Menu

zondag 6 mei 2018

Hoor nu mijn stem – Franca Treur


De derde schrijver die ik onlangs in levende lijve meemaakte is Franca Treur (zie eerder: Alex Boogers en Els Florijn). Ze gaf voor het eerst een lezing in haar geboortedorp Meliskerke, wat nog best spannend was, want de streng-christelijke enclave heeft haar niet bepaald in dank afgenomen hoe ze hen op de kaart heeft gezet in "Dorsvloer vol confetti". Je schijt je eigen nest niet onder, vond men. Gelukkig viel het allemaal erg mee. De in grote getale opgekomen aanwezigen waren allemaal heel aardig voor haar, kan ik u verzekeren. Inmiddels zijn we natuurlijk ook al weer bijna een decennium verder. Treur had twee grote vragen: ‘Kun je ooit je opvoeding vergeten?’ en ‘Kunnen een gelovige en een ongelovige elkaar echt begrijpen?’. Daar gaat “Hoor nu mijn stem” over. Treur vertelde dat ze niet meer gelovig is omdat ze geen weg weet met de opgedrongen angst voor de hel en met het feit dat er in haar geloofsgemeenschap geen vrágen gesteld mochten worden. De laatste opmerking haakte zich in mij vast omdat ik net “Morgen zal het Pasen zijn” aan het herlezen was, waarin André Troost (zie hier) het volgende schrijft: “… Misschien heeft de kerk zelf wel een groot aandeel in de geloofsafval die we in onze dagen beleven. Wanneer wij, als pastores, geen tijd meer hebben om verhalen te horen, geen tijd meer hebben om aandachtig te luisteren naar wat mensen beroert, zouden dan niet de onuitgesproken vragen, de ingehouden klachten zich gaan nestelen in het menselijk hart en de ziel verlammen en vermoorden? Miskotte zei: ‘Het atheïsme is de noodzakelijke neerslag van verdròngen vragen. De atheïst is de mens, die in geen enkel opzicht is klaar gekomen met het leven. In het donker woekert de verbittering over alles wat voor eeuwig onbeantwoord bleef voort. De atheïst is de mens met het ingeklemd leed.’…”. Mijn vorige blog (zie hier) gaat over een strenge joodse familie. Er zijn in het oog springende overeenkomsten aan te wijzen met de strenge gereformeerden, en ook met de strenge pinkstergelovigen (zie “De erfenis van Adriaan”). Bijvoorbeeld over het gevoel in een ‘biotoop’ dan wel ‘reservaat’ leven. Maar er is ook een frappant verschil – wat betreft dat ‘vragen’. Neem de veertienjarige Jakov die meedeelt: “… In de sjoel spreken en discussiëren we over wat we lezen. Wij hebben geen vaste waarheid, zoals jullie. Wij discussiëren over teksten, over de uitleg ervan, de commentaren erop, de interpretaties. Wij hebben uitleg over uitleg over uitleg. Jullie zijn zo niet.’…”.

Humor

“Hoor nu mijn stem” gaat over de Zeeuwse Ina die in haar latere leven Gina wordt. Als de veerienjarige joodse Jakov in “Mazzel tov” haar de les leest over haar zondigheid knettert Margot Vanderstraeten in mijn vorige blog: “… Ik zei hem dat hij, snotjongen, de pot op kon. Dat hij, met zijn provinciale geest, hij, die zijn gemeenschap nog nooit verlaten had, misschien zichzelf en de zijnen eens in vraag moest stellen. Dat niet iedereen koos voor een leven in een dwangbuis. Dat er nog zoiets als vrijvechten bestond, en dat alleen al dat proces vol vallen en opstaan de moeite van de verkenning waard was. ‘Je zit in een keurslijf en je hebt het niet eens door: hoe enggeestig is dat?’…”. Vrijvechten: dat is precies wat Gina heeft gedaan. En Treur zelf ook. Ik koester daar diepe bewondering voor – want zo makkelijk is dat niet. Nu zou je misschien denken dat “Hoor nu mijn stem” een enorm serieus en triest verhaal is, en die kant heeft het zeker. Maar ik heb me ook te barsten gelachen. Treur heeft een zeldzaam droog gevoel voor humor die ook in “De woongroep” naar voren komt. Best opmerkelijk voor een dame. Of is het doordat ik dan misschien zelf geen (ex) ger.gemmer ben, maar wel van de biblebelt kom, en dus genoeg ben tegengekomen om te begrijpen wat ze bedoelt? Het zijn niet alleen de religieuze grapjes, ook over de seculiere wereld kan ze bepaald spottend uit de hoek komen. Na een fragment over de wetenschappelijke feiten inzake de studie psychologie die alweer zowel Gina als Treur zelf hebben gevolgd: “… Het waren interessante kwesties, maar de meeste psychologiestudenten waren niet bijster geïnteresseerd in de wetenschap, ze waren geïnteresseerd in hun eigen gevoelens. Ze spraken over hun binnenste alsof daar kostbare ertslagen waren, met onderin een bodempje goud. Ze waren van plan klinisch psycholoog te worden, om mensen met psychische problemen te helpen, maar bij sommigen vroeg ik me af of ze het wel konden opbrengen om zo lang te luisteren naar iemand die zij niet zelf waren…”. Hoe dan ook, als je om je eigen ontoereikendheid kunt lachen, ben je een eind op weg om een evenwichtig mens te worden, denk ik tegenwoordig steeds vaker.

Tétten
Het verhaal. Een meisje - Ina - groeit op in een gereformeerd dorp aan het eind van de wereld, op Walcheren. Haar ouders zijn omgekomen tijdens een auto-ongeluk toen ze drie was. Ze geeft zichzelf daarvan de schuld. Ze had zo hard in haar bedje staan krijsen dat haar opa en twee ongetrouwde oudtantes, die op haar pasten, geen raad met haar wisten en haar ouders hadden gesommeerd hun dochter alsjeblieft op te komen halen. En toen was het dus gebeurd. Als zij niet… dan had niet… De drie oude mensen nemen haar in huis. Hoe abnormaal kan je opvoeding zijn?! Treur tekent de mensen in Ina’s omgeving ten voeten uit, de één nog gekker dan de ander. Het mooie aan de geschetste boerengemeenschap vind ik toch wel dat iedereen zonder meer wordt geaccepteerd zoals die is. Over een vrijgezelle buurman waar Ina, inmiddels student, zondags uit compassie een uurtje op bezoek gaat: “… Toen begon hij over iets wat hem was opgevallen, namelijk dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen aan het verdwijnen was. Hij schudde een flinke zak zoute pinda’s uit boven twee houten bakjes. Vroeger hadden vrouwen allemaal lang haar en een rok, zoals hier op het dorp, maar in de stad is dat tegenwoordig niet meer zo. Hij merkte dat als hij naar de markt ging in Middelburg, of naar de boulevard in Vlissingen, eigenlijk overal waar hij ook keek, alsof iemand hem iets probeerde te vertellen. Niet dat iemand hem het hoefde te vertellen. Hij had zijn eigen ogen toch zeker? Niet de allerbeste, maar hij vulde ze aan met zijn verstand. In Leiden zag ik dat toch zeker ook wel? Ja, zei ik. Ik zei nooit zoveel bij Rinus. Ik vond zoute pinda’s lekker, dus wat ik voornamelijk deed was in een stevig tempo pinda voor pinda mijn bakje leegeten. Zien deed eten. Rinus hield zijn hoofd achterover, opende zijn mond, schoof zijn onderkaak naar voren en korrelde een hele zwik pinda’s tegelijk naar binnen. Vrouwen in broek, bedoel je toch? Zei ik. Ja, die had ik in Leiden ook gezien. Op de universiteit zag je niet zoveel rokken. Dus dan moet je – hij jongleerde een tijdje met een klont vermalen pinda’s in zijn mond, tot ik hem beter kon verstaan – dan moet je dus, om te weten of iemand nu een man of een vrouw was, heel erg goed kijken of ze tétten hebben. Hij sprak het woord met veel nadruk uit. Als ze tétten hebben, vervolgde Rinus, dan is het een vrouw…”. Daar is geen speld tussen te krijgen.

Aanpassen
Het verhaal jongleert tussen de bijna-veertiger Gina, zoals Ina zich heeft laten noemen, en het meisje dat ze ooit was. Eigenlijk is Gina weer terug bij af. Als ze per trein terug reist naar Zeeland, omdat het niet goed zou gaan met tante Sjaan, één van haar pseudomoeders die al een tijd dement in een bevindelijk gereformeerd bejaardentehuis zit – wordt ze aan de kant gezet bij de radio-omroep waar ze een topbaan heeft. Haar laatste vriendje heeft haar ingeruild voor een knappe studente. Wie is ze nu helemaal?! Je zou kunnen zeggen dat haar identiteit langzaam in duigen valt. De andere oudtante, tante Ma, heeft haar hele leven een hoge status genoten in de gesloten gereformeerde gemeenschap, want: écht bekeerd. Ina heeft zich, evenals het overige kerkvolk, altijd aan tante Ma aangepast. Dat doet Gina nog steeds. Ze heeft haar haar laten afknippen in verband met een goed doel: vrouwen met borstkanker. Ze trekt niet alleen een rok aan als ze richting Zeeland gaat, ze heeft dit keer ook nog een pruik opgezet, want tante Ma mocht zich eens dood schrikken bij het zien van haar rattenkop. Tante Ma eist dat haar hele omgeving zich naar haar schikt: “… De coherentie van haar eigen gedachtewereld was onaantastbaar. Ze hoorde nog net wat er gezegd werd, maar ze reageerde zonder een seconde bedenktijd. Nooit zou ze door een opmerking van Gina van gedachten veranderen. Er zat voor haar geen bekoring in een nieuw gezichtspunt. Een nieuw gezichtspunt was voor tante Ma een stap richting de hel. Je kon van haar niet verwachten dat ze daar de bekoring zocht…”. En als de hele wereld zich altijd zonder tegengas naar haar heeft gevoegd, is het niet raar dat ze daar op den duur aan gewend is geraakt - denk ik dan. Ik moet bij dit soort zaken altijd aan een fragment uit de magistrale roman "De overgave" van Arthur Japin denken, waarin hij een rondtrekkende baptistische preektijger het volgende in de mond legt: “… Ik kan het laten donderen, weet u, als ik wil. Dat is de macht die mensen je geven, alleen doordat ze mij op het spreekgestoelte zetten en zelf gaan zitten luisteren. Je kunt ze met je woorden laten sidderen, maar alleen wanneer zij dat zelf graag willen…”. Evenals Gina, heeft tante Ma, op haar manier óók de top bereikt. Tante Sjaan staat haar hele leven in de schaduw van haar gevierde zus. Zégt zelfs nooit iets uit zichzelf, “… alsof ze zich afvroeg waarom mensen eigenlijk praatten. Haar levensdoel leek het om niet op te vallen, en dat lukte haar fantastisch. Ze kon gewoon aan tafel zitten of aan het aanrecht bezig zijn zonder dat je haar werkelijk zag, tot haar maag luid rommelde en je je ineens realiseerde waar dat geluid vandaan kwam…”.

Lombardeffect
Treur gebruikt fantastische woordspelingen en metaforen. Als Gina op een station haar ex meent te zien, oneerbiedig: “… Wat mankeerde ze? Eergisteren had ze hem nog in Hilversum zien lopen, boven aan een trap, en later die dag had ze hem door de straat zien fietsen. En nu hier. Jean-Paul zien was net zoiets als Jezus zien. Er was er maar één van, maar als je er een beetje ontvankelijk voor was zag je hem overal…”. Na slecht te hebben geslapen over haar hoofd: “… Het voelde aan alsof het de hele nacht op het balkon had gelegen…”. De treincoupé is leeg “… als een oude kerk…”. Over haar weerspiegeling in het raam: “… Een aap in een kooi kon er niet stommer bijzitten…”. Jean-Paul is een ornitholoog die een artikel heeft geschreven over het lombardeffect bij zangvogels: “… het verschijnsel dat vogels harder, maar ook vaak hoger gaan zingen als de omgeving lawaaierig is, zoals in steden...". Het verschil tussen stadsvogels en vogels op het platteland wordt soms zo groot dat ze elkaars lokroep niet meer verstaan. De gelijkenis met Gina is treffend. Je zou kunnen zeggen dat zij inmiddels ook niet meer zingt zoals ze gebekt is: “… Niemand bij de radio wist welke inhaalslag ze had gemaakt om te kunnen doen wat ze nu deed. Niemand had ook maar het minste vermoeden dat ze tot ver in haar volwassen leven niet had geweten wie Michael Jackson was, wie Andre Agassi en wie Jos Brink. Dat ze bij beroemdheden in eerste instantie aan dominees en oudvaders dacht…”. Over het doodstille leven dat ze vroeger leidde: “… Soms hoorden we een scheepshoorn, het mooiste geluid dat er bestaat…” (waar ik het als Vlissinger van harte mee eens ben). Gina heeft tante Ma nooit verteld dat ze voor de radio werkt, want in de radio zit de duivel. In het huis van opa wordt er alleen geluisterd naar “… het ruisen van elkaars zenuwen…”. Ze vertelt over tante Sjaan die in haar onderjurk naar de kerk wil en almaar antwoorden geeft op ongestelde vragen. Over de oudjes in het verpleeghuis: ”… Hoe ver ze ook heen waren, niemand beschouwde de bewoners al als opgegeven, al snoten ze hun neus in het gordijn, hadden ze alleen nog vieze praatjes, of zaten ze erbij, zoals tante Sjaan, alsof ze niet eens meer ademden…”. Over de ongehuwde staat van haar oudtantes: “… Misschien hadden ze op de ware gewacht, zoals een teek soms wel twintig jaar wacht om zich uit een boom te laten vallen op een mens of een dier met de juiste geur, de juiste temperatuur, zodat hij zich vol kan zuigen met precies het goede bloed. Het leek me typisch iets voor de tantes: afwachten. Was het leven voor hen een teleurstelling geweest? …”.

De zuivere Waarheid
De tantes van Ina mogen dan vreselijk saaie pieten zijn, opa is een leuke man. Ze mag met zijn luchtbuks schieten op eksters, terwijl hij uit het zicht van de ramen van de nette kamer een paar slokken oude klare tot zich neemt. De lange vader van een vriendje, die hij daarom 'Psalm 119' (de psalm met het grootste aantal verzen) noemt, luistert preken in zijn trekker: “… O ja? Vroeg opa. Hij richtte op een punt veel te ver boven de schuur. Daar zal hij dan wel keurig recht van ploegen…”. Over de rare Lein de Witte: “… Een sukkelaar, zei opa. Hij verzorgde zijn moeder, die een ziekte had die volgens opa ‘op je dikke kont zitten’ heette…”. Lein weet heel goed wat ‘de zuivere Waarheid’ is: “… Lein had alle dominees ondergebracht in schema’s op met plakband aan elkaar geplakte kartonnen vellen die ze in de stomerij in zijn overhemden stopten, en die hij opgevouwen als een harmonica onder zijn arm droeg. De schema’s waren elke keer als hij langskwam weer bijgewerkt en hij stond erop aan tante Ma verantwoording af te leggen over de wijzigingen. Het kon zijn dat een dominee zich op een bepaalde manier had uitgelaten in het Reformatorisch Dagblad, een van de kerk- of gezinsbladen of in een lokaal orgaan, waardoor Lein zich genoodzaakt had gezien om hem naar links of naar rechts te verplaatsen op de schaal van de toe-eigening van het heil. Lein had op al deze bladen een abonnement. De Gezinsgids en de Terdege waren van zijn moeder, want die las ze graag…”. Als Ina meer van psychologie weet zal ze hem duiden als autist. Allerlei mensen komen langs om zich door tante Ma te laten beoordelen op hun geestelijke staat: “… Tante Ma was hun rechter en beul. Van die mensen toetste ze hun zondebesef…”. Iedereen vindt zichzelf de allergrootste zondaar die er bestaat. Opa en Ina krijgen dan altijd zin om te vragen of ze nog erger zijn dan Adolf Hitler. “… tante ma was streng. Ze stuurde mensen niet snel naar het Avondmaal. Integendeel, aan de orde van het heil viel niet te tornen. Ik weet zeker dat er op het dorp mensen zijn die haar het liefst in een donker hok zouden stoppen en dan de deur dichtlassen…”. Gnuivend bestuderen opa en Ina de contactadvertenties in het Reformatorisch Dagblad of er niet wat bij zit voor Rinus. Als opa ziek wordt verzorgen de vrouwen hem als kloeken: “… We waren gewend thee voor hem te zetten, hem te verschonen, pap te voeren, gemorste kloddertjes af te vegen van de stoppels van zijn kin. Nu trokken we om beurten zijn pyamajasje recht en nog rechter, keken naar zijn gebit, keurig schoongemaakt, vroegen ons hardop af of we het niet liever in zouden doen (stierf je niet liever met je tanden in je mond?) en lieten het vervolgens liggen waar het lag, op een schoteltje op de verrijdbare bedtafel. Voor de vorm pakten we de kam die ernaast lag, maar zijn haren, voor zover hij ze nog had, lagen al in gelijkmatige streepjes klaar over zijn schedel. Er was niets meer te doen; toch bleven we nog om hem heen lopen, hier en daar de matras een zacht klopje gevend…”.

Moedeloos
Als kind voelt Ina zich door en door zondig: “… Voor het oog viel het misschien nog mee met mij, maar dat was schijn, de kern was verrot. Ik was een naamchristen …”. Later zal haar vriendin bout beweren: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Over Gods’ uitverkiezing: “… Diep in mijn achterhoofd was er altijd het knagende besef dat Hij mij nooit zou vergeven, omdat Hij mij niet moest. Ik begreep dat heel goed. Ik moest mezelf ook niet…”. Over het geloof waarin ze is opgevoed: “… Ze vertelde hem hoe bevindelijk gereformeerden zich van ‘gewoon gereformeerden’ en van de rest van het protestantse spectrum onderscheiden ‘door een moedeloos makend geloof in verdiende verdoemenis en schier onmogelijk verkrijgbare verlossing. Ook bevindelijk gereformeerden gaan uiteindelijk gewoon naar de hel. Net als jij en ik.’ Jij niet, zei Jean-Paul verliefd. Jij gaat huppekee naar de hemel. Alleen degenen die een wonder hebben meegemaakt gaan naar de hemel. Het gekmakende is, zei ze toen ze Jean-Paul glazig zag kijken, dat je dat wonder niet kunt oproepen of verdienen. Je kunt het alleen kríjgen. De kans dát je het krijgt, is alleen heel erg klein. Piepklein. Terwijl mensen juist zo graag gerust willen zijn. Gerustgesteld willen worden. Zodat ze er niet langer over hoeven na te denken. Net als in de liefde. Dat viel haar nu pas op…”. En even verder: “… Het enige willen dat je heel erg moet willen, dat moet je geschonken worden. Wie kon daarop zitten wachten zonder het Spaans benauwd te krijgen?...”. Moeiteloos schudt Treur de formules uit haar mouw waar de gereformeerde kerkdienst voor een groot deel uit bestaat. Echter, de refowereld mag dan beklemmend zijn, de omroepwereld is dat niet minder: “… na een tijdje kwam ze erachter dat het allemaal zo vrij niet was, dat er ongeschreven regels waren, voorgeschreven opinies over goede smaak, en een voorkeur voor hoge cultuur – alles wat onbegrijpelijk was en onverkoopbaar -, alsof ze standaard een Aula-pocketje voor zich hadden liggen, opengeslagen bij Adorno …”. Haar enige hoop ligt in de medemens, beseft Gina. Dat maakt haar kwetsbaar. Het geloof voorziet niet in haar geestelijke behoeften, maar Jean-Paul doet dat evenmin. Alles is leegte: “… De treurigheid kwam nu alsnog in grote golven op haar af. Waar waren nu de dichtregels, de filmfragmenten, de wijsheden van grote geesten die op een moment als dit dienst behoorden te doen? Waarom had ze anders al die boeken gelezen, films gezien, musea afgestruind, als het niet was om te voorzien in een behoefte van haar ziel?...”.

Ongelofelijk geloof
Prachtig vertelt Treur hoe Ina langzaam losweekt uit haar omgeving. Eerst door met de bus naar een middelbare school te gaan. Wél een reformatorische natuurlijk, waar ze haar eerste lief, de zoon van ‘Psalm 119’, laat zitten voor een écht vriendje. Hierdoor komt ze tenminste in een ‘gewoon’ gezin - nou ja, ‘gewoon’ - terecht. De vrouw van de dominee krijgt de tantes zo ver dat ze mag gaan studeren. Vervolgens gaat ze op kamers. In Leiden, tussen allerlei christenen van beiderlei kunne. Op de reformatorische studentenvereniging worden dan wel gigantisch saaie Bijbelstudies gehouden, na afloop drinken ze zich op de normale manier te pletter, zoals het studenten betaamt. Op filosofiecolleges wordt Ina geconfronteerd met moderne schriftkritiek en zo verliest ze uiteindelijk haar geloof. Het hele verhaal deed me in allerlei opzichten denken aan de uitleg die Alain Verheij in “God en ik” geeft over de eerste en tweede naïviteit (zie hier). Het gevaar van in de eerste naïviteit te blijven hangen. ‘Psalm 119’ voelt een roeping om dominee te worden. Vol Godsvertrouwen vertrekt hij met zijn gezin naar Canada zonder de Engelse taal machtig te zijn. God zal hem de woorden in de mond leggen. Net als bij het wonder met Pinksteren toen alle gelovigen de discipelen in hun eigen taal hoorden spreken (Handelingen 2). Natuurlijk staat hij op de kansel met een mond vol tanden. Hij raakt er totaal overspannen van. En als je het hebt over de tweede naïviteit: “… toch, toen ze aan een wereld dacht zonder bevindelijk gereformeerden en hun ongelofelijke geloof, zonder mensen als tante Ma en de Verhagens, die met hun geloof en hun geheimtaal God tot aanwezigheid dwongen, toen voelde ze ook een verlies, dat niet met wat voor kunst dan ook te compenseren was, ook al schreef je het met een hoofdletter K. Wie wilde er nu een absoluut werkelijke wereld?...”. De gereformeerde kleinzoon van ‘Psalm 119’ komt over naar Nederland en raakt betrokken bij Gina. Na een paar pilsjes wil hij de pruik van Gina passen en vraagt Gina zich af of ze met een homo van doen heeft. Gina denkt precies als Margot Vanderstraeten in “Mazzel tov”: “… ja, pak jezelf beet, verlaat de wereld waar je niet voor gekozen hebt, schiet jezelf het leven in, blind als een diepzeevis die voor het eerst omhoogzwemt, maar vertrouw op je uitrusting…”. Treur vertelde dat alleen al het feit dat iedere gelovige zijn eigen godsbeeld heeft haar ongelovig maakt. Maar waarom zou iedereen op dezelfde manier over God moeten denken? Dat willen de gereformeerden ook met hun geestelijke stappenplan. Haar atheïsme lijkt mij net zo rigide als de bevindelijke gereformeerdheid. Gereformeerd atheïsme, zou je dus bijna kunnen zeggen. Op de een of andere manier steekt het tante Ma naar de kroon. Ik las “Hoor nu mijn stem” op een zondag waarop ik met mijn moeder naar de kerk toog, waar de dienst nog wordt begonnen met het oplezen van de wet. Het viel mij op dat het eerste gebod luidt: gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. En wat doet die hele gereformeerde kliek rond tante Ma? Die zetten haar pontificaal tussen zichzelf en God in. Vreemder kan eigenlijk niet. Ondanks alles is en blijft de tirannieke tante Ma een fascinerende persoonlijkheid. Op haar sterfbed zegt Gina dan ook hardop: “… Tante Ma (…) Ik hou van je…”. En aangezien God liefde is…

Uitgave: Prometheus – 2017, 320 blz., ISBN 978 904 462 912 5, € 22,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 24 april 2018

Mazzel tov – Margot Vanderstraeten


Subtitel: Een werkstudente en een orthodox-joodse familie

Met “Mazzel tov” won schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten (1967) de E. du Perronprijs 2017. Ze haalt daarin een orthodox-joods gezin uit de over het algemeen zeer gesloten joodse gemeenschap van Antwerpen naar voren. De jury beoordeelde het als een intelligent relaas over anders-zijn: “… ‘Mazzel tov’ toont hoe je, ondanks deze grote verschillen, van elkaar kunt leren en met elkaar kunt leven…”.

Met die mensen wist je het nooit, wist ze dan toch

Op zoek naar een bijbaantje solliciteert Vanderstraeten als 20-jarige student op een vacature waarin iemand wordt gevraagd om huiswerkles te geven aan vier kinderen tussen de acht en de zestien: “… De Schneiders, zo wist de sociaal assistente, waren joods, maar dat zou normaal geen probleem vormen, en als dat wel het geval zou zijn, mocht ik altijd bij haar aankloppen, zij zou dan nagaan of we samen tot een oplossing konden komen, maar of dat zou lukken, kon ze niet beloven, want met die mensen wist je het nooit, wist ze dan toch, net zo goed als ze wist dat de Schneiders me zestig Belgische frank per uur zouden betalen, wat niet veel was, maar ook niet weinig…”. Aan de telefoon: “… ‘Denkt u u kunt ons respecteren?’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Wij zijn niet zoals iedereen, nest-ce pas. Wij leggen u dat later uit. Ik wil eerst weten: studenten zoals u en vele anderen gaan op zaterdag uit. En zij willen ’s zondags liever niet uit hun bed.’ ‘Ik ben een vroege vogel,’ loog ik…”. Een bezoek volgt. Dwars door de joodse wijk: “… Mannen met volle witte, grijze of zwarte baarden stapten, schijnbaar gehaast, op hun doel af. Ze leken te weten waar ze naartoe gingen, ze keken me niet aan, richtten hun blik een andere kant uit. Hun baard en hun pijpenkrullen, die boven hun oren vertrokken en op hun schouders stopten, wapperden niet door de wind, maar door de snelheid van hun stappen. Net begrafenisondernemers die zich naar de volgende zerk moesten haasten. Een aantal droeg witte kousen onder een zwarte kuitbroek. Hun inktzwarte satijnen jassen – die evengoed van zijde als van polyester konden zijn – zagen er allemaal identiek uit, ze reikten tot onder de knie, en van geen een hing de panden open. Zouden deze mannen zich niet te pletter zweten? En puffen onder hun stijve, donkere hoeden met brede randen? De vrouwen die ik tegenkwam, hadden zo goed als allemaal hetzelfde kapsel: een kastanjebruine tot zwarte pageachtige coupe waarbij het haar de schouders nét niet raakte. Aan een aantal kon je zien dat ze goedkope pruiken droegen. Anderen hadden een doek om hun hoofd geknoopt of een soort muts op, het genre dat mijn moeder en grootmoeder droegen als ze, dra de lente lonkte, de plafonds van het huis herschilderden. Blondines leken in deze wijk een zeldzaamheid. Enkellange rokken en jurken voerden de boventoon. Ondanks het warme weer droegen vele vrouwen panty’s; zwart, oudroze of bruin, een enkele wit. Er viel zo goed als geen decolleté te bespeuren…”. De deur van een sjiek pand wordt geopend door twee giechelende meiden in een blauwe rok en een witte blouse met lange mouwen en tot aan de hals dichtgeknoopt: de dames Schneider. Vervolgens zinkt Vanderstraeten weg in hoogpolig wit (!) tapijt.

Sukkelachtig
De heer des huizes, een diamanthandelaar, valt wel mee: “… Hij had geen pijpenkrullen en zijn zwarte baard, met grijs gespikkeld, was donzig en hing niet als een slab tussen zijn kin en zijn borst, maar plakte dicht tegen zijn huid…”. Toch heeft hij een probleem met handen schudden: “… ‘Als u me de hand reikt, zal ik hem drukken, juffrouw,’ zei hij, die de verwarring van mijn gezicht moet hebben afgelezen. ‘Want ik respecteer u en uw gewoonten, nietwaar. Maar veiligheidshalve geven wij, orthodoxe joden, geen hand aan een vrouw. Dat heeft met reinheid en zo te maken. Maar daar hebben we het nu niet over. Het zou fijn zijn als u onze gewoonte weet te respecteren.’ Ik lachte naar hem. Sukkelachtig, vermoed ik. Ik keek naar mijn rechterhand en vroeg me af wat daar onrein aan kon zijn. Er zat Tipp-Ex aan mijn vingers, dat wel…”. Later zal ze vernemen dat een joodse man geen menstruerende vrouw aan mag raken. En je weet maar nooit. De vrouw des huizes valt níet mee. Het gesprek loopt spaak als Vanderstraeten haar vertelt dat ze samenwoont met een politieke vluchteling uit Iran. Een niet-praktiserend moslim: “… Soms, maar nu niet, loog ik dat zijn ouders aanhangers waren van het zoroastrisme, de leer van Zarathustra. Nima had vrienden zoroastriërs. Van dat geloof, dat niet op de Bijbel of de Koran maar op de Avesta was gebaseerd, wist ik een heel klein beetje af. Maar bovenal wist ik dat zoroastriërs, zeker als je preciseerde dat de term van Zarathustra kwam, op sympathie konden rekenen. Je kon deze religie aan Nietzsche koppelen en Nietzsche boezemde in bepaalde kringen meer ontzag in dan eender welke God…”. Zijn ouders hadden hem en zijn zusje zonder aarzelen naar het westen gestuurd omdat ze niet wilden dat hij opgeroepen werd voor de oorlog met Irak: “… Ze gruwden van de autoritaire, dictatoriale sjah, maar nog veel meer gruwden ze van een oerconservatieve, religieuze staat. Ze wilden dat hun kinderen, desnoods in een ander land, de smaak van Parijs zouden proeven in plaats van de bitterheid van een sjiitische dictatuur…”.

Segregatie

Toch wordt Vanderstraeten na een aantal weken opgebeld of ze nog eens langs wil komen. Drie studenten die de sollicitatieprocedure hebben doorstaan zijn inmiddels afgehaakt. Ze hoort dat haar pupillen naar speciale joodse scholen gaan: “… Religieuze joden bleken zich van de rest van de bevolking af te zonderen, en die segregatie, die ze zelf kennelijk bewust in stand hielden, begon dus al van kleins af. Hoe was dat mogelijk? Hoe kon een minderheid zich zo nadrukkelijk willen onderscheiden van een meerderheid? Wie, op de blanken in Zuid-Afrika na, vond het nodig om zijn eigenheid van de rest van de wereld te isoleren? Hoe pretentieus – of angstig – moest je daarvoor zijn? Hoe blind voor de eigen geschiedenis: het samenklittende volk was zopas nog vijand nummer één van Duitsland en consorten, maar nu, pakweg veertig jaar later, zocht het nog altijd de afzondering op? In het leger wist iedereen dat een camouflagepak levens kon redden. Maar uitgerekend deze mensen, met een geschiedenis vol vervolging, deden er alles aan om op te vallen? Of was er iets dat ik niet begreep? Wat ik niet zag? Niet kon zien? Lag het probleem bij mij? Waarom viel ik over hun uiterlijk, terwijl ik toch ook goed wist dat nazi-Duitsland het grote gevaar eerst en vooral in de geassimileerde Duitse joden ontwaarde, in al die joodse mensen die zich onopvallend tot de hoge geledingen van de maatschappij hadden opgewerkt? Ik probeerde mijn oprispingen de kop in te drukken. Ik wist dat ik als antisemiet zou worden bestempeld als ik mijn verwarring ongefilterd zou uitspreken…”. Ik dacht aan de refoscholen in mijn omgeving. Tijdens een potje basketbal beweert de veertienjarige Jakov dat assimilatie hun dood is. Vanderstraeten: “… ‘Dat is een grove uitspraak. Hoe kom je erop dat zo ineens te zeggen. Hitler was tegen assimilatie. Het arische ras mocht zich niet mengen. Om maar iets te zeggen.’ ‘We hebben het over sportverenigingen.’ ‘O. Hebben jullie daarom eigen sportverenigingen? Omdat alles beter is dan mengen met niet-joden. Zoals jullie scholen. Waar niet-joden niet welkom zijn.’ In mij steeg de ergernis even hard als het kwik in de thermometer die dagen daalde. ‘Twijfel jij, twijfelen jullie, dan nooit? Vragen jullie je nooit eens af of de wijze waarop jullie leven vandaag de dag wel de goede is?’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Hoe kan de mensheid naar een eenheid streven als de onderscheidingsdrang van bepaalde groepen almaar groter wordt?’ ‘Je kent onze geschiedenis niet,’ zei hij, zijn handen in de lucht om mijn worp af te blokken. ‘Joodse sporters werden in niet-joodse clubs niet toegelaten. We moeten voor onszelf zorgen, omdat anderen dat nooit zullen doen.’…”.

Jullie zijn zo niet
Jakov is een open knul. Op de vraag of hij Hebreeuws leest: “… ‘Elke joodse jongen kan dat. Vanaf ons derde krijgen we lessen Hebreeuws en leren we het alfabet en daarna studeren we de Thora! Als we dertien zijn, worden we in de synagoge opgeroepen om te lezen. Dan móéten we perfect Hebreeuws kunnen lezen. De reputatie van onze familie hangt van ons af!’ Hij sprak in uitroeptekens, alsof hij op een preekgestoelte stond. ‘En meisjes?’ vroeg ik. ‘Kennen die Hebreeuws?’ ‘Meisjes hoeven niet te lezen in de synagoge. Maar op onze school, de Yavne, leren ze ook modern Hebreeuws. Alleen niet zo grondig als de jongens, vind ik. Mannen moeten slim zijn.’…”. En even verder: “… In de sjoel spreken en discussiëren we over wat we lezen. Wij hebben geen vaste waarheid, zoals jullie. Wij discussiëren over teksten, over de uitleg ervan, de commentaren erop, de interpretaties. Wij hebben uitleg over uitleg over uitleg. Jullie zijn zo niet.’…”. Over de richtingen binnen het Antwerpse jodendom: “… ‘Wij zijn geen chassidische joden,’ zei hij, weer met die bewuste raadselachtigheid waarmee hij zich omringde en die een mix was van betweterigheid, stoerheid, angst en kwetsbaarheid, gokte ik. ‘Charedim en chassidim behoren tot een andere groep.’ ‘Moet ik weten wat je bedoelt?’ ‘Charedim en chassidim zijn ultraorthodoxe joden. Ze hebben hun eigen rebbes en hun eigen sjoels.’ ‘Jullie niet?’ ‘Wij zijn modern-orthodox. We bezoeken andere synagogen en hebben andere rabbijnen. Chassidische kinderen gaan naar andere scholen, die veel strenger in de religie zijn dan de onze. Als ze al naar een school met profane vakken gaan. De uiterts strenge vromen vinden dat er leerplicht geldt, maar geen schoolplicht. Soms leren hun kinderen thuis. Ze hebben geen lesprogramma; de Thora en de Talmoed, de interpretaties van de Thora, zijn hun enige bron. Die vormen hun referenties, die bestuderen en bediscussiëren ze hun leven lang, van ’s morgens vroeg tot aan het slapengaan. Wij zijn niet zoals zij. Wij sluiten onze ogen niet voor de huidige maatschappij, wij maken er deel van uit.’…”.

Echte jodinnen
Als Vanderstraeten hoort dat Jakov en zijn klasgenoten op het station uit angst hun keppeltje verbergen gaat dat haar weer veel te ver. De vooroordelen die ze overal tegenkomt zijn schrikbarend: “… ‘Echte jodinnen zijn de ergste klanten die een mens zich kan voorstellen,’ zei Milena. Zoals zij het woord ‘jodinnen’ uitsprak: alsof het heel vies smaakte. Ik herkende de toon in haar stem, de gedecideerdheid in haar woorden en haar blik: dezelfde als die waarmee soms over Nima en de zijnen werd gesproken…”. En even verder: “… ‘Echte’ jodinnen? Herhaalde ik vragend. Het gebruik van het adjectief ‘echte’ was me in dit scenario helaas ook al te bekend. ‘Maar hij is toch geen echte moslim’, ‘je kunt hem toch geen echte Iraniër noemen!’ en ‘Nima is geen echte vluchteling’: hoe vaak zou ik dit soort uitlatingen niet hebben gehoord. Vooral van mensen die buiten Nima geen enkele Iraniër van nabij hadden gezien en nog nooit een andere moslim of vluchteling hadden ontmoet…”. Meneer Schneider onderhoudt haar over de oplaaiende jodenhaat die volgens hem de meest aanvaarde vorm van mensenhaat is. En dat elke jood zijn paspoort altijd klaar heeft liggen: voor het geval dat. Als Vanderstraeten voorzichtig vraagt naar de ervaringen van de familie tijdens de Holocaust zegt meneer Schneider: “… Er bestaan twee soorten verdriet, onthoudt u dat. Eén dat het kan verdragen om gekieteld te worden. En één dat zo groot is dat je ervan af moet blijven, zelfs met ogenschijnlijk onschuldige vragen…”. Zijn moeder heeft hem in de oorlog afgestaan aan een niet-joods boerengezin die zeer goed voor hem heeft gezorgd. Hij vergelijkt het gebeuren met het verhaal van de moeder van Mozes die haar kind in een biezen mandje op de Nijl zette. Vanderstraeten bedenkt dat voor Nima eigenlijk hetzelfde geldt. Als ze al een jaar niets meer van het zusje van Nima hebben gehoord besluiten ze haar op te zoeken. Ze treffen haar totaal verwaarloosd aan. Ze praat niet. Ze eet niet. Ze nemen haar mee naar huis, ze loopt net zo hard weer weg. Ze knipt plaatjes van mooie blanke vrouwen uit tijdschriften en probeert met allerlei middelen de donkere tint van haar huid weg te gummen of te bedekken: “… Naast haar bed stond een zak bloemsuiker die ze uit onze voorraadkast had gehaald; ze bestrooide haar gezicht ermee…”. Allerlei psychiaters komen er aan te pas. Niets helpt. “… ‘Iets in haar is afgestorven,’ beaamde Nima…”. Uiteindelijk mag ze Iran, vanwege haar ontoerekeningsvatbaarheid, weer binnen.

Boeken op hoge hakjes
De twaalfjarige Elzira Schneider heeft dyspraxia, een aandoening waarbij de fijne motoriek niet goed werkt. Ze zou het liefst haar bibberende handen afhakken of, nog beter, een vogel willen zijn. Aan Vanderstraeten de taak aan haar weerbaarheid te werken. Een eind uit de buurt, zodat niemand haar kan zien vallen, leert ze Elzira fietsen. Onderweg komen ze een bakker tegen, maar Elzira doet moeilijk als Vanderstraeten haar wil trakteren. De zaak is niet koosjer. “… De Eeuwige is voor ons de allerbelangrijkste…”. Elzira kan ook niet bij haar thuis komen eten, maar zij kan wel bij Elzira eten, dan weten ze zeker dat de joodse voedselwetten in acht zijn genomen. “… ‘Is God belangrijker dan vriendschap?’ Ik liet me niet van mijn stuk brengen. ‘Hij is vriendschap,’ zei zij, ‘en we spreken zijn naam nooit uit, uit respect voor de eeuwige. Zou jij zijn naam alsjeblieft nooit meer willen noemen?’ Daar stond ik. Niet gelovend in God of G*d of welke Oppermachtige ook. Ernstig twijfelend aan de mogelijkheid om met Elzira, of met welk ander streng vroom joods kind, zelfs maar het begin van een vriendschap te kunnen ontwikkelen…”. En even verder: “… Hoe zij, met dat lichte Franse accent, de woorden Talmoed en Thora uitsprak, alsof de boeken op hoge hakjes liepen…”. Elzira vertelt over de ‘eroev’ waarbinnen ze op sjabbes lopen en over de transparante plastic diepvriestasjes die de mannen bij zich hebben om hun kostbare hoeden – ze kunnen tot twintigduizend frank kosten en worden behandeld als slagroomtaarten – tegen de regen te beschermen: op sjabbes mag je geen paraplu openklappen. Ze maakt haar wegwijs in de dubbele keuken. Een kant voor vlees - alleen van herkauwers met gespleten hoeven - en een kant voor zuivel. Iemand die geen plaats of geld heeft voor twee fornuizen bouwt een muurtje van aluminiumfolie tussen de vuren. Hun fornuizen zijn geprogrammeerd zodat ze op een bepaald moment uitvallen op zaterdag. Bij sommige traditionele families blijven de ovens en fornuispitten de hele sjabbes branden. De schoolrabbijn van Elzira wordt om de twee jaar vervangen, zodat hij niet al te veel aan het vrije Antwerpen gaat wennen. Voor islamleraren in Meulenberg, waar Vanderstraeten schoolging, geldt trouwens hetzelfde. Eindelijk snapt Vanderstraeten waarom er de hele vrijdagnacht lampen branden in de huizen van de arme chassidim tussen Berchem en Antwerpen Centraal.

Snotjongen
Het gaat niet allemaal van een leien dakje. Soms heeft Vanderstraeten er genoeg van. “… Elzira mocht niet met jongens in een zwembad. Als ze met andere joodse meisjes in een afgehuurd zwembad een duik waagde, droeg ze geen badpak of bikini maar een rokachtig ensemble een Batwoman waardig. Jongens- en meisjesscholen hielden er verschillende openingsuren op na; om te voorkomen dat de twee seksen bij de schoolpoort met elkaar zouden konkelfoezen. Waarom hoorde ik in hun huis nooit punk, pop of rock, zelfs geen Bob Dylan of Leonard Cohen, toch joden? Kende de orthodox-joodse jeugd, het moderne luik ervan, dan geen vleugje anarchie? Elzira’s fiets en teckel: de enige subversieve attributen in de dwingende biotoop waarbinnen ze geboren was…”. Het deed me sterk aan “De erfenis van Adriaan” denken (zie hier). Jakov kan zijn oren niet geloven als hij hoort dat Vanderstraeten samenwoont met een Iraanse vriend. En zijn ouders vinden dat nog okey ook! Als hij haar de les leest over haar zondigheid: “… Ik zei hem dat hij, snotjongen, de pot op kon. Dat hij, met zijn provinciale geest, hij, die zijn gemeenschap nog nooit verlaten had, misschien zichzelf en de zijnen eens in vraag moest stellen. Dat niet iedereen koos voor een leven in een dwangbuis. Dat er nog zoiets als vrijvechten bestond, en dat alleen al dat proces vol vallen en opstaan de moeite van de verkenning waard was. ‘Je zit in een keurslijf en je hebt het niet eens door: hoe enggeestig is dat?’…”. Tussen de lessen door legt Jakov haar het gebruik van zijn tailliet en tefilin uit. In plaats van posters van popsterren heeft hij acht foto’s van opperrabbijnen boven zijn bed hangen. Langzaamaan wordt zijn familie een beetje háár familie. Over zijn oma die alleen over de twee mannen wil praten die ze heeft overleefd: “… Ik knikte af en toe. Ik wist me geen blijf met deze bekentenissen. Ik vond dat ze me beter over de oorlog kon vertellen dan over deze liefdesgeschiedenis van dertien in een dozijn; alle weduwen waren droevig en alle weduwnaars wilden hertrouwen…”. Ondertussen schrijft Vanderstraeten de opstellen, verslagen en besprekingen van Jakov. Plus die van zijn klasgenoten erbij. Wat haar grof geld oplevert, en hem ook: “… Mijn geweten kende geen oprispingen, zelfs niet het begin daarvan. ‘Je bent nog erger dan wij,’ lachte Jakov. ‘Hoezo?’ ‘Je sjachert erop los. Je bent een vuile jood.’…”.

Naar mannen kijken

De relatie met Nima beklijft niet, en Vanderstraeten gaat een appartementje bewonen in de buurt van de Schelde: “… De korte en lange geluidsseinen van de schepen klonken als liederen…”. Dat ben ik helemaal met haar eens. Het is een raar idee dat die schepen waarschijnlijk eerst bij mij langs zijn gevaren, als ze tenminste van zee komen. Elzira zet haar studie voort in Israël en is ‘nog nooit zo gelukkig geweest’. Jaren later gaat Vanderstraeten haar opzoeken. Eerst komt ze in het ultra-orthodoxe Bnei Brak - geen andere stad, maar een andere planeet - terecht, waar Elzira’s broer woont. Ze wordt door zijn vrouw in een soort nonnenuniform gehesen. Charedim-vrouwen rijden geen auto. Ze steken de straat over als het gevaar een andere man dan de hunne tegen te komen om de hoek loert. Aan de andere kant: “… Wist ik dat een vrome joodse volgens de Talmoed haar echtgenoot zelfs mocht verbieden om op zakenreis te gaan als zij vond dat zijzelf behoefte had aan ‘intimiteit in bed’? …”. Vrouwen zitten achterin en mannen voorin de bus. Vanderstraeten moet haar geld in de pet van de chauffeur leggen en krijgt zo ook haar wisselgeld terug. Een buspassagier: “… ‘Drievierde van de joodse bevolking van Israël is niet vroom,’ zei zij, 'dus je kunt je voorstellen dat de charedim allerlei bedenkingen hebben bij de staat Israël zoals die vandaag is. Ze willen geen seculiere natie. Liever geen natie dan een heidense. Nee, ze zijn niet zionistisch. Sterker, ze zijn anti-zionistisch.’ ‘En toch wonen ze hier?’ ‘Het is het beste alternatief. Een enclave in een enclave.’…”. Volgens de vrouw doen de charedim geen vlieg kwaad: “… Ze leggen me niets op? Maar ik mag niet met een van de mannen spreken. En ik loop er als een slons bij…”. De passagier denkt daar veel genuanceerder over: “… ‘Westerse vrouwen en mannen worden evengoed onderdrukt,’ zei zij. ‘Mannen moeten werken. De kost verdienen. En hun vrouwen moeten slank, jong en mooi zijn. Spiritualiteit en zingeving zijn voorbehouden aan één uur yogales per week. Dus wie onderdrukt wie? En wie is beter dan wie?’…”. Het is maar hoe je het bekijkt. De passagier vertelt dat ze voor een bedrijf werkt dat een winkelcentrum ‘for woman only’ wil bouwen; dus waar geen man binnen komt. “… ‘Hoe zag je zo snel dat ik geen orthodox-joodse ben?’ wilde ik nog weten. ‘Je hebt je mouwen van je blouse tot voorbij je ellebogen opgestroopt en je kijkt naar mannen…”. Ondertussen knaagt de Palestijnse kwestie hevig aan Vanderstraetens’ geweten.

Joden in de stilte
Met behulp van een sjadchen, een koppelaarster, vindt Elzira een man waar ze ook nog eens stapel verliefd op wordt. Vanderstraeten vertelt op een hilarische manier hoe ze zelf ongewild als een soort tante Kaat in huwelijksrelaties heeft gefunctioneerd: de ouders van Elzira hebben alle brieven die ze naar hun dochter stuurde gelezen. In de orthodoxe wereld wordt anders over privacy gedacht dan onder vrije westerlingen. Eén van die brieven, vol zogenaamd serieuze adviezen over waarop Elzira vooral moet letten als haar een vent wordt opgedrongen, heeft als toonaangevende leidraad gegolden in de partnerkeuzes van hun kinderen: “… Vermoedelijk lag er een stapel vrouwenmagazines aan mijn zijde: Feeling, Elle, Marie-Claire, wat nog allemaal. Ik acht de kans reëel dat ik dronken was toen ik zo genereus met goede raad strooide…”. Midden in de nacht wordt Vanderstraeten opgebeld uit New York door een Elzira die compleet over de zeik is. Hortend en stotend vertelt ze dat ze ‘te ver’ is gegaan. Ze zat met haar verloofde in een boot. Het begon te stormen en te regenen en ze zochten het ruim op. Van het een kwam het ander. Vanderstraeten kan niets anders bedenken dan dat ze seks hebben gehad. Maar: “… In een angstreflex had ze Isaacs onderarm gegrepen, vastgehouden, erin geknepen. ‘Dat is tegen de joodse wetten, c'est terrible, on n'est pas marié, zelfs niet fiancé, en ik heb hem aangeraakt.’…”. Op dat moment ligt Vanderstraeten zelf naakt, ongehuwd en onverloofd met ene Martinus in bed. Dat vertelt ze maar niet. Nog later zal ze Elzira en haar man en kinderen opzoeken in New York, waar de joden voor haar gevoel opener en vrolijker zijn dan in Antwerpen. Alsof ze minder ballast uit het verleden hoeven mee te torsen. Meneer Schneider op zijn oude dag: “… Wij, de joodse gemeenschap in Antwerpen, kunnen niet open zijn. Niet zoals u dat wilt,’ vervolgde hij. ‘U kent onze geschiedenis een klein beetje. U zou dat toch moeten begrijpen. Dat het beter is dat we in stilte ons eigen leven leven…”.

Uitgave: Atlas Contact – 2017, 336 blz., ISBN 978 904 503 385 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 18 april 2018

God en ik – Alain Verheij


Subtitel: Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel

In mei komt “God en ik” van de jonge theoloog Alain Verheij (1989) uit. Daarin vertelt hij wat de Bijbel in zijn ogen te bieden heeft aan seculiere mensen anno nu. Ik verwachtte niet dat Verheij iemand als ik, die al een halve eeuw is doodgegooid met Bijbelverhalen, nog zou kunnen verrassen. Dat deed hij wel…

Het verhaal gaat

Ooit ben ik deze blog begonnen omdat ik denk dat verhalen kunnen helen. In zijn indrukwekkende boek “Morgen zal het Pasen zijn. Een rondgang om het waarom van het lijden” (zie hier) haalt André Troost een citaat van Henri Nouwen aan: “… De rabbijnen leiden hun mensen met verhalen; dienaren des Woords leiden hun mensen meestal met ideeën en theorieën. Maar wij zouden weer grote vertellers moeten worden…”. Waar wordt verteld, wordt geluisterd. Troost: “… Wij zouden weer stem moeten geven aan wie geen woord meer vinden kan. Hoe? Door een luisterend oor te bieden. Door ruimte te geven aan de klacht. Maar ook door de aloude verhalen te vertellen, zó dat ze ook blijken te passen in de lijst van onze eigen tijd. Door te vertellen over de tocht van Abraham, over het gevecht van Jakob met God, door te vertellen over de verzwaring van de lasten der Israëlieten in Egypte en over de uittocht, na jaren van verdrukking; door te vertellen over Elia, die moedeloos in de woestijn gestorven zou zijn, als niet een engel hem had gevoed; door te vertellen over Zacharias, die wel spreken wilde, maar niet kon; door te vertellen over Johannes, die een heraut van de Messias was, maar in de gevangenis aan zijn roeping twijfelde. Maar vooral door te vertellen over Jezus, die water in wijn veranderde te Kana in Galilea, maar op de begraafplaats van Bethanië huilde, omdat zijn vriend Lazarus gestorven was. Zó zouden we bij elkaar moeten zijn, in dagen van verdriet, luisterend, vragend, vertellend, verhalend…”. Even daarvoor heeft hij het net over zijn zieke dochtertje gehad: “… Toen raakte ze in coma. Dagenlang. We hoopten. We baden. We streelden haar. We vertelden verhalen. Toen kwam ze bij. Maar spreken deed ze niet. Ze keek voor zich uit. Ze zei geen woord. Ze plukte maar wat pluisjes van haar deken. En dat duurde, dat duurde maar. Dagenlang…”. En dan: “… Op een dag las ik haar voor. Een verhaal uit de kinderbijbel. Kerst was in zicht. Ik las het verhaal van Zacharias. Ik dacht: misschien vind je dat mooi, misschien herken je jezelf een beetje in de stomme Zacharias. En zo las ik. Ik las gewoon voor. Totdat ik moest lezen hoe de oude priester uit het heiligdom kwam, het volk wilde zegenen, zijn mond opende om de aloude woorden te spreken, maar ontdekte dat hij wel zijn mond open kon doen, maar dat er geen woord over zijn lippen kwam. Ik liet de tekst van het verhaal uit de kinderbijbel los. Ik vertelde het verhaal op mijn eigen manier. Ik zei: ‘Hij wilde iets zeggen, maar het ging niet. Hij wilde wel, maar hij kon het niet…’ En toen, op dat moment, toen ik die woorden met enige nadruk sprak, tóen deed ze haar mond open en sprák… Eén woordje. Ik weet niet meer wat ze zei. We waren op van de spanning. En we huilden, we huilden om een kind dat na dagen zwijgen weer één woord gesproken had… De volgende dag zei ze nog een woord. En de dag daarop een paar woorden. En na een week sprak ze weer als vanouds, guitig, vrolijk zoals vroeger…”. Een artikel in het ND van 30 maart over Christien Brinkgreve (1949, hoogleraar sociale wetenschappen), naar aanleiding van haar boek "Het raadsel van goed en kwaad", deed mij weer eens beseffen wat voor een ontzagwekkend boek de Bijbel eigenlijk is. Hoe het al duizenden jaren mensen over de hele wereld inspireert. Brinkgreve: “… Mijn generatie heeft door de oorlog een grote weerzin gekregen tegen grote theorieën, grote verhalen. Dat is begrijpelijk. Maar verhalen zijn wél nodig om mensen samen te binden…”. Ze waarschuwt voor wat verloren gaat als alles statistiek wordt en keert zich tegen de marginalisering, verwaarlozing en uitsluiting van mensen. Als er niet meer met respect geluisterd wordt, vallen er mensen buiten de boot. Ze heeft een groep jonge wetenschappers bij elkaar gebracht - psychiaters, psychologen, onderwijskundigen, bedrijfskundigen, filosofen, schrijvers - om na te denken over hoe ze voorbij het tegenwoordige regime van meten en tellen kunnen komen: de groep Babel. In feite willen ze een ‘nieuw verhaal’ ontwikkelen. Ga er maar aan staan, dacht ik. Zou je ooit zo’n krachtig verhaal kunnen verzinnen dat het de Bijbel kan evenaren? Of vervangen?

De wereld is geen paradijs

Verheij begint zijn uitleg aan de hand van het ritueel van de doop. Het heeft te maken met het oerverhaal uit de Bijbel: “… een redding dwars door het water van de onvermijdelijke dood…”. In verband hiermee over de zondeval van Adam en Eva in het paradijs: “… Het is een verhaal dat enorm tot de verbeelding spreekt en heel veel vragen oproept. In de literatuur en de beeldende kunst stelt men zich voor hoe het paradijs eruitzag, wat het voor vrucht was die de mens niet mocht eten, hoe het echtpaar samenleefde in de tijd voordat het fout ging. Sommige gelovigen speculeren over de tijd en de plaats en de betekenis van elke letter van het verhaal. Toch moet je de kern van de zondeval niet in het paradijsverhaal zoeken, maar juist in onze huidige leefwereld. Het belangrijkste gegeven dat dit oude verhaal ons wil mededelen is dit: de wereld waarin wij geboren zijn is geen paradijs en gaat dat ook niet worden…”. Ook Verheij heeft een boodschap , mocht hij onverhoopt vader worden (zie Laurens in mijn vorige blog): “… Lief kind, je bent geboren in een wereld waar je niet voor gekozen hebt. Je bent geboren in verbondenheid met een vader, een moeder, een land, een God waar je niet voor gekozen hebt. Niets kan jou garanderen dat het hier makkelijk zal zijn. Integendeel: het is een wereld waar kinderen tot slaaf worden gemaakt, waar mensen ziekten en verslavingen opdoen en elkaar onderdrukken, waar rivieren, zeeën en zwepen tussen jou en de vrijheid staan…”. Hij relateert een en ander aan de ‘Exodus’, de uittocht uit Egypte: “… we hebben allemaal onze farao, onze dwangarbeid, onze Nijl en onze zee. In de doop buigen je ouders hun hoofd in dat besef. Je bent mens, en bij mens-zijn hoort lijden. Maar het lijden krijgt in dit verhaal niet het laatste woord…”.

De tweede naïviteit
Verheij schrijft een prachtig stuk over het bereiken van de ‘tweede naïviteit’. Op een gegeven moment gelooft een kind niet meer in Sinterklaas. En als Sinterklaas niet bestaat, wie of wat - God bijvoorbeeld - bestaat dan nog wel? “… De Franse filosoof Paul Ricoeur noemt dit verlies van de ‘eerste naïviteit’. Ieder mensenkind gaat door een kritische fase heen, waarin het alles op echtheid toetst. Als het goed is, gaat die kritische fase over in de ‘tweede naïviteit’. Daar is weer ruimte voor verwondering, terwijl de lessen uit de tijd van de vertwijfeling óók hun plek krijgen. Om bij het sinterklaasvoorbeeld te blijven: het lukt de meeste volwassenen uiteindelijk wel weer om van de ouderwetse 5 decembersfeer te genieten, ook al verwachten ze geen paard meer op hun dak. Je gooit de sint niet met het badwater weg nu je weet dat hij niet bestaat…”. In de evangelische bubbel, waar zowel Verheij als Johan Lock (zie mijn vorige blog) hebben vertoefd, blijven mensen volgens Verheij nogal eens op een gevaarlijke manier hangen in de eerste naïviteit. Zie de praktijk van gebedsgenezing of zelfs het geloof in dodenopwekking. Heeft gebed dan geen nut? “… Er bestaat geen magische geest in een olielamp die je kunt oproepen voor een kant-en-klare oplossing in geval van kanker, orkanen of herexamens. Maar er zijn andere manieren om naar een gebed te kijken. De twintigste-eeuwse schrijver C.S. Lewis heeft mij op een vruchtbaar spoor gezet met deze uitspraak over gebed: ‘Het verandert God niet – het verandert mij.’…”. Je kunt niet alleen in de magische, maar ook in de kritische fase blijven hangen: “… Dat is een net zo onvolwassen levenshouding, die bovendien behoorlijk ongeloofwaardig is. Daarvoor hebben we te veel dromerige intuïtie en kinderlijke verlangens in ons. Ik vertrouw in principe niemand die zichzelf als volkomen rationeel beschouwd. Op religieus gebied vind je deze mensen in doodsaaie debatten over het al dan niet bestaan van God. Overtuigde atheïsten redeneren God weg en net zo overtuigde theïsten redeneren Hem terug, maar aan het eind van het gesprek ben je niets wijzer geworden over het leven of het universum…”. De enige manier om volwassen door het leven te gaan, is de weg van de tweede naïviteit van Paul Ricoeur: “… Het zoeken van een goede balans tussen de droom en de scepsis is een levenslange koorddans…”.

Gideonsbende
Nog een sterk fragment, dat bijna illustratief is voor “De erfenis van Adriaan” (zie mijn vorige blog), gaat over het fenomeen ‘gideonsbende’. Naar aanleiding van het verhaal over de richter Gideon en zijn steeds kleiner wordende legertje: “… Het schijnt een sociologisch principe te zijn dat een groepering succesvoller is als je met een kleine club zeer toegewijde, specifieke deelnemers begint. Geef dat groepje mensen vervolgens een heldere identiteit – een ‘wij’ dat scherp is afgegrensd tegen het ‘zij’ van de buitenwereld. Zorg ten slotte voor radicaliteit: een succesvolle beweging maakt het de leden niet makkelijk, maar eist veel toewijding van hen…”. En even verder: “… ‘Hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ is in de meeste gevallen onzin: de wereld verander je met fanatieke fellowships, niet met logge menigten…”. Zie ‘Band of Brothers’ en ‘The Lord of the Rings’. “… Om je radicale beweging helemaal af te maken heb je naast een veeleisende moraliteit en een groots droombeeld ook heldere identiteitsmarkers nodig…”. Oftewel, zoals onze dominee vroeger van de kansel bazuinde: ‘Een christen herken je aan z’n praat, z’n daad en z’n gewaad’, wat een tante van mij dan weer vertaalde in: ‘Rok tot de grond, haar tot de kont.’ Verheij: “… Een identiteit is van onschatbare waarde en mag dus wat kosten…”. Tegelijk kan je identiteit ook een stok worden om anderen mee te slaan in plaats van een stok om op te leunen. Zie Jona die niet kan leven met zo’n allemansvriend als God: “… Jona is trots op de genadige God van zijn volk, totdat hij die genadige God met anderen moet delen…”. Verheij: “… Er zijn altijd kerkmensen te vinden die de liefde van God bepreken, maar stiekem hopen op een potje straf voor buitenstaanders…”.

You want it darker
Tot Verheijs’ ‘best of’ horen ook de bizarre teksten over Abraham die van God de opdracht krijgt zijn zoon Isaak - bijna sadistisch uitgesponnen tot: ‘je enige, van wie je zoveel houdt’ - te gaan offeren op de berg Moria. Uitgerekend dit huiveringwekkende verhaal hebben jodendom, christendom en islam gemeenschappelijk. “… Zanger Leonard Cohen, die als joodse jongen al jong werd geconfronteerd met het verhaal van Isaaks offer, schreef aan het eind van zijn leven het lied ‘You Want It Darker’, waarvan het refreintje ‘hineni, hineni’ aan dit verhaal refereert. Onder begeleiding van een synagogekoor snauwt hij naar de God van het kinderoffer: ‘If you are the dealer, I’m out of the game.’ In de jaren zestig heeft de zanger het verhaal ook in een liedtekst verwerkt: ‘The Story of Isaac’ is een hervertelling vanuit het oogpunt van de zoon in plaats van de vader en God. Dit is de conclusie: ‘You who build the altars now to sacrifice these children, you must not do it anymore.’ Geen visioen is heilig genoeg om er een kind aan op te offeren…”. De les die Verheij er uit trekt: “… In de benadering van Leonard Cohen wordt het verhaal van Abraham en Isaak een waarschuwing voor volwassenen in alle tijden. We horen tegenwoordig meestal geen stemmen meer uit de hemel die ons vertellen dat er een kind richting het altaar moet, maar er zijn genoeg heilige huisjes waar kinderen voor moeten lijden. Oorlogen zijn bij uitstek groteske plannen van volwassenen die door jongeren worden uitgevochten. Kleding en technologie zijn de heilige consumptiemiddelen in onze maatschappij, waarvoor kinderen in andere werelddelen onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken…”. En dan heb ik het nog maar niet over kinderporno. Of over incest, kindermishandeling en vechtscheidingen.

Wie is Rispa?
Ik kan moeilijk alle onderwerpen behandelen waar Verheij het over heeft. Een intrigerende vraag wil ik er nog wel even uit lichten: “… Wie is Rispa? Als je het antwoord weet, heb je de Bijbel pas écht goed gelezen…”. Ik had in ieder geval geen idee. Rispa blijkt een bijvrouw van de Israëlitische koning Saul te zijn. Over haar verhaal lees je zo heen. Aanhangers van Sauls’ rivaal, de latere koning David, hangen op een berg uit wraakzucht zeven tegenstanders, waaronder twee van Rispa’s zonen, op. “… Wat Rispa besluit te doen is ongekend. Ze spreidt haar kleed op de rotsachtige bodem en blijft van de lente tot de herfst op die plek slapen, vlak naast de rottende lijken van de zeven gehangenen. De Dwaze Moeder avant la lettre slaapt maandenlang in de openlucht op de harde grond en vecht dag en nacht met een stok tegen de boden van de dood: de wilde dieren en de aasgieren die de lijken willen pikken. Rispa komt in verzet tegen het vernederende lot dat haar kinderen hebben moeten ondergaan in naam van een voortslepende vete, in opdracht van de schaamteloze regeerder…”. Koning David wordt getroffen door haar verhaal en laat alle dode lichamen alsnog een eervolle laatste rustplaats geven. “… In haar machteloze maatschappelijke positie, in haar speelbal-zijn van konkelende mannen, bleef zij haar gevoel voor rechtvaardigheid en haar liefde voor haar kinderen trouw. Precies deze verhalen verdienen om naverteld te worden, want de wereld schreeuwt om mensen die kunnen kijken vanuit het gezichtspunt van de Rispa’s – en in actie durven te komen met haar koppige moed…”.

Het eeuwige waarom
Verheij: “… Ik wil laten zien dat religie niet - zoals veel mensen denken - een bundel duidelijke antwoorden op grote levensvragen zijn. Religie is een arsenaal aan rituelen en verhalen die je helpen om gezond met die open vragen om te gaan…”. Job krijgt ook geen antwoorden (zie mijn blog over "Morgen zal het Pasen zijn"). God draait het juist om: hij onderwerpt Job aan een spervuur van vragen. “… Waar was Job toen de aarde ontstond? En is Job wel eens op de bodem van de zee geweest? Heeft Job enige macht over de bewegingen van de sterrenbeelden? Kan Job de geheimen van de wilde stier, de snelle struisvogel en paardenkracht doorgronden? De vragen stormen op hem af en Job doet er verder het zwijgen toe. God spreekt verder en eindigt zijn betoog met een uitgebreide, mythologisch aandoende omschrijving van het nijlpaard en de krokodil, de twee gevaarlijkste dieren uit de regio. De conclusie lijkt te zijn: beste Job, als je de strijd met deze twee dieren al zou verliezen, waarom zou je dan de strijd met de kosmische orde, met God zelf, wél aandurven? Je bent kansloos, want je pakt thema’s aan die je verstand moeilijker kan bevatten dan je handen een krokodil zouden kunnen bedwingen…”. Tegen de vrienden van Job is God beduidend minder mild: “… Dat Job zo dwaas is om grote vragen te stellen, soit. Maar dat deze drie mannen die vragen belerend dachten te kunnen beantwoordden, dat gaat God te ver. Hij geeft hun nog één escape: als ze Job vragen om voor hen te bidden zullen ze hun straf ontlopen. Dat doen ze dan maar…”. Verheij: “… De les is dat je in een volwassen wereld leeft en dus niet moet verwachten dat er kinderlijk duidelijke regels gelden – in de echte wereld kan het slecht aflopen met goede mensen. Dat gebeurt elke dag. Je kunt nog beter met een nijlpaard vechten dan dat je je hersenen pijnigt over de vraag waarom, want het antwoord krijg je niet…”.

Hoe diep je ook gaat…
“… Omgaan met tegenslagen is een cruciale opgave waar ieder mens ooit voor komt te staan, maar de Bijbel wil meer bieden dan alleen troost voor wie het moeilijk heeft. De Bijbelverhalen spreken van een positieve kracht die individuele mensen of een hele maatschappij uit een impasse kan halen…”. Over kerst - het winterfeest - als de viering van gloren van licht, in de kerk: “… een gemeenschap die elk jaar geduldig vertelt over een sprankje duurzame hoop…”. Over Pasen - het lentefeest: “… De lente geeft ons hoop met de steeds terugkerende belofte: hoe diep je ook gaat, je zult ooit tot bloei komen. Jezus gaf door zijn dood en opstanding zelf gestalte aan die belofte…”. Over het ideaalbeeld dat Paulus beschrijft in zijn eerste brieven: “… ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.’ Daarmee legt hij een bom onder segregatie op basis van rangen en standen, ras, religie en genderongelijkheid. Nu moeten wij ook opstaan, in een nieuw leven zonder de doodse rotzooi van ongelijkheid, machtsverhoudingen, racisme, seksisme en andersoortige onderdrukking…”. De Bijbel zet de wereld op z’n kop: “… Eerder droomde de Hebreeuwse profeet Jesaja ook al van een nieuwe wereld waarin alle verhoudingen anders zijn. Een van zijn visioenen staat gebeiteld in een muur vlak bij het gebouw van de Verenigde Naties in New York: ‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal meer het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.’ Ietsje verderop in zijn boek neemt Jesaja ook het dierenrijk mee in zijn vredeswensen: ‘Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden.’…”. En even verder: “… Jesaja chargeerde, maar sprak wel woorden van waarheid toen hij zei dat we er pas waren wanneer een wolf rustig naast een lam gaat liggen. De Bijbel werkt met name toe naar een betere wereld door vertellingen vanuit het oogpunt van dat lam – van het slachtoffer…”.

There is some good in this World, Mr. Frodo. And it’s worth fighting for.
Verheij: “… Het is volgens de Bijbel onze plicht om een stem te geven aan de weerloze, de verdrukte, de onaanraakbare. Iedereen die in onze maatschappij minder kansen heeft moet de volle aandacht krijgen, zo vonden Jesaja, Jezus en Paulus. Je kunt deze liefdesrevolutie zelf gestalte geven door te eten met, te luisteren naar en ruimte te bieden aan hen met wie de samenleving achteloos omspringt. Dat zijn in zichzelf subversieve daden die een verkeerd sociaal evenwicht doen wankelen en een nieuwe wereldorde bevorderen…”. Verheij eindigt met het citeren van de lofzang van Paulus op de liefde. Het lijkt mij helemaal op zijn plaats dit hier ook te doen:

“… Al sprak ik de talen van alle mensen
en die van de engelen –
had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn
dan een dreunende gong
of een schelle cimbaal.
Al had ik de gave om te profeteren
en doorgrondde ik alle geheimen,
al bezat ik alle kennis
en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen –
had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
Al verkocht ik al mijn bezittingen
omdat ik voedsel aan de armen wilde geven,
al gaf ik mijn lichaam prijs
en kon ik daar trots op zijn –
had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
De liefde is geduldig en vol goedheid.
De liefde kent geen afgunst,
geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
Ze is niet grof en niet zelfzuchtig,
ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
ze verheugt zich niet over het onrecht
maar vindt vreugde in de waarheid.
Alles verdraagt ze,
alles hoopt ze,
in alles volhardt ze.
De liefde zal nooit vergaan…”.


Uitgave: Atlas Contact – 2018, 192 blz., ISBN 978 904 503 573 4, € 18,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier