Menu

zaterdag 13 oktober 2018

Gezien en gehoord – Simon de Visser


Subtitel: Gods grote en verrassende plan met ons leven

Omdat ik een min of meer christelijke blogger ben word ik bedolven onder boekjes van evangelische en reformatorische uitgevers, plus alles daar omheen en tussenin, die mij willen beleren hoe ik gelovig moet leven (met hier en daar een beetje accentverschil), of wat ik al dan niet over het goddelijke geacht word te denken (het ene legt wat meer de nadruk op dit, het andere op dat). Ik lees ze allang niet meer allemaal, want legio titels over steeds hetzelfde onderwerp, dat word je in dit ondermaanse best een beetje zat. Ik bedoel: ik ben geen kleuter, die het liefst elke dag hetzelfde verhaaltje hoort. In die rijstebrij aan uitgaven zoek ik natuurlijk wél datgene wat ‘anders’ is. En dat vind ik af en toe ook wel degelijk. Zoals deze uitgave van de onbekende bijbelleraar Simon de Visser (alleen de naam al!). Je zou kunnen zeggen dat Yvonne Zonderop in “Ongelofelijk. De verrassende comeback van religie” als ‘outsider’ de essentie van het christendom uitlegt, aan ‘dummies’. Simon de Visser doet hetzelfde, maar dan als ‘insider’. En dat ook nog met een helderheid en diepgang die ik zelden ben tegengekomen. Zijn visie staat als een huis. Hieronder zal ik proberen uit te leggen waarom.

Wat is makkelijker

De Visser begint niet met zichzelf. Hij focust direct op de hoofdpersoon in het christendom, Jezus, en probeert iets uit te leggen over het enorme geestelijke gezag dat Hij volgens de Bijbelse verhalen uitstraalde. Niemand, voor of na Hem, bezat zoiets. De Visser heeft het over het verhaal van de genezing van een verlamde man. Jezus is naar huis gegaan, in Kapérnaüm, maar rust is Hem niet gegund. Het wordt al gauw bekend dat hij daar is, en de mensen strómen toe om Hem de Thora te horen uitleggen. Vrienden willen een verlamde man naar de rabbijnse wonderdoener brengen, maar er is vanwege de menigte geen doorkomen aan. Dat brengt hen op het idee de zieke door een gat in het dak te laten zakken, wat een gek spektakel moet zijn geweest: “… Ik probeer me voor te stellen wat er precies gebeurde. Het was muisstil toen Jezus het woord predikte. Ze hingen immers aan zijn lippen. Dan klinkt er wat gestommel in de ruimte. Ach, niks bijzonders, misschien iemand op het platte dak. Maar dan gekraak en geschuif. Stof en rommel dwarrelen naar beneden. Iedereen kijkt omhoog. Ineens schijnt een bundel zonlicht naar binnen. Even later zie je vier triomfantelijke gezichten te voorschijn komen met de strakblauwe hemel als achtergrond. Voorzichtig laten vier mannen een matras met een verlamde man zakken tot op de grond. Ja, inderdaad, precies voor de voeten van Jezus…”. Jezus kijkt eerst naar de diepere nood van de verlamde, het basisprobleem, en zegt “… uw zonden worden vergeven…”. Dat zorgt voor een stevige confrontatie met de aanwezige godsdienstige leiders, de schriftgeleerden, want wie kan er zonden vergeven dan God alleen? Vervolgens laat Hij de zieke weer op zijn benen staan. De reactie: “… Zoiets hebben we nog nooit gezien!...”. Waarop Jezus de vraag opwerpt: “… Wat is gemakkelijker, tot de verlamde te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw matras op en wandel? …”. De Visser: “… Hij stond mijlenver boven de situatie. Hij vroeg niet ‘wat is moeilijker’, maar ‘wat is makkelijker’… ”. En dat is precies een interpretatie die ik nog nooit eerder heb gehoord; wat de uitleg ‘anders’ maakt.

Enerverend
In een artikel in het ND (03.10.18) maakt schrijfster Rosita Steenbeek korte metten met wat zij noemt het ‘Sinterklaasgeloof’: “… Iemands vader of moeder kreeg een ernstige ziekte, en dus bestaat God niet. Tsja…”. Zelf overleefde ze in de tweede klas van de middelbare school een hersenbloeding en later een auto-ongeluk waardoor ze een tijd in een gipsen korset in het ziekenhuis lag. Ze beschrijft die periode als een soort van ‘bewegingloze pelgrimage’, waarin ze een diepe verbondenheid met anderen, die er even slecht aan toe waren als zij, en God ervoer: “… Ik was los van alle dagelijksheid…”. De Visser stelt dezelfde geestelijke ervaring aan de orde aan de hand van sommige hoofdpersonen uit de Bijbel, zoals de profeet Jeremia die onterecht in een afgesloten, benauwde cel terecht komt, waar hij boven alles uit stijgt als hij de stem van God opvangt: “… Dit zegt de HEER, die de aarde gemaakt heeft, die haar heeft gevormd en gegrondvest, wiens naam is HEER: Roep mij aan, en ik zal je antwoorden, ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn…” (Jeremia 33:3). Ook de Nieuw Testamentische Paulus, die zich een ‘gezant in ketenen’ (Efeze 6:20) noemt, dus ook al de gevangenis van binnen zag, heeft het over ‘de Geest van wijsheid en van openbaring’ en ‘verlichte ogen des verstands’. De profeet Jesaja benoemt de diepe vrede en innerlijke rust die God geeft (Jesaja 55:12), maar wijst er wel op dat God totaal ‘anders’ is dan wij: “… Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de HEER. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen…” (Jesaja 55:8,9). Het is duidelijk dat Gods hulp en verlossing van een totaal andere orde zijn dan alle menselijke ideeën hierover. Dat maakt het tegelijk enorm enerverend. De Visser aan de hand van de Bijbelverhalen over Jezus: “… Het eerste wat Christus doet als we echt in nood zijn is dat Hij tot ons hart spreekt…”.

Wedergeboorte
Christenen denken erg verschillend. De Visser gaat uit van de antropologische visie dat de mens een drie-eenheid is van geest, ziel en lichaam (zie bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:23). Mijn grote inspirator Willem Ouweneel zou hier zijn staf over breken, maar zelf ga ik in deze denkwijze mee, omdat ik daar verreweg het beste mee uit de voeten kan. Het is logisch. In deze visie kan iemand als bijvoorbeeld Dick Swaab (“Wij zijn ons brein”) op zijn manier gelijk hebben als hij stelt dat zowel het lichaam als de ziel dood gaan. Hij zegt daarmee niets over de geest, en dat kan ook niet, want alleen een gelovige die een ‘wedergeboorte’ heeft meegemaakt, kan daar blijkbaar iets mee, legt De Visser uit aan de hand van het verhaal van Nicodemus. De Schriftgeleerde die midden in de nacht naar Jezus toekwam om met hem te praten. Jezus zegt tegen hem dat niemand het ‘Koninkrijk van God’ kan zien zonder ‘wedergeboorte’ (Johannes 3:3). Als Jezus later tegenover Pilatus staat, zegt Hij: “… Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren gestreden hebben, opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd…” (Johannes 18:36). Het bestaat in een andere dimensie, in een andere sfeer, dan de aardse. De Visser: “… Zonder God is de mens geestelijk dood. Bij de wedergeboorte maakt Gods Geest de menselijke geest levend. Efeze 2:5 zegt: “… mede levendgemaakt in Christus…”. Nicodemus snapt er niks van: “… Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden?...” (Johannes 3:4). Daarop legt Jezus uit dat het niet om een biologische, maar om een geestelijke geboorte gaat: “… Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan…” (Johannes 3:5). Uit ‘water’ is de aardse geboorte, en ‘Geest’ is de geestelijke geboorte. De wedergeboorte is een geboorte waarbij we een nieuwe wereld binnen gaan. Een geestelijke wereld: “… Wat uit vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest…”(Johannes 3:6). De wereld van beneden en de wereld van boven. Hoe raak je ‘wedergeboren’? Door te geloven dat het waar is wat Jezus te vertellen heeft, zegt Hij zelf. Je geloofshouding of geloofskeuze is allesbepalend. De Visser: “… We kennen plantenleven, dierenleven, menselijk leven. Om te kunnen communiceren op één niveau, heb je hetzelfde leven nodig: een dier met een dier, een mens met een mens. Om met God te kunnen communiceren, heb je goddelijk leven nodig, het Griekse woord ‘zoë’…” (het doet me denken aan wat Marente de Moor allemaal schrijft over dierenfluisteraars in “Foon” - zie mijn vorige blog). En even verder: “… Nicodemus dacht dat hij met Jezus wel op hetzelfde niveau kon communiceren, maar dat was beslist niet het geval. Alleen door de wedergeboorte ontvangen we het goddelijke leven, en krijgen we een levend contact met God. Romeinen 8:14 zegt, '… die Geest getuigt met onze geest dat we kinderen Gods zijn' De Heilige Geest werkt via de menselijke geest…”. Dit lijkt me een van de grootste ‘geheimen’ van het christendom.

Daar valt of staat alles mee
Is het belangrijk dat je als gelovige deze dingen kunt onderscheiden? Ik denk het wel. Zie bijvoorbeeld Johannes 4:24: “… God is geest en wie Hem aanbidden moeten aanbidden in geest en waarheid…”. Waarbij waarheid duidt op helemaal jezelf zijn, en geest op wat zich beweegt in je allerdiepste kern. De Visser: “… De Bijbel leert dat de mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. Aanbidding kan een uiterlijk vertoon zijn. Soms is het alleen verstandelijk of emotioneel…”. En even verder: “… in de geest is het nieuwe leven. Daar is het terrein, waar je het levende contact met God onderhoudt…”. Ik moet daarbij altijd denken aan wat de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt Jezus laat zeggen in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus”: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Als Jezus is opgevaren naar de hemel belooft Hij dat Hij ‘een andere Trooster zal zenden’ die altijd bij je zal zijn (Johannes 14:16). Dit is bijvoorbeeld ook de persoon waar schrijfster Esther Gerritsen aan refereert in de titel van haar boek “De trooster”: “… In het Grieks wordt het woord Parakleet gebruikt, letterlijk betekent dat ‘geroepen om terzijde te staan’…”. Een helper. En vervolgens in vers 17: “… Hij blijft bij u en zal in u zijn…”. Dát is het geheim van het christendom. Toen ik christen werd – want dat ben ik niet altijd geweest – heeft me het hogelijkst verbaasd dat daar zo weinig over wordt gepraat. De Visser zegt er het volgende over: “… In bepaalde gevallen zijn door een ongezonde nadruk op het werk en de Persoon van de Heilige Geest, mensen wat kopschuw geworden voor dit Bijbelse thema. Er zijn helaas uitspattingen geweest in kringen waar dit onderwerp ontaardde in verwarring. En je moet zeker op je hoede zijn voor te eenzijdige stromingen die je op het verkeerde been kunnen zetten. Maar de boodschap van de Heilige Geest is zo enorm belangrijk. Daar valt of staat alles mee. Wat zegt Paulus tegen de Corinthiërs, waar op dat moment behoorlijk wat verwarring was onder gelovigen? ‘Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die u van God ontvangen hebt… (1 Cor. 6:19)…”. Christus is opgevaren naar de hemel: “… Het is de Heilige Geest die het werk voortzet op aarde…”. Yvonne Zonderop vertelt in “Ongelofelijk” dat ze zelfs als ongelovige diep onder de indruk raakte van het schilderij “Pentecostés” van El Greco. Het stelt de uitstorting van de Heilige Geest voor. Een fenomeen wat bijna te bezopen is voor woorden. Dat vonden de omstanders toendertijd ook: “… Zij hebben teveel zoete wijn gehad!...” (Handelingen 2:13). Er gebeurde nog iets bijzonder vreemds: de gelovigen waren verstaanbaar in allerlei talen. Ik vraag me af of er ooit een theoloog is geweest die dit gegeven in verband heeft gebracht met de torenbouw van Babel, waar precies het tegenovergestelde gebeurde: spraakverwarring.

Het verhaal is nog lang niet af
De Visser legt uit hoe belangrijk het is dat een gelovige in nauw contact blijft staan met Christus, die zichzelf ‘de wijnstok’ noemt, en mensen aanduidt als ‘ranken’ (Johannes 15:5). Dat hoeft verder geen betoog. Als je een plant afsnijdt van zijn wortel gaat hij dood omdat hij geen levenssappen - oftewel ‘levend water’- meer krijgt. Dat lijkt mij duidelijk. Hoe leer je bidden? Gewoon door het te doen, zegt De Visser. Net zoals je fietsen leert. Verder bespreekt hij in het kort de geschiedenis van Jezus die voorspeld en geboren werd binnen het volk dat God daarvoor uitkoos, Israël, en gaat hij in op de christelijke toekomstverwachting, want één ding is zeker: volgens de Bijbel is het verhaal van God nog lang niet klaar! Ik wacht met spanning af…

Uitgave: Boekrol.nl – 2016, 155 blz., ISBN 978 909 029 742 2, € 13,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 3 oktober 2018

Foon – Marente de Moor


Van sommige boeken moet ik gewoon huilen. Niet omdat ze zo zielig zijn, maar omdat de tekst bijna ondraaglijk mooi is. Net zoals je dat soms bij prachtige muziek overkomt. Dat gebeurde mij toen ik “Foon” las. Waar háál je het vandaan, Marente de Moor! Ik dacht aan de onlangs oplaaiende discussie naar aanleiding van de boekenweek in 2019, die “De moeder de vrouw” als thema heeft. Het zou de suggestie van ‘de vrouw terug naar het aanrecht’ wekken. Zowel het boekenweekgeschenk als het boekenweekessay schijnen ook nog eens door mannen te worden geschreven. En dat in een tijd waarin alles draait om gendergelijkheid en de man-vrouwbalans. Ik ben geen doorgeschoten feminist. Je kunt schrijven of niet. Volgens mij maakt het geen bal uit of je man of vrouw bent. Maar dat het in Nederland ontbreekt aan schrijfsters van een kaliber waarmee de boekenweek kan uitpakken - wat je haast zou gaan denken: ik bedoel, wie kan er nu beter over de vrouw schrijven dan de vrouw zélf - is van een dermate nonsens dat je de boekenweek bijna links zou laten liggen. Wat heb ik de laatste tijd al niet besproken aan werkelijk óngelooflijke vrouwelijke woordvirtiositeit: Esther Gerritsen, Marieke Lucas Rijneveld en nu dus Marente de Moor (eerder recenseerde ik van haar “Nederlandse maagd”). De boekenweekspecialisten hoeven niet eens terug te vallen op iconen als Nelleke Noordervliet en Anna Enquist, het vrouwelijk talent ligt voor het óprapen…

Ontheemding

Eigenlijk denk ik dat het aanstaande boekenweekthema vooral een teken is dat de heren boekenwurmen, die de ophef niet zagen aankomen, in onze postseculiere tijd (zie mijn vorige blog), bewust dan wel onbewust, op zoek zijn naar de verloren moeder Gods. Dat het een uiting is van de behoefte aan troost. Ik durf bijna te wedden dat er een publicatie aan zit te komen met een Piëta op de omslag (ik zou het tenminste wel weten als uitgever). Want de mannen liggen sinds het uitbarsten van alle me-too-trammelant wel erg onder vuur. Yvonne Zonderop wijst op de ‘ontheemdheid’ die in onze cultuur is ontstaan na het wegvallen van religie. “Foon” gaat ook in sterke mate over ontheemding. Marente de Moor (1972) woonde vlak na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie acht jaar in Rusland. Ik- en hoofdpersoon in haar verhaal is Nadja, de twintig jaar jongere echtgenote van Lev, een verwarde professor: “… Zou een leugenaar sneller dementeren dan een eerlijk mens, omdat hij twee levensverhalen in de lucht moet houden?...”. Ze zegt dat ze elke jonge vrouw afraadt iets met een veel oudere man te beginnen: “… Ik wist niet dat mannen niet geleidelijk, maar plotsklaps verouderen, dat ze zich op een dag een scharrelpasje aanmeten, zin krijgen in zoetigheid en je bij de arm grijpen in plaats van bij je billen. Vanaf dan mag je zijn lijf verplegen, maar blijf weg bij zijn geest, die heerszuchtiger zal zijn dan ooit…”. Het zoölogenechtpaar woont in een van God en alleman verlaten oord midden in de onmetelijke Russische rimboe. Samen met hun dieren: geiten, kippen, katten, een paard, een hond en een pratende raaf. Hoe De Moor het interieur van hun vervallen datsja schildert: “… het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit…”, “… de drempel die me zo de kolere wenst…”, “… de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot…”. En buiten: de keurige houtstapel en de beek met snoeken, forellen en kreeftjes. Daarachter het moeras, bedoeld voor muggen en vijanden, maar als je die eenmaal hebt uitgeroeid ligt het maar zo’n beetje te stinken, “… als een bezopen veteraan op de keukensofa…”. Verder een sprookjesbos met eetbare paddenstoelen dat al gauw verandert in kilometer na kilometer vervelende wildernis, “… heel veel steppe, bossen met bomen die almaar hoger worden, dorpen met mensen die steeds minder zeggen…”. Af en toe klinkt er een niet te identificeren, onwezenlijk, duister, angstaanjagend geluid door de lucht, waar het stel met voortdurend gespitste oren nerveus op zit te wachten: foon.

Slappe onderbroeken om bleke lijfjes
Terugblikkend vertelt Nadja hoe ze verliefd werd op Lev, toen hij een groep studenten, waaronder zij, tijdens een expeditie in een natuurreservaat begeleidde. Vanwege zijn harige, baardige, groteske voorkomen werd hij ‘de mammoet’ genoemd. Tijdens die periode sloot ze ook een vriendschap voor het leven met de wat mannelijke studiegenote Lydia, en wel zó hecht, dat “… ze mij erom zou gaan haten…”. Volgens Nadja kwam ze zonder enig benul van haar seksualiteit de puberteit door, wat wel vaker gebeurt bij bètabolleboosjes die alleen oog schijnen te hebben voor wetenschap: “… Waarschijnlijk gold dat voor ons allemaal, want lessen over dit onderwerp wekten nooit gegiechel, niet eens stomme verbazing, en zelfs al hadden de jongens met ons een zaal gedeeld, dan nog waren we braaf in slaap gevallen. Wij, van schoolinternaat No 45, bewaarden onze eigen biologie voor na het eindexamen. Ik ben in die twee jaar niet verliefd geweest, niet op een popster dus laat staan op de klasgenootjes van het mannelijk geslacht die naam- en stemloos wegzakten in mijn herinnering…”. Over de knaapjes die ze tijdens de expeditie in hun bedden zag liggen: “… Weerzinwekkend vond ik ze, met hun slappe onderbroeken om hun bleke lijfjes. Volgens Lydia lieten ze hardop scheten in hun slaap, iets waar ze meisjes nog nooit op had kunnen betrappen. Verder dan dit ging haar onderzoek van de andere sekse niet…”. Maar toen Nadja eindelijk verliefd werd, en wel op het alfamannetje van de groep, waren de rapen dan ook gaar: “… Vanaf toen was er niets meer te redden. Uit de sprookjes die ik verzon werd ik pas vijfentwintig jaar later wakker. Men zegt dat dit de periode is die iemand nodig heeft om zich los te maken van een sekte…”.

God, seks en de raadsels eromheen
De harde, ongerepte natuur, die elke sentimentaliteit onbeantwoord laat, maakt haar aan het twijfelen over of wij, fragiele, blote tweebenigen, inderdaad het hoogtepunt vormen van de evolutie en knaagt, evenals haar gedachten over Lev, tot beschamends toe aan haar socialistische ziel. De wildernis “… had me opgezadeld met alles wat vadertje Lenin had verboden: God, seks en de raadsels eromheen…”. Haar enige buurman woont zeven kilometer verderop in een leeg spookdorp. Vadertje Igor, “… of, zoals wij hem noemen, de Zogenaamde Pope. Als het moet wil ik best in God geloven, maar niet in de Zogenaamde Pope…”. Volgens Nadja een “… oude hippie die op zekere dag merkte dat een soutane beter om zijn pens paste dan een spijkerbroek…”. Als hij langs komt verwacht hij dat zijn vochthuishouding zo snel mogelijk op peil wordt gebracht, en niet alleen met kraanwater: “… als hij aan het einde van de avond weer door het hekje naar buiten schommelt geloven Lev en ik altijd even in God…”. Als Lev en Nadja hem vertellen over het geluid dat lijkt op trompetterende wolken, is de pope ervan overtuigd dat het te maken heeft met het laatste oordeel. Ze halen er de Bijbel bij. Slaan de Rede van de Laatste Dingen er op na. Plus Mattheus, Marcus en de Openbaringen van Johannes natuurlijk. Ik ben het helemaal met Yvonne Zonderop uit mijn vorige blog eens: als je de Bijbelverhalen niet kent, snap je niets van literatuur. Het volgende fragment deed me sterk aan haar verhaal over de christelijke traditie denken: “… De mens is voor een andere mens een wolf, zei Ilja, maar wel een keurige wolf. In de strafzone vochten ze ook als wolven, dat wil zeggen: zonder tanden, maar volgens de rituelen. Onderling doen wolven meestal alsof. Als bioloog wist ik toch wel hoe belangrijk rituelen waren voor wolven? En voor de eendagsvlieg in zijn haastige laatste uren, en de landschildpad, zijn halve leven in de rouw, voor de rivieren en hun ceremonies, de bomen die hun routine doorliepen, geen van deze wezens zei ooit bij zichzelf: weg met de traditie, ik geloof er niet meer in! Het leven draait om herhaling, het ging pas mis bij de schepsels die uit verveling hun rituelen hadden afgeschaft. Mensen die zonodig oorspronkelijk moesten zijn en creatief, gingen in de strafzone snel ten onder, zei Ilja. En daarbuiten zaten ze aan de drank of bij de psychiater, al naar gelang hun budget…”. Wat mij weer bij de boodschap van psychiater Damiaan Denys bepaalde, die boos is op mensen die hun heil zoeken in de psychiatrie terwijl ze helemaal niet ziek zijn – zie hier. Even verder: “… Westerse toeristen bewonderen beelden van Lenin zoals ze in andere landen kathedralen bewonderen. Het is ze om de spanning te doen, de melancholie van een gefaald geloof. Ze herkennen het, vergis je niet, thuis hebben ze namelijk allang niets meer om zich aan vast te klampen…”.

Misprijzend door de levens van anderen wandelen
De Moors’ metaforen zijn fenomenaal: “… Sneeuw verraadt waar de platgetreden paden liggen, en waarom je ze moet mijden. Hoe meer mensen je voorgaan, des te smeriger en gladder het wordt…” en “… We stalden de kinderen boven onze hoofden, als een voorraadje liefde op zolder…”. Haar taalgebruik onnavolgbaar: mensen “… wandelen misprijzend door de levens van anderen…” en “… Het was fijn om naar hem te kijken, naar zijn ogen die nog niet door wantrouwen waren verfrommeld maar opgewekt terugkeken…”. Wat moet zij opgelet hebben in het leven: “… Volgens mij vermageren vrouwen van hun principes, terwijl mannen dik worden van hun gelijk…” en “… Dat bajesklanten vaak kuiltjes in hun wangen hebben, zal wel komen omdat ze de hele tijd hun kaken op elkaar geklemd houden…”. Over de tatoo in de hals van Nadja’s bullebak van een zoon, gotische letters die hij zelf niet eens kan lezen: “… Deze ondertiteling van Dimitri Lvovitsj Bolotov is voor anderen bedoeld, voor de tegenliggers in zijn leven…”. En even verder: “… Is het de bedoeling dat je als ouder vertedering opbrengt voor je volwassen kind? Alleen krokodillen worden zo langzaam volwassen als wij. De moederdieren kraken de eieren tussen hun kaken en dragen de baby’s met ontzagwekkende zelfbeheersing mee in hun bek…”. Als zoonlief op komt dagen zet hij het met zijn vader, onder het bespreken van de gekste complottheorieën, op een slempen, zodat Nadja uiteindelijk twee bezopen kerels in bed moet zien te werken: “… het is onvoorstelbaar wat een herrie we voortbrengen. In het linkerraam lacht de maan zich rot…”. Ze lust er trouwens zelf ook wel eentje. Er is ook nog een verloren dochter. Haar bosnimf: Vera. Nadja vertelt hoe op school de versregels van Lenin en de Partij de kleuterhoofdjes van haar kinderen binnen marcheerden: “… In de weekenden probeerden we ze te vervangen door onze eigen onzin…”. Over hun verbale sabotage: “… In onze versie heetten de volgelingen van Lenin de ‘Levitsny’, luiaards, van de orde der miereneters, die het liefst ondersteboven in de bomen hingen. Voor de partij!...”. Inmiddels is het allemaal voorbij: “… Daar hebben we de ouderdom, het zeikwijf dat het feestje komt verstieren als je ziel nog staat te dansen, daar is ze, hallo, onaangenaam kennis te maken…”.

Stellig zijn alleen de kwakzalvers
Nadja vertelt hoe zij en Lev tegen het advies van iedereen in vertrokken naar the middle of nowhere om een biologisch laboratorium op poten te zetten. Als de bosbewoners in de buurt vervallen tot werkloosheid en armoede wordt alles wat ze hebben gegapt. Daarop beginnen ze zomerkampen te organiseren om de stadsjeugd te leren hoe ze in de natuur kunnen overleven. En nog later gaan ze verweesde berenwelpen opvangen: al met al een heel duister zaakje. Nadja bespreekt de mensen die ze door de jaren heen heeft ontmoet, en die ondertussen allemaal zijn verdwenen: “… De Studiegroep Beren bestond vrijwel uitsluitend uit jagers, mannen die terugkwamen uit het bos met armen vol sterke verhalen, terwijl wolfologen juist vrouwen waren, van het type dat meteen naar je sterrenbeeld vroeg. Maar ze beweerden allemaal over speciale gaven te beschikken, over een exclusieve, transcendente band met het wilde dier waarvan niemand moest proberen iets te begrijpen. Het verbaasde me, want het waren vrijwel allemaal zenuwpezen. Een hond zou er nog van weglopen. De mannen waren zuiplappen, de vrouwen huilebalken, en ze bevochten liever elkaars autoriteit dan ze samenwerkten voor de wetenschap…” (zie ook “De kinderen van de nacht. Over wolven en mensen” van Dik van der Meulen). Maar: “… Niet elk sterk verhaal hoeft de nek te worden omgedraaid…”. En dus vertelt Nadja over spoken en duivels in Russische sagen en legendes. Over Russische profeten en Russische kluizenaars en Russische heksen: “… Ik zocht hun verhalen, honderden zinnen die allemaal begonnen met ‘er was eens’…”. En drijft ze wetenschappers tot het uiterste door het darwinisme - óók maar een theorie - belachelijk te maken: “… Ik was niet religieus, voor zover ik wist. Maar geprovoceerd door Lydia’s verontwaardiging draafde ik door: Gelovigen vinden ons een misvatting, atheïsten vinden God de misvatting, wat maakt het uit? De natuur staat erbij en kijkt ernaar…”. En Lydia: “… ‘Vertel me eens,’ fluisterde ze, ‘hoe flik je dat? Je kennis afschaffen, je hersenen uitschakelen? Want dat willen we allemaal wel, weer in sprookjes geloven…”. Toch zei Lev ooit op een onbewaakt moment voor een klas: “… Twijfel is goed, stellig zijn alleen kwakzalvers…”. Iemand die Nadja duidelijk maakt hoe ze gebruik kan maken van buitenlandse vrijwilligers: “… ‘En je laat die lui alles opknappen, want dat vinden ze leuk,’ zei hij. ‘Echt! Drollen ruimen, vloeren boenen, houthakken. Moet wel een beetje folklore in, met sneeuw, beertjes, wolfjes, Kalinka-malinka, daar zijn ze in het Westen gek op, want zelf hebben ze geen sprookjes meer. Ze geloven niet meer in God, maar wel in de natuur, die ze niet eng vinden of vervelend, maar zielig. Ze troosten bomen. Ze troosten wilde dieren. In Amerika loopt er eentje rond die met grizzly’s omgaat alsof het kleine kinderen zijn. (…) Nou, zojuist las ik op internet dat het raak was: hap, slik, dood. Bleef zeker nog vriendelijk terwijl hij werd opgegeten, zo van ‘tast toe, geniet ervan, het ligt ervoor, hoor!’ Zo staat het er nu voor in het Westen.’…” .

Het derde luik

Op een gegeven moment vertelt Nadja hoe ze op een dag uit de twee ramen van haar studeerkamer keek en twee bijna volmaakte taferelen met dieren ontdekte, die ze stuk voor stuk opnoemt: “… Er was geen derde luik om de idylle te bederven. Niets meer aan doen, dacht ik, lieve God, laat dit zo, alstublieft…”. Voor de godloze lezer: vroeger had je altaarstukken die bestonden uit drieluiken waarop aan de ene kant de hemel, in het midden het aardse, en aan de andere kant de hel was uitgebeeld. Natuurlijk is het geluk niet blijvend, en komt de hel toch in het vizier. Langzaamaan wordt duidelijk dat er iets vreselijks moet zijn gebeurd. Nadja haalt niet voor niets een citaat uit "De meester en Margarita" aan: “… Van al het verdriet en de tegenslag die mij hebben getroffen, ben ik heks geworden…”. Als je het hebt over verdriet: “… Ik rol me op mijn buik en huil. Waarom smoor ik mijn tranen in het matras? Alsof iemand me zou horen als ik in het doodstille donker brul als een koe zonder kudde. Ik huil in het kussen omdat ik het evenmin wil horen. Ik wil niet de enige zijn die naar mijn verdriet luistert…”. Waar zijn alle mensen heen die haar verhaal bevolken? Ik ga dat niet vertellen. Lees het boek zelf maar. En wat is “Foon”? Zijn het de tektonische platen van de vermoeide aarde die over elkaar heen schuiven? Dat is goed voorstelbaar gezien de hedendaagse actualiteit waar De Moor in een vooruitziende blik op lijkt te ageren. “… ‘Het is de hand van God,’ zegt de pope. ‘Jullie hadden Hem afgezworen, dachten alles door te hebben. Maar nu tovert Hij er weer op los en kunnen jullie er met de gedachten niet bij. Prachtig. ’…”. En “… Aan een wereld zonder God komt geen einde. Ongelovigen strompelen van de ene speling van het lot naar de andere, het is de hel, dat grenzeloze universum van de wetenschap…”, bromt hij nog een eindje verder. “… Is er een God? Verbeelden we Hem ons, of gaat Hij onze verbeelding te boven? …”, vraagt Nadja zich af. En tegen de pope: “… Het kostte ons destijds niet de geringste moeite om atheïstisch te worden, (…) Maar er zal veel kunst- en vliegwerk nodig zijn om het proces om te keren…”. Volgens de pope valt dat wel mee: “… Is dit nog niet genoeg kunst- en vliegwerk? De lucht, de wolken, kijk toch eens! Uiteindelijk zijn er maar weinig echte atheïsten, Nadja. Vroeger, in Leningrad, was het museum van het atheïsme in de Kazan-kathedraal de beste plek om iets over het geloof te weten te komen. Nu hebben ze het omgedoopt in het museum van religie, maar de collectie is onveranderd gebleven. Omdat ze simpelweg niets atheïstisch hadden om tentoon te stellen. Omdat atheïsten niks te bieden hebben behalve datgene waar ze zich tegen verzetten: de verhalen en dromen van anderen. Bakoenin spuugde erop. Het rijkeluiszoontje dat hij was, keek neer op de verbeelding van het voetvolk. Maar toen hij stierf, had hij niets om naar uit te kijken, behalve zijn vreten. Op zijn sterfbed sloeg hij de bouillon af, maar koos voor de pap. ‘Boekweitpap, da’s andere koek.’ En dat waren dan ook meteen de laatste woorden van Michail Aleksandrovitsj…”.

Wie verzint en wie gelooft?
In “Foon” gaat het vaak en veel over verhalen. Verhalen die orde scheppen in de chaos. Verhalen die we onszelf en anderen vertellen om overeind te blijven. Sinds de westerse vrijwilligers niets meer geloven, slikken ze álles. Als zoete koek. Kun je ze wijsmaken wat je wil. Bedonderen waar ze bij staan. Misschien zijn de wilde dieren inmiddels uit. Willen ze nu selfies met lachende weesjes uit Afrika. Maar daar gebeurt precies hetzelfde. Lees “De oogst is voorbij” van Geert van der Kolk maar. De “Foon” is nabij gekomen. Vroeger hield het zich als achtergrondruis van het leven braaf op afstand. Inmiddels is het verworden tot oorverdovende ketelmuziek. Misschien ligt het aan het knetterende World Wide Web dat over ons heen is gegooid, en waar niemand aan ontsnapt: “… Internet bedekt ons allemaal (…) Alles is plat, platgeslagen!...”. Onze actieradius is eindeloos. En ter verduidelijking: “… Laat me je dit vertellen. In den beginne bevoeren wij een oceaan, een onmetelijk water vol geheimen en gevaren. Het was mooi. Soms was het stil, soms maakten de golven kabaal, maar wij hadden er niets over te zeggen. Helemaal niets. Dus voeren we door, eeuw na eeuw, op ons gemak. Maar nu is het uitspansel ingestort. We kijken omhoog, en wat blijkt het allemaal te zijn? Niks geen oceaan. Een ordinair zwembad is het, met miljarden badgasten die in het water pissen, en de longen uit hun lijf schreeuwen, maar het gaat nergens heen! Al dat lawaai, het gaat nergens heen! Het ketst af tegen het plafond dat we ooit voor de hemel hielde…”. "Foon" als echo van al ons geblèr. Onze fantasie hebben we ingeruild voor meningen. Is de wereld daar zoveel leuker van geworden? Toen ik even hiervoor over het nieuws scrolde las ik dat, terwijl het natuurgeweld in Indonesië al meer dan duizend officiële dodelijke slachtoffers telt, er bij een gezinsdrama in Amsterdam vier mensen zijn omgekomen, er een huilende peuter is aangetroffen bij een vermoorde moeder in Bergen op Zoom, Georgina Verbaan gisteren de hele dag misselijk is geweest omdat Jan van den Bosch een donker kindje een ‘Oegandeesje’ heeft genoemd. Ik bedoel maar. Waar je al niet misselijk van wordt, hè?! Misschien een allergische reactie, of zo? Wie verzint en wie gelooft? Wie zijn de illusionisten en wie het publiek? Denk je daar wel eens over na?

Uitgave: Querido-2018, 320 blz., ISBN 978 902 141 200 9, € 20,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 26 september 2018

Ongelofelijk – Yvonne Zonderop


Subtitel: Over de verrassende comeback van religie

“… Stel je voor dat de christelijke kerken hun mystieke erfenis beter en overtuigender hadden weten uit te dragen. Dat meneer pastoor vanaf de kansel had gezegd: laat u vervullen door de inspiratie die in u is en handel daarnaar, in plaats van: op vrijdag mag je geen vlees eten, dat is van bovenaf verordonneerd. Had Nederland dan nog steeds zo veel ‘nieuwe spirituelen’ geteld? Dit is wat bisschop De Korte van Den Bosch volgens mij bedoelde, toen hij zei dat we de taal hebben verleerd om over het mysterie te spreken, en dat die tekortkoming ten grondslag ligt aan de leegloop van de kerken…”. Volgens mij slaat journalist en trendwatcher Yvonne Zonderop (1955) met dit citaat de spijker op zijn kop. Bisschop Gerard de Korte is niet de enige die zo denkt. In een artikel in het Nederlands Dagblad (ik kan het helaas niet meer terug vinden) zei Antoine Bodar dat het in de kerk minder over de regeltjes en meer over ‘het licht’ zou moeten gaan. Wim Dekker, emeritus predikant binnen de PKN, naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek "Verbonden en vervreemd": “… De zondagse dienst moet, gemiddeld genomen, echt spiritueler, dieper. Het ‘God-gehalte’ moet omhoog…” (ND 15.06.18). Hij heeft het over God als ‘Geheim’: “… wat leidt af en wat brengt je dichter bij het Geheim? Daar moet je het over hebben…” (zie in verband hiermee ook mijn blog over “De slinger van Foucault”).

Cultuurchristen

Yvonne Zonderop heeft een indrukwekkende staat van dienst: parlementair verslaggever, chef kunst, chef economie en adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft voor De Groene Amsterdammer, houdt toezicht bij de FD Mediagroep en Omroep Human. Ze maakt deel uit van de Begeleidingscommissie van het Sociaal en Cultureel Planbureau en van de Unesco Commissie Nederland. Kortom, als iemand de afgelopen halve eeuw dicht op de actualiteit heeft gezeten, is zij dat wel. Volgens haar is religie weer terug van weggeweest. Ze vertelt hoe ze ooit als katholiek meisje stampvoetend de kerk uit liep, maar zichzelf weer terug vond op de kansel van de Amsterdamse Nieuwe Kerk, om een verhaal af te steken over een schilderij van de Spanjaard El Greco: “Pentecostés”. Een werk dat haar diep raakt: “… Pas nu dringt de situatie tot mij door: ik sta in een kerk en ik spreek een gezelschap toe dat vermoedelijk niet gelooft, maar dat wel wíl geloven, zo niet in God, dan toch in een verhaal waaraan ze zich kunnen verbinden…”. Ze noemt zich een ‘cultuurchristen’. Ze gelooft niet dat de Bijbelverhalen waar zijn in de letterlijke betekenis van het woord, maar denkt wel dat ze iets belangrijks kunnen zeggen over onszelf en onze opdracht in het leven. In de slipstream van een heftige secularisering hebben we alles wat riekt naar geloof bij het grofvuil gezet. Doen we onszelf daar niet oneindig mee tekort?

Religekkies
Zonderop vertelt hoe in de jaren zestig de kerk begon leeg te lopen. En daar was alle reden toe. De kerk was verworden tot een harteloos instituut vol machtsmisbruik (daar weten we ondertussen alles van). Nederland ervoer het gebeuren als een bevrijding. Het plaatste ook een bom onder de verzuiling. Het sloeg wel een beetje door: geloof werd een zaak voor religekkies. De laatste tijd groeit voorzichtig het besef dat we met het badwater misschien ook wel het kind hebben weggegooid. Doordat we geen benul meer hebben van onze religieuze traditie begrijpen we onze cultuurgeschiedenis niet. Niemand snapt meer dat we zonder 1500 jaar christendom waarschijnlijk niet in een democratische rechtsstaat zouden leven. We weten geen raad met religieuze uitingsvormen in het openbaar. Terwijl we ooit befaamd waren om onze beheerste omgang met religieuze verscheidenheid. Ter rechterzijde kapen populisten, die zelf waarschijnlijk helemaal niet geloven, het motief van onze joods-christelijke erfenis om dat in te zetten tegen de islam. Alsof het joods-christelijke gedachtegoed lijnrecht tegenover het islamitische gedachtegoed zou staan. Wie weet nog dat het christendom uit het Jodendom is ontstaan en daaruit weer de islam? Ter linkerzijde houdt men beschaamd de mond, bij gebrek aan een duidelijke opvatting. Alsof we vergeten zijn dat de Grondwet niet alleen de vrijheid van meningsuiting garandeert, maar ook de vrijheid van godsdienst. Maar we kunnen niet leven van brood alleen. We zoeken naar wortels en inspiratie. En de jonge generatie is niet meer behept met de anti-religieuze gevoeligheid van hun (groot)-ouders. Een aangehaalde kunstenaar: “… Als je verder kijkt dan je eigen belang, komt het spirituele al snel om de hoek kijken…”. En een filosoof die religiestudies erbij koos: “… Omdat ik een antwoord wilde vinden op de leegte van mijn bestaan…”.

Godsdienstige beleving

Achtentachtig procent van de wereldbevolking belijdt een geloof. Dat is vier op de vijf mensen. Dan kun je toch niet concluderen dat geloof enkel getuigt van achterlijkheid. Geloof doet er toe. Religie is blijkbaar een menselijke behoefte. Godsdienst draait om het ‘onzegbare’: “… Dan gaat het om een hogere kracht die boven mensen uitstijgt. Wij zouden zeggen: het draait om een god. Maar wat of wie die god is, en hoe je hem (of haar!) ziet of ervaart, blijft het geheim van de gelovige. Het spirituele aspect van religie laat zich onmogelijk vastpinnen. Tegelijkertijd is het de crux van de religieuze ervaring…”. En even verder: “… Je ervaart een energie die ongrijpbaar is, maar toch waarneembaar, en die jou verrijkt. Het is een kwestie van beleving. Eerder dan van overtuiging. In een religieuze ervaring – sommigen spreken dan liever van een ‘spirituele’ ervaring – ben je deel van iets ontzagwekkends wat boven jou uittorent…”. De Franse schrijver Emmanuel Carrère: “… Het is een gevoeligheid voor een andere dimensie…”. Zelfs de pragmatische Mark Rutte blijkt als privépersoon een hedendaagse gelovige: “… Hij sprak van een ‘instinctief zeker weten, dat bestaat naast het verstand’…”. Op een indrukwekkende manier beschrijft Zonderop hoe de verzuilde samenleving eindigde in een morele leegte. En waarschuwend: “… Die leegte wordt gemakkelijk gevuld door bekrompen, intolerante stemmen…”. Een publiek domein dat alleen nog maar belang stelt in efficiency en economische groei laat mensen in de kou staan wat betreft zingeving en identiteit: “… Je kunt de kerk wel de rug toekeren, maar daarmee is de kous niet af. Als je vrijheid opvat als de mogelijkheid om vrij te zijn van bindingen en verplichtingen, eindig je in een geestelijk niemandsland. Voor veel mensen is een praktisch, welvarend leven zonder betekenisgeving en zonder diepe bindingen helemaal niet bevredigend. Ze willen ergens toe behoren…”. Iemand die dat van verre voorzag was een vrijdenker bij uitstek: VVD-fractieleider Frits Bolkestein. Vrijheid is belangrijk, zei hij, maar moet wel gebaseerd zijn op een gemeenschappelijke moraal. En moraal komt niet uit de lucht vallen: “… Want je kunt wel wetten maken, maar als mensen het morele inzicht missen dat ze die wetten moeten naleven, ben je nergens…” (zie mijn blog over “Speeldrift” van Juli Zeh). In onze cultuur stoelt de moraal op onze christelijke erfenis en Bolkestein pleitte dan ook voor een herwaardering van christelijke beginselen. Bolkestein werd weggehoond en de overdaad aan christelijke waarden ging over in een overdaad aan economische waarden waarin individualisering, verzakelijk en marktwerking de boventoon voerden. Echter, het valt niet mee om altijd alles in je eentje te doen.

Wat is ‘christelijk’?
Een soort ontheemdheid greep om zich heen waar Pim Fortuyn met zijn boek "De verweesde samenleving" als geen ander de vinger op wist te leggen: “… Er bestond in Nederland namelijk wel degelijk behoefte aan de formulering van een gezamenlijk waardepatroon. Dat kon iedereen weten die wel eens een rapport van het Sociaal en Cultureel planbureau inkeek. Jaar in, jaar uit stonden normen en waarden boven aan de lijst met zorgen van de burgers, los van de materiële welvaartsgroei. Mensen begonnen zich onzekerder te voelen in een globaliserende wereld…”. Op een doordachte manier doet Zonderop het politieke klimaat van de laatste jaren uit de doeken. Over ‘links’: “… Ze bestrijden Geert Wilders uit oogpunt van discriminatie, maar over hun eigen geestelijke bronnen zul ze je niet snel horen…”. Over Klaver die een nieuwe Nederlandse feestdag propageerde, de viering van de Acte van Verlatinghe: “… het tekent het denken van GroenLinks dat Klaver dit symbool verkiest; een verklaring van bevochten vrijheid, niet van verbondenheid…”. Maar wat is dan ‘christelijk’? Zonderop geeft een bijzonder college kerkgeschiedenis weg. Het christendom is een verzameling van paradoxen (zie ook mijn blog over theoloog/filosoof/psycholoog Halík): “… er is sprake van een god die ook een mens is, een leraar die geen regels oplegt, met een heilig boek dat uit tientallen boeken bestaat. Het is een monotheïstische godsdienst die de Drie-eenheid uitdraagt en het is een vreedzame religie die veel geweld met zich heeft meegebracht. Al deze innerlijke tegenstellingen brengen spanningen met zich mee. Daaruit ontstaat dynamiek, die op haar beurt weer vernieuwing en variatie tot gevolg heeft. Meervoud is een wezenskenmerk van het christendom…”.

Morele koning
Kortom. Het christendom is allesbehalve statisch. Jezus was geen machtige heerser die praalde met goud en paleizen, integendeel: “… Voordat hij werd gekruisigd, kreeg Jezus een doornenkroon opgezet, bedoeld om hem belachelijk te maken, zo suggereren de evangelies van Marcus en Mattheus. Met als dramatisch effect dat het zijn zachtmoedigheid en eenvoud juist onderstreepte. Jezus was een morele koning, niet een materiële…”. Het gaat over Paulus die van zijn bekering een missie maakt: “… je kunt tot inkeer komen, je kunt opnieuw beginnen, er is vergeving, geen mens is hopeloos…”. De mens zal altijd zonden begaan, maar genade wordt aangeboden als hij spijt betuigt: “… Dit beantwoordt aan een diepgevoelde menselijke wens: om gezien te worden in al je beperking en geliefd te worden in je fouten…”. Van Paulus komt het idee dat in Gods’ ogen iedereen gelijk is: “… Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus…”. Kloosters gaven de stoot naar wetenschappelijke en culturele ontwikkeling – veel eerder dan de Verlichting. Christenen geloofden dat God wilde dat ze voor de zieken en kwetsbaren moesten zorgen. Een gegeven dat bijvoorbeeld haaks staat op het hindoeïsme, waar aan je maatschappelijke status niet te tornen valt, en je enkel maar kunt hopen op verlossing in een volgend leven. Of op het boeddhisme, waarin het gaat om jezelf te ontkennen in plaats van te verbeteren. Het idee van een hogere macht die over je waakt, ontbreekt. En daarmee ook het element van overgave en geborgenheid, dat in het christelijke geloof besloten ligt. De christelijke schrijfster Marilynne Robinson, sprak van ‘that reservoir of goodness’ in ieder mens, waar het geloof aanspraak op maakt. Een term die president Obama leende bij de begrafenis van dominee Clementa Pinckney, die met zeven andere kerkgangers in zijn eigen kerk werd doodgeschoten door een blanke racist. Vanuit hun christelijke overtuiging vergaven de nabestaanden de moordenaar. Zonderop: “… Het christendom predikt niet één leer waar niemand van mag afwijken. In het christendom is het gesprek nooit af, zelfs de paus verandert wel eens van opvatting. Daar komt bij dat het christendom openstaat voor iedereen. Het doet niet aan volk, het is niet racistisch. Het zegt: houd van elkaar als broeders en zusters…”. Waarom zou je zo’n mooie erfenis in vredesnaam kwijt willen?

Stress
Vrijheid als hoogste goed is een dogma geworden. Maar als vrijheid onbeperkt oprukt, komt gelijkheid – die andere belangrijke waarde – al snel in het gedrang. Voor de babyboomer die in de jaren zeventig en tachtig de toon zette ging niets boven individualiteit, maar o wee als je geen spijkerbroek droeg of als je godsdienst niet bekritiseerde. Zelfbeschikking is het nieuwe ideaal geworden. Nergens zijn oproepcontracten, flexcontracten en nulurencontracten zo snel ingeburgerd als in Nederland. Maar als je geen vaste baan hebt en geen woning kunt vinden, wordt het wel erg ingewikkeld om een eigen leven op te bouwen. Is autonomie inderdaad het hoogst bereikbare doel in het mensenleven? Zonderop: “… Vrijheid is een duivels dilemma geworden. Je mag alles kiezen, maar als je het verkeerde kiest, is de rekening voor jou. Het aantal studies waaruit je kunt kiezen is schier eindeloos, maar of er over vijf jaar ook een loopbaan voor jou is, weet niemand. Met de beste bedoelingen zeiden ouders: het maakt niet zoveel uit wat je doet of studeert, als je maar gelukkig bent. Maar dat is een wrede opdracht, verstoken van betekenis. Je moet zo’n doel eerst zelf formuleren en dan ook nog eens helemaal zelf invullen. Dat een op de vier studenten een burn-out heeft, wekt in dat licht geen verbazing. Als je het gevoel hebt dat alles afhangt van jouw eigen inzet, is elk falen een hoogstpersoonlijke mislukking, waar je niet licht weer uit opveert…”. Wie in God gelooft, voelt zich door Hem gezien. Ongelovigen zullen op eigen kracht aandacht en erkenning moeten zien te vergaren. En dat is een hele toer: “… We zien het resultaat op facebook en Instagram: honderden miljoenen mensen die allemaal roepen: kijk naar mij!...”. Gelovigen accepteren dat ze niet alles in eigen hand hebben. Ze kunnen ontvangen en relativeren. Geloof helpt je om je neer te leggen bij gegevenheden die je toch niet kunt veranderen. Dat geeft gemoedsrust: “… Gelovigen in de VS leven gemiddeld vijf tot vijftien jaar langer dan ongelovigen, vermoedelijk omdat ze minder stress ervaren…”.

Transformatie

Tussen de twee en drie miljoen Nederlanders houden zich bezig met een of andere vorm van spiritualiteit zoals yoga en mindfulness, maar wat daaraan ontbreekt is binding: “… Ze bieden westerlingen geen identiteit waaraan je jezelf kunt laven, want ze putten niet uit een gezamenlijk verleden. Er is geen gedeeld verhaal, geen taal of kunst uit een gezamenlijk boek. Er is geen traditie die je optilt…”. Zonderop: “… Oosterse levensbeschouwing is heel waardevol, maar niet als alternatief voor het christendom, hooguit als aanvulling erop. Het heeft er weinig verwantschap mee…”. Zonderop bespreekt nieuwe manieren van kerkzijn, die weerleggen dat het geloof op sterven na dood is, ook al sluiten de conventionele kerken massaal hun deuren. Alleen al in Amsterdam zijn er tien voorbeelden te noemen die mede floreren vanwege hun afstand tot de gevestigde kerk (zie ook mijn blog over “God in de stad” van Gea Gort). Daarnaast hebben migranten het religieuze leven in de Randstad een enorme impuls gegeven: “… Je zou het misschien niet zeggen op basis van de maatschappelijke discussie, maar Nederland telt tussen de 800.000 en 1,2 miljoen christelijke migranten. Daarmee is de groep even groot en waarschijnlijk groter dan het totale aantal moslims in Nederland. In Rotterdam wonen meer christenen met een migrantenachtergrond dan autochtone katholieken of protestanten. Ook in Amsterdam komt bijna de helft van de belijdende christenen niet uit Nederland…”. De kerken zijn niet alleen een gebedshuis maar functioneren ook vaak als sociale opvang met huiswerkklassen, naailessen, fitnessruimtes, vrijwilligers die je naar het ziekenhuis rijden en dat soort dingen. Dat stuit in Nederland op een cultureel probleem. Het ambtenarenapparaat, dat grotendeels bestaat uit witte veertigers en vijftigers die hun geloof al decennialang aan de wilgen hebben hangen, staat huiverig en onwennig tegenover religieuze centra als sociale ontmoetingsplaatsen. Religie is een no-goarea geworden waar geen subsidie naar toe mag, want 'scheiding tussen kerk en staat', ook al gebeurt er op dat vlak nog zoveel goeds. Toch zullen de religieuze netwerken, waar je als gelovige op terug kunt vallen, steeds belangrijker worden in onze participatiesamenleving. De Britse journalist Ben Judah: “… In dorpen en kleine steden, daar wonen de goddelozen, niet in hartje Londen…”. En de Britse columnist Janan Ganesh van de Financial Times: “… Ik ken haast niemand die bidt. En dan durf ik mij een kosmopoliet te noemen…”. Volgens religiewetenschappers leven we in een postseculier tijdperk en is het geloof bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. Zo is dat altijd gegaan. Er zijn altijd nieuwe wegen gevonden als de oude niet meer voldeden.

Kwetsbaar
Zonderop: “… Vijftig jaar geleden wisten mensen In Nederland heel goed hoe ze moesten omgaan met religieuze verschillen, want die waren aan de orde van de dag. ‘Katholieken, elastieken,’ riepen buurtkinderen bij wijze van pesterij tegen mijn klasgenoten. ‘Protestanten, olifanten,’ riepen wij vrolijk terug. De samenleving was van oudsher ingericht op de impliciete erkenning dat religieuze groepen best kunnen samenleven door elke groep enige bewegingsruimte te gunnen, begrensd door de rechtsstaat…”. Onze opvatting van godsdienstvrijheid was wereldberoemd en trok al in de zeventiende eeuw belangrijke denkers naar Nederland. Wij zijn altijd een republiek van minderheden geweest. Vandaar dat we ook zo goed zijn in 'polderen'. Zonderop pleit dan ook voor een open samenleving met meer gesprek en meer kennis. Uitgerekend een moslim, de Iraans-Duitse Navid Kermani, zegt in verband met zijn boek "Goddelijke kunst" waarin hij dertig christelijk geïnspireerde kunstwerken beschrijft: “… Het is heel begrijpelijk dat veel mensen in Europa bang zijn voor de islam en houvast zoeken in het vertrouwde. Als je je eigen cultuur niet meer kent, kun je niet openstaan voor andere culturen. Het is een groot gemis als je niet weet wat Pinksteren is. De Duitse literatuur van de 19e eeuw is onbegrijpelijk als je de christelijke verwijzingen niet ziet. Heel veel schrijvers uit die tijd waren domineeszonen, de hele Duitse literatuur en muziek zijn doordrenkt van Bijbelse referenties. Als we die erfenis niet kennen, kennen we onszelf niet. En dan worden we vatbaar voor radicalisme, xenofobie en nationalisme…”. Gelovigen in Nederland weten echt wel dat tolerantie óók betekent dat anderen zich negatief over jouw overtuiging mogen uitlaten. Maar, aldus Zonderop: “… Sinds de opkomst van het populisme zijn er in het openbaar veel harde woorden gevallen over godsdienst in het algemeen, en over de islam in het bijzonder. Het heeft veel moslims kopschuw gemaakt – ook de vrijzinnige. Het beroep op vrijheid van meningsuiting is iets te vaak opgevat als een vrijbrief om naar hartenlust te beledigen zonder veel kennis van zaken. Ze hebben de conclusie getrokken dat hun religie niet per se op respect kan rekenen, dus kruipen ze in hun schulp – net zoals veel gelovige christenen in feite doen. Waarom zouden ze hun kwetsbaarheid tonen als hoon de reactie is?...”. Eerlijk gezegd, denk ik ook wel tien keer na, wanneer ik waar aan iemand vertel dat ik een hardcore gelovige ben.

Uitgave: Prometheus – 2017, 200 blz., ISBN 978 904 463 301 6, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier