Menu

zondag 19 februari 2017

Goed nieuws! – Tom Wright


Ondertitel: Waarom het Evangelie nieuws is en wat dat nieuws zo goed maakt

Boswachter Wohlleben (zie mijn vorige blog) vertelt dat in de grondwet van Zwitserland is vastgelegd dat “… in de omgang met dieren, planten en andere organismen rekening gehouden moet worden met de waardigheid van de schepping…”. Een schepping veronderstelt een schepper. Nieuwtestamenticus en hoogleraar aan de Universiteit van St. Andrew (Schotland) Tom Wright in “Goed Nieuws!”: “… Het woordje ‘God’ is zwaar, lomp en klein. Het valt als een bom in ons anders zo geanimeerde gesprek. Het blijft in de keel steken als pasta die te kort gekookt heeft. Het verschijnt aan de horizon als een wolk die opeens de zon verduistert. Alleen al het geluid van het woord in het Nederlands (en in het Duits, waar het harde ‘Gott’ hetzelfde effect heeft) weerspiegelt de manier waarop de meeste mensen in de moderne westerse cultuur denken. Dit alles is natuurlijk een louter taalkundige kwestie. Maar ik denk dat het voor veel mensen iets weerspiegelt van de slechte reputatie die God heeft in onze cultuur. Het Griekse woord ‘theos’ voelt op de een of andere manier zachter, poëtischer aan; het Hebreeuwse ‘Elohim’ mysterieuzer. Het korte, eenlettergrepige ‘God’ geeft maar al te gemakkelijk op twee manieren een verkeerde indruk: allereerst dat God een object is binnen onze wereld waarover je als zodanig kunt discussiëren; en ten tweede dat zo’n wezen een totalitaire, kleine dictator is, die voortdurend bevelen geeft. In en vanuit zichzelf geeft het woord daar natuurlijk geen aanleiding toe, maar het lompe, harde geluid sluit gemakkelijk aan bij het populaire beeld van God als een bullebak daarboven die vreemde bevelen geeft en gevaarlijk prikkelbaar is als mensen hem negeren. Voor veel mensen zou het idee dat er een God is ‘slecht’ nieuws betekenen, niet goed nieuws…”.
Time noemt Wright: “… Een van de meest formidabele figuren van het christelijke denken…”. Eerder besprak ik van hem: “Paulus van Tarsus”, “Jezus en het evangelie van Judas” en “Pleidooi voor de Psalmen”.

Nieuws versus advies

Volgens Wright wordt het evangelie vaak verkeerd of op z’n minst verdraaid dan wel fragmentarisch uitgelegd. Als een soort hemel- en helsysteem. Als je in Jezus gelooft kom je na de dood in de hemel en doe je dat niet dan ga je linea recta naar de hel. Het belangrijkste doel van het christelijke geloof is dan ervoor te zorgen dat mensen zich zo gedragen dat ze veilig en wel in de hemel aankomen: “… Er is een hemel en er is een hel, dus als ik jou was zou ik m’n kans grijpen en de juiste keuze maken…”. Volgens Wright omvat het evangelie veel meer dan leven na de dood. In feite heeft Jezus het verrassend weinig over de hemel gehad. Hij sprak wel over iets wat realiteit zou worden ‘op aarde zoals in de hemel’ (Mat. 6:10).
De Bijbel zou je dan ook eerder als een nieuws-, dan een adviesbureau kunnen bestempelen (zie eveneens “Mintijteer” van Esther Maria Magnis). Het evangelie betekent oorspronkelijk ‘goed nieuws’. Er is iets gebeurd waardoor de wereld voorgoed is veranderd. Het gaat om een nieuwe en onverwachte ontwikkeling binnen een veel groter verhaal:
“… Wat goed nieuws meestal doet is (1) een nieuwe gebeurtenis in een oud verhaal plaatsen, (2) wijzen op een schitterende toekomst die tot dusver nog buiten bereik ligt, en (3) een nieuwe periode introduceren waarin mensen niet langer een uitzichtloos leven leiden, maar met spanning wachten op datgene waarvan ze weten dat het komen gaat…”. Wright legt dat met heldere voorbeelden uit. Het kind ligt nog steeds in het ziekenhuis maar zal beter worden - in plaats van bezorgd en bedroefd te zijn wachten de ouders nu vol spanning en blijdschap op herstel en thuiskomst. De helft van de arbeidskrachten zit nog werkloos thuis, maar de regio is aan het herstellen – de ambities zijn hooggespannen en er wordt uitgekeken naar werkgelegenheid en daaruit vloeiende welvaart. Of, om in de tijd van Jezus te blijven, na de moord op Julius Caesar breekt er een dertien jarige burgeroorlog uit tussen zijn voor- en tegenstanders. Dan hoort Rome dat zijn erfgenaam Octavianus de overwinning heeft behaald en heerser wordt over de hele Romeinse wereld – Rome wacht reikhalzend op zijn vredebrengende komst om hem uit te roepen tot keizer (zie “Augustus” van John Williams). Herodes, koning in het Joodse land, had op de verkeerde gewed, anticipeerde op het nieuws, vroeg om genade, pleitte op zijn trouw aan de boven hem gestelden, en dat werkte.
God was teruggekomen in de persoon van Jezus; en God blijft komen naar heel de wereld, in de persoon en kracht van zijn Geest. Tot Hij ‘alles in allen zal zijn’. Dat is geen kwestie van ‘kracht of geweld’, maar van ‘agape’, waarvan ons moderne vertaling, ‘liefde’, maar nauwelijks in de buurt komt van wat daarmee wordt bedoeld: “… We weten hoe de macht van de wereld eruitziet. Als het puntje bij paaltje komt, zoals dat zo vaak gebeurt, dan is het de macht van geweld, waarbij gedreigd wordt met pijn en dood. Ja, het is de macht van tanks en bommen, en ook van geweren en messen en zwepen en gevangenissen en prikkeldraad en bulldozers. Wapens om mensenlevens mee te vernietigen; machines om hun huizen met de grond gelijk te maken. Wreedheid thuis of op het werk. Pesterijen en manipulatie in plaats van zachtmoedigheid, vriendelijkheid en wijsheid. Jezus’ macht is van een totaal andere orde, zoals hij uitlegde aan de Romeinse landvoogd een paar minuten voordat deze hem de dood in stuurde – waarmee zijn punt bewezen was. De koninkrijken van de wereld lopen op de brandstof van het kwaad. Het koninkrijk van God, zo verklaarde Jezus, loopt op liefde…” (zie bijvoorbeeld ook "De vier liefdes" van C.S. Lewis).

Een bestaansvorm die niemand kent
Allesbepalend in dit verhaal is de ‘opstanding’ van Jezus: “… Gedurende de eerste eeuw werden er duizenden andere jonge Joden gekruisigd door de Romeinen. Waarom zou deze dood meer te betekenen hebben dan die van hen? …”. Wright gaat diep op dit feit in. Het gaat hier niet om reïncarnatie. Jezus komt niet terug als iemand anders: “… Bij de opstanding behouden mensen hun volledige identiteit en ontvangen ze een radicaal vernieuwd lichaam als de passende, fysieke uitdrukking daarvan…”. Omdat Jezus verscheen aan zijn volgelingen om met hen te praten en te eten was er geen sprake van grafroof. Het gaat ook niet om zijn schim of geest of iets dergelijks, want daar was een apart woord voor, en laat juist zien dat de persoon in kwestie echt dood is. Het draait ook niet om een soort ‘opwekking’ (zie Lazarus): “… Zulke mensen zouden opnieuw moeten sterven, terwijl het bij de opstanding juist draaide om het feit dat het voor altijd zou zijn…”. Jezus was dezelfde, maar op de een of andere manier toch anders. Dat is uniek. Hij verschijnt en verdwijnt door gesloten deuren en tegelijk was hij echt fysiek aanwezig: hij at en dronk. Daarbij werd hij het eerst gezien door vrouwen, terwijl vrouwen in die tijd niet geaccepteerd werden als volwaardige getuigen – wie ‘verzint’ zoiets? De opstanding van Jezus gaat volgens Wright niet het allereerst en allermeest over naar de hemel gaan. Het gaat een stap verder, het betekent een gigantische sprong voorwaarts in een bestaansvorm die niemand kent, maar waarin de mensheid ooit zal volgen: “… Dan zegt de schepper ja tegen zijn wereld, en nee tegen alles wat haar beschadigt, vervormt en vernietigt…”.
Is het allemaal waar? Wright: “… Ondanks aanhoudende scepsis ben ik, samen met veel andere wetenschappers, na intensieve bestudering van het materiaal binnen de context van de eerste eeuw tot de conclusie gekomen dat deze verhalen in principe betrouwbaar zijn…”. En even verder: “… Jezus’ leven, zijn aankondiging van Gods koninkrijk, zijn radicale herdefiniëring van dat koninkrijk en zijn dood aan een Romeins kruis – dit alles weten we zeker. Er zijn maar weinig serieuze historici die dat alles ontkennen, ongeacht hun achtergrond of geloof. Jezus’ opstanding valt in een andere categorie. Niet omdat het geen historische gebeurtenis was in de zin dat er iets echt gebeurd is in de geschiedenis. Maar omdat als het gebeurd is, het een nieuwe richtlijn geeft voor ons bestaan van hoe de wereld in elkaar steekt. Veel gebeurtenissen doen dat op een minder ingrijpende manier ook. Atoomsplitsing. Ruimtevaart. De ontdekking van Amerika. Zodra die dingen gebeurd waren, zag alles er anders uit…”. Kortom; het gaat om interpretatie.

Wraakzuchtige God ten diepste heidens
Als je blijft hangen in het idee dat Jezus is gestorven als straf voor onze zonden, dan impliceert dat een God die ten diepste boos op je is, maar wiens woede (naar we hopen) is gestild. Hoe rijmt dat met het ‘alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn enig geboren zoon gegeven heeft’? Volgens Wright is een wraakzuchtige God in feite heidens. God is niet zozeer woedend op jou, als wel woedend op het kwaad. Deze woede draagt de vastbeslotenheid in zich om de dingen recht te zetten, om een einde te maken aan de verwrongen verhoudingen en gedragingen die zijn wereld en zijn schepsels zo gigantisch verpest hebben. Dat heeft Hij gedaan door Jezus de wereld in te sturen om de schepping te herstellen en te vernieuwen. Jezus is als Messias, als gezalfde, een prins op weg naar zijn troon. Het gaat er niet om dat mensen aan onze akelige wereld ontsnappen om naar de hemel te gaan; het gaat erom dat God zijn schepping zal redden van verval, bederf en dood, en ons redt om daar deel van uit te maken: “… De redding en herschepping die God bewerkstelligde in de dood en opstanding van Jezus moet de redding en herschepping van ieder mens worden…”. Het plan van God gaat over de voltooiing, niet de vernietiging, van heel de schepping, en, bovenal, de kroning van Jezus als de rechtmatige koning en Heer van de wereld. In het Bijbelboek Openbaring van Johannes gaat het over het ‘Nieuwe Jeruzalem’ dat neerdaalt op aarde. Op de een of andere manier zullen hemel en aarde samenkomen. Niet de achttiende-eeuwse Verlichting is het ultieme keerpunt in de geschiedenis, maar de komst van het koninkrijk van God in de eerste-eeuwse Jezus.

De uitdaging van het gebed
Vervolgens wijst Wright op het probleem van het leven in gescheiden werelden: een materialistische en een geestelijke. En op het beperkte van het eenzijdig rationele denken versus het eenzijdig romantische voelen. Hij heeft het over de beeldtaal in verband met Openbaringen. Volgens Wright gaan heel veel waarschuwingen in de evangeliën in verband met het ‘Laatste Oordeel’ vooral over het volgen van het dwaze pad van een nationalistische opstand tegen Rome. Zo’n veertig jaar na Jezus’ publieke loopbaan viel Jeruzalem ook daadwerkelijk in de handen van Rome. Wright heeft het er over dat het niet aan de mens is om God te analyseren: “… Het is niet aan ‘ons’ om hoogte te krijgen van ‘hem’ maar aan ‘hem’ om hoogte te krijgen van ‘ons’…”. Anders zou God, God niet zijn:
“… God is geen voorwerp in ons universum. ‘Wij’ zijn voorwerp in ‘zijn’ universum…”. De ene ware God leeft, hoewel betrokken op ons, in een andere ruimte dan wij: “… Zoals je in een roman de persoonlijkheid van de schrijver kunt voelen, hoewel hij toch volledig buiten het boek blijft…”. Als laatste bespreekt Wright het gebed dat Jezus ons leerde,“Het Onze Vader”, item voor item. Wat mij betreft schrijft Wright het indrukwekkends als hij het heeft over wat het betekent christen te zijn: “… Christelijke vroomheid – een besef van de liefdevolle en leidende aanwezigheid van God, verdriet over de zonde en dankbaarheid voor vergeving, de mogelijkheden en uitdagingen van het gebed, een liefde voor God en onze naasten, het verlangen naar heiligheid en de zware morele inspanning die daarvoor nodig is, de geleidelijke of plotselinge komst van een persoonlijke roeping, een levend verlangen naar Gods uiteindelijke nieuwe schepping – dit alles veroorzaakt door het goede nieuws over wat er ‘is’ gebeurd in het verleden en wat er ‘zal’ gebeuren in de toekomst. En dit alles, en meer, veel meer ligt besloten in het goede nieuws in het heden…”.

Uitgave: Van Wijnen – 2016, 256 blz., vertaling Monica van Bezooijen, ISBN 978 905 194 533 1, € 18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 14 februari 2017

Het verborgen leven van bomen – Peter Wohlleben


Ondertitel: Wat ze voelen, hoe ze communiceren – ontdekkingen uit een onbekende wereld

In mijn vorige blog heb ik het gehad over vogelvrouw Len Howard die antropoformisme werd verweten. Ze zou dieren menselijke eigenschappen toedichten. Boswachter Peter Wohlleben (1964, studeerde bosbouw, werkte meer dan 20 jaar bij bosbeheer in het Rijnland, nam ontslag om zijn ideeën over ecologie in de praktijk te brengen als houtvester van een gebied van 1200 hectare in de Eifel) biedt de overtreffende trap. Hij schreef een fascinerend boek over het sociale gedrag van bomen: “… Als je weet dat bomen pijn kunnen lijden, een geheugen hebben en dat bomenouders met hun kinderen samenleven, dan kun je ze niet meer zo gemakkelijk omhakken en met grote machines tussen ze door graven…”.

Samen sterk

Mijn mond viel open van het verhaal van Wohlleben. Zoiets had ik nog nooit gelezen. Wist je dat oeroude boomstronken zonder bladeren, en dus zonder fotosynthese, soms eeuwenlang in leven worden gehouden door ondersteunende buurbomen? Suikers krijgen toegesluisd via andermans wortelstelsel? Wie veel heeft geeft aan arme sloebers. Burenhulp in nood is heel normaal in natuurlijke bossen. Samen sta je sterker. Ben je minder overgeleverd aan weer en wind. Door middel van een sluitend kronendak kun je samen extreme warmte en kou matigen, veel water opslaan en heel vochtige lucht veroorzaken. Met elkaar kun je er voor zorgen dat de zomerhitte niet tot de bosgrond doordringt en voorkom je uitdroging. Immers: dan zouden ze allemaal lijden. Iedere boom is waardevol voor de gemeenschap. Daarom wordt elke zieke boom net zolang geholpen tot het weer beter met hem of haar gaat. Sommige bomen worden langer ondersteund dan anderen. Het lijkt erop dat er een soort ‘klasse-bewustzijn’ bestaat. Of misschien beter: het lijkt erop dat de mate van genegenheid, van binding, bepalend is voor de hulpvaardigheid van bomenvrienden. Doorsneebomen zullen met hun takken nooit in elkaars vaarwater zitten. Sommige bomen zijn ondergronds zo innig met elkaar verbonden dat ze samen dood gaan. Daarbij gaat het trouwens wel altijd om de 'eigen soort': bomen doen niet aan politieke correctheid. Bij aangeplante bossen is de saamhorigheid een stuk minder en gedragen de bomen zich als het ware als straat- dan wel weeskinderen. Daar krijg je toch tranen van in je ogen?

Wood-wide-web
Bomen kletsen de oren van elkaars kop. Via geurstoffen. Door giraffen aangevreten acacia’s maken bijvoorbeeld niet alleen hun bladeren giftig maar wasemen ook een gas uit waarmee ze hun soortgenoten waarschuwen. Die zetten op hun beurt eveneens snel gifstoffen in. Giraffen weten dat en gaan vervolgens tegen de wind in of een eind verderop eten. Net als mensen zenden bomen elektrische signalen uit als ze gewond raken. Alleen gaat het allemaal stukken trager – niet binnen een paar milliseconden, maar met slechts één centimeter per minuut. Om de maaltijd van een parasiet te verpesten duurt het een uur voordat er inwendige afweerstoffen zijn gemobiliseerd. Als ‘één lid lijdt, lijden alle leden’. Hebben de wortels problemen dan zullen de bladeren specifieke geuren afscheiden om de vijand af te weren. Bomen kunnen zelfs verschillende soorten speeksel herkennen. Soms wordt er door lokstoffen gerichte hulp ingeroepen: bijvoorbeeld van kleine wespen die eitjes in rupsen leggen waardoor ze van binnen worden opgevreten. Dieren registreren de chemische noodkreet van bomen en komen op de voor hen smakelijke hapjes af. Bomen verkondigen hun boodschap niet alleen via de lucht maar vooral ook via het wortelstelsel. En dat zowel chemisch als elektrisch. Daarbij schakelen ze schimmeldraden in, een systeem dat vergelijkbaar is met internet. Deskundigen hebben het dan ook over een gigantisch ‘wood-wibe-web’ dat door onze bossen loopt. Insecten zoeken bij voorkeur naar kwetsbare bomen die zwijgzaam zijn. Naar zonderlingen. Het gekke is, ook gecultiveerde planten communiceren vrijwel niet. Ze zijn als het ware doof en stom. Daarom wordt er in de landbouw ook zoveel gif gespoten. Recent is met meetapparatuur ontdekt dat graan een zacht knakkend geluid laat horen bij 220 hertz en dat de wortels van andere zaailingen daarop reageren door de punten van hun wortels die kant op te richten. Als bomen erge dorst hebben beginnen ze op het niveau van ultrasone golven te schreeuwen. Het lijkt erop dat planten en bomen daadwerkelijk kunnen praten en luisteren, en het lijkt erop dat mensen daar gevoelig voor zijn. Wandelaars in oude loofbosreservaten melden vaak dat ‘hun hart er open gaat’. Wandelen ze in kunstmatige bossen dan voelen ze niets. Onderzoek heeft aangetoond dat de bloeddruk stijgt van mensen die in verkeerde grond geplante naaldbossen lopen, terwijl die van bezoekers in natuurlijke eikenbossen juist daalt.

Brein

Bomen plannen het krijgen van kinderen. Eiken en beuken produceren om de paar jaar heel veel eikels en noten, zodat de herten en wilde zwijnen niet weten wanneer er veel te bikken valt, en bovendien is er dan zo’n overvloed dat ze het niet op krijgen. Op die manier wordt de dierenpopulatie tevens binnen de perken gehouden. Elke boom brengt uiteindelijk maar één kind groot. De rest wordt allemaal opgevreten of vergaat door bacteriën of schimmels tot humus. De bomenkinderen hebben strenge moeders. Ze laten zoveel licht door dat ze net overleven. Maar ze krijgen lang de borst: voeding uit de wortels van mama. Een langzame groei bevordert weerbaarheid en een lang leven. Bij het ouder worden vermindert de bladgroei hoog in de kruin van bomen, net zoals het haar op het hoofd van mensen. De bast van bomen rimpelt zoals onze huid. Hoe hoger het mos vergeleken bij soortgenoten in de vouwen groeit, hoe ouder de boom. Een prachtig hoofdstuk gaat over dat wij nog steeds niet goed weten hoe water door bomen naar de kruin wordt gezogen (een volwassen beuk kan per dag 500 liter water door zijn takken en bladeren jagen). Bomen zijn gevoelig voor moeite en verdriet. Bomen worden bijvoorbeeld heel zuinig met de waterverdeling als ze eenmaal een periode van droogte hebben meegemaakt. Omdat bomen kunnen leren en dus ervaringen opslaan moeten ze zoiets opwindends als een brein hebben. In de wortelpunten van bomen lijken zich hersenachtige structuren te bevinden. Onderzoekers hebben elektrische signalen gemeten die tot gedragsverandering leiden: wortels zoeken tastend hun weg in de aarde. Wohlleben legt uit dat bomen veel minder met grote bosdieren hebben dan met al de nietige wezentjes onder hun voeten:
“… In een handjevol bosaarde zitten meer levende wezens dan er mensen op aarde zijn. Een theelepel vol bevat alleen al een kilometer zwamdraden…”.

Eten en gegeten worden

Evenals Len Howard in mijn vorige blog, tipt Wohlleben hoe je aan de hand van bosdieren het weer kunt voorspellen: de roestrode vink met zijn grijze kopje zingt bijvoorbeeld normaal gesproken wel tien keer per minuut ‘tsitsitsitsitsitsitsitsit-tjoe-ie-ò’, maar als het gaat regenen laat hij een hard ‘Retttsj’ horen. Hij vertelt over de functie van bossen als CO2-stofzuiger, als airco en als waterpomp. Bomen geven water door tot diep in de binnenlanden. In de natuur geldt zeker het recht van de sterkste, maar daar geven en nemen het meest lucratief is, bestaat er uiteindelijk toch een vorm van evenwicht. Eten en gegeten worden. Het bos lijkt meer op een kluis dan een warenhuis. Alle lekkere hapjes zijn zodanig verpakt dat de gasten van alles moeten verzinnen om er toegang tot te krijgen (zie bijvoorbeeld het voedzame cambium tussen boombast en boomhout). Bomen doen aan sociale woningbouw. Neem de vleermuizen. Neem de specht. De laatste timmert maar een klein holletje en laat het werk verder over aan schimmels. Als het hol zo groot wordt dat de jonge vogeltjes er niet meer uit kunnen klimmen gaat de woning vervolgens over naar een boomklever of uil. Een onderzoeker bespoot een paar jaar geleden de met zijn 600 jaar oudste en 52 meter hoogte en twee meter doorsnee meest imposante boom van het Nationale Park Beierse Woud met een insecticide. Hij wilde weten wat er allemaal in zijn kruin leefde. Er kwamen 2041 spinnen en insecten dood naar beneden vallen, die in 257 soorten konden worden onderverdeeld.

Waardigheid van de schepping
De moderne loofbomen die zo’n 100 miljoen jaar geleden ontstonden houden een winterslaap, in tegenstelling tot de naaldbomen die zich al 170 miljoen jaar op onze planeet bevinden. Naaldbomen bedekken zich met een dikke waslaag waardoor het inwendige vocht niet verdampt en slaan antivries op om de winter door te komen. Loofbomen laten hun zonnepanelen, de bladeren, verkleuren en afvallen, wat je zou kunnen bestempelen als wc-bezoek. Alle nuttige stoffen worden in de bomen teruggetrokken terwijl ze zich van hun afvalstoffen ontlasten. Als het gaat vriezen is er geen water meer dat door de stam kan stromen. Zonder bladeren heeft de boom veel minder last van storm, het gewicht van sneeuw, bevroren water of drassige grond waarin hij of zij zich niet vast kan klampen. Dat loofbomen hun slaap nodig hebben bewijst het feit dat eiken of beuken binnenshuis niet gedijen. Kunnen bomen tellen? Afhankelijk van het aantal warme dagen gaan ze uitbotten. Ze weten wanneer de temperatuur naar beneden of omhoog gaat. Ze registreren de daglengte. Prachtig vertelt Wohlleben over het karakter van bomen: je hebt duidelijk dappere en voorzichtige individuen. Hij pleit voor de terugkeer van het oerbos, en is daar hoopvol over gestemd: “… Als we weten wat planten allemaal kunnen en we erkend hebben dat ze een gevoelsleven en bepaalde behoeften hebben, dan moet ook onze omgang met planten stap voor stap veranderen…”. Zie het zogenaamde ‘plenterbos’ waarbij alle leeftijden en maten van bomen zijn gemengd, zodat boomkinderen onder hun moeder opgroeien: “… Soms wordt voorzichtig hier en daar een stam geoogst, die door paarden naar de dichtstbijzijnde weg wordt gesleept. En om ook oude bomen aan hun trekken te laten komen, wordt 5 tot 10 procent van het gebied onder bescherming geplaatst. Hout uit zulke bossen waarin bomen kunnen leven passend bij hun natuurlijke behoeften kan zonder bezwaren gebuikt worden…”. We kunnen wel hevig verontwaardigd zijn over de houtkap in tropische wouden, maar in Midden-Europa wordt ook nog steeds voor 95 procent met zware machines op bosplantages met monoculturen gewerkt. Als voorbeeld stelt Wohlleben Zwitserland waar in de grondwet is vastgelegd dat “… in de omgang met dieren, planten en andere organismen rekening gehouden moet worden met de waardigheid van de schepping…”. Wohlleben bedankt zijn lezers, want “… alleen wie de bomen kent, kan ze beschermen…”.

Verder lezen: zie NRC 09.04.2016

Uitgave: Lev. – 2016, vertaling Bonella van Beusekom, 222 blz., ISBN 978 940 050 732 6, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 3 februari 2017

Het vogelhuis – Eva Meijer


In “De geschiedenis van mijn leven” (zie mijn vorige blog) vertelt George Sand over de speciale band die haar opa - die als doodarme ‘meester-vogelaar’ kanaries en puttertjes verkocht op de Quai des Oiseaux in Parijs - evenals haar moeder en zijzelf hadden met vogels: “… Ik heb een roodborstje gehad dat vanwege zijn intelligentie en geheugen een wonderbaarlijk wezentje was; een wouw, voor iedereen een woest dier, maar met mij zo vertrouwelijk dat hij neerstreek op de rand van mijn zoontjes wieg en met zijn grote snavel, scherp als een scheermes, delicaat en met een teder, koket schreeuwtje de vliegen wegving die op het gezicht van het kind gingen zitten. Ik zou eindeloos de geschiedenis van de vogels die ik als vriend en metgezel heb gehad kunnen vervolgen. In Venetië leefde ik tezamen met een spreeuw vol bekoorlijkheden, hij is tot mijn grote wanhoop in de canaletto verdronken; vervolgens met een lijster die ik er heb achtergelaten en waarvan ik niet zonder smart gescheiden ben. Ik gaf toe aan de bevlieging een roman te schrijven waarin vogels een nogal belangrijke rol vervullen en waarin ik heb geprobeerd iets te zeggen over aantrekkingskrachten en occulte invloeden. In “Teverino” bedacht ik een jong meisje dat als de eerste Eva macht heeft over de vogels der schepping en, zo wil ik hier zeggen, zuiver fantasie is het niet…”. Haar verhaal deed mij denken aan “Het vogelhuis” van Eva Meijer (Hoorn, 1980, schrijver, beeldend kunstenaar, singer-songwriter en filosoof).

Magische boodschappers

Vogels hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Doordat ze konden vliegen kwamen ze in oorden die buiten het bereik van mensen lagen. In de oudheid werden ze gezien als boodschappers van de goden. Vooral de raven en hun kleinere variant de kraaien, leken met hun gitzwarte veren, scherpe blik en schrille roep over demonische krachten te beschikken. Onze eigen Wodan werd vergezeld door twee raven: Huginn en Muninn. Volgens de Grieken brachten de raven storm. In Brittannië hadden de raven te maken met oorlog. Hoog boven de slagvelden zongen ze het lied van de dood. Ze fladderden en hupten tussen de gesneuvelden rond om hun ogen uit te pikken en zich te voeden met het liefst nog warme vlees. Volgens een legende had een middeleeuwse burchtheer in Wales een ravenleger die vijanden aanviel en verminkte. Raven konden de toekomst voorspellen. Verschenen ze aan krijgers dan zouden ze zeker de dood zien. Vlogen ze in paren over een huis dan zou daar spoedig iemand sterven. In Denemarken betekende het opduiken van een raaf in een dorp dat de pastoor zou overlijden. In Wales had een door een krassende raaf aangekondigde bezoeker kwaad in de zin. De Ieren hielden ze als huisdier omdat ze vast geloofden in hun magische gaven: ze waarschuwden voor dieven, ziekten en dood. In het 17de eeuwse Schotland ging een verhaal rond dat de vrome inwoners van het dorpje Halmadry in Sutherland tijdens een gebedsbijeenkomst in de ban waren geraakt van een satanische raaf. Echter, volgens de Romeinen was de geluidloos vliegende uil juist een slecht voorteken. Ieder gebouw waarin een uil binnendrong moest ritueel gereinigd worden. Ook in Schotland en Wales betekende uilengekras een aankondiging van de dood. Boeren in Groot-Brittannië spijkerden een dode uil met gespreide vleugels aan de schuurdeur om hagel en bliksem af te weren. De koekoek zou s’ winters naar het noordelijke dodenrijk vliegen. Hoorde je hem uit het noorden roepen dan betekende dat rampspoed. Hoorde je hem echter uit het zuiden roepen dan betekende dat een goede oogst, uit het oosten voorspelde hij liefde en uit het westen geluk. Volgens de bewoners van Wales hoefde je alleen maar de roep van een koekoek te volgen om fortuin te vergaren. In Groot-Brittannië en Frankrijk bracht het winterkoninkje geluk. De christenen vertelden dat het roodborstje had geprobeerd het bloed te stelpen dat uit de zijde van Jezus aan het kruis vloeide. De duif werd geassocieerd met ‘de Heilige Geest’. Aan illustere hoven voorspelde de edele Caladrius de dood van de koning. Draaide de vogel de zieke de rug toe dan zou hij zeker sterven. Nam de magische vogel de kwaal over en vloog hij naar de zon, dan was er kans op genezing. Vogels werden in oude tijden vaak in verband gebracht met de zon. De mythische Feniks, geboren uit vuur, verrees volgens de Egyptenaren en Arabieren uit zijn eigen as. In Rusland verscheen de Vuurvogel met vlammende vleugels aan mensen in nood. Marco Polo schrijft over een gigantische adelaar, Roc, die zo sterk was dat hij een olifant met zijn klauwen op kon tillen – die hij vervolgens te pletter liet vallen zodat hij zich met het olifantenvlees kon voeden. Sindbad de Zeeman sloeg zijn tulband om de klauwen van deze reuzenvogel om zich naar een ander eiland te laten vliegen. En dan had je nog gevleugelde wezens als de griffioen, het hemelpaard Pegasus, de enge harpijen en wat dacht je van de gevleugelde dwergen in het verre Japan: de Tengu.

Ik ga nooit trouwen
Toen Meijer haar masterscriptie filosofie over dierentaal schreef stuitte ze op het werk van Len Howard (1894-1973), een zonderlinge vrouw die zich terugtrok in een klein huisje op het Engelse platteland, waar ze samenleefde met de vogels die haar omringden. Howard schreef twee opmerkelijke en bijna vergeten boeken: “Birds as Individuals” en “Living with Birds”. “Het vogelhuis” is een luchtige, verstilde, fijngevoelige roman over deze vogelvrouw. Een verhaallijn volgt haar vogelobservaties, een andere bevat haar levensverhaal. Howard groeit op in een meer dan bemiddeld gezin. Haar vader organiseert als enige in West-Wales regelmatig saaie ‘salons’. Er wordt gemusiceerd en hij draagt er eigen en andermans gedichten voor. Howard speelt trouwens niet onverdienstelijk piano. “… De gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijntjes valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt…”. Van kleins af aan helpt ze haar vader met het verzorgen van gewonde of uit het nest gevallen vogeltjes. Ze houdt bij welke vogels in de tuin komen. Geeft ze namen. Een tamme kraai houdt bivak in haar slaapkamer. Af en toe schrijft ze verhalen over vogels. Met haar moeder, die drinkt, altijd hoofdpijn heeft, haar uitlacht om haar vogeltic, indruk probeert te maken op de kerels om haar heen en zich expliciet zorgen maakt over dat Howard en haar zus maar niet aan de man komen, heeft ze niets. Ze lijkt dezelfde onafhankelijkheidsdrang te hebben als Sand: “… ‘Ik ga nooit trouwen.’ Terwijl ik het zeg weet ik dat het waar is…”. Als achttienjarige droomt ze over het conservatorium. Violist worden. In Londen of ergens anders: “… voor componisten zijn vogels ook belangrijk. Paul (op wie ze stiekem verliefd is, maar die met een ander vrijt) vertelde me laatst dat Mozart zich liet inspireren door de spreeuwen die hij als huisdier hield…”. Ze wil ooit haar eigen geld verdienen. “… Je hoeft toch helemaal geen geld te verdienen? We hebben genoeg geld…”, oppert haar zus. “… Ik wil mijn eigen leven leiden…”.

Passie

Een vriend van haar vader is dirigent in Londen. Ze weet hem voor haar karretje te spannen. Bemachtigt een baan als violist in zijn orkest. De stad is druk en lawaaiig en vies en vol landlopers en soldaten. De eerst wereldoorlog. Jongens en mannen verdwijnen om nooit meer terug te komen. Ze is niet gelukkig: “… De stad benauwde me, de mensen…”. Ze mist de natuur. Ze valt voor een kunstenaar in een woonboot, maar ziet een huwelijk niet zitten: hij heeft niet genoeg aan haar. Naast haar muzikale activiteiten schrijft ze artikelen over vogelonderzoek. Iemand biedt een verblijf in een blokhut aan, ver weg op het platteland, waar ze ongestoord kan werken. Als ze terug is merkt ze dat ze helemaal klaar is met spelen. Het geroddel van collega’s komt haar de neus uit. Haar vader is inmiddels overleden en heeft een behoorlijke erfenis nagelaten – over geld hoeft ze niet in te zitten. Ze besluit haar passie te volgen en koopt een buitenhuis(je) waar ze haar experimenten met vogels voortzet: hun zang in kaart brengen. Eindelijk doet ze wat ze echt wil. Het weinige dat ze merkt van de Tweede Wereldoorlog is dat ze moeilijk aan eten kan komen voor haar vogels. Plus dat haar ooit zo geliefde Paul ineens langs komt. Wegens insubordinatie op de vlucht voor het leger. Ze gelooft geen snars van het verhaal dat hij ophangt. Later zal hij als deserteur de kogel krijgen: ‘onschuld valt niet te bewijzen’. Wat er precies gebeurd is komt Howard niet te weten. De dorpelingen die haar gekend hebben zien Howard nóg over de velden lopen: met allerlei vogels op haar (gespreide) armen en hoofd.

Tellen
Het verhaal over haar vogelresearch is zo waanzinnig mooi dat het maakt dat je voor altijd anders naar vogels gaat kijken. En dat is ook haar bedoeling: “… Ik wil graag dat de mensen over de vogels leren, dat ze ze beter gaan begrijpen en beter leren behandelen…”. Binnen de kortste keren wonen er koolmezen in haar huis. Ze trekken draadjes uit haar tapijt en sokken om nestjes mee te maken. Eentje maakt haar wakker door een haar uit haar hoofd te trekken. Mussen spelen tikkertje. Pimpelmeesjes piepen zenuwachtig om hulp als er eitjes uit het nest zijn gevallen. Een merel zingt een motiefje van Bach na dat Howard op de piano speelt. Aan de hand van het gedrag van de vogels leert ze het weer voorspellen. Sommige vogels vinden het leuk om papier te scheuren of in de lampenkap te pikken. Anderen vermaken zich door van een kussen naar beneden te glijden: “… hun pootjes stijf, vogelskiën, grote pret…”. Een vogeltje gebruikt eikenbladeren om zijn vijanden af te schrikken. Een gekke creatieveling gaat met zijn pootjes aan een tak hangen zonnen: “… de vleugels opzij – heel slim, de zon komt zo aan de voorkant en de achterkant. Heel kwetsbaar ook…”. Hoe je vogels vast moet houden: “… De truc is om met je handen een holletje te maken om het lichaam van de vogel, maar zonder kracht of dwang; als vogels weten dat ze niet kunnen bewegen zullen ze meegeven, en als ze geen kracht voelen zullen ze zich niet verzetten…”. De slimste koolmees is ‘Ster’ die leert tellen: “… In 'Nature' las ik over een onderzoek met duiven die op aanwijzingen van de stem reageerden. Ik besloot dit uit te proberen met Ster. ‘Vier,’ zei ik op een ochtend, en ik tikte vier keer. Ze tikte vier keer – ik gaf haar een nootje. ‘Vier,’ zei ik nog een keer. Ze bleef me aankijken. ‘Vier.’ Ze aarzelde, boog zich toen voorover en tikte snel vier keer. We herhaalden dit later op de dag nog eens – eerst tikken met het woord, dan alleen het woord -, ze leek goed te begrijpen wat de bedoeling was. In de weken die volgden leerde ze zo vijf, zes, zeven en acht. Negen lukte niet, omdat ik het niet snel genoeg kon tikken. Voor vogels gaat de tijd sneller dan voor ons en Ster verveelde zich door mijn langzame getik, ze begon bij acht altijd al te tikken en dus kwamen we nooit verder. Zo werkten we die winter door…”. Als Ster wil tikken maakt ze dat duidelijk door haar veren uit te zetten. In het broedseizoen komt er niets van, dan is ze namelijk veel te druk. “… Ster tikte niet voor een beloning, ze vond het leuk om te doen, om samen te werken…”.

Tijd ver vooruit
De duizenden reacties op haar artikelen en boeken zijn over het algemeen positief, hoewel sommige mensen Howard antropomorfisme verwijten: het aan dieren toedichten van menselijke eigenschappen. Ze bestrijdt dat heftig. Volgens haar hebben alle vogels een individuele intelligentie en een eigen persoonlijkheid. Inderdaad, net als mensen. Maar wij zijn ook natuur. Bovendien heeft ze geen enkele opleiding. Echter, Howard is van mening dat er niets klopt van de toen gebruikelijke wetenschappelijke studies. Die spelen zich af in laboratoria. Maar vogels in gevangenschap gedragen zich anders dan normaal – zijn niet zichzelf. Howard wil weten hoe vogels zich in vrijheid gedragen. Haar publiek vindt het allemaal fantastisch. Als een geldmagnaat een vakantiepark naast haar huis wil bouwen, wordt er via de kranten en radio en televisie zo’n hetze ontketend dat de bouw niet doorgaat. Volgens Eva Meijer was Howard qua onderzoek haar tijd vér vooruit.

Uitgave: Cossee – 2016, 256 blz., ISBN 978 905 936 669 5, € 18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier