Menu

woensdag 15 mei 2019

Het zoutpad – Raynor Winn


Subtitel: Over oude wegen naar een nieuw begin

Goethe (zie mijn vorige blog) zei het al: de natuur heelt. Met een leeskring bespraken we “Het zoutpad” van Raynor Winn, die samen met haar ernstig zieke man het eeuwenoude South West Coast Path heeft gelopen, dat een slordige duizend kilometer langs de Engelse zuidwestkust beslaat.

Dakloos

Alle grond zakt onder de voeten van de vijftigers Raynor en Moth vandaan als ze na een jarenlang juridisch gevecht, wegens een procedurefout, zonder pardon uit hun eigenhandig verbouwde bed- en breakfastboerderijtje worden gezet. Een onbetrouwbare vriend claimt onterecht geld van hen. Rechtsbijstand kunnen ze niet meer betalen. Ze zijn volkomen blut. Maar wat een grootsheid: “ … We deden de deur van de rechtszaal achter ons dicht en liepen stijf en zwijgend door de gang. Ik wierp een blik op de advocaat in de zijkamer en wilde doorlopen, maar Moth ging naar binnen. Nee, Moth, nee Moth, sla hem niet. Ik voelde alle woede, alle spanning van de afgelopen drie jaar. Maar hij stak de advocaat zijn hand toe. ‘Het is al goed, ik weet dat u alleen maar uw werk doet, maar het was de verkeerde beslissing, dat weet u ook wel, hè?’…”. En dat is niet alles. Moth krijgt in diezelfde tijd te horen dat de verlammende pijn in zijn schouder en arm en de trilling van zijn hand waarschijnlijk veroorzaakt wordt door cortiobasale degeneratie (CBD). Een zeldzame slopende hersenaandoening met een dodelijke prognose, zes tot acht jaar na de eerste verschijnselen. Raynor gelooft niet in God of een hogere macht, maar “ … Als Hij bestaat had Hij zojuist de wortels van mijn leven beetgepakt en uit de grond gerukt en zo mijn hele bestaan op zijn kop gezet…”. Als de deurwaarders op de deur bonken duiken ze weg achter de trap en ziet Raynor “Five Hundred Miles Walkies” in een verhuisdoos liggen; een boek over een man die met zijn hond het South West Coast Path loopt. Dat brengt haar op het idee hetzelfde te gaan doen. Ze kopen twee merkloze rugzakken, een tentje via EBay, zichzelf opblazende slaapmatjes, super-lichtgewicht slaapzakken, een Campingaz-brandertje, en dat soort dingen en gaan op pad: “ … Vraag iemand hoe een dakloze eruitziet, en hij zal meestal een man of vrouw beschrijven die buiten slaapt, ergens op straat een matje en wat beddengoed uitrolt, misschien een hond bij zich heeft, maar altijd bedelt om geld voor drugs en alcohol…”. In Engeland zijn vagebonden zo goed als vogelvrij: “ … Schurken, landlopers of zwervers: in welke categorie je daklozen ook stopt, in de zomer van 2013 werden wij er ook twee…”.

Wandelen met een schildpad

Hun bus mogen ze bij een vriendin stallen. Onderweg doen ze eindelijk een keertje Glastonbury aan dat aanspraak maakt op de legende van koning Arthur: “ … We waren net langs een meer gekomen waarin hij zijn zwaard zou hebben gegooid en dus leek het niet meer dan logisch om deze omweg te maken. Ik snap nog steeds niet waarom de Koning der Britten ‘het’ zwaard in een grauw meertje naast de A5 zou hebben gegooid, of waarom hij lang genoeg in Glastonbury zou zijn blijven hangen om kracht te putten uit leylijnen en de inspiratie te vormen voor een keten aan kristalwinkels…” (zie ook “Arthur/Kroniek van Madoc” van Hubert Lampo). Glastonbury is vergeven van New Age-experience, toeristen en daklozen voor wie bedelen blijkbaar een carrièrepad is, want ze zien dezelfde persoon in sjofele en surfersoutfit voorbijkomen. Op een donderdagmiddag om half vier starten ze hun wandeling over een godsgruwelijk steil zigzaggend pad door het bos van Minehead. Als het donker wordt zetten ze voor het eerst illegaal hun tent op, op de hei aan de rand van het onherbergzame Exmoor, na eerst wolken vliegende mieren van zich af te hebben geslagen: “ … wij hadden het gevoel dat we in een la met vorken lagen…”. En even verder: “ … Koud van boven, koud van opzij, koud van onderen. Wat maakt een slaapzak lichtgewicht? Dat werd duidelijk om vier uur in de ochtend, terwijl de kou zich erdoorheen vrat in het grijsgroene licht van de tent…”. De volgende dag eten ze in een idyllisch dorpje hun laatste scone met clotted cream, al weten ze dat nog niet. Nog maar twaalf kilometer onderweg en Raynor heeft al een blaar van zeker vijf centimeter onder de bal van haar voet. Alles doet zeer. Het pad leidt omlaag het dal in naar de stokoude Culbone Church, het kleinste kerkje van Engeland, dat ooit bij een leprozenkolonie hoorde. Ze passeren een blinde yogaman die hen voorspelt dat ze veel moeilijkheden zullen overwinnen, zullen overleven en zullen wandelen met een schildpad. “ … Je ziet hier in het zuidwesten niet veel schildpadden in het wild, hè?’ ‘Over het algemeen niet, nee.’ …”.

Blauwe wind
Door regen en wind sjokken ze verder. Soms ook zonder water in de verstikkende hitte. Ze stinken omdat de zee dagenlang onbereikbaar is. Poepen en plassen in de bosjes, overrompeld door eeuwige hondenuitlaters. Soms komen ze er pas de volgende ochtend achter dat ze hun tent in de mist en het donker nog geen meter van een rotswand hebben opgezet die honderd meter en meer, steil naar beneden afloopt. Ze leven op noedels, rijst en winegums. Soms lopen ze in een roes van duizeligheid en extase: “ … Een blauwe wind tilde mijn rugzak op en met mijn armen gespreid kon ik vliegen…”. Af en toe zijn er bijna spirituele momenten van verwondering. Honderden lieveheersbeestjes die opvliegen: “ … ik klampte me vast aan de mythe van het lieveheersbeestje dat geluk brengt en droeg die mee in een rozerode, gestippelde gloed…”. Scholeksters. Zwaluwen. Leeuweriken. Aalscholvers. Alpenkraaien. Uilen. Fazanten. Konijnen. Dassen. Herten. Zeehonden. Tuimelaars. Moth kickt onderweg al kotsend af van de pregabaline. Het gekke is dat hij zich zonder pillen na verloop van tijd beter en helderder gaat voelen. Ze lijden honger wegens geldgebrek. Elke week kunnen ze een kleine vijftig euro pinnen, maar door een stomme fout gaat daar ook nog eens een onnodige automatische verzekering van af. En in Engeland is het leven ongelooflijk duur. Eén keer zal Raynor zo wanhopig zijn dat ze een paar caramelrepen steelt. Durven ze het eindelijk aan een pasty te kopen, grist een brutale meeuw het kostbare eten weg. Ze leren dat het stempel dakloos iedereen afschrikt. Soms hebben ze geluk, winnen met een quiz in een pub tien pond. Een serveerster die haar tent gaat sluiten geeft hen het overgebleven eten. Van een oud stel krijgen ze kaartjes voor een openluchttheater. Als ze niet wildkamperen verblijven ze clandestien op drukke campings. De bijna niet te verwoorden eenheid met de natuur. Zwemmend in het donker tussen de zeemeeuwen: “ … De maan lichtte op hun witte koppen, die ze af en toe naar hem toe keerden, niet verstoord, maar nieuwsgierig. Wij hingen gewichtloos in het zout terwijl alles van ons wegdreef en verloren was. Er was alleen nog het water, de maan en de murmelende vormen die de zee met ons deelden…”. Zonder nadenken gaan ze in op de uitnodiging van een vreemdeling in wiens boerderij ze zich vol eten met lasagna en vol drinken met bier en wijn. Dansen met klussende surfers die in paardenboxen bivakkeren en hen wiet aanbieden. Van de backpackers die ze tegen komen, zijn de fanatieke robots die geen tijd hebben om boe noch bah te zeggen of om zich heen te kijken toch wel het beklagenswaardigst: ze moeten hun geplande dagmars halen. Ze doen me denken aan de amateurwielrenners die al scheldend en tierend tussen het gewone fietsverkeer door laveren. Reden waarom mijn oude moeder niet meer durft te fietsen. Wacht maar, denk ik dan, vandaag of morgen bezorg je je vanzelf een hartinfarct.

Toeval of voorbeschikking?

Steeds vaker wordt Moth aangezien voor ene Simon: een beroemde dichter die ze niet kennen. Het brengt hem op het idee tijdens een straatfestival uit zijn lievelingsboek “Beowulf” te declameren, waar ze een hoed vol muntjes mee ophalen. Tot iemand vraagt naar hun vergunning. Zoute lucht, kliffen, eindeloze landtongen en even eindeloze inhammen. Herfst. Het wordt steeds kouder. Dan: ‘saved by the bell’. Een oude vriendin aan de telefoon. Of ze de aankomende winter gratis in een loods bij haar boerderij willen doorbrengen als ze die als tegenprestatie opknappen. Weinig keus. Maar met een dak boven hun hoofd gaat Moth zienderogen achteruit. Raynor sluit zich aan bij een schaapscheerdersploeg. Maakt dagen van zes tot acht. Werkt zich een ongeluk in een wasserij en de vakantiehuisjesschoonmaak. Uiterst langzaam verbouwt Moth ondertussen de schuur. Als het zomer is wil de vriendin de keet verhuren en staan ze weer op straat. Maar nu komt Moth met het waanzinnige idee een milieustudie te gaan volgen aan de universiteit, waardoor hij in aanmerking komt voor studiefinanciering. Twee maanden moeten ze zien te overbruggen. En weer gaan ze het pad op. Met Moth gaat het opnieuw stukken beter. Pas las ik een artikel waarin werd uitgelegd dat als je stevig doorloopt je hersenen dopamine aanmaken, een neurotransmitter die onder andere goed werkt tegen depressie en pijn. Dat verklaart veel. Zelden heb ik meegemaakt dat een auteur zo mooi en vrolijk en toch discreet op de seksuele toer gaat: “ … Een groep duikers kwam druipend het strand op als pinguïns in drysuits, met hun flippers in de hand. De duiker die het dichtst bij de keet was, pelde het droogpak af, waaronder nog een tweede, zeer vrouwelijk gevormd, wetsuit tevoorschijn kwam. En trok haar neopreen capuchon af, zodat haar lange donkere haar los wapperde in de opstekende wind. Met veel moeite bevrijdde ze zich van de zwarte, nauwsluitende huid, en de bejaarde vissers aan het tafeltje naast ons vielen stil. Toen ze eindelijk het pak over haar dijen omlaag rolde en een volmaakt lichaam in een rode bikini onthulde, gleden ze bijna van de bank af. ‘Goeiehemel, schat, je moet echt iets aantrekken, je vat nog kou zo.’ Ze keek op naar Dave, zich schijnbaar niet bewust van het effect dat ze had zoals ze daar druipend, halfnaakt voor de vissers stond, die nu haast in katzwijm lagen. ‘O, nou bedankt, dat zal ik doen.’ Haar hese stemgeluid was meer dan een van de oude mannen kon verdragen: hij legde zijn hoofd in zijn handen en begon heen en weer te wiegen. Zijn vrienden schonken een bekertje water in en gaven hem dat. ‘Neem je hartpil, Doug, en kijk de andere kant op.’ …”. Ze worden meegenomen naar een illegaal dorp in een bos waar seizoenarbeiders wonen die zich geen huurhuis op het platteland kunnen veroorloven. Ze slapen een angstige nacht in Plymouth: de daklozen in de stad zijn agressief en volkomen onberekenbaar. Op het eind van de reis maken ze kennis met een vrouw met panne die hen een huurhuisje aanbiedt, terwijl ze ook nog een man tegen komen die zijn schildpad uitlaat. Toeval of voorbeschikking?

Vluchtelingen uit een westerse beschaving
Prachtig vertelt Raynor in dit hartverwarmende verhaal over de doodzieke man met wie ze twee inmiddels studerende kinderen heeft en waarmee ze al dertig jaar is getrouwd (ja, dat kan echt): “ … De eerste keer dat ik Moth zag, aan de overkant van de schoolkantine, was ik achttien. Hij droeg een wit, kraagloos overhemd en doopte een Mars in een kop thee. Ik was betoverd. Later die dag hing ik met mijn vriendinnen uit het raam van de derde verdieping en zagen hem over het schoolplein lopen: met kniehoge rijlaarzen en in een oude legerjas die flapperde in de wind. Ik kon nergens anders meer aan denken. Het duurde weken voor hij iets tegen me zei, weken waarin ik voortdurend heimelijk naar hem keek, vanachter boekenplanken, door winkeldeuren, vanuit bosjes. Ik kon alleen nog maar aan hem denken. En aan seks. Toen sprak hij me aan en kennelijk was dat ook het enige waar hij aan dacht. Een kalverliefde groeide uit tot een vriendschap die ons in de greep van zijn passie door het volwassen leven voortstuwde. Een leven waarvan ik niet had geweten dat het bestond, over wegen die ik zelf niet zou zijn ingeslagen, van dagen op winderige heidevelden, weken luidruchtig protest op demonstraties, muziekfestivals en pizza’s in het park toen hij me meesleepte in zijn milieuactivisme, en van praten, praten, praten, een gesprek dat nooit stilviel. Jaren gingen voorbij terwijl wij eindeloos kletsten en lachten, met onze benen in elkaar verstrengeld. Onze vrienden wisselden even vaak van relatie als kleren, maar wij hadden niets anders nodig. We werden dertigers, veertigers en zagen stellen om ons heen terechtkomen in een grijze toestand van kameraadschap met als hoogtepunt de wekelijkse boodschappen of de zaterdagse wedstrijd, en wegzinken naar de onvermijdelijke scheiding. En al die tijd leefden wij met een passie die niet uitdoofde. Nu we dakloos door Lynton strompelden, was er nog steeds iets in de manier waarop hij een Mars at, dat mijn hart onmiddellijk deed overslaan…”. Naast een verhaal over de liefde is dit ook een verhaal over het daklozenprobleem: “ … Hoe komt het dat maar zo weinig mensen begrijpen dat iedereen behoefte heeft aan een plek voor zichzelf? Is er een crisistijd voor nodig om te zorgen dat we de narigheid van daklozen kunnen zien? Moet je aan een oorlogsgebied ontsnapt zijn om in nood te zijn? Kunnen wij als volk alleen op nood reageren als we die erg genoeg vinden? Als de daklozen van ons land bijeen werden gebracht in een vluchtelingenkamp, of uit wanhoop in bootjes de zee op gingen, zouden we dan onze armen voor hen openen? De daklozen uit ons eigen land passen niet in dat patroon; wij geloven liever dat hun narigheid hun eigen schuld is en dat het er maar weinig zijn; en toch zeggen meer dan 280.000 individuen in het Verenigd Koninkrijk geen huis te hebben en het percentage van mensen dat door een verslaving in die situatie terechtkomt, is klein. Als zij – wíj – allemaal bij elkaar zouden gaan staan, mannen, vrouwen, kinderen, zouden we er heel anders uitzien dan die ene man alleen in de portiek van een winkel, verslaafd aan iets waarmee hij kan ontsnappen. Hoe zouden we dan bekeken worden? 280.000 mensen? Of meer, of minder? De juiste cijfers zijn niet bekend. Vluchtelingen uit een westerse beschaving, losgeslagen van hun leven in een boot die zelden een haven vindt…”.

Uitgave: Balans – 2019, vertaling Annemie de Vries, 320 blz., ISBN 978 946 003 940 9, € 22,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 13 mei 2019

Goethe. Kunstwerk van het leven – Rüdiger Safranski


Volgens Ranne Hovius is “Willem Meisters leerjaren” (eerste versie 1777 - 1786, definitieve versie 1794 -1796) van Goethe een encyclopedie van waanzin. Michel Tournier baseert “De elzenkoning” voor een deel op een gedicht van Goethe. Boudewijn Büch was gek van Goethe. Overal kom je Goethe tegen. Hoog tijd dat ik wat meer over hem las. Iedereen raadde mij de biografie van Safranski aan als de meest gezaghebbende. Een pil van 700 bladzijden. Desondanks in kwiek tempo geschreven. Of ik Goethe dichter benaderd ben betwijfel ik. Daarvoor staat het Duitse ‘genie’ toch te ver van mij af…

Charisma

Waarom was een halve dolle als Boudewijn Büch zo gek op Goethe? Wat trok hem in Goethe aan? Die vraag heeft mij wel bezig gehouden. Misschien heb ik het antwoord gevonden bij Safranski, die vertelt hoe Goethe zijn autobiografie “Dichtung und Wahrheit” afsluit met een citaat uit het treurspel “Egmont”, over de Hollandse edelman die het tijdens de Tachtigjarige Oorlog opnam tegen de Spanjaarden, waar Goethe zich sterk mee identificeerde: “ … Als door onzichtbare geesten opgezweept gaan de zonnepaarden van de tijd er met de lichte wagens van het lot vandoor, en ons rest niets anders dan manmoedig de teugels in handen te houden en nu eens naar rechts, dan weer naar links te sturen en de wielen weg te houden van die steen hier of die afgrond daar. Waar het heengaat, wie zal het weten? Hij herinnert zich nauwelijks waar hij vandaan kwam…”. Alsof je het over Büch zelf hebt. Misschien was dát het wel: snel - zo niet halsoverkop - leven. Safranski: “ … Egmont is een mens met levenskracht en levenslust, spontaan en vol overgave, genotzuchtig, vrij en gelaten, zorgeloos, vriendelijk en energiek…”. Hij heeft de vrijheidsheld Egmont, schrijft Goethe, een mateloze levenslust en zelfvertrouwen toebedeeld, en ‘de gave om mensen aan te trekken’. Oftewel attrativa: “ … Deze ‘attrativa’, dat wist Goethe, bezat hij zelf ook, en hij gaf die aan Egmont, zijn lieveling, in een dusdanig uitvergrote mate mee, dat ze aan het ‘demonische’ raakte…”. Wij zouden het over ‘charisma’ hebben. “ … Welke begrippen men ook hanteert, er blijft iets raadselachtigs kleven aan dit magnetische van de levensmacht die van zulke personen uitgaat, ten goede of ten kwade. Van de demonische of charismatische mensen, schrijft Goethe, gaat een ontzaglijke kracht uit en zij oefenen een ongelooflijke macht uit over alle schepselen…”. Herkende Boudewijn Büch iets van zichzelf in Goethe – en Egmont? Büch had ook wat aanstekelijks. Iets wat je charisma zou kunnen noemen, vind ik. Evenals Pim Fortuyn. En als je het over ‘demonisch’ hebt: Hitler. Hoe had laatstgenoemde anders een heel volk om zijn vinger kunnen winden?

Hoogbegaafd de lakens uitdelen
Goethe wordt op 28 augustus 1749 in Frankurt am Main in een welgesteld milieu geboren. Zijn vader is een rentenierende doctor in de rechten. Zijn eenentwintig jaar jongere, vrolijke, spontane, ongedwongen moeder de oudste dochter van een schout. Ze houdt van het goede leven. Neemt elk middel om de stemming te verhogen te baat: wijn, snuiftabak. Anderen gunt ze ook wel wat. De vriendin waar zoonlief ooit mee gaat samenwonen betitelt ze zonder scrupules als zijn ‘beddenschat’, en om een maatje meer maalt ze ook al niet. Integendeel. Volgens een brief: “ … Je bent dus aangekomen, bent lekker corpulent geworden, en daar ben ik blij om, want dat is een teken van goede gezondheid – en gebruikelijk in onze familie…”. De antieke beelden die haar zoon verzamelt, noemt ze oneerbiedig “… blote konten…”. Na Goethe worden er twee broertjes en drie zusjes geboren, van wie alleen de anderhalf jaar jongere Cornelia de volwassenheid bereikt. Zo ging dat toen. Helaas is zijn geliefde zus ook niet tegen het leven opgewassen. In haar huwelijk zal ze wegkwijnen in bed en overlijden na de geboorte van haar tweede kind. Als buitengewoon geadoreerd zoontje ontwikkelt Goethe een sterk gevoel van eigenwaarde. Bovendien groeit hij als stadskind frank en vrij op tussen anderen, waardoor hij geen publieksangst kent. Goethe is een weliswaar hoogbegaafde jongen, die ook nog eens van alle kanten door zijn ouders wordt gestimuleerd, maar beslist geen wonderkind à la Mozart. Hij pakt de dingen snel op. Vooral talen. Hij leest alles wat los en vast zit. Verwerkt, herhaalt en herschept wat hij zich eigen heeft gemaakt. Schrijft kladschriften vol kleine toneelstukken, poëzie en epiek. Hij draait zijn hand niet om voor een gedichtje meer of minder. Hij komt zichzelf echter ook op een akelige manier tegen: corrupt gajes gebruikt zijn snelle maar onnozele rijmelarij voor louche zaakjes. Hij loopt zijn eerste blauwtje als hij verliefd wordt op een ouder meisje dat zich als een kinderjuffrouw tegenover hem gedraagt: de Gretchen-affaire (5de boek “Dichtung und Wahrheit”). Als hij als vijftienjarige per brief vraagt of hij lid mag worden van een ‘Deugdenbond’, een geheim jongerengenootschap, vangt hij ook al bot. Hij weet dat gewetensonderzoek bij het sollicitatieritueel hoort, en doet een boekje open over zijn ondeugden: “ … Ten eerste zijn ‘cholerische temperament’, hij was opvliegend, maar niet haatdragend; ten tweede deelt hij graag de lakens uit, ‘maar als ik niets te zeggen heb, kan ik het ook achterwege laten’. Ten derde zijn onbescheidenheid; hij praat ook met onbekenden alsof hij ze ‘honderd jaar’ kent…”. Zijn grote bek doet hem de das om. De vrienden van destijds typeren zichzelf als zijn lakeien: “ … Men merkt, de jonge Goethe wekte bewondering, maar ook afgunst. Je kunt je ook heel goed voorstellen dat een jongen voor wie zijn moeder elke ochtend drie sets kleren moest klaarleggen – een voor in huis, een voor gewone uitstapjes en voor de visite, en een voor galaoptredens, dus haarnet, zijden kousen en een sierdegen – niet overal geliefd was…”.

Sturm und Drang
Balend van Frankfurt denkt Goethe aan studeren. Zelf zou hij vanwege zijn dichtersambitie het liefst naar Göttingen gaan om zich in geschiedenis te bekwamen. Daar komt niets van in. Papa wil dat hij in zijn voetsporen treedt en stuurt hem naar Leipzig. Na drie jaar heeft hij nog steeds geen studie afgerond, wordt doodziek, en keert als gesjeesde rechtenstudent terug naar huis om op te knappen. Geen wonder; hij lijkt zich vooral bezig te hebben gehouden met praktische artistieke oefeningen: schrijven, tekenen, schilderen, kopergravures maken en etsen. Bovendien maakte hij er een zinderende liefdesaffaire met ene Kätchen mee, de dochter van een herbergier, die al bij voorbaat gedoemd was te mislukken daar hij ook wel wist dat ze veel te min was in papa’s ogen, maar die hem wel inspireerde tot een stortvloed van brieven aan een intieme vriend. Goed oefenmateriaal. Hij flirt een tijdje met het piëtistische geloof van de hernhutters. Wat hem ontbreekt is rouwmoedig zondebesef. Een prachtig fragment gaat over een fanatiek gelovige dokter, een ‘geheimzinnige, ondoorgrondelijke, sluw ogende, vriendelijk pratende en voor het overige abstruse man’, die Goethe door middel van een glaasje gekristalliseerd droog zout van een tuberculeus gezwel in zijn nek afhelpt. Een soort tovenaar die hem tussen de stichtelijke gesprekken door inwijdt in allerlei alchemistisch en kabbalistisch gedoe, zodat zijn ziekenkamer binnen de kortste keren verandert in een soort natuurkundig laboratorium. Hier ontstaan de kiemen voor zijn latere “Faust”. Goethe is met zijn extraverte aard niet in de wieg gelegd voor ‘stille in den lande’. Hij houdt het niet lang uit onder zijn ‘stomvervelende, sektarische’ en introspectieve geloofsgenoten die ‘de zaak van hun grillen vermengen met de zaak van God’. Als hij beter is stuurt zijn vader hem naar het levendige Straatsburg om zijn studie te hervatten. Hij leert er paardrijden en dansen, en bovenal ontmoet hij er de immer sacherijnige, vijf jaar oudere dichter-filosoof-theoloog Herder, die een onuitwisbare indruk op hem maakt. Herder is de aansteker van de Duitse Sturm und Drang. Bij hem komt het romantische geniebegrip van het kunstenaarschap vandaan. Hij maakt korte metten met de kunst als ‘nabootsing’ en gaat voor het principe van individualiteit c.q. authenticiteit c.q. originaliteit.

Iets heels

Hoewel Goethe zelf niet in een persoonlijke God gelooft is hij diep onder de indruk van ene Jung-Stilling, een vrome kennis die zich opwerkt van kleermaker naar arts. Bij hem ontwaart hij het geestelijke fenomeen dat hij aanduidt als een transformerend ‘aperçu’: “… Jung-Stilling heeft iets heels, namelijk de God van de Bijbel, ervaren, waardoor zijn innerlijke mens volkomen is veranderd, en dat is allemaal plotseling gebeurd…”. Het gaat om een gedachteflits, een inval, een plotselinge intuïtie die een tot dan toe raadselachtige en duistere samenhang in één klap duidelijk maakt. Deze overgang dan wel bekering hoeft niet perse religieus te zijn. Goethe ervaart het als hij het menselijke tussenkaakbeen ontdekt. Het bewijst voor hem dat er een geleidelijke overgang is tussen mens en dier: de natuur maakt geen sprongen. Met vrienden maakt hij een tocht naar het plaatsje Sesenheim waar hij verliefd wordt op een domineesdochter, Friederike Brion. Ook met haar scharrelt hij een tijdje rond zonder dat hij van plan is zich te binden. Ondertussen raakt hij in de ban van de vernieuwende Shakespeare: “ … Shakespeares theater is een wondermooi rariteitenkabinet, waarin de geschiedenis van de wereld voor onze ogen aan de onzichtbare draden van de tijd voorbij golft. (…) zijn stukken draaien allemaal rond het geheime punt (dat nog geen filosoof heeft gezien en vastgesteld) waar het kenmerkende van ons ik, de gepretendeerde vrijheid van onze wil, botst op de noodzakelijke loop van het geheel…”. Eindelijk schrijft hij een dissertatie die verloren is gegaan. Over de verhouding tussen staat en kerk. De theologen van Straatsburg hebben het stuk in ieder geval als schandalig ervaren. “ … De heer Goethe heeft hier een rol gespeeld die hem als al te snedige pseudogeleerde en als idiote godsdienstverachter niet alleen verdacht, maar ook nog eens tamelijk bekend heeft gemaakt. Hij moet, zoals ook algemeen van hem wordt aangenomen, een klap van de molen hebben gehad…”, vermoedt er één. “ … De jongeman heeft met een aantal hatelijkheden van Voltaire lopen pronken…”, meent een ander. Zonder officiële doctorstitel, alleen met een licentiaat, keert Goethe tot teleurstelling van papa terug naar huis.

Dichter-profeet
Goethe rommelt een beetje rond als advocaat zonder dat daar een figuurlijke vadermoord voor nodig is. Vergeleken bij zijn zoon is pappa is nogal dom uitgevallen, bout gezegd. Tegelijk schrijft hij het sensationele “Götz”, een historisch toneelstuk over een vrijgevochten ridder, dat hem in één klap beroemd maakt. Safranski bespreekt het uitgebreid. Vanwege de terechtstelling van een ongewenst zwanger geworden kindermoordenares krijgt Goethe steeds meer moeite met de rechtsgang: haar minnaar komt er zonder een centje pijn mee weg! Hij verwerkt een en ander als Gretchen-affaire in “Faust”. Ene Merck, die hem vraagt recensent te worden voor zijn literaire tijdschrift, brengt hem in aanraking met de kring der verbazingwekkende ‘sentimentelen’, die zwelgen in tranen en buitensporige gevoelens. Safranski vertelt over een dame die de zomerdagen doorbrengt in een in een park gebouwde hut met een wit lam dat ze aan een rode halsband over de weiden voert. In Wezler, waar Goethe om zich te specialiseren een tijdje stage loopt bij het Rijkskamergerechtshof, ontmoet hij Charlotte Buff, die al verloofd is, en model staat voor de Lotte in “Werther” (waarover ze op zijn zachts gezegd ‘not amused’ is). Volgens anderen is ze helemaal niet zo buitengewoon aantrekkelijk, maar Goethe is wég van haar. Een zelfmoord in Wezler vindt zijn spoor richting “Werther”. Af en toe is het Goethe zelf ook ‘doodschieterig’ te moede. Hij heeft een dolk op zijn nachtkastje liggen, maar is te schijterig om die te gebruiken. Dan begint Goethe boordevol ideeën te schrijven. Zijn inspiratie is tomeloos. Alles lukt. Alles komt hem aanwaaien. Hij wordt een superster. Heeft iets van een dichter-profeet. Hij werkt aan toneelstukken over Prometheus, die het vuur uit de hemel steelt, en Mahomet, die gewelddadig wordt omdat hij zich met het aardse inlaat en aanhangers wil krijgen. Hij voelt zich gelijk aan hen: door invallen overweldigd, meegesleept, zichzelf ervarend als medium van scheppende krachten. Op zijn omgeving komt hij over als een tovenaar, omgeven door een aura van het ongelooflijke. Iedereen hangt aan zijn lippen: “ … Sommigen noemden hem een ‘bezetene’ (Jacobi), anderen ‘een genie van kruin tot voetzool’ (Heinze). Men was bang dat zijn vuur hem zou verteren’ (Bodmer). Men gaapte hem aan als een wonder van de natuur…”. Nu ik het zo schrijf komt het bijna een beetje bipolair over, bedenk ik ineens.

Geheimraad
Ook zijn “Werther” slaat in als een bom. Kerken en hoeders van de moraal lezen het als een legitimatie van zelfmoord. Het zou zelfmoord in de mode hebben gebracht. Zelfs Napoleon zegt het zeven keer te hebben gelezen. Dit boek breekt baan voor het subjectieve gedachtegoed, de vrijheid van het individu en de persoonlijkheidscultus. Wat helpt tegen het ‘taedium vitae’, tegen 's levens onlust, tegen gevoelens van leegte en verveling, is zich vastberaden openstellen voor het leven, volgens Goethe. Het is een ‘ziekte’ waardoor de patiënt geen gepaste toegang tot het leven vindt. Laat je verrassen door de werkelijkheid – plak er niet je eigen troebele spookbeelden op! Ook de natuur werkt bevrijdend. Zelf maakt hij enorme voettochten. Hij helpt de predikant Lavater met zijn studie in het ‘fysionomeren’: het aan de hand van het uiterlijk conclusies trekken over het innerlijk. Papt met allerlei bekende en minder bekende figuren aan. Heeft affaires met meisjes. Maar eigenlijk weet hij niet wat hij wil. De gecultiveerde familie van ene adellijke en gereformeerde Lili verwacht van een toekomstige schoonzoon een serieuze beroepscarrière als advocaat of in het bankwezen. Maar het is hem een gruwel “ … in dit bassin rond te gondelieren en met grote vrolijkheid op kikker- en spinnenjacht te gaan…”. Hij wordt gered door de uitnodiging van de jonge hertog Karl August van het ministaatje Weimar, die zijn adviezen goed kan gebruiken. Het eerste wat hij doet is de vorst schaatsen leren. Hij blijkt het buitengewoon goed met de sportieve wildebras te kunnen vinden. Samen zoeken ze het avontuur middels zwerftochten, jachtpartijen en achter de meisjes aanzitten. In 1776 krijgt Goethe vaste grond onder zijn voeten als hij als geheim gezantschapsraad een zetel aanneemt in de ministerraad. Zo komt er toch nog wat van hem terecht. Ook in Weimar bouwt hij binnen de kortste keren een reputatie als godenzoon annex heksenmeester. En weer wordt hij meegesleept in hartstochtelijke verliefdheden. Hofdame Charlotte von Stein is daar. In de loop van zijn leven zal hij haar anderhalfduizend brieven schrijven. Ze is allang echtgenote en moeder. En toch… en toch. Tegen de auteur Wieland zegt hij dat het niet anders kan dan dat Lotte in een vorig leven zijn vrouw dan wel zuster moet zijn geweest – hoe is anders die buitengewone aantrekkingskracht te verklaren?

Homo universalis
Ik kan niet anders dan met zevenmijlslaarzen door Sanfranski's enorme epos over Goethe heen struinen, waarvoor mijn excuses. Goethe krijgt steeds meer in de pap te brokkelen. Heeft zeggenschap over de wegen- en mijnbouw en de drooglegging van moerassen, zorgt voor verbetering van de grondgesteldheid, van de brandveiligheid, van het soldatenleven, van de arbeidsvoorwaarden, van de lonen en belastingverlichting, en wordt toezichthouder van de universiteit alsmede directeur van de tekenacademie en het hoftheater plus de artistieke organisator van Weimarse festiviteiten – om maar wat te noemen. Hoe groter zijn rol in de politiek, hoe pragmatischer hij wordt. Toch lijkt hij een beetje aan zichzelf te twijfelen. Zit hij wel op de goede weg? Tijdens een eenzame rit door hagelbuien en winterstormen daagt hij zichzelf uit. Als hij er in slaagt de Brocken te beklimmen zal hij zich toeleggen op regeren (zie zijn gedicht “Harzreise im Winter”). Het lukt. Het blijft een kunst om te dealen met innerlijke verharding tegen de buitenwereld, die altijd iets van hem wil of moet, en zelfversnippering. Uiteindelijk zal hij in het geheim naar Italië deserteren. Na thuis alles in kannen en kruiken geregeld te hebben – dat dan wel weer. Hij knijpt er bijna twee jaar tussenuit om zichzelf weer bij elkaar te rapen, diverse ooit begonnen artistieke werken af te maken en de kunstenaar in zichzelf te herontdekken. De hertog vergeeft het hem, Charlotte von Stein niet. Hun relatie bekoelt. Anoniem duikt hij onder in de kunstenaarsbent van Rome. Herboren, en verwilderd volgens sommigen, keert hij terug naar Weimar. Hij begint een relatie met een volksmeisje van 23, Christiane Vulpius. Zijn omstanders vragen zich af of Italië hem in het verderf heeft gestort. Ondertussen breekt in Frankrijk de revolutiekoorts uit. Goethe gelooft absoluut niet in revolutionisme, wel in evolutionisme. Veranderingen die zich langzaam en op een natuurlijke manier voltrekken. Zijn artistieke ideeën worden steeds uitgesprokener: kunst is geen nabootsing, maar op een hoger plan getilde natuur. Vandaar zijn fascinatie voor en minutieuze onderzoek van de natuur: mineralogie, botaniseren, anatomie, optiek. Hij ontwerpt een kleurenleer die haaks staat op die van Newton. Op zijn kamer verbergt hij zelfs een olifantenschedel voor zijn huishoudster – die zou er maar van schrikken! Hij verhoudt zich met alle beroemde en beruchte groten uit zijn tijd die Safranski keurig op een rijtje zet (evenals zijn literaire werken die hij als een ‘slaapwandelaar’ uit zijn pen schudt): Böttiger, Knebel, Humboldt, Fichte, Herder, Kant, Voss, Hölderlin, Schlegel, Novalis, Schleiermacher, Schelling, Schiller, Hegel, Voight, Spinoza, Jacobi, Hoffmann, Zelter, Kleist, Rousseau, Boisserée, Jacobi, Chateaubriand, Eckermann, Riemer, Meyer, Falk, Reinhard, Willemer, Beethoven, Soret, moeder en zoon Schopenhauer.

De zoektocht naar ‘het verborgen knooppunt’
Als Napoleon binnenvalt en Weimar onder protectoraat van de Fransen stelt, is Goethe daar niet al te rouwig om. Al kan hij de hertog, die hij op zijn veldtochten begeleidt, natuurlijk niet afvallen. Hoewel zijn omgeving wordt geplunderd komt hij er met zijn huis zonder kleerscheuren vanaf. Sterker, hij ontmoet Napoleon zelfs drie keer en ontvangt het kruis van Legioen van Eer van ‘mijn keizer’. Goethe adoreert Napoleon, in wie hij een geestverwant en orde scheppende macht ziet. Hij is zeer onder de indruk van zijn monumentale ‘ik’ – Goethe gelooft heilig in de ontwikkeling van het individu. De nadruk op een ‘sterk ik’ in zijn tijd zie je ook terug in daarbij passende trends als magnetisme, somnambulisme en hypnose. Als reactie op het oorlogsgeweld trouwt hij in stilte met Christiane Vulpius, met wie hij tussen haakjes zeer gelukkig is, om de zoon die hij inmiddels met haar heeft meer zekerheid te bieden. August. Prachtig vertelt Safranski hoe het in “Die Wahlverwandtschaften” gaat over Plato’s beeld van de oorspronkelijke volledige mens, waarvan de losgesneden helften elkaar weer zoeken – zie ook mijn blogs over Michel Tournier en Meir Shalev. Ook al zijn de raadselachtige hartstochten in morele zin vaak niet te rechtvaardigen, toch is het leven daar het levendigst. Niet dat Goethe vindt dat je je hartstochten ongelimiteerd moet uitleven: ook aan schuldgevoelens kun je ten gronde gaan. Goethe heeft niets met de ‘hocus pocus van bovenaardse machten’, maar gelooft wel in de natuur als God: “ … De algemene, natuurlijke religie heeft eigenlijk geen geloof nodig: want de overtuiging dat een groot, scheppend, ordenend en leidend wezen als het ware achter de natuur verborgen zit om zich aan ons duidelijk te maken, een dergelijke overtuiging dringt zich aan iedereen op…”. Hij is een spinozist. Altijd is hij op zoek naar zijn ‘verborgen knooppunt’, naar zelfkennis die hij via de omweg van de wereld tracht te vinden, wat hem behoedt voor navelstaarderij. Onder invloed van een nieuwe muze, de negenentwintigjarige Marianne Jung, verdiept hij zich op oudere leeftijd zelfs in de Perzisch-Arabische cultuurkring (Oude Testament, Koran, Duizend-en-één-nacht) waaruit de oriëntaalse gedichten vol ‘patriarchenlucht’ van de “ De West-östlicher Divan” ontstaan. Op zijn tweeënzeventigste wordt hij nog eens een keer verliefd op de zeventienjarige Ulrike Levetzow, zie de “Elegie van Marienbad”. Na zo goed als al zijn geliefden te hebben overleefd overlijdt Goethe in 1832 op zijn tweeëntachtigste. Overigens niet na lustig op het moderne leven te hebben afgegeven dat alleen maar draait om economie en nuttigheid: “ … Jongelui worden veel te vroeg geprikkeld en dan in de maalstroom van de tijd meegesleurd. Rijkdom en snelheid is wat de wereld bewondert en waar iedereen naar streeft. Treinen, exprespost, stoomboten en alle mogelijke faciliteiten om te communiceren, dat is waar men in de beschaafde wereld om het hardst achteraanholt, zichzelf voorbijholt en daardoor in middelmatigheid blijft steken…”. Hij moest eens weten…

Uitgave: Atlas Contact - 2015, vertaling Mark Wildschut, 704 blz., ISBN 978 904 502 684 8, € 46,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 30 april 2019

H.P. Lovecraft. Tegen de wereld, tegen het leven – Michel Houellebecq


Toen ik op zoek was naar de inspiratiebronnen van Michel Houellebecq (zie mijn blog van 23.04.19) las ik dat hij die vond in de filosoof Schopenhauer en de griezelauteur Howard Phillips Lovecraft (1890-1937). Over beiden schreef hij een essay. Hij debuteerde met zijn werk over Lovecraft in 1991. Ik heb Lovecraft zelf niet gelezen. Ik heb een aangeboren afkeer van horror. Er zijn grenzen. Ik ben H.P. Lovecraft wel eens tegen gekomen toen ik een artikel las over de vertalers van Umberto Eco, die via hem op de gekste paden belandden, waaronder Lovecraft. Ik was wel benieuwd wat Houellebecq over Lovecraft te melden had.

Stephen King

Het essay gaat vooraf van een uitgebreid voorwoord van de befaamde horror- en scenarioauteur Stephen King. Volgens hem moet je het boekje van Houellebecq zien als een liefdesbrief en is dat de al lang overleden pulpbladschrijver zeker waard. King vertelt dat hij in het ‘schimmige, antieke’ 1979 op de World Fantasy Convention was dat toevallig in Providence (Rhode Island) werd gehouden, H.P. Lovecrafts geboorteplaats. Hij stuitte op een pandjeshuis waar ‘meneer Ideeënman vanuit zijn luie stoel achter in mijn hoofd omhoog kwam om wat te zeggen’. Stel dat er een kussen in de etalage lag en dat die van Lovecraft was geweest: “… Later die avond, toen ik in bed lag, dacht ik dus echt aan zijn verhalen, aan de verhalen die in dat lange, smalle hoofd hadden gezeten, aan de gruwelen die alleen door een flinterdun laagje bot van het kussen waren gescheiden…”. Er zou een roman in gezeten hebben, maar hij vond het té eng. Ook horrorschrijvers zijn wel eens bang, zoals mijnwerkers moeten hoesten en gitaristen eelt op hun vingers hebben. Dat is het risico van het vak. Met sommige punten is King het niet met Houellebecq eens: “ … Is het leven inderdaad pijnlijk en teleurstellend? Pijnlijk zou kunnen kloppen, maar alleen zo nu en dan. Teleurstellend zou kunnen kloppen, maar alleen voor sommige mensen. Is het inderdaad zinloos om realistische romans te schrijven? In de afgelopen veertien jaar zijn er ongeveer tweeduizend pagina’s proza geschreven die erop duiden dat Tom Wolfe daar in ieder geval anders over denkt. Prikkelt de mensheid als zodanig onze nieuwsgierigheid inderdaad nog maar matig? O, mijn beste Houellebecq! Ik ontmoet elke dag minstens zestig mensen van wie ik er veertig maar wat graag naar huis zou willen volgen om te kijken wat ze daar doen…”.

Iets gevaarlijkers

Houellebecqs stelling dat Lovecraft een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw is, valt steeds moeilijker terzijde te schuiven, omdat er elk decennium meer literatuurcolleges over hem worden gegeven. Volgens King biedt de ‘weird fiction’, die altijd al het neefje van de mainstream literatuur is geweest, waardevolle inzichten over waar de samenleving bang voor is. En daardoor komen veel juridische, morele, economische en zelfs militaire besluiten weer haarscherp in beeld. Wat Lovecraft met Houellebecq verbindt is het krachtige ‘nee’ dat ze uitspreken tegen de wereld zoals die is en tegen de werkelijkheid zoals die er volgens de wereld zou móéten uitzien. In tegenstelling tot Christie of Stoker of Rowling was Lovecraft bij leven geen bestsellerauteur. Hij was doodarm. Houellebecq: “ … Lovecraft sterft, zijn oeuvre wordt geboren…”. Houellebecq noemt twee schrijvers die door Lovecraft zijn beïnvloed: Frank Belknap Long en Robert Bloch. King noemt er heel wat meer: Robert E. Howard, Joyce Carol Oates, Clark Ashton Smith, William Hope Hodgson, Fritz Leiber, Harlan Ellison, Jonathan Kellerman, Peter Straub, Charles Willeford, Poppy Z. Brite, James Crumley, John D. MacDonald, Michael Chabon, Ramsey Campbell, Kingsley Amis, Neil Gaiman, Flannery O’Connor en Tennessee Williams. Over de ontwikkeling van een lezer: “ … De meeste lezers krijgen tussen hun dertiende en hun zeventiende met een gevaarlijk ‘dood punt’ te maken, omdat je op die leeftijd de boeken van je kindertijd weglegt, maar nog niet naar volwassen boeken grijpt. En we weten dat veel kinderen er nooit in slagen die kloof te dichten. Zijn ze eenmaal volwassen en neem je een kijkje bij hen thuis, dan tref je daar naar alle waarschijnlijkheid ‘Reader’s Digest, de ‘National Enquirer’ en ‘Het toilet moppenboek’ aan, en dat is het dan ook wel. Sommige kinderen ruilen tijdens die overgangsjaren Nancy Drew en R.L. Stine in voor Agatha Christie en Dean Koontz, en misschíén Stokers ‘Dracula’. Zij worden de lezers die de bestsellers van het moment in huis halen en Danielle Steels pensioen blijven spekken. Maar er is een derde groep - er is altijd een derde groep - die geen genoegen neemt met karige kost en zin heeft in iets… gevaarlijkers…”. Volgens King zijn fantasy en weird fiction als een grot waarin je je kunt verstoppen voor het leven. In die grotten kun je je wonden likken en je voorbereiden op de volgende dag in het echte leven. Daarom “ … zijn ze met name waardevol tijdens die kwetsbare jaren waarin de overgang plaatsvindt van de fantasiewereld van een kind naar de meer verfijnde en geordende van een volwassene. Het moment wanneer, kort gezegd, de creatieve verbeelding vervélt…”. Hoe mooi beschreven!

Oermythe
Vervolgens komt er ook nog een kort voorwoord van Houellebecq zelf, waarin hij vertelt hoe hij op zijn zestiende de verhalen van Lovecraft ontdekte en direct alles verslond wat in het Frans van hem beschikbaar was. Wat hem verbaasde was Lovecrafts volstrekte materialisme: “ … in tegenstelling tot veel van zijn bewonderaars en exegeten heeft hij zijn mythen, theogonieën, en ‘oeroude rassen’ nooit als iets anders dan louter verzinsels beschouwd…”. Houellebecq stond ook versteld van zijn obsessieve, op angst gebaseerde, racisme: “ … De analyse van het racisme in de literatuur richt zich al een halve eeuw vooral op Céline, maar het geval Lovecraft is veel interessanter en kenmerkender…”. Hij zegt onder de indruk te zijn van Lovecrafts visionaire kracht en uitzonderlijke vermogen tot het scheppen van andere werelden. Opmerkelijk is dat een tijdperk dat oorspronkelijkheid in de kunst als hoogste waarde ziet, ruim vijftien schrijvers oplevert die zich hebben gewijd aan de ontwikkeling en verrijking van de mythen die H.P. Lovecraft heeft bedacht, waaronder Frank Belknap Long, Robert Bloch, Lin Carter, Fred Chappell, August Derleth en Donald Wandrei. Lyrisch: “ … Inderdaad is er, zoals Francis Lacassin terecht benadrukt, sinds Homerus en de middeleeuwse heldendichten nooit meer zoiets waargenomen. We hebben hier te maken, dat zullen we nederig moeten erkennen, met datgene wat men een ‘oermythe’ noemt…”. Hij roemt Lovecrafts schrijfstijl dat ook andere registers kent dan het ‘gezwollene en het ijlende’: “ … hij kan ook een uitzonderlijke verfijning en een lumineuze diepgang aan de dag leggen…”. Sommigen hebben het over Lovecrafts zakelijke en journalistieke stijl die zijn verhalen des te echter maken. De meeste fantasy-verhalen beginnen in een banale gewone alledaagse werkelijkheid die gaandeweg wat barstjes begint te vertonen. Zo niet Lovecraft, die aanvalt met een donderslag bij heldere hemel. Zie de frontale inzet van “The Call of Cthullu”: “ … De heilzaamste zaak in de wereld is naar mijn idee de onmacht van de menselijke geest om alles wat die wereld bevat met elkaar in verband te brengen. Wij leven op een vreedzaam eiland van onwetendheid te midden van zwarte zeeën van oneindigheid, en het was niet de bedoeling dat we verre reizen zouden maken. De wetenschappen, die elk hun eigen kant uit gaan, hebben ons tot nog toe weinig schade toegebracht; maar ooit zullen er door de samenvoeging van afzonderlijke stukjes kennis zulke verschrikkelijke uitzichten op de werkelijkheid en op onze beangstigende positie daarin worden geopend, dat we ofwel gek worden van die openbaring, ofwel wegvluchten van het dodelijke licht naar de rust en veiligheid van een nieuw duister tijdperk…”. Toe maar.

Rare vogel
Volgens Houellebecq was Lovecraft een zonderling: “ … Ik schreef indertijd dat Lovecraft iets heeft wat ‘niet echt literair is’. Dat werd me laatst op een bizarre manier bevestigd. Tijdens signeersessies komen er soms jongelui naar me toe voor een handtekening in dit boek. Ze hebben Lovecraft ontdekt via rollenspellen of cd-roms. Ze hebben hem niet gelezen en zijn dat ook niet van plan. Toch willen ze vreemd genoeg – los van de teksten – meer te weten komen over zijn persoon en over de manier waarop hij zijn wereld heeft opgebouwd…”. So do I. Lovecraft was een bijzonder rare vogel. Geen enkele biografie is er in geslaagd het aura van vreemdheid dat hem omgaf weg te nemen: “ … Paradoxaal genoeg is de persoon Lovecraft voor een deel zo fascinerend omdat zijn normen en waarden zo volledig tegengesteld zijn aan de onze. Hij is door en door racistisch, openlijk reactionair, hij verheerlijkt de puriteinse remmingen en acht ‘rechtstreekse erotische uitingen’ ondubbelzinnig weerzinwekkend. Als uitgesproken commerciehater kijkt hij neer op geld, hij beschouwt democratie als een dwaasheid en vooruitgang als een illusie. Het woord ‘vrijheid’, dat de Amerikanen zo dierbaar is, ontlokt hem hoongelach. Zijn hele leven houdt hij vast aan de typisch aristocratische combinatie van minachting voor de mensheid in het algemeen en uitzonderlijke vriendelijkheid tegenover individuele mensen…”. Kortom, hij was het prototype van de ingetogen, gereserveerde, welopgevoede gentleman: “ … Geen brief kan hij onbeantwoord laten, nooit maant hij zijn debiteuren aan wanneer zijn literaire werkzaamheden niet worden betaald, zijn aandeel in verhalen zwakt hij systematisch af…”. Absoluut niet het type om vreselijke dingen te zeggen of en public wartaal uit te slaan: “ … Niemand heeft hem ooit boos zien worden; of zien huilen, of in lachen zien uitbarsten…”. In Lovecrafts hele oeuvre komen maar twee vrouwen voor. Volgens hem voegt seks niets toe aan literatuur. Hoewel hij zelf een droommachine is, vat hij Freuds theorie in twee woorden minachtend samen: ‘infantiel symbolisme’. Volgens Houellebecq maakt juist zijn ‘creatieve beperking’ Lovecraft groot. Lovecrafts grondhouding: “ … Onverzoenlijke haat tegen de wereld in het algemeen, met daarbovenop een bijzondere afkeer van de moderne wereld…”.

Volwassenheid is de hel
In 1908, op zijn achttiende, ziet Lovecraft het niet meer zitten. Hij sluit zich op in huis, praat alleen nog maar met zijn moeder, weigert uit bed te komen en loopt ’s nachts rond te spoken in zijn kamerjas. Tussen zijn achttiende en drieëntwintigste doet hij zo ongeveer niks. Tussen 1913 en 1918 verbetert zijn toestand geleidelijk aan wat. Er is sprake van een lethargie die maar liefst tien jaar duurt, dus. Misschien verklaart dat het een en ander. Het lijkt er op dat Lovecraft niet volwassen kon of wilde worden. In een brief vertelt hij over zijn spoorlijntje met wagons gemaakt van verpakkingsdozen, het koetshuis als onderkomen van zijn poppenhuis, en zijn namaaktuin met een eigenhandig gegraven bevloeiingssysteem, dat hij op zijn zeventiende overdraagt aan een jongere buurjongen, als hij tot de droevige conclusie komt dat ‘grote jongens’ niet meer met zulk soort speelgoed spelen: “… Volwassenheid is de hel…”. Hij ervaart dat hij niets met de wereld gemeen heeft. Hij verliest zijn geloof: “ … Hij beschouwt religies als ‘suikerzoete illusies’ die overbodig worden gemaakt door de vooruitgang in kennis. Als hij in een uitzonderlijk goed humeur is, heeft hij het over de ‘tovercirkel’ van het religieuze geloof; maar het is een cirkel waar hij zich sowieso van buitengesloten voelt…”. Alles wat is zal verdwijnen. “ … Goed, kwaad, moraal, gevoelens? Niets dan ‘victoriaanse fabeltjes’. Alleen zelfzucht bestaat. Koud, onaangetast en stralend…”. Natuurlijk heeft het leven geen zin. Maar de dood ook niet. Misschien gaat er iets schuil achter het gordijn van de werkelijkheid. Iets wat soms tevoorschijn komt. Bij Lovecraft is dat per definitie iets weerzinwekkens. Sommige entiteiten zijn qua intelligentie en kennis waarschijnlijk verreweg onze meerderen en er is geen enkele reden te veronderstellen dat de universele wetten van zelfzucht en boosaardigheid op hen niet van toepassing zijn. Kijk hoe wij met ‘lagere intelligenties’ omgaan als konijnen en kikkers. In het beste geval dienen ze ons tot voedsel. Lovecrafts geesten zijn doodenge demonen. Wat in eerste instantie misschien de diepste indruk maakt als je Lovecrafts verhalen leest, zijn de fabelachtige beschrijvingen van bouwwerken. Lovecraft is een geboren architect. Er gaan nachtmerrieachtige wezens schuil in de fundamenten van de gigantische burchten die H.P. Lovecraft heeft bedacht. De personages van Lovecraft, vaak studenten of wetenschappers, worden bestookt door gruwelijke visuele en auditieve waarnemingen. Het zijn sprakeloze, roerloze, volkomen machteloze, verlamde toeschouwers, die zouden willen vluchten of wegzinken in de verdoving van een barmhartige bezwijming, maar het is ze niet vergunt. Veel fans van Lovecraft zijn op zoek gegaan naar het door hem beschreven duivelsboek ‘Necronomicon’. Helaas, het bestaat niet, al hebben sommige uitgevers voor de lol wel boeken met dezelfde titel op de markt gebracht.

Ontdooien
Lovecraft is zijn leven lang een armoedzaaier gebleven. Hij weigerde iedere consessie: “ … zijn tegelijkertijd hautaine en masochistische, ontembaar anti-commerciële houding zal altijd gelijk blijven: hij weigert zijn teksten uit te typen, verstuurt morsige, gekreukte manuscripten, vermeldt stelselmatig alle eerdere afwijzingen… Negatieve indruk gegarandeerd…”. Hij is zijn eigen vijand. Het onvoorstelbare gebeurt in zijn leven: een zeven jaar oudere, buitengewoon vriendelijke, leuke en ook nog mooie vrouw wordt verliefd op de excentrieke Lovecraft. Sonia Greene. Ze weet hem te ontdooien. Ze is gescheiden, heeft een dochter van zestien en is verkoopster in een New Yorkse kledingzaak. Ze trouwen als Lovecraft tweeëndertig is. De twee opmerkelijkste jaren van zijn leven volgen. Ze gaan in het appartement van Sonia in Brooklyn wonen, waar de misantropische, ietwat sinistere kluizenaar van Providence verandert in een beminnelijke, levendige man, die altijd bereid is uit eten of naar een museum te gaan. Echter, Sonia verliest haar baan waardoor Lovecraft moet gaan werken. Hij solliciteert zich suf. Niemand wil de onaangepaste man hebben. Sonia vindt een nieuwe baan in Cincinnati en later in Cleveland, maar Lovecraft weigert met haar mee te gaan. Elke twee weken komt ze naar New York om haar man het geld te geven dat hij nodig heeft om te overleven. Zijn haat tegen New York en de zwarte immigranten, die wél moeiteloos in de melting-pot opgaan, grenst aan het waanzinnige. Houellebecq wijdt er een heel hoofdstuk aan. Daar lusten de honden geen brood van. Uiteindelijk keert Lovecraft terug naar Providence, waar hij bij een oude tante intrekt (1926). Drie jaar later zal hij van Sonia scheiden, waarna hij nooit meer een andere vrouw zal kennen. Dan beginnen zijn ‘grote teksten’. Op zevenenveertig jarige leeftijd sterft hij aan uitgezaaide darmkanker in een ziekenhuis.

Een puritein in handel en wandel

Volgens Lovecraft is de wereld intrinsiek slecht, en “ … dat is de diepste reden van zijn bewondering voor de puriteinen: wat hij zo mooi aan hen vindt, is dat ze ‘het leven haten en de bewering dat het de moeite waard is een platitude vinden’. We zullen het tranendal doorlopen dat de kinderjaren scheidt van de dood, maar we moeten zuiver blijven. HPL deelt de hoopvolle verwachtingen van de puriteinen absoluut niet, maar hun afwijzingen deelt hij wel...”. In een brief aan Belknap Long: “ … En wat de puriteinse remmingen betreft – die bewonder ik met de dag meer. Het zijn pogingen om van het leven een kunstwerk te maken – om een patroon van schoonheid te vormen in de zwijnenpoel van het dierlijke bestaan – en ze ontspringen aan de goddelijke levenshaat die het kenmerk is van de diepste en gevoeligste ziel. Ik ben het zo beu om oppervlakkige sukkels tegen het puritanisme tekeer te horen gaan, dat ik een puritein wil worden, denk ik. Een theoretische puritein is een dwaas – bijna net zo’n dwaas als een antipuritein – maar een puritein in handel en wandel is de enige soort mens die oprecht respect verdient. Ik heb geen greintje respect of ontzag voor wat voor persoon dan ook die geen sober en zuiver leven leidt…”. Waarvan akte. Het wonderlijke is dan wel weer dat Houellebecq zich in zijn werk juist wél en uitsluitend met de realiteit van de wereld bezig houdt.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2015, vertaling Martin de Haan, 112 blz., ISBN 978 902 953 954 8, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier