Menu

woensdag 11 november 2015

De Didache – Arjan de Kok


Subtitel: Het onderwijs van de apostelen

De Didache, kortweg ‘de leer’ genoemd, is een oorspronkelijk Grieks document (Arjan de Kok verzorgde dan ook een tweetalige uitgave) uit de begintijd van het christendom. En dus een zogenaamd ‘eerste-generatiegeschrift’. In de periode dat het Nieuwe Testament in wording was, zo rond de eerste eeuw, werd het door veel christenen, waaronder bijvoorbeeld bisschop Clemens van Alexandrië, als onderdeel van de Bijbel erkend. Maar toen de lijst van canonieke en apocriefe boeken aan het eind van de vierde eeuw definitief was vastgesteld, zat deze oude catechese er niet bij. Het raakte in vergetelheid en verdween uit de geschiedenis. Tot het in 1873 in de bibliotheek van een klooster in Istanbul terug werd gevonden door ene Philotheos Byrennios. Tien jaar later gaf hij het opnieuw uit.

Doe dan wat u kunt

De Didache is verdeeld in zestien korte hoofdstukjes die handelen over drie soorten aanwijzingen: 1) voorschriften voor het leven, 2) voorschriften voor de doop, vasten en dankzegging en 3) voorschriften voor het gemeenschapsleven.
Volgens de Didache zijn er twee wegen, één van het leven en één van de dood. Natuurlijk gaat het erom dat je de weg van het leven kiest. De essenties van de weg ten leven zijn onder andere liefde, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld, argeloosheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid, goedheid en aanvaarding van wat je overkomt in ontzag voor het hogere. Je mag niet moorden. Geen seks met jongens hebben; letterlijk staat er het woord ‘paidofthoriseis’ dat ‘jongens bederven, bezoedelen’ betekent. Bij ons heeft ‘pedofilie’ betrekking op seksueel misbruik van kinderen maar met ‘paido’ worden geen ‘kinderen’ maar ‘jongens’ of ‘jongetjes’ bedoeld. Paulus heeft het over ‘schandknapen’ of ‘knapenschenders’. Verder is het verboden ontucht te bedrijven. Te stelen en te haten. Je mag geen magie bedrijven. Geen kind vermoorden door een miskraam op te wekken of een pasgeborene te doden. In de vroege kerk lijkt er al een verbod op abortus te hebben bestaan. In de ‘Eed van Hippocrates’ (ca. 400 v. Chr.) die artsen in de tegenwoordige tijd afleggen staat: “Nooit zal ik een vrouw een instrument voorschrijven om een miskraam op te wekken”; daarmee werd gedoeld op een pessarium met plantaardige stoffen – Convolvulus scammonia - die de weeën op gang brachten. Je mag niet begeren wat van de naaste is. Geen meineed plegen. Geen vals getuigenis afleggen. Geen kwaad spreken. Niet afgunstig, dubbelhartig, hebzuchtig, inhalig, schijnheilig, kwaadaardig, trots, opvliegend, partijdig, kwaaddunkend, arrogant of hoogmoedig zijn.
De weg van de dood wordt gekenmerkt door egoïsme, slechtheid, vervloeking, moord, echtbreuk, begeerte, ontucht, diefstal, afgoderij, magische handelingen, tovenarij, berovingen, valse getuigenissen, schijnheiligheden, dubbelhartigheid, bedrog, hoogmoed, arrogantie, hebzucht, vuile taal, jaloersheid, onbeschaamdheid, zinloosheid, trots en grootspraak. Na deze opsomming volgt opmerkelijk mild: “… Wanneer u het gehele juk van de Heer kunt dragen, zult u volmaakt zijn. Zo niet, doe dan wat u kunt…”.

Drie-eenheid
De twee wegenleer, die zo Joods is als het maar kan, deed mij sterk denken aan het mensbeeld dat Ronald en Maresca van der Molen in “Dromen, een geschenk van God” (zie mijn vorige blog) voorstaan. Ik weet dat er onder christenen verschillend over wordt gedacht, maar zij zien de mens als een eenheid van geest, ziel en lichaam. Ik vind dat wel een mooie voorstelling, omdat als de mens naar het beeld van God geschapen is, dat overeenkomt met de drie-eenheid van God als Vader, Zoon en Heilige Geest. En eveneens met het idee van het lichaam als ‘tempel van de Heilige Geest’: een tempel bestaat immers uit een voorhof, het heilige en het heilige der heilige. Dit zeggen Ronald en Maresca erover: “… Je lichaam is het meest tastbaar en wordt ook wel je stoffelijke deel genoemd. De ziel en geest zijn de plekken waar het denken, het gevoel en de wil zich bevinden. Ze hebben betrekking op het innerlijk van de mens. Het verschil tussen je geest en je ziel is dat je ziel zich naar ‘beneden’ richt. Het is de plek waar jouw hartstochten, verlangens en begeerten zich bevinden. Je geest (ook wel je hart genoemd) staat in verbinding met je ziel en is gericht naar ‘boven’…”. Je zou dus kunnen zeggen dat de weg van het leven te maken heeft met je geest, en de weg van de dood met je ziel.
Het mooiste dat ik in dit verband ben tegengekomen las ik in “Compassie”, een boekje van godsdienstexpert Karen Armstrong. Daarin zegt ze dat ons 'oude reptielenbrein' nog steeds in een primitieve race of the fittest is gefocust op de vier v’s: voedsel, vechten, vluchten en voortplanten. ‘The Selfish Gene’. De weg van de dood. In de loop der tijd heeft zich in onze neo-cortex echter een nieuw hersengebied gevormd waardoor wij het vermogen hebben om keuzes te maken en compassie te ontwikkelen. Volgens haar stimuleren alle godsdiensten ons om dat te doen. De weg van het leven.

Schijnheiligen
De middelste hoofdstukjes gaan over de doop, het vasten en de eucharistie of het avondmaal. Opmerkelijk is dat geadviseerd wordt te dopen in stromend water. Degene die doopt en de dopeling wordt opgedragen voorafgaand te vasten. Dat zou kunnen duiden op de volwassendoop. Verder staat er dat je niet tegelijk met de ‘schijnheiligen’ moet vasten. Die vasten op maandag en donderdag, dus kun jij het beter op woensdag en vrijdag doen. Wie die ‘schijnheiligen’ precies zijn wordt niet verteld, maar Arjan de Kok denkt hier aan anti-Joods sentiment. Volgens de Mischna (joodse leefregels) vasten de Joden op maandag en donderdag.
Ook wordt opgeroepen driemaal per dag het Onze Vader te bidden.
De laatste hoofdstukjes gaan over het gemeenschapsleven. Rondtrekkende apostelen of profeten moeten gastvrij worden ontvangen, maar ze mogen niet langer dan een dag blijven, en hooguit twee of drie als ze in nood zijn. Als een profeet niet doet wat hij voorstaat, is hij een valse profeet. Er wordt gewaarschuwd voor mensen die werkschuw zijn en munt willen slaan uit het profeet-zijn.
De Didache eindigt met een beschrijving van het einde der tijden, waarin er leugenprofeten zullen opstaan en liefde in haat verandert. Er zal een verleider verschijnen die zich voordoet als de Zoon van God, en die allerlei tekenen en wonderen verricht. Hij zal goddeloze dingen doen die nog nooit hebben plaatsgevonden. Iedereen die achter hem aangaat zal weggevaagd worden, maar zij die volharden in het geloof worden gered, als de echte Heer verschijnt op de wolken van de hemel.

Wettisch
Deskundigen geven verschillende redenen waarom de Didache niet in de Bijbel werd opgenomen: het boek zou ‘de rechtvaardiging door goede werken’ leren (Paulus stelt dat wij alleen door geloof behouden worden). Het zou te wettisch zijn (zie de strenge regels omtrent het vasten en bidden). Noch de doop, noch de eucharistie of het avondmaal, worden in verband gebracht met de dood van Jezus. Ook is er nergens sprake van berouw of vergeving van zonden.

Uitgave: Stad op een berg – 2014, 97 blz., ISBN 978 908 218 692 5, € 11,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 7 november 2015

Dromen, een geschenk van God – Ronald en Maresca van der Molen


Terwijl ik verdiept was in “Jij zegt het”, waarin de dichter Ted Hughes zich onvermoeibaar vastbijt in de dromen van zichzelf en zijn vrouw Sylvia Plath - Sylvia heeft alleen maar afschuwelijke nachtmerries - teneinde dichter bij ‘het ware zelf’ te komen, viel er een pakketje op de deurmat dat een boek over dromen bevatte, maar dan uit christelijke hoek. Toeval? Ik ben met een facebookgroep in één jaar de Bijbel aan het doorspitten, en ik kan alleen maar beamen dat daarin heel veel dromen worden beschreven.

Anan

Om precies te zijn: tweeëntwintig. Daarvan gaan er achttien over de dromer zelf en vier over anderen. Daaruit concluderen de schrijvers dat God naar je toe kan komen in dromen. Toch zijn dromen een blinde vlek en weten christenen er maar heel weinig over. Waarschijnlijk vanwege de invloed van een verkeerde vertaling van één woord - door Hiëronymus – in de Latijnse Vulgaat (rooms-katholieke Bijbelvertaling). Hij vertaalde het woord ‘anan’, dat ‘dromen’ betekent, naar ‘toveren’. Daardoor distantieerde de kerk zich van dromen. De inquisitie ging er zelfs van uit dat ze het werk van de duivel waren. Volgens hen kon alleen de kerk Gods woorden uitleggen. Niet iedereen dacht er zo over:
“… In de vroege kerk kende men aan de droom een positieve functie toe. Thomas van India ontving instructies in een droom. Er zijn diverse martelaren die getuigen hoe God tot hen sprak via dromen. Polycarpus, Perpetua en Felicitas krijgen dromen die duidelijk maken wat ze moeten doorstaan en worden in hun droom door God getroost en gesterkt. Van Irenaeus is bekend dat hij de wijsheid had om dromen te begrijpen. Clementius geloofde dat dromen uit de diepten van de ziel komen. Tertullianus wijdt maar liefst acht hoofdstukken in zijn geschriften aan dromen. In zijn boek over de ziel zegt hij: ‘Is het niet aan alle mensen bekend dat God zich het best aan een mens openbaart door de droom?’ Gregorius van Nyssa sprak over de betekenis en plek van dromen. Johannes Chrysostomus noemde dromen een bron van openbaring. Gregorius van Nazianze zegt zelfs dat hij de meeste inspiratie in een droom heeft gekregen. De filosoof en bisschop Synesius raadt het bijhouden van droomdagboeken aan. (…) De woestijnvader Evagrius van Pontus houdt zich intensief bezig met het verklaren van dromen. (…) Diverse kloosterorden zijn ontstaan dankzij dromen…”.

Slaapcyclus
Ruim een derde van ons leven brengen we slapend door. Per nacht dromen we ongeveer twee uur. Iedereen droomt meerdere keren per nacht, ook al herinner je je daar niets van als je wakker wordt. Elke nacht doorloop je vier tot zes keer verschillende slaapstadia, in een vaste volgorde, van licht naar diep: de slaapcyclus. Het eerste stadium is de doezelfase, de overgangsfase tussen waken en slapen, die slechts enkele minuten duurt. De frequenties van je hersengolven lopen terug, je ademhaling wordt trager, en je ogen bewegen langzaam (slow eye movement). In deze fase kun je soms een schok voelen waardoor je weer even helemaal wakker bent: een korte aanspanning van armen en benen, ook wel slaapstuip genoemd. De tweede fase is die van de lichte slaap: zo ongeveer 50 procent van je totale slaaptijd. De derde fase is de diepe slaap. De vierde fase is de REM-slaap (rapid eye movement), genoemd naar de snelle oogbewegingen onder de gesloten oogleden. Er is veel activiteit in het emotionele brein. Niet-REM-dromen zijn kort en vluchtig. Deze dromen helpen vooral om dingen te verwerken en van ervaringen te leren. REM-dromen duren langer en zijn veel intenser. Verrassend is dat blijkt dat deze dromen helpen de toekomst te verkennen door verschillende mogelijkheden te testen.
In het boek wordt kort ingegaan op de ideeën van Sigmund Freud en Carl Gustav Jung. Freud schreef in zijn ‘Traumdeuting’ dat dromen een uiting zijn van onze diepste verlangens. Jung kwam tot de conclusie dat het onderbewuste een centrum is waaruit intuïtieve kennis kan stromen, waardoor dromen kunnen helpen om inzicht te krijgen in onze emotionele problemen.

Heilig geschenk

Volgens Ronald en Maresca van der Molen heb je, door de boodschap van je dromen te verstaan, een stuk gereedschap in handen dat je helpt om inspiratie, creativiteit, geestelijk inzicht en emotionele gezondheid te ontvangen. Dromen helpen ons om geestelijk en emotioneel in balans te blijven. Maresca: “… De innerlijke conflicten die we allemaal maar wegstoppen; door dromen krijgen we daar inzicht in. We houden niet van pijn, maar als je dingen niet erkent, worden ze niet opgelost. In onze dromen komt het boven en dat is iets goeds. Voor mij komt al het goede van God…” (EO-magazine; editie 31). Uit onderzoek blijkt dat mensen die vaak wakker worden gemaakt binnen een paar dagen inderdaad tekenen van een zenuwinzinking vertonen. De Bijbel maakt trouwens weinig verschil tussen dromen en visioenen, het zijn verschillende kanten van dezelfde medaille:
“… Morton T. Kensey maakt melding van een psychologisch onderzoek waaruit blijkt dat 10 procent van de mensen visioenen hebben. De meesten durven er niet over te spreken uit angst voor gek te worden aangezien…”. Dromen en visioenen zorgen voor inspiratie. Albert Einstein kwam aan zijn relativiteitstheorie door een droom op zijn zestiende. Van hem komt de uitspraak: “… Het intuïtieve denken is een heilig geschenk en het rationele denken is een trouwe dienaar. We hebben een maatschappij gecreëerd die de dienaar vereert en het geschenk is vergeten…”. We hebben moeite met onverklaarbare zaken:
“… Onze maatschappij is sterk beïnvloed door het Griekse denken dat in veel opzichten haaks staat op het Joodse denken uit de Bijbel. Waar de filosoof Plato nog drie bronnen van kennis ziet (de vijf zintuigen, de rede en het spirituele rijk), ontkent zijn leerling Aristoteles de spirituele dimensie…”.
Om het rijtje even af te maken: de bekende scheikundige Frederick Kekulé kreeg in een droom inzicht in de structuur van benzeen. Elias Howe had een nachtmerrie die hem hielp de naaimachine uit te vinden. De schrijfster Mary Wollstonecraft Shelley droomde haar roman “Frankenstein” bij elkaar. Evenals Robert Louis Stevenson zijn “Dr. Jekyll en Mr. Hyde”. Stephen King schreef diverse bestsellers naar aanleiding van dromen. Stephanie Meyer vond haar inspiratie voor de “Twilight-serie” in een droom. Marten Toonder besloot zijn baan op te zeggen om zich aan de stripverhalen over Oliver B. Bommel en Tom Poes te wijden vanwege een droom. En ook van W.F. Hermans wordt gezegd dat hij zijn inspiratie uit dromen haalde. De popsong “Yesterday” van Paul McCartney kwam tot stand door een droom. Evenals “The Lazarus Heart” van Sting, de prelude van “Das Rheingold” van Wagner en het thema van “Die Zauberflöte” van Mozart. Ook Barry Hay, de voorman van The Golden Earring, heeft laten weten zijn muzikale ideeën meestal op te doen via dromen.
Opmerkelijk is dat Ronald en Maresca van der Molen aanraden om romans als “De kronieken van Narnia” van C.S. Lewis of de trilogie “The Lord of the Rings”van J.R.R. Tolkien te lezen om je intuïtieve denken te oefenen.

Boodschap
De schrijvers stellen dat er twee soorten dromen zijn: verwerkingsdromen en dromen met een boodschap. Dromen met een boodschap kunnen een rechtstreeks dan wel een symbolisch karakter hebben. Aan de hand van allerlei voorbeelden uit de Bijbel en verhalen uit het dagelijkse leven laten ze het verschil zien: een bakker uit Haarlem die het recept voor ‘goddelijke’ chocola in zijn dromen doorkrijgt (www.chocolateriepierre.nl), een jongen die een droom krijgt waarin God laat weten dat Hij hem vasthoudt, waarna hij allerlei uitvalsverschijnselen krijgt vanwege een tumor in zijn hoofd die later op raadselachtige wijze verdwijnt, moslims die christen worden nadat ze gedroomd hebben over Jezus (www.isaruhallah.nl). Een aantal Bijbelteksten in verband met dromen: “… Alleen God weet wat dromen betekenen…” (Genesis 40:8), “… De woorden van de levende God zijn krachtig. Ze dringen diep door in ons hart, nog dieper dan een scherp zwaard. Want God weet wat ons van binnen bezighoudt. En Hij beoordeelt onze gedachten en verlangens. God ziet iedereen. Niets en niemand blijft voor Hem verborgen. Vergeet dat niet, want Hij zal over ons rechtspreken…” (Hebreeën 4:12-13), “…God schenkt het zijn vrienden in hun slaap…” (Psalm 127:3), “… Goede raad ligt op de bodem van een mensenhart, als water in een diepe put, wie inzicht heeft, weet eruit te putten…” (Spreuken 20:5), “… Ik prijs de HEER die mijn leidsman is, zelf ’s nachts spoort mijn hart mij daartoe aan…” (Psalm 16:7), “… God spreekt wel, op allerlei manieren, maar mensen merken het niet. Hij spreekt tegen mensen in dromen, als ze diep slapen, of bijna wakker zijn. God geeft mensen raad in hun dromen, en Hij waarschuwt ze. Hij wil niet dat mensen kwaad doen, of dat ze zichzelf te belangrijk vinden. Want God wil niet dat mensen jong sterven, Hij wil hen beschermen tegen de dood…” (Job 33:14-18) en “… Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profiteren, oude mensen zullen dromen dromen, en jongeren zullen gezichten zien…”(Joël 3).

Wie we (kunnen) zijn

De ervaring is dat ongeveer 95 procent van alle dromen betrekking hebben op jezelf. En wat betreft de uitleg, diep in je hart voel je vanzelf of die goed is, want de droom is altijd een bevestiging van wat je ergens allang weet, volgens een deskundige.
De schrijvers laten zien hoe je aan de slag kunt gaan met een droomdagboek. Om de boodschap van een droom te ontdekken werken ze met een aantal stappen. Het gaat achtereenvolgens om het opschrijven van de activiteiten in een droom. Daarnaast over de emoties die je daarbij ervoer. Vervolgens om het beschrijven van de symbolen (mensen, dieren, getallen, omgevingen, namen, voorwerpen) die in een droom voorkomen. Dan kun je de droom ook nog interpreteren op object- en subjectniveau. Op objectniveau gaat het om wat je meemaakt, op subjectniveau gaat het om je innerlijk. Wat ik zelf wel heel bijzonder vind, is dat op subjectniveau de mensen in je droom eigenlijk altijd symbool staan voor eigenschappen van jezelf. Omdat een droom over het algemeen gaat over wat er op dit moment in jouw leven speelt is het belangrijk om de droom in zijn context te bekijken. Een droom is ook altijd heel persoonlijk: een hond kan van jou iets heel anders symboliseren dan voor je buurman. Tenslotte; als we begrijpen wat de bedoeling is van een droom, is het aan ons wat wij daarmee doen.
Aan het eind van ieder hoofdstuk zijn een aantal vragen en/of opdrachten opgenomen zodat het boek goed kan worden gebruikt in gespreksgroepen.

Conclusie: God maakt ons in dromen niet allen duidelijk wie we zijn, maar ook wie we kunnen zijn. Dat is een buitengewoon fascinerende boodschap.

Uitgave: Gideon – 2015, 168 blz., ISBN 978 905 999 088 3, € 14,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 4 november 2015

De glazen stolp – Sylvia Plath


“Jij zegt het” - zie mijn vorige blog - maakte dat ik “De glazen stolp” heb herlezen. Ik was compleet vergeten hoe humoristisch Plath is. Ondanks alles. Het schonk me dezelfde aparte ervaring als de boeken van Rachel Joyce (“De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry” en “Het liefdeslied van Queenie”): ze passen als een ritssluiting in elkaar.

Coming-of-age

Sylvia Plath pleegde op 11 februari 1963 zelfmoord. Half januari was haar schrijnende roman “The Bell Jar” (De glazen stolp) uitgekomen. Dit zegt Ted Hughes er in “Jij zegt het” over: “… Ze hoopte als Victoria Lucas flink aan het boek te verdienen, zei ze, en leek niet gebukt te gaan onder scrupules over de meedogenloze portretten van haar moeder, weldoensters en vrienden die nu door iedereen gelezen konden worden. Ze verzweeg dat de roman door haar Amerikaanse uitgever was afgewezen en dat – met uitzondering van de minst agressieve – ook nagenoeg alle Ariel-gedichten retour gezonden waren. Vermagerd en bleek stond ze daar, met de geschiedenis van haar eerste zelfmoord in handen, terwijl ze de signalen probeerde te negeren dat de geschiedenis bezig was zich te herhalen en ze opnieuw de greep op de werkelijkheid en zichzelf kwijtraakte…”. Hij maakt zich zorgen over de reacties die het boek zal oproepen en heeft medelijden met de moeder van Sylvia. Niet dat hij zo gek is op zijn schoonmoeder, maar niet één moeder verdient het om zo genadeloos neergezet te worden, vindt hij. En dat is nu juist wat Sylvia Plath over haar depressie duidelijk maakt in “De glazen stolp”, denk ik: het onvermogen om te voelen. Het is niet alleen een boek over ziek-zijn, maar ook een schitterende coming-of-age-roman over een hoogbegaafd meisje dat tijdens haar studie gewend is alleen maar negens en tienen te halen. Mijn hart krimpt ineen over wat ze over de stoet aan vriendjes schrijft. Het is alsof haar alter ego, Esther Greenwich, door een onoverbrugbare kloof gescheiden is van iedere ander. Alsof ze op een ijsschotst langzaam de koude zee opdrijft. Ze kan niet liefhebben. Ze kan hoogstens iemand vertrouwen: haar vrouwelijke psychiater dr. Nolan bijvoorbeeld. Meer niet.

Stigmata
“De glazen stolp” begint met het verhaal over de executie van een joods echtpaar met twee jonge kinderen, de Rosenburgs, in de snikhete zomer van 1953. Ze werden beschuldigd van spionage van atoomgeheimen voor de communisten. De negentienjarige Esther alias Sylvia zit in New York omdat ze een gastschrijverschap heeft gewonnen voor een modeblad. Ze weet dat er iets mis is, want ze kan nergens anders meer aan denken. Ted Hughes vertelt in “Jij zegt het” dat Sylvia op de dag van de elektrokuties ziek en kotsmisselijk de eetzaal van het hotel betrad (Esther: “… Dit hotel – Hotel Amazon – was alleen voor vrouwen, en de meesten waren meisjes van mijn leeftijd met rijke ouders die er zeker van wilden zijn dat hun dochters ergens zaten waar de kerels niet bij ze konden…”) en was uitgevallen tegen de onverschillige ontbijters: “… Hoe ze in godsnaam op een moment als dit konden eten. Of ze niet wisten dat over een uur de hersens van een man en een vrouw net zo gaar waren als de gebakken eieren op hun bord…”. Alsof ze een voorgevoel had van haar eigen naderende elektroshockbehandelingen. Ze liep de ondergrondse in, ging op een bank zitten, en precies op het uur waarin de beulen het lot van de zondebokken voltrokken, verschenen op haar blote armen rode striemen van aaneengesloten blaasjes die zich langzaam een weg naar haar hart baanden. Hughes: “… Het bloed vergiftigd door medelijden, angst en afschuw…”. Ik bedacht dat als Sylvia Plath gelovig was geweest, ze waarschijnlijk met stigmata had rondgelopen.

Hilarisch

Esther zou zielsgelukkig moeten zijn met haar luxe baantje. Het doet haar niets. De andere uitverkorenen vindt ze verveelde, domme, verwende trutten. Haar cheffin mag ze wel:
“… J.C. had hersens, dus haar gemene tronie deed er niet zoveel toe. Ze kon meer dan één taal lezen en kende alle schrijvers van kwaliteit op haar terrein. Ik probeerde J.C. voor te stellen zonder haar stijve kantoorpak en zakenlunch-hoed, en in bed met haar dikke man, maar het wilde me gewoon niet lukken. Ik had het altijd vreselijk te kwaad als ik me mensen in bed voor probeerde te stellen…”. Sylvia Plath schrijft ongelooflijk hilarisch – iets waar je Connie Palmen niet van kan betichten – over hoe Esther met een collega-schrijfster stiekem aan de boemel gaat. Ze vissen een paar kerels op: “… Doreen zei geen stom woord; ze zat alleen maar met haar kurken onderzettertje te spelen en stak ten slotte een sigaret op, maar de man scheen het niet erg te vinden. Hij zat naar haar te staren op de manier waarop ze in de dierentuin naar de grote witte ara staren in de hoop dat hij iets menselijks gaat zeggen…”. Over de wodka die ze drinkt: “… Het smaakte nergens naar, maar het gleed regelrecht als een degenslikkersdegen mijn maag in en maakte dat ik me machtig en goddelijk voelde…”. En over dat ze altijd zoveel wil zien als ze maar kan: “… Ik hield ervan om mensen in kritieke situaties gade te slaan. Als ik ergens naar een verkeersongeluk of een straatgevecht of een baby op sterk water in een stopfles kon kijken, dan nam ik de tijd en keek zo scherp dat ik het nooit meer vergat. Ik kan wel zeggen dat ik op die manier een hoop dingen heb geleerd die ik anders nooit geleerd zou hebben, en zelfs als ze me verbaasden of deden walgen liet ik dat nooit merken maar deed alsof ik allang wist dat de zaken zo stonden…”.

Eten
Terwijl zo ongeveer iedereen om haar heen aan de lijn doet, kan Esther eten wat ze wil, zonder een grammetje aan te komen. “…Ik weet niet precies waarom, maar er is bijna niets waar ik zo veel om geef als om eten…”, bekent ze. Voordat ze naar New York kwam was ze nog nooit in een echt restaurant geweest; daar doet ze niet anders: “… De aanblik van al die bergen eten in die keukens maakte me duizelig. Niet dat we thuis tekort kwamen, alleen braadde mijn grootmoeder altijd van die karige boutjes en karige gehaktrolladetjes en had ze de gewoonte om zodra je de eerste hap in je mond wilde steken te zeggen: ‘Ik hoop dat het je smaken mag, het heeft één drieënzestig het pond gekost,’ wat mij altijd het gevoel gaf dat ik als het ware centen zat te eten in plaats van het zondagse vlees…”. En even verder: “… Ik had ontdekt, na veel uiterste benauwenis over het juiste gebruik van verschillende lepels, dat je aan tafel ongestraft iets verkeerds kunt doen, als je het maar doet met een zekere arrogantie, alsof je er niet aan twijfelt of je doet het zoals het hoort; niemand zal denken dat je ongemanierd of slecht opgevoed bent…”, en vervolgens begint ze een heel verhaal over een dichter die ongegeneerd zijn sla met zijn handen at alsof dat de meest vanzelfsprekende en logische manier van doen was. Ze vertelt hoe ze tijdens een lunch met een deftige weldoenster die haar beurs betaalt haar eerste vingerkommetje ziet: “… In het water dreven een paar kersebloesems rond, en ik dacht dat het wel een soort heldere Japanse dessert-soep zou zijn en at het kommetje tot het laatste knisperende bloesempje leeg. Mevrouw Guinea zei geen woord, en pas veel later, toen ik een rijk meisje dat ik op College kende van de maaltijd vertelde, kwam ik erachter wat ik gedaan had…”.

Jongens
Ze heeft min of meer verkering met een student medicijnen uit de kerk: “… Enfin, het hele derdejaarsbal lang behandelde Buddy mij als een kennis of nichtje. We dansten de hele tijd een kilometer van elkaar af, tot hij onder het zingen van ‘Auld Lang Syne’ plotseling zijn kin boven op mijn hoofd legde, alsof hij doodmoe was…”. Ze wil het uit maken, maar hij komt met tbc in een sanatorium terecht, wat ze zo zielig vindt dat ze besluit te wachten tot hij beter is. Ze vertelt hoe ze net zolang aan zijn kop zeurt tot hij haar het ziekenhuis laat zien waar hij stage loopt. Ze krijgt een witte jas aan en mag toekijken hoe Buddy en zijn vrienden in lijken staan te snijden: “… Die lijken hadden zo weinig van mensen weg dat het me totaal niets deed. Ze hadden een stijve, leerachtige, paars-zwarte huid en ze roken naar oude inmaakpotten…”. De enige keer dat ze een luchtsprong maakt is als ze met haar elleboog op de maag van een lijk leunt om te zien hoe Buddy een long ontleedt, en een branderig gevoel onder haar elleboog krijgt: “… het kwam bij me op dat het lijk nog wel half kon leven, aangezien het nog warm was, en dus vloog ik met een kreetje van mijn kruk af…”. Buddy legt uit dat het door het conserveringsmiddel komt. In het begin van “De glazen stolp” praat ze met heel wat minder bravoure over het voorval. Nog weken lang blijft het hoofd van dat lijk – of wat ervan over is – voor haar opdoemen: “… en al gauw voelde ik me alsof ik dat dode hoofd aan een touwtje met me meedroeg, als een soort zwarte, neusloze, naar azijn stinkende ballon…”. Buddy laat haar ook bij een gecompliceerde bevalling: “… Eigenlijk zou je dit niet mogen zien …”, mompelt een collega in haar oor, “… Je zult nooit meer een kind willen. Ze zouden vrouwen niet moeten laten toekijken. Dat wordt nog eens de ondergang van de mensheid…”. Ze krijgt een hekel aan Buddy als hij opbiecht dat hij met een serveerster aan de rol is geweest, terwijl hij zich voordoet als de meest reine persoon op aarde. Niet om het feit zelf, maar omdat hij niet het lef in zijn donder heeft daar rond voor uit te komen. Het is de tijd net voor de seksuele revolutie. Voor Esther bestaan er maar twee soorten mensen: zij die wel en zij die niet van wanten weten. Om quitte te staan besluit ze dat ze haar maagdelijkheid ook wil verliezen; maar het valt niet mee om daar een geschikte persoon voor te vinden. Geanimeerd vertelt ze hoe ze een jongen treft die totaal gedesillusioneerd is op seksueel gebied, en heeft besloten ‘hoogstaande’ meisjes zoals zij met geen vinger aan te raken en voor zijn ‘dierlijke’ behoeften voortaan naar de hoeren te gaan. Met een andere jongen belandt ze wel in bed, maar ze hebben zoveel gedronken dat ze met al hun kleren aan naast elkaar in slaap vallen. Gaandeweg het boek komt ze erachter dat er ook nog zoiets als lesbisch-zijn bestaat: “… ‘Ik snap niet wat vrouwen in andere vrouwen zien’, vertelde ik dokter Nolan die middag tijdens ons gesprek. ‘Wat ziet een vrouw nu in een vrouw dat ze niet ziet in een man?’ Dokter Nolan zweeg even. Toen zei ze: ‘Tederheid’. Daar had ik niet van terug…”. Over getrouwde huisvrouwen en kinderen heeft ze nogal gemengde gevoelens – waarschijnlijk dat de feministen “De glazen stolp” later daarom adopteerden. Als ze besluit het lot in eigen hand te nemen en in de wachtkamer van een vrouwenarts zit voor een pessarium: “… Ik rook een mengeling van babyvoeding en zure melk en naar zoutevis stinkende luiers en voelde me treurig en vertederd. Wat vonden al die vrouwen om me heen het krijgen van kinderen gemakkelijk! Waarom was ik zo onmoederlijk en anders? Waarom kon ik niet dromen van een leven gewijd aan de ene vette, drenzende baby na de andere, zoals Dodo Conway?...”. Uitgerekend Esther belandt na haar ontmaagding met een bloeding op de eerste hulp: een lot van één op de miljoen!

Psychische neergang
Pas na een bladzij of honderd begint Sylvia Plath te schrijven over Esthers psychische neergang: alsof ze er een enorme aanloop voor nodig heeft. Ze vertelt dat ze zich na haar negende amper meer gelukkig heeft gevoeld. Ze vertelt hoe ze alleen nog maar kan huilen als ze op de redactie van het modeblad een foto van haar willen maken. Hoe ze op haar laatste feestje iemand zo woedend maakt dat ze een klap oploopt waardoor ze een bloedneus krijgt. Ze laat het bloed op haar wangen zitten als een soort merkteken van een zieke indiaan, en vindt het raar dat iedereen haar aanstaart als ze de volgende dag op de trein naar huis stapt. De avond ervoor heeft ze op het dak van het hotel in New York al haar kleren als vleermuizen weg laten vliegen. Eenmaal thuis kan ze niet in beweging komen, niet eten, niet slapen, niet lezen. Wekenlang loopt ze in dezelfde kleren rond en wast ze zich niet. Tenslotte stuurt haar moeder haar naar de huisarts. Ze wordt doorverwezen naar een psychiater die haar onvoorbereid en onverdoofd onderwerpt aan een elektroshockbehandeling. Ze beschrijft het volkomen emotieloos; maar het moet een enorme impact hebben gehad. Daarna wil ze alleen nog maar dood. Ze loopt rond met scheermesjes, ze probeert zich op te hangen, ze loopt de zee in. Ze vraagt aan een bewaker bij een gevangenis wat je moet doen om daar te belanden. Ze leest het enige wat nog tot haar door lijkt te dringen: roddelbladen met artikelen over mensen die zelfmoord pleegden en psychologieboeken die verklaren dat ze een ongeneeslijk zwaar geval is. Ze denkt erover lid te worden van de katholieke kerk: “… Ik wist dat katholieken het een vreselijke zonde vonden als je je van kant maakte. Maar als dat zo was, wie weet hadden ze dan ook wel een goede manier om het me uit mijn hoofd te praten…”. Tenslotte wurmt ze zich, zoals bekend, in de kruipruimte van haar ouderlijk huis met vijftig slaappillen van haar moeder en een fles water. Ze wordt gevonden. Haar moeder gelooft niets van het briefje dat ze op tafel heeft gelegd met de mededeling dat ze een eind is gaan wandelen. Daarna belandt ze in het ziekenhuis en in een inrichting waar ene dokter Noland haar weer op de rails krijgt. Ze vertelt over het leven op een psychiatrische afdeling, de andere gekken, de insulinekuren en de shocktherapie die ditmaal wel helpt. Zonder veel gevoel. Haar Silvia Witteman-achtige humor is weg.
Ik ben blij dat Connie Palmen me heeft laten weten dat Sylvia Plath later in ieder geval toch nog haar grote liefde is tegengekomen in Ted Hughes. Voor zolang het duurde. Iemand die haar bovendien stimuleerde en uitdaagde.

Uitgave: De Bezige Bij – 2014, vertaling René Kurpershoek, 288 blz., ISBN 978 902 348 264 2, € 24,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier