Menu

donderdag 6 oktober 2022

Vorstelijke personages en andere geschriften – Hilary Mantel

 


Jongstleden 22 september overleed op zeventigjarige leeftijd plotseling de gelauwerde Britse auteur Hilary Mantel, vooral bekend van de beroemde Cromwell-trilogie. Opmerkelijk en uniek is dat ze zowel voor boek één, “Wolf Hall” (2009), als boek twee, “Het boek Henry” (2012), de Booker Prize won. Mei 2020 kwam de Nederlandse vertaling van het langverwachte slotdeel uit: “De spiegel & het licht”. In 2015 verleende – toen nog – prins Charles haar de titel ‘Dame Commander of the Britisch Empire’. “Vorstelijke personages” bevat twintig essays met recensies en persoonlijke beschouwingen, wat een goede dwarsdoorsnede geeft van haar buitengewone eruditie, rake humor en soms ook wel oneerbiedige puntigheid (maar intelligente mensen mogen van mij best oneerbiedig zijn, hoor!). 

 

Voorstudies

Het boek start met een voorwoord van Joost de Vries. Hij vertelt dat Hilary Mantel op de meest vriendelijke, empathische, bescheiden, ja, bijna verlegen manier met je kan praten, totdat ze opeens haast in het voorbijgaan iets zegt waardoor je armharen recht overeind gaan staan. Haha: zo schrijft ze ook! Mantel was een hooggevoelig en spiritueel iemand. William James - zie mijn vorige blog - zou zeggen dat de poort naar het boven- dan wel onderbewuste wagenwijd open stond. Kwam dat door haar chronische en pijnlijke ziek-zijn (endometriose)? Als je je, al dan niet gedwongen, afkeert van de wereld, lijken er vaak andere deuren open te gaan. Mantel zag echter geen goddelijk licht, eerder naargeestige duisternis. Het was de reden waarom ze zich afzette van het katholieke geloof waarin ze was opgevoed; een vorm die doordesemd was met het occulte. Haar echte vader verdween zonder een spoor na te laten, omdat zijn plaats in haar jeugd werd ingenomen door de minnaar van haar moeder. Ze typeert de laatste als een ‘fontein van complottheorieën’, met wie ze nooit ook maar één serieus gesprek heeft gevoerd. Ze ruziede non-stop met haar moeder, studeerde rechten en trouwde jong met een geoloog.  Ze vertrok tijdelijk met hem naar Afrika, werkte als maatschappelijk werker en zette haar dromen uiteindelijk om in daden: het schrijven van historische fictie. Ze wist alles van de Franse Revolutie en over het middeleeuwse hof van Henry VIII - een in mijn ogen tot voor kort legendarische blauwbaard met zijn zes vrouwen van wie hij er twee liet onthoofden. Veel essays lijken een soort voorstudies van het ‘echte werk’. Ik kan niet zeggen dat ze allemaal draaien om mijn meest favoriete onderwerpen, maar het feit dat ze geschreven zijn door Hilary Mantel maakt alles goed.

 

Fris van de lever

“… Toen Mantel in 1987 voor het eerst in de London Review of Books publiceerde, schreef ze aan de hoofdredacteur: ‘Ik heb geen enkele scholing als recensent, dus zal ik noodgedwongen eerder fris van de lever dan academisch verantwoord schrijven.’…”. En even verder: “… Als ze iemand zochten die voor de doorsneelezer kon doorgaan, was ik het wel: meer doorsnee dan ik had je niet…”. Ze vertelt hoe er in het begin een pakket potentiële Booker Prize-winnaars op haar bureau belandde, vier of vijf boeken, waar ze per stuk niet meer dan tweehonderd woorden aan mocht besteden: “… Ik verkondigde meningen zonder die te kunnen onderbouwen en vrijwel zonder ruimte voor nuancering. Het is doodsimpel om een boek, als je maar over één alinea beschikt, naar de mestvaalt te verwijzen. En zelfs als je meer ruimte tot je beschikking hebt, is het gemakkelijker om een negatieve recensie te schrijven dan een positieve, of om een zwakke plek in een boek te signaleren en je daar helemaal op te fixeren. Beginnende recensenten trekken vaak begeesterd van leer tegen de gevestigde namen en overschatte schrijvers. Ze menen dat ze recht laten wedervaren, maar het duurt de nodige tijd voor ze iets leren over mededogen…”. Ik heb er gaandeweg ook een ongelooflijke hekel aan gekregen om het werk van anderen de grond in te boren. Het idee dat iemand misschien wel jaren heeft zitten ploeteren op iets dat jij in een paar regels van tafel veegt, is horribel. De remedie: gewoon geen slechte boeken bespreken. Op den duur mocht Mantel net zo uitvoerig schrijven als ze wilde. De krant bleek al snel heel goed te weten welke opdrachten bij haar pasten. En een ondermaats boek kon ze altijd nog terug sturen.

 

Hij praat niet

De eerste recensie stamt uit 1988 en gaat over “Women and Love. The New Hite Rapport: A Cultural Revolution in Progress” uit 1987, de tweede feministische studie van ‘cultuurhistorica’ (nadrukkelijk tussen haakjes) Shire Hite over vrouwen en seks: “… Als ik er niks van zeg, houdt hij gewoon zijn bril op…”. Mantel filéért het onderzoek - een ‘ongemakkelijke mengeling’ van ‘wellust en wijsneuzigheid’ -  zo’n beetje. Ik ben van de bank gerold van het lachen: “… De toon van het boek is homogeen, saai, vlak: de duizenden vrouwen klinken allemaal als één vrouw, als één vervelende persoon die maar blijft dooremmeren…”. Het leuke is dat het de absurditeit van het leven nog maar weer eens bevestigt: “… Wie is er in godsnaam op het idee gekomen dat mannen en vrouwen kunnen samenleven?...”. Sociologie is ‘vermoedelijk gewoon een hogere vorm van roddelen’. Het Hite-rapport biedt ‘onbegrijpelijke verklaringen’ voor wat iedereen al weet: dat getrouwde vrouwen een rotleven hebben. “… De helft van de wereldliteratuur gaat hierover, maar Hite wil het vastnagelen als een wetenschappelijk feit…”. Je kunt beter Lord Byron lezen. Klacht nummer één is natúúrlijk dat “… mannen biologisch geprogrammeerd lijken te zijn om het bezigen van taal uit de weg te gaan…”. Hij praat niet: “… Voor mij is het teken dat hem iets dwarszit als hij ligt te tandenknarsen in zijn slaap…”. Achtennegentig van de honderd vrouwen willen meer ‘verbale nabijheid’. Maar mannen gruwen van alle ‘introspectieve shit’ die ‘thuishoort in soapseries’. Mannen fluiten, zingen en slaan met deuren als ze boos zijn. “… Als ze al antwoord geven op een vraag slaat dat nergens op. ‘Als ik twee vragen ineen stel,’ aldus een onbegrepen ziel, bijvoorbeeld: ‘Wil je melk of koffie?’ zegt hij: ‘Ja’…”. Een ander vergelijkt haar echtelijke gesprekjes met ‘het trekken van een kies’. “… Een van de mannen had zijn baan, zijn vader en de wielen van zijn auto verloren. Toen zijn vrouw hem haar medeleven betuigde, kreeg ze een klap…”. Vrouwen breken zich het hoofd over één ultieme onzekerheid: “… Ik vraag me af of hij überhaupt wel emoties heeft…”. En over de maatschappelijke druk inzake het huwelijk: “… Soms denk ik dat het niets zou hebben uitgemaakt als ik de nieuwe Mozart was geweest. Dat al mijn vrienden, vriendinnen en familieleden dan nog steeds zouden zeggen: ‘Wanneer ga je nou eens trouwen? Heb je al een vriend?’...”. De vraag is: moeten vrouwen vechten voor verandering, óf hun verwachtingen bijstellen? Hite heeft heus wel een béétje gelijk. Het is bepaald geen opluchting dat jouw huwelijksproblemen worden gedeeld door miljoenen andere vrouwen, zodat je dus deel uitmaakt van een landelijke trend. Maar besef wel: een volmaakte relatie bestaat niet. “… Het kan geen kwaad ernaar op zoek te gaan…”, schrijft Mantel droog, maar we worden allemaal als losse individuen geboren, en zo gaan we ook weer dood.

 

Het oog des geloofs ziet scherp

Naar aanleiding van de Salman Rushdie-affaire vertelt Mantel over de poging een boekenkast te kopen in Djedda, de meest mondaine, kosmopolitische stad van Saoedi-Arabië met zijn video-cultuur. Die waren er dus niet - in 1983: “… Ik dacht dat ik in de ultieme nachtmerrie was beland: de Stad Zonder Boeken…”. Van de Amerikaanse en Europese dagbladen bleken hele stukken met brede viltstiften zwart te zijn gemaakt. Niet de teksten maar de foto’s: borsten, billen, benen. Haar beste islamitische vriendin, die in Pakistan Engelse taal- en letterkunde had gestudeerd, las  in haar driejarig huwelijk welgeteld één boek. De douanebeambten bleken censuur toe te passen op wóórden. Elk recept op potjes en pakjes met levensmiddelen werd bijvoorbeeld zorgvuldig gescand op ‘varkensvlees’, dat ze zonodig wegstreepten (wij krasten vroeger de vloeken in bibliotheekboeken door). De Saudi Gazette waarschuwde in november 1986 voor een bepaald soort Italiaanse vloertegels, waar verborgen in de wervelende patronen, de woorden ‘Allah’ en ‘Mohammed’ schuil gingen: “… Het oog des geloofs ziet scherp…” (ons werd vroeger wijsgemaakt dat er satanische boodschappen verborgen zaten in ‘omkeermuziek’). Volgens Mantel snappen westerse leiders maar niet dat ‘verdraagzaamheid’ voor strenge moslims geen deugd is: “… Onnozelen en ongelovigen begrijpen niets van godsdienstfanaten…”. Het moderne idee van leven-en-laten-leven is voor fundamentalisten immoreel en absurd. En verder: als zelfs een vloertegel de islam kan beledigen, wat voor hoop is er dan nog voor de roman?

 

Een commentaar op iets

In 1991 bespreekt ze  “Almost a Gentleman. An Autobiography” van John Osborne. Tijdens het lezen dringt zich voortdurend de vraag op of de rancuneuze Britse toneelschrijver en scenarist niet ‘lichtelijk gestoord’ is, aldus Mantel. En dan heeft ze het nog ‘voorzichtig geformuleerd’. “… Harold Hobson, die over hem schreef in The Sunday Times toen Osborne op het toppunt van zijn roem was, zei: ‘Zelfverachting lijkt de drijvende kracht achter zijn werk. Hij zou die moeten beteugelen. Hij is niet zo slecht als hij zelf denkt.’….”. Maar Mantel: “… weet het zo net nog niet…”. Ook over popicoon Madonna is ze niet erg te spreken, getuige haar recensie van het volgens haar veel te sentimentele “Madonna: ongeautoriseerd” van Christopher Andersen (1992). Ze kraakt het ‘spilzieke, het extravagante, het smakeloze’ van het fenomeen tot op het bot af (zie het banket op haar trouwdag ‘in de orde van dat van koning Belsazar’, maar dan nog weeldiger en overvloediger). Mantel zet haar neer als een omhooggevallen, sneue aanstelster: “… Je krijgt het gevoel dat Madonna’s podiumfratsen met roomse parafernalia haar nooit het stigma hebben bezorgd waar ze naar hunkert…”. Het katholieke geloof leent zich nu eenmaal gemakkelijk voor ‘variété’: “… Evelyn Waugh en Graham Greene voorzien in de intellectuele versie, en Madonna bedient de simpele zielen…”. De bewierookte popster is gewoon een helleveeg met energie voor tien. Een gelaarsd superego: “… de vleesgeworden wraak van een onaantrekkelijk meisje…”. Grofgebekt en van iedere charme gespeend. Haar identificatie met Marilyn Monroe bewijst alleen maar haar gebrek aan originaliteit. Zie Michael Jackson die eveneens appelleert aan kinderen van een jaar of tien, twaalf. Wat is dat toch? Willen beiden niets liever dan zich weer ingraven in een kindertijd vol illusies en zonder enige verantwoordelijkheid? Madonna voorspelde ooit dat ze ‘een symbool wordt van iets’. Volgens Mantel is ze eerder een 'commentaar' op iets. Maar op wat? “… Andersen weet het in elk geval niet…”. 

 

Liegen tegen je eigen spiegelbeeld

Via een gek verklaarde politiek activiste, schrijft Mantel over de rol van vrouwen tijdens de Franse revolutie, aan de hand van “Théroigne de Méricourt. Une femme mélancolique sous la Révolution” (1989) van Élisabeth Roudinesci, “A Woman of the Revolution: Théroigne de Méricourt” (1911) van Frank Hamel en "Women and the Limits of Citizenship in the French Revolution" (1992) van Olwen Hufton. “… Men zei dat ze leed aan achtervolgingswanen, maar wie werd er tijdens het Schrikbewind vervolgd en wie verbeeldde zich dat enkel?...”.  

In “The Reckoning: The Murder of Christopher Marlowe” (1992) beweert Charles Nicholl dat achter de dood van de Engelse dichter Christopher Marlowe (1564 – 1593), die omkwam bij een vechtpartij in een kroeg, wel eens meer zou kunnen steken, vertelt Mantel. In zijn tijd loog men nog tegen zijn eigen spiegelbeeld. Het wemelde van de spionnen die dubbel- of zelfs driedubbelspion werden. Was het een afrekening? Hield hij zich op in een geheime wereld?  

Een recensie over “The Unredeemed Captive: A Family Story from Early America” (1994) van John Demos verhaalt over Eunice Williams, de zevenjarige dochter van een predikant in New England,  die in de winter van 1704 door Mohawk-indianen werd ontvoerd, en toen ze na 37 jaar terug werd gevonden niet meer terug wilde naar haar familie. De dominee schreef: “… God kan dorre beenderen, zeer dorre, tot leven wekken…”. Mantel: “… Historici kunnen dat ook, dat is hun opdracht, en zelden wordt die zo succesvol vervuld als hier…”.

 

Sentiment voor de duivel

Als maatschappelijk werker waarschuwt Mantel voor teveel begrip inzake de ‘onveranderlijk slechte jeugd’ van kindmoordenaars, naar aanleiding van de onthutsende boeken “Als dat zou kunnen” (1977) van Blake Morrison en “Schreeuw om hulp: het verhaal van Mary Bell, een kind dat doodde” (1998) van Gitta Sereny. Kinderen die een ander kind doden, is een zeldzaam misdrijf. “… Volgens sommige cijfers is iets dergelijks zevenentwintig keer voorgekomen in tweeënhalve eeuw tijd. Hoe betrouwbaar die cijfers zijn is de vraag…”. Mantel vindt dat “… Alles begrijpen is alles vergeven…” in deze gevallen hetzelfde als “… sentimentaliteit voor de duivel…”. Immers: ook al beantwoord je de waarom-vraag,  de moord blijft bestaan. Sterker, met alleen maar medelijden en empathie voor de daders “… ontneem je hun een deel van hun menselijkheid…”. We hoeven de aard van het kwaad niet te begrijpen. Ook minderjarigen zijn morele wezens, die benaderd moeten worden in de ‘taal van mensenrechten’. Dat is voor iedereen beter.

Aan de hand van “The Wicked Queen: The Origins of the Myth of Marie-Antoinette” (1999) van Chantal Thomas, vertelt Mantel hoe Marie Antoinette -  “… Zij was degene die de moderne prinses  heeft uitgevonden…” – het slachtoffer werd van een pamflettenoorlog die eindigde met haar onthoofding in 1793. Het Ancien Régime werd ondermijnd door laster en vuilspuiterij. Waar nepnieuws en complottheorieën al niet toe kunnen leiden.

Mantels meest bizarre essay gaat over ‘de laatste heks van Engeland’ naar aanleiding van “Hellish Nell, Last of Britain’s Witches” (2001) van Malcolm Gaskill. Een zielige spiritiste die tijdens het regime van Churchill werd veroordeeld door middel van de Hekserijwet uit 1735. Ze had namelijk de geest van een jonge zeeman opgeroepen die diende op een oorlogsbodem van wie nog niemand wist dat deze was vergaan. Staatsgevaarlijk dus. Spiritisme was tijdens en tussen de twee wereldoorlogen een ware volkssport. In de jaren vijftig nam de belangstelling af, niet in de laatste plaats door de komst van de televisie: “… Gemeenschappen vielen uiteen, de lichtgelovigen richtten zich nu op vliegende schotels en later op graancirkels, reïncarnatie, bevruchting door aliens en millenniumcultussen…”. Haar opvolgers zijn tegenwoordig te vinden op ‘spirituele beurzen’ die in de weekenden overal in het land opduiken: de mens wil nu eenmaal hardnekkig bedrogen zijn.

 

Hoe verroer ik een vin

In een haast magisch verhaal beschrijft Mantel hoe ze als vijfjarige kennismaakt met haar toekomstige stiefvader, de man die haar leven voorgoed een andere draai zal geven. Ze heeft het over haar geliefde opa en de hysterische verliefdheid van haar moeder die niemand opmerkt, behalve zij. Een aangrijpend hoofdstuk gaat over haar buikoperatie – een periode waarin Mantels ‘onderbewustzijn zich uitstortte in het wakende leven’ als ‘een soort wc die bleef doorlopen’. Onder invloed van morfine dondert ze de duivel uit haar bed en lost ze alle problemen die haar jarenlang hebben dwarsgezeten in één klap op. Ze leeft altijd al met ‘de andere wereld’ onder handbereik, maar nu reageren haar hersenen wel héél vreemd. “… De grens tussen hallucinaties, dromen en dagmerries was vervaagd, en een tijdlang vroeg ik me af of ik ooit weer op eigen benen zou kunnen staan…”. Haar verschijningen noemt ze ‘hallies’. Als ze bloed krijgt toegediend, voelt ze zich een vampier. “… Ziekte kleedt je uit tot op je authentieke ik, maar dat is geen ik waar je graag kennis mee maakt…”. Pijn maakt dat je niet om je  lichaam en om wat het doet heen kunt, om de dierlijke kant ervan, om de eisen die het stelt. “… Het merendeel van de tijd voelde ik me zo ontmoedigd en vernederd, dat ik het liefst met een laken over mijn hoofd in een hoekje was gaan zitten, maar dat was niet erg praktisch…”. Haar leven wordt teruggebracht tot de kwestie: hoe verroer ik een vin. “… De verpleegkundigen zijn er om mij op mijn gemak te stellen en ik ben er om hen op hun gemak te stellen. Op deze manier beschermen we elkaar tegen duistere ervaringen…”. Tussendoor veegt ze de vloer aan met het ‘sjieke’ lijden van Virginia Woolf: “… Haar secretie is gedistingeerd: traanvocht, geen gal…”. In de geblindeerde ruimte die ‘melancholie’ wordt genoemd, ligt er nog altijd pluche op de vloer en zijn de raamloze muren bekleed met zwart fluweel. Mantels overlevingstactiek: schrijven, lezen. Ze komt te laat tot het besef dat ze de biografie van Catharina van Aragon beter niet had kunnen lezen, “… want nu hebben de theologische haken en ogen van de Reformatie zich bij mijn al bestaande geestelijke zorgen gevoegd…”.

 

Heilige vloerenlikkers

Mantel gaat inzake ‘versterving’ verder waar William James in mijn vorige blog ophoudt. Naar aanleiding van “Saint Thérèse of Lisieux” (2003) van Kathryn Harrison, “The Voices of Gemma Galgani. The Life and After life of a Modern Saint” (2003) van Rudolph Bell en Cristina Mazzoni, “The Disease of Virgins: Green Sickness, Chlorosis and the Problems of Puberty” (2004) van Helen King, “A Wonderful Little Girl: The True Story of Sarah Jacob, the Welsh Fasting Girl” (2004) van Siân Busby en “My Hungry Hell” (2002) van Kate Chisholm, vergelijkt ze de huidige explosie van anorexia nervosa met het buitenissige ascetisme van sommige katholieke heiligen. Ik heb het als protestant altijd moeilijk gevonden om te begrijpen waarom je je zoveel ellende op de hals wil halen. Willem van Saint-Thierry en William James geven daar geen bevredigend antwoord op – zie mijn eerdere blogs. Beide heren duiden de excessen vooral als het ‘uit balans raken van hoofd en hart’. Met andere woorden: ‘hysterische wijven’. Mantel beschrijft inderdaad een heilige poppenkast van ongebreidelde fantasieën, goddelijke extases, mentale inzinkingen, ultieme vormen van zelfvernedering, roekeloos masochisme en een hang naar melodrama van onnozele geesten. Ze laat een spirituele optocht aan gruwelen passeren, waarvan ik om een voorbeeld te geven alleen de heilige ‘vloerenlikkers’ noem, die de muren en grond  van hun kloostercel met hun tong reinigden, en daarbij de spinnen die ze tegen kwamen soms met web en al inslikten. Eentje likte de vloer heel artistiek in een patroon van kruisen. Tot haar tong ervan bloedde. Jawel. Mantels verklaring: “… Zowel Gemma als Theresia geloofde dat lijden een uitwerking had die niet werd beperkt door tijd of plaats. Zij konden, al was het maar even, delen in de pijn van de kruisiging. Zij konden hun pijn offeren om uitstel te kopen voor de zielen die leden in het vagevuur. Met hun lijden konden ze boete doen voor andermans zonden, en er plaatsvervangend voor zorgen dat die werden kwijtgescholden. Margaretha van Cortona zei: ‘Ik wil verhongeren om de armen te voeden.’ Achter de extase gaat een heftige morele drang schuil, een bedoeling schuil, en zonder twijfel ook een seksuele drang. Simone Weil geloofde dat ‘seksuele energie de fysiologische basis vormt’ voor mystieke ervaringen. Waarom dit waar moet zijn? Omdat, aldus Weil, ‘wij niets anders hebben om mee lief te hebben’…”. Kijk, hier kan ik wat mee. Daarbij komt dat mentale pijn en nood zich uit  in lichamelijke symptomen. Heiligen willen de pijn van Jezus op zich nemen uit solidariteit. Heiligheid en psychopathologie kunnen naast elkaar bestaan, toch?  

 

Meisjes

Over de dubbele houding in onze maatschappij ten aanzien van seculiere anorexia: “… Het ene meisje werd als fotogeniek beschouwd en kon geld verdienen met haar magerheid, terwijl het andere meisje met net zo’n uitgemergeld lijf, maar minder poster-appeal, werd gezien als rijp voor opname…”. De doorslaggevende factor is van financiële aard. De wereld legt de lat steeds hoger: “… Het ideale lichaam kan alleen nog met behulp van plastische chirurgie worden bereikt…”. Geen wonder dat sommige meisjes willen afhaken. Hoe kan het dat vrouwen zich zo opgejaagd voelen nu het feminisme gevestigd is? Volgens Mantel omdat meisjes zich moeten voordoen als halve kerels: “… Jezelf laten gelden betekent acteren, betekent je ware aard verloochenen, het betekent oppervlakkigheid en platvloersheid omarmen. Meisjes mogen geen meisjes zijn, ze mogen alleen grofgebekt en op seks uit zijn, zoals tienerjongens. Niet elke jonge vrouw wil van die kans gebruikmaken. Het zou heel goed kunnen dat er een bepaalde persoonlijkheidsstructuur bestaat die voor vrouwen altijd problematisch is geweest en waar vandaag de dag nog even lastig mee te leven valt als altijd het geval was, namelijk die van het soort meisje dat introvert, bedachtzaam en gereserveerd is, dat aan zichzelf genoeg heeft, dat kritisch is, en van nature meer cerebraal dan emotioneel…”. In onze tijd van, volgens rtl ‘ongekende daling mentale gezondheid van meisjes’, mogen wij Mantels woorden wel eens ernstig ter harte nemen.

 

Over de Tudors

Mantel  bespreekt “Jane Boleyn: The Infamous Lady Rochford” (2008) van Julia Fox. Een boek over een hofdame die in een gigantisch schandaal belandde aan het hof van Hendrik VIII, over wie Mantel opvallend mild schrijft. Engeland was een schurkenstaat: “… Dat is misschien geen rechtvaardiging voor binnenlandse repressie, maar verklaart haar wel. Zij kwam voort uit realpolitik, niet uit een particuliere pathologische neiging van de koning…”. Romantici zetten Hendrik neer als een seksmonster. In werkelijkheid had hij, voor zijn tijd, maar heel weinig maîtresses. Op middelbare leeftijd onderging hij een negatieve karakterverandering, maar vergeet niet dat hij op het toernooiveld een etterende wond had opgelopen: “… Zijn been bezorgde hem voortdurend pijn, en geschiedkundigen – en naar ik vrees ook artsen – onderschatten de mate waarin chronische pijn iemands geaardheid kan doen verzuren en zowel de persoonlijkheid als het intellect kan aantasten…”. Ze besteedt aandacht aan nog een ander boek over een hofdame: “Margaret Pole: The Countess in the Tower” (2016) van Susan Higgenbotham. Verder noemt ze Steven Gunn, de schrijver van “Charles Brandon: Henry VIII’s Closest Friend” (2015), ‘een autoriteit op het gebied van Tudor-geschiedenis’.

 

Meer Franse Revolutie

Volgens Mantel is “Fatale zuiverheid: Robespierre en de Franse Revolutie” (2007) van Ruth Scurr “… beslist de meest weloverwogen en evenredigste geschiedenis van de revolutie die u ooit zult lezen en tevens die welke de geschiedenis het minst geweld aan doet…”. En zij kan het weten. Over Robespierre (ga maar even recht zitten): “… Wat hij verder ook geweest moge zijn, hij was in de eerste plaats een man met een overtuiging, een man met principes. Tegenwoordig zijn we niet meer afgestemd op principes en overtuigingen, maar op de futiliteiten van de politiek en de politiek van futiliteiten. Dat is de reden waarom we de islamitische wereld niet kunnen begrijpen, of de overtuiging van zijn militante vertegenwoordigers, hun passie voor zuiverheid, hun bereidheid te sterven. Wat wij bezitten hebben de erfgenamen van de liberale traditie uit hun handen laten glippen. Wij zijn ironisch, verwend, vol van onszelf en rampzalig blasé. Wij denken dat er recht is gedaan, voldoende recht in elk geval, en we hopen dat liefdadigheid de gaten verder zal vullen…”. Via “Danton: The Gentle Giant of Terror” (2009) van David Lawday doet Mantel ook het leven van de revolutionaire nationalist Danton uit de doeken, die tijdens de Franse Revolutie een leidende rol speelde als minister van Justitie.

 

De heilige maagd

Naar aanleiding van “Mother of God: A History of the Virgin Mary” (2009) van Miri Rubin en “Nee en amen; handleiding tot geloofstwijfel” (1933) van Uta Ranke-Heineman, bespreekt Mantel de legendevorming rond de maagd Maria. Ranke-Heineman laat geen spaan van de rooms-katholieke kerk heel en heeft het naar aanleiding van Maria’s annunciatie zelfs over ‘ooievaarstheologie’. Als kind ervoer Mantel de heilige maagd ook als een ‘wandelende terechtwijzing’ die volgens haar een enorme druk legt op katholieke meisjes. Want zeg nou zelf: je kunt bidden tot je een ons weegt, maar het gaat jou niet lukken zowel maagd als moeder te zijn. In de Bijbel staat er bijna niets over Maria. Dus werd er van alles van haar gemaakt. Van jong joods meisje promoveerde ze tot koningin des hemels, waar de wonderen zich omheen vermenigvuldigden. De Romeinse vruchtbaarheidsgodinnen die in de bossen werden aanbeden veranderden in zwarte madonna’s. Ze werd de suikerzoete blonde muze van dichters en schilders. Overal verschenen Mariabeelden en Mariakapellen. Een van de mafste verhalen: “… Een lekenbroeder in het klooster van Clairxaux die was toegetreden zonder de liturgie te kennen, betoonde Maria eer door ’s nachts, terwijl de andere broeders sliepen, op zijn handen te lopen…”. En over de hedendaagse Mariaverschijningen: “… De kerk heeft haar bedenkingen bij lokale cultussen en volkse dwepers, maar is allesbehalve vies van de commerciële baten. Net als voor de Reformatie krijgen oases van bijgeloof de zegen als ze lucratief zijn…”.

 

Aapjes kijken

Het meest controversiële stuk in “Vorstelijke personages” gaat over de vraag of het hele verschijnsel monarchie nog wel van deze tijd is. Moeten we niet eens stoppen met ‘aapjes kijken’? “… Tegenwoordig hakken we vorstelijke dames niet meer de kop af, maar we offeren hen wel op, en een kleine generatie terug hebben we er wel eentje naar haar ondergang gedreven…”. Vorstinnen bestempelt ze als  wandelende baarmoeders. Zie Kate Middleton die “… leek te zijn ontworpen door een commissie en vervolgens door vakmensen in elkaar gestoken, met een volmaakt plastic glimlach en een paar ranke benen die handgemaakt en van een glanzende laklaag voorzien leken…”. En even verder: “… Kate lijkt te zijn uitverkoren voor haar rol van prinses omdat er niets op haar viel aan te merken. Ze was zo graatmager als je maar kon wensen, had geen kuren, geen eigenaardige trekjes, en er bestond geen gevaar dat ze een eigen persoonlijkheid zou ontwikkelen…”. Dat was met Diana wel anders, “… wier menselijke onbeholpenheid en gebrek aan emotionele beheersing bij elk gebaar zichtbaar waren…”. Even verder: “… Diana was in staat om zich van huppelend schoolmeisje te transformeren tot een ijskoningin, van een geestverschijning tot een amazone…”. Het koningshuis leeft in een kooi. Hoe menselijk dan wel onmenselijk ís dat? Je bent een in een keurslijf gedwongen ‘ding’ dat alleen betekenis heeft als het tentoon wordt gesteld. Je leven is een schertsvertoning. En toch. De magie: “… Toen Diana naar St. Paul’s Cathedral reed was ze een waas van maagdelijk wit achter glas…”. Even verder: “… Een jonge vrouw was in de koets gepropt, maar even later kwam er een godin uit. Ze kwam niet zomaar uit de koets, ze brak uit het ei. Eerst kwam de buitengewone jurk, als een vloeiende stroom, als ectoplasma dat uit de lichaamsopeningen van een medium stroomt. Het duurde een tijdje voordat ze zelf vaste vorm aannam…”. Volgens Mantel was Diana koninklijker dan de familie waar zij intrad: “… Iets in haar persoonlijkheid, haar ontvankelijkheid, haar lijdzaamheid, bestemde haar voor een mythologische status. Het scheelde weinig of haar werden helende krachten toegeschreven, van oudsher het prerogatief van vorstelijke personen…”. Mantel: “… Haar begrafenis was een heidense uitbarsting, een bandeloos festival van rouw…”. Echter, de wereld draaide door en haar offerdood veranderde niets. Mantel kon de natie met haar visie niet harder op de ziel trappen. De pers lustte haar rauw!

 

Uitgave: Meridiaan Uitgevers – 2021, vertaling Harm Damsma & Niek Miedema, 420 blz., ISBN 978 949 316 947 0, 34,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 28 september 2022

Vormen van religieuze ervaring – William James


Subtitel: een onderzoek naar de menselijke aard

 

Jij zou William James eens moeten lezen, adviseerde een bevriende pedagoog mij. Dat heb ik gedaan. En inderdaad, het is verbluffend dat een Amerikaanse godsdienstpsycholoog van honderd jaar geleden nog steeds zó aanspreekt. Op een enorm warme en betrokken manier analyseert William James (1842 – 1910) aan de hand van een grote collectie autobiografisch materiaal in de spirituele klassieker “The varieties of religious experience”, voor het eerst uitgegeven in 1902, het  innerlijk van de religieuze mens. Ik las het boek in de Nederlandse vertaling van Johan L. van Tricht. Bij bol.com is het alleen te koop in de vertaling van J. Dutric.

 

Godsdienstfreaks

William James begint zijn verhaal met humoristische excuses voor het feit dat hij in zijn beschrijving kiest voor de meer overdreven en extreme uitingen van religieus temperament. Wat je in het groot ziet, herken je in het klein. Een statement dat ik vaker heb gehoord, van topadvocaat Inez Weski meen ik. Door te lezen over ongehoorde wreedheid zie je het eerder in onopvallende verschijningsvorm. Bovendien, zegt James, heeft iemand die een uitsluitend religieus leven nastreeft grote kans ongewoon en excentriek te worden: “… Ik spreek hier niet over de gewone gelovige die de in zijn cultuur gebruikelijke religieuze plichten vervult. Om het even of hij boeddhist, christen of islamiet is. Zijn godsdienst is door anderen voor hem gemaakt, is hem door traditie overgeleverd, is door nabootsing in bepaalde vormen vastgelegd en wordt uit gewoonte gehandhaafd. Het zou weinig opleveren wanneer wij dit tweedehands religieuze leven gingen bestuderen…” (Willem van Saint-Thierry, zie mijn vorige blog, zou deze geloofsvorm typeren als die der ‘animalen’). James gaat voor individuen voor wie religie niet een duffe gewoonte is, maar een acute koorts. De religieuze ‘genieën’. En ja, zij tonen vaak symptomen van geestelijke instabiliteit (zoals álle eenzijdig hoogbegaafden op diverse gebieden): “… Zonder uitzondering waren zij mensen met een verhoogde emotionele gevoeligheid. Dikwijls was hun innerlijk leven onharmonisch en kenden zij tijden van melancholie. Zij kenden geen maat en hadden te lijden onder obsessies en waanvoorstellingen; niet zelden raakten zij in trance, hoorden stemmen, hadden visioenen, kortom toonden allerlei verschijnselen die wij gewoonlijk pathologisch noemen…”. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht: 2 Korinthe 12 vers 9. Maar het gaat om de vruchten, niet om de boom. “… Al had Teresa van Avila het nerveuze gestel van de sloomste koe…”, het zou haar theologie niet hebben gered als die niet deugde. Juist de neuroten zien meer en scherper.

 

Persoonlijke religie

James maakt onderscheid tussen institutionele en persoonlijke religie. Als psycholoog richt hij zich natuurlijk op de persoonlijke tak, waarin het gaat over de relatie “… van hart tot hart, van ziel tot ziel, tussen de mens en zijn schepper…”. Persoonlijke religie is altijd de oorsprong van, en fundamenteler dan, theologie en Kerk: “… Wanneer de Kerken eenmaal gevestigd zijn, leven zij, tweedehands, van de traditie; maar de stichters van iedere kerk danken hun macht oorspronkelijk aan het feit van hun onmiddellijke persoonlijke gemeenschap met het goddelijke…”. Hij definieert religie dan ook als “… de gevoelens, handelingen en ervaringen van individuele personen in hun eenzaamheid, voor zover zij overtuigd zijn in relatie te staan met wat zij voor het goddelijke houden…”. James interpreteert het begrip religie heel ruim. Ook mensen die het in plaats van God over een wereldziel of een HET of iets dergelijks hebben ziet hij als religieus. Hoewel de mentaliteit van sommige vurige tegenstanders van het christendom niet van religieuze ijver is te onderscheiden: “… Hij gelooft in Geen-God en vereert hem,’ zei een van mijn collega’s van een student, die een zuiver atheïstische geestdrift aan den dag legde…”, vindt James het te ver gaan om déze houding religieus te noemen. Hier trekt hij de grens.

 

Hogere gevoelsdimensie

Religie gaat over de laatste grondwaarheid en behelst een totaalvisie. Draait om overgave en vertrouwen. En of je het uiteindelijk bij het rechte eind hebt? Augustinus: “… Heer, als wij bedrogen worden, dan is het tenminste door u!...”. James stelt dat de religieuze gemoedsgesteldheid zonder uitzondering serieus en ernstig is: “… Alles is géén ijdelheid, ondanks de mogelijke schijn van het tegendeel…”. Religie mag dan de vijand van luchthartige ironie zijn, ze is dat ook van gemopper en geklaag. Het is onvergelijkbaar met de boutades van sacherijnige zuurpruimen als Nietzsche en Schopenhauer die aan ‘stervende ratten’ doen denken, aldus James. Zie Marcus Aurelius’ goddelozen die ‘liggen te trappelen en te schreeuwen als varkens op een slachtbank’. Religie roept altijd  iets verhevens en plechtigs op. Narigheid wordt begrepen als loutering en er bestaat een weg naar bevrijding. Het kwaad wordt aanvaard als een offer. Wanneer een gelovige de slag in de buitenwereld heeft verloren en zijn omgeving hem verstoot, komt religie hem te hulp en neemt zijn lot in handen. Religie kan een binnenwereld tot leven brengen die anders een woestijn zou zijn. Merkwaardige innerlijke paden kunnen naar een bovennatuurlijk geluk voeren wanneer het alledaagse bestaan ongelukkig is. Een hoger geluksgevoel houdt een lager ongelukkig-zijn in toom. Zie de schilderijen van de heilige Michaël die zijn voet op Satans nek houdt. ‘Goed’ gedrag vraagt in zware omstandigheden veel van onze wilskracht (neem alleen al de vorige week uitgesproken troonrede zou ik zeggen). “… Wanneer mensen verlicht worden door het ware licht…” gaat dat vanzelf. Zie de uitspraak van Augustinus: ‘Dilige et fac quad vis’ – als ge (God) maar liefhebt, kunt ge doen wat ge wilt. Bezieling is een hooggeaarde emotie die geen inspanning vergt. Is rusten in het goddelijke. Religie heeft te maken met een andere, nieuwe, transcendente en onmetelijke gevoelsdimensie. Met regionen waarin geluk gevonden wordt in het absolute en eeuwige. Niet met inperking, zoals zo vaak wordt gedacht, maar met uitbreiding van de  horizon.

 

Wederom: the head and the heart (zie mijn vorige blog)

Wij geloven in iets wat wij (meestal) niet kunnen zien. Toch kan de nabije aanwezigheid van Gods geest als realiteit worden ervaren. James komt met een groot aantal autobiografische beschrijvingen van mensen die een gevoel van goddelijke aanwezigheid zeggen te hebben gehad. Het gedeelte van het leven waar wij rationalistisch rekenschap van kunnen afleggen is derhalve nogal oppervlakkig, vindt James. “… De geringere waarde van de rationalistische laag voor het funderen van geloof is even duidelijk wanneer het rationalisme vóór, als wanneer het tégen religie betoogt…”. De ratio heeft gezag omdat het taal tot zijn beschikking heeft, uit kan dagen bewijzen te leveren, logica kan bedrijven en met woorden kan doodslaan. “… Maar het zal ondanks alles niet in staat zijn je te overtuigen of te bekeren, als jouw ‘stomme’ gevoel niet overeenstemt met zijn conclusies….”. De intuïtie stamt uit een diepere laag dan de ‘sprekende’, waarin de rede zijn zetel heeft. Daardoor weet ‘iets’ in jou absoluut zeker, dat wat jij voelt méér waar is dan al het logisch redenerend gepraat, hoe knap ook, dat het tegenspreekt.

 

Hemelsblauw moralisme

Gelovigen kun je verdelen in optimistische en pessimistische karakters (waar de meesten een beetje tussenin hangen), aldus James. Oftewel: de een- en tweemaalgeborenen. De optimisten leven in het moment, denken geen kwaad van God of mens, treuren niet over eigen onvolmaaktheden, zijn geen navelstaarders, zien God niet als een strenge rechter of een tirannieke potentaat maar als een liefdevolle, welwillende, genadige en bezielende geest. Hun vreugdevolle religie is een oorspronkelijk bezit dat niet eerst van de zware last der zonde bevrijd moet worden. Als voorbeeld noemt James het vrijzinnige christendom dat een broertje dood heeft aan christelijk schuldbesef. En de populaire evolutieleer waarin er vanuit wordt gegaan dat de wereld steeds beter zal worden: noem het gerust een nieuwe natuurreligie. Of de aantrekkelijke filosofie van Spinoza. James spit vooral de ‘mindcure’ dan wel ‘New Thought’ beweging van zijn dagen uit, waar ik verder geen kaas van heb gegeten, maar die hoofdzakelijk  om gebedsgenezing lijkt te draaien. Ziekte moet je nooit aanvaarden. Ziekte is een product uit de hel. Je kunt je beter c.q. gezond mediteren (zie de rol van mindfulness en yoga anno nu). Er worden sporen in gevonden van christelijke mystiek, de Veda’s, het pantheïsme en de moderne psychologie van het onbewuste. Het gaat om aansluiting op het krachtstation van het Universum zonder dat daar enig genadewonder of plotselinge schepping van een nieuwe innerlijke mens dan wel bekering voor nodig is. Dat klinkt behoorlijk New agerig. Alles draait om positief denken. Van stress word je ziek. Gedachten zijn ‘dingen’: “… Als je gedachten zijn gericht op gezondheid, jeugd, energie en succes, zullen deze dingen, voor je het weet, ook jouw deel zijn in de wereld…”. Gedachten zijn ‘krachten’. Op grond van de wet dat het gelijke het gelijke aantrekt, trekken de gedachten van één mens de gedachten van dezelfde aard over heel de wereld aan: “… Zo ontvang je door je denken versterking van elders voor de verwerkelijking van je verlangens…”. Je leven is ‘maakbaar’. Om de hemelse energieën aan jouw kant te krijgen hoef je alleen maar je geest open te stellen. Het kwaad is een leugen en bestaat helemaal niet: “… Redeneer er niet over, zoals Dante zegt, maar werp er een blik op en ga verder! Het is ‘Avidhya’, onwetendheid! Het is alleen iets om aan te ontgroeien en achter zich te laten, om te boven te komen en te worden vergeten…”. Een en ander leidt tot ‘hemelsblauw moralisme’. Zie het hedendaagse happy-clappy-christendom en welvaartsevangelie met in datzelfde kielzog het woud aan al dan niet christelijke zelfhulpgoeroes en  lifestylecoaches. Werkt het? Natuurlijk, zegt James. Tot op zekere hoogte. Anders zouden er niet zoveel mensen mee bezig zijn en er bakken geld voor over hebben.

 

Zieke zielen

Aan de andere kant heb je de pessimisten. De hopelozen die lijden aan het leven. Hun sombere geloof kan het kwaad niet uit hun hoofd zetten. Hun leven heeft een mysterieuze ‘tweede verdieping’ nodig. James heeft het over ‘zieke zielen’, want  dit soort gelovigen gaat bijna onveranderlijk door een depressie heen die een ‘wedergeboorte’ tot gevolg heeft. James beschrijft verschillende soorten neerslachtigheid. Sommigen zijn niet meer in staat iets te ‘voelen’: alsof ze van de levende wereld zijn afgesneden (zie mijn blogs over “Kees van Duinen. Tegen de ruit” van Hans Werkman, “De glazen stolp” van Sylvia Plath en “De wand” van Marlen Haushofer). Ze veranderen in zombies. James beschrijft deze vorm van melancholie diepgaand aan de hand van het werk van Tolstoj. Anderen voelen juist ondraaglijk veel, wat James bij elkaar veegt onder het begrip ‘zielsangst’. Zie John Bunyan die zich vooral zorgen maakt over de conditie van zijn eigen persoonlijkheid: “… Hij was een typisch voorbeeld van het neurotische temperament, met een ziekelijk gevoelig geweten, gekweld door angsten, twijfel en dwanggedachten, en een slachtoffer van woordautomatisten, zowel motorische als zintuiglijke. Het waren gewoonlijk Bijbelteksten, soms van een verdoemende, soms van een gunstige aard, die plachten op te duiken in een half hallucinatoire vorm alsof het stemmen waren, en zich vasthechtten aan zijn geest en deze heen en weer sloegen als een tennisbal. Bovendien leed hij aan angstig-melancholische zelfverachting en wanhoop…”. De ergste soort van depressie noemt James die welke de vorm aanneemt van panische angst. John Bunyan: “… Daar werd ik overvallen door een hevig beven, zodat ik soms dagen lang mijn lichaam en geest voelde schudden en wankelen onder het besef van Gods vreselijke oordeel…”.

 

Verlossing

James schrijft met enorme empathie over zijn ‘zieke zielen’. Hij blijkt tussen 1870 en 1872 zélf een persoonlijke crisis te hebben doorgemaakt, wat hem naast zijn vermaarde kennis van de psychologie tot een doorleefde ervaringsdeskundige maakt. Hij ziet de zieke ziel completer dan de gezonde. Haar ervaringsgebied is immers veel groter en uitgestrekter: “… De blijmoedigheid van de z.g. evenwichtige mens steekt kinderlijk af tegenover de weerbarstige realiteit van de z.g. gestoorde…”. Bovendien hebben degenen die door ‘de nacht van de ziel’ zijn gegaan de behoefte, en daarmee ook de mogelijkheid, tot een ‘hergeboorte’, een metamorfose die volgens hem cruciaal is in de menselijke levensloop. Hij komt er vaak op terug: “… de bevrijding moet in even sterke vorm komen als de klacht, wil er resultaat zijn, en dat schijnt de reden, waarom de grovere religieuze praktijken, de ‘revivals’, de geheime cultushandelingen, waar bloed en wonderen en bovennatuurlijke werkingen bij te pas komen, misschien nooit zullen worden vervangen. Sommige psychische gesteldheden hebben ze te hard nodig…”. Optimistische één-dimensionalen en pessimistische twee-dimensionalen verdragen elkaar slecht. In de ogen van pessimisten zijn optimisten onuitsprekelijk blind en oppervlakkig. In de ogen van optimisten geeft al dat “… gewroet in rattenholen en mollengangen in plaats van te leven in het licht, hun gefabriceer van angsten, hun getob over elke ongezonde soort ellende…”, iets “… bijna obsceens aan die ‘kinderen van de boosheid’ en hunkeraars naar wedergeboorte…”. Toch moeten we iets met het probleem van het kwaad. James meent dat daarom de meest volledige religies absoluut die zijn waarin het pessimistische element het meest ontwikkeld is. Zie het boeddhisme en christendom. Zij zijn in de ware zin van het woord ‘verlossingsreligies’: “… de mens moet aan een onwerkelijk leven afsterven voor hij tot een werkelijk leven kan worden herboren…”.

 

De gespleten persoonlijkheid

In feite ervaren de pessimisten een innerlijke gespletenheid die moet worden opgeheven om gelukkig te kunnen zijn. Tussen de hogere en de lagere gevoelens. Tussen het feitelijke en denkbeeldige zelf. Tussen ‘geest en vlees’. Hun welhaast schizofrene toestand is te wijten aan de botsing tussen hun innerlijke gesteldheid en hun uiterlijke daden en doeleinden. Het eenwordingsproces, een ontwikkeling die geleidelijk op gang komt of plotseling gebeurt, brengt een karakteristieke opluchting mee die soms ervaren wordt als een religieuze  wedergeboorte, maar kan ook heel goed andere vormen aannemen. Zie bijvoorbeeld de ‘tegen-bekering’ van Ann de Craemer in “Vurige tong”.  Degene die tot een bevredigende metafysische oplossing komt, heeft ‘iets’ gevonden dat uit de diepste lagen van het bewustzijn opwelt: “… een stimulans, een opwekking, een vertrouwen, een kracht die de positieve wil om te leven een nieuwe bezieling geeft…”.  Kortom: heling. Verlichting. God.

 

Bekering

Prachtig schrijft James over de bekering als psychologisch fenomeen. In het kort gezegd ziet hij bekering als het verschuiven van denkbeeldengroepen die zich in ons innerlijk ophouden, waardoor sommigen naar het warme energiecentrum bewegen en anderen naar de koudere perifere gebieden vertrekken. Psychische opwinding is daar vaak verantwoordelijk voor: “… Emotionele gebeurtenissen, vooral die van hevige aard, hebben een uitermate sterk vermogen om geestelijke reorganisaties te versnellen…”. Ook al staat het buiten kijf dat er veel heiligen van het eenmaal-geboren type bestaan, die een geleidelijke groei van heiligheid, van het binnendruppelen van een natuurlijke goedheid ondergaan, zonder een overweldigende innerlijke onrust. Bekering kan ook een normaal adolescentieverschijnsel zijn. Dan heeft het te maken met de overgang van het kleine wereldje van het kind naar het wijdere intellectuele en geestelijke leven van de volwassenheid. Als jongeren hun groeicrisis in een ander land met een ander geloof meemaken is de ommekeer in wezen gelijk, alleen de stoffering anders. Soms is de bekering bijna geheel ondergeschikt aan het morele aspect en komt er amper dogmatische theologie aan te pas. Zie de omslag van bijvoorbeeld alcoholisten. Als religieuze denkbeelden niet het centrum worden van geestelijke energie, kunnen zelfs de meest prima mensen niet bekeerd worden. Mentale resultaten komen op een bewuste en opzettelijke manier dan wel een onwillekeurige en onbewuste manier tot stand. In het onbewuste kunnen zich rijpingsprocessen voltrekken, waarvan wij ons plotseling bewust worden. Maar zelfs bij het meest extreme wilstype lijkt de laatste stap te moeten worden overgelaten aan andere krachten en komt het aan op overgave: “… Des mensen uiterste nood is Gods kans…”. Laat iemand alles doen wat hij kan, en zijn zenuwstelsel doet de rest: “… In vele gevallen weigert de bevrijding hardnekkig door te breken, zolang de mens niet ophoudt weerstand te bieden of zijn eigen pogingen in de gewenste richting niet opgeeft…”.  

 

De rol van het onbewuste

Voor de meesten van ons is het veel makkelijker om onze aandacht op onze ‘zonden’ te richten dan op een positief, maar vaag ideaal als ‘God’. Daarom is bekering eerder een proces van pogingen om onze mislukkingen te ontvluchten dan een streven naar het betere. “… Toch gaan intussen de krachten van louter organische ontwikkeling door naar hun vooraf bepaald resultaat, en zijn bewuste inspanning laat onderbewuste bondgenoten achter de schermen los, die op hun wijze uit zijn op herordening…”.  Even verder: “… wanneer het nieuwe centrum van persoonlijke energie onbewust zolang is gekoesterd totdat het op het punt is te gaan bloeien, is ‘handen thuis’ voor ons het enige advies, de bloem moet zonder hulp opengaan!...”. Het is als met het herinneren van een naam die je bent vergeten. Je kunt er niet opkomen, maar als je je pogingen staakt, springt deze een tijdje later vanzelf in je gedachten. Wat moet de mens doen? Hij moet zich ontspannen. Als wij onze negatieve gevoelens niet kwijt kunnen raken doordat we overruled worden door positieve ervaringen, maakt emotionele uitputting vaak deel uit van een bekeringscrisis. We raken geestelijk gevloerd. James gaat diep op de onverwachte, zogeheten Paulusbekering in, die veroorzaakt wordt door hevige emotionele spanning en verwarring. Plotselinge bekeringen wijzen op een actief onderbewuste. Er dringen denkbeelden binnen in de gewone bewustzijnsvelden die zijn geboren in de onbewuste gebieden. Psychologisch gaat het om een groeiproces dat met elkaar strijdende verlangens in één richting leidt. De verlossing triggert een extase van geluk. De gelovigen ervaren een gevoel van volkomen vrede en harmonie. De levensmysteries worden doorzichtig. De wereld schijnt nieuw. Heb je eenmaal zoiets meegemaakt dan word je zelden meer de oude. Ook als de rook om je oren is verdwenen. Het resultaat van een bekering brengt een veranderde levenshouding mee, “… die vrijwel constant is en duurzaam, ofschoon de gevoelens op en neer gaan…”. Met andere woorden: “… de personen die een bekering hebben doorgemaakt, neigen er toe, nu ze eenmaal een religieus standpunt hebben ingenomen, zich daarmee te identificeren, afgezien van de mate waarin hun religieus enthousiasme afneemt…”. De waarheid blijft bestaan. Omdat de basis van dit soort bekeringen niet verstandelijk is, doet argumentatie niet ter zake. Zowel psychologie als religie erkennen dat buiten het individuele bewustzijn er dus verlossende krachten werkzaam zijn. Alleen heeft de psychologie het over het onbewuste die de menselijke persoonlijkheid niet te boven gaat. Maar waarom zou het goddelijke eigenlijk niet via het onbewuste werken?!

 

Heiligheid

“… De hoogste vlucht die mensenliefde, devotie, vertrouwen, geduld en moed op de wijd gespreide vleugels van de menselijke natuur heeft genomen, zijn gevlogen voor religieuze idealen…”. De rijpe vruchten die religie oplevert: heiliging. Zij stoelt op emotionele bewogenheid - passie -  in combinatie met innerlijke impulsen en remmingen. Mensen die uitmunten in heiligheid, stemmen zo goed als geheel overeen in wat zij geloven: “… Zij vertellen ons tot de onwankelbare overtuiging te zijn gekomen, niet gebaseerd op deductie maar op spontane ervaring, dat God een geest is met wie de menselijke geest gemeenschap kan hebben. Dat in hem alle goedheid, waarheid en schoonheid is geconcentreerd die men zich maar kan voorstellen. Dat zijn voetsporen overal zichtbaar in de natuur zijn achtergelaten, en zijn aanwezigheid wordt gevoeld als de kern van hun eigen leven, zodat zij al naar gelang zij tot zichzelf komen tot hem komen. Zij vertellen ons, dat wat ons van hem en het geluk gescheiden houdt, in de eerste plaats het egoïsme is in al haar vormen. In de tweede plaats de sensualiteit in al haar vormen. Dat dit de wegen zijn van duisternis en dood, die Gods aangezicht voor ons verbergen, terwijl het pad van de rechtvaardigen is als een stralend licht, dat hoe langer hoe meer straalt naarmate de dag der volmaaktheid nadert…”. Beter kan het niet worden gezegd, lijkt mij. James behandelt uitgebreid een serie ‘symptomen’ van heiligheid, waaronder: Gods tegenwoordigheid, innerlijke vrede, zielskracht, zuiverheid, naastenliefde, vrijgevigheid, liefdadigheid, gelijkmoedigheid, vastberadenheid, geduld, gehoorzaamheid, armoede, nederigheid en – soms ook wel de uitwassen als 'versterving' van –  ascetisme.

 

Het ontstaan van religie

Het religieuze verandert mee met de tijdgeest. De godheid van vroeger is vandaag onbevredigend. Zie de bloederige offers van weleer. Of de ideeën over ‘vergeldende gerechtigheid’. En de opvatting over het willekeurig uitdelen van verlossing en verdoemenis aan uitverkoren individuen die de opwekkingsprediker Jonathan Edwards  “… zelfs een ‘verrukkelijke overtuiging’, een ‘buitengewoon plezierige, opwekkende en lieflijke leer, noemde…”. Blijkbaar was het beeld van de met wreedheid en willekeur regerende ‘souverein’ zo onuitroeibaar in de geest van onze voorouders geworteld, dat het godsbeeld deze eigenschappen ook vereisten: “… Wanneer we niet meer bewonderen of instemmen met wat een godheid bepaalt, zullen we tenslotte niet meer in hem geloven…”. Even verder: “… De goden, waar wij ons aan houden, zijn de goden die we nodig hebben en kunnen gebruiken, de goden wiens eisen aan ons de eisen versterken die wij aan onszelf stellen en aan elkaar…”. Religie ontstaat door een authentieke spirituele ervaring van een profeet. Als zijn leer besmettelijk genoeg is volgt een ketterij. Zegeviert de ketterij dan wordt ze rechtzinnig. Wanneer de religie orthodox is geworden zal de bron onvermijdelijk opdrogen en zal de geest van dogmatische heerszucht, het hartstochtelijke verlangen de wet te stellen in de vorm van een volstrekt gesloten systeem, het overnemen: “… Vroomheid is het masker, de innerlijke drijfjacht het groepsinstinct…”. Hier komen zowel de achterlijke uitwassen als schrikbarende onverdraagzaamheid vandaan. “… Het kwellen van joden, de jacht op albigenzen en waldenzen, het stenigen van quakers (Society of Friends) en het onderdompelen van methodisten, de moord op mormonen en de slachting van Armeniërs brengen zeer duidelijk die oermenselijke vrees voor het nieuwe tot uitdrukking, die vechtlust waarvan we allemaal sporen dragen, en die aangeboren haat tegenover het vreemde, de excentriekelingen en non-conformisten, dan de werkelijke piëteit van de verschillende daders…”. Kijk wat er vandaag de dag in Rusland en Iran gebeurt!

 

Streven naar volmaaktheid

Je kunt alleen volmaakt zijn in een volmaakte wereld. Heiligen ontsporen snel wanneer alle andere, aardsere zaken in de ban worden gedaan en het intellect beperkt is. Fanatisme treedt op als de balans zoek is. Het heerszuchtige en agressieve karakter zal overgaan tot geweld. Zie de kruistochten. Het overgevoelige en bekrompen type moet zich aanpassen aan zijn omgeving, wat hem in geweldige gewetensnood kan brengen, óf zal zich terugtrekken in eigen kring (kloosters, refoscholen), die uiteindelijk zo klein kan worden dat hij alleen overblijft. Zie de kluizenaar in zijn hutje. Heiligen komen vaak over als abnormale, tragische charlatans, maar er zitten helden tussen. Wij hebben ze nodig omdat ze ons voorgaan in goedheid, zegt James. Ze zijn het zuurdesem van de maatschappij. Heiligen zijn onmisbaar voor het welzijn van de wereld. Zij houden ons een spiegel voor. Niemand gelooft dat de situatie waarin wij leven het duizendjarig rijk is, maar zij maken het met hun weerloosheid, mensenliefde, welwillendheid, eerlijkheid en geweldloosheid voorstelbaar. Het is aan hen te danken dat de doodstraf en de slavernij zijn afgeschaft. Het doet me denken aan 'theoloog des vaderlands' Thomas Quartier, die zich onlangs de woede van zo'n beetje heel Nederland op de hals haalde, door op te roepen te stoppen met wapenleveranties aan Oekraïne. En een moderne heilige als Etty Hillesum, die in een stad  die gonsde van de razzia’s, schreef dat haat niet het antwoord is: “… Als wij haten als zij, dan komen we als mensheid nooit verder…”. Ten overstaan van de shoah volkomen onrealistisch misschien, maar ze heeft wél gelijk.

 

Mystiek

Hoewel James geen mysticus is, behandelt hij de mystiek ingenieus. Hij benadrukt dat mystieke ervaringen niet in woorden te vangen zijn en in feite niet echt meegedeeld of begrepen kunnen worden door mensen die deze onuitsprekelijke gevoelens niet kennen. Lagere stadia van mystiek zijn de emotionele lading die sommige woorden voor ons kunnen hebben, bijvoorbeeld ‘wouden’ of ‘bossen’, en de ontroerende macht van bepaalde dichtregels (wat mijzelf betreft: zie alleen al de titels van de boeken van Hubert Lampo en Paulo Coelho!). Een stap verder is het ‘déjà vu’, het gevoel ‘hier al eens eerder te zijn geweest’. Nog verder komen de tranceachtige toestanden in zicht: “… Zij brengen een gevoel van mysterie, van de bovennatuurlijke dualiteit van de dingen mee, en het besef van een vergroting van het waarnemingsvermogen, dat voor de deur schijnt te staan, maar nooit geheel gerealiseerd wordt…”. Hij haalt iemand aan die zegt het gevoel te hebben omringd te zijn door waarheden die hij niet kan begrijpen. Het deed me denken aan een zeer indrukwekkende lezing die ik onlangs op youtube tegenkwam van de zwaar ‘bevindelijke’ ds. Willem Glashouwer, getiteld “Hemels licht”, waarin hij opwerpt dat ‘de hemel vlakbij is’. In zijn preek komt trouwens ongeveer alles wel zo’n beetje voorbij wat in deze blog passeert. James heeft het over ‘kosmisch bewustzijn’: “… Daarmee gaat een intellectuele verlichting gepaard, die alleen al het individu op een nieuw bestaansniveau zou kunnen plaatsen…”. Mystici verliezen zichzelf tijdens een eenheidservaring. Mystici claimen allemaal vervoering, extase en transformatie van de ziel. Het mystiek bewustzijn kan ook gewekt worden door alcohol en andere drugs. James heeft ooit zelf lachgas gebruikt (hoe actueel!). “… Het is alsof de tegenstellingen in de wereld, waarvan de tegenstrijdigheid en het conflict onze moeilijkheden en verwarringen veroorzaken, tot een eenheid zijn samengetrokken…”, vertelt hij. Het lijkt op wat de hegeliaanse filosofie bedoelt: these versus antithese schept synthese. “… Evenals Hegel in zijn logica, reizen de mystieken naar de positieve pool van de waarheid uitsluitend volgens de ‘Methode der Absoluten Negativität’…”. Paradoxaal genoeg is elk rationeel godsbeeld God ‘niet’.

 

Ik leg mijn hand op mijn mond

De rede kan geen geloof voortbrengen en het evenmin veilig stellen, aldus James. De rede vindt achteraf argumenten voor het bestaan van God, maar zal een atheïst niet overtuigen. Filosofie en theologie kunnen ons geloof wel versterken en begrenzen. Zij kunnen het verheffen en het woorden en geloofwaardigheid verschaffen. Geloofsbelijdenissen zijn de ‘grammatica’ van onze religie: de theorie die zich ontwikkelt uit taal. Maar de taal was er eerst. Geloof is een individueel ervaringsfeit. De poging om door louter intellectuele processen de ‘waarheid’ aan te tonen van de uitspraken van spontane religieuze ervaring is volstrekt hopeloos: “… Het boek Job heeft met deze hele kwestie eens en voor altijd afgerekend. Verstandelijke redenering is een betrekkelijk oppervlakkige en onwerkelijke weg naar de godheid: ‘Ik leg mijn hand op mijn mond; alleen van horen zeggen had ik van u vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd’…”.

 

Iets veel grootsers dan wij zelf

Verder schrijft James nog over het contrast tussen 'het rijke roomse leven' en de bittere negativiteit van de puriteinen. De mainstream katholiek huivert van de letterknechterij der protestanten: “… Hij maakt op deze laatste een even slechtgehumeurde indruk alsof hij een star, monotoon soort reptiel was met harde ogen. Zij zullen elkaar nooit begrijpen – hun centrum van emotionele energie is te verschillend…”. Hij behandelt de invloed van de esthetiek op het godsdienstige gemoed (zie de majestueuze kathedralen), de biecht en het bidden waarvan het vraaggebed maar één onderdeel is. Het gaat meer om een innerlijke relatie of gesprek met de als godheid erkende macht. Om het verkeer tussen mensen en hogere machten, met wie zij zich verbonden voelen. Zonder gebed is er geen religieus leven. En hij schenkt de nodige aandacht aan  de fenomenen die voortvloeien uit het geïnspireerd zijn door een hogere en overweldigende macht van buiten, zoals profetie, glossolalie, dromen en visioenen. Religie is volgens James een ‘afdeling’ in de menselijke natuur die in buitengewoon nauwe relatie staat tot de boven- en onderbewuste sfeer. Bij diep religieuze personen schijnt de toegangsdeur naar deze sfeer ongewoon wijd open te staan. Uiteindelijk komt James tot de persoonlijke conclusie dat er méér moet zijn dan het waarneembare: “… de totale uiting van menselijke ervaring, zoals ik die objectief zie, duwt me onweerstaanbaar over de ‘enge’ wetenschappelijke grenzen heen…”. Er zijn té veel mensen die hiervan getuigen. Hij meent “… dat wij gemeenschap kunnen beleven met ‘iets’ veel grootsers dan wij zelf, en in de eenheid daarmee onze grootste vrede kunnen vinden…”.

 

Uitgave: Abraxas – 2003, 402 blz., ISBN  978 908 073 002 1, 18,95

Rechtstreeks bestellen: klik hier