Menu

donderdag 12 september 2019

De ruimte van Sokolov – Leon de Winter


Mijn grote inspirator wijlen Henk Vreekamp dist in zijn essay “De smaak van kabbala” een heel rijtje boeken met een mystieke Joodse ondertoon op (daar houd ik onnoemelijk van, zie bijvoorbeeld “Donker woud” van Nicole Krauss). Onder andere “De ruimte van Sokolov” van Leon de Winter (1954). Ed van Eeden in "1001 boeken die je gelezen moet hebben": “… In de carrière van Leon de Winter zit een opmerkelijke tweedeling. Terwijl hij nog studeerde aan de filmacademie in Amsterdam debuteerde hij met "Over de leegte in de wereld", een geëngageerd boek over een kafkaëske, ongrijpbare samenleving. Als langharige, bebaarde filmregisseur maakte hij enige naam met romans en films over zoekende individuen die boven hun eigen beperkingen proberen uit te stijgen en daarbij hun hoop baseren op waanbeelden. Maar toen schoor de schrijver zijn baard af, mat zich een kort kapsel aan en publiceerde in 1986 "Kaplan", een hilarisch en scherp psychologiserend boek in de traditie van Philip Roth. Bij De Winters nieuwe uiterlijk hoorde een nieuw schrijverschap, waarbij hij vooropstelde dat zijn boeken ook humoristisch en vermakelijk mochten zijn – zonder daarbij iets van hun zeggingskracht te verliezen…”. Eerder besprak ik van hem “Het recht op terugkeer” (2008).

Moord

Over “De ruimte van Sokolov”. Dr. Sasja Sokolov eindigt als straatveger in Tel Aviv, nadat hij als ruimtevaartgeleerde vanwege een ongeluk met een raket, waarbij twee kosmonauten de dood vonden, in ongenade viel bij het Sovjet-regime, en besloot naar Israël te emigreren. Daarnaast ging zijn vrouw er vandoor met zijn dochter. Bovendien is hij een verslaafde zuiplap. Iedere dag drinkt hij zich in een zweefvlucht naar de kosmos, om vrij en zonder gewicht tussen de sterren te vliegen, met een bewustzijn dat net als het heelal uitdijdt en de geheimen van de Big Bang in een goddelijk licht ziet stralen. “… Daarom was zijn schedel nu gevuld met afgewerkte motorolie…” en “… In zijn maag en slokdarm brandde een vuur van teerafval en zijn keel en verhemelte waren bekleed met een laag glassplinters. Hij was een levende vuilverbrander…”. Zijn baas, Zwarte Jossi, iemand die er niet tegenop ziet zijn concurrenten in elkaar te slaan of hun huis in brand te steken als ze onder zijn vraagprijs gaan zitten, dreigt met ontslag omdat hij altijd te laat op komt dagen. “… Zwarte Jossi was bijna vierkant van gestalte, zijn ronde hoofd zat direct op zijn gespierde borstkas (wat moest een mens als Zwarte Jossi met zoiets elegants als een nek?)…”. Of heeft hij die toch? Even verder: “… Om Jossi’s nek hing een gouden ketting met een Davidster ter grootte van een verkeersbord, rond beide polsen had hij vrijwillig ketens van massief goud laten slaan, en zijn vingers pronkten met vette zegelringen…”. Dit soort ordinaire patsers worden in Israël ‘tjag tjag’ genoemd. Terwijl Sokolov met zijn vuilniskar in de weer is ziet hij hoe iemand voor zijn ogen wordt doodgeschoten. De moordenaar heeft hem in de gaten. Rent op hem af. Zich vastklemmend aan zijn bezemsteel smeekt Sokolov om genade. Hij denkt dat hij gek wordt als hij het gezicht van de dader herkent als dat van zijn voormalige Russische chef en jeugdvriend Lev. De killer gaat er in verwarring vandoor.

Zjiddok
Vervolgens blikt Sokolov terug op de situatie waarin hij Lev leerde kennen: op de meest prestigieuze school voor slimmerikken in Moskou. Beiden zijn tieners. Tijdens een weddenschap over wie het intelligents is, verliest Sokolov zijn peperdure James Dean-handschoenen aan Lev: “… Nadat ze talloze wollen paren had gebreid en hersteld, besloot zijn moeder tot aanschaf van handschoenen die de eeuwen konden trotseren, en Sasja had begrepen dat ze na een wekenlange moederlijke zoektocht en voor de prijs van een vol maandsalaris en de belofte dat de zoon van de zwarthandelaar een jaar lang gratis bijles zou krijgen (ze was lerares Frans) de handschoenen kon meenemen naar de riante driekamerflat van de familie Sokolov…”. Vanaf die tijd zijn Lev en Sasja vrienden. Vermaken zich met wiskundige spelletjes. Lev is grenzeloos, Sasja door en door principieel. Twee uitersten die elkaar aantrekken. Lev wil de handschoenen terug geven, Sasja neemt ze niet aan. Uiteindelijk gooit Lev ze door de brievenbus. Als Sasja tien is komt hij er achter dat hij een geheime Jood is. Hij vindt Joodse huwelijksdocumenten als hij de achterkant van een schilderijtje verwijdert. Ook Lev vertelt hem, wit van ellende, dat hij heeft opgevangen dat zijn moeder een Jodin is. “… ‘Zjiddok!’ schold hij, joodje…”. Het smeedt hen alleen maar nog hechter aaneen. “… Zjidden waren kapitalisten, antisocialisten, profiteurs, parasieten, hij associeerde dat woord met sluwe mensen zonder vaderlandsliefde, valse Russen…”. Het is zijn moeder die hem op haar zeventigste verjaardag bezweert te emigreren naar Israël. Volgens haar zullen ze de Joden, ondanks perestrojka en glasnost altijd blijven haten: “… Ga weg uit dit land. De Benevenistes hebben altijd gezworven. Wij zijn een soort zigeuners, uit Spanje. Wij zijn overal naar toe getrokken, en jij gaat terug naar de oorsprong…”. Zie mijn vorige blog waarin oudtestamenticus Ellen van Wolde uitlegt dat JHWH de God van de ‘abiru’, de landlozen, de trekkers, de outsiders, de have-nots is. Zelf heeft Sokolov ook genoeg gelezen over de nationalisten van Pamjat die het Jodendom en het zionisme verantwoordelijk stellen voor de rampen die Rusland hebben getroffen.

Kabbala
Wat de mystiek betreft. Sokolov blijkt af te stammen van een Russisch geslacht van rabbijnen en talmoedgeleerden, “… onder wie Mordechai ben Av, de rabbijn van Baranovitsji. Achttiende-eeuwse schrijver van commentaren en fel bestrijder van bijgeloof en onwetendheid. Zijn grote tegenstander was de grondlegger van het chassidisme, Israël Baal Sjem Tov, die de Besjt werd genoemd, de beginletters van zijn eretitel Meester van de Goede Stem. De Besjt schonk de ongeletterde en hongerige joden van de Oekraïne de ‘hitlahawoet’, de mystieke extase waarmee de normale wetten van de natuur overwonnen konden worden. Mordechai ben Av was een leerling van de Gaon van Wilna, rabbijn en wetenschapper die over astronomie en algebra publiceerde. Ook de zoon van Mordechai ben Av, evenals diens zoon, was rabbijn. Al deze geleerden culimineerden…”, in de alcoholicus Sokolov, wiens geheugen na anderhalve fles wodka nog steeds te sterk blijkt voor de hunkering naar vergetelheid. Sokolov verdiept zich in het Jodendom. Hij heeft “… over de ‘kabod’ gelezen. Het Goddelijke Vuur en Licht, dat het doel was van de joodse mystici. Via ‘chasidoeth’, een leefwijze van vroomheid, nederigheid, bezinning en godvrezendheid, kon de mysticus, als hij zijn best deed, de ‘kabod’ aanschouwen, Gods eigen vuur, Gods ‘Big Bang’. Beschreven de oude joodse mystici een vreemde herinnering aan de eerste knal? Was het mogelijk dat de quarktrio’s een nagalm hadden in het denken over de oorsprong van het universum? Sokolov geloofde niet in zo’n God, maar de ‘kabod’ verleidde hem en hij had zich verder in de ‘kabbala’ gestort door het lezen van de ‘Zohar’, een samenvatting van de joodse mystiek die omstreeks het jaar 1300 werd samengesteld door Mozes de Leon uit Granada. God was oneindig en absoluut, en zijn existentie toonde hij in tien lichtstralen, die tien hoedanigheden en werkingen van God zouden zijn. Ze stonden met elkaar in verband via pijpen of kanalen, die Sokolov deden denken aan de ‘snaren’-theorie van de moderne quantummechanica. Ook andere termen, zoals die over het vacuüm waarin God zijn licht liet schijnen, echoden door in zijn geest wanneer hij dronk en Gods vacuüm in verband bracht met het quantumvacuüm in de eerste tien min dertigste seconde van de begintijd, toen het heelal razendsnel uitdijde zonder dat er elementaire deeltjes gevormd konden worden. Het kosmische vacuüm bleef leeg, en tegelijk was het de schatkamer waaruit alles zou ontstaan. De joodse mystici uit de Middeleeuwen en de fysici van de late twintigste eeuw waren in Sokolovs hoofd tegelijk aan het woord, als de leden van een koor…” (zie ook mijn vorige blog en Philip Troost: “Energie van de Geest”, waarin de desbetreffende schrijver uitlegt hoe de kwantummechanica overeenkomsten vertoont met de mystiek). Mooier kan ik het niet zeggen.

Zuipende archiefkast
Na de moord gaat Sokolov er als een haas vandoor. Hij wil er niet mee in verband gebracht worden. Echter, een bejaarde die achter de geraniums zit, heeft de straatveger gezien. Zo gauw hij de bezem weer ter hand neemt staat inspecteur zware misdrijven, Naum Katsz, voor zijn neus. Tussendoor komt er naast hem een nieuwe Oekraïense immigrante met haar dochtertje wonen. Het debacle van Tsjernobyl was voor haar de druppel die de emmer deed overlopen. Tanja – die zowaar wat met hem wil gaan drinken. Voor hij het weet heeft hij een nieuwe vriendin. Ze is een fanatiek zioniste. Onderhoudt hem over schrijvers als Moses Hess, Leo Pinsker, Mosje Lilienblum, Max Nordau, Asher Ginsberg, Jakov Klatzkin. Ze lepelt gedichten van Heine voor hem op. Als Zwarte Jossi hem ontslaat drinkt Sokolov dagen achtereen en bereikt De Winter eenzame literaire hoogten om dat te beschrijven: “… De herinneringen gleden onwillig terug naar de plekken waar ze thuishoorden, en Sokolov vroeg zich af of hij niets meer was dan de optelsom van zijn herinneringen, een zuipende archiefkast waarvan het handvat voor het gemak ‘ik’ werd genoemd…”. Ondertussen laat De Winter een oude huisbaas ook nog eens zeggen waarom ík lees: “… het gaat om, zeg maar, nieuwsgierigheid, om het geloof dat op een dag de geheimen geopenbaard zullen worden…”. En even verder: “… Maar ik besef dat mijn, zeg maar gerust, mijn ‘hunkering’ naar de openbaring van de geheimen mij de kracht geeft om verder te leven. Ik wil nog steeds wéten, begrijpt u, doctor? Ik wil ‘alles’ weten. Of er een plan aan alles ten grondslag ligt, of dat alles chaos is. Spreekt u dat aan, als wetenschapper?...”. Als Sokolov min of meer bijkomt uit zijn bewusteloosheid ruikt hij wat en ziet hij het puntje van een sigaar in het duister. Lev zit naast hem op een stoel. In zijn alcoholdromen is net daarvoor nog gesuggereerd dat Lev de ontploffing van de raket heeft veroorzaakt om een rivaal in de liefde uit de weg te ruimen. Hij was voor het eerst van zijn leven écht verliefd geworden. Op de vrouw van een van de dode kosmonauten. Lev neemt de brakke Sokolov mee naar zijn gigantische appartement, dwingt hem af te kicken, en neemt hem in dienst. Hij wil een elektronisch bedrijf beginnen op de Westbank waar hij Sokolov goed bij kan gebruiken. Chips, geavanceerde meetapparatuur, dat soort dingen. Zonder blikken of blozen vertelt hij tijdens een sjiek diner in een restaurant dat hij lid is van de maffia. De rechtlijnige Sokolov gelooft zijn oren niet.

Chantage
Zo belandt Sokolov in de tentakels van Lev en ontwikkelt het verhaal zich tot een regelrechte thriller. Ook inspecteur Katsz blijft achter hem aan zitten. Wonder boven wonder trekt Tanja zich niets van zijn drankzucht aan en wil ze verder met hem. Op één voorwaarde. Zolang hij niet besneden is wil ze niet met hem naar bed. Hij bezoekt met Tanja de Klaagmuur in Jeruzalem. Betreedt nieuwsgierig de tijdloze catacombe links van de Klaagmuur: “… Hij kende die ruimte van zijn wodkareizen, en hij herkende wat de chassieden met hun ritmische gebeden wilden oproepen. Zij deden het met de taal, de grondstof van gebed en smeekschrift, waarmee ze hun bewustzijn verruimden (of misschien vernauwden ze het, hij wist het niet) en vervolgens Gods Licht zagen. Hij had erover gelezen. Het waren mystici. In trance reisden ze door de ‘cheikalot’, de hemelse sferen en paleizen, op weg naar de Goddelijke Troon, die baadde in het licht van de ‘shekinah’, de Goddelijke Aanwezigheid. Hij was een kind van geheime joden, maar hij voelde de chassidische hunkering naar het Licht…”. En even verder: “… Hij had gelezen en wist nu dat de middeleeuwse kabbalisten God en het Niets aan elkaar gelijkstelden. Vóór de schepping was er het Niets. Een Spaanse kabbalist had geschreven: ‘Schepping uit het Niets betekent twee dingen: ten eerste dat de wereld niet eeuwig is, en ten tweede dat de wereld niet uit oermaterie buiten God zelf voortkomt.’ Het was een beeld dat angstaanjagend veel gelijkenis vertoonde met de Oerknal. Vóór de knal was er niets. Daarna blaast een proton zichzelf op en in zijn hitte ontstaan de bouwstenen van het Alles. Dit gebouw, de zee, Katsz. Volgens de kabbalisten was de Goddelijke wijsheid het Oerpunt, waaruit alle dimensies waren gegroeid. Door meditatie en gebed streefden zij naar het beleven van de ‘kabod’, Gods Licht. Wanneer een kabbalist een mystieke ervaring omschreef, vertelde hij over het Licht…”. Alles waar Lev mee komt stuit bij Sokolov op weerzin. De fabriek wordt op een plek gebouwd waar al eeuwen lang Palestijnen wonen. De fabriek gaat elektronika maken voor wapengeleidingsapparatuur: smart bombs, computer rammers. Maar Sokolov heeft geen keus. Het is dit of terug naar de goot. Tanja ziet het probleem niet: “… Elke seconde wordt het bestaan van dit land ter discussie gesteld!...”. Israël is een vesting belaagd door honderd miljoen Arabieren die de Europese indringers in zee willen jagen. Terwijl Sokolov onder het mes gaat, gooien de Amerikanen Bagdad plat. Als hij bij komt zit Lev wederom aan zijn voeteneind. En komt met een krankzinnige smeekbede. Hij wordt gechanteerd. Of Sokolov er een uurtje tussenuit kan knijpen, die nacht in het ziekenhuis, om een afperser om te leggen. Anders ligt hun hele toekomst in duigen…

Uitgave: De Bezige Bij - 1992, 351 blz., ISBN 978 902 342 188 7, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 9 september 2019

Verhalen over het begin – Ellen van Wolde


Subtitel: Genesis 1 – 11 en andere scheppingsverhalen

Ik heb een week langs allerlei tweedehands boekwinkeltjes gestruind. Heerlijk! De buit was overweldigend. Ten eerste: “Verhalen over het begin” van oudtestamenticus Ellen van Wolde (1954), die ooit in het nieuws kwam vanwege de uitleg dat scheppen vooral ‘scheiden’ zou betekenen. Dat leverde indertijd een hoop heisa op. Misschien weet u het nog wel. Als leek denk ik dan: wie zal het zeggen? Niemand is er bij geweest. In het christendom is elke dominatie nogal eenkennig. In het Jodendom bestaat er geen traditie waarin een Bijbeltekst voor maar één uitleg vatbaar is. Integendeel. W. Whitlau in “Niet in de hemel. Verkenningen in de wereld van de Joodse traditie”: “… Een 16de eeuwse midrasj wil dat de Tora 600 000 interpretaties toelaat: Eén voor elk van de 600 000 die volgens Exodus met de Uittocht wegtrekken uit Egypte…”. Dat lijkt mij meer in overeenstemming met de grootheid van God. In ieder geval geeft Ellen van Wolde een prachtige en verrassende visie op Genesis weg, die ook nog het nodige te zeggen heeft over de klimaatcrisis waarin we verkeren (zie mijn vorige blog).

Schepping en evolutie

Genesis begint met het woord ‘beresjit’ wat ‘in een begin’ betekent, zonder lidwoord. Zelfs het begin begint. God staat dus buiten de tijd waarmee alles begint: de Bijbel, de geschiedenis en de verhalen over het begin. “… Daarom kun je hem als mens ook nooit direkt zien, horen of voelen, want dat zou veronderstellen dat Hij binnen de schepping te vinden is…”. Eerst heerst er duisternis. Dan gloort het licht. Zo ontstaan het licht en het donker, het zwart en het wit. Vervolgens wordt de schepping ingekleurd. Het blauw van de hemel en het water, daarna het groen van de flora, en uiteindelijk het rood van de mensen. Adam betekent ‘rood-zijn’. De schepping bestaat uit twee grote ruimtes, de hemel en de aarde, die aldus ontstaan: God maakt een ‘uitspansel’ die een scheiding maakt tussen de wateren ‘onder’ en de wateren ‘boven’ en noemt dit uitspansel ‘hemel’, in het Hebreeuws ‘sjamajim’ (een meervoudsvorm). De volgende dag richt God zich op het water beneden waaruit Hij het droge tevoorschijn roept: de ‘aarde’. Enzovoorts. Opvallend is dat het gaat om schepping én evolutie. Om voortzetting en ontwikkeling: “… De hemellichamen zijn blijvend en planten zich niet voort; zij geven de orde en tijd op de aarde aan. De ‘lichamen’ op aarde planten zich wel voort, ieder naar zijn soort: de planten door zaaddragende vruchten, de dieren en mensen als mannelijke en vrouwelijke wezens. Gen. 1 gaat daarom niet alleen over de schepping van het begin, maar over schepping en verwekking, over begin van alles en voortzetting van alles…”.

Gemaakt om te verwijzen naar God
In het begin is de aarde nog ‘tohu wa-bohu’: onproduktief. Onbewoond. Een in duisternis gehulde ‘teham’ oftewel oeroceaan: “… Het is opvallend dat zowel de Sumeriërs, de Babyloniërs, de Egyptenaren als de Grieken het begin beschrijven als één grote oerzee…”. Alleen komt God in de Bijbel niet uit het water op, zoals in andere godsdiensten, maar zweeft de ‘ruach elohim’, de ‘Geest van God’, over de wateren. Op het moment dat God gaat spreken is God ‘ruach elohim’ af en wordt Hij ‘elohim’: de schepper God: “… Kortom, het scheppingsverhaal in Gen 1,2 laat ons de beginsituatie zien als een nog-niet-situatie…”. En even verder: “… God (elohim) is alleen aktief als ‘ruach elohim’ en nog niet als sprekende, ziende, scheidende, scheppende, makende of noemende God…”. Gods spreken is een ‘taaldaad’. In de Hebreeuwse Bijbel is het niet de vraag hoe mensen met God omgaan, maar de vraag hoe God met mensen omgaat: “… niet de mens maakt een projektie van God, maar God maakt of ‘projekteert’ de mens…”. Dat is precies andersom als wij geneigd zijn te denken. Mensen zijn gemaakt naar het beeld van God. Dat betekent niet dat ze lichamelijk op God lijken, want God heeft geen lichaam. Het betekent dat mensen, door hun gedrag en in het leven staan, God kunnen vertegenwoordigen op aarde: “… De mens is de enige die níet naar zijn eigen soort wordt gemaakt. In plaats van ‘zijn’ soort staat er ‘ons beeld’ en de bezittelijke voornaamwoorden die bij de andere levende wezens terugwijzen naar de schepsels zelf, verwijst bij de mens naar God. Dat betekent dat de mens, anders dan de andere schepselen, niet het referentiepunt in zichzelf vindt maar in God. De menselijke soort is gemaakt om te verwijzen naar God…”.

Volwassen worden
In Genesis 2 lijkt het scheppingsverhaal opnieuw verteld te worden, maar dat is niet helemaal waar. Er wordt ingezoomd op een klein stukje van de schepping. Dan volgt het paradijsverhaal. Alles draait om de aarde in relatie tot de mens. Er is nu sprake van ‘jhwh elohim’, oftewel God de Heer, waarin de dimensie van God die op de aarde en de mens betrokken is, aangeduid wordt. Hoe moeten we het paradijsverhaal lezen? “… Het is immers opvallend dat God in een paradijselijke situatie alle voorwaarden creëert voor het vertrek uit de tuin: hij maakt zelf de boom van kennis; hij vaardigt uit zichzelf het verbod uit om te eten van de boom die hij precies in het midden heeft neergezet en daarom wel alle aandacht naar zich toe móet trekken; hij introduceert zelf het verbod, iets negatiefs, in een situatie die tot dan alleen positief was; hij bedenkt zelf de sanctie van de dood in een tuin die tot dan toe slechts gekenmerkt was door leven; hij creëert zelf de hulp van de mens, die later vooral een hulp bij de overtreding van het verbod zal zijn: de dieren met de slang als het slimste dier, de vrouw als degene die naar inzicht verlangt… Zou het misschien de bedoeling zijn geweest dat de mens het verbod overtrad en van de boom van kennis ging eten?...”. Van Wolde denkt van wel. In Gods handelen draait het niet alleen om de mens, maar om de hele schepping. Zie het verhaal van Job waarin God de schepping toont waarin de mens maar een minuscuul schakeltje in het geheel is: “… De spot in Gods rede in Job is duidelijk voelbaar wanneer hij zegt: de mens centraal in de schepping? O ja, natuurlijk, daarom weet hij precies hoe alles gemaakt is, weet hij waar de wolken vandaan komen, wanneer de regen valt, hoe de dieren met elkaar omgaan…”. Ze vertelt dat ‘goed en kwaad’ in het Nederlands een ethische connotatie hebben. Vandaar dat ze het heeft over ‘goed en slecht’. In het Hebreeuws wordt er het ‘geheel’, ‘alles’ mee bedoeld. Het gaat volgens haar vooral om het verwerven van onderscheidingsvermogen, van een volwassen bewustzijn. Als Adam en Eva ervaren dat zij naakt zijn, lijken ze in de puberteit terecht te komen. Direct daarna gaat het over ‘kinderen voortbrengen’, dus zijn ze zich bewust van hun seksualiteit. Nu wordt ook duidelijk waarom de mensen niet van ‘de boom des levens’ mogen eten. Als ze zich voortplanten én eeuwig leven zou de aarde te onder gaan aan overbevolking. Nadat de mens het onderscheidingsvermogen heeft verworven, worden hij en zij uit de tuin verjaagd, om de aarde te gaan bewerken. De mens treedt het volwassen leven binnen. Zowel ouders als God voeden de mens op tot zelfstandigheid. Van Wolde vertelt dat de slang in het oude Midden-Oosten tot symbool is geworden van de kennis over een zich vernieuwend leven. De slang is het enige dier dat een naakt vel heeft dat steeds vernieuwt.

Erfzonde
Over de theorie van de erfzonde die Augustinus heeft ontwikkeld: “… wat voorheen met positieve woorden was geschilderd, beeld van God, vrije wil, vrijheid, zelfbeschikking, wordt door Augustinus in negatieve bewoordingen gekenschetst…”. Door het najagen van autonomie is de mens in zonde gevallen: “… Dit legt Augustinus uit als: met de zonde van de eerste mens is de universele zonde (en niet de universele dood zoals bij Paulus) over de mens gekomen…”. Zijn visie kwam goed uit toen het christendom het voor het zeggen kreeg in de wereld. Het betekende dat de gewone, zondige mensen de politieke en kerkelijke macht die boven hen was gesteld moest accepteren. Alleen de kerk kon je heil bewerkstelligen. Bovendien ligt de schuld van je ellende niet bij jou, en ook niet bij God, maar bij de eerste mens. Naast deze visie is er ook altijd een franciscaanse lezing geweest die betoogt dat de verlossing die Christus brengt niet de bevrijding van zonde behelst, maar de verheffing van de mens tot deelname aan het goddelijke leven. Van Wolde: “… In de twintigste eeuw waarin de vrijheid van het individu zo centraal is komen te staan en het mensgerichte handelen verabsoluteerd is, is de teloorgang van de aarde een nijpender probleem dan dat van de vrije wil of de erfzonde. Als er al van erfzonde gesproken kan worden, dan misschien vanwege het feit dat de mens zichzelf in zijn denken en handelen steeds zo centraal blijft zetten ten koste van de aarde…”.

Het gezicht van de aarde
Genesis 4 vertelt het verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn die jaloers is op zijn waardeloze broertje vanwege de aandacht die hij krijgt van God. Abel, in het Hebreeuws Hebel, betekent ‘lucht en leegte’ (zie Prediker). Abel staat voor degenen die niet meetellen: “… De hele bijbel laat zien dat god steeds opnieuw aan de kant van de slachtoffers staat…”. Letterlijk staat er dat Kaïn ‘zijn gezicht laat vallen’ en ‘ligt te loeren’ op Abel. De Joodse filosoof Levinas heeft het in dit verband over ‘het gezicht van de ander’ die de maat is voor ons handelen. Welnu, als je de ander niet meer aankijkt… Echter, Levinas heeft over het hoofd gezien dat de aarde ook een gezicht heeft, volgens Van Wolde. De aarde schreeuwt het uit vanwege het bloed van Abel. Van Wolde merkt op dat de getallen die in de geslachtsregisters die volgen worden genoemd niet als harde historische gegevens moeten worden beschouwd, maar als literaire ordeningen van het verleden: “… Van groot belang is bovendien dat de opbouw van deze lijsten grote gelijkenis vertoont met oude koningslijsten uit Mesopotamië. In een oude Sumerische lijst staan vóór de watervloed acht koningen vermeld die tezamen 241.000 jaar regeren. De gemiddelde leeftijd van een koning op die lijst is hier circa 30.000 jaar, daarbij vergeleken is Metusjalech met zijn 969 jaren een jong broekje…”.

De aarde centraal
De schrijfster toont aan hoe neutrale teksten in Genesis vaak negatief zijn uitgelegd door christenen. Zie bijvoorbeeld Gen. 4 vers 24, waar staat dat Kaïn zeven maal, maar Lamech zevenenzeventig maal gewroken wordt. Christenen zien dat vaak als wraak die van kwaad tot erger gaat. De Joodse traditie wil echter dat Lamech blind was en per ongeluk doodde. JHWH is zo rechtvaardig dat Hij Lamech juist tegemoet komt. Ook de mythologische trekken in het stukje van Gen. 6 vers 1 tot 4 heeft geen negatieve connotatie, ondanks dat christenen moeite hebben met polytheïsme (meergodendom). Volgens Van Wolde gaat de tekst niet over ‘moraliteit’ maar over ‘mortaliteit’: de godenzonen verwekken kinderen bij de ‘toffe’ dan wel ‘goede’ mensendochters, die sterfelijk zijn. God wil wederom voorkomen dat de aarde overbevolkt raakt. De mensen zullen niet ouder dan 120 jaar worden. Er is sprake van ‘nemen’ en niet van ‘huwen’ omdat de laatste inzetting nog niet bekend was. Het verhaal over Noach en de vloed komt ook voor in andere oude verhalen (zie “De wereldwijde vloed” van Tjarko Evenboer). Van Wolde bespreekt een paar Mesopotamische vloedverhalen waarin de reden wordt gelegd bij het lawaai dat de mensen maken, waardoor de goden niet meer kunnen slapen. In het Bijbelverhaal vreest God dat de aarde er aan gaat: “… Het is kiezen of delen: onder het motto ‘red de aarde, verwijder de mensen’ gaat hij aan de slag…”. Het anti-scheppingsverhaal correspondeert met het scheppingsverhaal qua aantal dagen. Omdat alles wat in het hart en de gedachten van de mens opkomt slecht is zal niet de mens, maar de aarde, centraal staan bij God: “… Voortaan zullen alle dagen van de aarde, zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden te bestaan…” (Gen. 8 vers 22). Na de vloed brengt Noach een ‘rustgevend’ offer. Nu wordt duidelijk dat de zonde van de mens het respectloos omgaan met het levensbeginsel van de andere geschapen wezens is, dat zich uit in ‘moord en doodslag’.

Outsiders

Van Wolde legt uit dat de namen van God verschillende kanten van God aanduiden. ‘Elohim’ staat voor God an sich wiens aandacht uit gaat naar de schepping an sich. JHWH laat het aspekt zien waarmee God in contact treedt met de mens. God kan door de naam JHWH niet uitputtend worden beschreven. Erachter zit de godheid als een niet te grijpen entiteit. Net zoals ‘erets’ staat voor de aarde an sich, en ‘adama’ voor het relationele gezicht van de aarde. Het doet me een beetje denken aan het, afhankelijk van onze waarneming, deeltjes- of golfkarakter in de subatomaire wereld van de kwantumfysica. Van Wolde laat zien hoe door de christelijke interpretatie van het verhaal over de dronken Noach die zijn zoon Cham vervloekt de slavernij en het kolonialisme werden goedgepraat. Genesis 10 vertelt over het ontstaan van de volkeren op aarde: “… Sjem is de vader van alle kinderen van Eber: de nomaden, Cham is de vader van alle bewoners van koninkrijken en steden: de sedentairen, Jafet is de vader van alle kust- en eilandbewoners: de zeevaarders…”. Over de landlozen: “… De ‘abiru’ zijn de trekkers, de nomaden, de outsiders van die tijd. In een bepaalde periode zijn deze abiru zozeer in aantal toegenomen, dat zij met name in Egypte een bedreiging gingen vormen voor de autochtone bevolking. Vandaar dat men hen uit Egypte heeft verdreven…”. Veel Bijbelgeleerden zijn er van overtuigd dat deze abiru de oorspronkelijke Hebreeërs waren. Zie de uittocht van de Hebreeuwse slaven uit Egypte. JHWH is de God van een bepaalde sociale klasse: van de niet-bezitters, de have-nots. JHWH trekt op met de trekkers. Ook het verhaal over ‘de toren van Babel’ in Genesis 11 duidt Van Wolde niet negatief. Volgens de traditionele christelijke visie gaat het om mensen die in hun arrogantie en hoogmoed God van de troon willen stoten. Volgens de traditionele Joodse visie is het een verhaal over de verscheidenheid van talen als voorwaarde voor de verspreiding van mensen. De hemel (sjamajim) staat immers helemaal niet voor de woonplaats van God: “… De hemel is het uitspansel tussen de wateren en God woont niet in dat uitspansel en evenmin op aarde, want hij houdt zich buiten de schepping op. De hemel is geen teken van God, zoals ook blijkt uit het feit dat God in vers 5 moet afdalen om de toren met zijn top in de hemel te kunnen bewonderen…”. Het gaat niet om straf maar om noodzaak. De aarde moet gevuld en bewerkt worden.

Het nut van verhalen

Na deze Genesisinterpretatie volgt een schitterend essay over het vertellen van verhalen, waarna diverse scheppingsmythen uit andere culturen aan bod komen. Het leven is geen verhaal en bevat geen strakke lijn van gebeurtenissen. Het verhaal verschaft een kontekst aan gebeurtenissen. Een verhaal tracht het leven te begrijpen. Het verhaal maakt materie tot drager van een idee of een beeld. Verhalen spiegelen de werkelijkheid en zijn tegelijk fantasie. Door het verhaal scheppen wij de wereld opnieuw. Door te lezen stappen wij telkens een andere wereld binnen. Verhalen houden niet op bij het materiële: “… De verwondering over en de vragen bij het leven vormen de basis ervan. Materie wordt daarin de drager van een andere orde en de verhalen verschaffen de mensen een andere vorm van werkelijkheidsbeleving die hun aanwezigheid in de wereld of hun leven intensiveren en verdiepen…”. Een verhaal zegt veel meer dan enkel de kernboodschap. Stel je voor dat het verhaal over ‘de Toren van Babel’ was afgedaan met ‘de mensen moeten zich over de aarde verspreiden’. Zou Bruegel ooit een schilderij gemaakt hebben bij zo’n boodschap? Zou je ooit overwegen je leven te veranderen op grond van een affiche op het station met de tekst: ‘God redt’? Het Exodus-verhaal maakt toch echt meer indruk. Woorden, taal en kultuur zijn voorgegeven: “… We kunnen niet buiten de geschiedenis om bij God komen, niet buiten onze kultuur om bij de zaak zelf of bij de kern komen…”. Verhalen zijn richtinggevend. We vergeten vaak dat de evolutietheorie ook een voorlopig verklaringsmodel is, waarvan wij vinden dat die op dit moment het beste bij onze huidige kultuur past. Verhalen eisen een bepaalde mate van openheid en flexibiliteit bij de lezer: “… Zij moeten in staat zijn de luiken naar de wereld open te zetten, nieuwe samenhangen en ordeningen te verwerven en verwerken…”.

Enkele duizenden scheppingsvoorstellingen
Over de hele wereld bestaan er enkele duizenden scheppingsverhalen waarvan Van Wolde er een stuk of twintig bespreekt. Ze begint met het Babylonische scheppingsepos waarin er sprake is van zout en zoet water waaruit slib wordt gevormd: Mesopatamië. Het gaat over de gevechten die er tussen de goden uitbreken en de geboorte van de hoofdgod: Marduk. Dan gaat het naar India. De Rigveda: “… Toen werd geboren uit de kracht van hitte / het Ene, de vormloze leegte, / Verlangen bracht het tot ontwikkeling. Verlangen, het eerste zaad van bewustzijn. / De wijzen die het eigen hart met wijsheid onderzochten / ontdekken dat datgene wat is, verwant is aan wat niet is…”. De Upanishaden, waarin het gaat over de Mens, die niet blij is omdat hij alleen is: “… Hij liet zich in twee delen uiteen vallen en uit hem werden een man en een vrouw geboren. Daarom is men zelf als de helft…”. Uit China komt het verhaal over de reus Pangu die uit een ei barst: “… De lichte zuivere delen van het ei stegen op en vormden de hemel; de zwaardere en onzuivere delen vielen naar beneden, waar ze de aarde vormden. Dit was de oorsprong van de krachten die yin en yang worden genoemd…”. Pangu duwt de hemel en de aarde uit elkaar. In Australië zingen de Aboriginals het land tevoorschijn, wat doet denken aan de Bijbelse God die schiep door middel van het Woord. Soms worden de woorden waarmee Io, het opperwezen van de Maori’s in Nieuw Zeeland, het licht deed verschijnen in de duisternis gebruikt bij een ritueel om somberheid en depressiviteit te verlichten. Op Hawaï doet een verhaal de ronde dat alles geschapen is uit een kalebas die in zee dreef en door God in de lucht werd gegooid, waarop hij open barstte. Er ontstond een ‘Rode Aarde Man’, evenals Adam. Het gaat over de “Popul Vuh” van de indianen in Guatamala, waarin mensen van hout, de voorlopers van de apen, door de Grote Vloed omkomen, omdat ze niet in staat zijn hun goden te eren. Acht Afrikaanse scheppingsvoorstellingen volgen. En er is aandacht voor het Griekse verhaal.

Oer
Zelf vind ik de helden- en godenverhalen uit de IJslandse Edda het mooist. Misschien omdat het een soort oergevoel oproept, omdat daar mijn afstamming ligt? De Völuspá, is het eerste en beroemdste lied van de Edda: “… De Völuspá wordt uitgesproken door de zieneres. De oude sagen vermelden veelvuldig zieneressen die in hoog aanzien stonden. Op grote feesten trok de zieneres met haar gezelschap maagden door het land, waar ze ook kwam, was zij de kroon op het feest. Zittend op een hoge zetel in de grote zaal sprak zij haar bezweringen, zong ze liederen en voorspelde aan elk van de gasten afzonderlijk hun lot…”. Het gaat over Reuzen en Dwergen en Trollen, over Midgaard en de heilige es Yggdrasil, over Odin en de bron Lot. Het christendom werd niet van bovenaf opgelegd, zoals gebruikelijk, maar door de IJslanders uit eigen beweging aangenomen (zie ook Henk Vreekamp in “Als Freya zich laat zien”). Verder gaat het over de vijftig ‘runen’ of gezangen in de Finse Kalevala. Van Wolde eindigt met een evaluatie van de big bang- en evolutietheorie, die volgens haar maar één kant van het verhaal over de aarde zijn: “… Het verdient daarom de voorkeur naast de evolutietheorie met zijn zinvolle deelperspektief, ook de andere ziens- en benaderingswijzen zoals onder meer uitgedrukt door verhalen, poëzie, muziek, geloofsuitingen te handhaven. Dan kan de natuur naast haar kwantitatieve kant ook weer een kwalitatieve kant van de werkelijkheid, de mensen en het leven laten zien. Die verhalen vervangen niet de wetenschap, maar vullen aan waar de wetenschappelijke theorieën te kort schieten. Dan kan een verhaal als dat van Kaïn en Hevel laten zien, dat er meer is dan ‘the survival of the fittest’. Terwijl de evolutietheorie de natuur laat zien als iets waar de sterkste overleeft, kan een verhaal van Kaïn en Hevel aantonen dat ook de zwakkeren, de niets-waardigen recht van leven hebben. Dat is het verhaal dat godsdiensten te vertellen hebben, of zij jodendom, christendom of islam heten. In hun verhalen nemen zij principieel stelling tegen de mentaliteit waarin ieder alleen voor zichzelf opkomt om te overleven. Daar waar de natuur en de natuurwetenschap zich koncentreren op de ‘winners’, laten de godsdiensten en hun verhalen een keuze zien vóór al de anderen, de zwakkeren en degenen die voor het voortgangsproces van de geschiedenis van geen belang lijken zijn. Zij kiezen voor de figuranten op het strijdtoneel van het leven…”.

Uitgave: Ten Have – 1995, 275 blz., ISBN 902 594 596 1, € 18,45
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 4 september 2019

De muur – John Lanchester


Binnenkort ga ik met een leeskring “De muur” van John Lanchester (1962, journalist annex romanschrijver, publiceerde veel met betrekking op de economie) bespreken. Een dystopische roman over Engeland in de trant van “Brave New World”, “1984”, “The Handmaid’s Tale” en “De ontelbaren”, al haalt Lanchester het niveau van voornoemde boeken niet, vind ik persoonlijk. Maar dan heb ik het ook over iconen van auteurs. Lanchesters verhaal is goed genoeg om je vanwege de onrustbarende actualiteit aan je stoel te nagelen. Wat er zou kúnnen gebeuren, dus…

Lucht-kou-water-beton-wind

Lanchester begon “De muur” in 2016 te schrijven, toen er nog geen sprake was van gedoe rond de muur van Trump. Lanchesters muur is langs de hele zeekust van Engeland opgetrokken na de ‘Omwenteling’. Eindeloos beton, vijf meter hoog – drie meter breed. Alle jongeren moeten twee jaar van hun leven opofferen om de muur te verdedigen tegen de ‘Anderen’: vluchtelingen die met bootjes, op een vlot of in een opgeblazen band proberen het vasteland te bereiken. De klimaatverandering heeft geen extreme hitte gebracht, maar extreme kou. Dikke lagen kleding maken zijn collega’s nagenoeg onzichtbaar voor de achttienjarige Joseph Kavanagh, alias ‘de Droge’, die wordt opgeroepen om zijn plicht voor volk en vaderland te vervullen. Een korte training waarin hij leert met een geweer om te gaan, en vooral disciplineoefeningen in slaapverstoring en dat soort dingen, volstaat: “… Het is niet zoals in de film. Je moet niet dapper zijn, je moet doen wat je wordt opgedragen…”. Het is doden of gedood worden. Voor iedere indringer wordt een verdediger de zee op gestuurd. Maar dat gebeurt zelden. De muur vormt een grauwe wereld waarin de tijd nagenoeg stil staat. Kavanough verveelt zich te pletter. Hij moet bijna huilen als de kok hem op de fiets een bakje thee komt brengen en een paar woorden tegen hem zegt. Ieder kruimeltje van zijn energiereep kauwt hij honderd keer: weer een minuut om. En zo twaalf uur op – twaalf uur af. De enige manier om er tussenuit te komen is kinderen te krijgen. Oftewel ‘fokker’ te worden. Maar wie wil er nog babies op de kapotte wereld zetten? Wat voor toekomst heeft een kind, nu de meeste mensen sterven door verhongering dan wel verdrinking? Aan de andere kant, wie moeten er dan in de toekomst de muur bemannen c.q. bevrouwen? P.s. Robots zou ik denken. Ook nog eens efficiënter. Volgens Kavanagh is er vanwege kernenergie elektriciteit zat – brandstof is er weinig.

Generatiekloof
De Anderen die het toch lukt over de muur te komen worden trouwens allemaal gepakt, want iedereen is gechipt. Zonder een chip houd je het ten hoogste tien minuten vol. Ze krijgen een standaardkeuze voorgeschoteld: hulp worden, euthanasie plegen of terug naar zee. De meesten kiezen ervoor hulp oftewel slaaf te worden. Er blijkt een onoverbrugbare generatiekloof te bestaan tussen de ouderen van voor de omwenteling en de jongeren die er na zijn geboren. De ouderen voelen zich enorm schuldig dat ze ‘de wereld verkloot’ hebben en pikken zo’n beetje alles van de jongeren die met de puinzooi opgescheept zitten. De onuitgesproken haat is wederzijds. Het doet me denken aan het leenstelsel voor studenten en het normaal geworden flexwerk waardoor jongeren geen hypotheek kunnen krijgen. Aan de protesten in Hong Kong. Aan deels bewonderenswaardige, deels irritante klimaatactivisten als Anuna de Wever en Greta Thunsberg. Stevenen wij ook op zo’n generatieconflict af? Ik heb er wel geen verstand van, maar zolang collega’s mij vertellen dat ze voor vijftien euro met een vliegtuig naar Polen zijn gevlogen en voor honderdvijftig euro met de trein terug zijn gekomen, lijkt me de daarvoor verantwoordelijken nog niet zo heel erg serieus met het klimaat omhoog te zitten. Is het inderdaad vooral een geldkwestie, zoals klimaatontkenners beweren?! In de roman gebeurt er een lange tijd weinig tot niets. Als Kavanagh een weekje met zijn collega’s gaat kamperen blijkt de post-Brexit wereld potdicht te zitten, want er is geen buitenlands eten meer te krijgen. Verder lijkt er weinig veranderd. Er zijn bossen, huizen, pubs, tv-series en belastingen. Je kunt op vakantie. Je kunt met de trein reizen. De mobieltjes heten ‘communicators’. Kavanagh denkt en droomt als iedere jongen van achttien. Over seks natuurlijk. En rijk worden. Hij zou bij de elite willen horen in plaats van bij het gewone volk. Hij vraagt zich af wie hij is: “… Wanneer iemand naar de muur ging, nam hij de persoonlijkheid van een verdediger aan. Hoe iemand was als hij niet op de muur was, kwam misschien dichter bij zijn ware zelf. Of misschien ook niet, denk ik nu. Misschien is er geen waar zelf, maar alleen verschillende versies van ons die we aannemen in verschillende omstandigheden en in gezelschap van verschillende mensen…”. Hij wordt dronken.

Geloosd
Zoals ik in mijn vorige blog schreef: een verhaal heeft drama nodig. Pas halverwege het boek komt er eindelijk wat actie. Nadat een politicus tijdens een speech heeft aangekondigd dat er meer activiteit van Anderen is waargenomen op zee, dat het geen vraag meer is óf maar wannéér ze komen en dat er waarschijnlijk binnenlandse geheime netwerken met sympathisanten bestaan die hen helpen, wordt de sectie van Kavanagh aangevallen. Hij raakt gewond. Belandt in het ziekenhuis. Ook zijn collega, Hifa, op wie hij verliefd is, komt oog in oog met de dood te staan. Samen besluiten ze te kiezen voor het leven en zich voort te planten. Fokkers hebben bepaalde voordelen en keuzes. Enigszins grappig is Kavanaghs confrontatie met zijn kunstzinnige schoonmoeder, een dramaqueen ten top, die hem wil schilderen, maar eerst moet uitzoeken wat zijn totemdier is. Blijkbaar een geit: “… Een zeer vindingrijk dier – ze kunnen op restjes leven…”. Op een rustig gedeelte van de muur krijgt het stel een tweede aanval te verwerken die minder goed afloopt. Uitgerekend hun gewetensvolle commandant blijkt een saboteur te zijn. Ze worden gearresteerd. Er zijn Anderen over de muur gekomen dus het vonnis is onverbiddelijk: ze worden naar zee verbannen. Geloosd in een reddingsboot met de nodige proviand. Een aantal dagen en nachten roeien ze zuidwaarts, tot ze op een eiland stuiten. De rotswand stijgt overal loodrecht uit zee. Aanmeren is niet mogelijk. Echter, aan de luwzijde ontdekken ze een soort drijvend dorp van acht schepen en een stel vlotten. Een Robinson Crusoë-achtig bestaan vangt aan. Kavanagh, die goed kan zwemmen, wordt duiker. Oogst zeewier en schelpen van de zeebodem voor de broodnodige vitaminen. Hifa blijkt een hele handige visser te zijn.

Shakespeare

Ze hadden in deze zelfvoorzienende gemeenschap oud kunnen worden, ware het niet dat ze worden aangevallen door een piratenschip. Ternauwernood redden Kavanagh en Hifa als enigen het vege lijf door er in de reddingssloep vandoor te gaan. Weer dobberen ze op zee rond. Gelukkig gesteund door een voorraadje eten en drinken in een geheime bergplaats. Dit maal doemt er een booreiland op. Na een voor een de pilaren te hebben onderzocht waarop de hele installatie staat, verschijnt er aan de eerste ineens een ladder. Iemand heeft hen opgemerkt. Ze zijn welkom. Een gek geworden kluizenaar is de enige aanwezige op het boorplatform waar het stel een onderkomen vindt. In een van de slaapvertrekken van de vroegere bemanning ontdekt Kavanagh een dikke paperback met een gescheurd kaft: de verzamelde werken van Shakespeare. Het doet me denken aan “Station Elf”, waar een reizend toneelgezelschap in een apocalyptische wereld ook al Shakespeare opvoert. Zolang er nog sprake is van Shakespeare…

Uitgave: Prometheus – 2019, vertaling Janet Limonard en Frank van der Knoop, 304 blz., ISBN 978 904 464 047 2
Rechtstreeks bestellen: klik hier