Menu

dinsdag 19 maart 2019

Jagtlust - Annejet van der Zijl


Subtitel: Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging

Tot mijn verrassing kwamen er allerlei reacties op mijn verhaaltje over Flipje - zie hier - binnen, waaronder één iemand die mij vertelde dat zijn schepper, Eelco ten Harmsen van der Beek, schathemeltjerijk van het stripfiguurtje was geworden, waarna zijn beide kinderen er alles binnen de kortste keren weer doorheen jasten, en dat dat allemaal te lezen was in “Jagtlust” van Annejet van der Zijl. Ik kon het boek op de kop tikken. Het is een waanzinnig verhaal. Nooit geweten dat wij in de kneuterige jaren vijftig onze eigen Hollandse variant van “The Factory” hadden. Een van die voornoemde kinderen was trouwens Fritzi Harmsen van Beek (1927-2009), de roemruchte dichteres waar Maaike Meijer onlangs een lijvige biografie over publiceerde: " Hemelse mevrouw Frederike".


Geld zat
Eelco is een zoon van een bemiddelde apotheker uit de Amsterdamse Jodenbuurt, die hem praktisch onterft als hij zich meldt bij de Rijksschool voor Kunstnijverheid, om zijn artistieke aspiraties te volgen. In 1914, Eelco is vijftien, ontmoet hij op het strand bij Wijk aan Zee de meer dan prachtige dochter van een rijke weduwe: Freddie Langeler. De liefde slaat in als een bom - vanaf dan zijn ze onafscheidelijk: “… ‘Ik heb nooit iemand gezien die zo dol was op zijn vrouw als papa,’ zou hun dochter later zeggen. ‘Hij aanbad haar en leefde eigenlijk alleen voor haar.’…”. Zijn eerste tekeningen worden gepubliceerd in De Groene Amsterdammer. Hij zal nooit meer zonder werk zitten: “… Aangezien van foto’s nog maar mondjesmaat gebruik werd gemaakt, waren kranten, radiobodes en uitgeverijen voor hun illustraties bijna helemaal afhankelijk van tekeningen…”. Ook Freddie specialiseert zich als een begaafd kinderboekenillustrator. Ze betrekken ongetrouwd een ruime etage aan de Amstel waar ze grote feesten geven. Met de mama van Freddie reizen ze de halve wereld af. Geld zat. Als Freddie op haar zevenentwintigste zwanger blijkt vindt er halsoverkop een bruiloft plaats, trekken ze in een villa in Blaricum, en fuiven vrolijk verder: “… Al snel was Eelco - ‘Co’ voor zijn vrienden – rond het middaguur een vaste verschijning in ‘Hampie’, zoals het kleine, Frans aandoende kroegje aan de zijkant van Hamdorff liefkozend werd genoemd. Hij schaakte daar wat met zijn vrienden, terwijl Freddie dan nog in bed of in negligé op de canapé lag. In de middag togen ze aan het werk, om rond middernacht weer richting Hamdorff af te zakken. Was het echt gezellig, dan slingerde er vervolgens een colonne dure automobielen door de nachtelijke Gooise dreven naar Amsterdam, waar ober Jan Zwart van artiestensociëteit De Kring het ruimhartige beleid voerde dat er niet gesloten werd zolang er meer dan zes mensen in de zaak waren…”.

Twee tieners die er per ongeluk twee kinderen op na hielden
De komst van ‘Fritzi’ - op 28 juni 1927 - en ‘Heintje’ - op 18 mei 1930 - verandert niets aan de exorbitante levensstijl. Oma Langeler, en een stoet aan bedienden, zorgen ervoor dat Eelco en Freddie hun strontverwende kroost meestal pas voor het eerst om een uur of vier s’middags zien. Volgens Fritzi leven haar ouders “… als twee tieners die er per ongeluk twee kinderen op na hielden…”. De economische crisis van de jaren dertig heeft weinig tot geen invloed op de familie. De opdrachten blijven binnenstromen. Van der Zijl somt er een aantal op waarvan ik mij het echtpaar-onder-paraplu-logo voor de verzekeringsmaatschappij RVS nog wel herinner. Maar de opdracht waarmee Eelco zijn naam voor altijd waar maakt is die van ‘Tielsch Flipje’, een van de succesvolste reclamestrips die ons land ooit heeft gehad: “… Het Fruitbaasje van Tiel was aanvankelijk bedoeld om het vijftigjarig bestaan van jamfabriek De Betuwe in 1935 luister bij te zetten…”. De boekjes uit het eerste jaar blijken zo’n overweldigend succes dat ze wel gek zouden zijn om het daar bij te laten. Eelco begint series filmstroken te maken die afgedraaid kunnen worden in de zogenoemde Flipposcoop, een soort mini-huisbioscoopje. Hij verdient per serie 1500 gulden, maakt er drie à vier per jaar, en dat in een tijd waarin het gemiddelde weekloon van een arbeider vijfentwintig gulden bedraagt. Dus reken maar uit. “… Tegen de tijd dat de deadline in zicht kwam draaide het hele huiselijk leven van de familie om Flipje. Eelco tekende de monsters en boze beesten en Freddie de elfjes en lieve kopjes. Fritzi en Heintje, die inmiddels de lagere-schoolleeftijd hadden bereikt, mochten aan de tekentafel helpen inkleuren. Voor het verzinnen van de verhaaltjes en de vierregelige rijmpjes onder de plaatjes werd het hele gezin ingezet, tot oma aan toe…”. De dag voor de definitieve inleverdatum haalt Eelco steevast de hele nacht door: “… Als de naburige boer de volgende ochtend in alle vroegte ging melken, kwam hij de volledig uitgeputte artiest soms tegen op weg naar de brievenbus, gekleed in een overhemd dat onder de oksel alle kleuren van de regenboog vertoonde: daar placht Eelco zijn penselen namelijk af te vegen…”. Van het geld dat met Flipje wordt verdiend laten Eelco en Freddie een kast van een villa in Blaricum bouwen, waar hun kinderen de meest fantastische jeugd beleven die je maar kan bedenken.

Gekleurde muizen
De Tweede Wereldoorlog maakt een eind aan alle voorspoed. Kinderboeken en reclamestrips zijn wel het laatste waar overlevers op zitten te wachten. Alleen Heintje floreert. Hij stort zich met zijn vrienden vol overgave in de zwarte handel. Ruilt de eieren van de roodbontesabelbontbaardkrielkippen, die hij fokt, om voor repen chocola die een kapper graag wil afnemen. En wel het allergekste, ze vangen muizen die ze bij de staart in de aline dopen, waarna de beestjes de meest verrassende kleuren aannemen: van hardgeel tot aubergine. Die verkopen ze voor blikken boter, dewelke omgezet worden in contanten, die weer verzopen worden in een café in Hilversum. Fritzi en haar broer Heintje ontpoppen zich tot pubers waar geen land mee te bezeilen is. De bozige Fritzi gaat op kamers in Amsterdam waar ze geen enkele opleiding afmaakt. Haar ‘snoeperige breinaald’ van een moeder die volgens haar al haar vriendjes afpakt en haar zelfs expres een bril opdringt om haar lelijker te maken, sterft op vijftigjarige leeftijd aan darmkanker. Een volledig gedesoriënteerde Eelco blijft achter, die verdrinkt in zijn werk. Na een pauze van zes jaar pakt hij het Flipje-arrangement weer op en maakt hevig ruzie met De Betuwe over het copyright in verband met eventuele uitgaven in het buitenland. Hij verliest, maar hij houdt er wel een contact aan over met de immens populaire Engelse kinderboekenschrijfster Enid Blyton. Samen produceren ze een schattig houten poppetje: ‘Noddy’. Wekelijks maakt Eelco achttien tekeningen: “… In een brief aan Blyton beschreef hij hoe hij, werkend tot in de ochtenduren, soms zo moe was dat hij aan alle kanten kleine Noddy’s over de tekentafel zag krioelen…”. Hij gaat steeds meer drinken en uiteindelijk wordt hij op zevenenvijftig jarige leeftijd dood gevonden in de gang van zijn huis.

Gedoe en gezanik
De zesentwintig jarige Fritzi die ondertussen in Frankrijk zit met een kind van een grafelijke echtgenoot, waar ze allang weer genoeg van heeft, komt definitief naar huis en neemt haar intrek op de bovenste verdieping. Heintje, drieëntwintig, annexeert de benedenverdieping. De wezen leven als pasja’s en iedereen om hen heen profiteert mee. "… De wildste verhalen deden de ronde: zo zouden ze een compleet vliegtuig hebben afgehuurd om met de vriendenkliek vakantie te vieren aan de Côte d’ Azur; Hein zou maatpakken altijd per zes tegelijk bestellen en zou eens een Rolls Royce aan de kant van de weg hebben laten staan omdat de benzine op was. Ook wilde hij na een nachtje doorhalen nog wel eens vergeten waar hij zijn auto had geparkeerd en kocht hij maar een nieuwe, zodat hij op een gegeven moment maar liefst drie Lincolns Continental zou hebben bezeten…”. En even verder: “… In nauwelijks anderhalf jaar was alles wat Eelco ten Harmsen van der Beek en Freddie Langeler met een leven lang hard werken hadden opgebouwd, weer afgebroken. De prachtige kristallen kroonluchters in de Torenlaan werden door vriendjes van Hein gebruikt als doelwit voor hun schietwedstrijden; de kostbare vleugel werd zo grondig mishandeld dat de gebroken snaren over de rand hingen…”. De relatie tussen Fritzi en Hein groeit uit tot een zeer publiekelijk uitgevente haat-liefdeverhouding: “… Op een gegeven moment timmerde een woedende Fritzi alle deuren tussen haar en Heins gedeelte van het huis met grote spijkers dicht. Verdere pogingen tot boedelverdeling leverden alleen maar meer destructie op. Terwijl ze kibbelden over de prachtige beeldjescollectie van hun ouders kreeg Fritzi er zo genoeg van dat ze het tere porselein met één zwaai van tafel veegde. Ook de Venetiaanse spiegels sneuvelden in de hitte van hun onderlinge strijd. Binnen een jaar na de dood van Eelco waren alle nagelaten contanten – naar schatting driehonderdduizend gulden, het equivalent van ruim een miljoen gulden nu – schoon op. Wat restte waren de lucratieve contracten met De Betuwe en de Britse uitgever van Noddy. De rechten, waar Eelco zich bijna letterlijk voor had doodgevochten, werden door zijn kinderen voor luttele duizenden guldens van de hand gedaan. Ze wilden, zo zou Fritzi later verklaren, van ‘het gedoe en gezanik’ af zijn…”. Dan breekt het onverbiddelijke moment aan dat de villa verkocht moet worden: “… Toen een vriend van Heintje een gegadigde rondleidde, troffen ze hem rond het middaguur in bed, met naast hem drie naakte vrouwen. ‘ O, u stoort helemaal niet, hoor,’ zei deze met het geaffecteerde stemgeluid dat hij zelfs in de meest on-chique situaties wist te bewaren. ‘Kijkt u maar op uw gemak rond.’ …”. Om het maar niet te hebben over de kleine Gilles, het zoontje van Fritzi, die volstrekt misplaatst rondkruipt in deze poel van verderf.

Remco Campert

Vervolgens focust het verhaal zich op Remco Campert, die op het boekenbal van 1956 oog in oog komt te staan met de volgens allerlei verslagen ongelooflijk charismatische Fritzi, en stapelverliefd op haar wordt. Ze troont hem mee naar een kast van een huis in de buurt van Blaricum dat ze min of meer heeft gekraakt: “Jagtlust”. Hij kijkt zijn ogen uit. Ze heeft het zo ongeveer omgetoverd in een sprookjeskasteel. Daar schrijft hij de ‘Jagtlustkoerier’, een krantje dat een oplage heeft van één exemplaar, waarin hij verslag doet van het merkwaardige huishouden dat zich er afspeelt. Het wordt een soort onofficieel buitenverblijf van de Leidseplein-scene. In die jaren weet de hele Hollandse avant-garde op een gegeven moment de weg naar het landhuis te vinden. Bert Schierbeek, Cees Noteboom, Rijk de Gooyer, Anton Koolhaas, Rinus Ferdinandusse, Gerard Reve, Ramses Shaffy; ik noem maar een paar namen. Allemaal willen ze de oorlog vergeten: “… Even gretig als argeloos werd er geëxperimenteerd met drugs, seks en relaties…”. Alles mag, alles kan. “… Je hoorde er wat er speelde, wat interessant was, wat je moest lezen, wat er in Parijs gebeurde…”. Toch kan niet iedereen er zomaar rondbanjeren. Op een bepaalde manier is het er zeer elitair. De eenvoudige Amsterdamse volksjongen Simon Vinkenoog voelt zich er absoluut niet welkom. De arrogante Gooise boys maken het klassenverschil tot een behoorlijk issue. Jagtlust was een select “… broeinest van artistieke bedrijvigheid…” en tevens “… een voorbode van datgene wat in de jaren zestig en zeventig op veel grotere schaal in Nederland zou gaan plaatsvinden…”. Desondanks is er meestal geen cent te makken. De rijke papa’s draaien subiet de geldkraan dicht wanneer ze merken hoe hun centen worden verbrast. Pas als Remco, zelf nauwelijks tot werken in staat, er tot zijn grote verrassing achter komt dat zijn levensgezellin al jaren in het geheim gedichten schrijft die hij weet te publiceren, komt er wat geld op tafel. Daarnaast wordt Fritzi door de gemeente Amsterdam aangesteld als officiële huisbewaarster van Jagtlust en mag de benedenverdieping onderverhuren: weer wat inkomsten. Na tweeënhalf jaar houdt Campert het echter voor gezien: “… Remco’s liefde voor Fritzi was nooit gedoofd, maar het ongeremde leven op Jagtlust, met alle feesten, katers en andere heren die erbij hoorden, was hem te veel geworden. ‘ Ik heb nog nooit in mijn leven zoveel gedronken als daar en ik wist: als ik nog wat wilde met mijn leven moest ik weg.’ Fritzi en Hein hadden dat helemaal niet – het leek of ze dat punt al gepasseerd waren, in hun jeugd waarschijnlijk. Maar er zat voor mij geen hoop in op een vervolg. Ik wilde schrijven, dat was mijn toekomst, schrijven en nog eens schrijven.’…”.

Geen hap ambitie
Na Remco volgt een stoet ‘verloofden’, zoals Fritzi haar aanbidders noemt: "… Er waren misschien mooiere vrouwen dan Fritzi, er waren er zeker die sexier waren, maar er was niemand die zo dwarrelend, geniaal en roesachtig was als zij, en die haar bewonderaars zo effectief gevangen wist te houden in iets dat zweefde tussen een enorme bewondering en een vreselijk medelijden. Ze leek altijd half in haar eigen fantasiewereld te leven, alsof ze een heldin was in een van de kozakkenverhalen van Isaac Babel die ze zo graag las. ‘Ze was behaagziek en kon bikkelhard zijn,’ zegt een van hen. ‘Maar was je het middelpunt van haar aandacht, dan kreeg je honderd bundels poëzie tegelijk over je heen uitgestort.’ …”. De mannen wilden haar redden, de vrouwen wilden haar zijn: “… Ze was volstrekt chaotisch en wild en liep in zeven sloten tegelijk en iedereen dacht: dit gaat mis…”. En even verder: “… Vriendinnen imiteerden haar taalgebruik en hese, ademloze grogstem, en gingen ostentatief in broek en trui naar de Schouwburg…”. Jagtlust ontwikkelt zelfs een geheel eigen taalgebruik. Naarmate Fritzi ouder wordt komt er wat meer rust in de uitgeleefde keet. Ze is met van alles bezig (schrijft gedichten op leeggeblazen eierschalen, maakt miniatuurvoorstellingen in uitgeholde walnoten), behalve met geld. Beroemde uitgevers zwermen om haar heen om werk los te peuteren, “… en daarvoor hoefde ze in feite alleen maar haar eindeloos stromende conservatie op te schrijven…”, maar ze wringt zich in de vreemdste bochten om hen te ontwijken. “… Ik heb geen hap ambitie…”, zegt ze tegen een journalist. Na een decennium vijven en zessen, soebatten en smeken lukt het Geert Lubberhuizen eindelijk het manuscript van “ Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten” in handen te krijgen, waarmee Fritzi op haar achtendertigste debuteert. De recensies zijn laaiend enthousiast: "… Eigenlijk leken de reacties op Geachte Muizenpoot nog het meest op Fritzi zelf: iedereen vond het prachtig, maar waarom, dat bleef ongrijpbaar…”.

Het einde van het feest
In 1968 grijpen de babyboomers de macht. Het Parijse studentenoproer luidt officieel de sixties in en opeens is het er allemaal volop: popmuziek, de vrije seksuele moraal, het hedonisme en niet in de laatste plaats, drugs. Maar op het aan de heidenen overgeleverde Jagtlust, waar het vijftien jaar eerder allemaal met dezelfde argeloosheid begonnen was, komt het feest aan zijn eind. Fritzi gedraagt zich naarmate ze zich meer en meer terugtrekt des te excentrieker: “… Toen Pannekoek haar kwam halen voor het Belgische festival kon ze bijvoorbeeld maar niet beslissen welke van haar dertig paar schoenen ze mee zou nemen. ‘Neem ze dan allemaal mee!’ riep Pannekoek – waarna Fritzi er ook nog op stond haar gouden kikkerasbakken in te laden, ‘om het gezellig te maken op de hotelkamer’. En zo stiefelden ze enkele uren later de lobby van het chique Belgische hotel binnen: Fritzi in een prachtige kralenjurk, Pannekoek op de klompen die hij altijd droeg, met hun armen vol schoenen en van Jagtlust meegesleepte prullaria, en in een verregaande staat van dronkenschap…”. Van haar zoon komt ook al geen spaan terecht. Hij gaat om met foute vrienden, afspraken zijn met hem niet te maken, van discipline heeft hij nog nooit gehoord, hij steelt alles wat los en vast zit, raakt zwaar verslaafd, en op zijn zestiende wil geen enkele school hem meer hebben. In 1969 roept Fritzi’s tweede verhalenbundel “Neerbraak” weer alle lof op die maar mogelijk is, maar het raakt haar niet. Machteloos zien haar overgebleven vrienden aan hoe ze steeds verder wegzakt in depressies.

Gentlemen

Waar Fritzi altijd bang voor is geweest, gebeurt: het buiten wordt verkocht en zij moet er uit. Haar huisbaas, toevallig de vader van J. Bernlef, gaat haar het slechte nieuws zelf aanzeggen: "… Aan zijn zoon beschreef hij later hoe ze hem door een gang vol lege flessen naar de woonkamer voerde en hem plaats liet nemen op een stoel waaronder een van haar honden net een grote drol had gedeponeerd. Hij vertelde haar zo voorzichtig mogelijk dat ze Jagtlust per 31 mei 1971 leeg diende op te leveren. Maanden later zou een aangeschoten Fritzi de schrijver K. Schippers bellen – naar later bleek in de veronderstelling dat hij J. Bernlef was – en een uitvoerige lofzang houden op zijn vader, de gemeente-inspecteur. Dat hij dat hele uur dat hij bij haar was met een stalen gezicht boven die drol gezeten had – dat vond ze klasse, dat maakte hem tot een van de laatste echte gentlemen…”. Haar vrienden zetten een reddingsactie op touw, ‘Operatie Jagtlust’, door achter haar rug om geld bij elkaar te scharrelen, waarmee ze een klein huisje voor haar kopen in de buurt van Groningen; ver van de Randsteedse verlokkingen. Fritzi stribbelt niet tegen. Het duurt een tijdje, maar uiteindelijk vind ze haar draai tussen de Groningers – die zich, zoals altijd iedereen om haar heen, genadevol over haar ontfermen. Er verschijnt nog wat bejubelt werk van haar hand, “ Hoenderlust. Notities uit het Gedachten Leven van W. Hoendervoogt, aangaande voornamelijk Kippen & Hanen” en “Kus of ik schrijf”, maar welke onderscheidingen ze er ook voor ontvangt, meer komt er niet. In een tv-programma beweert ze dat ze het liefst tekeningen maakt op berijpte ruiten, in de zekerheid dat ze binnen een paar uur na zonsopkomst weer verdwijnen. Nog later laat ze weten dat ze spijt heeft van elke letter die ze ooit heeft geschreven, om vervolgens geheel uit de openbaarheid te verdwijnen. Haar zoon komt na de nodige gevangenissen en klinieken te hebben gezien met vrouw en kind op een bescheiden etagewoning in Amsterdam-West terecht, waar hij een rustig leven leidt. Hein is, opmerkelijk genoeg, de enige van de Jagtlustkliek die altijd bij zijn vrouw is gebleven. Ik las het verhaal in de eerste druk, die in 1998 verscheen bij Meulenhoff, en eindigt als Fritzi zeventig is. Op internet heb ik gelezen dat ze in 2009 vredig is overleden in een verzorgingshuis. Na een dikke tachtig jaar grotendeels te hebben geleefd op sigaretten, sherry en verdovende middelen - wat zonder meer een verbluffende prestatie is, lijkt mij...

Uitgave: Querido – 2015, 184 blz., ISBN 978 902 140 082 2, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 13 maart 2019

De grenzen van mijn taal – Eva Meijer


Subtitel: Een klein filosofisch onderzoek naar depressie

In 2016 slikten meer dan een miljoen Nederlanders een antidepressivum. Vandaar dat er soms ook gesproken wordt van een depressie-epidemie. Eva Meijer (1980, beeldend kunstenaar, filosoof, schrijver en singer-songwriter), van wie ik eerder “Het vogelhuis” besprak, neemt in “De grenzen van mijn taal” haar eigen depressieve gesteldheid onder de loep.

Walging

Meijer vertelt dat ze altijd al met somberte te kampen heeft gehad, maar dat haar eerste langdurige (met tussenpozen zo’n zeven jaar) echte depressie zich aandiende toen ze veertien was. Alsof ze met iedere stap verder weg zakte in een diepe, zuigende, onzichtbare modder. Alsof alle kleur in haar omgeving weg sijpelde, tot alles zwart-wit werd, wat tenslotte overging in grijs. Het was mei. Nog altijd heeft ze een hekel aan de lente. Rond die tijd las ze "Walging" van Jean-Paul Sartre, dat ze ronduit een ‘eng boek’ noemt (dat vind ik trouwens het fijne aan Meijer: haar gigantische belezenheid – ik heb de neiging de titels die ze noemt allemaal direct te willen lezen). Ze herkende zich in Roquentin, de hoofdpersoon, die dezelfde gevoelens van zinloosheid ervaart als zij. Volgens Sartre moeten we de absurditeit van die leegte onder ogen zien willen we vrij worden en beseffen dat we zelf ten volle verantwoordelijkheid zijn voor de keuzes die we maken. Meijer dacht dat ze zich altijd zo rot zou blijven voelen, dat het nooit meer beter zou gaan, en daar kwam ook nog eens doodswens overheen. Ze werd wel meegetroond naar therapeuten, maar die namen haar niet serieus. “… Ik dronk veel, spijbelde en maakte ruzie met leraren, en ik zong…”. Avond aan avond zat ze sjekkies te roken in het raamkozijn terwijl muziek haar door de dagen tilde: “… Ik had niet het gevoel dat ik ziek was, ik vond dat ik slecht was en de dingen die ik deed waren erop gericht dat gevoel uit te schakelen of opzij te zetten…”.

Camus en zelfmoord
Meijer analyseert "De mythe van Sisyphus" waarin Albert Camus zich afvraagt of de zinloosheid van het leven niet vanzelf tot zelfmoord leidt. Of moeten we de absurditeit juist omarmen? Het absurde kan ook een bron van vreugde en humor zijn. Maar dat is nu juist het punt, als je depressief bent zie je nergens de lol van in: “… Onze plicht om vrij te zijn, ons vrij willen zijn, is met een flinke depressie helemaal niet realiseerbaar. Jezelf realiseren, de beste mens zijn die je kunt zijn, de wereld binnentreden: die zaken behoren dan niet tot de mogelijkheden…”. Trouwens: “… critici betogen ook dat existentialisten ons vermogen tot vrijheid überhaupt overschatten, omdat we altijd op allerlei manieren aan onze facticiteit, onze fysieke en sociale bepaaldheid, gebonden zijn. We worden geboren in structuren die mede bepalen hoe ons leven zal verlopen – daarin spelen gender, huidskleur, psychische en fysieke toestand, sociale klasse en allerlei andere factoren een rol…”. Nadat ze de gevolgen heeft ervaren van de zelfmoord van een tante is Meijer ervan overtuigd dat de zelfgekozen dood geen oplossing is. Maar voor Meijer werkt ‘streven naar geluk’ ook niet: “… Een deel van het leren omgaan met depressie is waarde zoeken op andere plekken…”. En dat is voornamelijk haar werk, schrijven, zingen, bezig zijn met kunst: “… Onder kunstenaars komt depressie relatief veel voor, en een groot Zweeds onderzoek laat zien dat schrijvers maar liefst vijftig procent meer kans hebben om zelfmoord te plegen dan gewone mensen…”. Kunst kan een opening bieden naar iets lichters: “… maar om daarheen te kunnen, moet je in staat zijn om te bewegen en dingen in gang te zetten, iets wat bij de depressieve mens vaak ontbreekt…”.

Betonafval
Nadat Meijer heeft uitgelegd wat depressies in je hersenen veroorzaken probeert ze woorden te geven aan hoe een depressie voelt: “… Alles wat de moeite waard is wordt langzaam weggeschraapt en wat overblijft is kale rots. Angst en verdriet zorgt vaak voor een overdaad aan gevoel. Een depressie woedt daarentegen de goede gevoelens eruit, waardoor alles veel leger en kaler wordt en de slechte gevoelens vrij spel krijgen. Terwijl angst en verdriet vaak te maken hebben met wat de moeite waard is, laat depressie zien dat niets de moeite waard is…”. Soms kan depressie ook wit zijn: “… Wit is de kleur van stilte, van kale vrieskou, van buitengesloten worden, van niks, van verlies…”. Een depressie maakt het onmogelijk je met anderen te verbinden. De afstand is onoverbrugbaar: “… Als je om je heen kijkt, zie je alleen datgene wat je van anderen scheidt, niet wat je met anderen deelt…”. Een depressie snijdt je af van de wereld en maakt alles bevroren en doods: “… Depressie bedekt niet, maar gumt uit…”. Tijdsdimensies veranderen; de tijd staat stil. Alles wordt loodzwaar: “… mijn lichaam leek gevuld met betonafval…”. Toch zijn er volgens Meijer ook voordelen: je leert na te denken, je leert jezelf in de gaten te houden, je leert relativeren, je leert dat het zonde is tijd te verspillen aan dingen die niet echt de moeite waard zijn, je wordt immuun voor andermans oordelen. Filosofen als Seneca, Wittgenstein, Merleau-Ponty, Derrida en De Martelaere komen voorbij. Meijer heeft het over de persoonlijke verslagen van schrijvers. Ook al helpen ze volgens haar niet de situatie te verbeteren, ik denk wel dat ze helpen jezelf en anderen te begrijpen. Ze noemt onder andere "Darkness Visible" van William Styron, het lijvige "The Noonday Demon" van Andrew Solomon en, wat mij betreft het ‘mooiste’ boek dat ik ooit over depressie las, "Prozac Nation" van Elizabeth Wurzel.

Zwarte gal

Aan de hand van "De geschiedenis van de waanzin" van Michiel Foucault beschrijft Meijer hoe in de zeventiende eeuw lijders aan melancholie werden ‘gecentrifugeerd’: “… naast de draaimachine kon muziek helpen, net als toneelstukken die voor de gekken opgevoerd werden of waarin ze moesten meespelen. Angst opwekken was ook een geaccepteerde behandeling…”. Volgens Hippocrates maakte een overschot aan zwarte gal je melancholisch dan wel zwartgallig. “… In de Middeleeuwen kwamen daar demonen bij, die zich in de zielen van mensen nestelden. In de Renaissance was depressie met name in Engeland een tijdje in de mode, iets wat goed terug te zien is in de kunst, muziek en literatuur uit die tijd…” (Nelleke Noordervliet wijst ook voorzichtig naar zo’n huidige tendens – zie mijn vorige blog). In de Verlichting kwam de rede centraal te staan. Lijnrecht daar tegenover: de waanzin. Je kon niet tegelijk gek en rationeel zijn. Foucault heeft het over narrenschepen waarmee gekken naar een andere stad vervoerd werden, kooien waarin ze werden opgesloten, circussen en dierentuinen waar ze tentoongesteld werden en plekken waar ze als lastdieren werden ingezet. Virginia Woolf liet drie tanden trekken tegen haar depressie, waar ze veel spijt van had toen bleek dat dat niet hielp.

Een idee van grote schoonheid

Meijer vertelt hoe ze als tiener terecht kwam bij het RIAGG, waar ze geen goed woord voor over heeft. Een vriendelijke dame ‘met de uitstraling van een vaak gewassen vaatdoek’ luisterde om de week drie kwartier naar haar sores: “… Ik denk niet dat ze wist of begreep hoe het met me ging en ik voelde me door deze gesprekken eerder meer dan minder alleen…”. Ze ontwikkelde een eetstoornis. Prachtig schrijft ze over haar ‘gekte’: “… Gekte is te vergelijken met verliefdheid (in de zeventiende eeuw werd ziek zijn van liefde ook als een uiting van waanzin beschouwd). Ook dan word je overgenomen door iets wat eigenlijk vreemd is. Je wint een wereld, die van de ander, en raakt een wereld kwijt – je eigen wereld, zoals die ervoor was. Je gedachten en gevoelens zijn gekaapt, niet langer vertrouwd, en moeilijk of helemaal niet te sturen, ze gaan vanzelf steeds weer naar het object van je liefde. Iemand uit de periferie van je leven is nu ineens het middelpunt waar je onvermijdelijk naartoe gezogen wordt. Je kunt meegeven of tegenstribbelen, maar je kunt het gevoel niet wegdenken (als je het lang genoeg negeert, kan het vaak wel uitdoven). Verliefdheid, of een verslaving aan verdovende middelen, wijkt natuurlijk af van gekte omdat ze gericht is op iemand of iets buiten jou, maar het laat zien dat we onszelf op verschillende manieren niet de baas kunnen zijn…”. Niet-eten reduceert bijna alles tot denken over eten en dat is een effectieve afleiding voor andere problemen. Uiteindelijk sliep ze bijna niet meer, want een lichaam dat onvoldoende brandstof krijgt gaat over in waakstand. Ze had het altijd koud en ze had altijd honger. Het is een fabeltje dat anorexia-patiënten geen honger hebben: “… De anorectische dochter van een vriendin van mijn moeder at ’s nachts in haar slaap haar oordoppen op omdat ze zo’n honger had en gaf vervolgens over omdat ze haar lichaam had geleerd zo op eten te reageren…”. Uiteindelijk werd Meijer opgenomen in een specialistische kliniek waar ze een stuk beter over te spreken is. Ze moest een kilo per week ‘groeien’. Ze legt uit dat therapie geen zin heeft als iemand te mager is. Met ondergewicht sta je in de overlevingsmodus en kunnen onderliggende problemen wel rationeel besproken worden, maar is het gevoel dood. Ze vertelt dat de gesprekken met andere patiënten haar inzicht gaven in wat ze zelf aan het doen was en waarom dat niet klopte. Ze heeft het over haar verwrongen zelfbeeld en cognitieve gedragstherapie waarin gebruik wordt gemaakt van het zogeheten G-schema, dat staat voor gebeurtenis, gedachten, gevoel en gedrag. Door gedachten te veranderen zal de rest vanzelf volgen. Meijer gaat diep in op de, volgens haar ondergewaardeerde, gesprekstherapie van Freud. Ze vindt hem een goede schrijver en noemt een dialoog als methode om iemand beter te maken ‘een idee van grote schoonheid’.

Magisch
Ze vergelijkt haar depressie met een psychose zoals Wouter Kusters die beschrijft in "Filosofie van de waanzin". De laatste definieert zijn psychotische periodes als ‘bewustzijnsverruiming’ in plaats van ‘bewustzijnsvernauwing’. “… De depressieve persoon keert zich naar binnen, terwijl iemand met een psychose juist sterk op de buitenwereld betrokken raakt (bijvoorbeeld door paranoïde gedachten, of grootheidswaan). Het magische aspect van de psychose ontbreekt bij depressie, en de verrijking die Kusters beschrijft, de uitbreiding van de wereld, die in zijn optiek ook met drugs ervaren kan worden, is bij depressie in mijn ervaring juist een inperking, het wordt allemaal kaler. Het hyperrealisme dat hij beschrijft (en de vervreemding die daarbij hoort) is wel herkenbaar, net als de ruimte tussen je eigen ervaring en die van anderen. Maar de depressie geeft een winterlandschap, terwijl het in de psychose, althans in Kusters’ beschrijving, hoogzomer is…”. Volgens Kusters laten psychosen ons iets anders over de werkelijkheid zien dan standaardervaringen. Daarom zijn ze waardevol. De maatschappij heeft mensen die ‘anders zijn’ nodig om niet weg te zakken in suffe zelfgenoegzaamheid. Zij zorgen ervoor dat wij ons vragen blijven stellen.

Stoïcijns

Meijer vertelt over wat haar overeind houdt: als het enigszins kan doorgaan met werken, wandelen, hardlopen, vroeg naar bed, iets doen voor anderen, het liefst niet verliefd worden en bovenal haar honden (voor onverzekerde therapeuten heeft ze geen geld en medicijnen zijn vanwege de bijwerkingen haar allerlaatste redmiddel). Ze heeft het over de maatschappij die zo luid is en de behoefte zich te terug te trekken: “… De stilte als een cape om je heen dragen…”. Ze pleit voor het stoïcijns verdragen van moeitenvolle dagen: aan alles komt een eind. Een depressie gaat voorbij, ook al kun jij je dat op dit moment misschien niet voorstellen.

Uitgave: Cossee - 2019, 141 blz., ISBN 978 905 936 8224, € 15,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 11 maart 2019

Wolf – Maartje Laterveer


Subtitel: Dertien essays over de vrouw

Ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag - altijd op acht maart - stelde schrijver en journalist voor onder meer Vogue, de Volkskrant en Het Financieele Dagblad, Maartje Laterveer (1976), een bundel samen waarin een stel vrouwelijke hoogopgeleide opiniemakers hun licht laten schijnen op de hedendaagse vrouw en de stand van zaken rond haar emancipatie. Het is geen boekje over onderwerpen als verborgen vrouwen, vrouwenbesnijdenis of slachtoffers van vrouwenhandel (wat dat betreft blijft zo’n vrouwendag natuurlijk kei- en keihard nodig). De schrijfsters zijn stuk voor stuk mensen die het goed geschoten hebben in de maatschappij, dus niets te klagen hebben. Toch is het best leuk om te lezen hoe in hún contreien over feminisme wordt gedacht.

Mooi

Laterveer trapt af met een verhaal over de identificatie van vrouwen met hun uiterlijk: “… Hoe mooier een vrouw, weet de wetenschap allang, hoe succesvoller haar leven in termen van geld, status, vrienden en geluk. Tot op zekere hoogte, want ze moet ook weer niet té mooi zijn; dan krijgt ze minder salaris en heeft ze minder kans op promotie. Hoe vrouwelijker een vrouw eruitziet, blijkt uit onderzoek, hoe kleiner de kans dat ze serieus wordt genomen. Daarbij blijkt dat dikke vrouwen minder verdienen dan slanke vrouwen, een verschil dat bij mannen niet wordt gesignaleerd…”. Recent onderzoek aan Harvard meldt dat meisjes tegenwoordig hogere ambities koesteren dan vroeger. Ze gaan voor het leiderschap, meer zelfs dan jongens, en hebben er het volste vertrouwen in dat ze de top zullen bereiken. Het enige echter waar ze zich zorgen om maken: dat ze niet mooi genoeg zijn. Toch is het vrouwbeeld aan het veranderen, zegt Laterveer. Imperfectie mag weer. Reclame met oudere en dikkere modellen is hip. En ik moet zeggen, ik word daar blij van en vind dat heel leuk. Laterveer vertelt dat de titel “Wolf” enerzijds gebaseerd is op de feministische schrijfster Virginia Woolf, en anderzijds op de overeenkomst die zij ziet tussen de ideale feminist en de wolf: “… de wolf is geen agressief dier. Het is een uitermate slim en vriendelijk dier die alleen aanvalt wanneer het nodig is…”. Laterveer: “… Wat mij betreft richt de feministische strijd zich niet tegen mannen, maar tegen ongelijkheid…”. Het deed mij onmiddellijk aan dat andere, schitterende vrouwenboek denken dat ik een tijdje geleden besprak: “Women Who Run With the Wolves. Myths and Stories Of the Wild Woman Archetype”, waarin de Jungeaanse psychoanalyticus Clarissa Pinkola Estés stelt dat vrouwen de wolf moeten léven – zie hier.

MeToo
Marja Pruis (1959), criticus en columnist bij De Groene Amsterdam analyseert de MeToo-beweging. Op een grappige manier vertelt ze hoe ze in de jaren tachtig met een groepje vrouwen bioscoop Kriterion besmeurde omdat ze woedend was vanwege de films die er draaiden: “Deep Throat”, “Straw Dogs” en “Turks Fruit”. Ze vindt zichzelf inmiddels wel een enorme zuurpruim, omdat ze de manier waarop Wolkers vrouwen bewonderde, denigrerend en seksistisch noemde. Ze waren destijds tegen porno en zagen het overal: “… Als er érgens veel porno werd gekeken was het in het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Prinsengracht, waar we elkaar vergastten op de meest abjecte vrouwbeelden en onze heksennachten beraamden…”. Zelfs de etalage van Prénatal moest het ontgelden vanwege haar suikerzoete moederschapsideologie. Tijden veranderen: inmiddels is het testosteronproza van Wolkers meer dan achterhaald. “… Waar mijn generatie zich verzette tegen het beeld van de vrouw als seksueel object, is de nieuwe generatie niet bang haar seksualiteit juist in te zetten…”. Vrouwen van nu eisen hun vrijheid op rond te lopen waar en zoals ze willen, net als mannen, zonder belemmerd of lastig te worden gevallen. Poten thuis.

Female Rage
Herien Wensink (1977), theaterredacteur bij de Volkskrant, heeft het over het uiten van woede, wat niet bepaald damesachtig overkomt. Terwijl het toch zo goed voor je is. Woede voelt geweldig, merkte ze. “… Het hielp dat ik sinds kort nauw optrok met een uitgesproken kwade vrouw, te weten Netflix-pseudo-superheldin Jessica Jones. De smoezelige privédetective Jones, geweldig gespeeld door Krysten Ritter, is een humeurig type, met een driftig libido en een drankprobleem. Jessica Jones is kwaad omdat ze misbruikt en getraumatiseerd is; seizoen twee draait voor een belangrijk deel om de verwerking van haar trauma’s. Maar los van de legitieme bron van haar woede, is zo’n sociaal onaangepast vrouwelijk personage ook simpelweg een verademing. Waar nodig ramt Jessica Jones zonder scrupules een vervelende vent door een deur. In haar botte onverschrokkenheid is ze alles wat een vrouw soms óók zou willen zijn. Alleen wordt ons van jongs af aan verteld dat we ons moeten inhouden. Dat we erover heen moeten stappen. Dat we beter verstandig zijn. En niet te vergeten: lief…”. Ze vertelt dat er her en der in tv-series ook andere frisse boze vrouwen opduiken: “… In “Good Girls” beroven drie vrouwen een supermarkt omdat ze hun machobazen en overspelige echtgenoten zat zijn. Advocatendrama “The Good Fight” keert brutaal de patriarchale verhoudingen in de juridische wereld om. Met films als “Revenge” en “The Nightingale” is de vrouwelijke wraakfilm, nu ook gemaakt door vrouwen, een trend…”. In dat kielzog verschenen er afgelopen jaar ook drie Amerikaanse boeken over ‘vrouwenwoede’, “… of, en dat klinkt meteen stukken beter, als een bloedrood lippenstiftmerk: Female Rage…”.

Hysterische vrouwen
Emy Koopman (1985), schrijver en onderzoeksjournalist, schreef een indrukwekkend essay over de baarmoeder. Zelf heeft ze baarmoederhalskanker overleefd, waardoor ze meer dan andere vrouwen, geconfronteerd werd en wordt met dit orgaan. Ze vertelt over vrouwenklachten die eeuwenlang gelinkt zijn aan de baarmoeder, in het Grieks hustéra: “… In de klassieke oudheid geloofden Griekse artsen dat de baarmoeder een wonderlijk wezen in een wezen was, dat, vooral bij vrouwen die geen seks hadden, kon gaan rondwandelen en tegen andere organen aan kon botsen…”. En ze hadden een punt, want bij de ziekte endometriose, wordt er weefsel dat op baarmoederslijmvlies lijkt buiten de baarmoeder gevonden dat zelfs door het lichaam kan gaan zwerven. Over ‘hysterische’ vrouwen: “… De diagnose ‘hysterische neurose’ verdween (pas) in 1980 uit de DSM…”. Ze behandelt ‘the mother of all questions’ (de MOAQ): waar blijven de kinderen? – zie ook Yvonne Prins. Verder gaat het over of wij in de toekomst over kunstmatige baarmoeders zullen beschikken zoals in “Brave New World”, en wat dat voor ons zou kunnen gaan betekenen. En over zeepaardjes, waarbij de vaders hun kroost met weeën en al ter wereld brengen. Vandaag kwam ik een berichtje tegen in de krant (ND; 11.03.19) over een internetfilmpje waarin een rij ‘bevallende’ mannen het op een krijsen zet in een Chinees winkelcentrum. Daar werden een rij stoelen neergezet waarin mannen door middel van een band om hun middel, die elektrische schokken toedient, kunnen ervaren hoe pijnlijk een geboorte is.

Vrijheid
Anaïs Van Ertvelde ( België, 1988) is historica aan de Universiteit van Leiden en columniste voor De Morgen. Ze vraagt zich in haar artikel af of de pil wel het summum van seksuele vrijheid betekent – zie de bijverschijnselen: “… Elke kruk waarop je steunt, wordt snel een kruis dat je moet dragen...”. Anticonceptie is een miljoenenindustrie. Vandaar dat niemand zit te wachten op een omkeerbare sterilisatiemethode die allang voor handen is. Ze doet een boekje open over de gedwongen sterilisatiepraktijken in de geschiedenis. “… Of meer keuzes, meer technologische oplossingen, meer mogelijkheden tot controle over dat lichaam van me mij vanzelfsprekend gelukkiger zouden maken, is nog maar zeer de vraag. Het zou alleszins meer druk op mijn schouders leggen om te voldoen aan lichaamsnormen waar ik nu niet eens van wakker hoef te liggen. Soms is er niets zo bevrijdend als te mogen zeggen: het is niet maakbaar, ik aanvaard de situatie precies zoals die is…”. Ze weet waar ze het over heeft. Ze is geboren met anderhalve arm. Haar prothese bezorgde haar meer narigheid dan verlichting.

Gearrangeerde huwelijken
Naema Tahir (1970), Brits-Nederlandse schrijver en jurist van Pakistaanse origine, legt in haar artikel uit waarom het feminisme met haar ik-cultuur zo weinig aanslaat bij niet-westerse vrouwen. “… Ik maak deel uit van een typische groepscultuur waarin mensen denken en handelen als deel van een groep en niet zozeer als individu…”. Waarom zouden gearrangeerde huwelijken per definitie slecht zijn? Op een ontroerende manier vertelt ze hoe moeilijk het voor oosterse mensen is om hun ouders pijn te doen. Het schuldgevoel waarmee je behept raakt als je kiest voor jezelf. Hoeveel is individuele vrijheid waard? “… De groep betekent alles voor jou. Je kunt niet zonder de groep, maar de groep kan ook niet zonder jou. Een goed beeld hiervoor is een puzzel. Alleen als alle stukken er zijn, is de puzzel compleet. Stel dat er een stuk kwijtraakt, of ‘losbreekt’. Zonder dat ene stuk is de puzzel niet compleet; die vertoont dan een tragische leegte, en als je ernaar kijkt wordt je oog getrokken door die leegte, zelfs al is de rest intact. Voor dat ene, eenzame losgebroken stuk geldt hetzelfde: zonder ingebed te zijn in de rest van de puzzel, waar het thuishoort, betekent het niets…”.

Wat wil de vrouw?

Schrijver en journalist Basje Boer (1980) onderzoekt aan de hand van een aantal films waar de seksuele macht ligt; bij de man of bij de vrouw. Wat de man wil weten we. Maar wat wil de vrouw? Vrouwelijke seksualiteit lijkt veel ongrijpbaarder.

Kunst

Merel Bem
(1977) studeerde kunstgeschiedenis aan de universiteit van Amsterdam en New York University. Zij vertelt hoe het staat met de vrouw in de kunst. Ronduit belabberd. “… Het is waar dat de belangrijkste kunstgeschiedenisboeken zijn geschreven door mannen en dat vrouwen daarin een zeer marginale rol spelen. Vrouwelijke kunstenaars moet ik zeggen. Vrouwen zijn juist oververtegenwoordigd in de kunst, tenminste: als je gaat tellen hoe vaak ze op schilderijen wulps liggen te wezen. 'Do women have to be naked to get into the Met. Museum?' vroegen de Guerrilla Girls, een activistische kunstenaarsgroep waarvan de vrouwelijke leden in het openbaar gorillamaskers dragen, al in 1989 op een billboard voor een wereldwijde campagnes…”. “Fountain”, de beroemde pisbak van Marcel Duchamp, die de geboorte van de conceptuele kunst markeerde, kan net zo goed door Elsa von Freytag-Loringhover zijn gemaakt, getuige een briefje van Duchamp. Een intrigerende vrouw die na een mislukte affaire met de zoveelste man haar hoofd kaal schoor en rood verfde, “… waarna ze trots door de straten van Manhattan paradeerde en de liefde voortaan zocht bij vrouwen. Ze maakte sculpturen van tomatenblikken voordat Andy Warhol daar vier decennia later beroemd mee werd. En jaren voordat Marcel Duchamp op de proppen kwam met zijn ready-mades, plukte de barones al voorwerpen van de straat en stalde die uit in haar studio…”.

Perfect
Schrijfster Nelleke Noordervliet (1945) vraagt zich af, na met zevenmijlslaarzen door de vrouwengeschiedenis te zijn gebanjerd, of onze verworven zelfstandigheid eindelijk het paradijs heeft opgeleverd dat we zoeken. Haar woorden zijn mij uit het hart gegrepen: “… In onze superindividualistische tijd is conformisme paradoxaal genoeg de norm. Gelijkheid tussen individuen en seksen leidt tot gelijkvormigheid. Ze zijn allemaal druk, mannen en vrouwen, de kinderen ook, ze draaien op volle toeren en alles moet perfect. Ze moeten beter zijn dan de anderen, maar niet afwijken. Alles wat ze doen wordt voorgelegd en getoetst aan de groep. De autonomie wordt afgestaan aan de wet van de competitieve kudde. En als het niet naar wens gaat kunnen ze altijd nog uitblinken in depressies en angsten, wanneer die gepromoveerd zijn tot statussymbool. In de voortdurende toetsing aan de heersende mode en de sociale omgeving wordt alles een project dat tot succes moet leiden, of het nu het moederschap is, de loopbaan of de relatie. Niemand laat nog iets op zijn beloop, omhelst het toeval, geeft zich een dag aan verveling over, of accepteert mislukking als een facet van het leven. De waarde van het eigen leven wordt getoetst aan de valse normen van de social media en het wereldwijde web. Soms heb ik intens medelijden met de jonge mannen en vrouwen van vandaag…”.

Heilig moeten
Bo van Houwelingen (1987) is literatuurcriticus en schrijft als zwalkende feminist het meest sarcastisch over vrouwenemacipatie: “… Ik herinner me de uitreiking van de jaarlijkse Opzij-verkiezing van de machtigste vrouw van Nederland, die ik bijwoonde om er een stukje over te schrijven. Er werden speeches gegeven door onder anderen Neelie Kroes, Herna Verhagen en Lilianne Ploumen. Machtige vrouwen. Het viel me op hoe vaak zij de zinsnede ‘vrouwen moeten’ gebruikten: vrouwen moeten durven vragen, vrouwen moeten durven geven, vrouwen moeten stevig in hun pumps staan, hard werken, niet té hard werken, geen mannen willen zijn, niet bescheiden doen, zichzelf bewijzen, op hun bek durven gaan, zeggen waar het op staat, aardig zijn, elkaar helpen, de wetenschap in, doorstoten naar de top, in hun kracht staan, hun dromen waar maken, kansen grijpen. Vrouwen moeten zich optimaal ontplooien, zich niets van de heersende norm aantrekken, zich niets van mannen aantrekken én iets leuks aantrekken. De avond vatte perfect samen wat al sinds jaar en dag in de opiniekaternen van kranten, aan tafels van talkshows en in eigenzinnige vrouwenbladen wordt uitgekraamd: een continue sirene van doe-dít-doe-dát…”.

She-Wolf
Yaël Vinckx is auteur en journalist voor het NRC. Ze schrijft een sprookje over She-Wolf en zet zichzelf er naast. Over de tijd dat ze zich ‘one of the boys’ voelde als oorlogsverslaggever – toe maar. Hoe emancipatie synoniem werd voor carrière maken. Ze werd er niet gelukkiger van. Tegenwoordig doet ze het een stuk kalmer aan en dat bevalt haar uitstekend.

Schaamte
José Rozenbroek (1960) beweegt zich voornamelijk op de bladenmarkt. Ze schrijft over schaamte: “… Wie oplet en er gevoelig voor is, ziet overal om zich heen het overweldigende bewijsmateriaal. Ouder worden is een beschamende vertoning, vooral voor vrouwen…”.

Zelfvertrouwen
Maral Noshad Sharifi (1989) is geboren in Teheran en vluchtte als kind met haar ouderlijke gezin naar Nederland. Ze studeerde politicologie in Leiden en journalistiek in New York. Sinds 2014 werkt ze als journalist op de buitenlandredactie van NRC Handelsblad. Ze vertelt hoe haar oma en moeder hebben gevochten voor een menswaardig bestaan. Haar leerden veranderingen te accepteren. Ze vindt Nederlandse vrouwen nogal bang uitgevallen. Volgens haar kunnen ze wel een boost aan zelfvertrouwen gebruiken.

Uitgave: Atlas Contact – 2019, 208 blz., ISBN 978 904 503 783 7, € 17,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier