Menu

dinsdag 14 augustus 2018

De vierde vrouw – Frans Willem Verbaas


Subtitel: De wonderlijke lotgevallen van een tegendraads theoloog

Als ik een tweede leven had zou ik theologie gaan studeren. Om te weten te komen wat mensen overal en ten alle tijden over God hebben gedacht. En bédacht. “Alle spreken over boven komt van beneden” (Harry Kuitert). Ik kan niets verzinnen wat mij interessanter lijkt. Een programma als “Kijken in de ziel”, waarin Coen Verbraak dit keer godsdienstige leiders bevraagt, vind ik om van te watertanden. Al die godsmensen die verder durven te kijken dan hun ego's en neuzen lang zijn ontroeren mij diep. Ook al zijn hun ideeën nog zo raar. Natuurlijk heb ik niet alleen geen tijd om meer dan een blik in oude, dikke, theologische boeken te werpen - de meesten zijn ook nog eens simpel onleesbaar voor een leek als ik. Gortdroog, buitengewoon saai en oeverloos langdradig. Ik was dan ook zeer verrast toen iemand mij wees op de schrijver Frans Willem Verbaas (dankjewel). Hij bleek zowaar een luchtige roman over de ‘grootste theoloog van de twintigste eeuw’, Karl Barth, te hebben geschreven. Wat een geweldige manier om kennis te maken met deze elf eredoctoraten bezittende godgeleerde. Verbaas verbaast vanwege zijn verrassende thema’s. Hij brengt niet alleen Barth voor het voetlicht, hij verbindt hem ook nog eens met de Zimbabwaanse potentaat Robert Mugabe. Hoe gek wil je het hebben. Hieronder zal ik uitleggen waarom bij deze blog de muziek van Mozart past.

Het eeuwige leven

Het verhaal begint zo’n beetje als een mix van "De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween" en “Zolang er leven is. Het nieuwe geheime dagboek van Hendrik Groen, 85 jaar”. Professor Karl Barth viert zijn honderdnegentiende verjaardag temidden van het uit vijf leden bestaande hooggeleerde Bazeler Metusalem Genootschap in restaurant Charon, dat daar al jaar en dag rond de middag samenkomt om een kopje koffie of een wijntje te drinken en de wereld op de hak te nemen. Hij wil maar niet dood. Hij bespreekt er zijn filosofie over de ultieme vrijheid. Zijn verleden zegt hem niets meer, een toekomst heeft hij niet, dus hij leeft daadwerkelijk in het heden. En aangezien het heden enkel een verspringend moment van het verleden naar de toekomst is stelt dat ook al niets voor. Dus is hij bevrijd van de tijd en heeft hij het ‘eeuwige leven’ bereikt. Jawel. De enige vrouw in het gezelschap stokoude bejaarden sukkelt vredig in slaap: “… ‘Als juffrouw Fromke er niet was, zouden wij nooit meer een slapende vrouw aanschouwen,’ fluisterde dr. Aeschbacher, en hij wrijft weer met zijn zakdoek over zijn ogen…”. Terwijl het gesprek zich richting Europese politiek beweegt, “… verschijnt er een straaltje speeksel in de rechtermondhoek van juffrouw Fromke. Het straaltje is roze van kleur en moet afkomstig zijn van een restje wijn dat zich ergens in haar mondholte bevindt. Als een doorzichtige regenworm die uit de donkere, natte aarde kruipt en nieuwsgierig de buitenlucht verkent, zoekt het straaltje langzaam over de kin van juffrouw Fromke een weg naar beneden. Via de huidplooi die eens een royale onderkin in bedwang heeft gehouden, glijdt de steeds langer en dunner wordende worm tussen twee uitstekende sleutelbeenderen verder richting de gebloemde bloes die de thuishulp die ochtend voor juffrouw Fromke heeft uitgekozen. Als de worm even traag als sierlijk om twee fikse moedervlokken slalomt…”, veegt professor Barth het diertje impulsief weg, waardoor juffrouw Fromke wakker schrikt, en weet ik dat Verbaas een groot schrijver is. Wat een aandacht voor details.

De zondeval
Vroeger dan anders komt een onbekende taxichauffeur de professor ophalen, rijdt met hem de verkeerde kant op, en ontdekt professor Barth tot zijn consternatie dat hij wordt ontvoerd. Hij maakt ruzie met meneer Mūller, zoals het heerschap dat niet wil dat hij rookt, blijkt te heten. Barth steekt toch een pijp op. Hij zegt dat een pijp en een sigaar heus niet zo slecht zijn. Dat naar zijn mening de echte zonde pas bij de sigaret begint: “… De professor lanceert een nieuwe rookwolk richting de chauffeur en slaat dan een exegetische zijweg in. ‘Ik heb weleens beweerd, in een discussie met studenten, dat Eva Adam in het paradijs geen appel aanbood, maar een sigaret. Ziet u het voor zich, meneer Mūller? Adam en Eva die niets minder dan de zondeval in gang zetten door samen een sigaret op te steken?’. Opnieuw slaat de chauffeur op zijn stuur. ‘Ik wist niet dat professoren dergelijke onzin verkochten.’ ‘Kijk eens, meneer Mūller houdt er toch een mening op na. Maar hij doet denken aan al die kritische theologen met wie ik zo lang heb samengewerkt. Wat ik zo bij hen miste, was de vreugde, de humor. Ik heb altijd een hekel gehad aan theologen met van die zorgelijke gezichten.’ ‘Ik zeg alleen maar dat het me onwaarschijnlijk lijkt dat Adam en Eva samen een sigaret hebben opgestoken.’…”. De professor wordt ondergebracht in een chique villa waar een jonge zwarte ober en een prachtige zwarte verpleegster zorgen dat het hem aan niets ontbreekt. Ze vertellen professor Barth dat hun meester hem wil spreken naar aanleiding van een interview dat vanwege zijn verjaardag verscheen in de Neue Zūricher Zeitung.

Dat was de afspraak

Handig laat Verbaas de hoofdstukken in tijd verspringen zodat er eentje verslag doet over het maken van het voornoemde interview. Hierdoor raakt de lezer in vogelvlucht geïnformeerd over het fenomeen Karl Barth. Het gaat over zijn tegendraadse boek over de brief aan de Romeinen van de apostel Paulus. Dat handelt over de volkomen vrijheid van God en die God daarom biedt aan degenen die in hem geloven. Dit in tegenstelling tot de associaties met het begrip onvrijheid dat God juist bij atheïsten als de journalist oproept. Het gaat over zijn verhouding tot Adolf Hitler, van wie Barth vrij laat afstand nam. Het gaat over zijn “Kirchliche Dogmatik” die door geen hond meer wordt gelezen. Hij schreef de serie samen met zijn assistente Lollo, die dertig jaar bij hem in huis leefde. Een verhouding die een pikant staartje had, zoals verderop blijkt. Hij haalt zijn schouders op over de crisis waarin de kerk hedentendage verkeert: “… Als het in Europa droog is, betekent dat alleen dat het elders aan het regenen is. In Azië en Afrika groeien de kerken…”. Of hij zich dan geen zorgen maakt? De kerkgeschiedenis is anders altijd om van te huilen geweest: “… Aan het begin van de kerk staat de kruisiging van een onschuldige. De kerk is dus begonnen met een crisis, en zolang de kerk bestaat, zal het crisis zijn. Kerk en crisis horen bij elkaar als de zee en het strand. Het is nooit anders geweest.’ ‘U vindt het niet erg dat de kerken leeglopen?’ ‘Ja en nee. Ja, want ik ben te veel een man van de kerk om de terugloop niet te betreuren. Maar ook nee, ik maak me niet echt bezorgd. Achter de bezorgdheid over de toekomst van het christendom zit vaak het misplaatste verlangen God te redden. Gelukkig hoeven wij God helemaal niet te redden. God redt zichzelf wel. En Hij zal ons redden, dat was de afspraak…”. Over zijn ‘wereldvreemde’ theologie waarover het in een biografie gaat die over hem is uitgekomen: “… Jezus zegt dat zijn rijk niet van deze wereld is; zou het dan niet een beetje vreemd zijn als de kerk dat wel was?...”. En dat hij volgens de schrijfster de tijdgeest altijd uit de weg is gegaan: “… Als mevrouw Zauberzweig onder ‘de tijdgeest’ verstaat de veelkoppige geest van kortzichtig materialisme, conformistisch denken en religieus individualisme, dan denk ik dat ik prima met die beschuldiging kan leven. Sommige geesten verdienen geen gesprek, die moet je uitdrijven…”. Wat hij over de opkomst van de islam denkt: “… De opkomst van de islam stelt ons, vermoeide Europeanen, een aantal indringende vragen. Bijvoorbeeld de vraag of we niet veel te slap, veel te halfslachtig zijn geweest in onze eigen godsdienstige levens. Ja, dan heb ik het ook over tweedegeneratiekerkverlaters als u, meneer Thurneysen. De islam stelt ons de vraag of de moderne, geseculariseerde mens werkelijk de voltooiing van de geschiedenis vertegenwoordigt. Alleen al door zijn aanwezigheid zou de islam Europa weleens kunnen helpen haar ziel terug te vinden. Ik acht het niet onmogelijk dat de goede God met de opkomst van de islam een heilzaam oordeel velt over ons continent…”. Toch zijn dat nog steeds niet van die wereldschokkende gedachten. Ik hoor elke zondag niet veel anders. Ik word er een beetje onrustig van. Wat maakt Karl Barth zo anders dan de doorsnee dominee? Ik bedoel, een béétje theoloog moet toch minstens zo aanstootgevend als Jezus zelf zijn? Maar het boek begint pas.

De eerste vrouw

Another time. De Zwitser Karl Barth als arrogante corpsbal. Zonder mededogen pikt hij zijn eerste lief tijdens het dansen van een ander af. Hoe of het komt dat ze zo lekker ruikt, vraagt hij snuivend aan haar schouder. Hoe kan het anders: dochter van een zeepfabrikant. Ruikt haar hele familie zo? “… ‘De Schepper was duidelijk in vorm, toen hij jou boetseerde.’ ‘Toen de Schepper met jou bezig was, is Hij helaas vergeten wat bescheidenheid door de klei te mengen’…”. Kal Barth is verliefd. “… Mijn diagnose luidt: een ernstig geval van amore fatalis…”, aldus een kameraad die geneeskunde studeert. Toen ging het anders dan nu. Na een heleboel ontmoetingen is er eindelijk een chaperon die zich volgens afspraak uit de voeten maakt, zodat ze met z’n tweetjes een boswandeling kunnen maken: “… Bij de eerste open plek besloten ze te rusten. Ze gingen zitten, Karl plukte een lange grasspriet en vroeg Rösy of ze wist dat gras een zoute smaak heeft. ‘Bij ons thuis eten we nooit gras.’ ‘Proef maar.’ Hij nam het ene uiteinde van de spriet in zijn mond, en bood haar het andere uiteinde aan, waarna ze zich langzaam naar hun eerste kus aten…”. Jaja, geloof je het zelf, Verbaas? En terwijl Karl haar rode lokken betast: “… ‘Is dat niet warm, altijd dat vuur op je hoofd?’ ‘Het is maar koudvuur.’…”. En: “… ‘Geloof jij in liefde op het eerste gezicht?’ vroeg Rösy, die naar adem hapte en eruitzag alsof ze net een stuk had gerend. ‘Alleen maar,’ antwoordde Karl. ‘Liefde die niet inslaat als een bliksemschicht, is geen liefde, maar een beslissing…”. Papa en mama Barth vinden het maar niks: een orthodoxe jongen en een liberaal meisje. Om ze uit elkaar te drijven stelt papa voor dat Karl een semester in het orthodoxe Tūbingen gaat studeren. “… Dat is waar orthodoxie toe drijft…”, briest Karl, “… blinde gehoorzaamheid…”. Maar hij gaat wel. Onder voorwaarde dat hij ook in het moderne Marburg mag studeren. De eerste barst in hun relatie doet zich voor als Karl zijn Rösy meeneemt naar een concert. Hij is verslaafd aan Mozart. Rösy vindt er geen bal aan. Karl is verbijsterd. Hij gaat geloven dat Rösy nooit zijn gelijke kan worden qua intelligentie en alles. Op instignatie van een vriend, die vindt dat hij Rösy niet aan het lijntje mag houden, maakt hij het uit. Papa en mama gelukkig.

De tweede vrouw
Terwijl de oude Karl Barth, na een dag of twintig gevangen te zijn gehouden, gedrogeerd en met een privé-jet naar Harare wordt gevlogen, alwaar hij in een buitenhuis van president Mugabe belandt, volgt weer een terugblik in de tijd. Barth ontmoet een intelligente catechisante die notabene aan het conservatorium studeert. De vrouw van zijn leven: Nelly. Een violiste die Mozart kan spelen. Ze zal de moeder van zijn vier zonen en enige dochter worden. Niet bepaald een makkelijke vrouw, volgens het verhaal, maar hij is dat ook niet. Hij maakt zich als hulppredikant meer druk om onchristelijke uitgebuite arbeiders en alcoholisme dan om de kerk: “… ‘Ik dacht dat ik met een predikant getrouwd was, maar ik blijk de een of andere revolutionair als echtgenoot te hebben.’ ‘Christus zelf was op een bepaalde manier een revolutionair.’ ‘Weet je hoe ze je noemen in het dorp? ‘Kameraad-dominee’!’ ‘Klinkt een stuk beter dan ‘eerwaarde zemelaar’.’…”. Vervolgens wordt verteld hoe Barth’ Romeinencommentaar tot stand komt en verneem ik meer over wat ik eigenlijk wil lezen: “… Ze moesten het weer over de goddelijkheid van God gaan hebben, want alleen als God werkelijk God was, kon de mens werkelijk mens worden…". En: “… De goddelijke openbaring is de grote storing van het leven. Maar wie wil gestoord worden in het verhaal van zijn leven? Wie wil dan luisteren? We willen toch gewoon ongestoord verder lezen en leven?…”. Ik dacht aan hoe vaak ik al niet had geschreven dat het me heel moeilijk lijkt om te geloven als je niets van God merkt. Barth: “… Met uitzondering van mijn studietijd, toen ik in jeugdige overmoed meende dat geen enkel geheim veilig is voor het menselijk verstand, heb ik altijd geweten dat het uiteindelijke mysterie van het leven niet verklaard maar ondergaan moet worden, in gehoorzaamheid…”. En uiteindelijk in een bijna Nietzchiaanse ‘Umwertung aller Werte’: “… Hij deed een hartstochtelijke oproep om Christus, het vleesgeworden Woord, niet voor de zoveelste keer voor het karretje te spannen van het socialisme, of van het kapitalisme, of van de vrijzinnigheid, of van het pacifisme, of van de padvinderij, of van de naaktloperij, of van welke nationale of patriottistische beweging dan ook. Zo, als een slager die opeens zijn klanten de mantel begon uit te vegen omdat ze zo veel vlees aten, nam Karl voor een verbluft publiek vol religieus-socialisme afscheid van het religieuze socialisme…”. Dan krijgt hij een brief waardoor hij volledig instort. Zijn jeugdliefde Rösy is overleden aan leukemie. Vierendertig jaar oud: “… Christine schrijft in haar brief dat Rösy de breuk nooit te boven is gekomen. Ze heeft zich nooit meer verloofd, is nooit getrouwd, heeft geen kinderen gekregen. Ze heeft geleefd met de overtuiging dat er iets aan haar mankeerde, wat natuurlijk onzin is. De familie Mūnger is van mening dat het allemaal mijn schuld is, wat natuurlijk ook onzin is…”. Ik dacht aan de visie van sommigen dat kanker een verdrietsziekte is. Als zijn vrouw er achter komt dat Karl al die jaren met een foto van Rösy in zijn portemonne heeft rondgelopen is ze ‘not amused’. Hij moet maar even in zijn stoel slapen met een deken over zich heen en een poosje niet in haar buurt komen.

De derde vrouw

En dan maakt Karl Barth tijdens een solitaire logeerpartij kennis met de prachtige, vrijgevochten verpleegster Lollo, die in haar schaarse vrije tijd voor de lol theologen en filosofen leest. Ze is alles wat Nelly niet is. Ze leest al zijn oprispingen en snapt het ook nog. Ze stuurt hem wel heel veel brieven. Al snel begrijpt Nelly dat haar man verliefd is. Karl geeft toe. Meer dan dat. Zielsverwantschap. Hij krijgt Lollo niet meer uit zijn hoofd. En hij stelt nog wat voor: een driehoek, een noodgemeenschap, een onmogelijke mogelijkheid. Want scheiden kan natuurlijk niet. Nelly kan niet tegen zijn welbespraaktheid op. Terwijl Karl en Lollo opgaan in hun geestelijke en later ook lichamelijke nirwana mag Nelly de kinderen koest houden. En het huishouden laten draaien. Vervelend voor Nelly natuurlijk, maar Karl en Lollo zijn pas écht zielig. Vanwege hun onmogelijke liefde. Het onwettige stel begint hun vakanties en Karls studieverlof samen door te brengen. Uiteindelijk wordt Lollo, na in een paar studierichtingen te zijn afgestudeerd, niets minder dan Karls’ - wel errug - persoonlijke secretaresse. Hij voorziet haar zelfs van een kamer in zijn eigen huis. Voor de kinderen is ze ‘tante Lollo’. En Nelly moet het allemaal maar pikken. Ik was van heel wat minder gek geworden. Wat een pijn is die vrouw aangedaan! En wat een ongelooflijke hypocriet is die Karl Barth! Dat is míjn mening; hoe mooi en tranentrekkend Verbaas het verhaal ook brengt. Waarschijnlijk heeft Karl Barth zich wat al te zeer in het Oude Testament ingeleefd – daar ging het meestal niet anders toe tussen al die patriarchen en hun slavinnen. Goed, dit gezegd hebbende, over naar het cliché. Alles went. Zelfs een knakker van een vent. Nelly past zich aan, en zo goed en kwaad als het gaat leven ze met z’n allen verder. Want dat het voor geen van drieën een pretje is snap ik ook nog wel: “… Uiteindelijk staat of valt een huwelijk met de bereidheid elkaars gekte te verdragen…”. Liefde is een ingewikkeld verhaal. Ondertussen ontmoet Karl Barth na een heleboel gedoe dan eindelijk president Mugabe. Wat blijkt. Zijn inlichtingendienst heeft de kop van het interview in de Neue Zūricher Zeitung gelezen: ‘Het eeuwigheidselixer van Karl Barth’. En letterlijk genomen. Of professor Barth zo vriendelijk wil zijn het geheim van de onsterfelijkheid met de president te delen. De president verzamelt zeldzame Bijbels. Hij heeft er onderhand meer dan Salomo vrouwen. Een Bijbel bevat immers veel goede shavi, veel goede geest. Hoe meer hoe beter dus. De president wordt weggeroepen voor staatszaken en de professor krijgt nog even tijd om over het verzoek na te denken.

Anders
Het samenleven met twee vrouwen is geen sinecure voor Karl Barth. Af en toe ontploft Nelly, maar uit haar tirades komt waarschijnlijk een goed beeld naar voren van de professor: “… ‘Of het nu gaat om de kerk, of om de theologie, of om de politiek, altijd moet jij tegen het verkeer ingaan! Altijd maar linksom gaan als iedereen rechtsom gaat! Als iedereen ‘ja’ zegt, zeg jij ‘nee’! En als iedereen ‘nee’ zegt, zeg jij ‘ja’! Als iedereen kritiek heeft op de communistische landen, dan moet jij ze zo nodig verdedigen! Maar als vroeg of laat iedereen de communistische landen begint te prijzen, dan zul je zien dat jij ze zal verketteren!’ Ze bleef midden in de kamer stilstaan, handenwringend, alsof ze bezig was een onzichtbaar beest te wurgen. ‘Altijd moet jij anders zijn! Alle mannen van jouw leeftijd dragen een hoed, maar professor Barth moet zijn geleerde hoofd de laatste tijd zo nodig met een heuse baskenmuts bedekken. Al jouw collega’s hier in Bazel laten zich regelmatig uitnodigen om in de prachtige Mūnsterkerk te komen preken, maar professor Barth moet zo nodig de gevangenis in om het evangelie te verkondigen. Denk je nu werkelijk dat het die criminelen ook maar iets kan schelen wat jij hun te vertellen hebt? Die diensten zijn gewoon een uitje voor hen, een verzetje!’…”. Uiteindelijk is Barth het daar wel mee eens. Tegen een vriend: “… ‘… de laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik in de kerk en in de samenleving, in het echte leven dus, alleen ben komen te staan. Voor de orthodoxen ben ik te vrijzinnig en voor de vrijzinnigen te orthodox. Voor de liberalen ben ik te rood en voor de roden te liberaal. Voor de roomsen ben ik te protestants en voor de protestanten ben ik te rooms. Voor hen die van een eenvoudig geloof houden ben ik te diepzinnig, en voor hen die van een diepzinnig geloof houden ben ik te eenvoudig. Ooit heb ik in mijn grenzeloze naïviteit gedacht dat Karli al die uitersten wel met elkaar kon verbinden, verzoenen, dat Karli nieuwe wegen zou kunnen wijzen. Maar het resultaat is dat alle flanken me verwerpen en als ik tegenwoordig om me heen kijk, ontdek ik dat ik een eenzame vogel op het dak ben…’ Hij nam een slok bier. ‘Terwijl ik ook weleens zou willen meezingen in een of ander groot koor.’ ‘Dan zou je nog de tegenstem zingen.’…”. Die vriend noemt Nelly ook nog eens een sterke vrouw: “… ‘Ik denk dat maar weinig vrouwen het zo lang met een man als jij zouden volhouden. In zeker opzicht is haar trouw voorbeeldig te noemen.’ ‘Die trouw houdt tot in eeuwigheid,’ citeerde Karl de Schrift. ‘Ik ben serieus, Karl.’ ‘Ik ook. Ik heb wel eens gedacht dat die moeilijke, zeurderige, zenuwachtige Nelly een levende parabel is van Gods trouw aan het mensengeslacht.’…”.

De vierde vrouw
Terwijl in Harare de pleuris uitbreekt houdt Karl Barth een referaat over de onsterfelijkheid tegen Mugabe: “… Eigenlijk zou ik u nu vanuit de Bijbel een aantal zaken heel rustig moeten uitleggen, bijvoorbeeld dat het begrip onsterfelijkheid in al die dikke Bijbels van u nauwelijks voorkomt, slechts twee keer om precies te zijn, en daarvan heeft één keer uitsluitend betrekking op de onsterfelijkheid van God. Een centraal of zelfs belangrijk Bijbels thema is de onsterfelijkheid van de mens dus bepaald niet…”. Mugabe licht zijn hielen omdat het te heet wordt onder zijn voeten. Niet zonder de opdracht aan een naaste medewerker professor Barth neer te schieten. De naaste medewerker doet dat niet. Het huis wordt geplunderd en in bezit genomen door allerlei families. Uiteindelijk wordt Karl Barth gevonden door een cameraploeg van de BBC. Wat is er van zijn familiale kwestie geworden? Rond haar vijfenzestigste laat het brein van Lollo haar in de steek. Karl en Nelly verzorgen haar liefdevol tot het niet meer gaat en ze opgenomen wordt in een sanatorium. Als ze sterft vraagt Karl of ze een plaatsje in hun graf mag krijgen. Zelfs dát vindt Nelly goed. Karl tegen zijn vriend: “… Al die brave orthodoxen, die mij allemaal te lichtzinnig vinden, die hebben hun mond altijd vol van zonde en schuld. Maar ik weet tenminste wat het is om een zondaar te zijn, ik weet wat het is schuld te dragen…”. Op het eind van zijn leven komt Karl Barth er achter dat het woord ‘preek’ vrouwelijk is, en valt er een geheel nieuw licht op zijn wetenschappelijke werk: “… Dan is de preek de ultieme vrouw die ik mijn leven lang heb gezocht, overigens zonder haar werkelijk te vinden, want net als de vrouw is de preek een ondoorgrondelijk mysterie…”. En even verder: “… Is de preek een vrouw, dan is het schrijven en houden van een preek altijd opnieuw een waagstuk dat zich het best laat vergelijken met een liefdesavontuur, waarvan de uitkomst van tevoren ook nooit vaststaat. Is de preek een vrouw, dan krijgt ook het begrip ‘openbaring’ er een nieuwe betekenislaag bij. In een preek die die naam verdient, gaat Gods Woord ‘open’ om nieuw leven te ‘baren’. De gedachtegang is als volgt: in een goede preek komen het goddelijke en het menselijke woord samen en worden zij één, en in die eenwording vindt de bevruchting plaats die resulteert in het baren van nieuw leven. Zij die oprecht luisteren naar een preek worden immers opnieuw geboren, veranderen van mensenkinderen in kinderen van God…”. Over transsubstantiatie gesproken. Barth: “… De ontdekking van de vrouwelijkheid van de preek roept zelfs erotische associaties op. Omdat de volmaakte preek net zo onbereikbaar is als de volmaakte vrouw, is zij net zo verslavend, en net zo gevaarlijk. De ware predikant krijgt nooit genoeg van haar, blijft zijn leven lang rusteloos naar haar op zoek. De beste preek is altijd de volgende en de beste predikant is zonder enige twijfel een ware Don Juan…”. Ik bedacht dat voor een blog hetzelfde geldt. Eindelijk gaat Karl Barth dood. Omnes vulnerant, postuma necat – Alle uren verwonden, het laatste doodt. Barth werd een beroemde professor omdat hij de Bijbel opnieuw ging lezen. Dat leverde hem unieke zienswijzen op. Misschien zouden wij dat ook eens moeten doen. Wie weet waar dat toe leidt.

Uitgave: Mozaïek – 2013, 384 blz., ISBN 978 902 399 434 3, € 20,25
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 31 juli 2018

Terug naar Oegstgeest – Jan Wolkers


Zelden heb ik iemand zo lyrisch over Jan Wolkers (1925 – 2007) horen praten als Marieke Lucas Rijneveld (zie hier), waar ik nog steeds hevig van over de indruk ben. Ze begint “De avond is ongemak” met een gedicht van Wolkers: “… Er staat geschreven, ‘ik maak alle dingen nieuw!’/ Maar de akkoorden zijn een waslijn van verdriet, / Messcherpe vlagen knakken het geloof / Van hem die weg wil vluchten uit dit wreed begin. / De ijzelregen geselt bloei tot glazig moes, / een hondsvot schudt zijn pels kurkdroog in het geweld…” ("Verzamelde gedichten" – 2008). Een en ander valt beter te begrijpen als je weet dat zowel Wolkers als Rijneveld op jonge leeftijd een broer hebben verloren. Ik bedacht dat het een mooie gelegenheid was om eindelijk eens iets van Wolkers te lezen omdat ik mij gek genoeg niet kan herinneren dat ik dat ooit heb gedaan en er anders waarschijnlijk nooit meer iets van komt. In mijn gereformeerde achtergrond gold Wolkers als de goddelooste van de goddeloze schrijvers en bovendien zou hij in vrouwen niets anders zien dan lappen vlees, wat ik met mijn feministische inborst eerlijk gezegd nog stuitender vond dan het eerste gerucht. Inmiddels kan ik je vertellen dat het wat “Terug naar Oegstgeest” (1965) betreft allemaal wel mee valt. Het is verbazingwekkend hoe normen en waarden in de loop van vijftig jaar onmerkbaar veranderen.

Trugkieke

“Terug naar Oegstgeest” heeft een hoog ‘trugkieke’- gehalte, zoals een tv-programma van Omroep Zeeland over die goeie ouwe tijd hier bij ons wordt genoemd. Het is vooral het beroemdste boek van Wolkers geworden omdat er al zijn thema’s in te vinden zijn, heb ik mij laten vertellen. Dat is mooi, dan hoef ik verder eigenlijk niets meer van hem te lezen, denk ik dan. Het is maar de vraag in hoeverre het verhaal echt autobiografisch is want Wolkers begint met de waarschuwing dat “… Elke gelijkenis van figuren in dit boek met bestaande personen berust op toeval, behalve in het geval van de ijscoman Blanchard aan de ingang van de Leidse Hout…”. Aan de andere kant schijnt hij ook weer stiekem gesprekken te hebben opgenomen die hij kon gebruiken in zijn werk. Het boek begint met een serie sterke verhalen, alsof je op een familiefeestje naar een oude opa zit te luisteren die aan zijn derde borrel begint: “… Een van die jongens is later door zijn vader verbannen naar een eiland in de Middellandse Zee omdat hij stal wat los en vast zat. Hij had het gepresteerd om ’s nachts een perzisch tapijt uit de slaapkamer van zijn ouders te slepen. Hij heeft zelfs de poten van het voeteneinde op moeten tillen terwijl wij rustig doorsliepen…”. Jaja.

Een smet op de hele school
Na ruim vijftig bladzijden hing ik krom van het lachen in mijn stoel: “… Op een keer vond ik na schooltijd een verbleekt roze corset op een vuilnisbak. Ik deed het om en slenterde zo verder. Een jongen achter mij schreeuwde, ‘Dag mevrouw!’ Ik ging met kleine passen en schommelende heupen lopen, waardoor er een troep joelende en schreeuwende kinderen achter mij aan kwam. Een jongen pakte de veters, draaide ze een paar keer om mijn lichaam en knoopte ze stevig op mijn rug. Uit een andere vuilnisbak haalde ik een paar stukken papier, kneep die tot proppen en stopte die van boven in het corset. ‘Bustes, bustes,’ riep ik luid. ‘Dames en heren, komt dat zien, de truc van jen!’ Om mij heen ontstond zo’n enorm gelach dat ik wild rond begon te dansen en steeds harder ging schreeuwen…”. Dan rent iedereen weg en ziet Wolkers in een flits de hoofdonderwijzer op de fiets aankomen: “… Ik vloog een tuin binnen en dook achter de ligusterheg in elkaar. De baleinen staken onder mijn oksels. Ik probeerde het corset af te stropen maar het zat zo stevig vastgebonden dat ik het zelfs niet rond kon draaien om de veters aan de achterkant los te maken. Ik hoorde dat er een fiets tegen de lantaarnpaal werd gezet…”. De bovenmeester beveelt Wolkers tevoorschijn te komen: “… Zijn hoofd was vuurrood, alleen de wrat op zijn linkerneusvleugel was wit. ‘Ik heb maar één woord voor jou; Ploert!’ zei hij. ‘En blijf daar niet zo staan, stuk ongeluk. Trek dat ding van je lijf!’ Er kwam een tuinman langs die spottend riep, ‘Hebben ze jou je jurk uitgetrokken zus!’ ‘Nou, komt er nog wat van,’ riep hij woedend. Ik rukte aan het corset maar kon het niet uitkrijgen. ‘Kom hier!’ gebood hij. Hij greep mij hardhandig bij mijn schouders en draaide mij om. Daarna maakte hij de veters los. Het corset zakte langs mijn lichaam om mijn benen. De proppen papier vielen op de stoep. ‘Stap uit,’ zei hij. ‘En nu rol je dat ding op en je neemt het mee naar huis en laat het aan je ouders zien. En je vertelt er precies bij wat er allemaal is gebeurd. Van mij hoor je nog wel.’ Hij liep met grote stappen naar zijn fiets en reed weg met zijn hoofd in zijn nek. Toen ik met het corset de kamer inkwam, zei mijn vader, ‘Ben je nou helemaal mal. Breng dat ding terug naar de slaapkamer!’…”. Wolkers is nummer drie van elf kinderen. Pa is wel wat gewend. Als hij hoort dat zijn zoon het uit een vuilnisbak heeft opgevist, krijgt Wolkers te horen dat hij het terug moet gooien en zijn handen moet wassen. Wie weet wie dat vieze tod heeft omgehad. De volgende morgen de hoofdonderwijzer van de gereformeerde school: “… Ik wil over het voorgevallende van gisteren nog één ding zeggen: Ik heb jou twee straten ver horen schreeuwen. Daarmee heb je een smet op de hele school geworpen…”. Over ‘beeldend schrijven’ gesproken. Wolkers was dan ook nog schilder en beeldhouwer. Diezelfde hoofdonderwijzer van hierboven erkent Wolkers schrijftalent al heel vroeg als hij hem voor een opstel een negen geeft: “… Ik heb zitten rillen op mijn stoel…”.

Een broine pater
Wolkers komt op zijn repertoire terwijl hij rondhangt in Oegstgeest om de plekken op te zoeken die van grote betekenis zijn geweest in zijn jeugd, waar zijn ouders een steeds slechter lopend kruidenierszaakje op poten probeerden te houden. Evenals Marieke Lucas Rijneveld is Wolkers geobsedeerd door de dood. Over een vriendje: “… Dirk Kolf, een dikke jongen met verfrommelde oortjes, een fantast, een leugenaar, die onder het liegen steeds roder werd. Maar hij kon niet ophouden, ook al wist hij dat je toch niet geloofde dat ze een opgezette tijger in de hal hadden staan, of dat zijn gestorven zusje in een klerenkast op zijn kamer stond. ’s Woensdagsmiddags speelden we achter in zijn tuin, die eigenlijk geen tuin meer was maar een klein bos. We bouwden een hut zodat hij in het halfdonker tegen me kon zitten liegen zonder dat ik zag hoe rood hij werd. Zijn zusje kwam ook bij ons, een bleek meisje met blonde pijpenkrullen die aan de vallende ziekte leed. Soms viel ze stuiptrekkend op de grond en sloeg wild met haar hoofd terwijl haar ogen wegdraaiden. Dan lag ze ineens doodstil of ze gestorven was. De eerste keer schrok ik zo dat ik verlamd bleef zitten, maar Dirk deed net of er niets aan de hand was en stapte over haar heen alsof ze een boomstam was. Na een tijdje kwam ze overeind, keek om zich heen of ze wakker geworden was, en speelde toen gewoon verder…”. Hij ziet zichzelf als dubbele moordenaar. Even voor het overlijden van zijn broer heeft hij in een vlaag van wraakzucht diens foto’s verbrand – wat bijna een rituele lading krijgt. En een klasgenoot die overlijdt aan hersenvliesontsteking heeft hij voor hij ziek werd keihard op zijn hoofd gemept omdat hij kleine vogeltjes verdronk (alsof hij zelf nooit dieren mishandelde). Een buurvrouw die aan spiritisme doet: “… Ik zie een broine pater achter je, een broine pater…”. Het maakt dat hij om de haverklap een snelle onverwachte blik over zijn schouder werpt om er achter te komen of hij een schim kan ontwaren.

Grof
Verder gaat het over seksuele spelletjes, gevechten met de katholieken en zijn verliefdheid op juffrouw Vink. Hoe hij uren heeft zitten huilen op het winkeltrapje toen ze haar baan op zei, “ … want het was of de waanzin van de gestichten naar binnen was geslopen, toen we na haar juffrouw Hakkenberg kregen. Een verminkte tor die, met aan haar linkerbeen een hoge zwarte schoen als een ouderwets strijkijzer, door de klas hinkte…”. Juffrouw Hakkenberg was dan ook een kreng die tegenwoordig aangeklaagd zou worden voor kindermishandeling. Wolkers’ geeft een geweldige beschrijving weg van een klasgenoot die voorgekauwde kledders vloeipapier naar een landkaart mikt, waardoor de meester hem bij zijn lurven vat. De jongen wordt bij de zijkanten van zijn korte broek omhoog geschoven om de natte klodders eraf te halen: “… Zijn broekspijpen zaten helemaal opgeschoven zodat zijn magere dijen als de poten van een zwemmende kikker voor de landkaart bewogen…”. Als hij alles bij elkaar gegraaid heeft laat de onderwijzer hem gewoon vallen “… als een voorwerp dat van een spijker losgeraakt is…”. Daarna “… moest hij met die vieze dotjes in zijn geopende hand tussen de banken doorlopen, bij ieder van ons stil blijven staan, en zeggen, ‘Zo kinderachtig ben ik nou.’…”. Maar de manier waarop Wolkers schrijft over de bewoners van de psychiatrische verpleeginrichtingen, waar zijn school precies tussen ligt, is weer zo grof dat ik me afvraag of een uitgever dat hedentendage zou accepteren. Over seks en christendom mag je dan net zo liederlijk schrijven als je wil, onze tijd heeft zeker zijn taboes. Maak van de patiënten transgenders of moslims en het huis zou te klein zijn. Wolkers had dat vast geprobeerd als hij nu een twintiger was, bedacht ik. Wanneer slaat dichterlijke vrijheid om in beledigende discriminatie? Toch klinkt onderhuids de woedende vraag waarom God de zeer plastisch beschreven ‘gedrochten’ heeft geschapen. Een legitieme vraag lijkt mij, maar bedenk wel dat gelovigen met precies hetzelfde kwaad hebben te maken als ongelovigen. Desondanks houden de eersten het uit met hun God. In een sarcastische omdraaiing alsof wíj schuldig zijn aan het rondlopen van zoveel ellende: “… Het is een misdaad voor de Schepper dat ze dat in ’t leven houden…”.

Martelscènes
De anekdotes rijgen zich aaneen. Hij vertelt dat hij eens aan het rolschaatsen was in de winkel toen hij een klant aan zag komen: “… Ik ging meteen achter de toonbank op mijn hurken zitten, maar het duurde zolang omdat mijn moeder de bel niet gehoord had, dat ik ineens onderuit schoot. Mijn voeten staken net buiten de toonbank waar de wieltjes met een snorrend geluid uitdraaiden. Ik durfde ze niet terug te trekken en bleef onbewegelijk zitten. Even was het doodstil, toen hoorde ik weer de bel gaan. Toen ik overeind krabbelde en voorzichtig over de rand van de toonbank naar buiten loerde, zag ik hem aan de overkant van de straat peinzend naar onze winkel staan kijken…”. Het is natuurlijk ongelooflijk dat je zo’n situatie in woorden kunt vatten. Omdat Wolkers niet wilde leren werd hij van de middelbare school gehaald om in de winkel te helpen en toen die ter ziele ging kreeg hij zijn eerste baantje als dierenverzorger in het Pathologisch Laboratorium van het Leidse Academisch Ziekenhuis. Hij doet er zo zielig over dat het lijkt of ze daar aan kinderarbeid deden: hij zou er met een jongen – die ook nog eens een mismaakt uiterlijk had - tussen de middag indiaantje hebben gespeeld. Het lab is je reinste vivisectie en Wolkers is het wel toevertrouwd daar de meest smerige verhalen over op te hangen. Eigenhandig helpt hij de dieren die hij lief vindt uit hun lijden om ze in het geniep te begraven. Een keer zegt zijn collega “… terwijl hij naar mijn zwarte nagels en zanderige handen keek, ‘Ik geloof dat jij tussen de struiken hebt zitten poepen.’…”. Wolkers mag dan bekend staan als een groot natuurliefhebber, de martelscènes met dieren die hij beschrijft zijn om van te kotsen. Wat zouden de hedendaagse veganisten daarvan vinden? Kan alles ermee door omdat het de ‘grote’ Wolkers is? Wolkers lijkt zelf een halve vegetariër: hij eet geen vlees waar botten in zitten. De oorlog breekt uit. Naast het lab ligt een rouwkapel waar rodekruissoldaten dode militairen uit de laadruimtes van vrachtauto’s naar toe slepen. Nou dan weet je het wel…

Zoekers die zelf nooit rust hebben gevonden
Daarna werkt hij als tuinknecht en verdient hij wat meer zodat hij met alles wat hij er bij jat voldoende geld heeft om nog voor zijn zestiende avondlessen tekenen te gaan volgen. Hij laat zijn haar groeien en loopt rond in korte broek. Zijn zuster schaamt zich dood. Omdat hij niet meer naar de kerk gaat of catechisatie wil volgen wordt de dominee ontboden met wie hij een heel gesprek heeft in de tuin. Wolkers beschrijft de geestelijke met verbazingwekkend respect: “… Onder de appelboom zei hij tegen mij, terwijl hij even snel naar de geopende serredeuren keek, ‘je ouders zijn eenvoudige mensen, waarom moet jij ze nou het leven zo moeilijk maken.’…”. Wolkers krijgt er tranen van in zijn ogen – en in zijn hart, mag ik wel zeggen. Het enige goede pak dat hij had heeft hij tot wanhoop van zijn sappelende pa en ma meegegeven aan een stel zigeuners. De dominee “... zei dat ik met zo’n daad meer leed berokkende dan goed deed, dat als iedereen op eigen houtje voor Christus wilde spelen het leven een hel zou worden en alles in de war zou lopen. Dat dat ook de bedoeling niet was van Gods woord, want dat Christus al voor ons aan het kruis gestorven was en dat dat genoeg was. Dat hij ons door zijn bloed van al onze zonden gereinigd had en dat we dus niet op een dilettantische manier dat nog eens over moesten gaan doen, want dat daar niets van terechtkwam. En toen het gesprek op Multatuli kwam, van wie ik een pak met papieren die oom Louis had achtergelaten, de ‘Ideeën’ had gevonden, uit de band gescheurd en helemaal aan flarden gelezen, zei hij hoofdschuddend, ‘Laat je toch niet door die valse profeten op een dwaalspoor brengen, die zoekers die zelf nooit rust gevonden hebben, die hun vrouw en kinderen in de steek lieten en zich in speelholen en drankgelegenheden ophielden. Als je Augustinus en Pascal gelezen hebt kom ik nog wel eens met je praten.’…”. Amen, zou ik bijna zeggen, hoed af voor de dominee. Tegen zijn moeder zegt de zielzorger dat Wolkers last heeft van zijn leeftijd en dat die opstandigheid van de jeugd wel uit zal zieken.

Dag Jan!
Hij besluit ook nog typeles te nemen. Wat een toestand: een ongelikte beer tussen al die keurige kantoorjongens en – meisjes. Daar doet hij zijn eerste lief op en beschrijft hij zijn voorzichtige maar desondanks mislukkende seksuele escapades op zo’n manier dat de tranen uit je ogen rollen van het lachen. Het pad der liefde blijkt een kwestie van - ras - voortschrijdend inzicht. Het zoveelste baantje volgt. Op een lijstenmakerij: “…Toen ik ging solliciteren was de baas juist bezig werk van een leerling van de Haagse academie in te lijsten voor een tentoonstelling en hij zei trots tegen mij, ‘Die jongen is drieëntwintig jaar en heeft nog nooit een cent verdiend.’ In mijn verbeelding zag ik mijn schilderijen al in de etalage staan, maar daar is niets van gekomen, want vanaf de eerste dag dat ik er werkte stal ik tubes olieverf uit de winkel, zodat het mij beter leek niet te zeggen dat ik schilderde…”. Hij moet de hele dag met spirites glas schoonmaken. Uiteindelijk krijgt hij een kantoorbaantje waar hij volgens mij enkel niet gek van is geworden omdat hij tussen het werk door zijn teken- en schrijftalenten kon botvieren. Wat dat laatste betreft: griezelverhalen natuurlijk. Hij weet een groepje gelijkgezinde kunstminnaars om zich heen te verzamelen waarmee hij in de natuur gaat schilderen: “… Ik stond voor mijn veldezel wild met een paletmes naar een bosgezicht te zwaaien, waarvan Bob had gezegd, dat als hij zoiets op papier moest zetten, hij net zo lief in een pan met erwtensoep keek…”. Tijdens de oorlog moet hij onderduiken als hij niet in de arbeidsdienst wil verzeilen. Hij zal nooit meer naar zijn ouderlijk huis terug keren. Tegelijk krijgt hij eindelijk de kans met schilderen zijn brood te verdienen: bloemen, zeeslagen en jachttaferelen op lampenkappen. Prachtig vertelt Wolkers over zijn herinneringen terwijl hij door het ouderlijk huis dwaalt waar verbouwers bezig zijn. Als hij uitkijkt op een steeg: “… In de oorlog had ik daar wankel op hoge hakken van mijn zuster gelopen, met een jurk aan en een hoofddoek om. Om mijn broer te bewijzen dat ook ik geschikt was om illegaal werk te doen. Maar voor de garage kwam ik een jongen tegen die ik jaren niet gezien had en die zei, ‘Dag Jan!’ Ik ging terug, trok de kleren van mijn zuster uit en bemoeide me verder niet meer met de oorlog…”.

Wijd perspectief
Wat ik van Wolkers vind? Ik wist niet dat hij zo leuk was. Bijna net zo leuk als Pietje Bell. Ondanks al het rauwe. Met het boek van criminoloog Adrian Raine in mijn achterhoofd denk ik dat Wolkers iemand was die veel prikkels nodig had. Hij lijkt als kind heel wat kenmerken te hebben gehad die op het lijstje van Raine zijn af te vinken als die van een potentiële crimineel. Dierenmishandeling, stelen. In de hongerwinter ontvreemdde hij notabene een pauw in plaats van een kalkoen. Omdat het zo donker was. Hoe stom kun je zijn. Toen werd diefstal wel wat anders aangepakt dan tegenwoordig. Maar er is meer nodig om van iemand een misdadiger te maken, volgens Raine. Bijna altijd heeft dat meer te maken met een gebrek aan moederliefde. Wolkers heeft schatten van ouders gehad, waar hij uiterst warm over schrijft. Okay, zijn vader was een voormalige marechaussee, die zijn nu eenmaal niet zo zachtzinnig. Zijn handen zaten los: “… Mijn vader had hier ook gezegd, toen ik zei dat ik marechaussee wilde worden, dat ik daar een veel te grote zenuwemoot voor was. Dat ik maar iets moest worden wat met die knoeierijen van mij te maken had…”. Ze lieten hem wel zijn gang gaan. Wolkers kon zijn ei kwijt. Zijn moeder was een regelrechte schat. Zo’n iemand die ondanks dat ze zelf een onrendabele zaak had toch een pakje thee kocht van het leipe koffievrouwtje dat langs de deuren ging om haar waren te verkopen. Omdat ze het simpel niet over haar hart kon verkrijgen het mensje weg te sturen. En zijn vader ging zijn eigen rol pepermunt halen, die in het nachtkastje naast zijn Bijbeltje lag te wachten op de komende zondag, toen hij geen rol meer in de winkel had liggen voor de jonge man die er steevast iedere zaterdag eentje kwam kopen. Zulke mensen dus. Sommige critici ergeren zich aan woorden als ‘poten’ enzovoorts, maar dat klonk stoer in die tijd. Ik heb nog wel een beetje opvoeding gehad maar ik vraag me af of mijn ooms destijds wisten dat er voor het woord poten ook synoniemen als handen en benen bestonden. Alsof dat kut-gedoe van tegenwoordig zo fraai klinkt. Ik krijg het woord amper opgeschreven, laat staan uit mijn mond (mond, ja). En wat het geloof betreft: “… Ik kon niet meer van de keuken de serre inlopen want de poort die mijn vader in de muur gehakt had was weg. Maar je kon nog duidelijk door de kalk heen zien waar hij gezeten had. Alles in die kleine zielige ruimte had dat wijde perspectief gekregen door de bijbel. Want aan die poort had Christus de blinde ziende gemaakt, en Simson had ertussen gestaan toen hij voor het laatst om kracht bad en de muren over de Filistijnen liet instorten. In de tuin, die alleen nog maar een stukje grijze vast aangelopen aarde was, dacht ik aan wat mijn vader er vroeger altijd over zei, ‘Hij is niet zo diep, en ook niet erg breed. Maar hij is onmetelijk hoog. Tot de sterren.’ …”. Wat me weer aan de kritiek van Maxim Februari in het NRC over de saaiheid van de Nederlandse letteren deed denken en aan de opmerking van mijn buurvrouw dat we ‘sinds we niet meer aan de kerk doen ook niets meer meemaken’. Het lijkt er waarachtig op dat het één best wel eens met het ander te maken zou kunnen hebben als ik mijn blogs zomaar eens terug lees. Alsof we een dimensie van het mens-zijn verloren hebben. Alsof we met het afwerpen van onze religieuze huid kleiner en miezeriger zijn geworden.

Uitgave: J.M. Meulenhoff – 2015, 240 blz., ISBN 978 902 909 097 1, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 27 juli 2018

De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld


Afgelopen zaterdag (21 juli) las ik een column in het Nederlands Dagblad waarin Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, beargumenteert dat het christendom onder andere niet meer aanspreekt omdat het “… zich zo hemeltergend braaf en burgerlijk presenteert – het ergst nog wel waar het poogt ‘eigentijds’ en voor moderne, politiek-correcte oren acceptabel te zijn…”. Zijn advies: “… Wil je iets snappen van de geestelijke nood en verlangens van deze generatie, van hun gevoeligheid voor een onverschrokken, robuuste mystiek, van hun hang naar broederschap en bravoure ook? Bezoek deze zomer eens een hardrockfestival…”. Nou, beste Anton, dat ga ik niet doen. Eigenlijk zoek ik bijna altijd de muziek op waarover gesproken wordt in een boek. En als het enigszins acceptabel is link ik het ook nog wel in mijn bespreking: zie mijn vorige blog. Want, zoals Baricco zegt: ieder verhaal heeft zijn eigen muziek. Maar ik moet bekennen dat ik de heavymethalmuziek waar in het overigens prachtige “Laat me niet vallen” van Willy Vlautin naar wordt verwezen zo’n satanisch gebrul vond dat ik er niet aan ben begonnen. Ik was veel te bang dat niemand meer verder wilde lezen. Gelukkig gooit de hoofdpersoon zijn CD’ s al gauw weg. Anton de Wit maakt een opstapje van ‘November Rain’ van Guns N’ Roses (‘dat wilden we allemaal wel, zo de kerk uit lopen’) naar Johanna Sadonis van de hardrockband Lucifer. Hij snapt ook nog wel dat Guns N’ Roses brave misdienaars zijn vergeleken met death en black metal. Maar Johanna Sadonis is anders nog steeds psalmgezang vergeleken met wat Vlautin mij liet horen, hoor. Ik pleit ervoor het over een andere boeg te gooien. Laten alle brave christenen vooral “De avond is ongemak” lezen. Over een gereformeerd boerengezin waarin nog de Terdege, het Reformatorisch Dagblad en de herziene Statenvertaling wordt gelezen. Jawel. En tegelijk ontspoort het verhaal aardig richting "American Psycho" (Bret Easton Ellis – 1991). Okay, het is het nog niet helemaal, maar er worden toch heel wat doodenge dingen in allerlei minieme lichaamsopeningen van zowel dieren als mensen gepropt – het minst erge, een punaise in een navel. Verder deed dit rauwe romandebuut me aan die andere ongemakkelijke Nederlandse grootheid denken: Floortje Zwigtman ("Wolfsroedel" - 2002). Het is verbijsterend wat er in van die lieve hoofdjes omgaat. Nu hebben niet alleen christenen last van braafheid. Vandaag (24 juli) stort de - door mij zeer gewaardeerde - auteur Maxim Februari ook al zijn gramschap uit over de ‘gestroomlijnde’ saaiheid der hedendaagse literatuur. In het NRC. Vast Marieke Lucas Rijneveld (1991) niet gelezen! Ontwaar ik hier zowaar een trend? Het zal toch niet waar wezen (big smiley)?!

God verhoort

“… Ik was tien jaar en deed mijn jas niet meer uit…”. Zo begint “De avond is ongemak”. Het deed me onmiddellijk denken aan “De moord op Commendatore” van Haruki Murakami, waarin de dertienjarige Marie Akigawa ook haar jas aanhoudt om zichzelf te beschermen. De ‘ik’ wordt ‘Jas’ genoemd. Ze heeft twee oudere broertjes en een jonger zusje. Het is zo koud dat hun moeder hun gezichtjes insmeert met uierzalf (daar had ik nog nooit van gehoord, terwijl ik toch heel wat boerderijleven ben tegengekomen): “… Die morgen, twee dagen voor kerst, bleef ik haar vettige duimen in mijn oogkassen voelen en even was ik bang geweest dat ze te hard zou duwen, dat mijn oogballen als knikkers naar binnen zouden rollen…”. Ook liggen er blauwe diepvrieszakjes klaar voor over hun sokken (zoiets ken ik wel, wij deden vroeger stro of kranten in onze klompen – onze buurvrouw stopte tot mijn opperste verbazing zelfs een uitgevouwen krant in haar gebreide onderbroek). Verontrust ziet Jas toe hoe haar vader haar konijn aan het vetmesten is terwijl ze aan het aankomende kerstdiner denkt: “… Hij hield zich anders nooit bezig met konijnen, hij vond ‘kleinvee’ meer iets voor op het bord en hield alleen van de dieren die zijn hele blikveld in beslag namen met hun aanwezigheid…”. Dieuwertje Blok kan zich vereerd voelen: “… Ondanks het feit dat hij een rammetje was, had ik hem vernoemd naar de krullenmevrouw van ‘Het Sinterklaasjournaal’ omdat ik haar zo mooi vond. Het liefst wilde ik haar boven aan mijn verlanglijstje zetten, maar ik wachtte er nog even mee, daarbij had ik haar ook nog niet zien staan in het krantje van de Intertoys…”. De televisie staat trouwens in een kast waarvan ze de deurtjes dicht kunnen doen zodat de familie en de dominee niet merken dat ze naar zondige dingen kijken. Ze hebben alleen Nederland 1, 2 en 3, want daarop komt geen ‘bloot’ voorbij. Jas ligt mokkend op de grond. Haar oudste broer wilde haar niet mee hebben naar een schaatswedstrijd op het meer waarvan ‘de overkant’ lonkt. Ze bidt of God alsjeblieft haar broer wil nemen in plaats van haar konijn. God verhoort.

Op schouders gedragen helden
Haar broer schaatst in een wak. Zijn verdrinkingsdood zet het gezinsleven totaal op z’n kop. De opgetuigde kerstboom, de kerstkransjes en de kerstrollade worden allemaal weggegeven: “… We hadden het touw om onze lichamen kunnen binden zodat we niet in plakjes uiteen zouden vallen…”. Vanaf dan wordt het boek een eindeloos poep- en piesverhaal. Jas plast in bad waarin haar moeder haar en haar zusje aan het wassen is als de veearts het afschuwelijke bericht komt brengen. Ze moet onderweg poepen als ze met haar vader op de tractor onderweg is om voederbieten op te halen, alhoewel ze liever thuis bij haar broer in de lijkkist was gebleven (stel dat hij in haar afwezigheid zou ontdooien): “… Mijn poep was van mij, maar eenmaal tussen de grassprieten van de wereld…”. Uiteindelijk hoeft ze niet meer: “… Ik kon mijn poep vasthouden, niets wat ik niet kwijt wilde hoefde ik vanaf nu nog te verliezen…”. Uit een interview maakte ik op dat Rijneveld op een melkveehouderij werkt waar ze de dag grotendeels doorbrengt met het opruimen van koeienstront. Waar je mee omgaat word je kennelijk mee besmet. Een paar weken geleden zei een psychiater tegen mij dat poep- en pieswanen vrij veel voorkomen. Volgens haar heeft dat te maken met het al dan niet onder controle houden van je leven. Een heel logisch verhaal, lijkt mij. Op naar de bieten, waarvan sommigen vanbinnen rot zijn: “… Het papperige wit dat op pus leek, kleefde aan mijn vingers bij het oprapen…”. De vader van Jas veegt zijn neus af aan zijn mouw als hij huilt: “… de stof zou net als de mouwen van mijn jas hard worden van opgedroogd snot…”. Honderden keren zeggen haar ouders tegen Jas dat ze moet ophouden met neuspeuteren, het helpt niets. Ik dacht aan de studenten met wie ik tijdens een hete zomervakantie op een rozenkwekerij werkte. Tijdens de pauzes begonnen ze zulke gore verhalen te vertellen dat ik ten lange leste mijn boterhammen zou laten staan: een nieuwe sport was geboren. Ze wisten niet dat ik op mijn zestiende al in een bejaardentehuis werkte. Hah. De baas, die tussen de middag bij zijn gezin thuis ging eten, zei tegen mijn moeder dat als er een meisje tussen al die jongens zou werken de laatsten zich vanzelf wat netter gingen gedragen. Enfin; Rijneveld even later naar aanleiding van de begrafenis weer zo mooi dat de tranen zich vanzelf bij mij aandienden: “… het enige wat die middag klopte was dat helden op schouders werden gedragen…”.

Moe en verpletterd

Vanaf dan noemt Jas de overgebleven kinderen inclusief zichzelf de ‘drie koningen’. Naar het kerstverhaal over de Wijzen uit het Oosten die op zoek gingen naar Jezus: “… want op een dag zullen we onze broer vinden, al moeten we er ver voor reizen en cadeaus meenemen…”. Al snel is duidelijk dat de vijf jaar oudere broer van Jas een eersteklas rotzak is. Grijnzend maakt hij in het zicht van zijn zusjes dieren dood. Een zorgwekkende blauwe streep siert zijn voorhoofd, vanwege het bonken tegen de bedrand tijdens zijn slaap. Jas zit in over haar moeder die niet meer eet: “… Af en toe ben ik bang dat het aan ons ligt, dat wij haar vanbinnen oppeuzelen, zoals bij de grote kaardespin. Daarover heeft de juffrouw tijdens de biologieles verteld dat zij zichzelf na de geboorte van haar jongen aanbiedt, de kleine, hongerige spinnetjes verslinden de moeder met huid en haar en laten nog geen pootje achter. Geen moment treuren ze om het verlies…”. Haar vader wil bij het naar bed gaan geen verhaaltjes meer vertellen over Jantje die altijd kattekwaad uithaalt: “… ‘Waar is Jantje?’ vraag ik dan. ‘Die is moe en verpletterd door verdriet.’ Dan weet ik meteen dat vaders hoofd moe en verpletterd is, omdat Jantje daar woont. ‘Komt hij nog terug?’ ‘Reken er maar niet op,’ zei vader vervolgens met terneergeslagen stem…”. Ze wil op school geen sukkel zijn: “… De sukkels zijn als dropjesstaafjes in een zak Engelse drop, iedereen laat ze links liggen…”. Niemand die interesse toont voor haar hart dat af en toe alle kanten uit bonkt: “… In moeders buik is mijn hart negen maanden belangrijk geweest, maar eenmaal uit de buik maakt niemand zich er meer druk om of het wel genoeg slagen per uur maakt, schrikt niemand op wanneer het even stilvalt of zo snel begint te kloppen dat er wel sprake moet zijn van angst of van spanning…”. En even verder over de vraag of haar vader een hart heeft: “… Ik kan me geen hart inbeelden achter zijn ribben, eerder een gierput…”. Tussendoor steeds weer, onverwacht ongelooflijk prachtig, over bijvoorbeeld de knotwilgen rondom de boerderij: “… De bomen staan in een rijtje met hun koppen gebogen richting mijn slaapkamer, als een groep ouderlingen die ons afluistert…”.

Huid tegen huid, honger tegen honger
Overal zindert seksualiteit tussendoor en bepaald niet zachtzinnig. Haar vader duwt zonder mankeren brokken groene zeep in haar anus om haar stoelgang weer op gang te krijgen, terwijl ze als een kalf op de bank ligt: “… Dan trekt vader aan de rand van mijn onderbroek, ten teken dat de procedure is afgerond, dat ik weer overeind kan komen. Hij veegt zijn vinger af aan zijn schipperstrui en pakt met dezelfde hand een plak kruidkoek van het dressoir, neemt een grote hap…”. En even verder: “… Soms, als mijn vader me welterusten komt wensen, steekt hij een tong in mijn oor. Het is minder erg dan de vinger met groene zeep, maar toch. Ik weet niet waarom hij dat doet, misschien is het net als bij de dop van het pak vanillivla die hij iedere avond schoonmaakt met zijn tong, hij vindt het anders zonde...”. Haar broer laat een hamster rondwoelen in zijn boxershort die hij later verzuipt in een glas water. Zijn seksuele spelletjes worden steeds bruter en sadistischer. Jas vraagt zich af of ze ‘tietloos’ blijft. Ze wil niet zoenen: “… Kussen is iets voor oude mensen, die doen dat als ze geen woorden meer kunnen vinden, dan snoeren ze elkaars lippen…”. Ze verlangt ook niet naar jongens. Ze verlangt naar zichzelf. Over het spiraaltje dat bij een foto van de eerste echo van Jas in het album is geplakt: “… Als ik vroeg waarom moeder haaientanden in haar had, zei vader: ‘Wees vruchtbaar en wordt talrijk, maar zorg wel eerst dat je genoeg slaapkamers hebt; dit was een noodoplossing, dat wist God, alleen jij was toen al zo koppig als een rund.’ Na mijn geboorte nam moeder geen spiraaltje meer. ‘Kinderen zijn een erfenis van de Heer’. Tegen erfenissen kun je geen nee zeggen…”. Haar vader en moeder maken doorlopend ruzie. Moeder loopt steeds vaker in haar badjas rond. Dreigt van de voersilo af te springen. Vader fiets nogal eens weg om nooit meer terug te keren. Iedere keer denkt Jas dat ze hem voort het laatst heeft gezien. Wat moet er dan van de drie koningen terecht komen? Geknuffeld wordt er niet meer. Tijdens de afwas gaat Jas dicht bij haar moeder staan, “… in de hoop dat ze me per ongeluk aanraakt als ze de koekenpan naar de uitgestalde borden op het aanrecht brengt. Even maar. Huid tegen huid, honger tegen honger…”. En een eindje verder: “… Naast voeding en kleding hebben we aandacht nodig. Dat lijken ze steeds meer te vergeten…”. Jas zoekt een 'verlosser'. Ik ben christelijk, maar ik ga niet flauw doen, ik zeg niets. Nadat Jas van haar broer een verhaal heeft gehoord dat padden pas na de winterslaap gaan eten als ze gepaard hebben, raakt Jas geobsedeerd door het idee dat haar moeder niet meer eet omdat haar ouders niet meer op elkaar liggen: “… We moeten iets doen aan de liefde hier in de boerderij…”. Ze vangt twee padden die ze in een melkemmer onder haar bureau verbergt om op een ritualistische manier de geslachtsdrift van haar ouders weer op gang te helpen: “… Vader en moeder zien onze tics niet. Ze hebben niet door dat hoe minder regels er zijn, hoe meer we deze zelf gaan verzinnen…”.

Leven met de dood
Jas’ fantasie is grenzeloos. Volgens haar zitten er een stel ondergedoken Joden in de kelderkast. Waarom brengt haar moeder er anders elke week twee plastic Dirk-zakken vol eten naar toe? Ze vreest dat ze pedofiel is vanwege haar interesse in de piemeltjes van haar buurjongetjes. Als haar zusje zegt dat alleen grijze mannen pedofiel zijn is dat een hele opluchting. Gelukkig is er in haar klas nog niemand grijs. Ze wordt bang voor alle ziektes die in ‘De Muzikale Fruitmand’ worden opgenoemd. Raakt gefixeerd op de dood: “… De regenworm is een van de sterkste dieren omdat hij doorgehakt nog gewoon verder kan leven, hij heeft wel negen harten…”. Op het platteland is er overal touw wat mensen op nare ideeën brengt. Jas plast steeds vaker in haar broek. Het natte ondergoed verstopt ze onder haar bed. Haar moeder ruikt toch niks vanwege haar van verdriet chronisch verstopte neus. Terwijl Jas naast een platgereden egel neerhurkt doet ze een in mijn ogen prachtig gebed: “…. Wees ons genadig God, wees ons nabij. Wij zijn hier op deze plaats samen om afscheid te nemen van egel, die zo ongenadig van ons werd weggenomen. Wij geven U dit gebroken leven terug en leggen het in Uw handen. Ontvang egel en schenk hem de rust die hij niet kon vinden. Wees voor ons allen een barmhartige en liefdevolle God opdat wij kunnen leven met de dood. Amen…”. En fijngevoelig over het judoblad van haar overleden broer die haar ouders steeds vergeten op te zeggen waardoor: “… iedere vrijdag weer zijn dood met een klap op de deurmat valt…”. Als het boerenbedrijf ook nog eens getroffen wordt door mond-en-klauwzeer is het hek helemaal van de dam.

De verbeelding aan de macht

Vader zegt dat ze een boer in plaats van een kalf als protest tegen het ruimen in een boom hadden moeten hangen. Had vast meer indruk gemaakt op die laffe heidenen. Moeder benadrukt zonder omwegen dat ze dood wil, terwijl ze haar arm tegen het gloeiende ijzer in de oven drukt. De drie koningen draaien om elkaar heen en halen uit als krijsende katten. Naar iedereen die ze tegen komen, dus ook naar jou. Ze vermoorden elkaar nog niet, maar daar is ook alles mee gezegd. Uiteindelijk lijkt er iets als een toekomst te gloren. Terwijl de ouderlingen, die eens in de week komen kijken of er ‘vrucht op de prediking’ is of ‘gewas na het gezwaaide woord’, met haar moeder een gesprek voeren in de voorkamer, weet Jas dat ze minstens een uur haar gang kan gaan, en voeren haar grillen naar een plot dat je plat slaat. Oh Jas, en ik was net zo van je gaan houden! De verbeelding aan de macht.

Uitgave: Atlas Contact – 2018, 272 blz., ISBN 978 902 544 411 2, € 19,99
Rechtsreeks bestellen: klik hier