Menu

vrijdag 16 februari 2018

De moord op Commendatore – Haruki Murakami


Subtitel: Deel 2 – Metaforen verschuiven

Verder over kunst en verbeelding. Ik had nog nooit iets van de wereldberoemde Japanse schrijver Haruki Murakami (1949) gelezen en ben lukkraak begonnen met het, onlangs uitgegeven, tweede deel van “De moord op Commendatore”, dat start met hoofdstuk 33. Ik vond het prima zelfstandig te lezen, al beweren sommigen het tegendeel. Ik kwam wel wat losse draadjes tegen, maar in de loop van het boek waren die goed te verbinden. Het gaat om een bijna verslavend verhaal dat een beetje doet denken aan "Het portret van Dorian Gray" van Oscar Wilde.

Eenheid in verscheidenheid

In het ND van 1 december 2017 stond een intrigerend interview met filosoof Ype de Boer die een boek over het oeuvre van Murakami heeft geschreven: "Murakami en het gespleten leven" (uitg. Amsterdam University Press). Daarin haalt hij de gangbare visie, dat Murakami’s literatuur is te interpreteren als een zoektocht naar het ware zelf, onderuit. Volgens hem draait het in de wereld van Murakami juist om onze wezenlijke gespletenheid (ook al zou Murakami dat zelf misschien niet zo door hebben). Misschien gaat het om allebei? Eenheid in verscheidenheid? A là Carry van Bruggen? Deel twee van “De moord op Commendatore” begint met het gegeven dat een kunstschilder bezig is aan een portret van een dertienjarig meisje, Marie Akigawa. Ze bezit de schoonheid van een pop. Hij vertelt haar dat hij haar ‘driedimensionaal wil begrijpen’. Marie tekent zelf ook graag en zegt dat ze ongeveer evenveel van dingen houdt die je kunt zien als van dingen die je niet kunt zien (onze gespletenheid): “… Ik keek naar Maries ogen. In haar ogen dreef een speciaal soort licht. Ik begreep niet goed waar ze concreet op doelde. Maar ik was niet zozeer gefascineerd door wat ze had gezegd als wel door het licht achter in haar ogen. ‘Dat is een behoorlijk wonderlijke opvatting,’ zei Shoko Akigawa. ‘Het lijkt wel een raadsel.’ Zonder antwoord te geven keek Marie naar haar handen. Toen ze even later opkeek, was het speciale licht alweer uit haar ogen verdwenen. Het was er maar een ogenblik geweest…” (het ware zelf). Shoko is trouwens Maries aantrekkelijke tante die haar in haar Toyota Prius brengt – er komen verrassend veel automerken langs in het verhaal. Terwijl Marie model zit leest de tante een geheimzinnig boek waarvan ze de titel niet wil zeggen, omdat ze bang is dat ze het dan niet meer uit kan lezen. Zoals altijd.

Het ‘verhaal’ van iemand
Verder over Maries ogen: “… Ze hadden een merkwaardige glans die ik ‘tijdelijk bevroren vlammen’ zou willen noemen. Er zat iets koortsachtigs in, en tegelijkertijd was het een door en door kalme, koude glans. Het deed me denken aan een bijzondere edelsteen die een eigen lichtbron in zich had. Daarin streed een naar buiten gerichte drang tot openhartig zoeken op het scherp van de snede met een inwaartse drang die op conclusies uit was…”. Toe maar… Kortom: “… Hoe het ook zij, de uitzonderlijkheid van de glans in haar ogen moest ik weergeven op het doek. Als element dat de kern vormde van de uitdrukking van Marie Akigawa…”. Iedereen kan met een beetje oefenen zonder meer een vorm afbeelden, zegt de portretschilder, maar daarmee is het nog geen kunstwerk. Het is zaak je eigen unieke interpretatie weer te geven. Dat lukt hem aardig: “… Als je het mij vraagt, lijkt het erop dat je geleidelijk je eigen richting te pakken krijgt. Alsof je eindelijk uit een diep woud bent gekomen. Die flow moet je koesteren…”. Het gaat erom ‘het verhaal’ van iemand te ontdekken. Daarom probeert hij een gesprek aan te knopen met het doorgaans nogal zwijgzame, eigenzinnige meisje, waaruit naar voren komt dat haar moeder is overleden aan fatale wespensteken. De kunstenaar voelt zich met Marie verbonden omdat hij ook een dierbare moet missen: zijn twaalfjarige zusje. Het gaat over de tijd ervoor en de tijd erna die niet goed op elkaar aansluiten. De muur die er tussen zit. Het opmerkelijke vind ik dat de kunstenaar eerst de kern van Maries persoonlijkheid wil schilderen. Daarna zal hij in lagen haar beeltenis er overheen aanbrengen: “… Dan was het verder een kwestie van het benodigde vlees toevoegen…”. Alsof hij haar als het ware aankleedt. Om iemand wezenlijk te begrijpen gaat een gesprek meestal net andersom. Normaal praat je als het ware naar iemands kern toe. Alsof je iemand uitkleedt. Ook mooi: “… Ze had haar dikke honkbaljack weer aangetrokken. Alsof ze haar lichaam ergens tegen moest beschermen…”. Dus daarom houden mensen mogelijk in bepaalde omstandigheden hun jas aan…

Raadselachtige schilderijen

Er komen twee schilderijen aan bod die een belangrijke rol spelen in de roman. De schilder die in scheiding ligt, blijkt tijdelijk in het huis van de vader van een vriend te wonen. Een beroemde kunstenaar die wegens vergevorderde dementie is opgenomen in een verpleegtehuis. Hij mag gebruik maken van zijn atelier. Het eerste is een schilderij in wording: “De man van de witte Subaru Forester”. Een bestaand persoon die de schilder ooit is tegengekomen en een sterke indruk heeft achtergelaten. Het is opgebouwd uit de kleuren rood, groen en zwart, maar de man heeft nog geen heldere contouren gekregen. Marie kan de man echter wel zien en vindt het schilderij ‘af’. Er moet niet meer ‘leven’ in komen, want dan zou hij wel eens kwaadaardig kunnen worden. Het andere schilderij is van de huiseigenaar. De schilder heeft het op zolder gevonden, uitgepakt en aan de muur gehangen: “De moord op Commendatore”. Het beeld een moordaanslag uit, en de kunstenaar zal in de loop van het boek het verhaal achter het schilderij te weten komen. Vooralsnog is de heftige boodschap van het schilderij voor zowel de schilder als Marie een raadsel.

Fantasie
Zoals Liesbeth Labeur in “Een lamp voor mijn voet” Neeltje in een refo-wonderland laat verzeilen (zie hier) en Marieke van Meijerens’ oude weduwe in een soort vogelvrouw verandert (zie hier) gaat zijn fantasie ook met Murakami op de loop. Op een volkomen geloofwaardige manier trouwens. Als er al iets ongeloofwaardig overkomt in het verhaal is het de manier waarop Marie met de kunstschilder praat over het groeien van haar borsten. Ik kan me niet voorstellen dat een dertienjarig meisje het met een ouwe kerel - want dat zijn dertigers voor een dertienjarig meisje - over haar borsten gaat hebben. Althans, niet in onze cultuur. Een mannetje van zestig centimeter, in kledij uit de Auska-periode en met een zwaard om zijn heupen gegord, duikt in de omgeving van de kunstenaar op: de Commendatore uit het schilderij. Volgens eigen zeggen een ‘Idea’ die bestaat bij de gratie van erkenning van de schilder zelf. Hij heeft de grappige gewoonte de schilder aan te spreken met ‘jelui’. Het mannetje blijkt te zijn ontsnapt uit het grafgewelf achter een geheimzinnig tempeltje dat de kunstschilder samen met een buurman heeft uitgegraven, nadat hij het in het privébos rond zijn logeeradres ontdekte. Hij hoorde constant geklingel van een bel uit de grond komen (de bel heeft hij op een plank in het atelier gelegd, maar die is intussen verdwenen). De ondergrondse holte heeft iets van een baarmoeder en tegelijk iets van het onderbewuste. Marie weet er ook van. Ze komt wel eens via een ‘geheime doorgang’ door het bos stiekem op bezoek bij de kunstschilder. Omdat het huis op een berg staat, kost het veel meer tijd om in de auto naar hem toe te komen dan binnendoor. Het meisje kent het heuvelachtige gebied als haar broekzak. Ze heeft er haar hele jeugd in rond gezworven.

Vrije wil
Prachtig filosofeert Murakami over de ‘vrije wil’: “… In de romans van Dostojevski komen talloze personen voor die absurde dingen doen om te bewijzen dat ze vrij zijn van God en gebod…”. Een vriendin vindt dat de kunstenaar ook eens uit de band zou moeten springen: “… ‘Je lijkt altijd het verstandige te doen. Is het niet beter om je af en toe van zo’n keurslijf te ontdoen?’ ‘Een oud vrouwtje dat nog geld van me tegoed heeft doodslaan met een bijl?’ ‘Dat is een mogelijkheid.’ ‘Verliefd worden op een goudeerlijke prostituee?’ ‘Ook lang niet slecht.’…” (zie de roman "Misdaad en straf" van Dostojevski). Terwijl de kunstenaar de holte in het bos schildert verwerft ook dat schilderij een eigen wil. Tegen de tijd dat het voltooid is zegt het tegen de schilder dat er niets meer aan toegevoegd hoeft te worden: “… Zijn enige taak is aandachtig te luisteren naar die stem…”. De tante van Marie wordt verliefd op de buurman van de schilder die volgens Marie eveneens een sterke, zo niet onweerstaanbare wil heeft. Ze maakt zich zorgen. Ze vergelijkt hem met de wolf in het sprookje van Roodkapje. En een vrouw die onbedoeld zwanger is geraakt over waarom ze niet voor een abortus kiest: “… Kijk, ik leef uiteraard mijn eigen leven, maar mogelijk wordt bijna alles wat daarin gebeurt willekeurig bepaald en willekeurig gestuurd vanuit een plek die niets met mij te maken heeft. Met andere woorden: het lijkt alsof ik leef met iets als een vrije wil, maar dat ik uiteindelijk geen van de zaken die er echt toe doen zelf kies. En ik vroeg me af of mijn zwangerschap daar niet ook een uiting van is…”. Als christen voel ik dat precies zo en zou ik het niet beter kunnen verwoorden. Even verder: “… ‘In deze wereld is misschien niets zeker,’ zei ik. ‘Maar we kunnen tenminste in iets geloven.’…”.

Metaforen
Ype de Boer stelt dat het werk van Murakami zo aanspreekt omdat hij in staat is het moderne leven weer te betoveren. Met het verlies van godsdienst is er ook een ‘andere’ dimensie verloren gegaan. Marukami haalt die onzichtbare wereld terug, zonder daar wat voor religie dan ook bij nodig te hebben. Tijdens het lezen had ik de ervaring dat Murakami er niet zomaar op los fantaseert, maar dat zijn verbeelding raakt aan diep religieuze voorstellingen en te maken heeft met wat Jung mogelijk bedoelt met ‘archetypen’. Zoals dat ook bijvoorbeeld in sprookjes het geval is. De optredende gestalten betitelen zichzelf dan ook als ‘metaforen’. Zien zichzelf als ‘nederige beeldspraak’. Je hebt zelfs ‘Tweederangs Metaforen’ en ‘Dubbele Metaforen’: de laatste zijn gevaarlijk. Als Marie op een zeker moment verdwijnt krijgt de kunstschilder de taak haar te redden. Tijdens een bezoek aan de doodzieke vader van zijn vriend in het verpleeghuis treedt Commendatore weer op. Hij overhandigt zijn zwaard aan de kunstschilder en eist dat deze hem daarmee ombrengt. Het lijkt de enige manier om de zieke man rust te geven en Marie te helpen. Omwille van een wedergeboorte is er een groot offer nodig. Om de dood tegen te houden moet er bloed vloeien. Zoals Jezus zijn leven gaf om anderen te verlossen, zo geeft als het ware Commendatore ook zijn leven, waardoor er een kettingreactie aan nieuwe gevolgen ontstaat. De kunstschilder stemt toe en ondergaat zijn beproeving, zoals iedereen eens voor een ultieme beproeving komt te staan: “… ‘Ooit komt zeker de vuurproef,’ zei Menski. ‘De vuurproef is een kans voor een frisse start in het leven. Hoe zwaarder hij is hoe meer profijt je er later van hebt.’…”. Iedere crisis is ook een kans. Na de moord opent zich een gat in de vloer waaruit het bizarre figuurtje van ‘Langsmoel’ opduikt, die ook op het schilderij is te zien. De kunstenaar wordt gesommeerd zich in het gat te wurmen. Een tocht door een imaginair landschap volgt, dat sterk doet denken aan de reis van Neeltje door het hiernamaals uit “Een lamp voor mijn voet” van kunstenares Liesbeth Labeur (zie hier). Een duister, ondergronds pad - het ‘Pad der Metaforen’- voert naar een rivier die overgestoken moet worden: “… Dat moet iedereen…”. De doodsrivier? Of gaat het juist om ‘het water des levens’? En verder: “… Wat er aan de andere oever van de rivier is, hangt af van wat de mensen er zoeken…”. Het doet me denken aan de postmoderne gedachte dat wij uiteindelijk allemaal ons eigen verhaal scheppen – zie ook de prachtige roman “Ons soort mensen” van Julie Zeh. De schilder wordt geholpen door een veerman (ik had gelijk associaties met Sint Christoffel): een reus zonder gezicht. In plaats daarvan is enkel een ‘melkwitte leegte’ te zien. Zie ook weer het werk van Liesbeth Labeur. Zij tekent altijd figuren zonder gezicht, Elckerlijcs, waarbij je zonodig je eigen gezicht of dat van een ander in kunt vullen – alsof ze enkel het ‘merk’ refo uitbeeldt. Er is zelfs sprake van de ‘plunjezak van mijn geheugen’ (zie de last die Neeltje draagt a là Bunyan) en een zwarte kater (zie de puma die Neeltje begeleidt - Paul Claes voert in zijn roman "De Zoon van de panter" trouwens Jezus op als zoon van de Romeinse soldaat Panthera). In de Bijbel wordt eenvoudig gesteld dat God ook bij de ongelovigen zijn wetten - misschien wel als archetypen, wie zal het zeggen? - in het hart legt. Hoe is het mogelijk dat een Japanse en een Hollandse kunstenaar met dezelfde beelden spelen? Daar sta ik echt paf van. Dat kan toch bijna geen toeval zijn?

De kracht om te geloven
De tocht van de kunstenaar voert naar een spelonk waar een helder licht hem wenkt (zie de beschrijving van het hemelse Jeruzalem waar Neeltje terecht komt). Hij kruipt door een nauwe gang die uiteindelijk uitkomt in de grafholte achter het tempeltje bij zijn logeeradres. Hij vindt er de bel waarmee hij net zolang klingelt tot zijn buurman hem hoort en bevrijdt. Marie duikt op, zijn vrouw komt weer terug, eind goed, al goed. De magische tocht heeft hem echter wel veranderd. Wijzer gemaakt. Zoals alle tochten in boeken dat op de een of andere manier doen – zie “De onvergetelijke reis van August King”. De boodschap van Murakami lijkt mij goed verwoord in het commentaar van een van zijn personages: “… In een mensenleven zijn er tal van dingen die moeilijk te verklaren zijn, of die je NIET HOORT te verklaren. Vooral als hun essentie verloren gaat door ze te verklaren…”. Kortom: het geheim moet je laten staan. Grote literatuur draait om onuitsprekelijke waarheden. De kunstenaar op de laatste bladzijde: “… ik beschik over DE KRACHT OM TE GELOVEN. Ze mogen me in om het even welke nauwe, donkere plek stoppen (de grafholte), me in om het even welke woeste wildernis droppen (de imaginaire wereld), er zal ergens iemand zijn die me de weg wijst. Dat geloof ik oprecht. Dat heb ik geleerd door die reeks buitengewone belevenissen tijdens mijn verblijf in het huis op de bergtop aan de rand van Odawara (zijn logeeradres)…”. Dit boek is niet zomaar een vertelling, dit boek is een belevenis.

Uitgave: Atlas Contact – 2018, vertaling Elbrich Fennema en Luk Van Haute, 536 blz., ISBN 978 902 545 159 2, € 29,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 29 januari 2018

Een hemel zonder schroeven – Marieke van Meijeren


We blijven nog even in Zeeland. Zeeuwen hebben blijkbaar niet alleen iets met God, maar ook met kunst . Dat is niet zo raar, want volgens sommigen zijn dat twee kanten van dezelfde medaille (zie het interview van Wim Brands met Vonne van der Meer over “Het smalle pad van de liefde”). Eigenlijk is “Een hemel zonder schroeven” een toekomstroman, want het gaat over een oude, verwarde vrouw die haar man heeft begraven, en wel op 8 maart 2065. Verder merk je daar niets van, behalve dat de kunstenaar Marlene Dumas inmiddels dood is. Op het eind vertelt de vrouw dat ze is geboren in 1983. Hetzelfde jaar als de schrijfster: Marieke van Meijeren. Heeft ze zichzelf in de toekomst geprojecteerd?

Een narrige, blinde weduwe

De hoofdstukken zijn onderverdeeld in de vier aardse elementen: Aarde, Lucht, Water, Vuur, en een vijfde, Ether - het Goddelijke. Het verhaal. Na het condoleren neemt zoon Seth zijn moeder mee naar de boulevard van Vlissingen: “… Misschien vond ze bij het strandjutten wel een olievat of jerrycan om haar tranen te verzamelen, als een knipoog naar God…”. Het leuke is dat ik zelf een import-Zeeuw ben en momenteel in Vlissingen woon. Ik ken alle plekken waar het boek zich afspeelt. Van het Michiel de Ruyter standbeeld, waarbij ze de auto parkeren en waarvan de oude vrouw de norse mondhoeken verafschuwt (ik word anders wel vrolijk van het feit dat er altijd wel een witte meeuw oneerbiedig op zijn hoofd gaat zitten om zijn markante gestalte onder te schijten). Tot restaurant de Gevangentoren, waar haar zoon dit keer niet wil eten. De vrouw zoekt schelpen om het graf van haar man mee te versieren. Evenals in het boek van Liesbeth Labeur (zie mijn vorige blog) komen ook in deze roman glimpen van het bevindelijk-gereformeerde denken om de hoek kijken: “… Je mag de dood niet verbloemen (…) Maar niemand heeft ooit iets gezegd over schelpen..”. Refo’s willen geen kransen bij hun graf. En even verder: “… In mijn jeugd werd zelfs niet gezongen in een rouwdienst…”. Ondertussen denkt ze aan haar man: “… Zag Aron haar nu, vanuit een wereld die niet de hare was? Stootte hij een engel aan, zo van: Kijk, dat is ze nou? Dat Abraham haar niet kende, begreep ze. Of Jona, Johannes of James Fraser. Maar dat haar maatje, de man met wie ze meer dan vijftig jaar getrouwd was, met wie ze scrabbelde, met wie ze danste, met wie ze vree, haar niet meer kon zien, ging er bij haar niet in…”. Vree? Zou je als tachtigplusser ūberhaupt nog aan vrijen denken? Of ben je tegen die tijd compleet vergeten dat er zoiets als seks bestaat? Ik dacht aan de talloze oude en gehavende lijven die zich zonder enige schijnbare gene in mijn beroepsleven hadden bloot gegeven. En aan de foto-expositie in het verpleeghuis waar ik toevallig van de week met mijn dochter langs kwam. Een plaat van een oud stel dat elkaar kuste. Daarnaast twee zoenende jongens. Kan dat wel, hier – zei mijn dochter, terwijl ze met een zwart genagelde gothic-vinger naar de foto wees. Thuis, tussen haar tekenspullen en kunstboeken, omgeven door haar katten en de klanken van het Stabat Mater Dolorosa van Pergolesi, beseffend dat ze steeds minder gaat zien, geeft de oude vrouw zich over aan haar verdriet: “… Een narrige, blinde weduwe werd ze…”.

Angst en eenzaamheid

Prachtig beschrijft Van Meijeren, zelf kunsthistoricus, de tentoonstelling "The Image as Burden" van Marlene Dumas, die in de herinnering van de oude vrouw opduikt. De vier overrompelende babyschilderijen. Geklauwde handjes, gedraaide hoofden, opgezette buiken, gezwollen schaamlippen. Het angstzweet c.q. moederzweet breekt haar uit: “… ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Me verlaten?’ Jezus kwam haar in een zwart geschilderde kamer tegemoet. Hij hing aan een boom, in gekruisigde positie. Grove blauwgrijze vlakken als achtergrond. Ze keek naar de uitpuilende ribben, de ruwe verfstreken. Een monumentaal, bijna kleurloos schilderij. Solo, 2011…”. En verder over “… Maria die in zwijm valt bij het zien van Jezus’ verwrongen lichaam (Grūnewald), de mensenmassa aan de voet van het kruis (Rembrandt), een knielende Maria Magdalena die Jezus’ dode voeten kust (Giotto)…” als beeld van ultieme verlatenheid. Portretten van Amy Winehouse en Osama bin Laden, waar ze met al haar eenzaamheid en angst zo tussen zou kunnen hangen. Haar leven moet niet makkelijk zijn geweest. Verder gaat het over lege pannen op een brandend gasstel, in haar broek plassen, en haar zoon, die voor hij als ontwikkelingswerker weer naar Oeganda vertrekt een doortastende verpleegster in huis haalt, die haar zover moet zien te krijgen dat ze haar intrek in een zorgcentrum neemt. De onthutsing van de oude vrouw doet een beetje denken aan de roman "Hersenschimmen" van Bernlef. Ongenaakbaar wijst ze de zuster de deur: “… Ze keek naar het zorgvuldig opgemaakte gezicht. Wellicht had ze nooit een schop in haar handen gehouden en een geliefde begraven. Echtgenote was ze, oma misschien, levend van vakantie naar vakantie…”. Zonder schoenen sopt ze over de drassige grond rond haar erf om andijvie te snijden. Het lijkt haar wel lekker om bouillon van zout zeewater te trekken. Er is sprake van een valpartij met de fiets.

Paazburger
Flarden herinneringen aan een eerdere opname komen boven. Een psychiatrische afdeling. Een keizersnee. Zij als moeder van een zes weken oude baby in een rolstoel. Geen wonder dat de christelijke Maria haar aanspreekt: ze blijkt ‘Maria’ te heten. Psychiaters, psychologen, EMDR, gedoe met diclofenac-pillen. Eten in de huiskamer: “… ‘Eén kuipje pindakaas per snee, hè,’ riep een man aan de overkant van de tafel. ‘Ja, Wim, je bent al goed ingeburgerd,’ lachte Jacqueline. ‘Een paazburger,’ zei hij. Niemand lachte…”. Het herinnert me onmiddellijk aan “Paaz” van Mirthe van der Meer. “… Ik ben niet moe, maar kapot. En dood, hoor je, dood aan het gaan…”. Ze herbeleeft gebeurtenissen in Afrika. Legerhelikopters, blauwhelmen, volgeladen trucs met vluchtelingen, overvallen door rebellen. Ze zou aan oorlogsgerelateerde PTSS hebben geleden. Haar zoon als onhandelbare peuter om haar heen – uit pure onmacht slaat ze hem. Allebei janken. Ze droomt dat ze meevliegt op een grote mantelmeeuw, het Veerse Meer over, “… stortte met hem in het water. Op zulke vluchten leerde ze zichzelf van een andere kant kennen. Agressief, verwilderd, woest. Ze trok prooien uit de bek van vogels, deelde klappen uit. Bij elke uithaal genoot ze, niets dierlijks was haar vreemd, niets menselijks was haar bekend. In een schemerige toestand stal ze eieren uit nesten, vrat kuikens van visdieven op…”. Wat mij betreft bereikt Van Meijeren hier absoluut literaire grootheid: “… In het echte leven kon die wreedheid soms ook de kop opsteken. Wanneer Spot en Dora vochten om de warmte van haar schoot, pakte ze een poot of staart en trok er venijnig aan. Soms beten de katten. Ze lette niet op bloed of schrammen, luierbroekjes of schone kleren. Ze was een mensdier, of een diermens, een mengsel van de zesde scheppingsdag. Met vleeskleurige klauwen die kuikens onder water hielden en ze lieten verdrinken, met een snavel die het meest rotte der aarde naar binnen werkte, met een vogellichaam en vrouwenlijf. Dagelijks zong ze het Stabar Mater, op wonderschone wijze, maar liet als Ovidius’ sirenen schepen te pletter slaan…”. Van Meijeren woonde van 2011 tot 2013 zelf in een zeer onveilig Congo en raakte na terugkeer in een ernstige depressie: the image as burden.

Moeder-zoonschepping

Ontroerend beschrijft Van Meijeren hoe Seth samen met de oude vrouw in de schuur een grafmonument ontwerpt: een moeder-zoonschepping. Wat is er fijner dan met een demente vader of moeder nog één keer aan iets moois werken ? Net als vroeger… De levensgevaarlijke acties van de moeder als haar zoon even weg is, en aan het proza van Labeur doet denken: “… Ze klom op de werkbank en deed het raam open. De lucht was ijl, vol verlangen. Met opgeheven handen begon ze te zingen, ‘Zo laat Gij, Heer’, Uw knecht, naar ’t woord, hem toegezegd, thans henen gaan in vrede.’ Ze zegende de borsten en dijen van de danseres (‘wees vruchtbaar’), dompelde nonnetjes onder in een emmer met water (‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’). Dopen, zegenen, zalven. Het water stroomde in haar onzichtbare priesterbaard. Dit dus, dacht ze. Laat me los, dan ben ik tot veel dingen bereid. Seth kwam en greep haar bij haar benen. Hij was buiten geweest, zag ze. Zijn grijze krullen zaten verward. ‘Kom van die werkbank.’ Ze pakte zijn hand en liet zich naar beneden helpen. Haar jurk was nat. ‘Ik ben gedoopt,’ zei ze. Er kraakte iets onder zijn schoenen. ‘Mijn schelpen, je maakt mijn schelpen kapot!’ Hij zei dat ze verschoond moest worden…”. En op een melancholieke variatie van Bløf’s ‘Laten we dansen, dansen aan zee’: ‘Laten we begraven, begraven aan zee’. Even verder: “… Was er verschil tussen de echte wereld en een zelfgecreëerde?...”. Met als uitleg een citaat van Sándor Márai: “… We kennen haar altijd, die andere waarheid, die toegedekt wordt door een rol, door maskers, door situaties in het leven…”. Ze vindt ergens in de schuur een drankfles, zet hem gulzig aan haar mond.

Mystieke berusting

Hoe ze God ook tracht te vergeten, “… hoeveel verdoving ze ook zocht, Hij kwam haar achterna. In een tuinbroek met snoeischaar, of onzichtbaar in brood en wijn…”. Of ze het nu over God of Aron, haar overleden man heeft, is niet helemaal duidelijk - wat me ook weer doet denken aan ‘de Vaders die in de hemelen zijn' van Labeur: “… Ze zou de snoeischaar van Hem afnemen en Hem naar haar binnenplaatsje brengen. Ze zou de dennentakjes van Zijn kleed weghalen, Zijn voeten in een teil water stoppen. Hij zou met Zijn ogen dicht genieten, ja echt genieten. En zij, zij zou alleen maar kijken – kijken en kopen, veel kopen. Zoiets moest het worden, haar eerste Avondmaal – als een mystieke ontmaagding, een eeuwige tatoeage. Morgen was het zover. ‘Twist met mijn twisters, Hemelheer.’ Ze zong het in bed, op de fiets, in haar studentenkamer. Ze was geen wapentuig, maar een meisje. Een lammetje met bebloede poten, nog niet aan de jacht ontkomen…”. Het ‘binnenplaatsje’ is goed te associëren met Labeurs’ veelvuldige verwijzingen naar interne ‘binnenkamers’. Dreigende bevindelijke waarschuwingen fladderen om Maria’s hoofd: “… Je gaat met een ingebeelde hemel naar de hel…”, “… Je zult met dubbele slagen geslagen worden…”. Het is makkelijker Jezus te belijden tussen Utrechtse zwervers en islamisten dan in de mudvolle kerk vol donkergeklede mensen, waar maar een handjevol kerkgangers het avondmaal nuttigt. Ze is de jongste: “… Ze at Jezus en Hij at haar. Zonder Hem ging ze dood, zonder Haar ging Hij dood…”. Anders dan bij Labeur, lijkt de oude vrouw uiteindelijk een soort van mystieke berusting te bereiken. Ze eindigt in haar doodskist die niet is dichtgeschroefd, zodat ze er uit kan ontsnappen en met de profeet Elia, die de ‘dood niet smaakte’ (Mattheūs 16:28) en nooit werd begraven, mee ten hemel vaart in zijn vurige wagen.

Uitgave: Mozaïek – 2017, 160 blz., ISBN 978 902 399 695 8, € 17,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 24 januari 2018

Een lamp voor mijn voet – Liesbeth Labeur


In mijn vorige blog schreef ik over de invloed van W.G. van der Hulst op mijn lezen. Grappig genoeg kent de Zeeuwse kunstenaar Liesbeth Labeur (1975) dat ook. Bij monde van haar hoofdpersoon Neeltje: “… Ook trof Neeltje in de boekenkast nog een rijtje W.G. van der Hulst aan. Kinderboekjes in de stijl van het Huiselijk Realisme, een stroming uit het begin van de vorige eeuw. De ruggen waren versleten. Neeltje bladerde door de boekjes. Ze zag tot haar verwondering dat haar tekeningen er iets van weg hadden…”. Waarschijnlijk zijn alle ex- en nog steeds praktiserende refo’s van boven de veertig opgegroeid met de warme en oersentimentele Van der Hulst-tekeningen – zo ongeveer de enige kunst die in de vorige eeuw in bevindelijke kringen à la Jan Siebelink gewaardeerd werd. Cornelis Jetses en Rien Poortvliet mochten ook nog wel, al waren die kabouters toch een beetje verdacht – want ‘bijgeloof’.


Tale Kanaäns

Een tijdje geleden was ik bij de presentatie van “Een lamp voor mijn voet” in ‘De Drukkerij’ op de markt in Middelburg (als je er komt, moet je er echt eens gaan kijken – het is een van de mooiste boekhandels die ik ken; er is ook nog een leuk restaurant in onder gebracht), waar het tweede boek van Labeur het licht zag. Plus een heruitgave van het eerste: de graphic novel "Op weg en reis". Het werd in 2010 uitgegeven onder de titel “Op weg naar Zoar” en het pseudoniem ‘Sela’: zie hier. Omdat er nogal wat verwarring ontstond over de naam ‘Sela’, waarmee ook een gospelgroep aan de weg timmert, besloot Labeur voortaan onder haar eigen naam te publiceren. Hoewel Labeur haar geloof gaandeweg heeft verloren vindt ze het jammer dat het reformatorische milieu waarin ze opgroeide aan het verdwijnen is. Met haar kunst probeert ze een monument op te richten voor haar ‘bevindelijke’ roots. En daar slaagt ze wat mij betreft wonderbaarlijk in. Haar werk mag dan letterlijk en figuurlijk zwart-wit zijn, beklemmend, en volgens sommige insiders zwaar overdreven – om een bepaalde sfeer of een specifiek gevoel over te brengen móet kunst wel chargeren. En dat allemaal ook nog eens beschreven in de ‘Tale Kanaäns’, een unieke geloofstaal, gebaseerd op de bijbelse ‘Statenvertaling’ uit de 17de eeuw, die onder andere gekenmerkt wordt door het gebruik van veel verkleinwoordjes: “…Laten we een ogenblikje bidden…”. Neem het filmpje “Vertoeven”: zie hier. Het gezin waarin ik opgroeide schurkte tegen de reformatorische wereld aan (met andere woorden: mijn ouders waren niet superzwaar), en ik kan mij niet herinneren dat ik ooit zulke deprimerende preken heb aangehoord, maar ik herken mezelf direct in het meisje met haar vreselijke hoedje. Haar wereld schuurt en knelt en jeukt. “Een lamp voor mijn voet” is geen stripverhaal maar bestaat wel voor de helft uit tekeningen. Bij de presentatie vergeleek de uitgever het werk van Labeur met dat van de in Auschwitz omgekomen Charlotte Salomon (1917-1943), die haar leven ook als het ware ‘verstripte’. Momenteel loopt er een tentoonstelling over Salomon in het Joods Historisch Museum (tot 25 maart): zie hier. Van de presentatie van “Een lamp voor mijn voet” zijn mij twee dingen bij gebleven. Ten eerste: omdat het moeilijk is inhoudelijk over het bevindelijke leven te praten (zeg nu zelf: wie heeft er nog wat met de ‘Tale Kanaäns’?) stelde Labeur voor onszelf meer in beelden uit te drukken. Volgens haar kom je daar verder mee. Dat zou goed kunnen. Wat zie je voor je als je bijvoorbeeld Psalm 81, “… Opent Uwe Mond, Eist Van Mij Vrijmoedig…”, zingt (het eerste liedje dat alle kinderen op een reformatorische school leren)? Ten tweede vertelde ze dat ze op dit moment niet gelooft, maar dat ze niet weet waar ze over een paar jaar staat. Ik vind het mooi als mensen de toekomst open houden. Dat getuigt van een open geest. Ik houd niet van dichtgetimmerde werelden, of die nu religieus dan wel seculier van aard zijn. Ik denk dat je jezelf met elke dichtgetimmerde wereld tekort doet.


De reformatorische zuil
Het boek begint met een inleiding waarin Labeur kort uitlegt hoe de reformatorische zuil is ontstaan: via de reformatie -16e eeuw, de Dordtse synode in 1618, de Nadere Reformatie – na 1620, het ontstaan van de Psalmen in de ‘oude berijming’ in 1773, naar de 20ste eeuw, met een bevindelijke partij van eigen signatuur: de SGP, een eigen krant: het Reformatorisch Dagblad, en eigen scholengemeenschappen (die trouwens kwalitatief uiterst hoog staan aangeschreven). Als je een beetje je best doet hoef je het bevindelijk-gereformeerde wereldje nooit meer te verlaten, want er zijn inmiddels ook reformatorische zorginstellingen en dat soort dingen. Labeur schrijft dat in 1985 het sociologische werk ‘Bewaar het pand’ verscheen, waarin de eigen identiteit veilig werd gesteld en een reformatorische filter voor internet verscheen, ‘Kliksafe’, maar dat heb ik zelf allemaal niet meer zo meegekregen.


Me Too
Het verhaal. “… Een kind is ons geboren. Een dochter ons gegeven…” - Jesaja 9:5. Neeltje wordt als zevende kind ‘in zonden ontvangen en geboren’ in een Zeeuws zeemansgezin. De tekening van haar zus, die van ‘moes’ de buurvrouw moet roepen als de weeën beginnen, doet inderdaad aan Van der Hulst denken. Ik ken uberhaupt maar één meisje die haar moeder aanspreekt met ‘moes’: Rozemarijntje! Vader Jacob (slaapt gij nog) beziet trots zijn welig tierende kinderschaar: “… vaste gebouwen van gunstbewijzen…” - psalm 89. Moes is organist tijdens de zondagmiddagpreek: “… De dominee hield van haar muzikaliteit, ze was een witte raaf…”. Okay. Omdat zeven kinderen haar teveel zijn - tja, daar is ze anders toch echt zelf verantwoordelijk voor - zoekt vader Jacob werk aan wal. Zo lekker loopt het niet tussen die twee: “… Hun groene olijfspruiten versierden de kerkbank, maar de wijnstok bloeide niet…”. Moes ‘verkeert somtijds in zwakheid’. Haar tong daarentegen is als een ‘tweesnijdend zwaard’. En vader Jacob is nogal irritant dominant. Het verhaal gaat bedaard door over hoe een Zeeuwse refo-familie de dagen doorkomt: orgelles, catechesatie, de zaterdagse voorbereiding op de zondag, want dan wordt er niet gewerkt. En dan is daar ineens dat rare antwoord van de vader op de vraag, van de inmiddels aardig orgel spelende Neeltje, of ze dat ook eens in de kerk mag doen: “… Jij? Nu al? (…) Daar komt niets van in (…) Als je borsten even groot zijn als die van je moeder mag je van mij in de kerk orgelspelen…”. Hij zegt in ieder geval nog netjes ‘borsten’. Je voelt direct nattigheid: dit wordt een MeToo-verhaal. En ja hoor, als Neeltje op een zaterdagavond staat te douchen, komt haar vader binnen: “… Ik kom even kijken hoe groot je borstjes nu zijn. (…) Je wordt al een grote meid…”. Hoe Neeltje ook bidt, het houdt niet op. Terwijl moes zondagsmiddags vroom op het orgel toetert, neemt vader Jacob zijn dochtertje mee naar bed, waar ‘onuitsprekelijke dingen’ gebeuren. Labeur vertelt het tussen neus en lippen door. Bijna argeloos. En dat maakt het om van te kotsen. Oh Neeltje, dacht ik, waarom gil, krijs, blèr je niet net zo lang tot je boven dat rotorgel uitkomt?! Maar refomeisjes blèren niet – dat is hun nooit geleerd. Refomeisjes zijn gedienstig en gedwee. Refomeisjes moeten “… in alle tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar zijn…”. Ik sluit hierbij Neeltje voorgoed in mijn hart. En ik voeg er gelijk maar alle traditionele refomeisjes bij.


Goed heen
Als Neeltje op de kunstacademie in Antwerpen zit sterft haar vader aan een hartaanval: “… Zou vader Jacob vergeving hebben gekregen? Was hij, nu hij dood was en voor Gods troon had moeten verschijnen, in de hemel of was hij weggestuurd en aan het branden in de hel?...” (ik hoop natuurlijk van harte het laatste – neem mij niet kwalijk). Ondertussen heeft ze een vriendje, Jan, die haar direct is opgevallen tussen alle andere studenten: scheiding, ruitjesblouse met lange mouwen keurig in de broek gestopt, bovenste knoopje dicht. Een refo verraadt zich altijd. Op een ontzettend grappige manier communiceren ze met elkaar in de alleen hen bekende ‘Tale Kanaäns’: “… ‘Oké, een test: Aangaande.’ Neeltje maakte zonder problemen de zin af. ‘Goed! Volgende: ‘Ai, ziet.’ ‘Hoe goed, hoe lieflijk.’ ‘Goed!’…”. In de trein, op weg naar de begrafenis van vader Jacob: “… Ze legde haar hand op Jans knie en boog zich naar hem toe. ‘Ontzetting heeft mij aangegrepen.’ ‘Mijn hart is flauw in mij,’ antwoordde hij. ‘Vrij naar de Klaagliederen van Jeremia.’…”. In plaats van ‘ik hou van je’ (Nederlands) of ‘ik zie u graag’ (Vlaams) fluistert hij in haar oor: “… Ik loof u in een grote schaar…”. Als hij een katje meeneemt naar het kraakpand waar ze wonen, noemt hij het Nimrod: “… gelijk geschreven staat in Genesis: ‘Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN. Daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.’…”. Als vader Jacob dood is maakt Neeltje van het ‘Onze vader die in de hemelen zijt’ in gedachten ‘Onze Vaders die in de hemelen zijn’: “… ‘jullie naam worde geheiligd, jullie wil geschiede. Tot in eeuwigheid…”. En rauw: “… Op de morgen van de begrafenisplechtigheid zei moes: ‘Het is zo fijn dat er nooit wat gebeurd is in ons gezin!’…”. Er wordt veel onderling overlegd en gewikt en gewogen met de kerkenraad. En ja hoor: “… Neeltje begreep dat het was beslist. Vader was goed weg. Hij was nu in de hemel en niet in de hel…”.


Neeltje in wonderland
Hoe krijg je incest rond gedacht? Hele stukken gaan over de rijke dromen en fantasieën van Neeltje. Daarin is Labeur op haar best. Als een soort ‘Christen’ uit het allegorische boek “Eens Christens Reize naar de Eeuwigheid” (1675), van de puriteinse predikant John Bunyan, dwaalt Neeltje in haar verbeelding, al dan niet op puma-schoenen en met een groot pak zonden op haar rug, door nu eens een ‘land van melk en honing’ en dan weer door een ‘een vallei van orgelpijpjes’: “… Neeltje wilde graag de last die ze droeg naast zich neerzetten en uitpakken. Maar telkens als er een geschikt moment was werd ze besluiteloos. Ze wist 1. Niet goed hoe ze de last van haar schouders moest krijgen en 2. Kon neerzetten, laat staan 3. Hoe ze deze kon openen en 4. Schikken zodat 5. Inzichtelijk werd wat 6. Die last was…”. De puma-schoenen zorgen dat ze begeleid wordt door een soort puma - of misschien ‘Nimrod’? Als de ‘gekke hoedenmaker’ uit “Alice in wonderland” komt de ‘opperzangmeester’ uit de Psalmen, in kreukloos zwart, op haar af. Witte raven vliegen om zijn hoofd. Hij vraagt: “.. Wat staat gij daar als een gekrookt rietje?’ …”. En even verder: “… Neeltje schreide. Ze viel in een jammerstaat waarin ze hulp’loos terugdreef naar Babylons wijd uigebreide stromen…” - psalm 137. Ze komt aan in “… de stad van paarlen poorten en straten van goud…” waar "Niek van de bovenmeester", uit een Van der Hulstboekje, met al zijn gewicht aan de grote touwen van galmende torenklokken hangt, en meters de lucht in zwiept. Plotseling hoort ze een stem die haar roept en ziet ze de Vaders die in de hemelen zijn. Vader Jacob wil haar spreken: “… Zoals je ziet heb ik een plaats gekregen aan Gods rechterhand…”. Hij heeft een vraag: “… Neeltje, het valt toch wel mee wat er allemaal gebeurd is? Ik weet dat God hoog en verheven is en alle dingen weet, maar zou je, als je straks terug bent op aarde, willen zwijgen over mijn daden? De Hemelse Vader heeft mij nu vrijspraak verleend. Wat zijn mijn zonden op aarde dan nog? Als je erover praat, loop ik de kans alsnog weggestuurd te worden naar de hel. Zullen we het vergeten?...”. Het doet me denken aan refo’s die al het gedane kwaad goedpraten met de dooddoener dat ‘iedereen in zonden kan vallen’. Neeltje weet niet hoe hard ze uit de hemel weg moet vluchten. Zelfs daar is het niet veilig. Op een dag vertelt haar zus, met wie ze een goede band heeft, over een meisje dat zelfmoord heeft gepleegd na misbruik door haar vader. Heel het eiland praat er over (ik ken het Zeeuwse verhaal ook). Neeltje’s gedachten hierover: “… Waarom had God de menselijke natuur niet zo geschapen dat de dader verwond werd door wat hij deed en niet dit meisje? Of hoe zeggen mensen die niet in God geloven dat? Evolutie! Het evolueren van daders, dat ze zichzelf gaan verwonden om wat ze veroorzaken…”. Ik bedacht dat dat, gek genoeg, ook het principe van de figuurlijke hel is, volgens sommige denkers die niet in een letterlijke hel geloven (zie bijvoorbeeld Eben Alexander: “Na dit leven”). Het boek zal eindigen met twee zwarte bladzijden die de dood van haar geliefde zus symboliseren. Ook vanwege een hartkwaal. Tijdens de presentatie vertelde een emotionele Labeur over het overlijden van haar eigen zus.


Wij zijn onzichtbaar
Neeltje wil zich losmaken van de God van de kerk, maar dat valt niet mee: “… Het bevindelijke wereldbeeld had, hoe somber ook, heldere antwoorden gegeven op vragen over leven en dood. Het zou een uitdaging worden om te leren leven zonder antwoorden op de grote levensvragen. Moest Neeltje het ‘post-eeuwig-leven-tijdperk’ laten ingaan? Ze was soms bang dat ze van de ene (gewone) kerk naar de andere (kunst)kerk was overgestapt. En dat daarmee oude patronen in stand bleven, zoals bijvoorbeeld kunst maken om voort te leven na je dood…”. Nou en, denk ik dan, wat is daar mis mee? Neeltje breekt zich het hoofd over het ‘nut’ van haar kunst. Ze wil aandacht vragen voor de reformatorische meisjes die haar biografie delen: “… Wij waren jong en zijn verstrooid geweest over vele en grote gezinnen. Wij zijn onzichtbaar…”. En even verder: “… Kon ze maar iets maken om deze meisjes te bemoedigen. Ze sprak hen nooit, maar ze wist dat ze er waren. Het leek haar een goede tijdbesteding, nuttiger dan werk verkopen aan onbekenden voor boven de bank of street art maken voor onder een viaduct. Misschien moest het een strijdkreet zijn. ‘Gordt uw lendenen, weest niet verslagen’, zodat we wisten vol te houden. Een lamp voor onze voet, ons pad ten licht, om het donker op te klaren…”. Ik heb het al eerder gezegd, in de reformatorische gezindte dragen de meisjes de zwaarste lasten (zoals in alle orthodoxe religievormen). Ik heb me dood geschaamd voor mijn reforokjes terwijl iedereen om mij heen in hippe spijkerbroeken liep. Om maar te zwijgen over de achterlijke hoedjes waarmee ik werd gedwongen ter kerke te gaan. Ik ben altijd jaloers geweest op mijn broertjes aan wie weinig tot niets te zien was. Ik zie hetzelfde in de islamitische wereld. Als moslimmeiden zeggen dat ze trots zijn op hun hoofddoek (om maar te zwijgen over burka’s, zie ook "Sneeuw" van Orhan Pamuk) dan kan ik dat bijna niet geloven. Ik ben ontzettend blij dat vrouwen als Liesbeth Labeur, Franca Treur en Margriet van der Linden dit onderwerp bespreekbaar maken. Ik ben dus niet de enige die zo z’n bedenkingen heeft over haar achtergrond. Hun werk heeft voor mij toch weer een andere dimensie dan de literatuur van mannen (Maarten t’ Hart, Jan Siebelink, Stevo Akkerman).


Uitgave: Cossee/Mozaiek – 2017, 200 blz., ISBN 978 902 399 697 2, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier