In het YouTubekanaal ‘De Boekentafel van Godert Walter’ werd op 2 mei jongstleden verteld dat de short story “De trein der traagheid” (1948) van de Vlaamse schrijver Johan Daisne (1912-1978) opnieuw is uitgegeven. Daisne was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het ‘magisch realisme’ in de Nederlandstalige literatuur. Zelf schrijft hij over deze stroming: “… Het magisch-realisme, ik herhaal het, is geen isme, geen genre, geen beweging, geen school. Het wil heel eenvoudig – o trotse bescheidenheid! – het eigen wezen van alle literatuur en kunst formuleren: de kunst is geen weergave van de werkelijkheid – dat is gewone fotografie – maar de kunst mag ook niet onwezenlijk worden, niet gaan experimenteren in het luchtledige; kunst moet weergave zijn van onze compleetste realiteit, en dat is de oude waarheid van werkelijkheid en wat we daarbij dromen. Niet meer en niet minder…” (“Ganzeveer en kogelpen” – 1965). Ik voel me altijd al burger van twee werelden, dus dat resoneert geweldig bij mij. Nu door AI alles om techniek draait en we langzaamaan zélf in eendimensionale rationele machines veranderen, ervaar ik het magisch realisme als een verademing.
Treinen in het donker
Het is vooral de ietwat geheimzinnige ‘sfeer’ van het verhaal die mij prikkelt. De protagonist wordt wakker in een overvolle trein, waar bijna iedereen in slaap is gesukkeld. Buiten is de schemering ingevallen, maar gek genoeg brandt er nog geen licht in zijn compartiment: “… De afwezigheid van licht verbaasde me overigens niet bijzonder. Wel was de laatste oorlog alweer sinds een paar jaar voorbij, maar wij zijn er toen blijkbaar zo gewoon aan geraakt in het donker te treinen, dat ik sedert nog herhaalde keren in een duistere coupé heb gereisd, zonder iemand de stem te horen verheffen tegen datgene wat thans nog alleen het gevolg van een klein defect of verzuim kan zijn…”.
Andere luchtkleppen
De protagonist blijkt een naamloze museumdirecteur annex docent van middelbare leeftijd, die opmerkt dat zijn leerlingen niet meer dezelfde geestdrift voor letterkundige vakken hebben als vroeger: “… Voor ons vormden ze uitlaten van romantiek; thans vindt de jeugd ze flauw en saai. Blijkbaar beschikken ze nu over andere luchtkleppen…”. Hij denkt na over zijn leven, waaraan hij sinds kort een ‘eschatologisch perspectief’ heeft toegevoegd: wanneer je je op iets kleins richt dat je gelukkig maakt, maak je de weg vrij om ‘het grotere (geluk) binnen te dringen’. Zo ‘schrijden’ wij voort op ‘de weg van beproeving en zaligheid’.
Stilstaande horloges
Wanneer hij zin krijgt in een sigaret, staat hij op om zich door de warwinkel van benen van zijn reisgenoten het gangpad in te wurmen. Daar ziet hij dat echt iedereen slaapt: “… Ik begon dat eensklaps wel zonderling te vinden…”. Zit hij in de verkeerde trein? Hij begint slingerend en struikelend een eindeloze reeks wagons door te lopen om te kijken of er toch nog iemand wakker is. In een eersteklas appartement staat eindelijk een bejaarde heer met een grijze baard, in een lange, donkere overjas en een dito ronde hoed op, met zijn ellebogen leunend op een geopend portierraam, in de wind en het lawaai een sigaar te roken. Hij vindt de situatie waarin ze zich bevinden ook wel een beetje vreemd. Als de man vraagt hoe laat hij het heeft, blijkt het horloge van de protagonist, evenals dat van hem, stil te zijn blijven staan op half zeven.
Hernhutter
De oude man stelt zich voor als ‘Hernhutter’, hoogleraar in ruste. De protagonist herinnert zich dat de Hernhutters eenvoudige, beminnelijke christenen waren, “… die een grotere waarde hechtten aan een reine levenswandel dan aan talent en succes…”. Ze horen bij de Evangelische Broedergemeente, een protestantse christelijke beweging met wortels in de 15e eeuw. De naam komt van het dorp Herrnhut in Duitsland, waar de gemeenschap “… in 1722 op het riddergoed van graaf von Zinzendorf een wijkplaats vond…”. De Hernhutters zijn afstammelingen van de beweging rond Jan Hus, die in 1415 op de brandstapel is gestorven. “… Van hun eigen leden werd het overlijden met bazuingeschal van de toren aangekondigd. Rouw droegen zij niet en het stoffelijk overschot van hun afgestorvenen brachten zij in een lichtgeverfde kist naar het sierlijk aangelegde kerkhof. De Paasmorgen verenigde hen allen op dat laatste rustoord, om zich in de hoop der opstanding te verblijden…”. Ze zijn onder andere in Zeist neergestreken. Hun zendelingen drongen in alle werelddelen door. De protagonist denkt dat iedereen de naam draagt die hij verdient: “… Professor Hernhutter… ’s Heren Hoede…”. Even verder: “… En weer eens wees die naam in oostelijke richting – naar Bohemen, met zijn gouden poorten op het Morgenland – of inderdaad alle merkwaardige, alle wonderbaarlijke dingen daarvandaan moeten komen…”.
Het Avontuur is begonnen
De trein mindert plotseling vaart en stopt in het duistere landschap. In de doodse stilte komt een jongen aanrennen die paniekerig vraagt of de heren weten waar ze zijn. Als ze antwoorden van niet, holt hij weer verder. De geleerde (die, zo blijkt later, de jongen niet aan zijn lot wilde overlaten) stelt voor ook uit te stappen. “… ‘Ja,’ zei ik en liep hem bijna voor. Het leek me of het Avontuur was begonnen…” waarvan “… ik verwachtte dat de voortzetting ervan thans buiten de trein was te vinden…”. Achter hen zet de trein zich zonder een signaal weer in beweging; alsof ze slechts zijn afgezet. Professor Hernhutter: “… wij zijn nu drie vrienden in de nacht…”.
Op de zoom naar elders
Ze treffen de jongen opnieuw, een student die Val blijkt te heten, en zetten met z’n drieën de pas erin, terwijl ze in de geurige, zachte nacht praten over de ‘behekste’ trein. Ze komen erachter dat ze alle drie, aan het begin van de ‘onopgehelderde omstandigheden’ waarin ze verkeren, positieve gedachten hebben gehad over ‘de schoonheid van het bestaan’: alsof hun overpeinzingen over ‘een soort heiligende kracht beschikten’. Kunnen positieve gedachten wonderen verrichten? Kunnen ‘gedachten zichzelf overleven’ en ‘een groter perspectief openen’? Het woord ‘ontwaken’ valt: zie hoe het in onze tijd ook vaak over ‘wakker worden’ gaat, bijvoorbeeld in de alternatieve media, maar ook binnen een beweging als ‘woke’. De drie heren worden onvermijdelijk vermoeid en hongerig. Desondanks voelt de protagonist in zich ‘een heerlijke ofschoon nog duistere vlam’ branden. Termen als ‘de wet van inertie (traagheid)’ vallen, waarmee bedoeld wordt dat een bepaalde beweging nog eventjes voortduurt wanneer ze wordt stopgezet. Dat betekent dat we na de dood nog (even) kunnen blijven voortleven (zie de laatste onderzoeken op het gebied van bijna-doodervaringen). “… Onnodig te zeggen dat bij deze woorden een nieuwe tong van de vlam in mij aan het laaien ging!...”. Ook het ‘psychisch automatisme’ komt voorbij: “… een derde vlammetong ontbrandde in mijn borst!...”. Het gesprek gaat over het ‘grensland’, het ‘voorgeborchte’ tussen leven en dood. Zijn ze dood? Bevinden ze zich in een bijzonder gebied, ‘op de zoom naar elders’? “… ‘Zoiets zou ik niet durven beweren, Val,’ sprak Hernhutter vriendelijk bedarend. ‘De wetenschap werkt steeds volgens het schema ‘als…dan’…”. Val: “… het zou toch minder boeiend zijn indien we alleen maar verdwaald waren, vindt u niet?...”.
Babeltaal
In de verte zien ze eindelijk de lichtjes van een herberg, waar ze iets gaan eten. Ze komen terecht in een hele ‘gewone andere wereld’, waar ze alleen de taal niet spreken. De gastvrouw, kelner en buffetbediende met wie ze te maken krijgen, kunnen ze niet verstaan, dus helpen ze zich met gebaren. Dat gaat prima: ze krijgen een uitstekende maaltijd voorgeschoteld. De protagonist heeft het gevoel dat de vrouw op de een of andere onbegrijpelijke manier ver verheven is boven de kelner, de buffetbediende en ongeveer alle andere aanwezigen. Een soort ‘heilige maagd’? Wat ook vreemd is: nergens zijn er voorwerpen als een telefoon of een klok te ontdekken. Zitten ze inderdaad in een ‘eigenaardige afzondering in de ruimte’; een ‘typische stilstand van de tijd’? Als dat zo is, zou het nacht moeten blijven.
Hartenvrouw
Om nauwer voeling te krijgen met de gasten begint Val te goochelen met een kaartspel en waagt hij een dansje met de gastvrouw, waarna de hele tent op de been komt. Terwijl de protagonist en de professor toekijken, blijken ze allebei een heel andere vrouw te zien. Uiteindelijk klinkt buiten het schelle rinkelen van een tram en rent iedereen de deur uit om er in plaats te nemen. Ook de student…
Leven en dood
De novelle is dus in de eerste plaats een filosofische verhandeling over leven en dood. Het drietal moet een sloot overspringen om op een weg te belanden: een symbolische Styx. Professor Hernhutter lijkt een door God gezonden boodschapper om de anderen te begeleiden op hun louteringstocht. Zie het symbolische lichtpuntje van zijn sigaar: een oriëntatiepunt in de duisternis. Ik moest ook heel erg denken aan de uitspraak van verschillende denkers die stellen dat je je eigen hel en dus ook hemel schept (zie bijvoorbeeld C.S. Lewis: "De grote scheiding"). Vanwege de aanwezigheid van een trein en een kelner in een soort limbo wordt het boek vaak in verband gebracht met “De kellner en de levenden” van Simon Vestdijk
Uitgave: Weerwoord – 2026, 104 blz., ISBN 978 949 345 614 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten