Menu

maandag 12 november 2018

Naar de rivier – Olivia Laing


Subtitel: Een reis onder het oppervlak

“… Alle rivieren stromen naar de zee, toch raakt de zee niet vol. De rivieren keren om, ze gaan weer naar de plaats vanwaar ze komen, en beginnen weer opnieuw te stromen. Alles is vermoeiend, zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn. De ogen van de mens kijken, en vinden geen rust, zijn oren horen, en ze blijven horen. Wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon…”Prediker 1: 7-9

Ik ontdek nog steeds onbekende schrijvers waar ik ontzettend blij van word, omdat ze nieuwe werelden voor mij openen. Opvallend aan Olivia Laing (zie mijn vorige blog) is haar associatieve manier van schrijven. Een enorm speels en creatief proces dat altijd verrassend blijft. Je weet nooit waar het uitkomt of eindigt. Ik vond nóg een boek van haar: “Naar de rivier”. Het gaat om haar debuut. Ze onderneemt daarin een voettocht langs de Ouse, de rivier waarin Virginia Woolf in 1941 zichzelf verdronk. Gaandeweg vertelt Laing van alles over Woolf en een hoop andere Britse auteurs. Ook dit verhaal is geboren uit liefdesverdriet. Schrijft Laing na iedere verbroken relatie als therapie een boek? Ze vertelt net zo verbazingwekkend gedreven over de natuur als het stadsleven. Het eerste lijkt mij veel moeilijker, omdat de natuur nu eenmaal geen feedback geeft en daarin voor het oog veel minder gebeurt. Alles komt aan op je eigen gevoel voor schoonheid.

Verdwijnen

Laing houdt van rivieren. Ze vertelt hoe ze in de vallende avond de Ouse ruikt terwijl ze nog niets ziet, omdat de rivier door een open veld stroomt: “… een koude, groene lucht die op de aanwezigheid van wild water duidt…”. Ik bedoel maar. Iedereen die in de buurt van een rivier woont weet waar ze het over heeft, maar probeer het maar eens óp te schrijven. “… Rivieren worden omgeven door een mysterie dat ons aantrekt, want ze wellen op uit verborgen plekken en volgen routes die er morgen niet altijd meer zullen zijn. Een rivier heeft, anders dan een meer of de zee, een bestemming en de zekerheid waarmee ze zich een weg baant geeft haar iets troostrijks, zeker voor hen die het vertrouwen in waar ze zelf heen willen zijn kwijtgeraakt…”. In één moeite door heeft ze het over de Eufraat en de Tigris waar steden als Sumer en Babylon tot bloei kwamen, de Nijl in het oude Egypte: “… de heerbaan tussen leven en dood…” die tevens “… een duo vormde met de sterrenstroom aan de hemel die tegenwoordig de melkweg wordt genoemd…”, de Indusvlakte, de Gele Rivier, en de rivier in Joseph Conrad’s “Heart of Darkness”. Eigenlijk wil Laing gewoon ‘verdwijnen’; zoals Virginia Woolf ‘verdween’ in haar schrijfproces. Zoals je met een soepele duik ‘verdwijnt’ onder de waterspiegel: “… Ik zat in mijn warme kamertje en zag mezelf als de leerling-ontsnappingskunstenaar die Houdini bestudeerde…”. Ik denk ook associatief. Mijn gedachten gaan vanzelf naar het laatste verpletterende boek vol essays van Joost Zwagerman, "De stilte van het licht", dat ik gewoonweg niet kan bespreken. Daarin wijdt hij een heel hoofdstuk aan ‘verdwijningen’ in de literatuur. Waarna hij zelf voorgoed verdween. Het stemt mij verdrietig. Laing weet ook wel dat een ‘verdwijntruc’ van heel ‘onheilspellende aard’ kan zijn. Hetgeen allemaal weer overeenkomt met de visie van veel psychologen dat zelfmoordenaars niet zozeer dood willen, als wel het leven dat ze leiden onverdraaglijk vinden. Dan ga je op zoek naar een betere plek.

Sterk als de dood is de liefde
Op de 21ste juni, de langste dag van het jaar, begint Laing aan haar tocht tijdens een hittegolfweek: “… De lucht leek wel gestolde gelei die bibberde als ik ertegenaan duwde…”. Niet erg op haar gemak - ze begeeft zich op verboden, want privéterrein - zoekt ze naar de oorsprong van de Ouse. Die is niet exact is vast te stellen, omdat het uit een drassig stroompje bestaat dat overtollig water afvoert uit de omgeving. Aangezien het land rondom op dat moment kurkdroog is vanwege de warmte zal het slootje er op een ander tijdstip waarschijnlijk heel anders uit zien. Laing: “… Rivierbronnen zijn vaak met taboes beladen en al hebben ze nog zo’n griezelige schoonheid, voor de mens zijn ze geen verstandige pleisterplaats; dat is althans wat de mythologie erover zegt…”. Vervolgens vertelt ze het verhaal over de ziener Tiresias die met blindheid werd geslagen toen hij de godin Athene in een bron zag baden. Vandaar dat liefde blind is? Terwijl ze in het gras ligt en met haar ogen dicht naar het gonzen van bijen luistert ontvalt haar dat Virginia Woolf mischien ‘meer van een wesp dan een bij’ had. Ze heeft het over een ontbijt de volgende ochtend met ‘metallic glanzende tomaten’. En over de High Weald, ‘een vreemd middeleeuws gebied’ waar ze doorheen komt. Ooit het grootste oerbos van Engeland: “… De Weald was de bakermat van een enigszins alchemistische industrie van houtskoolbranderijen, ijzersmelterijen en de productie van potasglas…”. Op een fantastische manier doet Laing de geschiedenis uit de doeken betreffende de overblijfselen van dinosaurussen die hier zijn gevonden. Hoe een geobsedeerde hobby-geoloog, Gideon Mantell, in het begin van de negentiende eeuw ging beseffen dat hij “… misschien toevallig op de resten was gestuit van een tropische wereld die onvoorstelbaar lang geleden was verzwolgen door een zee die intussen zelf ook weer geruime tijd verdwenen was…”. Wat ze weer verbindt met het laatste boek van Virginia Woolf, “Between the Acts”, waarin ook een visioen van een prehistorische wereld opdoemt. Evenals een aanvoelen van de Tweede Wereldoorlog die komen gaat: “… Erna komt het geweld, dat is duidelijk, maar er zal ook liefde zijn, want dat zijn de hoofdstromen van de ervaring in een wereld die er lang was voor de mens het podium beklom en begon te spreken…”. Eros en Tanathos. Sterk als de dood is de liefde.

Midzomernachtdroom
23 juni: “… de dag voor midzomer die eindigt in de nacht waarin Shakespeares droom alles op zijn kop zet…”. En even verder: “… Midzomernacht is van oudsher een van de momenten geweest waarop naar verluidt de kloof tussen de werelden smaller werd. Dat werd gevierd met vreugdevuren en wilde dans; de mensen verzamelden dan ook het bijna onzichtbare varenzaad, dat degene die het bij zich droeg onzichtbaar kon maken…”. Als je het hebt over ‘verdwijnen’! Die nacht droomt ze over literaire rivieren die door werelden stromen die zowel echt als onecht zijn: “… Eliots bruine god was erbij, de Liffey van Joyce, de naar pruimentaart ruikende Theems uit The Wind in the Willows en de angstaanjagende Aleph uit Coleridges Kubla Khan…”. En even verder: “… Ze stroomden door Dickens, George Eliot en de Bijbel en namen lijken en baby’s in mandjes mee. De Say en de Floss waren erbij, Conrads glinsterend zwarte Congo, de snelle forellenstromen van Hemingway en MacLean, de Mississippi uit Huck Finn en de Theems uit The Waste Land en van Virginia Woolf…”. Ze vertelt uitgebreid over Kenneth Grahame, de geestelijk nooit volwassen geworden schrijver van “The Wind in the Willows”, die evenals Virginia Woolf, tot zijn verdriet niet door mocht leren. In 1879 werd hij bediende bij de Bank of England: “… Volgens Alison Prince, Grahames meest recente biografe, was het niets bijzonders om er in de toiletten een bankmedewerker aan te treffen die een net op de markt gekocht schaap aan het slachten was. In de toiletten werden ook hondengevechten gehouden, die zozeer bij de bedrijfscultuur hoorden dat de stoerdere werknemers hun vechthond geketend aan hun bureau in gereedheid hielden. Dronkenschap kwam veel voor, gewerkt werd er nauwelijks en over het algemeen gedroeg men zich blijkbaar even louche en losbandig als de hedgefondsbeheerders en valutahandelaren van tegenwoordig…”. Beiden gaf het gebrek aan opleiding hen een soms benauwend, soms bevrijdend gevoel een buitenstaander te zijn. Woolf: “… Ingewijden schrijven kleurloos Engels. Ze zijn voortbrengselen van de universitaire machine. Ik respecteer hen (…) Ze doen uitstekend dienst, net als Romeinse wegen. Maar ze mijden de bossen en de dwaallichtjes…”. "The Children's Book van A.S. Byatt komt voorbij. Evenals “Alice’s Adventures in Wonderland” van Lewis Caroll. Een item gaat over de dement geworden schrijfster Iris Murdoch.

Trance
Een stuk bos dat over een halve hectare is afgekapt doet haar door het bevreemdende effect denken aan de hel: “… Het Engelse woord ‘hell’ komt van het Angelsaksische helan, dat ‘verbergen’ betekent en net als het Nederlandse ‘hel’ is het verwant aan hol en holte. De hel, het hiernamaals van de Noormannen, was een verborgen plek, zoals het land van de doden hoorde te zijn. In overeenstemming daarmee hadden de Grieken hun Hades, dat ‘ongezien’ betekent; de Romeinen hadden Dis…”. In de klassieke mythologie zijn de stervelingen die een reis naar de onderwereld ondernemen op zo ongeveer een hand te tellen : Aeneas, Odysseus, Orpheus, Hercules, Psyche. Ook komt de rol van de Hades in de folklore van Britse bodem aan bod. Volgens Sartre zijn ‘de anderen’ de hel en drie eeuwen voor hem zei Shakespeare: “… De hel is leeg en alle duivels zijn hier…”. En dan heb je nog de hel van Dante. Laing vertelt hoe ze al lopend in trance raakt: “… Over deze mysterieuze gemoedstoestand is, gek genoeg, door zowel Kenneth Grahame als Virginia Woolf vol lof geschreven; beiden beschouwden haar als nauw verwant met de inspiratie die nodig is voor het schrijven. ‘Dit bijzondere geschenk van de natuur aan de wandelaar,’ legt Grahame uit in een essay, ‘dat hij krijgt door de semimechanische activiteit van het lopen – en dat nooit in deze mate door andere vormen van lichamelijke oefening kan worden verkregen – geeft de geest een zetje, maakt hem loslippig, geëxalteerd, misschien een beetje geschift, maar beslist creatief en hypergevoelig, tot hij inderdaad uittreedt en als het ware met je praat terwijl jij terugpraat.’ En Woolf schreef dromerig over hoe ze boven op de Downs haar boeken ‘kwebbelde’ en de woorden naar buiten stroomden terwijl ze met ferme pas half delirisch in de middagzon liep…”. Laing is jaloers op het gezichtsvermogen van roofvogels: “… Mijn zicht is 20:20 en dat is scherp voor een mens. De wereld van een havik, die 20:5 heeft, is dan ook naar verhouding uitvergroot. Geen naald in een hooiberg die aan zijn blik ontsnapt. Ook het spectrum waarover het roofvogeloog kan beschikken is veel groter dan dat van een mens. Wij doen het met drie kleurenreceptoren, maar zij hebben er vijf, wat betekent dat ze bijvoorbeeld ultraviolet licht kunnen zien en dus muizen kunnen opsporen aan de hand van het ultraviolette schijnsel in hun urine. Een havik kan ook echt geel zien, terwijl de mens niet in staat is om vast te stellen of de kleur van een paardenbloem het geel van het spectrum is of uit gelijke delen groen en rood bestaat…”. Maar ja, misschien is meer zien ook niet alles: “… Mijn gezichtsvermogen is al overrompelend genoeg; met twee receptoren erbij zou het verpletterend zijn…”. Ze herinnert zich een fenomenaal verhaal van haar ex-vriendje: “… Hij had het over de ruimte die materie inneemt. Bijna alle materie in je lichaam, zei hij – en daarmee bedoelde hij 99,97 procent – beslaat het volume van een minuscuul stofdeeltje dat zo klein is dat je het niet kunt zien. Dat we zelf niet zo klein zijn hebben we te danken aan het hele kleine beetje restmaterie, dat bestaat uit elektronenorbitalen. Dat zijn bijna gewichtloze, geladen banen die hun ruimte heel fanatiek bewaken en ons lichaam wordt als het ware door die banen opgebouwd, niet door onze beenderen. Dit op zich al verbazingwekkende feit kan verder worden uitgewerkt. 99,9 procent van de materie van alle zes miljard menselijke lichamen op deze planeet neemt niet meer ruimte in dan één suikerklontje. En de planeet zelf is een wolk rondwervelende lading met daarin verspreid een handvol protonen…”. Oh God my Lord; How great Thou art.

Koning, keizer, admiraal

De reis is niet altijd even fijn. Een gebied waar in de dertiende eeuw de slag bij Lewes is uitgevochten ervaart Laing bijna als ‘giftig’: “… ‘Zou het mogelijk zijn,’ vraagt Woolf eerder in dezelfde passage, ‘dat dingen die we heel intens hebben ervaren losstaan van onze geest’; in feite blijven voortbestaan?’ Ook spokenjagers gaan ervan uit dat de bodem niet alleen gouden munten, maar ook gebeurtenissen verbergt die, onzichtbaar voor het oog, kleine onderbrekingen in het magnetische veld veroorzaken…”. Het bloed in haar aderen voelt aan als ‘kwik’. Omstandig vertelt ze over de dood van Simon de Montfort, een van de aanstichters: “… Op een merkwaardige tekening die tegenwoordig in het British Museum hangt, is iets van de gebeurtenissen te zien. Simons hoofd, handen, voeten en geslacht zijn afgehakt en op de tekening ligt alles, ook zijn krulhaar, naast hem terwijl het bloed uit zijn hals kruipt. Zijn ballen – niet te zien op de tekening – werden over zijn neus gehangen en in zijn mond gepropt, waarop het geheel in een doek werd gewikkeld en naar de echtgenote van de royalistische ridder Roger Montimore gebracht die volgens de overlevering deze schunnige relikwie tijdens haar gebed in de kerk in ontvangst nam…”. Dan even tussendoor: “… Ik zag geen schotzalm meer…”. Om vervolgens verder te gaan: “… Hoe komt het toch dat mannen die een koning tot de orde hebben geroepen, aan stukken gereten moesten worden? Ook Thomas Cromwell, die wat visie, arrogantie en scherpzinnigheid aangaat veel met De Montfort gemeen had, stierf een bloedige dood nadat hij bij Hendrik VIII uit de gratie was geraakt. Zijn hoofd werd afgehakt en gekookt en wat er nog van over was werd op een staak op de London Bridge gezet, nadrukkelijk wegkijkend van zijn geliefde stad. En hoewel Olivier Cromwell, die de oorlog won die hij tegen koning Karel voerde, in bed stierf, mogelijk aan de gevolgen van sepsis, werd zijn lijk drie jaar later opgegraven en postuum geëxecuteerd. Het stinkende hoofd stond maanden op een staak voor de Westminster Hall, het gebouw dat Hendrik III zo mooi vond. Niemand hoeft medelijden te hebben met Oliver, de oude ‘Ironsides’, maar er spreekt iets heel primitiefs uit de behoefte iemand zo volkomen in stukken te hakken dat koning, keizer noch admiraal er ooit weer één geheel van kon maken…”.

Laf of dapper
Terwijl Laing het museum en kasteel van Lewes bezoekt vertelt ze niet alleen buitengewoon ironisch over de falsificaties rond de Piltdown-mens die in deze streek zou zijn gevonden, maar ook over de overstroming in 2000, die weer aanleiding geeft tot memoires over de strijd tegen het water door de eeuwen heen. Een eindeloos verhaal over moeitevolle moerasdrooglegging en volhardende landwinning. Ze heeft het over onderwaterwerelden. Ze schrijft over de rol van water, dat veelvuldig door het werk van Virginia Woolf sijpelt. We komen allemaal uit water voort, verlangen we er daarom zo naar terug? “… Laat me je meevoeren, zegt het water. Ontspan je, laat me begaan. Lever je aan me over en ik laat je deinen, maar let wel, deinen komt dicht in de buurt van verdwijnen…”. Soms willen we onszelf vergeten: “… Iemand die haar eigen leed niet vermoedt, lijdt niet, want ‘lijden’ betekent ‘verdragen’ en de basis daarvan, ‘dragen’, veronderstelt dat ze zich ervan bewust is. In de ene toestand wendt ze zich af van het leed, in de andere ondergaat ze het, torst ze het mee. Is dat het moment van zelfdoding, wanneer het leed dat moet worden verdragen zo indringend is dat het iemands draagkracht ondermijnt en vergetelheid de enige oplossing is? …”. Ik vraag me af hoe dat zich verhoudt tot het feit dat je pas echt volmaakt gelukkig bent op het moment dat je jezelf vergeet. Wanneer je volkomen opgaat in wat je doet. Al is het maar zoiets stoms als fluitend je auto wassen. Laing lijkt haar boek over ‘eenzaamheid’ (zie mijn vorige blog) in dit debuut al aan te kondigen: “… Ik vind de mens zo verbijsterend alleen. Hij kan zijn soortgenoten spreken, zien en aanraken, maar het beeldtheater in zijn hoofd krijgt alleen hij te zien en geen medium ter wereld is in staat de glans en snelheid daarvan getrouw te regisseren…”. Laing, die de klimaatverandering erg ter harte gaat, over de inspanningen om de grote trapgans weer terug te krijgen in het gebied: “… Het project betrof vogels die als kuikens uit Rusland zijn gehaald en werden grootgebracht met behulp van een pop in de vorm van de kop van de moedervogel, terwijl de onderzoekers die met de vogels in aanraking kwamen een vormloos, reflecterend pak droegen dat hun menselijke gestalte aan het oog onttrok. Waarmee wat mij betreft de uiterste drempel van de evolutie wel is bereikt. Of zou God echt zoiets in gedachten hebben gehad toen hij de mens opdroeg ‘de wereld te bevolken’?...”. De rooms-katholiek opgevoede Laing kan zich vinden in de filosofie van Leonard Woolf, de partner van Virginia, die faliekant de gedachte aan een leven na de dood verwierp, met het argument dat het geloof in een hiernamaals een zoethoudertje is voor laffe mensen. Ik denk persoonlijk dat het anno 2018 dapperder is om tegen de stroom in te geloven in de God van de Bijbel, dan niet te geloven. Ik hoef maar te wijzen op het lot van de Pakistaanse christen Asia Bibi die de gemoederen momenteel danig bezig houdt. Desondanks: wát een boek!

Uitgave: De Bezige Bij – 2011, vertaling Laura van Campenhout, 304 blz., ISBN 978 902 346 609 3, € 12,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 27 oktober 2018

De eenzame stad – Olivia Laing


Subtitel: Over de kunst van het alleen-zijn

Naar aanleiding van mijn blog over “Foon” van Marente de Moor stuurde iemand me een dubbelinterview met moeder en dochter De Moor uit de Trouw van 19 november 2011. Daarin zegt dochter Marente: "… Als ik in de winkel een boek zie liggen over een bakfietsmeisje in Amsterdam dat dolle avonturen meemaakt, dan ben ik niet geïnteresseerd. Dat lees ik wel in een column in de Volkskrant. Ik snap niet waarom mensen zich altijd willen herkennen in een boek. Ik wil juist op sleeptouw worden genomen. Intrigeer mij maar…". En moeder Margriet vult aan: "… Mij lijkt dat het die hang naar het vreemde, het andere, de echte lezer kenmerkt. Een stapje naast je eigen leven willen zetten, iets heel anders willen meemaken dan wat je al kent…". Wie zich hierdoor voelt aangesproken zou “Eenzame stad” eens moeten lezen. Net als Ali Smith (zie mijn vorige blog) zoekt Olivia Laing, schrijver en redacteur voor o.a. The Observer, The Guardian en Times Literary Supplement, verbinding. Niet in de laatste plaats als ze door haar vriendje in de steek is gelaten en een jaar lang in haar dooie eentje drie-hoog-achter in New York doorbrengt. Het zet haar op het spoor van het thema ‘eenzaamheid’, aan de hand van het leven en werk van een aantal kunstenaars. Het wordt een hier en daar ontzettend heftig, snijdend en wreed verslag. Het haalt je absoluut uit je comfortzone. “… Loneliness is a very special place…”, beaamt Laing. Alsof je op een andere planeet bent beland, kan ik wel zeggen. Het uitnodigende citaat op de eerste bladzijde: “… Als je eenzaam bent / is dit voor jou…”. En de Bijbeltekst op de tweede: “… maar elkeen zijn wij elkanders leven…” (Romeinen 12 vers 5). Trouwens: ook bakfietsmeisjes kunnen eenzaam zijn – zie mijn blog over “Ervaring niet gewenst” van Léonie Holtes.

Genadeloze hel

Hoe voelt het om eenzaam te zijn? Laing: “… Het voelt als honger: alsof jij honger hebt en iedereen om je heen lekker gaat smikkelen. Het voelt gênant en alarmerend, en na verloop van tijd gaat de eenzame mens zulke gevoelens ook uitstralen, waardoor zijn isolement en vervreemding alleen maar verergeren. Het doet pijn, zoals gevoelens pijn kunnen doen, en er zijn ook fysieke gevolgen, die zich onzichtbaar voor het oog voltrekken in de besloten compartimenten van het lichaam. Wat ik probeer te zeggen is dat eenzaamheid koud als ijs en helder als glas komt opzetten om je te omsingelen en te verzwelgen…”. En even verder: “… Als ik wat ik voelde onder woorden had kunnen brengen, was het op kinderlijk gejammer uitgelopen: Ik wil niet alleen zijn. Ik wil iemand die mij wil. Ik ben eenzaam. Ik ben bang. Ik moet bemind, aangeraakt, vastgehouden worden. Die behoeftigheid vond ik nog het angstaanjagendst, alsof ik het deksel van een genadeloze hel had gelicht. Ik at bijna niets meer en mijn haar viel uit en lag in het volle zicht op de houten vloer, waardoor ik me nog ongeruster maakte…”. Laing voelt zich als de vrouwen op de vervreemdende schilderijen van Edward Hopper, die ze een voor een bespreekt: ‘Automat’, ‘Morning Sun’, ‘Hotel Window’, ‘Morning in a City’, ‘Night Windows’ en natuurlijk ‘Nighthawks’. Laing: “… Hoe eenzamer je wordt, hoe minder behendig je de stromingen van het sociale verkeer bevaart. Eenzaamheid kapselt je in en groeit als een schimmel of vacht om je heen, een beschermlaag die contact onmogelijk maakt, hoe graag je dat contact ook wilt. Eenmaal aangebracht is deze laag heel lastig weer weg te krijgen…”. Eenzaamheid kan je fataal worden. Het brengt je in een fysieke staat van opperste waakzaamheid, van constante stress, die de vecht-of-vlucht-hormonen chronisch op topniveau houden, waardoor er een ravage aangericht wordt in je lichaam: “… Eenzame mensen zijn rusteloze slapers, bij wie de herstellende werking van de slaap afneemt. Eenzaamheid drijft de bloeddruk op, versnelt veroudering, verzwakt het immuunsysteem en is een voorbode voor cognitieve aftakeling…”.

Tegengif
De schilderijen van Hopper maken Laing nieuwsgierig naar de mens Hopper. Een man met een formidabele afkeer van het gesproken woord die op zijn eenenveertigste trouwde met een even oude maagdelijke kunstenares en zo’n beetje zijn tegenpool was. Jo. Een kleine, onstuimige, praatgrage, temperamentvolle, op gezelschap gestelde vrouw: “…Er was geregeld ruzie, vooral over zijn houding tegenover haar kunstenaarschap en haar wens hun auto te besturen: twee krachtige symbolen van autonomie en macht. Een aantal botsingen werd lijfelijk uitgevochten: tikken, meppen, krabben, onwaardige worstelingen op de slaapkamervloer die blauwe plekken en gekwetste gevoelens opleverden…”. Toch staat zij altijd weer model voor de vrouwen op zijn schilderijen. Hopper dreef de spot met de doeken van zijn partner. Zijn curator gooide al haar werk weg. Hopper over het schilderen van de eenzaamheid van de grote stad: “… misschien ben ik een eenzame…”. Laing vertelt dat in Amerika meer dan een kwart van de volwassenen zich eenzaam voelt en in het Verenigd Koninkrijk zelfs vijfenveertig procent: “… geen wonder dat Hoppers schilderijen onverminderd populair blijven en zo eindeloos worden gereproduceerd…”. Wat volgens haar het eenzaam-zijn zo afschrikwekkend maakt is het instinctieve besef dat eenzaamheid afstotend werkt; “… dat het uitgerekend contact tegenhoudt als contact het allernodigst is…”. Wat Hopper heeft vastgelegd is angstaanjagend en mooi tegelijk. Misschien werkt er naar kijken als een soort tegengif.

Gevoelloze hogepriester van de popart
Laing onderzoekt “… De eenzaamheid van niet hetzelfde zijn; de eenzaamheid van niet begeerd worden; de eenzaamheid van niet tot de tovercirkel van verbinding en acceptatie toegelaten worden: sociale kringen, beroepskringen, omhelzingen…”. Over de verlegen kunstenaar Andy Warhol, die onvoorwaardelijk geloofde in zijn eigen fysieke lelijkheid: “… Uiteraard is hij homo, al beschikte destijds niemand over de terminologie of de wereldwijsheid om zoiets onder woorden te brengen…”. Over de schrijver Truman Capote, op wie hij smoorverliefd werd: “… Die vond Warhol ‘gewoon hopeloos, een geboren verliezer, de eenzaamste, meest onbevriende persoon die ik heb gekend.’…”. Warhol produceerde alledaagse dingen in veelheid omdat ‘hetzelfde zijn’ een obsessief wenselijke status voor hem was. Over de pijn van de eenling: “… Niet hetzelfde zijn maakt de weg vrij tot kwetsen; hetzelfde zijn beschermt tegen de stompen en sneren, tegen afgewezen en verguisd worden…”. Hij wilde een ‘machine’ zijn, want die hebben geen problemen. Hij maakte van zichzelf een ‘product’, een omhulsel waarin hij weg kon kruipen. Laing laat zien hoe uit de huilebalk Andy een gevoelloos gemaakte hogepriester van de popart kon groeien. Onder andere door machines in te zetten om de ondraaglijke kloof tussen zichzelf en de wereld te dichten: televisie, de taperecorder (die hij ‘zijn vrouw’ noemde), foto-, film- en videocamera’s. Warhol was zijn tijd ver vooruit: “… Zijn gehechtheid is tegelijk de voorafschaduwing van en het startschot voor ons automatiseringstijdperk; onze extatische, narcistische fixatie op beeldschermen; de kolossale overdracht van ons emotionele en praktische leven naar allerhande technische apparaten en toestellen…”. Het gaat over zijn ateliers waar iedereen in en uit liep, de Factory’s, waar hij alleen in de menigte kon werken. Hij had het gekakel om hem heen nodig, blijkbaar. Ene Mary Woronow in haar angstaanjagende speed-memoires: “… Andy was het ergst (…) Hij zag er zelfs uit als een vampier: wit, leeg, wachtend op vulling, niet te verzadigen. Hij was de witte worm: altijd honger, altijd koud, nooit roerloos, altijd aan het draaien…”. Hij werkte met ‘spraak’. Nam alles op als een onbevooroordeelde psychiater. Spraak is de route naar contact, maar niet iedereen gaat daar even handig mee om: “… Zoveel praten dat jij en je omgeving jou afschuwelijk vindt; zo weinig praten dat je bijna je eigen bestaan afwijst…”. Hoe leg je de juiste dosering vast?

Paranoïa
Laing laat zien hoe eenzaamheid vanzelf paranoïa opwekt, door het leven van de mislukte moordenares Valerie Solanas, die een aanslag op Warhol pleegde, tegen het licht te houden. Warhol moest na het schietincident zijn leven lang een corset dragen om zijn torso bij elkaar te houden. Bovendien begon hij aan wat tegenwoordig de diagnose posttraumatische stressstoornis zou krijgen te lijden. Solanes was een door haar levensomstandigheden geradicaliseerde feminist avant la lettre. Incestslachtoffer, tienermoeder, afgebroken masterstudie, solitair, hoogbegaafd, lesbisch, gepest, doodarm, agressief, paranoïde en vaak dakloos. Ze schreef onder andere een manifest tegen het patriarchaat met het voorstel de mannelijke soort uit te roeien. De gevolgen van haar moordpoging: “… drie jaar lang ging ze heen en weer tussen rechtbanken, psychiatrische instellingen en gevangenissen, waaronder het Matteawan State Hospital, een om zijn smerigheid en wreedheid beruchte kliniek voor veroordeelde geestelijk gestoorden (waar op dat moment ook Edie Sedgwick was opgenomen), het Bellevue Psychiatric Hospetal (waar Valeries baarmoeder werd verwijderd) en het Woman’s House of Detention, de vrouwenbajes…”. Toen ze vrijkwam begon de schrijfster Warhol prompt weer lastig te vallen: “… Ze dreigde, zo zei hij, ‘het weer te doen (…). Mijn ergste nachtmerrie werd bewaarheid’…”. Ze werd wederom opgepakt: “… Toen ze opnieuw vrijkwam, was ze rustiger, gedweeër, zoals verwacht mag worden van iemand die ergens opgesloten heeft gezeten waar seksuele intimidatie en fysiek geweld dagelijkse kost waren, waar gedetineerden de dag moesten zien door te komen op een snee brood en een kop gore koffie en waar ze als strafmaatregel werden opgeborgen in een cel zonder meubilair of verlichting…”. Daarna zwierf ze als een geïsoleerde paria, bespuugd door voorbijgangers, door de Village: “… een zielig hoopje mens, vel over been onder lagen winterkleding. Ze was nog altijd geobsedeerd door de gedachte dat mensen haar woorden stalen, alleen meende ze nu dat er in haar baarmoeder een zender had gezeten…”. Ze leerde een vriendelijke man kennen. Een tijdje ging het daardoor wat beter. Maar toen ze eindelijk een tekst van haar hand in eigen beheer wist uit te geven, wat een complete flop werd, sloegen de stoppen definitief door: “… ze liet haar woonruimte en haar relatie schieten en werd weer dakloos (…) Ze wilde niet praten, schreef in code en mompelde of neuriede om haar mond niet open te hoeven doen…”. Ze stierf zo ongeveer de eenzaamste dood die er is, vanwege een veronachtzaamde longontsteking, in een kamer in een armenhotel in San Fransisco: “… Haar lichaam werd pas na drie dagen gevonden; het krioelde van de maden tegen de tijd dat de beheerder merkte dat ze een betalingsachterstand had…”.

Maskers
Laing schrijft over het dragen van maskers naar aanleiding van het leven van kunstenaar David Wojnarowicz, wiens carrière eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, begon met de “Rimbaud-serie”: een reeks foto’s waarop een jongeman met een masker van Rimbaud op, is geportretteerd in allerlei verloederde omstandigheden in New York. Opnames die getuigen van een ondergrondse wereld, de zelfkant waarin Wojnarowicz had geleefd, en die hij niet onder woorden kon brengen. Na een jeugd vol verwaarlozing en mishandeling, mede door ouders die niet voor hem konden of wilden zorgen, belandde hij op zeventien-jarige leeftijd op straat. Hij was ook nog eens homoseksueel. In het begin wist hij niet wat hem ‘mankeerde’ en later kwam de schaamte daarover. Hij stal of tippelde om te overleven. Hij dacht voortdurend aan zelfmoord: “… Hij ging wel eens met de bus naar New Jersey om daar met kleren en al het meer in te lopen; het waren de enige keren dat hij zich waste (later weet hij nog dat zijn jeans zo smerig waren dat hij zijn gezicht erin weerspiegeld zag als hij zich vooroverboog)…”. Om zijn angst en woede af te reageren trok hij een spoor van vernieling door Manhattan, maar zijn vandalisme bewoog zich steeds meer in de richting van schepping. Laing vertelt over de Chelsea Piers waar Wojnarowicz zijn inspiratie vond. Deze pieren, aan de Hudsonrivier tussen Christopher Street en 14th Street, waren in de jaren zestig door de achteruitgang van de scheepvaart in onbruik geraakt. Er was geen geld om de kolossale, leegstaande goederenloodsen te beveiligen of af te breken. Al gauw werden de hallen een anarchistisch niemandsland voor krakende daklozen en cruisende homoseksuelen. Verder vertelt Laing over Greta Garbo die ongezien door New York wilde wandelen en haar paparazzo die haar slotfoto in de wacht sleepte, de laatste voor haar dood: “… Hij nam haar door het raampje van de auto die haar naar het ziekenhuis bracht. Haar lange, zilverkleurige haar komt tot haar schouders, een geaderde hand bedekt de onderste helft van haar gezicht. Ze kijkt hem door haar getinte brillenglazen aan met een ongemakkelijke mengeling van angst, minachting en berusting; een blik die eigenlijk de lens had moeten doen barsten…”. Laing heeft het over “Vertigo”, een Hitchcockfilm, waarin een man een vrouw dwingt zich te verkleden als zijn geliefde, die zelfmoord heeft gepleegd, en over het pijnlijk intieme werk van fotograaf Nan Goldin.

Outsider art
Laing kreeg het ook voor elkaar het archief in te zien van Henry Darger, een schoonmaker uit Chigaco die postuum wereldberoemd werd als maker van outsider art: kunst van mensen in de marge van de maatschappij, zonder kunstopleiding of wat voor studie dan ook. Toen zijn huisbaas na Dargers dood zijn woonruimte uitmestte werd er een gigantische nalatenschap van meer dan driehonderd schilderijen en duizenden bladzijden geschreven werk ontdekt. Een groot deel gaat over een magisch en grimmig rijk, ‘The Realms of the Unreal’, dat bewoond wordt door kleine, blote meisjes die een penis hebben en in glooiende landschappen spelen. Er vindt een burgeroorlog plaats waar de meisjes stelselmatig worden gewurgd, gekruisigd en verminkt door geüniformeerde mannen in tuinen vol welig tierende reuzenbloemen. Als kind kwam Darger in een tehuis voor zwakbegaafde kinderen terecht, terwijl hij absoluut niet zwakbegaafd was. Een gesticht waartegen een rechtszaak werd aangespannen vanwege bewijzen van het stelselmatig verkrachten, verstikken en slaan van pupillen. Van het gebruik van lichaamsdelen van overleden medeverpleegden in anatomielessen. Waar een jongen zichzelf castreerde en een meisje overleed nadat ze kokend water over zich heen had gekregen. Darger rept er in zijn dagboeken met geen woord over. Het enige wat hij opmerkt is dat het gesticht op de een of andere manier zijn ‘thuis’ was. Dat brengt Laing op een diepgaande uiteenzetting van het begrip ‘hechting’. Darger is weggezet als een gestoorde sadist dan wel pedofiel. Terecht? Hij deed geen vlieg kwaad. Was de kunst van Darger niet veeleer een manier om het verleden te verwerken? Om overeind te blijven en zichzelf bij elkaar te harken in zijn moeilijke leven?

Aids

Aan de hand van de excentrieke countertenor die zich op electropop stortte, Klaus Nomi, een freak met een werkelijk waanzinnig mooie stem, zie hier en hier, vertelt Laing over de aidsepidemie die door New York raasde. Zijn manager Ray Johnson merkte op dat er, “… ondanks de uitverkochte shows, de hordes fans, niet aan viel te tornen, dat ‘je een van de eenzaamste mensen op aarde bezig zag’…”. De eerste kunstenaar die op 39-jarige leeftijd stierf aan aids. Laing: “… Tussen 1981 en 1996, toen de combinatietherapie beschikbaar kwam, zijn er alleen al in de stad New York 66.000 mensen, onder wie veel homoseksuele mannen, aan aids gestorven onder isolerende omstandigheden die zonder meer verschrikkelijk waren. Mensen werden ontslagen en door hun familie op straat gezet. Patiënten werden op een brancard in een ziekenhuis achtergelaten om te sterven, als ze er überhaupt al in slaagden om toegelaten te worden. Het verplegend personeel wilde hen niet behandelen, begrafenisondernemers wilden hun stoffelijk overschot niet begraven en intussen hielden politici en religieuze leiders halsstarrig de geld- en informatiekranen dicht…”. Op een ongelooflijk betrokken manier onderzoekt Laing het gevolg van stigmatisering, het wrede proces waarvan de samenleving zich bedient om mensen van wie men vindt dat ze er niet bij horen vanwege ongewenst gedrag, ongewenste eigenschappen en een ongewenst uiterlijk, te ontmenselijken en buiten te sluiten. Ze weet waar ze het over heeft. Ze werd zelf opgevoed door twee lesbische moeders.

Zien en gezien worden

Misschien is Laing wel het beste op dreef als ze vertelt hoe ze haar eenzaamheid ontvluchtte achter haar laptop – ‘mijn zilveren geliefde’: “… Hele dagen werden weggeklikt, keer op keer werd mijn aandacht gevangen door hapjes en slokjes informatie, de Lady of Shalott die met haar rug naar het raam zat en de gespiegelde werkelijkheid in het hemelsblauwe glas van haar toverspiegel zag verschijnen…”. En even verder: “… Wat wilde ik? Waar was ik naar op zoek? Wat deed ik daar, uur na uur na uur? Tegenstrijdige dingen. Ik wilde weten wat er gaande was. Ik wilde gestimuleerd worden. Ik wilde in contact zijn en mijn privacy, mijn privéruimte, behouden. Ik wilde klikken, non-stop klikken, tot mijn synapsen ontploften, tot de overbodigheid me overspoelde. Ik wilde mezelf hypnotiseren met data, met kleurenpixels, om leeg te worden, om elke voortkruipende onrust omtrent wie ik nu eigenlijk was de kop in te drukken, om mijn gevoel uit te schakelen. Tegelijkertijd wilde ik wakker worden, politiek en sociaal geëngageerd zijn. En bovendien wilde ik mijn aanwezigheid kenbaar maken, mijn interesses en bezwaren opsommen, de wereld laten weten dat ik er nog was, denkend met mijn vingers, ook al was ik de kunst van het spreken bijna verleerd. Ik wilde kijken en ik wilde gezien worden…”. Ze heeft het over het ‘elektronische slakkenspoor’ dat ze naliet zodat ondernemingen haar in de toekomst konden manipuleren. Ze heeft het over de kunstmatige intimiteit waar ze heel haar identiteit aan opofferde, “… met uitzondering van het fysieke karkas waar ik me naar verluidt in bevond…”. Een ‘icoon van isolement en data-afhankelijkheid’. Ze heeft het over onze vervreemdheid, gekluisterd aan onze apparaten en op onze hoede voor echt contact. Noemt internet ‘het koninkrijk van zelfportrettering’. En toch: “… Iets werkte niet…”, want “… Intussen wordt alles langzaam maar zeker steeds eenvormiger, intoleranter tegenover verschillen. Intussen maken pubers er een eind aan nadat ze een zelfmoordboodschap op Tumblr hebben gezet met erachter een behangetje van verbijsterd heen en weer flitsende Hello Kitty’s: ‘Ben al 5 maanden helemaal alleen. Geen vrienden, geen hulp, geen liefde. Alleen teleurgestelde ouders en wrede eenzaamheid.’…”. Ze beschrijft de projecten van internetondernemer Josh Harris, het sigaren paffende boegbeeld van de excessen van Silicon Alley, zoals de bijnaam luidde voor de florerende digitale industrie in New York aan het einde van de twintigste eeuw. Over zijn loft die hij a là Warhol ombouwde tot een Orwelliaanse toverkamer waar iedereen mocht doen wat hij wilde, alleen werd alles opgenomen. Overal hingen camera’s, overal werd je altijd bekeken. De bewoners in zijn ‘capsulehotel’ waren verplicht zich te hullen in een grijs shirt en een oranje broek, die griezelige associaties met Guantánamo Bay oproept. “We live in Public” is de documentaire die hierover gemaakt is. Onze extreme behoefte om te zien en gezien te worden is blijkbaar onverzadigbaar. Laing vraagt zich af of het toevallig is dat computers zijn gaan domineren op het moment dat het leven op aarde in gevaar kwam. De klimaatverandering, het uitsterven van diersoorten. Zijn we bang voor de apocalyps? Komt onze enorme behoefte aan aandacht, ‘zeg alsjeblieft hallo tegen me, zeg alsjeblieft hallo tegen me’, voort uit onze angst dat we op zekere dag alleen zullen overblijven? ĺk vraag me af of het toevallig is dat computers zijn gaan domineren op het moment dat mensen niet meer in God geloofden. Wie niet in God gelooft, maar dat doe ik wel, moet dan in ieder geval toch wel toegeven dat het concept van een God die jou liefdevol in het oog houdt, één van de genadevolste concepten is die de mens ooit heeft bedacht.

Uitgave: De Bezige Bij – 2016, vertaling Laura van Campenhout, 350 blz., ISBN 978 902 349 458 4, € 24,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 22 oktober 2018

Herfst – Ali Smith


Recensent Rob Schouten (zie mijn vorige blog) noemde Ali Smith (1962) als voorbeeld van de nieuwe literaire experimenteerkunst, wat mij direct hevig nieuwsgierig maakte. De prachtige moeder-dochterroman “Herfst” is het eerste deel van een vierluik met de seizoenen in de hoofdrol, want, zegt Ali Smith in een onderhoudend interview in het NRC van 9 maart 2018, wat er ook gebeurt, en al gaat de tijd nog zo snel en verandert er nog zo veel, de seizoenen zullen altijd weer terug keren. Ook al is haar boek nog zo tijdgebonden - het speelt zich af na het Brexit-referendum dat het Verenigd Koninkrijk hopeloos verdeelde en de moord op Jo Cox - volgens haar is het tegelijk het verhaal van iedereen. Smith goochelt met woorden. Daarom neem ik mijn hoed af voor de weergaloze vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer: probeer die artistieke dimensie maar eens over te brengen. Smith zoekt de verbinding, zegt ze. Uit het voornoemde interview: “…Wat zou een verbindend verhaal kunnen zijn? “Een verhaal dat ook een spirituele dimensie toelaat. Het kapitalisme houdt ons allen op de oppervlakte, omdat we geacht worden snel te reageren, snel onze impulsen te volgen, snel geld uit te geven, zonder er lang over na te denken, en door te gaan naar de volgende aankoop.” Geld is in ieder geval een waarde die zich frictieloos laat uitwisselen. “Nu helemaal, nu het als fysiek middel amper nog bestaat en alleen nog maar vloeit. Maar ik denk dat de mens verder wil kijken dan die oppervlakte, erboven en eronder en er voorbij.”…”.

Alle zielen zijn aan het plunderen

De seizoenen verbinden ook. Op het moment maken we allemaal de herfst mee die Smith zo fantastisch beschrijft dat je alleen daarom al haar roman, vóór de maand om is, zou moeten lezen: “… Oktober is een oogwenk. De appels die een minuut geleden de boom deden doorbuigen zijn weg en de bladeren van de boom zijn geel en ijler. Een vorstperiode heeft in één klap miljoenen bomen in het hele land laten stralen. De niet groenblijvende bomen zijn een combinatie van prachtig en kakelbont, rood oranje goud de bladeren, dan bruin en naar de grond. De dagen zijn onverwacht mild. Het voelt niet ver van de zomer, niet echt, afgezien van de onderbeet van de dag, het kantachtige kruipen van het duister en het vocht aan de randen, de planten die kalm zichzelf wegvouwen, de parels condens op de weefdraden die tussen dingen hangen. Op warme dagen voelt het verkeerd, zo veel bladeren die vallen. Maar de nachten zijn koel tot koud. De spinnen in de schuren en de huizen bewaken hun eizakjes in de dakhoeken. De eitjes voor de vlinders van komend jaar zitten weggestopt aan de onderkant van grassprieten, stipjes op dood uitziende stengels in het niemandsland, onzichtbaar gecamoufleerd op de miezerige struikjes en twijgjes…”. En over enkele weken: “… Opnieuw november. Het is meer winter dan herfst. Dat is geen nevel. Het is mist. De esdoornzaden slaan tegen het glas in de wind als – nee, niet als iets anders, als esdoornzaden die tegen het raam slaan Er zijn een paar winderige nachten geweest. De bladeren zitten aan de grond geplakt van het vocht. Die op de stoep zijn geel en rottend, bleekhout, dwarrelblad. Eentje zit zo goed vast dat als het uiteindelijk loskomt, de achterblijvende bladvorm, schaduw van een blad, op de stoep zal blijven zitten tot de volgende lente. De tuinmeubels roesten. Ze zijn vergeten ze op te bergen voor de winter. De bomen onthullen hun structuur. Er is een zweem van vuur in de lucht. Alle zielen zijn aan het plunderen. Maar er zijn rozen, er zijn nog steeds rozen. In het vocht en de kou, aan een struik die er uitgebloeid uitziet, zit een wijd open roos, nog steeds. Kijk die kleur eens…”.

Het moet waar zijn

Het verhaal. Een bedlegerige man van 101 in zijn verlengde slaapperiode, die altijd optreedt als het einde nadert, in een verpleeghuis. En zijn oude buurmeisje, junior docent kunstgeschiedenis aan een universiteit in Londen, zonder baanzekerheid dus ook niet bij machte een hypotheek in de wacht te slepen (net zoals dat bij ons gaat), die hem opzoekt. Soms leest ze hem voor uit “Brave New World” van Huxley en “Metamorfosen” van Ovidius. De titels zijn veelzeggend. Soms suft ze weg, net als hij. Stukken droom van beiden passeren vluchtig als de wind. Hoe ze, toen ze als klein meisje verhuisde, kennis maakte met de buurman. Op haar nieuwe school krijgt ze de opdracht om ‘een portret van woorden’ te maken van één van de buren. Ze moeten een buurman of buurvrouw interviewen en het is de bedoeling dat de moeders hen daarin bij staan. De alleenstaande moeder van Elisabeth, want zo heet het meisje, probeert onder het vervelende huiswerk uit te kruipen, wat op een ontzettend hilarische manier wordt verteld. “… Ik dacht dat je gevallen bladeren moest verzamelen en determineren. Dat was drie weken geleden of zo, zei Elisabeth…”. En dan: “… Kunnen we Abbie niet bellen en haar vragen stellen via de telefoon? Zei haar moeder. Maar we wonen niet meer naast Abbie, zei Elisabeth. Het moet iemand zijn die nú een buurman is…”. En even verder: “… Ik heb een idee, zei haar moeder. Waarom verzin je het niet? Doe je net of je hem vragen stelt. Schrijf je de antwoorden op die je denkt dat hij zou geven. Het moet waar zijn, zei Elisabeth. Het is voor Nieuws. Ze komen er nooit achter, zei haar moeder. Verzin het. Het echte nieuws is hoe dan ook altijd verzonnen. Het echte nieuws is niet verzonnen, zei Elisabeth. Het is het níeuws. Die discussie voeren we nog wel een keer als je wat ouder bent, zei haar moeder. Hoe dan ook. Het is veel moeilijker om dingen te verzinnen. Ik bedoel om ze echt goed te verzinnen, zo goed dat ze overtuigend zijn. Dat vereist veel meer talent. Weet je wat. Als je het verzint en het is aannemelijk genoeg om juffrouw Simmonds te overtuigen dat het waar is, dan koop ik die ‘Belle en het Beest’ voor je. De video? Zei Elisabeth. Echt? Uhuh, zei haar moeder...”. Het is ook overal hetzelfde. Eerlijk gezegd geef ik nog steeds vergelijkbaar advies aan mijn jongvolwassen studentendochter. En zo nodig ook aan mijn man die op middelbare leeftijd nog steeds ‘bij moet blijven’. Tenslotte: “… Trouwens onze videospeler is kapot, zei Elisabeth. Als je haar weet te overtuigen, zei haar moeder, dan gooi ik nog wat geld over de balk voor een nieuwe. Meen je dat echt? Zei Elisabeth ...”.

Ik ben eigenlijk niet Elisabeth Demand
Het opstel dat Elisabeth uiteindelijk schrijft vindt haar moeder zo geweldig dat ze met het schrift, tot Elisabeths afgrijnzen, naar de zonnige schutting in de achtertuin vliegt, er overheen gaat hangen, zich voorstelt aan de bejaarde buurman die met een boek en een glaasje wijn in de achtertuin zit, en hem het verhaaltje laat lezen: “… Elisabeth was ontsteld. Ze was van top tot teen ontsteld. Het was alsof het begrip ontsteld zijn mond had geopend en haar in haar geheel had verzwolgen…”. De volgende dag zit haar buurman haar op het tuinmuurtje naast het hekje waar ze door moet op te wachten: “… Ze bleef stokstijf staan op de hoek van de straat. Ze zou langslopen en net doen of ze niet in het huis woonde waar ze woonden. Hij zou haar niet herkennen. Ze zou een kind uit een heel andere straat zijn. Ze stak de straat over alsof ze toevallig langsliep. Hij vouwde zijn benen uit elkaar en stond op. Toen hij praatte was er niemand anders op straat, dus hij had het duidelijk tegen haar. Er was geen ontkomen aan. Hallo, zei hij vanaf zijn kant van de straat. Ik hoopte al dat ik je tegen zou komen. Ik ben je buurman. Ik ben Daniel Gluck. Ik ben eigenlijk niet Elisabeth Demand, zei ze. Ze liep door. Aha, zei hij. Dat ben je niet. Ik snap het. Ik ben iemand anders, zei ze. Ze bleef stilstaan aan de andere kant van de straat en draaide zich om. Mijn zusje heeft het geschreven, zei ze. Ik snap het, zei hij. Ach, er was iets wat ik je desondanks wilde vertellen…”. Meneer Gluck gaat op de stoeprand zitten en slaat zijn arm om zijn knieën, waardoor hij onmogelijk oud kan zijn, besluit Elisabeth: “… Niemand die echt oud was zat in kleermakerszit of omarmde zijn benen op die manier. Oude mensen konden niets behalve in voorkamers zitten alsof ze verdoofd waren door een verdovingsgeweer…”. Ze praten over de betekenis van hun namen, wat voor Elisabeth een heel netelig onderwerp wordt: “… Ik weet dat mijn – mijn zusjes – voornaam, ik bedoel de naam Elisabeth, zou betekenen dat je iets wilt zeggen over beloften aan God doen, zei Elisabeth. Wat een beetje moeilijk is, omdat ik niet helemaal zeker weet of ik erin geloof, ik bedoel, zij dus. Ik bedoel, niet dus…”. Maar meneer Gluck maakt zich daar niet druk om, “… Heel prettig om jullie allebei te ontmoeten…”, en vertelt over zijn eigen naam: “… Het betekent dat ik gelukkig en blij ben, zei hij. Het Gluck-gedeelte. En dat ik zal overleven als ik ooit in een kuil vol hongerige leeuwen word gegooid. Dat is de voornaam. En als je ooit een droom hebt en je weet niet wat die betekent kun je het aan mij vragen…”. Voor deze interpretatie moet je de Bijbel een beetje kennen. Zo wordt er een ongewone vriendschap voor het leven geboren.

Dickens
Smith speelt met tijd. Ze steekt de draak met de bureaucratie door uitgebreid alle moeilijkheden uit de doeken te doen die op Elisabeths pad komen als ze een nieuw paspoort wil aanvragen – dat ze nodig heeft om zich te kunnen identificeren in het verpleeghuis. Het pasfotootje dat nooit klopt omdat de ogen te ver uit elkaar staan of vanwege het haar dat haar gezicht te veel bedekt. Een eind verder kun je dat weer linken aan de eugenetica waar zijn medereizigers in een trein over praten waar Daniel als klein jongetje tussen zit, net voor de Tweede Wereldoorlog. Elisabeths moeder vertelt dat de helft van het dorp waarin ze woont sinds het Brexit-referendum niet meer met de andere helft praat, “… en dat dit nauwelijks verschil maakt omdat in het dorp toch al niemand tegen haar praat of ooit heeft gepraat terwijl ze hier nu al bijna tien jaar woont (hierin is haar moeder een tikje melodramatisch)…”. Eén van de korte hoofdstukjes is in zijn geheel in de cadans van Dickens’ beginfragment van “Tale of Two Cities” geschreven: “… Overal hadden mensen het gevoel dat het verkeerd was. Overal in het land hadden mensen het gevoel dat het goed was. Overal in het land hadden mensen het gevoel dat ze echt verloren hadden. Overal in het land hadden mensen het gevoel dat ze echt gewonnen hadden…”. En: “… Het was een typische warme maandag eind september 2015 in Nice, in Zuid-Frankrijk…”, waarop een filmteam een Gestapo-scène opneemt waarbij een lange rode banier met een swastika langs de hele gevel van het Palais de la Préfecture wordt gedrapeerd. Eerst ontstaat er nogal wat publieke verwarring en verontwaardiging, want de plaatselijke autoriteiten hebben verzuimd de bevolking van de stad voldoende op de hoogte te stellen. Algauw maakt de herrie plaats voor het massaal maken van selfies. Vervolgens: “… Het was een typisch warme vrijdag eind september 1943, in Nice, in Zuid-Frankrijk…”, en wordt het verhaal verteld over de dappere Hannah Gluck, die samen met een stel andere vrouwen is opgepakt en in een half open vrachtwagen over de vrijdagse vismarkt wordt gereden, waar ze in een verkeersopstopping tot stilstand komen. Ze gaat staan. De andere vrouwen volgen. De soldaten schreeuwen. Een oploopje ontstaat. Niemand is dit nog gewend. Een nieuwsgierig persoon vraagt waar de gevangenen naartoe gebracht worden. Een bewaker slaat die persoon tegen de vlakte. Het publiek kruipt dichter bij elkaar: “… Hun zwijgen was hoorbaar. Het verspreidde zich over de markt als een schaduw, een wolkendek. Het was een zwijgen, dacht Hannah, verwant aan de stilte die over de dierenwereld valt, die het vogelgezang treft, bij een zonsverduistering als er een soort nacht intreedt terwijl het midden op de dag is. Neem me niet kwalijk. Dames, zei Hannah. Ik moet er hier uit. De drom vrouwen in de vrachtwagen schuifelde opzij, liet haar door, liet haar voorgaan…”.

Seks-bom

Ondanks dat haar moeder het verbiedt, omdat het raar is, een meisje van dertien met een ‘ouwe homo’, gaat Elisabeth uit wandelen met buurman Daniel. Soms trekt ze haar skeelers - die hij rolschaatsen noemt - aan, en gaat ze voorop, zodat de buurman de lichtjes aan de achterkant kan zien. Daniel vraagt nooit ‘hoe gaat het met je?’ , maar altijd ‘wat lees je?’. Je zult toch maar een opa-buurman hebben die vraagt… Beiden houden ze van ‘kunstige kunst’ en verzinnen allerlei associatieve taalspelletjes. Later zal Elisabeth de collages (“Herfst” kun je in feite ook het beste bekijken als een collage) die hij beschrijft, en die ze met haar ogen dicht moet proberen voor zich te zien, herkennen als het werk van Pauline Boty, de enige vrouwelijke popartschilder die het Verenigd Koninkrijk heeft afgeleverd. Ze maakt een enorme stennis met een docent omdat ze haar eindscriptie per se over Boty wil schrijven, waar volgens haar begeleider veel te weinig over bekend is en die in zijn ogen niets te betekenen heeft. Via Boty komen de revolutionaire jaren zestig en het feminisme om de hoek kijken. Het gaat onder andere over de schilderijen die ze heeft gemaakt van Christine Keeler, een seksbom, die een enorm schandaal ontketende in regeringskringen. De link met seksbom wordt dan weer gelegd met een voorval uit Keelers jeugd, toen ze met een stel jongetjes een bom vond, die ze eerst schoon maakten met nat gras en mouwen van truien, voor ze hem naar een vader droegen waarvan ze dachten dat die wel raad wist met wat er mee moest gebeuren. Onderweg lieten ze hem ook nog een keer vallen: “… O, god. De RAF kwam. Ze haalden iedereen uit de huizen in de hele straat, en daarna iedereen uit de huizen in alles straten om de straat heen…”. Boty overleed op achtentwintig jarige leeftijd: “… Ze was naar de dokter gegaan omdat ze zwanger was en daar hadden ze kanker ontdekt. Ze had abortus geweigerd, wat betekende dat ze niet bestraald kon worden; dat zou het kind beschadigen. Ze was bevallen en vier maanden later gestorven…”.

Moe
Buiten het dorp van haar moeder loopt Elisabeth tegen een drie meter hoog hek onder hoogspanning aan. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het lijkt om een detentiecentrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers te gaan – waaronder kinderen: “… Haar moeder gaat op de omgewoelde grond bij het hek zitten. Ik ben moe, zegt ze. We hebben pas drie kilometer gelopen, zegt Elisabeth. Dat bedoel ik niet, zegt ze. Ik ben moe van het nieuws. Ik ben moe van de manier waarop het dingen sensationeel maakt die dat niet zijn, en zo simplistisch bericht over echte gruwelijkheden. Ik ben moe van het venijn. Ik ben moe van de woede. Ik ben moe van het egoïsme. Ik ben moe van hoe we niets doen om het tegen te houden. Ik ben moe van hoe we het aanmoedigen. Ik ben moe van het geweld dat er is en ik ben moe van het geweld dat onderweg is, dat er aankomt, dat nog niet is gebeurd. Ik ben moe van leugenaars. Ik ben moe van zelfingenomen leugenaars. Ik ben moe van hoe die leugenaars dit hebben laten gebeuren. Ik ben moe van me moeten afvragen of ze het uit domheid of met opzet hebben gedaan. Ik ben moe van liegende regeringen. Ik ben moe van mensen die het niet kan schelen dat er tegen ze wordt gelogen. Ik ben moe van zo angstig worden gemaakt. Ik ben moe van vijandigheid. Ik ben moe van defaitimisme. Ik denk eigenlijk niet dat dat een woord is, zegt Elisabeth. Ik ben moe van niet de juiste woorden weten, zegt haar moeder…”. Alle moeders zijn wel eens op een dergelijke manier moe, denk ik. In ieder geval: Elisabeth wordt moe van haar moeder. Echter, op het eind van het boek zit haar moeder een uur vast op het politiebureau. Omdat ze een oude barometer, die ze in een rommelwinkel heeft gekocht, tegen het hek heeft gegooid. Haar vriendin: “… het gaf zo’n enorm krakend geluid, er kwam een flits vanaf, en de mannen gingen door het lint want ze had kortsluiting veroorzaakt…”. Elisabeths moeder is van plan om nog veel meer spullen uit de uitdragerij naar het hek te gooien en zich elke dag te laten arresteren: “… dat hek te bombarderen met de geschiedenis van mensen en met artefacten van minder wrede en meer filantropische tijden…”. Smith stamt uit de ‘make love not war’-periode. Overduidelijk niet eens met veel gang van zaken, is ze niet van de polarisatie. In plaats van onze ogen dicht te doen als we geconfronteerd worden met het kwaad, schrijft Smith, kunnen we ook met een knipoog om ons heen kijken.

Uitgave: Prometheus – 2018, 272 blz., ISBN 978 904 463 660 4, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier