Menu

dinsdag 17 oktober 2017

Mijn beloofde land – Ari Shavit


Subtitel: De triomf en tragedie van Israël

Toen ik op een leeskring met een groep mensen discussieerde over “Het recht op terugkeer” van Leon de Winter (zie mijn vorige blog) realiseerde ik me hoe weinig ik eigenlijk van het huidige Israël af weet. Een docent geschiedenis adviseerde “Mijn beloofde land” te lezen. Ari Shavit (1957) is een gerenommeerde Israëlische columnist en schrijver. De in Rehovot (Israël) geboren Shavit diende als paratroeper in het Israëlische leger en studeerde filosofie aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef hij voor het progressieve weekblad ‘Koteret Rashit’, in de jaren negentig was hij voorzitter van de ACRI (Assocation for Civil Rights in Israel) en in 1995 versterkte hij de gelederen van het dagblad ‘Haaretz’, waar hij lid is van de hoofdredactie. Shavit is ook een vooraanstaande commentator bij de Israëlische publieke omroep (tv). Hij is getrouwd, heeft een dochter en twee zoons, en woont in Kfar Smariahu. “Mijn beloofde land” bestaat uit zeventien zeer persoonlijke reportages met een hier en daar wat melodramatische ondertoon (iets wat Leon de Winter ook al niet ontzegd kan worden – is dat Joden eigen?). Ik zal ze allemaal even nagaan.

Kolonisatie?

Het boek begint met een verhaal over een verre stamvader van de schrijver, de jurist Herbert Bentwich, een Britse zionist die in 1897 een romantische reis door het Heilige Land maakt: “… Mijn overgrootvader wil geen land bezetten en een staat stichten; hij wenst God te ontmoeten…”. De stateloze Joden hebben tot dan toe kunnen overleven door de twee grote G’s: God en Getto. Maar God raakt uit het zicht en de muren van het getto storten in. Aan de ene kant wordt de niet-orthodoxe Joodse beschaving ondermijnd door secularisatie en assimilatie. Aan de andere kant is het antisemitisme in opkomst. Er is een massa-emigratie naar Ellis-Island op gang. In de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië is de emancipatie louter een wetsartikel. Shavit cynisch: “… In 1897 is het christendom nog geen ‘vriendjes’ met zijn geloofstegenhanger…”. Joodse steden en dorpen in Rusland, Roemenië, Polen en Wit-Rusland hebben te lijden onder hele reeksen pogroms. In islamitische landen vormen de Joden een ‘beschermd volk’, dat wil zeggen, zijn ze tweederangs burgers. De tragiek is dat Bentwich tijdens zijn Bijbelse tocht geen oog heeft voor de arme sloebers onderweg. Hij ziet een ‘leeg’ land: “… Is dit een teken van kolonialisme? Als het eruitziet als een eend, waggelt als een eend en kwaakt als een eend, is het waarschijnlijk een eend…”. Bentwich en consorten willen dat het Westen dit deel van de Oriënt pacificeert, echter, niet tot meerdere eer van Groot-Brittannië, maar om daarmee vervolgde massa’s te redden: “… Ze zijn dus niet de vertegenwoordigers van een koloniaal rijk, maar van een misdeeld volk dat de hulp van de grote mogendheden nodig heeft. Ze beogen niet te onderdrukken, maar juist te bevrijden. Ze willen het land niet uitbuiten, maar erin investeren…”. Ze hebben het Europa van de Verlichting omhelst, maar Europa gedraagt zich als een boze stiefmoeder. Shavit over de Medea-krankzinnigheid van Europa: “… Europa vindt dat ze stinken. Van de ene dag op de andere is er een nieuwe, vreemde blik in Moeder Europa’s ogen gekomen. Ze is gek aan het worden. En ze zien die gekte aan haar rusteloze blik en begrijpen dat ze hun leven niet meer zeker zijn en weg moeten…”. In 1929 vestigt de oude Bentwich zich in het Land van Israël, waar hij drie jaar later zal komen te overlijden.

De eerste kibboets
In het tweede verhaal neemt Shavit de lezer mee naar het dal van Charod waar de eerste kibboets wordt gesticht. Diep getroffen door de paaspogrom van 1903 in Chisinau (Moldavië) komt Theodor Herzl op het idee om het grondbezit van de familie Sarsuk in Palestina te kopen, teneinde er de slachtoffers van het Europese antisemitisme te kunnen onderbrengen. De meeste valleibewoners zijn horigen van deze familie. Vanaf het begin wordt beseft dat er misschien geweld nodig is om hen van hun land te verdrijven. Maar daar denken de 74 jonge, revolutionair gezinde pioniers niet aan, die er in de zomer van 1921 neerstrijken, om er een communistische commune te vestigen en een Robinson Crusoe-bestaan starten. Wezen die zonder vader, zonder moeder en zonder God, overgeleverd zijn aan zichzelf. Ze maken de velden vrij van keistenen en rotsblokken. Planten de eerste eucalyptus- en pijnbomen. Er verschijnt een timmermanswerkplaats, een schoenmakerij, een leerlooierij, een lasinrichting, en een bakkerij. Land wordt geploegd en tarwe en gerst gezaaid. Een ziekenhuis, een gemeenschappelijke eetzaal en een bibliotheek worden op poten gezet. Moestuinen, olijfboombossen en wijngaarden aangelegd. Er zijn melkkoeien in een zuivelbedrijf en eierleggende hennen in kippenrennen. Duizend jaar oude moerassen worden gedraineerd, waardoor er een einde komt aan de malariaplaag waar de hele streek onder lijdt. Met de autochtone bevolking gaat men vriendelijk om. In extreme situaties lopen ook de emoties hoog op. Niet iedereen kan het spartaanse leven aan. Iemand pleegt zelfmoord. Een blonde schoonheid vermoordt haar vriend en zichzelf. Er dient zich vanzelf een natuurlijke charismatische leider aan: de anarchistische Jitschak Tabenkin. Binnen de kortste keren ontpopt hij zich tot de goeroe, de seculiere rabbijn van Ein Charod. Zijn droom: een grote, zich steeds uitbreidende kibboets. Zo nodig moet het hele land één grote zionistische arbeidscommune worden.

Het groene goud
Het derde verhaal gaat over een sinaasappelplantage in 1936 in Rehovot, waar de Joodse sinaasappelteler zij aan zij werkt met zijn Palestijnse opzichter om de beroemde jaffasinaasappel tot een ongekend succes te maken: “… Toen men na de eerste Wereldoorlog ging beseffen hoe belangrijk vitamine C was, steeg de vraag naar de citrusvrucht in heel Europa spectaculair…”. Het leven onder Arabische bazen was voor de inheemse landarbeiders vaak veel beroerder dan onder de Joodse kolonisten. Toch rommelt het. Ondergronds zijn er nationale clandestiene cellen actief onder al-Kassam, die de eerste Palestijnse martelaar wordt. Een lading Belgische cementvaten arriveert in de haven van Jaffa, waarbij er eentje naar beneden valt en breekt. Er rollen duizenden geweerkogels uit, die duidelijk bestemd zijn voor de Joodse paramilitaire organisatie, de Hagana. Maar vooralsnog hopen zowel de arbeiders als de grondbezitters dat het zionisme geleidelijk wortelt en groeit, en op een natuurlijke en vanzelfsprekende manier sterker wordt. Er is geen sprake van dat men het land met geweld wil innemen.

Masada
In 1936 slaat het vuur in de pan. Een spiraal van ongekend geweld barst los tussen Arabische en Joodse terroristen: kibboetsvelden worden in de brand gestoken, sinaasappelplantages vernield en omgehakt, politiebureaus in de as gelegd, kinderen vermoord, jonge vrouwen verkracht, onschuldige burgers in stukken gehakt. In de winter van 1938 en het voorjaar van 1939 slaan de Britten met harde hand de Grote Arabische Opstand neer. Op 19 september 1939 wordt de generale staf van de Hagana geïnstalleerd. Lang voordat er sprake is van een Joodse staat is er dus al een goed georganiseerd Joods leger. Twintig maanden later, op 15 mei 1941, wordt de mobiele elite-eenheid Palmach opgericht. Voor het eerst hebben de Joodse leiders het over ‘gedwongen verplaatsing’ van de Palestijnen. In Europa heeft de Shoah plaats. Zes miljoen Joden vinden de dood. In het vierde hoofdstuk vertelt Shavit het verhaal van de jonge zionistische jeugdleider Shmaryahu Gutman die zijn meest begaafde discipelen meeneemt op een uitputtende overlevingstocht naar de verwaarloosde ruïnes van Masada, waaruit hij een nieuw en krachtig symbool voor het zionisme creeërt. Gutman ziet zich geplaatst tegenover nazigezinde Arabieren. Het Masada-ethos dat Gutman propageert zal het karakter van het zionisme in de jaren veertig bepalen: de dood of de gladiolen. Er moet zo snel mogelijk een Joods Palestina uit de grond worden gestampt. Lukt dan niet dan gaan we strijdend ten onder. Nu begrijp ik waarom Leon de Winter in “Het recht op terugkeer” één van zijn personages vertwijfeld laat uitroepen: “…We hebben jarenlang het verhaal van Massada als een heldenepos aan onze jeugd verteld. Maar het ging om een massale zelfmoord! Jezus, Massada was een ondergangsverhaal, geen heldenepos!...”.

De ontruiming van Lydda
Na het vertrek van de Britten wordt op 14 mei 1948 de staat Israël gesticht. Een dag later vallen de legers van Egypte, Jordanië, Irak, Syrië en Libanon binnen en breekt er een grootschalige oorlog uit. Meer informatie: zie hier. Een brief van een Joods meisje over de zionistische zuiveringen in Galilea zegt genoeg: “… De opschudding is groot. Overal klokkende hennen. Nu en dan zie ik hoe fout het is, al die geplunderde spullen, en aan het eind van de dag ben ik er ziek van, walg ik ervan. Ik herken de jongens niet meer terug. Ze zijn allemaal in een overwinningsroes en belust op buit. Ieder voor zich heeft gepakt wat hij pakken kon en in triomf laten ze zich gaan; ze geven lucht aan gevoelens van haat en wraak, en veranderen in echte beesten. Ze slaan alles kort en klein en doden wat op hun weg komt. De dorst naar wraak wordt gelest; de kameraden hebben niets menselijks meer. Ik kan niet geloven dat mensen tot zulke dingen in staat zijn: tot in koelen bloede doden van tientallen personen. Nee, ik moet niet zeggen: ‘in koelen bloede’ – ‘met volle overgave’. Met de dag stompen de menselijke gevoelens in ons verder en verder af…”. Voor het vijfde hoofdstuk heeft Shavit diverse nog steeds getraumatiseerde hoofdrolspelers in het drama rond de deportatie van de Arabische inwoners van de strategische stad Lydda geïnterviewd. De tot militaire gouverneur gepromoveerde Gutman uit het vorige hoofdstuk vertelt over de desolate Palestijnen die hij in de vluchtelingencolonne heeft gezien. Ouders die kinderen kwijt zijn, bejaarden en baby’s die als eersten omkomen van de dorst, soldaten die mensen dwingen om geld, polshorloges en sieraden af te geven, een jonge vrouw die te midden van alle opwinding, op haar knieën zittend, bevalt van een kind… Toch zegt Shariv zich zo nodig te scharen achter de verdoemde zionisten die hij tegelijk beschuldigt: “… Ik besef namelijk dat als zij er niet waren geweest, de geboorte van de staat Israël niet zou hebben plaatsgevonden. Zij hebben het smerige, vuile werk gedaan waardoor mijn volk, ikzelf, mijn dochter en mijn zoons kunnen leven…”.

Het grote wegkijken
Israël overwint niet alleen zijn afschuwelijke verleden, maar ontketent tevens een stralende toekomst. Na een decennium van oorlog, waarin de staat wordt opgebouwd in een koortsachtig, aan het maniakale grenzend tempo, zijn de eerste tekenen van stabiliteit te bespeuren. De beslissende overwinning tijdens de Sinaïcampagne zorgt voor rust. Met succes neemt de nieuwbakken republiek bijna een miljoen immigranten op. Twintig nieuwe steden, vierhonderd nieuwe dorpen, 200.000 nieuwe flats en een kwart miljoen nieuwe banen getuigen van een in historisch opzicht ongekende prestatie. Het zesde hoofdstuk vertelt het levensverhaal van enkele overlevenden van de Holocaust en de ‘farhud’ (de pogrom in Bagdad), die buitengewoon zijn geslaagd na hun ‘alia’. In dit verhaal kaart Shavit ook ‘het grote wegkijken’ aan: “… In hun strijd om te overleven en om een nieuwe identiteit op te bouwen hebben de Iraëliers van de jaren vijftig hun ogen definitief gesloten voor de fruitgaarden van Palestina, voor de jesjiva’s van het sjetl, voor de afwezigheid van 700.000 Palestijnse vluchtelingen en voor het niet meer bestaan van zes miljoen vermoorde Joden. Wat onder Ben-Gurions overhaaste ontwikkelingsprojecten uit het zicht verdwijnt, zijn de schoonheid van het land, de omvang van de diaspora en de grote historische rampspoeden van de jaren veertig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ‘wegkijken’ op verschillende niveaus van wezenlijk belang is geweest. Anders zou het onmogelijk zijn geweest überhaupt te functioneren, te bouwen, te leven. Volharden in een hardnekkige onachtzaamheid was van essentieel belang voor het welslagen van het zionisme in de eerste decennia van de 20e eeuw, zoals veronachtzaming ook van essentieel belang was voor het welslagen van Israël tijdens het eerste decennium van zijn bestaan. Als Israël had erkend wat er was gebeurd, zou het niet hebben overleefd. Als Israël zich welwillend en meelevend had opgesteld, zou het ten onder zijn gegaan. ‘Wegkijken’ was van levensbelang voor het negen jaar oude land waar ik ter wereld kwam…”.

Israël en de bom

In hoofdstuk zeven praat Shavit met een ingenieur die niet al te veel kwijt wil over het Israëlische atoomprogramma. Iedereen weet dát de nucleaire installatie ‘Dimona’ er is, niemand weet wát het precies is. Golda Meïr noemde de centrale de ‘varenye’ – de weckpot met ingemaakte vruchten die Oost-Europese Joden in de keukenkast bewaarden voor moeilijke tijden. Als er een pogrom losbarstte, hadden hun gezinnen tenminste iets te eten totdat de razernij voorbij was. Shavit ziet een rechte lijn lopen van de verdrijving van de Palestijnen uit de Arabische dorpen naar ‘Dimona’. Het is de enige manier om de haatdragende Arabische wereld op afstand te houden. Maar voor hoe lang? Het respijt dat ‘Dimona’ in het verleden aan Israël heeft verleend, loopt op zijn eind. Er komt een moment dat één van haar vijanden een kernmacht wordt. Vandaag las ik nog een kort berichtje in de krant dat Iran vorig jaar tientallen keren heeft geprobeerd in Duitsland nucleaire technologie in handen te krijgen die ‘beslist of zeer waarschijnlijk’ voor een kernwapenprogramma bedoeld was. Daarbij wordt wel aangetekend dat dit een belangrijke afname is ten opzichte van het ‘topjaar’ 2015, waarin de inlichtingendienst Iran 141 keer betrapte op een dergelijke poging (ND 12-10-17).

Het nederzettingenbeleid

In het achtste verhaal gaat het over de nederzettingen in bezet gebied, die niet te begrijpen zijn als men de Zesdaagse Oorlog en de Jom Kipoeroorlog niet begrijpt. Shavit heeft interviews met een paar leiders van de kolonie Ofra. Uitgebreid komt hun religieus getinte zionisme aan bod: op de Tempelberg mag eenvoudig geen islamitische gruwel (de Al-Aqsamoskee en de Omarmoskee) staan. Shavit: “… De nederzettingen hebben Israël de strop om de nek gedaan…”. Hij is ervan overtuigd dat er vandaag of morgen oorlog door komt: “… De vestiging van de kolonie Ofra zorgt ervoor dat de wereld Israël beschouwt als een kolonialistisch land, maar omdat er in de 21e eeuw geen plaats is voor kolonialistische landen keert het Westen Israël meer en meer de rug toe…”.

Niet genoeg verschillen

Het negende verhaal. In december 1987 breekt de eerste intifada uit. Na het neerslaan van de Palestijnse opstand richt het Israëlische leger verschillende detentiekampen in waarin duizenden Palestijnen worden opgesloten na te zijn veroordeeld door militaire tribunalen. In 1991 wordt Shavit, net journalist en op het punt voor het eerst vader te worden, opgeroepen voor zijn jaarlijkse reservedienstplicht. Hij komt in zo’n detentiekamp in Gaza terecht. Eerst wil hij als vredesactivist zijn reserveplicht weigeren, dan besluit hij toch te gaan om er een reportage over te kunnen schrijven. Hij ontkomt niet aan de beklemmende gelijkenis, hoe onterecht en ongefundeerd ook, met de concentratiekampen in Duitsland: “… Maar dan realiseer ik me dat het probleem niet in de overeenkomsten schuilt – men kan onmogelijk beweren dat er sprake is van echte overeenkomsten. Het probleem is dat er niet genoeg verschillen zijn. Die verschillen zijn niet groot genoeg om alle verwerpelijke echo’s uit het verleden voorgoed te doen verstommen…”.

Vrede
Het tiende hoofdstuk gaat over de Oslo-akkoorden in 1993 en de vredesbeweging. Shavit: “… Rechts zei: ‘We hoeven alleen maar de Westoever te annexeren en ons kan niets meer gebeuren.’ Links zei: ‘We hoeven alleen maar de Westoever terug te geven en er is vrede.’ Rechts zei: ‘Onze doden zijn dood als gevolg van de illusies van links’, terwijl links zei: ‘Onze doden gaan dood als gevolg van de hersenspinsels van rechts.’…”. Shavit vindt het niet meer dan een morele plicht om de bezette gebieden terug te geven. Maar dat zal geen vrede brengen: de pijn zit veel dieper. Hij gaat met een oude Palestijn terug naar het Israëlische dorp waaruit hij tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog is verdreven: “… Dit hier is mijn grond. Dit is mijn land. Hier liggen de vijfhonderd dunam van de familie Munhier…”. Huilend vertelt hij dat zijn voorvaderen er van oudsher hebben gewoond, er zijn gestorven en begraven. Honderden jaren hebben ze er het stuk land beploegd. Generaties lang hebben ze water gehaald uit een oude put. Totdat de Joden verschenen en het dorp veroverden en plunderden: “… We waren mensen van aanzien. Engelsen, Joden en Arabieren luisterden naar ons. Onze woorden legden gewicht in de schaal. Maar wie zijn we vandaag de dag nog? Schooiers. Niemand luistert naar ons. Niemand heeft respect voor ons. Wij, die land bezaten, hebben niet één graankorrel meer. Alleen een UNRWA-vluchtelingencertificaat…”. Shavit is niet gelovig, ik wel. Ik denk onmiddellijk aan Ezechiël 47: 21, 22 en 23.

J’accuse
Het elfde verhaal gaat over de ultraorthodoxe politicus Arjeh Deri die de achtergestelde Arabische Israëliers een stem tracht te geven. Als hij beschuldigd wordt van het aannemen van steekpenningen, sluit hij zich op in zijn kantoor en neemt op een video de toespraak van zijn leven op: ‘J’accuse’ (1999). Tienduizenden aanhangers begeleiden hem naar de gevangenis.

God is een dj
Het twaalfde hoofdstuk beschrijft uitvoerig het hippe nachtleven rond de eeuwwisseling in Tel Aviv dat dat van Londen, Parijs en New York naar de kroon schijnt te steken. Een dj vertelt hoe hij housemuziek wist te introduceren in Israël. Wanneer je een mega-dj bent, heb je mega-macht. God is een dj; de jd is God. Je maakt de dansende massa ‘bloedgeil’, je maakt ze helemaal gek, en op het moment suprême geef je ze een ‘piek’: “… Ze zijn van jou, helemaal van jou. Ze danken je en aanbidden je omdat je ze iets kolossaals, iets volmaakts hebt gegeven – iets wat niets ter wereld hun kan bezorgen; iets wat ze in het echte leven niet kunnen vinden…”. En dat allemaal onder invloed van voornamelijk ecstasy (XTC): “… Je maakt geen trip, het is geen LSD. Het haalt je niet uit de werkelijkheid, maar zorgt ervoor dat je je in die werkelijkheid beter voelt. Het begon ooit als een geneesmiddel voor heel boze mensen. Het was een pil die hen zachter, vriendelijker, liefdevoller maakte…”. Iemand uit de homo-scene: “… In de jaren zestig, begin zeventig zochten mensen naar de zin van het leven, van de muziek. Toen kwam de disco. Maar de disco schaamde zich ervoor dat ze geen boodschap had. Nu is men die schaamte voorbij; men pretendeert niets, men voelt zich niet geroepen iets uit te dragen. Je zingt niet over liefde, je hebt seks – seks hier en nu, op de wc. Die nieuwe fysieke authenticiteit is echt – die behoefte aan prikkels, aan plezier en opwinding. Daar gaat het in Israël nu om. Vergeet het zionistische gelul. Vergeet het Joodse gezeik. Het is nu constant feest…”. En even verder: “… Wanneer ze na een kwartiertje van de wc komen, sla ik ze gade: ze omhelzen elkaar niet; er is geen affectie, geen tederheid. Hij gaat deze en zij gaat die kant op. Dat is het dan. We gingen, we kwamen klaar, we gingen weer weg…”.

Armageddon
In het dertiende hoofdstuk praat Shavit met een paar autochtone Palestijnen die ervan overtuigd zijn dat hun thuisland ooit weer van hen zal zijn (2003). In een dorp in Galilea vertelt een diepbedroefde vader die net zijn zeventienjarige zoon heeft verloren, vol trots dat het zijn jongen elke keer dat hij terug was gekomen van een demonstratie had gespeten dat hij nog leefde. “… Ik ben wel geen profeet…”, zegt de toonaangevende leider sjeik Raed Salah. “… De toekomst ligt in Gods handen, maar als je van het Israëlisch-Palestijnse conflict een Joods-islamitisch conflict maakt, zullen de gevolgen verschrikkelijk zijn. De zionistische protestanten in Amerika willen een armageddon. Er dreigt dus een groot gevaar, in de hele wereld, in het Midden-Oosten en in ieder geval in dit land. Er dreigt groot gevaar voor de Al-Aqsamoskee. Ik maak me grote zorgen. Ik ben bang dat er rampspoed over ons komt, rampspoed die de toekomst van de Joden bedreigt…”.

Geen bindmiddel
In het veertiende hoofdstuk geeft Shavit tijdens de Tweede Libanonoorlog een striemend commentaar op alles wat er mis is aan de Israëlische samenleving. De elite gaat volgens hem enkel voor zichzelf. Er is geen leiderschap. Hij veegt de vloer aan met de goedkope politieke correctheid, het welig tierende hedonisme en het ongebreidelde consumentisme: “… iedereen haakt volledig af. Dat maakt de oorlog van 2006 ook zo griezelig. De soldaten zijn in gevecht gewikkeld en de burgers in het noorden zijn vluchtelingen in eigen land, maar veel andere mensen gaan hun eigen gang zonder zich er echt iets van aan te trekken. Veel rijke lieden vieren vakantie op hun jacht, terwijl de hogere middenklasse haar toevlucht zoekt in het zuidelijke Eilat. Er zijn zomercruises, zomerfeesten, zomerdrugs. Het is alsof het land helemaal niet in een oorlog verwikkeld is, alsof het niet bezig is een nederlaag te lijden. Dát is nu juist de echte nederlaag en daarom is het ook zo beangstigend. Er is in Israël geen saamhorigheid. De staat kan zijn burgers niet beschermen en die burgers steken geen vinger uit om hun staat te steunen. Er is geen bindmiddel om de zaak bij elkaar te houden. Ditmaal overleven we nog. Het was slechts een voorproefje van wat er de komende jaren zou kunnen gebeuren…”.

Startersnatie

Als jong land is Israël een ‘startersnatie’. In het vijftiende hoofdstuk staan twee indrukwekkende interviews met mensen die het land groot maakten. Hilda Strauss startte in haar keuken een zuivelbedrijfje dat werd omgetoverd tot een reusachtige multinational, die meer dan 14.000 werknemers in vijftien landen telt en honderden producten fabriceert. Kobi Richter, een voormalige gevechtspiloot (“… Ik was de echte ‘top gun’: ik speelde Tom Cruise niet – Tom Cruise speelde mij…”), ‘smeedde zwaarden om tot ploegijzers’ door in de innovatieve hightechontwikkeling te pionieren. Hij richtte de bedrijven Orbotech, voor het vervaardigen van printplaten, en Medinol, dat een nieuw soort stent maakte, op. In Richters keuken werden de eerste modellen van de revolutionaire stents uitgesneden uit lege kwarkkuipjes. Een groot economisch probleem vormen de niet-werkende Arabische en ultraorthodoxe minderheden. Daar worden de meeste kinderen geboren. Momenteel hoort de helft van de Israëlische scholieren tot deze groepen. Een ramp-in-wording doemt op: de seculiere middenklasse-Israëliers kunnen op den duur onmogelijk de hele bevolking onderhouden. In de zomer van 2011 roept een gigantische Occupy-demonstratie op de Rothschild-boulevard in Tel Aviv op tot verandering, waaraan 330.000 mensen meedoen.

Botsende beschavingen

In het zestiende hoofdstuk presenteert Shavit zijn visie op de Iran-politiek van Israël. Het is dan 2013. Een Israëlische strateeg: “… Bij de Iraniërs tref je een boeiend mengsel aan van religieus fanatisme en strategische omzichtigheid. Ze zijn erg ambitieus. Ze zien hun strijd met Amerika en Israël als een botsing der beschavingen. In hun optiek is hun beschaving zuiverder en rechtvaardiger, en daarom sterker. De joods-christelijke beschaving is in hun ogen een verdorven, imperialistische beschaving, die nu in verval verkeert. Ze voelen oprechte woede om wat de Britten en Amerikanen en ook de Russen in Iran hebben gedaan, en om wat de zionisten in Palestina hebben gedaan. Ze zijn er stellig van overtuigd dat onze beschaving, doordat ze verziekt en corrupt is, geen leed kan doorstaan, geen veerkracht heeft en wel uiteen móet vallen. Daarom twijfelen ze er ook niet aan dat ze aan het langste eind zullen trekken en uiteindelijk de ondergang van Israël, Europa en Amerika zullen bewerkstelligen. De toekomst is aan hen, zo geloven ze. Hun opkomende beschaving zal die van ons verdringen…”.

Op het scherpst van de snede
De grondleggers van het zionisme brachten een van de armzaligste volken in de wereld naar een van de gevaarlijkste oorden in de wereld. In het laatste hoofdstuk maakt Shavit de balans op. Israël is volgens hem het middelpunt van zeven ‘dreigingscirkels’. De buitenste cirkel is die van anderhalf miljard moslims, waardoor de toekomst duister is. Verder is Israël omringd door een tweede cirkel van 350 miljoen Arabieren die een bedreiging vormen voor het voortbestaan. De derde cirkel wordt gevormd door tien miljoen Palestijnen, die Israël voornamelijk beschouwen als een wezensvreemde kolonie die zich land toe-eigent en waarvoor er in de regio geen plaats is. De staat Israël ziet zijn Arabische burgers niet staan: de vierde binnenlandse dreigingscirkel. De vijfde ‘mentale’ cirkel: is de Israëlische collectieve psyche opgewassen tegen de tragische situatie waarin het Israël van nu zich bevindt? De zesde cirkel analyseert Shavit als de ‘morele’ dreiging. Een land dat zich aanhoudend in een oorlogssituatie bevindt kan gemakkelijk fascistisch, militaristisch of simpelweg gewelddadig worden. De zevende cirkel wordt gevormd door het gevaar van een afbrokkelende identiteit: “… We weten niet precies wie we nu echt zijn…”. Nu het Arabische nationalisme plaats maakt voor tribalisme heeft Israël wat respijt. Maar zal te midden van de Arabische chaos Israël niet de zondebok worden van de politieke islam dat zijn beloften niet waar weet te maken? Wat de Israëlische natie te bieden heeft is geen veiligheid of rust maar leven op het scherpst van de snede: “… We zijn een bijeengeraapt zootje acteurs in een epische film waarvan we het plot niet begrijpen en ook niet kunnen bevatten; de scenarioschrijver is gek geworden; de regisseur is weggelopen; en de producer is failliet gegaan. Maar wij zijn er nog, op deze Bijbelse set. De camera draait nog…”.

Uitgave: Spectrum – 2015, vertaling George Pape, 480 blz., ISBN 978 900 034 654 7, € 17,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 6 oktober 2017

Het recht op terugkeer – Leon de Winter


Met een leeskring bespraken we “Het recht op terugkeer”, een spannende thriller vol actie (inclusief de schijnbaar in dit genre gebruikelijke, maar weinig opzienbarende vulgariteiten) van Leon de Winter (1954), waaruit duidelijk merkbaar wordt dat hij filmproducent is. Inmiddels heeft De Winter ruim twintig publicaties op zijn naam staan. Vanaf zijn zesde roman, "Kaplan", speelt de Joodse identiteit een belangrijke rol in zijn werk.

Voltooid verleden tijd

“Het recht op terugkeer”, een vader-en-zoon-verhaal, is opgebouwd uit verschillende episodes die zich in verschillende tijden afspelen, waaronder één heel interessante, namelijk de toekomst. Het boek vangt aan in het jaar 2024. Israël is gekrompen tot een zwaar bewaakt, minuscuul, met voornamelijk ouderen bevolkt stadstaatje - plus zandbak. Een voormalige professor van middelbare leeftijd, Bram, laat in een zeer verarmd Tel Aviv een bejaard hondje uit. Hij blijkt bij de ambulancedienst te werken en een detectivebureautje op poten te houden dat gespecialiseerd is in het opsporen van vermiste kinderen. Het verhaal doet een beetje aan “1984” van George Orwell denken. Boven zijn hoofd vliegt een zo goed als geruisloze gevechtshelikopter, een Chicken Wing, die hem in een fractie van een seconde scant. Als hij opgebeld wordt door zijn partner in crime, die zegt getipt te zijn over een verdwenen meisje, rijden ze naar ‘de andere kant’, Jaffa, waar de Arabieren het voor het zeggen hebben. Om er te komen worden ze met auto en al door een soort sluis gedirigeerd die eruit ziet als een wasstraat en vol is gehangen met camera’s en andere biochemische snuffelapparatuur. Ze krijgen een wattenstaafje waaraan ze wat wangslijm vegen. Vervolgens moeten ze dat in een automaat steken die razendsnel hun DNA controleert.‘Big Brother is watching you’ in optima forma. Wat ze aan ‘de andere kant’ te weten komen is dat het meisje waar het om gaat overleden is. Als ze terugrijden en net voor de controlepost van zitplaats verwisselen worden ze direct gebeld. Wat of er aan de hand is: “… ‘Hoe kom je aan mijn nummer?’ ‘Natuurlijk heb ik dat nummer. Ik zie hier op het scherm ook om hoe laat u vanochtend de hond liet piesen. In welke tijd leeft u, professor?’. Bram had geen idee in welke tijd hij leefde. Welke historische, technische, wetenschappelijke, morele tijd was dit? Het enige dat hij wist was dat de tijd van veiligheid en geborgenheid, de tijd van het rotsvaste vertrouwen dat morgen de rimpelloze voortzetting van vandaag zou zijn - een vandaag vol welvaart, ambities, verantwoordelijkheidsbesef, liefde -, dat aan die tijd een einde was gekomen, lang geleden al. Bram antwoordde: ‘In de voltooid verleden tijd, Chaim.’…”.

Allemaal een beetje té
Dan zwaait het verhaal terug naar twintig jaar eerder: 2004. Bram, een gevierde professor moderne geschiedenis van het Midden-Oosten, net vader van een zoontje, krijgt een aanbod voor een nieuwe baan in Princeton, Amerika. Zijn tweestrijd is hevig: “… Helemaal zuiver en schoon was een vertrek uit Israël nooit; iedereen die voor langere tijd wegging en de luwte van een westers land opzocht riep nationale minachting over zich af. Maar in die minachting school niet zelden een flinke portie jaloezie. Wie wilde er niet weg uit dit gekkenhuis? Wie kon vrij blijven ademen in de smerige stormen die al decennialang niet alleen uit de gebieden maar uit de hele regio kwamen aangewaaid? Iedereen wilde weg, maar tegelijkertijd wilde niemand het opgeven en het wonderlijke experiment van dit land de nek omdraaien…”. Als hij overvallen wordt door drie Israëlische straatschoffies is wat hem betreft de maat vol: dan maar een verrader - hij vertrekt. Eigenlijk is dit hoofdstuk het meest theatrale van heel het boek. Ik vind het allemaal een beetje té. Zijn vrouw Rachel, een kinderarts annex actrice - wat wil je nog meer - is van een dermate dierlijke schoonheid dat iedereen in aanbidding haar voeten kust. Hij mag er trouwens zelf ook zijn. Beiden zijn strontjaloers op elkaars aantrekkingskracht. Zijn knorrige vader is de briljantste biochemicus die er bestaat en dus - geen wonder - een voormalig Nobelprijswinnaar. Bram heeft een keurig links proefschrift geschreven waarin hij aantoont dat de zionistische leiders al vanaf de jaren dertig op een mogelijke verdrijving van de Arabieren aanstuurden. Voor zijn vader, een ultrarechtse concentratiekampoverlever en zionist van de oude stempel, is dat amper te verkroppen. De nieuwe vriendin van zijn vader, een Russin, heeft “… borsten die groot genoeg waren om de hele zuigelingenafdeling van Rachels ziekenhuis te voeden…” en “… heupen als de armsteunen van een leunstoel…”. Als Bram zijn vrouw en zoontje bij een crèche gaat ophalen vliegt deze de lucht in vanwege een zelfmoordaanslag. Hij denkt dat ze zijn omgekomen, verliest zich bijna in waanzin, tot hij de stem van Rachel hoort. Ongedeerd staat ze met de baby voor hem. Je vraagt je af waarom zo minutieus wordt beschreven wat er al dan niet door Bram heen gaat wanneer het besef begint te dagen dat hij zijn vrouw en kind misschien kwijt is, als er achteraf niets aan de hand blijkt te zijn. Waar dient al die poespas voor? Het is een thriller dus ik vergeef het Leon de Winter állemaal.

Tienduizendmiljoen wormen
Vervolgens gaat het verhaal verder in 2008 in Princeton. Inmiddels is Brams zoontje vier jaar. Ze wonen in een gigantische maar vervallen bouwval op een met moeras en bos getooid landgoed. Bram maakt zich zorgen over de renovatie. Heeft zelfs zoveel last van nachtmerries dat hij een shrink opzoekt. Terwijl Rachel een weekje op familiebezoek is in Israël en Bram op een hete dag overlegt met zijn aannemer, verdwijnt zijn slapende zoontje waar hij op past. In paniek doorzoekt Bram zijn spookhuis en vindt hem bij een gat in de verrotte vloerplanken van een bedompte zolderkamer. Hij had vijf meter naar beneden kunnen vallen. Bram grijpt zijn zoon bij de kladden, die hem verdwaasd aankijkt. Het lijkt erop alsof hij aan het slaapwandelen is geweest. Het kind zegt dat hij wel tienduizendmiljoen wormen in het gat heeft gezien, waaruit Bram de unheimliche conclusie trekt dat er waarschijnlijk een slangennest zit. Als hij daarna wordt opgebeld door een kennis, is zijn zoontje wéér verdwenen. Dit keer blijkt het ernstiger. Hij kan hem nergens meer vinden. Ook zijn gewonde hondje (getrapt, geslagen?) kan Bram niet naar de vindplaats van zijn zoon leiden. Dit keer is het echt hartstikke mis…

Geestesziek
Dan volgt een relaas dat zich twee jaar later afspeelt in Santa Monica, Californië. Inmiddels is het 2010. De radeloze Bram is een geesteszieke zwerver geworden die overal op zoek is naar zijn zoon – waar hij prachtige dromen over heeft. De Winter beschrijft zowel zijn getormenteerde innerlijk als het daklozenleven op een ongelooflijk knappe manier. Bram wordt geobsedeerd door de cijfers twee en acht. Hij rent de straten door om de huizen met een twee en een acht in hun nummer te observeren. Om de achtentwintig stappen mag hij van zichzelf ‘EINNEB!’ schreeuwen, de omgekeerde naam van zijn zoontje, die daar ooit een grapje van maakte. Hij verleent eerste hulp aan een meisje dat aangereden wordt door een auto. Via zijn bankpasje, die hij vanwege de consternatie in een geldautomaat heeft laten zitten, en de nodige bewakingcamera’s, weet de stinkend rijke opa van het kind hem op te sporen. En die stinkend rijke opa kent zijn vader weer, die zich uiteindelijk over hem ontfermt.

De vermissingen die families verwoesten
Weer twee jaar later. Tel Aviv, 2012. Met medicijnen houdt Bram zijn gekte in bedwang. Ondertussen heeft hij zich gespecialiseerd in kinderverdwijningen: “… Hij had toegang gekregen tot online archieven die inzicht gaven in de statistieken, de namen, de omstandigheden. Elk jaar werden er anderhalf miljoen kinderen vermist. De meesten kwamen zonder kleerscheuren terug, binnen vierentwintig uur. Dat waren de weglopers, de pubers, en de kinderen die waren meegenomen door familieleden bij een familieruzie of echtscheiding. Het getal zestigduizend betrof de groep kinderen die werd gekidnapt door niet-familieleden. De helft van de kinderen werd seksueel misbruikt, dertigduizend kinderen dus, elke dag overkwam dat tachtig kinderen. En elk jaar bleven er een paar honderd kinderen voor altijd weg. Dat waren de vermissingen die families verwoestten. Soms vond hij een achteloos detail dat hem kracht gaf. Hij bleef de dossiers herlezen, de omstandigheden analyseren, deed verzoeken aan archieven waar opsporingsdossiers bewaard werden. Zo nu en dan dronk hij een glaasje wodka, staarde naar het scherm van de Apple en de kaarten aan de muur, en maakte aantekeningen, duizenden…”. En waarachtig, hij lost het raadsel van zijn verdwenen zoon op - op zijn manier. Ik kan natuurlijk moeilijk het hele plot hier gaan verraden…

Havik of duif
Weer switcht het verhaal door naar waar het begon: Tel Aviv, 2024. Bram maakt als ambulancebroeder een vreselijke aanslag mee bij de controlepost van Jaffa, die hij de dag ervoor nog passeerde. Iedereen denkt dat het door een raket is gebeurd. Als je geen Joods Y-chromosoom bezit, kom je namelijk niet langs de bewaking. In het diepste geheim werken Bram en zijn maat met de veiligheidsdienst mee aan het onderzoek waaruit hele andere conclusies worden getrokken. En dat blijkt ook weer alles te maken te hebben met de verdwijning van zijn zoontje. Het brengt hem als infiltrant in een nieuw Kalifaat in Kazakstan waar zelfmoordterroristen worden opgeleid, en zelfs naar Amsterdam, waar hij is geboren. Verder heeft Bram aangepapt met een vrouw die hij betaalt voor de liefde. Ook zij blijkt niet te zijn wat hij denkt. Brams’ eigen vader is inmiddels dement geworden, en wordt liefdevol door hem verzorgd. Op een bijzonder knappe manier verweven zich uiteindelijk alle verhaallijnen met elkaar – zelfs de slangen komen terug. Bepaalde dingen zijn nieuw voor mij. Bijvoorbeeld over de karakterstructuur van delinquenten: “… Hij haat zijn vader – dat staat standaard in die profielen, ze haten altijd hun vader, elke misdadiger, elke halvegare crimineel. Big deal…”. Zou dat waar zijn? Bram mag dan een linkse vredesduif zijn, Leon de Winter geeft zijn havik van een vader plus consorten, heel wat meer ruimte om harde politieke uitspraken te ventileren: “… Een jood die moslim is geworden – fuck. Ergens in die zestien jaar is-ie moslim geworden. En niet zomaar een moslim die er genoeg aan heeft om vijf keer per dag te bidden en joden en christenen te vervloeken, zijn vrouw in mekaar te meppen en te dromen van een middeleeuwse heilstaat, nee, een moslim die het als de hoogste opdracht beschouwt om zichzelf met zo veel mogelijk joden de lucht in te blazen…”. De vraag of je probeert te emigreren, ‘de bocht neemt’ zoals dat in het verhaal heet, of in Israël stand houdt tot het desnoods bittere einde, speelt een grote rol. Een discussie op het eind van het boek: “… ‘We zijn terechtgekomen in een foute buurt met rancuneuze mensen. Ze hebben een rancuneuze religie, waren vroeger rancuneuze woestijnstammen, en ze hebben een tempel in Mekka. Monotheïsme met een tempel en heilige grond, dat is een foute combinatie.’ ‘Hadden wij ook,’ wierp Bram tegen. ‘De Romeinen hebben ons bijna helemaal uitgeroeid toen we die tempel uit Romeinse handen wilden terugnemen en ons deel van de aarde wilden verdedigen. We hebben jarenlang het verhaal van Massada als een heldenepos aan onze jeugd verteld. Maar het ging om een massale zelfmoord! Jezus, Massada was een ondergangsverhaal, geen heldenepos! We hebben een religie die ontstaan is uit de heiliging van een stukje grond, dat is toch het hele verhaal over de uittocht uit Egypte en de verovering van Kanaän, op uitnodiging van onze Heer, Hakodesh Boruch Hu? En de oude Hebreeën waren bereid daarvoor uitroeiing te riskeren. Dat is gebeurd, de Romeinen hebben die religie vernietigd. Maar we bedachten iets anders, in de diaspora, een nieuwe religie, zonder land, zonder tempel. En toen kwamen we terug, wij, mensen zonder land, naar een streek waar ze ons verachtten. Maar wij kunnen net zo goed ergens anders leven, in Canada, Amerika, Australië –‘ ‘Je slaat de Shoah over –‘ zei Bram. ‘De Shoah maakte alles nog erger,’ zei Balin. ‘De wereld haatte ons omdat we geen land hadden en ze haten ons nu we wel een land hebben. En ze haten ons ook omdat ze door de Shoah een schuldgevoel hebben. Schuldgevoelens zijn problematische ondingen. Wat zouden de Europeanen graag van ons af willen. Ik denk dat ze al sinds 1948 hopen dat de Arabieren de klus afmaken…”. Je moet je vijanden vernietigen vóór ze jou pakken. De Winter maakt er in de media (Telegraaf, Trouw, Elsevier, De Dagelijkse Standaard, Die Welt, Der Spiegel) absoluut geen geheim van dat hij rechts georiënteerd is. Dus een - in Nederlandse ogen – ál te genuanceerd politiek correct verhaal kun je niet van hem verwachten. Waarbij ik wel de aantekening wil maken dat als je als Jood in Israël leeft dat wel even wat anders is dan vanuit ons veilige, verwende, rijke, decadente, westerse landje lopen blaten hoe het dáár allemaal moet. Toch?

Uitgave: De Bezige Bij – 2008, 475 blz., ISBN 978 902 341 446 9, € 15, -
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 2 oktober 2017

Bestendig voor ogen – K. Zetnik 135633


Subtitel: De Paddestoel-Wolk van Auschwitz / Met reacties van prof. dr. J. Bastiaans en dr. S. Schoon

Ik ben diep onder de indruk van “Alle rivieren stromen naar de zee” van Elie Wiesel – zie mijn vorige blog. Tot mijn verrassing vond ik daarin een fragment over de Israëlische schrijver K. Zetnik, waar ik verschillende verbijsterende romans van heb gelezen, die allemaal over Auschwitz gaan: "Vuurroos", "Moni" en "Daniella". Ik had de boeken ooit zelf, maar ben ze weer kwijt geraakt, behalve één waar Wiesel aan refereert. In “Bestendig voor ogen” beschrijft K. Zetnik in bijna poëtisch proza zijn ervaringen als patiënt van professor Bastiaans in Oegstgeest, bij wie hij van zijn nachtmerries probeerde af te komen.

Pseudo-herinneringen

Bastiaans was een psychiater die LSD gebruikte in zijn later zeer omstreden traumatherapie. Hij was de uitvinder van het zogenaamde KZ-syndroom, waar mede door de publicatie van psycholoog Bram Enning geen spaan van heel bleef. Het bleek dat door middel van LSD ook verzonnen herinneringen naar boven kwamen. Een voorbeeld dat indertijd veel publiciteit trok was dat van PvdA-senator Eibert Meester, die onder invloed van Bastiaans, een heel verzets- en concentratiekampverleden bij elkaar fantaseerde. Het doet me denken aan de ophef rond schrijfster Griet Op de Beeck, die vorige week in DWDD op een indrukwekkende manier schoon schip maakte met haar incestverleden. Ik heb er weliswaar met gekromde tenen naar zitten kijken. ‘Wat maak jij je kwetsbaar, meisje’, dacht ik bij mezelf. ‘Op wie zich in het licht stelt wordt geschoten’, schreef Elie Wiesel. En ja hoor, nog geen dag later vond Max Pam het nodig voluit in De Volkskrant te oreren over de vraag of het wel waar was wat Griet Op de Beeck allemaal beweerde. Zie het boek van Crombach en Merckelbach: "Hervonden herinneringen en andere misverstanden". Psychologen en psychiaters zijn er namelijk niet over uit of teruggevonden herinneringen altijd op daadwerkelijke feiten berusten. In de jaren negentig was er sprake van een abnormale toename van rechtszaken waarbij seksueel misbruik een rol speelde. In 1999 werd de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) opgericht om te voorkomen dat van seksueel misbruik beschuldigde mensen al te lichtvaardig worden aangehouden. In 2004 bracht de Gezondheidsraad het rapport “Omstreden herinneringen” uit, waarin de raad waarschuwde dat herinneringen aan seksueel misbruik die tijdens een therapie boven water komen, niet kunnen gelden als juridisch feit. Op de universiteiten in ons land is het dan ook de consensus dat je voorzichtig moet zijn met opeens opduikende herinneringen. In ieder geval werd Bastiaans op handen gedragen door de mensen die hij heeft geholpen. Psychologie/psychiatrie is een dermate vaag terrein dat het charisma van de behandelaar en de helende aandacht en erkenning richting de hulpvrager minstens de helft van een al dan niet succesvolle therapie bepalen, denk ik wel eens. Griet Op de Beeck zegt dan ook dat ze pas na haar dertigste shrink - zoals zij dat noemt - iemand vond met wie het klikte: de aanhouder wint. Iemand over de methode Bastiaans: ‘Een glaasje limonade (in plaats van LSD) had ook geholpen’. Wie weet; soms schijnt een suikerpilletje in plaats van antidepressiva ook geen verschil te maken (zie “Mijn tijdperk van de angst” van Scot Stossel).

De concentratiekampman
Elie Wiesel in “Alle rivieren stromen naar de zee” over de schrijver Yehiel Dinur, beter bekend onder de naam K. Zetnik: “… Yehiel is een man apart, een getuige apart, een in geen enkele categorie onder te brengen schrijver. Ik heb hem in de jaren zestig in Manhattan ontmoet. Ik had net in de ‘Forverts’ een enthousiaste kritiek op zijn verhaal ‘Star Eternal’ gepubliceerd. Ik wilde hem graag ontmoeten zodra hij uit Israël, waar hij woonde, was aangekomen. Ik had ‘The House of Dolls’ en ‘Piepel’ gelezen. Je zinkt erin weg als in een duistere, demoraliserende en verstikkende groeve om er voor altijd gekwetst, beangstigd weer uit te komen. Hij geeft een volstrekt onopgesmukt beeld van Auschwitz. De gruwel in al zijn naaktheid. In al zijn waarheid. Vrouwen die gedwongen worden zich te prostitueren. Kinderen die tot in hun lijf worden vernederd. Uitgehongerde mannen die tot kannibalisme vervallen. Hoe kon hij die herinneringen vertellen zonder de levenslust te verliezen? Ik durfde het hem niet te vragen. Yehiel, een gesloten schrijver, de meest gesloten schrijver die er is. Vandaar zijn besluit om te schrijven onder een pseudoniem dat ‘de concentratiekampman’ betekent. Timide, respectvol gaf hij zich alleen in zijn geschriften bloot. Als getuige in het Eichmann-proces sprak hij van ‘de andere planeet’, voordat hij midden in de zitting door een hartaanval getroffen in elkaar zakte. Nina, zijn echtgenote, een sterke en vastberaden vrouw, redde hem. Gideon Hausner vertelde me dat Yehiel om te schrijven de gewoonte had zijn gestreepte kampkleding aan te trekken. Hij stelde zich, achtervolgd door het verleden, onder behandeling bij een Nederlandse psychiater van internationale faam. Onder invloed van LSD kon hij zijn ervaringen van ‘daarginds’ opnieuw beleven en hij legde ze vast in een fascinerend boek, ‘Shivitte’, dat ik hartelijk aanbeveel aan wie niet bang is in de afgrond te kijken. Yehiel was op zijn manier een revolutionair…”.

Goddelijk licht
In “Bestendig voor ogen” begint K. Zetnik te vertellen dat hij vooral op aandringen van zijn geliefde (die theologie studeert in Esalen - destijds een spiritueel mekka in Californië), hulp gaat zoeken bij professor Bastiaans. Ze heeft hem twee jaar lang bestookt met boeken over L.S.D. en verdrongen herinneringen. Hij vindt haar lijden nog erger dan het zijne. Gillend en badend in het zweet wordt hij iedere nacht wakker en tracht zij hem gerust te stellen. Al dertig jaar heeft hij last van een ‘nachtelijk spook’, dat hem gek genoeg, als hij overdag slaapt, met rust laat. Reden waarom hij van de dag een nacht maakt. Hij kan zich niet los maken van de gevangenen die langs hem heen liepen op weg naar de gaskamers. De onvergetelijke blik uit de ogen van die mensen: “… Gedurende twee Auschwitz-jaren traden zij door mij heen, hun ogen vloeiden in de mijne…”. Hij staart uren naar een concentratiekampfoto van een lange, waardige, Joodse man, gehuld in een gebedsmantel en met tefillien rond zijn hoofd en linkerarm. Gevouwen handen. Naakte voeten. De foto staat afgedrukt in het boek. Achter de man soldaten die zich te barsten lachen. De man staart naar de plek waar hij straks dood neer zal vallen. Naast hem zijn de lichamen van andere neergeschoten slachtoffers nog net zichtbaar (hoe is het mogelijk dat er in Duitsland weer een partij aast op de macht die zegt trots te zijn op de verrichtingen van Duitse soldaten in WO I en II?). Het gaat K. Zetnik niet om het schietincident. Het gaat hem om het Verborgen licht dat van het gezicht van de man straalt: “… Ik heb zo dikwijls in zijn situatie verkeerd, maar nooit heb ik dat niveau van transcendentie bereikt. Want op zulke momenten raakte ik in paniek en ogenblikken van paniek zijn niet onderhevig aan uitstralingen van zo’n Goddelijk licht…”. Hij heeft visioenen waarin hij een onverschillige, geeuwende S.S.-officier ziet die op een vroege ochtend bij de laadbak van een vrachtauto staat waar hij met andere geraamtes inklimt. Hij beseft dat hij net zo goed die S.S.-officier had kunnen zijn, die ook maar zijn werk doet. Hij krijgt het voor elkaar in de kolenlaadbak achter in de wagen te kruipen, wat zijn redding is. Terug in een halfduistere garage komt hij te voorschijn. De vrachtwagenchauffeur zet het op een lopen. Denkt dat hij te maken heeft met een boze geest of een demon. Een S.S.-commandant stelt overdonderd: “… Als deze kerel erin is geslaagd om aan de strop te ontsnappen, ga ik hem niet nog eens ophangen!...”. Later zal professor Bastiaans dit voorval duiden als een ‘wedergeboorte’. Daar is de splitsing van zijn ziel begonnen, betoogt de psychiater. Pas als K. Zetnik dit gegeven heeft verwerkt kan hij het over zichzelf hebben als ‘ik’.

E.D’M.A.
Het boek is op een hallucinerende toon geschreven. K. Zetnik vertelt dat de Hebreeuwse letters E.D’M.A. hem steeds voor ogen zweefden. Hij verduidelijkt die niet. Ik neem aan dat ze op de titel van het boek slaan: ‘Bestendig voor ogen’. Hij zegt dat dokter Mengele in verwarring raakte toen hij de letters in zijn ogen zag verschijnen, waardoor hij niet naar het crematorium werd verwezen. Zijn hand schreef de letters vanzelf naast de titel toen hij werkte aan “Vuurroos”, dat hij in twee en een halve week schreef, ervan overtuigd dat hij niet lang meer te leven had. Ze staan in iedere vertaling naast de titel van al zijn latere boeken. Als professor Bastiaans met zijn spuit op hem afkomt: “… Zal ik het er levend vanaf brengen? Lettercombinatie, zullen wij de Nachtmerrie opnieuw overleven?...”. Ergens anders heeft hij het over ‘de occulte lettercombinatie Sjiwwietie’ ('Ik stel mij de HEER bestendig voor ogen'), waarmee hij hetzelfde lijkt te bedoelen en waaruit de naam van God, JHWH, gloeit. Als zijn toekomstige vrouw in Tel Aviv zijn “Vuurroos” leest zal ze besluiten de schrijver weer levensvreugde te geven. Ze verlaat de tien-kamer woning van haar ouders om het leven met K. Zetnik in een armzalig keldertje te delen. Ze weet voor de sessies met Bastiaans een vakantiehuisje te bemachtigen in de badplaats Noordwijk. Hij hoeft dus niet opgenomen te worden. Hij vertelt hoe op het strand een paar nieuwsgierige jonge Duitsers naar hem toe komen om het gebrandmerkte concentratiekampnummer op zijn arm te bewonderen. Ze denken dat het om een bijzonder soort tatoeage gaat. Hij springt op en rent weg als een gek. Nog steeds kent hij het nummer niet uit zijn hoofd: een getallenreeks, welke dan ook, maakt zijn geheugen leeg. Hij marcheert door de straatjes van Noordwijk terwijl hij tegen iedereen huilend ‘Kan niet lopen’ mompelt. Woorden die een Nederlander ooit tegen hem sprak terwijl zijn Arbeitskommando op weg was naar een Baustelle. Diezelfde Nederlander weigerde een vat kerosine uit te gieten over een levende lading zigeunervrouwen en –kinderen.

En gij, wie bent gij, God?
Met een aanraking haalt professor Bastiaans hem steeds weer terug uit zijn onderbewuste. Hoe levensgevaarlijk de psychiater bezig is blijkt wel als deze verklaart dat als hij K. Zetnik niet zou aanraken hij misschien voorgoed aan de andere kant zou blijven. K. Zetnik: “… In mijn hart ben ik Bastiaans dankbaar dat hij mij heeft wakker gemaakt en mij juist op dat ogenblik heeft laten ophouden. Als hij dat niet had gedaan, zou mijn ziel mij midden in een dwaze vlucht hebben verlaten…”. Professor Bastiaans maant hem mee te werken. K. Zetnik is amper in staat zijn vragen te beantwoorden of in woorden te vangen wat hij ziet. Toch is dat nodig, wil de psychiater de opgeroepen beelden decoderen om de ‘giftige doorn er uit te kunnen halen’. K. Zetnik ziet beelden van een nucleaire paddenstoelwolk die als rook uit de schoorstenen van Auschwitz komt, waarin Satan verschijnt. Hij kan er niet over praten. Zegt drie afspraken af. Voor andere patiënten is dat zoiets als de Messias opbellen om hem te zeggen dat hij zijn Komst nog maar even moet uitstellen… Pas na twee jaar en een onverwacht gesprek met Bastiaans, die hij toevallig tegen het lijf loopt tijdens een boswandeling, komt er een doorbraak in de therapie. K. Zetnik overlaadt de lezer met sobere, gruwelijke beelden. Het gebrandmerkte woord FELD HURE tussen de borsten van zijn zeventienjarige zus Daniella. Zijn makker Pinni, die zichzelf voor de voeten van de Blockführer werpt en smeekt om de geseling die zijn vader moet ondergaan. Vevke, de schoenlapper, die gekruisigd wordt op een kolenkachel. Een joodse clown die tot op het bot wordt afgekloven als hij een pot marmelade over zich heen krijgt en een troep uitgehongerde gevangenen hem af mogen likken. Zijn naakte moeder, in een rij om vergast te worden. In een visioen ziet K. Tsetnik hoe zij God ter verantwoording roept: “… Loop niet voor mij weg, God! Kijk mij recht in de ogen, God! Zij leverden mij bij u af, naakt en zonder haar. Mijn kinderen snikken: ‘Mama! Mama!’ Hoort u het gejammer van mijn kind, de Piepel (jongenshoertje)? Hoort u mijn kind, de Feld Hure, snikken? Ik ben de moeder van deze snikkende kinderen. En gij, wie bent gij, God?...”. Hij beleeft zichzelf als een Phoenix, de mythische vogel die uit zijn eigen vuur verrijst. Hij zweert dat hij de stem zal zijn van de overledenen: “… Van nu af aan heb ik als overlevende de opdracht getuige te zijn in de rechtszaak die dient tussen God en Satan – de rechtszaak die wordt gevoerd in het hart van ieder mens…”. Uiteindelijk schrijft hij: “… Overal waar mensen zijn is Auschwitz. Het was niet Satan die de Paddestoel schiep, maar u en ik…”.

Uitgave: Kok Kampen – 1989, vertaling Liesbeth Mok, 140 blz., ISBN 978 902 420 727 5, € 8,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier