtige landschap waar hij doorheen moet. Daarom rijdt hij gestaag door vanuit die laagte vol illusies naar de werkelijkheid van de eeuwige wereld. Hij houdt zijn blik gericht op dat wat hij liefheeft, niet op wat hij haat. Zo verlaat hij de engte veilig en komt op open terrein. Daar voegt hij zich bij het grote leger van God…”. Eenvoudig gezegd: concentreer je op het licht – niet op de duisternis om je en in je.

Vragen

Underhill eindigt haar lezingencyclus met het beantwoorden van een paar veel gestelde vragen. Mogen we God bijvoorbeeld aanduiden als de ultieme Werkelijkheid? Dat mogen we zeker, vindt Underhill: “… Augustinus geeft ons antwoord op deze vraag als hij zegt – tenminste, het wordt aan hem toegeschreven: ‘God is de enige werkelijkheid en wij zijn alleen werkelijk voor zover wij in Hem opgenomen zijn en Hij in ons.’…”. En even verder: “… Als we onze fragmentarische kennis van de rijkdom van Gods wezen willen verwoorden, kunnen we niet anders dan zowel persoonlijke als onpersoonlijke taal gebruiken. Het is goed dat af en toe te benadrukken; immers, voor een deel van de gelovigen is de persoonlijke taal van religie traditioneel en nietszeggend geworden…”. Aangaande het probleem van het kwaad zegt Underhill dat christelijke spiritualiteit het raadsel van het kwaad en het lijden niet verklaart. Underhill: “… Het christendom geeft ons een wel heel bijzonder voorbeeld van de gewelddadigheid van de botsing tussen het kwaad enerzijds en de heiligheid van God anderzijds. Het benadrukt dat de verlossing van de wereld een spirituele taak is waaraan we allen moeten bijdragen; we moeten het kwaad dat de wereld infecteert verslaan. Dit kunnen we alleen door de genezende kracht van de liefde, een liefde die het koninkrijk van God even zichtbaar maakt…”. Hoe weten we wat de wil van God is? Je kunt zo’n vraag volgens haar niet in het algemeen behandelen, maar “… In duidelijke ethische of politieke zaken moeten we natuurlijk oordelen en handelen naar de grote waarheden van het christendom en de eisen die het aan ons stelt. Als we het lef hebben om dat te doen, zullen we steeds beter begrijpen wat die wil inhoudt. Die keuze, beweegreden of handeling die het minst gekleurd is door eigenbelang, die bijdraagt aan de groei van geluk, gezondheid, schoonheid en vrede en die het leven zuivert en in harmonie brengt, kan niet anders dan in overeenstemming zijn met de wil van de Geest die het leven tot volmaaktheid brengt…”. Het wordt pas moeilijk als er een loyaliteitsconflict ontstaat, als je echt niet weet wat wijsheid is. Heiligen die geconfronteerd worden met gecompliceerde keuzes en het gevoel hebben geen helder licht te zien, wachten meestal geduldig af tot er meer duidelijkheid komt. Je kunt te gejaagd zijn om de dingen van God op te merken. Daar is echt een stille geest voor nodig. Uiteindelijk moeten liefde en gezond verstand ons handelen bepalen: “… We hebben deze deugden tenslotte niet voor niets van God gekregen…”. Wat Underhill vindt van de psychologen die hameren op een volledige expressie van het zelf? Werkelijk de hele psychologische dierentuin waartoe we in staat zijn tot uitdrukking brengen, betekent chaos, geen grootsheid, aldus Underhill (zie ook Suzanne van der Schot in “De minnaar, de monnik en de rebel”): “… We moeten keuzes maken om iets te bereiken en dat gaat ten koste van andere…”. Echter, “… als wij ervoor kiezen om gedisciplineerd te leven, met het oog op een doel dat groter is dan wijzelf, kan het niet anders of dit leidt tot grote kracht en innerlijke rust, tot een authentieke persoonlijkheid. Zelfexpressie zal ons nooit zover brengen…”. Of het spirituele een vorm van wensdenken is? “… Het spirituele leven draait niet om onze behoeftes en wensen. Het vraagt discipline en zelfverloochening en brengt vaak veel lijden met zich mee. Via deze weg komt een mens tot totale overgave aan Gods doel…”. Dat is mijn inziens ook precies het verschil met het egocentrische New Age-denken, zoals bijvoorbeeld Michel Houellebecq dat heeft beschreven in "Elementaire deeltjes". En over de vraag waar wij de tijd vandaan moeten halen om met het goddelijke bezig te zijn, Underhill met de nodige humor, “… Maar ook de grote spirituele leraren kenden een vol bestaan. Zij hielden zich bij lange na niet zo afzijdig van het gewone leven als degenen die hen niet lezen, veronderstellen…”. Het gaat er niet om dat wij tijd apart stellen voor God, het gaat erom dat wij ons hele leven, met alle ins en outs, koppelen aan de Eeuwige. Dat we leren leven vanuit het centrum dat God wil zijn; overal en altijd. Het is een 'staat van zijn' …

Uitgave: Kok – 2019, vertaling Renate Barnard en Marga Haas, 80 blz., ISBN 978 904 353 150 4, € 15,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 23 februari 2020

Barabbas - Pär Lagerkvist


Mijn laatste blog eindigde met een citaat van aartsbisschop Lucas van Simferopol over de verrijzenis van Jezus, wat christenen met Pasen vieren: overwinning op de dood. De Zweedse schrijver Pär Lagerkvist (1891-1974) kreeg in 1951 de Nobelprijs voor Literatuur naar aanleiding van “Barabbas” (eerste uitgave 1950), een keihard verhaal over de misdadiger die vrijkomt, nadat het volk ervoor heeft gekozen Jezus in zijn plaats te kruisigen. Er staan maar een paar teksten over hem in de Bijbel – zie Mattheus 27. Barabbas blijft in de roman van Lagerkvist hevig vertwijfeld rond de christenen en hun God heen hangen. Hij kan niet geloven, maar heeft wél zijn leven aan hun Leider te danken. In "1001 boeken die je gelezen moet hebben": “… Lagerkvist verloor als jonge man zijn geloof en was zeer geïnteresseerd in de angst van mensen die, omdat ze geen zekerheid kennen, een soort doel zoeken in een schijnbaar betekenisloze wereld…”.

De verdoemde

Barabbas volgt de stoet naar de onreine kruisigingsplek Golgotha. Hij is verbaasd over de volgelingen die de terdoodveroordeelde trekt. Hij kijkt naar de stugge boerenvrouw die waarschijnlijk de moeder van Jezus is: “… Hij, Barabbas had geen moeder. Ook geen vader trouwens, hij had er zelfs nooit over horen spreken. En voor zover hij wist, had hij ook geen familie. Wanneer ze hem hadden gekruisigd, zou er dan ook heel wat minder geweeklaag zijn geweest dan om hem daar…”. Hij is ook verbaasd over het magere en zwakke voorkomen van het slachtoffer. Hij ziet er zo onschuldig uit als een lam, maar hij zal wel niet voor niets de kruisdood hebben verdiend. Als het op het moment van zijn overlijden even compleet donker wordt, bekruipt Barabbas een hevige angst. Hierna loopt hij naar een bordeel in Jeruzalem. Onderweg pikt hij een schuwe vrouw met een hazenlip op die hem als een soort Gollum volgt. Hij heeft geen eetlust en geeft wat hij krijgt aan de vrouw met de hazenlip, die het opschrokt en verdwijnt. Pas als hij de nodige wijn op heeft komt Barabbas een beetje los. De nacht brengt hij door met een dikke hoer, in een loofhut op het dak. Peinzend en slapeloos kijkt hij naar de fonkelende sterren. Volgens de hoer is zijn inerte toestand te wijten aan het feit dat hij als het ware aan de dood is ontsnapt. Wie eenmaal de dood in de ogen heeft gekeken ís dood, volgens haar, ook al blijft hij leven (net andersom als in de Bijbel dus, waarin het geloof onder meer betekent dat je blijft leven, ook als je bent gestorven) : “… dat is heel wat anders dan te leven en zijn zoals wij…”. Ik moest onwillekeurig denken aan Dostojevski die op het laatste moment gratie kreeg - toen hij al voor het vuurpeloton stond. De dag daarop ontmoet Barabbas de schuldbewuste discipel Petrus, die hem vertelt over de eigenaardige macht die Jezus over mensen had: “… Hij zei alleen maar tegen je: ‘Volg mij!’ en dan moest je hem wel volgen…”. En dat Hij gezegd heeft dat Hij na drie dagen zal opstaan uit de dood omdat hij de Zoon van God is; dus morgen… Of Barabbas denkt dat Jezus hem zal vergeven. Hij heeft Hem immers verloochend?! Ja, dat denkt Barabbas wel. Pas als een paar voorbijgangers Barabbas herkennen en Petrus vertellen met wie hij van doen heeft, trekt Petrus zich ontsteld terug: “… ‘Wijk van ons, verdoemde,’ zeiden ze vol haat tegen hem. En Barabbas trok zijn mantel dichter om zich heen en ging alleen weg, de straat uit, zonder om te kijken…”.

Meer dood dan levend

De vrouw met de hazenlip brengt de nacht met zwervers en verschoppelingen door op de vuilnisbelten in het Ge-Hinnimdal, buiten de stad. Ze droomt met open ogen over de opstanding van Jezus. Iedereen zal gezond zijn en misschien worden er wel witte lakens uitgespreid op de grond waarop alle mogelijke gerechten verschijnen (zie de droom van Petrus), zodat alle hongerigen zich vol en rond kunnen eten. Tegen de ochtend begeeft ze zich naar het graf van Jezus. Net als Barabbas, die zich verschuilt achter een Tamarisk. Tot zijn verbazing is er verder niemand te bekennen. Zo gauw het licht wordt ziet hij dat de steen die voor het graf lag is weggerold. Hij denkt dat de discipelen het lichaam van Jezus ontvreemd hebben. Maar de vrouw met de hazenlip vertelt hem in vervoering dat er een engel uit de hemel is geschoten en de punt van een speer tussen de steen en de rotswand heeft geduwd waardoor die van elkaar werden gescheiden. Barabbas weet niet wat hij er van moet denken. De vrouw zegt dat ze een volgeling van de gekruisigde rabbi is geworden. Als Barabbas vraagt naar Zijn boodschap, werpt ze hem een schuwe blik toe en zegt met nauwelijks verstaanbare stem: ‘Hebt elkander lief’, waarna ze vlug wegloopt en Barabbas haar lang nakijkt. Hij papt aan met de groep aanhangers van Jezus maar laat zich niet overtuigen. Zelfs niet als hij wordt meegenomen naar iemand die door Jezus uit de doden is opgewekt. Lazarus? Zijn naam wordt niet genoemd. Lagerkvist beschrijft hem als een soort zombie: “… Barabbas zat recht tegenover hem en moest maar steeds naar zijn gezicht kijken. Het was geelachtig en maakte de indruk hard als been te zijn. De huid was helemaal uitgedroogd. Barabbas had nooit gedacht dat een gezicht er zo zou kunnen uitzien, en hij had ook nog nooit zo iets leegs en uitdrukkingsloos gezien. Het was als een woestijn…”. Barabbas vraagt hem naar het dodenrijk: “… ‘Nee,’ zei de man, met zijn lege ogen langs hem kijkend, ‘het dodenrijk is niets. Maar voor wie daar is geweest, is al het andere ook niets.’ …”. Ze gebruiken samen het avondmaal: “… toen de dorre, geel geworden vingers hem het stuk brood toestaken en Barabbas ervan moest eten, was het of hij een lijksmaak in de mond kreeg…”. Later zegt hij tegen de gelovigen dat het geen goed idee van hun Meester was om een dode op te wekken, wat hem niet in dank wordt afgenomen. Als ze er achter komen dat hij de uitverkorene is in wiens plaats Jezus is gestorven, haten ze hem zondermeer.

Zo weinig betekent de liefde
Barabbas maakt mee hoe de christenen vervolgd worden, en een opgezweepte meute de vrouw met de hazenlip stenigt. In de uitgebroken massahysterie steekt hij een fanatiekeling neer: zijn manier om haar te wreken. Hij kijkt naar het stralende gezicht waarmee ze haar armen uitstrekt naar haar onzichtbare Verlosser (zie het verhaal over Stefanus in Handelingen 7). Als het donker wordt sleept hij het lijk van de vrouw uit de stenigingskuil en brengt het naar een plek in de woestijn waar haar doodgeboren kind ligt begraven. Gaandeweg wordt duidelijk dat Barabbas een (misbruik-)relatie met de vrouw heeft gehad, waardoor de levenloze baby ter wereld kwam en ze verstoten werd door haar ouders. De vrouw, vanwege haar mismaaktheid niet gewend aan liefde, at uit zijn hand. Wanneer Barabbas terugkeert als aanvoeder van een groep struikrovers, vinden zijn mannen hem zo veranderd dat ze zich onbehaaglijk voelen onder zijn starende, sombere blik. Hij ontsteekt alleen in razernij tijdens een overval op een transport voor een hogepriester. Hij vermoordt onnodig twee tempelwachters. Van verzet was nauwelijks sprake. De alwetende verteller herinnert zich zijn moeder, een gevangen Moabitisch meisje met wie de groep zich een tijd heeft vermaakt, dat stierf tijdens zijn geboorte. Zijn vader heeft hij zonder dat hij het weet omgebracht tijdens een één-op-één gevecht (zie de symboliek met Oedipus). De groep is blij als hij op een dag opsodemietert, al weet niemand waarheen. Jaren later duikt hij op als slaaf in het huis van de Romeinse stadhouder in Paphos, na - hoe is het mogelijk?! – de hel van de kopermijnen te hebben doorstaan: “… Wanneer hij niet zo’n taai gestel had gehad, zou hij het nooit hebben overleefd. Dat had hij te danken aan Elihu en de Moabitische, die hem eenmaal het leven hadden geschonken. En dat ondanks het feit dat zij hem beiden niet hadden liefgehad, maar gehaat. En evenmin elkaar hadden liefgehad. Zo weinig betekent de liefde…”.

Zijn smeltoven

Vervolgens beschrijft Lagerkvist hoe Barabbas in de mijnen vastgeketend werd aan een slaaf die een christen bleek te zijn. Een Armeniër, Sahak, wiens ogen bijna uit zijn hoofd rolden toen Barabbas verklaarde dat hij Jezus had ontmoet: “… En hij beschreef ook de merkwaardige lichtglans waarmede de rabbi bij die gelegenheid omgeven was geweest. En toen hij bemerkte hoe blij Sahak was dat van die lichtglans te horen, zei hij er maar niet bij dat hij dat alleen maar zo had gezien doordat hij rechtstreeks uit de donkere kerker in de volle zon was gekomen, zodat zijn ogen verblind waren…”. Sahak liet hem zijn slavenplaatje zien waar op de achterkant geheimzinnige tekens in waren gekerfd: de naam van zijn Verlosser. Hij verklaarde dat het betekende dat hij een slaaf van Christus was. Barabbas vroeg hem ook in de zijne de naam krassen. Een nieuwe opzichter wilde alles weten over Sahak’s God, toen hij hem zag bidden: “… Sahak trachtte alles zo goed mogelijk te verklaren. En de man luisterde bereidwillig, hoewel de uitleg van de onkundige slaaf niet uitblonk door al te grote duidelijkheid en helderheid. Af en toe schudde hij het hoofd. Maar hij luisterde de hele tijd, alsof de simpele woorden hem werkelijk aangingen. Ten slotte zei hij dat er zoveel goden waren en dat die er immers wel moesten zijn. En dat men veiligheidshalve wel aan allen moest offeren. Sahak antwoordde dat de gekruisigde geen offers begeerde, Hij begeerde dat men zichzelf offerde. ‘Zichzelf offeren? Wat zeg je? Wat bedoel je daarmee?’ ‘Ja, dat men zichzelf offert in zijn grote smeltoven,’ zei Sahak…”. Dat is wel even wat anders dan het tegenwoordige zogeheten ‘welvaartsevangelie’. Bedoelt Sahak met ‘zijn grote smeltoven’ zijn wat de Bijbel noemt ‘nieuwe hart’ (Ezechiël 36:26)? De opzichter had het gevoel dat de christelijke God wilde dat Sahak een beter leven kreeg en wist een baantje boven de grond voor hem te regelen. Sahak weigerde Barabbas alleen achter te laten, en zo zagen ze beiden letterlijk en figuurlijk ‘het licht’: “… En toen ze boven in het daglicht kwamen, het stralende zonlicht over de naar mirte en lavendel geurende berghellingen zagen, de lentegroene dalen aan de voet der bergen en daarachter de zee, knielde Sahak neer en riep vol verrukking uit: ‘Hij is gekomen! Hij is gekomen! Zie, hier is zijn rijk!’ De slavendrijver die hen was komen halen, stond verbluft naar de slaaf te kijken die daar neergeknield lag. Toen gaf hij hem een lichte trap met zijn voet, ten teken dat hij op moest staan. ‘Vooruit, kom mee,’ zei hij…”.

Met niemand verbonden

Helaas laat het koninkrijk Gods op zich wachten, merken ze al gauw. Ze worden als een paar ossen voor een ploeg gespannen en hebben geen beter leven dan beesten, maar zelf vinden ze het al met al een hele vooruitgang. Het is vreselijk wat mensen elkaar aan doen. Alleen al om economische redenen is het gebod van de christelijke God om elkaar lief te hebben taboe. Slaven zijn goedkoper dan ezels. Een indrukwekkend hoofdstuk gaat over hoe ze als zogenaamde staatsgevaarlijke gekken worden verraden en op het matje moeten komen bij een Romeinse stadhouder. Of ze de naam van de God op de achterkant van hun slavenplaatje willen afzweren – ze zijn immers het bezit van caesar?! Sahak weigert en sterft de kruisdood. Barabbas gehoorzaamt (hij krijgt er zelfs beter werk door). Waarom dan die naam in zijn plaatje is gegrifd? “… ‘Omdat ik graag zou willen geloven,’ zei Barabbas zonder een van hen aan te kijken…”. Als de stadhouder met pensioen gaat vertrekt hij naar Rome en neemt de in zijn ogen loyale slaaf Barabbas mee. Hij laat een eiland achter dat een groter gewin heeft opgeleverd dan ooit tevoren: “… Talloze opzichters en slavendrijvers hadden hem door hun plichtsgevoel, hun strengheid en misschien ook door hun wreedheid geholpen dit succes te bereiken. Dank zij hen was het mogelijk geweest de natuurlijke rijkdommen ten volle uit te buiten en zowel de bevolking als de slaven te dwingen het uiterste te presteren. Maar zelf was hij van nature allesbehalve wreed. Alleen zijn bestuur was hard, niet hijzelf, en wanneer men hem dat verweet, berustte het op onkunde, op het feit dat men hem niet kende…”. Een en ander doet akelig veel aan onze tijd denken. Barabbas gaat kapot aan eenzaamheid in de wereldstad. “… Die nacht droomde hij dat hij aaneengeketend was met een slaaf die naast hem lag te bidden, maar die hij niet kon zien. ‘Waarom bid jij?’ vroeg hij hem. ‘Wat heeft dat voor zin?’ ‘Ik bid voor jou,’ antwoordde de slaaf uit het donker met een welbekende stem. En toen lag hij verder doodstil om de biddende niet te storen en hij voelde dat zijn oude ogen vol tranen liepen. Maar toen hij wakker werd en op de vloer om zich heen tastte naar de ketting, was die daar niet en de slaaf evenmin. Hij was met niemand verbonden. Met niemand in de hele wereld…”. Bedoelt Lagerkvist dat als je je aansluit bij een geloofsgemeenschap je je ook moet conformeren aan alle wetjes en regeltjes die daar gelden? Dat kan inderdaad aanvoelen als met handen en voeten gebonden zijn. Als Barabbas een processie volgt komt hij in een tempel terecht waarin een beeld staat van een moeder met een jongetje op haar arm. Ze vertellen hem dat het de genadige Isis voorstelt met het kindeke Horus, waarna een tempelwacht hem wegjaagt: “… Misschien zag hij dat Barabbas in haat tegen al het geschapene in de hemel en op aarde en tegen de Schepper van hemel en aarde was verwekt en geboren…”. Uiteindelijk komt hij in de catacomben terecht, waar de christenen hun geheime bijeenkomsten houden, maar ook daar raakt hij de weg kwijt en vindt hij niks en niemand. Het is bijna een symbolische reis door zijn innerlijk. Af en toe ziet hij een lichtje in het duister, maar dat flakkert ook weer uit: “… Doden!... Hij was omringd door doden. Overal, naar alle kanten, in alle gangen, waarheen hij ook liep. En welke kant moest hij uit lopen! Hij had er plotseling geen idee van welke kant hij uit moest om er weer uit te komen, hiervandaan te komen, weg uit het dodenrijk… Het dodenrijk! Hij was in het dodenrijk! Hij zat in het dodenrijk opgesloten!...” (zie ‘De donkere nacht van de ziel’ van Johannes van het Kruis of de dichter T.S. Eliot: “… I said to my soul, be still, and let the dark come upon you / Which shall be the darkness of God…” – Four Qartets, East Coker III).

De mens die niet kán geloven
Als Barabbas eindelijk uit de catacomben komt, merkt hij dat de stad in brand staat. Van alle kanten hoort hij roepen: “… Het zijn de christenen! Het zijn de christenen!...”. Hij denkt dat het eindelijk zo ver is. Dat Jezus terug is gekomen om de rotwereld te verbranden, zoals Hij heeft beloofd, en zijn nieuwe rijk te vestigen. Welnu, Barabbas wil hem wel een handje helpen. Het historische verhaal gaat dat de christenhater Nero de stad Rome expres in brand heeft gestoken om de gelovigen de schuld te geven. Barabbas wordt met allerlei andere christenen opgepakt, die hem vertellen over hun geloof in Licht en Liefde: “… Hoe zouden de volgelingen van de Meester zich ooit schuldig kunnen maken aan zo iets als brandstichting, aan het in brand steken van Rome? Hoe kon men zo iets geloven? Hun Meester stak de harten der mensen in brand, niet hun woonsteden. Hij was de Heer en God der wereld, geen misdadiger…”. In de gevangenis ontmoet hij Petrus weer. De christenen laten hem in zijn sop gaar koken als ze te weten komen wie Barabbas is. Zelfs de gang naar de executieplaats maakt hij alleen, aan het einde van de rij, omdat dat nu eenmaal zo uitkomt. Hij is de laatste die aan het kruis zijn adem uitblaast, met de woorden van totale overgave: “… Aan u geef ik mijn ziel over…”. Als geen ander heeft Pär Lagerkvist de eenzaamheid beschreven van de mens die niet meer in staat is te geloven (de auteur heeft dan ook inmiddels twee afschuwelijke wereldoorlogen achter de rug). Het paradoxale is evenwel dat Barabbas de enige mens is voor wie Jezus ‘de facto’ gestorven is.

Uitgave: Kok – 2013, vertaling Greta Baars-Jelgersma en Rolv Ravn, 160 blz., ISBN 978 904 352 156 7, € 10,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier