Menu

woensdag 20 november 2019

Kerstmis onder vuur – Kevin Prenger


Subtitel: Kerst tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het front, thuis en in de kampen

Met december in zicht beginnen de kerstboeken alweer om mijn oren te vliegen. Een opmerkelijke uitgave is "Kerstmis onder vuur" van Kevin Prenger (1980), hoofdredacteur van de afdeling artikelen op TracesOfWar.nl, het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog. Daarin onderzoekt hij de manier waarop Kerst tijdens de oorlog werd gevierd. Per oorlogsjaar geeft Prenger een bijna schematisch overzicht van wat er overal werd gegeten (als er tenminste eten was), wat er werd gezongen (het is opvallend hoe ver de secularisatie is doorgedrongen - iedereen kende toen bijna ‘Stille nacht’) en welke kadootjes er al dan niet onder de (vaak geïmproviseerde) kerstboom lagen. Natuurlijk zijn de individuele verhalen daaromheen het indrukwekkendst. Eerder besprak ik van hem “Oorlogszone Zoo”.

Maarten Luther en de kerstboom

Als Duitsland in 1939 Polen binnenvalt zijn met Kerst veel consumentenproducten onverkrijgbaar omdat de Britse zeeblokkade de aanvoer van overzeese goederen verhindert. Wél wordt er voor gezorgd dat iedere Duitser een kerstboom heeft. Laat ‘onze’ refo’s – die vaak tegen kerstbomen zijn, want heidens – het maar niet horen, maar volgens een oud Duits verhaal was de protestantse kerkhervormer Maarten Luther de eerste die kaarsjes plaatste in een kerstboom. Tijdens een winteravondwandeling werd hij geraakt door de aanblik van twinkelende sterren tussen de sparrentakken. Zoals bij ons hele miniatuurkerstdorpjes te zien en te koop zijn bij Intratuin, zo wordt in Duitsland de miniatuurversie van allerhande oorlogstuig als speelgoed gefabriceerd. Tot aan gebombardeerde huisjes, soldaatjes met vlammenwerpers plus automatische wapens en gasmaskers op, ambulances voor speelgoedhospitaaltjes met verpleegsters die gewonden verzorgen en artsen die zich buigen over operatietafels, toe. Bordspelen als ‘Oh, welche Lust Soldat zu sein’ en ‘Dass Grosse Belagerungsspiel’ verheerlijken de oorlog. Maar je moet er snel bij zijn. Tegen kerst zijn de grote warenhuizen uitverkocht.

Joelfeest
De middernachtmis wordt tijdens de oorlogskerst druk bezocht. Voor veel Duitsers gaan het christendom en het nationaalsocialisme, ondanks hun contrasterende wereldbeeld, prima samen. Toch zijn veel antropologen, historici, musici en andere deskundigen bezig met vastleggen hoe Kerstmis op een andere manier gevierd kan worden: “… Prioriteit was om zoveel mogelijk verwijzingen naar het christendom te schrappen. ‘Om ons te verblijden hebben we geen verhalen uit het land van de Joden nodig’, zo verwoordde een SS’er dit in een brief aan zijn dochter. ‘Zo’n groot leider als Adolf Hitler schenkt God alleen aan het Duitse volk.’ In Hitler zagen de nazi’s de nieuwe verlosser. Niet langer de geboorte van Jezus Christus moest gevierd worden, maar de Germaanse afkomst van het Duitse volk en de verbinding van Duitsers met de natuur en de grond waarop ze leefden, geheel in lijn met de ideologie van ‘Blut und Boden’. Daarbij werd teruggegrepen op de oude Germaanse folklore waaruit het christelijke kerstfeest ontsprongen was…”. Ver voor de kerstening van Europa vierden Germaanse volkeren het Joelfeest om stil te staan bij de winterzonnewende: “… Het feest nam enkele dagen in beslag en werd gevierd met ceremonieën bij grote vuren (Joelvuren) om boze geesten te verdrijven en te vieren dat het vruchtbare voorjaar eraan kwam…”. Naziorganisaties als ‘Das Ahnenerbe’ en de ‘Arbeitsgemeinschaft für Deutsche Volkskunde’ proberen de Germaanse folklore en oude rituelen nieuw leven in te blazen. Met fakkels en brandend rijshout dansen jonge kerels rond open vuren op besneeuwde bergen en heuvels en rollen zogeheten ‘vuurwielen’ van de hellingen. Nazigeleerden bestempelen de kerstboom, bij voorkeur een fijnspar of zilverspar, tot ‘heiligdom van de familie’. De boom die symbool staat voor vruchtbaarheid mag niet langer ‘Christbaum’ genoemd worden, vanwege de ongewenste verwijzing naar Christus. De spar, met in top de heilige swastika of het zonnerad, moet versierd worden met appels en noten als ‘aankondigers van nieuw leven’, en mag geen christelijke versiering bevatten als engelen of kerststerren. Kerstballen met het hakenkruis of in de vorm van het hoofd van Hitler zijn bij wet verboden vanwege de ‘bescherming van nationale symbolen, al bestaan ze wel’: “… Het idee de Führer in de boom op te hangen was voor trouwe nazi’s natuurlijk niet te verkroppen…”. Kersstalletjes worden verduitst: “… het exotische landschap van het Heilige Land moest dan plaatsmaken voor een Duits landschap en het stalletje zelf voor een bergsmidse of berghut. Mijnwerkers of kruidenvrouwtjes vervingen de drie koningen en de Heilige Familie werd verruild voor een Duits gezin. In plaats van in de kribbe lag het kerstkind in een wiegje en symboliseerde het de ‘blijvende verjonging van het Duitse volk’. Figuren van Duitse arbeiders en boeren konden worden toegevoegd als waren ze op een pelgrimstocht om het kindje te bewonderen. Kerstengelen veranderden van geslacht en werden ‘vrouwelijke lichtgestalten uit de Germaanse mythologie’…”. Moeders worden gepusht koekjes te bakken in de vorm van Keltische runen. De kerstmarkten liggen vol met ambachtelijk spul: “… Het westerse consumentisme werd beschouwd als decadent. De Amerikanen hadden het kerstfeest veranderd in een ‘luidruchtig feest met jazz en gezuip’. De kapitalistische kerstviering werd in verband gebracht met het verachte Jodendom…”. Christelijke kerstliederen worden herschreven. In het ‘Stille nacht’, houden geen engelen, maar Adolf Hitler de wacht. Joodse namen als Zion en Abraham worden uit het gezangenboek geschrapt en ‘on-Duitse’ kreten als ‘amen’ en ‘halleluja’ uitgewist. Maar de oude christelijke tradities laten zich niet zomaar verdringen. Om de overgrote meerderheid van de christelijke bevolking niet van zich te vervreemden drukken de nazi’s hun hervorming niet stringent door.

Run rabbit run
Ondertussen wordt het liedje ‘Run rabbit run’ van het duo Flanagan en Allen in Engeland een kersthit. Het zou slaan op de Duitse Luftwaffe die tijdens een aanval op vliegboten op Shetland enkel twee konijnen weet te raken. Een plaatselijke bewoner laat zich met een dood konijn op de foto zetten in een bomkrater. Het dier heeft geen schrammetje en komt in werkelijkheid dan ook van de slager. In Londen is in 1939 de kerstsfeer ver te zoeken vanwege de van hoger hand bevolen ‘black-out’, maar verder is er nog niet veel aan de hand. In 1940 zullen een miljoen Londenaren de decembermaand vanwege de ‘Blitz’, de onophoudelijke Duitse bommenregen, grotendeels ondergronds, in onder andere de metrostations doorbrengen, waar kerstfeestjes worden georganiseerd waarbij gedanst wordt op de perrons. In het door de atheïstische Sovjet-Unie bezette oostelijk deel van Polen vieren katholieke gevangenen op een andere manier ‘ondergronds’ kerst: “… Een priester sloop op kerstavond stiekem door het kamp en droeg in elke barak een mis op, terwijl iemand in de gaten hield of er geen bewakers in de buurt waren. ‘Zonder een bijbel of gedenkboek begon hij de woorden van de mis te zeggen,’ aldus Zarod, ‘het vertrouwde Latijn, uitgesproken op nauwelijks verstaanbare fluistertoon, en zo zacht beantwoord dat het wel een zucht leek (…). De woorden zweefden over ons heen, en de sfeer in de barak, die meestal zo hard en ruw was, veranderde welhaast onmerkbaar, de gezichten die naar de priester gewend waren, werden zachter en ontspanden zich terwijl de mannen moeite deden het nauwelijks verstaanbare te verstaan.’ Hun geloof hielp hen op dit speciale moment de ellende en het lijden in het kamp beter te doorstaan…”. In Auschwitz zet de SS ‘prachtig verlichte kerstbomen’ op. Bij wijze van grap ranselen ze onder een boom een paar gevangenen af. Een andere bron vermeldt dat er dode lichamen onder de kerstbomen werden gelegd: “… Oud-gevangene Karol Swietorzecki vertelde dat Lagerführer Karl Fritzsch de doden ‘een geschenk’ voor de levenden noemde en dat hij het verbood om Poolse kerstliederen te zingen…”. Er wordt een luguber ‘kerstdiner’ georganiseerd in een ondergronds mortuarium dat de kampbewakers mijden. De Joden in het getto van Warschau vieren Chanoeka als nooit tevoren: nu ze toch hutje-mutje zitten…

Black Christmas

Kerst 1941 komt de onverschrokken Winston Churchill met een zwaarbewapend slagschip aan in Amerika, om te gaan logeren bij de Roosevelts in het Witte huis. Dit keer wijkt Roosevelt van de traditie af om op kerstavond voor te lezen uit "A Christmas Carol" van Dickens, omdat de bespreking van de oorlogsstrategie op het programma staat. Na het eten wordt er nog wel gekeken naar een verfilming van Dickens "Oliver Twist". Churchill keert met nieuwe nylonkousen voor zijn vrouw huiswaarts. Eerste kerstdag geeft de Britse kolonie Hong Kong zich over aan de Japanners, die een bloedbad hebben aangericht in het als hospitaal ingerichte St. Stephen’s College: “… Personeel en patiënten werden hier met bajonetten aangevallen en gedood. Verpleegsters werden verkracht en verminkt…”. Een huiverende medische sergeant vertelt hoe hij onder een laken drie in stukjes gehakte vrouwenlichamen vond. De dag gaat de geschiedenis in als ‘Black Christmas’. Ondertussen vriezen de Duitse soldaten in Rusland zo ongeveer dood van de kou. Temperaturen van min dertig tot veertig zijn ze niet gewend. In Leningrad heerst zo’n hongersnood dat ‘blokadniki’ de behanglijm van de muren eten, huisdieren in kookpotten belanden, en sommigen zich schuldig maken aan kannibalisme of ‘lijkeneterij’. Ook Stalin tracht de christelijke kerst uit te bannen. De Ster van Bethlehem wordt vervangen door de vijfpuntige rode ster. In plaats van het kerstverhaal doet Grootvader Vorst, een figuur uit de Russische folklore zijn intrede, met twee communistische fantasiekarakters: Sneeuwmeisje en Nieuwjaarsjongen. Soms wint het goede het van het kwaad. Een Franse kunsthistorica vertelt hoe haar bewaker haar een paar detectiveverhalen geeft om de wereld om haar heen te kunnen vergeten. Kerst 1942 zitten de Duitse soldaten die nog niet zijn gecrepeerd op de boomloze Russische steppen of in het omsingelde Stalingrad, aan de radio gekluisterd, voor een speciale ‘live’ uitzending van de Grossdeutsche Rundfunk. Ze weten niet dat ze door propagandaminister Joseph Goebbels worden bedonderd bij het leven, die de hele uitzending in scène heeft gezet. Hitlers Duitsland zal niet meer herstellen van de nederlaag in Stalingrad. Het kost het Duizendjarige Rijk een half miljoen doden en krijgsgevangenen. Ondertussen hebben veel Britse kinderen de kerst van hun leven, die ze vieren met de vele gulle Canadezen en Amerikanen die zich voorbereiden op een invasie van Europa. Het is ook het jaar van Bing Crosby en zijn hit ‘White Christmas’. Volgens het Guinness Book of Records de bestverkochte single aller tijden met 50 miljoen verkochte exemplaren.

Stemmenorkest
‘Blooding December’ - Terwijl de straten van de Italiaanse stad Ortona tijdens Kerst 1943 veranderen in ‘killing zones’ passen de Canadezen de tactiek van ‘mouseholing’ toe, waarbij ze met explosieven gaten in de muren van woningen maken, zodat ze huis na huis kunnen veroveren zonder een doelwit voor sluipschutters en mitrailleurbeschietingen te worden. Ondanks de zware gevechten, waarbij ze voor een terreinwinst van 400 meter een week nodig hebben, krijgen de militairen ploeg na ploeg een kerstmaaltijd voorgeschoteld in de kerk. Inclusief orgel- en koormuziek. In Napels zijn de mensen zo arm en hongerig dat vrouwen zich prostitueren voor niet meer dan een blik cornedbeef. Veel soldaten lopen een soa op. De Amerikanen worden bedolven onder kerstpakketten van thuis. De meest rare kadootjes: ‘mooie pantoffels’ en ‘zwarte zijden sokken’. Bing Crosby komt met zijn tweede grote kerstnummer: ‘I’ll be home for Christmas’. In Duitsland worden hele steden door de RAF aan puin gebombardeerd. De spoorwegen hebben wel wat anders te doen dan kerstbomen vervoeren. De stemming is bedrukt. Veel Duitsers beginnen in de gaten te krijgen dat doorgaan met de oorlog zelfvernietiging betekent. In de Sovjet-Unie zijn de Duitse soldaten aan de terugtocht bezig en proberen enkel nog te overleven. In de telefooncentrale van het regeringscentrum van het Derde Rijk proberen drie verveelde militairen een beetje lol te trappen. Ze verbinden voor de grap de in een telefoonboek gevonden achternamen 'Heilig' en 'Abend' met elkaar waardoor een mevrouw en een meneer elkaar begroeten met het samengestelde woord ‘Heiligabend’. Terwijl ze ademloos toeluisteren, horen ze hoe uit het absurde gesprek nog een date volgt ook! Bij ‘ons’ zijn de deportaties van Joden begonnen: “… Van de circa 140.000 Joden in Nederland werden er 107.000 gedeporteerd, waarvan er slechts 5.200 levend terugkeerden…”. In een dorp in Italië preekt priester Borsotto, postuum benoemd tot Rechtvaardige onder de Naties door het Israëlische Holocaustinstituut Yad Vashem, over de Wijzen uit het Oosten, en draagt zijn kudde op net als hen de Joodse vluchtelingen in hun midden geschenken te brengen, waarmee ze in de kerstnacht worden overladen. In een Jappenkamp op Sumatra wordt bij gebrek aan instrumenten een stemmenorkest georganiseerd dat ‘wonderen’ doet: “… De vrouwen zeiden dat het hielp hun menswaardigheid te herwinnen en hun het gevoel gaf dat ze sterker waren dan de vijand. Die avond vergat iedereen de ratten en de viezigheid…”. In de jaren 80 doet een vrouwenkoor in Californië het kerstconcert op Sumatra over. Verschillende koren in de wereld hebben sindsdien het idee overgenomen.

Aan wiens kant staat U eigenlijk?
Kerst 1944: “… Judy Garlands melancholische kersthit ‘Have Yourself a Merry Christmas’ schalde uit de luidsprekers en bracht zelfs door de strijd geharde soldaten tot tranen. Misschien wel het meest populair was Glenn Millers ‘In the Mood’…”. Iconen als Marlene Dietrich, Bob Hope en Laurel en Hardy proberen de militairen moed in te pompen. De slag om de Ardennen, die bekend staat als ‘the Battle of the Bulge’, vangt aan, waarbij de Wehrmacht probeert een wig te drijven tussen de Amerikaanse troepen in het zuiden en Britse en Canadese troepen in het noorden. Hitlers ‘laatste gok’ noemt militair historicus Antony Beevor ‘de grootste en meest barbaarse veldslag van het volledige westfront’ : “… De Amerikanen betreurden in totaal 80.987 slachtoffers, waaronder 10.276 doden en 23.218 vermisten; de Britten 1.408, waaronder 200 doden; de Duitsers 98.024, waaronder 12.000 doden en meer dan 30.000 vermisten. Circa 3.000 burgers kwamen om…”. Over een gebed van de legendarische generaal Patton in een Rooms-Katholieke kerk in Luxemburg: “… Op zijn knieën voor het altaar en met boven zich een crusifix sprak hij God aan op het feit dat de afgelopen twee weken een ‘echte hel’ waren geweest voor zijn manschappen: ‘regen, sneeuw, meer regen, meer sneeuw’. ‘Aan wiens kant staat U eigenlijk?’ vroeg hij zich af. ‘Mijn leger is noch getraind, noch uitgerust voor winteroorlogvoering. En zoals U weet is dit weer beter geschikt voor Eskimo’s dan voor zuidelijke cavaleristen.’ Hij besloot zijn gebed met de mededeling dat hij niet vroeg ‘om een wonder’, het enige dat hij wilde was ‘vier dagen helder weer’…”. Dezelfde dag klaart het op…

Racisme
Het meest verbijsterende verhaal vind ik persoonlijk een fragment dat over het racisme gaat, waar de 1 miljoen Afro-Amerikanen in het Amerikaanse leger mee te maken hebben: “… Zowel door de legerleiding als door blanke soldaten werden ze gediscrimineerd. Zo verrichtte het merendeel van de donkere soldaten ondersteunende taken, bijvoorbeeld als chauffeur of kok, en verbleven ze in van blanke collega’s gescheiden legerkampen. Hun officieren waren meestal blank en vechten aan de zijde van blanke soldaten was uitgesloten. In de zuidelijke staten van de VS kon het gebeuren dat Duitse krijgsgevangenen beter behandeld werden dan hun zwarte bewakers. Maar ook in het noorden van de VS kregen ze te maken met racisme. In Detroit staakten in 1943 2.600 blanke arbeiders uit protest tegen de inzet van Afro-Amerikaanse werknemers in hun fabriek. ‘Ik zie liever dat Hitler en Hirohito de oorlog winnen dan dat ik naast een neger moet werken aan de assemblagelijn’, zo was te lezen op een protestbord…”. Er ontstaat een complete rassenrel in de stad Agana, waar blanke mariniers schieten op gekleurde collega’s. Ook op de nucleaire onderzoekslocatie Hanford Site in de staat Washington is discriminatie schering en inslag: “… Behalve dat ze verbleven in een gescheiden deel van het kamp werden ze ook tijdens de kerstperiode weg gehouden van de vieringen van blanke medewerkers. Terwijl voor blanken vanaf midden december tot de jaarwisseling onder meer variëteitenshows, sportwedstrijden, dansavonden en circusacts werden georganiseerd, waren er voor de donkere medewerkers slechts simpele activiteiten, zoals kaartspelletjes en bingo…”. Dankzij een merkwaardig onderbuikgevoel weten de Berlijners dat dit hun laatste Kerstmis is voor Duitslands doemsdag. Verbroedering tussen westerse krijgsgevangenen en hun Duitse bewakers is in deze kerstperiode geen zeldzaamheid. Met verhalen, liedjes, gedichten en tekeningen wordt een cultus van de dood gepromoot. Verering van dode soldaten krijgt een belangrijke rol in deze kersthorror. Een veel gepubliceerd gedicht is ‘Der Toten Soldaten Heimkehr’ van Thilo Scheller: “… ‘En als de kaarsjes van de boom van licht uitgebrand zijn’, luidde een gedichtregel, ‘plaatst de dode soldaat zijn met aarde bedekte hand zachtjes op elk van de hoofdjes van jonge kinderen. We zijn gestorven voor jullie, omdat we geloofden in Duitsland…”. Prenger vertelt uitgebreid over het beleg van Boedapest, waar vrij weinig over bekend is. Als de Hongaarse en Duitse soldaten zich overgeven aan het Rode Leger is de ellende voor de burgerbevolking nog lang niet voorbij, want dan gaan op hun beurt de plunderende, verkrachtende en moordende Sovjetsoldaten aan de gang. Prenger besteedt de nodige aandacht aan de Hongerwinter in Nederland, en vertelt onder andere over de kerstnachtmis in de mergelgroeve in de Sint-Pietersberg waar nu een Amerikaanse gedenkplaats is.

Vrede op aarde
Kerst 1945 wordt gevierd in vrijheid, maar ‘Ontbering dempt vreugde’ kopt een nieuwsbericht van Associated Press kernachtig. Prenger: “… Er heeft bloed gevloeid voor hoe wij tegenwoordig in het westen kerst vieren, zonder bemoeienis van de overheid, zonder tekorten en rantsoenering, zonder massale afwezigheid van naasten en zonder angst…”. Overal is het een grote puinhoop en aan alles is tekort. Prenger beschrijft hoe deze toestand over gaat in de Koude Oorlog – maar dat is weer een verhaal apart. Misschien is de mooiste kerstgeschiedenis wel een verslag waaraan president Ronald Reagan refereert op 5 mei 1985, vanwege zijn omstreden bezoek aan een Duitse oorlogsbegraafplaats, in het kader van veertig jaar vrede tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten. Omdat hun woonplaats Aken het doelwit is van geallieerde bombardementen zoeken een moeder en haar 12-jarige zoontje een veilig heenkomen in de jachthut van de vader van het gezin, midden in het bos. Aan het begin van de avond wordt er op de deur geklopt en staan er drie verdwaalde Amerikaanse soldaten op de stoep. Ze hebben al drie dagen in de kou rond gezworven. De moeder laat hen binnen en begint een haan voor ze te braden. Als er weer wordt geklopt, doet haar zoon open. Zijn haren rijzen ten berge, want nu staan er drie Duitse militairen voor de deur, die ook al de weg kwijt zijn. De vrouw laat ze binnen op voorwaarde dat ze hun wapens buiten achterlaten: ‘Het is kerstavond en er wordt niet geschoten’. De zes heren hebben een fantastische maaltijd en de wapenstilstand duurt tot de volgende ochtend. Eén Duitser is medicijnenstudent en verzorgt zelfs de wond van een Amerikaanse collega. Dan gaat ieder weer zijns weegs. Voordat ze vertrekken geeft de moeder ze hun wapens terug: ‘Wees voorzichtig jongens’, zegt ze. ‘Ik wil dat jullie op een dag weer naar jullie eigen huis kunnen terugkeren.’ De Duitsers en de Amerikanen schudden elkaar de hand en verdwijnen in tegengestelde richtingen. Zo zwart-wit is het allemaal niet: “… De Amerikaanse president verklaarde tijdens zijn speech dat van de ruim 2.000 gesneuvelde soldaten op de begraafplaats er slechts 48 gediend hadden in de SS. In collectieve schuld gaf hij aan niet te geloven. Veel slachtoffers waren volgens hem gewone, veelal jonge soldaten. ‘Hoeveel waren fanatieke volgelingen van een dictator en voerden gewillig zijn wrede bevelen uit?’ vroeg hij zijn publiek. ‘En hoeveel waren dienstplichtigen, gedwongen om in dienst te gaan gedurende de doodsstrijd van de nazi-oorlogsmachine?’ Hij vertelde dat één van de omgekomen soldaten op de begraafplaats een week voor zijn 16e verjaardag stierf. Op de begraafplaats had hij de Duitse oorlogsslachtoffers geëerd ‘als mensen die verpletterd werden door een kwaadaardige ideologie’, zei hij…”.

Uitgave: Brave New Books – 2019, 350 blz., ISBN 978 940 217 434 2, € 26,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 12 november 2019

Vrouw zoekt God – Lauren F. Winner


Ik las in de krant dat vrouwen religieuzer zijn dan mannen. Vijftig procent van de ondervraagde vrouwen geloven in een hogere macht, dan wel God – waaronder ik. Naarmate de dagen korter en de nachten langer worden, steekt bij mij altijd een gevoel van geestelijke inkeer de kop op. Ik stuitte op een prachtig boek van een gelovige Amerikaanse historica die afstudeerde aan Columbia en Cambridge University en schreef voor ‘New York Times Book Revieuw’, ‘Washington Post Book World’ en ‘Publishers Weekly’. Dat gelovigen dus per definitie sneue, domme types zijn – is bij deze weerlegd. Lauren Winner (1976) is een jonge, moderne, hoogopgeleide vrouw die haar verstand echt niet aan de wilgen heeft gehangen toen ze serieus met religie bezig ging. Integendeel, zou je kunnen concluderen. Ik ken niemand die zoveel heeft gelezen als zij. Ze groeide op in een joods-christelijk gezin en vertelt over haar spirituele weg door beide tradities. Ze doet dat aan de hand van het religieuze kalenderjaar. Ik zal hetzelfde rijtje aanhouden.

Loofhuttenfeest

Winner begint te vertellen hoe ze op een conferentie in Oxford (V.S.) haar ex ontmoet, ook een historicus. Waarschijnlijk was haar moeder blij toen het uit ging, als ze tenminste van zijn verleden op de hoogte was: “… Stevens puberteit in Boston was vol criminaliteit. Vanaf zijn twaalfde blowde hij elke dag, viel flauw door drugsgebruik, hij stal antiek en blikken voedsel uit winkels, dronk te veel whisky en reed vervolgens de auto van zijn moeder in de prak. Eens had een vriend een paar honderd dollar gekregen van de kerk om boodschappen te doen voor een uitje. Steven en hij gaven al het geld uit aan drugs en hebben vervolgens voor 400 dollar aan inkopen gestolen: ham, liters melk, zakken aardappelen enzovoorts. Ik weet niet helemaal zeker wanneer hij ophield met het overtreden van de wet – het tijdsverloop van die periode is altijd wat vaag gebleven – maar ik denk dat het tijdens zijn eerste universiteitsjaar was. Sindsdien bewandelt hij het rechte pad, sterker nog: het uiterst rechte en smalle pad. Steven rookt niet. Zit niet achter vrouwen aan. Drinkt amper alcohol. Zwemt elke dag. Eet ’s ochtends tarwekiemen in zijn havermout…”. Het eindigt ermee dat ze samen whisky gaan zitten drinken op het graf van de legendarische Faulkner, omdat dat zo hoort volgens hem. De dag daarop vraagt hij haar mee te gaan naar een dienst van een Messiasbelijdende Joodse gemeente (wat Winner eigenlijk visch noch vleesch vindt – kies wat!): “… ‘Ik vind het hier fijn omdat deze mensen allemaal buitenbeentjes zijn’, zegt hij. ‘Ze horen nergens helemaal bij – niet bij de Joden, niet bij christenen. Christen-zijn betekent er niet bij horen, Lauren, het betekent dat je niet in deze wereld past. Die episcopaalse vrienden van jou zijn geen buitenbeentjes.’…”. Vervolgens beschrijft ze hoe ze van Joods, christelijk is geworden. Er is geen sprake van een Paulus-bekering, zoals bij haar evangelische vrienden, maar er is wel een droom “… waarin Jezus mij redde van een ontvoering…”. Als ze wakker wordt weet ze zeker, “… zo zeker als ik ooit iets zeker heb geweten, dat die droom van God kwam en over Jezus ging, over dat hij levensecht was en waarachtig en zeker…”. Een paar jaar later vertelt ze tegen een presbyteriaanse predikant op de hogeschool van Columbia dat ze denkt dat ze in Jezus begint te gelovigen. In eerste instantie weet de dominee daar geen raad mee. Hij zegt dat je niet zomaar van geloof kunt veranderen en dringt erop aan met de studentenrabbijn te gaan praten: “… ‘Ik had geen idee toen je wilde afspreken, dat je over het christendom zou beginnen. Ik dacht dat je misschien uit de kast wilde komen als lesbienne.’ Dat zou, op een campus die geobsedeerd is door identiteitspolitiek, waarschijnlijk gemakkelijker geaccepteerd worden dan een Joodse studente die begint te ratelen over Jezus…”. Zijn reactie ervaart ze als een stomp in haar maag, maar de jaren erna voelen inderdaad als een echtscheiding. Ze laat haar Joodse gebedenboeken achter op de trap van een nabijgelegen sjoel, zoals vroeger een ongehuwde moeder haar pasgeboren baby op de stoep van een weeshuis. Ze koopt het “Book of Common Prayer” wat ze ervaart als het meest gewaagde wat ze ooit heeft gedaan. Ze vertelt hoe erg ze Sukkot, het Loofhuttenfeest mist, als Joodse gezinnen een loofhut bouwen, een soort kubus van spaanplaat met een dak van groene takken, een ‘schach’, waardoor je de sterrenhemel moet kunnen zien. Ze eten en drinken en slapen er soms zelfs in. Ter herinnering aan de hutjes waarin de Israëlieten tijdens de woestijnreis sliepen. Het eerste wat ze doet als ze als christen terug is in New York: naar een synagoge vliegen voor een ‘uurtje hakafot’. Het is namelijk Simchat Thora. Dan dansen de Joden uitbundig met de Thorarollen door de synagoge.

Advent

Advent is de voor christenen de tijd van wachten tot het herdenken van Christus’ geboorte met kerst. Winner vertelt hoe ze weer aanpapt met haar vriend, maar de relatie loopt wederom spaak: “… We maken ruzie over het weer, over de beste manier om over geschiedenis te schrijven, over de toon die ik aansla, over hoe je een woonkamer inricht. We weten dat we niet kunnen doen wat we zo graag willen, namelijk een gezamenlijk leven opbouwen…”. Haar ouders zijn gescheiden, maar haar baptistische moeder voedt haar twee dochters Joods op, zoals ze haar Joodse echtgenoot heeft beloofd. Winner vertelt over Poerim, het Joodse carnaval, waarin ze met haar verklede vriendinnen harstikke dronken wordt. Terwijl ze thuis amper praten over God, wordt ze als puber niet een béétje Joods, ze dompelt zich er met heel haar hebben en houden in onder. Volgens sommige wetenschappers zit religiositeit in je dna. Als ik het ‘geval’ Winner bekijk, dan geloof ik dat zeker: “… Langzaam verruilde ik de lacrossetraining en balletles en hockysticks, de ongemakkelijke afspraakjes in de bioscoop en footballwedstrijden op vrijdagavond en talloze normale tieneractiviteiten in voor meer uren, middagen en weekends in de synagoge…”. En even verder: “… Ik weet zeker dat een psycholoog zou zeggen dat ik al die veertigjarige vrouwen met wie ik optrok, zag als surrogaatmoeders. Dat ik zocht naar een thuis dat de plek kon innemen van het thuis dat mijn gescheiden ouders kapot hadden gemaakt…”. Dat zal best mee hebben gespeeld. Ze leest alles over het Jodendom wat ze te pakken kan krijgen: “… Maar het meest van al las ik over het orthodoxe jodendom. Lis Harris’ liefdevolle portret van een chassidische familie in Brooklyn kwam uit toen ik in de tweede klas van de middelbare school zat, en las ik elke maand. Ik las alle romans van Chaim Potok en stelde me voor dat ik ooit een dochter zou krijgen die ik dan Davita zou noemen, naar een van zijn vrouwelijke hoofdpersonen…”. Die boeken heb ik ook allemaal gelezen, en ik heb inderdaad een vriendin die haar dochter Davita heeft genoemd. Haar vakanties brengt ze door in Joodse studiekampen. Ze gaat enkellange rokken dragen. Ze bekeert zich officieel tot het Jodendom, dat gepaard gaat met een ondervragingsformaliteit (bechina) door drie rabbijnen (de bet din), en een onderdompeling in de mikvah (het rituele reinigingsbad), want haar moeder is niet Joods en bij de orthodoxen bepaalt alleen de moederlijke bloedlijn of je automatisch Joods bent. Dan begint ze essays te schrijven over de ‘Great Awakening’ voor het vak ‘Koloniale geschiedenis van Amerika’, raakt verslaafd aan zuidelijke romans zoals van Flannery O’Connor, en ontdekt dat de hoodpersonen daarin allemaal protestants zijn. Ze is verzot op ‘The Cloisters’, een museum in Manhattan, waar de muren vol hangen met duistere, rare, middeleeuwse kunst. Ze is gek op wandtapijten van de mythologische eenhoorns, die staan voor Jezus, iets wat de ouders van kleine meisjes die in de ban zijn van de hedendaagse eenhoornhype vast niet weten. Haar orthodox-joodse verkering van destijds maakt zich zorgen, ziet haar nieuwe bekering al van verre aankomen: “… ‘Lauren, als een jood zich had bekeerd tot het rooms-katholicisme, zou je het dan niet raar vinden als diegene dan alleen nog maar vakken volgde over het jodendom, naar het ‘Jewish Museum’ ging en wekelijks “My name is Asher Lev” las?’...”. Ze geeft hem een preek over identiteit. Zijn tegenwerping: “… ‘Maar Lauren’, zei Dov dan, ‘je groeide juist níet op met bezoekjes aan The Cloisters en luisteren naar preken van Jonathan Edwards! Dit gaat helemaal niet over het verenigen van tegenstrijdige aspecten van je identiteit.’…”. Winner vertelt waarom mensen zich bekeren. Rond 1740 bekeerden pubermeisjes zich omdat ze in de kerk dingen mochten doen die normaal niet waren toegestaan, zoals spreken voor een groep. Slaven bekeerden zich omdat ze dachten dat ze dan zouden worden vrijgelaten. Vrouwen bekeerden zich omdat een christelijke echtgenoot te verkiezen was boven een zuipende heiden. Ze denkt dat een psycholoog waarschijnlijk zal aanvoeren dat ze zelf christen werd om de relatie met haar moeder te verbeteren. Of dat ze de afwijzing van haar moeder door haar vader persoonlijk opvatte en hem dat betaald wilde zetten. Of omdat het haar niet lukte tegelijk Joods en zuiderling te zijn. Net zoals een socioloog onlangs aanvoerde dat vrouwen geloviger zijn dan mannen omdat vrouwen nu eenmaal gewend zijn aan afhankelijkheid, risco’s vermijden en compassie voelen met jan en alleman, een eigenschap die in elke godsdienst hoge ogen scoort. Winner: “… Ze erkennen weliswaar dat bekering een complex proces is, dat het over familierelaties gaat, over geografische ligging, over politiek, over psychologie en over economie. Ze zien alleen over het hoofd dat het ook over God gaat…”.

Kerst
Winner: “… Kerst is misschien wel de moeilijkste tijd van het jaar voor kerken. We zijn niet alleen immuun geworden voor het kerstverhaal, maar ook voor de jaarlijkse tirades van predikanten tegen het consumentisme. Elke creatieve poging om de kersttijd belangwekkend te maken, om Kerst terug te brengen naar de kerk, weg uit de winkelstraten en zoetige kerstmuziek op de radio, is al geprobeerd en de meeste van die pogingen zijn jammerlijk mislukt. Misschien is het probleem wel dat we de betekenis van het feest, van de komst van Jezus naar deze wereld, gewoon niet kennen. Als we dat wel wisten, zouden we ons niet meer druk maken over consumentisme; als we wisten wat de incarnatie (vleeswording) van Jezus betekende, zouden we zo vol verwondering zijn dat we al het winkelen aan ons voorbij lieten gaan…”. En even verder: “… Kerst is voor veel mensen het moment waarop ze het christelijk geloof het dichtst naderen. Maar ook is de waarheid van Kerst, het radicale geheim dat God mens wordt, juist datgene wat mensen afstoot…”. Ze vertelt over een professor die niet kan begrijpen dat een excellente student als Winner kan geloven dat er ergens in de lucht een God zit: “… ‘Je moet me een keer uitleggen hoe intelligente mensen kunnen geloven in iets wat klinkt als een Grieks-Romeinse mythe’, zegt hij. ‘Je weet wel: Zeus, Demeter, Jezus.’ Ik geef toe: het is inderdaad een beetje gek. Grootse, oneindige God, die de vorm aanneemt van een krijsende, menselijke baby. Het is wat sommige oudgedienden een schandaal noemen, het schandaal van het Evangelie. Maar het is ook precies waar het om gaat…”. Jane Vonnegut Yarmolinsky die het heeft over waarom God zich zo klein maakte: “… ‘Het hele idee van God die mens wordt en de liturgie en rituelen daaromheen, waren mij altijd een raadsel. Tot ik op een geweldige dag besefte waarom, juist omdat het zo eenvoudig is. Voor mensen met een lichaam worden belangrijke zaken, zoals liefde, uitgedrukt in een lichaam. Daar gaat het om. God moest een lichaam hebben, omdat anders de mens met zijn lichaam in geen honderdduizend jaar iets zou kunnen begrijpen van Gods liefde.’ Nooit, in geen honderdduizend jaar…”.

Epifaniëntijd

Winner: “… ‘Epifanie’ is Grieks voor ‘manifestatie’. In de kerk lezen we Bijbelgedeeltes die ons leren wie Jezus precies is…”. Winner vertelt over haar christelijke doop en zegt daar mooie dingen over, wat mij aan eindeloze discussies met vrienden doet herinneren, of je nu baby’s of volwassenen moet dopen. Wij kwamen er niet uit. Dit zegt Winner er over: “… Soms vragen mensen zich af hoe het kan dat baby’s gedoopt worden; sterker nog, uit die vraag is het baptisme ontstaan. Baptisten vinden dat je baby’s niet moet dopen. Ze zeggen dat er geen Bijbelse grondslag voor is, omdat zowel Johannes als Jezus als volwassene gedoopt werd. Hannah, die baptist is, zegt vaak dat een baby niet alles kan beloven wat een volwassene belooft bij de doop. Ik vind dat geen steekhoudend argument, het is te individualistisch. Het is namelijk zo dat geen enkele dopeling, ook geen volwassene, deze dingen zelfstandig kan beloven. De gemeente belooft het voor je, met je, namens jou. Dat is waarom ik het geweldig vind om een baby gedoopt te zien worden. Als een baby gedoopt wordt, kunnen we niet volharden in de verpletterende illusie dat een individu de weg in Christus alleen kan of moet gaan. Als een baby gedoopt wordt, worden we stilgezet bij het feit dat het een gemeenschappelijk verbond is, in relatie met de gemeenschap, en dat de beloftes door de hele gemeenschap gedaan worden…”. In feite wordt de hele gemeente een beetje voogd over de baby. Met z’n allen beloven we voor de baby te zorgen. De ouders staan er niet alleen voor (als het echt zo werkte zou jeugdzorg het vast een beetje minder druk hebben, bedacht ik). Als Winner de beloften doorneemt die ze moet beamen tijdens haar doop, zegt ze tegen de voorgangster dat die belachelijk zijn. Dat je ze onmogelijk kunt houden.‘Wie verzint er zoiets’. Het "American Book of Common Prayer" blijkt iets genuanceerder dan de Church of England. Volgens het Amerikaanse gebedenboek geef je niet zonder meer een bevestigend antwoord, maar zeg je achter je ‘ja’, ‘Dat zal ik doen, als God mij bijstaat’. Dat is wat voorzichtiger. Houdt rekening met de menselijke zwakheid. Het doet me denken aan Antoine Bodar die het had over het ideaal, en dat de gelovige probeert zich daar naar te richten. Prachtig vertelt Winner dat er in het Jodendom zoiets bestaat als het ‘Nieuwjaar van de bomen’, de verjaardag van de bomen: ‘Toe Bisjevat’. Dat zal wel iets te maken hebben met het beeld van God als boom in de kabbala. En over het verschil tussen ‘fundamentalisten’ en ‘evangelischen’: “ … Ze staan meestal wantrouwiger tegenover interreligieuze en interkerkelijke gesprekken. Fundamentalistische ouders zijn vaak strenger voor hun kinderen, als het gaat om televisiekijken of popmuziek luisteren. Verder is er het punt van de wetenschap. Niet alle fundamentalisten zien het eerste hoofdstuk van Genesis als een wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van de aarde, maar de meeste mensen die Genesis zo lezen zijn wel fundamentalistisch. En dan nog het punt van de positie van de vrouw. ‘Fundo’s’ zullen vaker het woord ‘gehoorzamen’ laten staan in de huwelijksgeloften die de vrouw uitspreekt (hoewel de evangelischen meestal ook niet uitgesproken feministisch zijn). Een van mijn hoogleraren, die het grootste deel van zijn werktijd besteedt aan het lezen en schrijven over het protestantisme in Amerika, zegt het zo, slechts half grappend: een fundamentalist is een evangelische christen die ergens boos over is…”. Over de man van een vriendin die na tien jaar huwelijk gelovig werd en bevreesd was dat ze een ‘kleingeestige, vuurspuwende, Bijbel citerende gek’ zou worden, en na een paar jaar concludeert dat ze helemaal niet zo veel veranderd is: “… Dat was ook wel zo. Lil gaf nog steeds natuurkunde, hield van ballet en van footballwedstrijden en bakte nog altijd heerlijke hartige taart. Maar de opmerking van haar man sprak ook boekdelen over hun relatie, die nog steeds hecht is, maar ook een beetje oppervlakkiger was geworden. Lils man kon niet zien, al bakte ze nog steeds hartige taart, wat het belangrijkste voor haar was – waarom ze ’s morgens uit bed kwam, hoe ze naar de wereld keek, hoe ze omging met verdriet – geheel anders was, volkomen anders…”.

Lijdenstijd
In de lijdenstijd stapt Winner met een askruisje op haar voorhoofd in de metro. Een studiegenootje wil het met een tissue wegvegen terwijl ze staan te kletsen, en begint glazig te kijken als Winner vertelt dat het daar expres zit, vanwege Aswoensdag: ‘Herinner je dat je stof bent en tot stof zult wederkeren’. Iemand anders vraagt kribbig waarom ze het in haar hoofd haalt met zoiets op haar voorhoofd eerstejaars studenten te onderwijzen in kritisch denken. In de vastentijd besluit ze zes weken niet te lezen: “… Je zou denken dat ik mijn kuisheidsgordel heb afgedaan en bij Tom Cruise ben gaan wonen…”. Winner leest namelijk overal en altijd. In haar piepkleine flatje staan drieduizend boeken: “… ‘Drieduizend boeken? Waar slaap je dan?’ vraagt hij. ‘Op boeken’, antwoord ik…”. Ik moet eerlijk zeggen dat ik blij ben dat het vasten nog niet zo is doorgedrongen in mijn kerk. Over Thomas van Aquino die schrijft: “… ‘Gebed heeft resultaat omdat het ons tot de intimi van God maakt’. Dat vind ik mooi uitgedrukt. Het roept het beeld op van God als een heks met een bezemsteel en een puntmuts en ik als een kleine zwarte kat, die Hem voor de voeten loop. Vervolgens citeerde Van Aquino Psalm 141: ‘Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan.’…”.

Stille week

Op Palmzondag gaan ze met z’n allen zingend de kerk uit om er een rondje omheen te lopen, wuivend met palmtakken. Winner maakt zich zorgen dat ze een bekende tegen zal komen maar is tegelijk “… trots op mijn maffe geloof en overtuigd dat dit hoort om (in de woorden van Paulus) ‘een dwaas te zijn voor Christus’…”. Zonder meer geschokt is ze als kinderen het passiespel opvoeren waarin ‘de Joden’ schreeuwen: ‘Kruisig Hem’. Ik ben het volkomen met haar eens dat deze beeldvorming de bron is geweest van het antisemitisme. Joden als Godsmoordenaars: “… we kunnen niet zomaar toneelstukjes opvoeren, met daarin aanklachten van godsmoord, zonder het verder uit te leggen…”. Ze houdt een cedermaaltijd bij een christelijk koppel waarbij de matse symbolisch in drie stukken wordt gebroken: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. “… We zien dat zo Jezus’ lichaam breekt aan het kruis, steeds weer, elke keer als er een eucharistie of avondmaal gevierd wordt, dag in dag uit, tot het einde der tijden. Ik bedenk; het zijn de christenen die dit doen, wij dus, niet de Joden…”. De last van onze zonden heeft Hem gedood. Ze vertelt dat de Joods-Duitse filosoof Frans Rozenzweig in “Star of Redemtion” schrijft dat Pesach gaat over het smeden van mensen tot een volk. Daarom is voor haar het avondmaal als vervangende pesachmaaltijd de kern van het geloof. Winner: “… ‘hocus pocus’ is een parodie op wat een priester zegt bij de eucharistie: ‘Hoc est corpus meum’, oftewel: ‘dit is mijn lichaam’…”. En even verder: “… De eucharistie is intiem. Toekijken is een beetje alsof je een vrijend stel begluurt…”.

Pasen

Winner: “… Mensen denken vaak dat het jodendom en het christendom radicaal verschillend zijn en dat het verschil eenduidig is – de ene godsdienst heeft een Messias die gekomen is en de andere niet. Maar op Hemelvaartsdag word ik geraakt door de diepliggende overeenkomst die onder het verschil verborgen ligt. Zowel Joden als christenen leven in een wereld die nog niet verlost is en we wachten allebei op de ultieme verlossing. Sommigen van ons wachten tot de Messias voor eens en altijd komt, anderen wachten tot Hij terugkomt…”. Ze vergelijkt het sacrament van de biecht met Jom Kippoer en heeft het over haar favoriete heilige, Beda, die in een gebed Jezus ‘de bron van alle kennis’ noemt: “… In ‘Paradiso’ zet Dante hem in de sfeer van de zon, de hemel van wijsheid, waar hij in een kring danst met Thomas van Aquino, Salomo, en negen andere wijzen…”.

Pinksteren
Pinksteren was ooit gewoon een andere naam voor Sjavoeot: een Joodse feestdag in verband met de graanoogst. In het rabbijnse tijdperk gingen de Joden deze dag gebruiken om te gedenken hoe God de Thora aan Mozes onthulde op de berg Sinaï. Winner vergelijkt dit gegeven met de uitstorting van de Heilige Geest. Bij de Joden is het de gewoonte om tijdens Sjavoeot de hele nacht op te blijven om de Thora te bestuderen: ‘leil tikkun Shavuot’. Om boete te doen voor de Joden die zich versliepen op de ochtend dat God zich op de Sinaï zou openbaren. Mozes moest het hele kamp door om iedereen te wekken. Evenzo vielen de discipelen in slaap in de hof van Getsemane, toen Jezus hen had gevraagd met Hem te waken. Winner zet een ‘pinkster leil tikkun’ op poten met vrienden. In de bibliotheek verzamelen ze alle passages die ze kunnen vinden over Pinksteren. Er zit zelfs een fragment uit een roman van Philip Roth tussen. Ze bestuderen samen wat er over de Heilige Geest is gezegd, wat mij een hele bijzondere en prachtige manier lijkt om dieper in de geloofsmaterie af te dalen: “… De Geest is wat de profeet Elia ‘de kleine stille stem’ noemt…”. En even verder: “… ‘wat God deed op de Sinaï was niet een nieuw spreken, maar juist het tot stilte manen van alle ruis die normaliter zijn goddelijke stem verhult. God is altijd aan het woord op de Sinaï. Hij sprak al lang voor de openbaring van de Thora en Hij spreekt nog altijd, als wij maar konden bedenken hoe we al het gezoem en gebrom van al het andere uit konden schakelen om te kunnen luisteren.’ ‘Misschien is dat wel de reden’, zeg ik, ‘waarom de eerste letter van het eerste woord van het eerste gebod een aleph is, een geluidloze letter. In het uitspreken van aleph deed God al het lawaai verstommen.’ Ik roer in mijn thee. ‘Misschien is dat wat de Heilige Geest doet. Hij maant alle stemmen in ons hoofd die verhinderen dat wij God horen tot stilte.’…”.

Uitgave: Kok – 2012, vertaling Martha Osborn, 320 blz., ISBN 978 904 350 169 9, €9,99 (e-book)
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 7 november 2019

De avant-gardisten – Sjeng Scheijen


Subtitel: De Russische Revolutie in de kunst 1917-1935

Op zoek naar informatie over de Joodse schilder Marc Chagall (1887-1985), stuitte ik al gauw op “De avant-gardisten”, het schitterende werk van Sjeng Scheijen. Chagall speelt hierin zeker geen hoofdrol, maar wordt wel in zijn Russische context gezet. Het Franse woord ‘avant-garde’ betekent letterlijk ‘voorhoede’, wat oorspronkelijk verwijst naar een groep soldaten die ter verkenning vooruit worden gestuurd. De Franse filosoof Claude Henri de Saint-Simon gebruikte in 1825 voor het eerst de aanduiding ‘avant-garde’ voor een vernieuwende stroming in de kunstwereld. De informatie op de achterflap is kort maar bondig - ik citeer: “… Rusland, oktober 1917. De bolsjewieken grijpen de macht. Rusland en de wereld zullen nooit meer hetzelfde zijn. Vijf maanden na de revolutie benoemen de nieuwe machtshebbers Kazimir Malevitsj, Vasili Kandintsky, Vladimir Tatlin en Marc Chagall op hoge ambtelijke posten in het zojuist gevormde ‘Volkscommissariaat van Verlichting’. Deze ‘avant-gardisten’ willen de straten en de pleinen, het onderwijs en uiteindelijk de mens zelf opnieuw vormgeven. De verbeelding aan de macht! Maar de bolsjewieken hebben geen idee wie die door hen aangestelde hemelbestormers en dromers zijn, en de kunstenaars zelf zijn politiek naïef. Al snel valt de coalitie tussen bolsjewieken en avant-gardisten uit elkaar. Terwijl de reputatie van deze radicale kunstenaars in Europa groeit, worden zij in de nieuwe Sovjetstaat gemarginaliseerd en onderdrukt. Sommigen emigreren naar Europa, anderen blijven en zinken langzaam weg in het moeras van Stalins terreurstaat…”. Een verhaal over ‘heilige dwazen’

In eerste instantie: overwinning op het beestendom

Scheijen: “… De Februarirevolutie werd door de joodse gemeenschappen in het algemeen met enthousiasme begroet, omdat de revolutie een einde maakte aan het vernederende institutionele antisemitisme van de tsaristische maatschappij. De prerevolutionaire anti-joodse wetten beperkten de toegang tot de universiteiten en verboden joden om lid te worden van partijen en maatschappelijke organisaties. Joden mochten zich niet vrij vestigen in de tsaristische maatschappij. Behalve in de zogenaamde Pale, een uitgestrekt gebied in het huidige Wit-Rusland en het noorden van Oekraïne. Maar ook binnen de Pale ging de vernederende discriminatie door. Mark Chagall, de beroemdste zoon van Vitebsk – hij heette toen nog Movsja Sjagall – herinnerde zich dat joden vijftig roebel – een behoorlijk bedrag in die tijd – moesten betalen voor toelating tot de openbare school, die gratis was voor niet-joodse kinderen. De meerderheid van de joodse gemeenschappen stond argwanend tegenover de bolsjewieken. Die bestreden weliswaar het antisemitisme, maar stonden ook vijandig ten opzichte van religies, inclusief het judaïsme. Maar de burgeroorlog bevorderde de toenadering tussen joden en bolsjewieken vanwege het antisemitische geweld van veel antibolsjewistische troepen. In 1919 werden alleen al in Oekraïne honderdduizend joden vermoord, grotendeels door het witte leger. Het Kozakkenregime van de witte generaal Denikin voerde een schrikbewind uit onder de joodse gemeenschappen. Tijdens een pogrom groeven ze joodse mannen tot hun nek in en reden te paard over hun hoofden. De joodse gemeenschappen zochten als vanzelf heil bij de bolsjewieken. In de nieuwe Sovjetstaat maakten de relatief hoogopgeleide joden optimaal gebruik van de mogelijkheden die de revolutie hun bood. Zij kregen toegang tot hoger onderwijs en banen in de bureaucratie en in culturele instituties. Dit leidde tot een inderdaad revolutionaire integratie van joodse mensen in de elite van de nieuwe Sovjetmaatschappij. De nieuwe staat profiteerde op ongehoorde wijze van de energie en het initiatief van deze nieuwe volwaardige burgers. Hoezeer de Sovjet-Unie later ook haar eigen verworvenheden zou verknallen, de bevrijding en emancipatie van de joden in de vroege jaren van de revolutie waren een schitterende overwinning van de menselijkheid op het beestendom…”.

Rivalen
De gebeurtenissen in 1917 beschouwen de Russische avant-gardisten als de klaroenstoot die aankondigt dat hun tijd gekomen is. Ze vormen zeker geen homogene groep. Zijn een zooitje ongeregeld. Radicale excentriekelingen uit de underground. Provocatieve utopisten die zweren bij Nietzche’s ‘Werde der du bist’. Freaks die wars zijn van burgerlijkheid. ‘Getalenteerde, schitterende weirdo’s, schuinsmarcheerders en hardwerkende flierefluiters’ die hun kunst de straat op jagen. Alles moet ánders. Ze willen niet alleen de schilderkunst, maar de hele werkelijkheid transformeren. Scheijen vertelt zijn verhaal door de kunstenaars Kazimer Malevitsj en Vladimir Tatlin tegen elkaar af te zetten, als Laurel en Hardy in een ouderwetse slapstick: “… Daar lopen ze, de Pool en de Rus, de eerste klein en breed, de tweede lang en dun. Ze reizen samen, vele uren onafscheidelijk in treincoupés, wachtkamers, op logeeradressen. Klein en breed altijd dominant, breedsprakig, bevoogdend. Dun en lang zwijgt, sullig maar niet geïntimideerd. De irritatie neemt toe. Klein en breed blijft praten, luider, zeker van zijn zaak, brommend om respons. Dun en lang zwijgt demonstratief, onthechting veinzend. Dan de onvermijdelijke uitbarsting…”.

Kijk ons eens fout en sexy zijn!
Hoe de nieuwe regering na de machtsgreep van Lenin zo gek kon zijn om de fascinerende Pool Kazimir Malevitsj, zij het van korte duur, ‘Commissaris voor het behoud van de kostbaarheden van het Kremlin’ in Moskou te maken, begrijpt nog steeds niemand: “… Een niet-Rus, niet-orthodox, aanstellen als beheerder van de allerheiligste plek in orthodox Rusland was een heel lange neus maken naar conservatieven en religieuzen…”. De van huis uit katholieke Malevitsj is ook nog eens een gevreesde ‘futurist’, die ‘wat achter hem ligt wil verbranden’, omdat alles wat in het verleden gemaakt is, ‘rijp is voor het crematorium’: “… Vandaag spugen wij het verleden, dat vastzat tussen onze tanden, uit!...”. Oftewel, zoals een andere toekomstbestormer het legendarisch verwoordt: “… Wij staan diametraal tegenover de oude wereld. We zijn niet gekomen om haar te vernieuwen, maar om haar te vernietigen…”. Scheijen: “… Natuurlijk begreep het ingewijde publiek dat die uitspraken en optredens deels een spel waren. Fatsoen-poep-aan-je-schoen! Kijk ons nou fout en sexy zijn! Maar hoe ver zou dat spel gaan? Die vraag was de futuristen nooit gesteld…”. Veel wordt hen vergeven, want het is een klein clubje en zelfspot is nooit ver weg. In een interview uit 1914: “… Zijn jullie futuristen? – Ja, dat zijn we. – Verwerpen jullie het futurisme? – Zeker verwerpen wij het futurisme. Moge het van de aardkloot verdwijnen…”. Malevitsj blaast de onnoemelijk kostbare kunstschatten in het Kremlin dan ook niet op. Ze blijven gelukkig wonderbaarlijk gespaard als de revolutionaire bolsjewieken er echter niet tegen opzien het Kremlin te bombarderen. Een ontoelaatbare heiligschennis. De Russen geloven hun ogen en oren niet en trachten dit voorval altijd onder het tapijt te vegen. Scheijen vertelt hoe de vrijwel ongeschoolde Malevitsj uit de modder van het platteland opklimt tot leider van de Russische avant-garde, en beschrijft zijn ontwikkeling van symbolist naar kubofuturist - de Russische variant van het kubisme - naar suprematist, tot in de finesses. Malevitsj introduceert het objectloze suprematisme op een grotendeels zelf georganiseerde 0.10-tentoonstelling waar hij zijn aanstootgevende ‘Zwart vierkant’ showt. Scheijen: “… Het provocatieve zat hem niet in het schilderij zelf, maar in de plaats waar het was opgehangen, in de bovenhoek van de tentoonstellingszaal. Dat was traditioneel de plek van de huisicoon, een object dat in iedere Russische woning dienstdeed als sacrale opening naar het goddelijke, de roeptoeter tussen het materiële nu en het onstoffelijke eeuwige…”. Het is niets minder dan “… een denkbeeldige slagroomtaart in het gezicht van het intellectuele en religieuze establishment…”. Maar voor Malevitsj heeft het een oneindig diepe, spirituele dimensie – zij het godloos – waarin alle wegen van de schilderkunst op uit lopen en zullen sterven: “… Het resultaat was geen ‘ding’ maar een toegang, een poort naar een andere dimensie van echte onstoffelijkheid…”. Niet voor niks keek hij als kind door een kleine telescoop uren naar de sterren. “… De ondertitel van de tentoonstelling was polemisch: ‘De laatste futuristische tentoonstelling’…”, want de rol van het futurisme is bij deze uitgespeeld en voorbij volgens hem; de toekomst is aan het suprematisme.

Tegenaanval
Zijn opponent, de originele en baanbrekende Vladimir Tatlin, schopt het van schooier en matroos tot hoofd van de Moskouse afdeling kunsten. “… Deze Tatlin kon een soms magische aantrekkingskracht op mensen uitoefenen, maar dat kwam niet door zijn uiterlijk. ‘Nog los van zijn algehele lelijkheid,’ schreef een vriendin en bewonderaar, ‘was hij helemaal geel, met diepe rimpels, met een groot soort neus, die naar boven keek, mager, met bleekblauwe, enigszins uitpuilende ogen, hele grote – dat wel. Alleen zijn mond was onverwacht klein en sierlijk, en met schitterende tanden. Een lang postuur, heel mager, stuntelig, rode handen, en enorme voeten’…”. Neigend naar depressies is hij het beste te pas in een groep. Uitdagend bespeelt hij een zelfgebouwde bandoera, het instrument van bedelaars en zwervers, waar hij betoverend bij zingt. Hij neemt zelfs deel aan een expositie voor toegepaste volkskunst in Berlijn, waar hij een blinde bandoerist uitbeeldt. Hij naait zelf een Oekraïense pofbroek. Er moet geld in het laatje komen en met gesloten ogen houdt hij het net uit. Tatlin maakt van de gelegenheid gebruik uit te wijken naar Parijs waar hij Pablo Picasso opzoekt. Daar komt hij op het idee drie-dimensionale reliëfs te gaan maken. Uit planken (zie de Russische iconen die ook op hout zijn geschilderd) en afvalmateriaal. Hij is bezeten van techniek. Sommige radicale constructies bevatten bewegende elementen. Zijn reliëfs ontwikkelt hij door naar contrareliëfs (Kontr-reljef is ‘tegenaanval’), die niet meer aan de muur worden opgehangen, maar in hoeken geïnstalleerd alsof ze uit de wand schieten, slechts in bedwang gehouden door een paar touwen of staaldraad. Hij wantrouwt het oog. Focust zich op de tastzin. En dan zijn we ook hier weer terug bij de ouderwetse icoon: “… Die nadruk op de tastzin suggereert bovendien dat de reliëfs aangeraakt mochten worden. Dat zou ook weer een verwijzing zijn naar iconen, omdat die, anders dan wereldse kunstwerken, door gelovigen betast en zelfs gekust worden…”. Zijn beroemdheid maakt hem ziekelijk achterdochtig. Hij is bang (niet geheel ten onrechte) dat zijn tegenspeler, Malevitsj, hem beroofd van zijn grensverleggende ideeën. Tijdens de 0.10-tentoonstelling laten ze zich in hun onderlinge strijd op hun allerkinderachtigst zien: “… De suprematisten verstopten schilderijen, zodat ze die vervolgens ongemerkt konden ophangen tussen het werk van Tatlin-aanhangers. Tatlin eiste vervolgens dat er tijdens de installatie grote schermen werden gezet tussen de toegewezen ruimtes, om indringers van de andere zijde te weren. Hij wachtte eindeloos met het ophangen van zijn werken, met als gevolg dat hij tijdens de opening om vijf uur ’s middags nog bezig was. Dat deed hij met opzet, want zo werd de installatie van zijn belangrijkste reliëfs een performance: ‘Hij hangt ze op, tijdens de inloop van het publiek, staand op een ladder, en de aandacht en interesse van het publiek is getrokken.’ Maar Malevitsj ging effectiever te werk. Hij positioneerde zijn medestanders bij de ingang om binnenkomende journalisten op te vangen en naar de suprematisten te leiden…”.

Wát een kots
De bolsjewistische revolutie loopt uit op een bloederige burgeroorlog. Banken en posterijen werken niet. Ondanks de chaotische situatie waarin geen cent met kunst valt te verdienen en mensen dood gaan van de honger, blijven de futuristen hardnekkig doorgaan. Malevitsj stort zich op zijn zuiver immateriële werelden, snijdt de banden met de zichtbare werkelijkheid rücksichtslos door, en eindigt zelfs in kleurloosheid. Zie: ‘Verdwijnend geel vlak’, ‘Verdwijnende witte vlakken’, ‘Suprematische compositie: wit op wit’. Als hij aan het eindpunt komt van wat de schilderkunst vermag (leeg schildersdoek!), gooit hij zijn kwast neer, en begint te schrijven en les te geven. Want het Volkscommissariaat stelt zich voor de avant-gardisten open: ze mogen het onderwijs vernieuwen en krijgen grote invloed op het cultuurbeleid. Wat bezielt de nieuwe leiders? Waarschijnlijk gebrek aan beter, want de oude goden moeten worden neergehaald en nieuwe op de troon gezet. De avant-garde is dan wel onberekenbaar, maar naïef en goed bruikbaar om virtuoos op de trom voor de rode cultuur te slaan. Daar kun je de tegenstribbeldende sterren van gisteren niet voor inzetten. Bovendien hebben de nieuwe staatsleiders wel wat anders aan hun hoofd dan kunstzaken, en de boeren en arbeiders hebben (nog) geen enkele sjoege van het avant-gardisme. De futuristen houden zich niet bezig met politiek, gaan voor autonomie, zijn geen lid van welke partij dan ook, bezitten daardoor ook geen machtsbasis, en zijn dus goed in bedwang te houden. Ze ruiken macht en hebben er wel wat voor over om de staat naar hun hand te zetten. Hoogtepunt: de suprematistische installatie op het immense Paleisplein in Petrograd, recht voor het Winterpaleis, nu de Hermitage. Zelfs de Nederlandse Theo van Doesburg (De Stijl) heeft het over het wonderlijke ‘blauwe landschap’ waarvoor op het plein voor het Bolstojtheater de bomen zijn ingepakt in blauw gaas. Tijdens de eerste verjaardag (1918) van de revolutie mogen de futuristen de openbare ruimte versieren. Het wordt ondanks alle kou, honger, ziekten en de rode terreur, één groot straatcarnaval. De gevels van de grote steden zijn behangen met beschilderde doeken. De straten overspannen met vlaggen waarop revolutionaire teksten. Een gesamtkunstwerk van lichtshows, fonteinen, vuurwerk, dramaspektakels van historische revoluties, enorme muzikale optochten waaraan alles en iedereen meedoet, wordt opgevoerd. In het theater stukken met opruiend karakter waaronder “Op hoop van zegen” van Heijermans (echt waar!). Dan wordt eindelijk iedereen wakker: “… het was een arbeider die het meest exacte karakteristiek gaf van de zinloze en degeneratieve schilderkunst van de kubisten: ‘Wat een kots! Ik word misselijk als ik ernaar kijk.”…”.

Toren van Babel

In een communistische samenleving waarin maar plaats is voor één ideologie kan ook maar één kunstvorm overleven. Het avant-gardisme wordt gezien als proletariaat vijandige rommel. De neergang zet in. Bovendien vechten de twee ‘kunstgeneraals’, Malevits en Tatlin, elkaar de tent uit, terwijl ze gewoon dom bezig zijn: ze gaan over het geld en verrijken zichzelf. De Pravda begint vijandige stukken over hen te schrijven. Ze raken hun belangrijke posten in de bureaucratie kwijt. Tatlin verhuist naar Petrograd en begint aan een megalomaan project: een model van een projectielachtige, spiraalvormige toren van 400 meter hoog die zelfs de Eiffeltoren en de wolkenkrabbers in New York zal overtreffen, bestaand uit opengewerkt staal en met ronddraaiende glazen kantoren in de vorm van een kubus, een piramide een cilinder en een halve bol (zie de boekomslag). Het prototype komt op de IIIde Internationale in Moskou te staan en wordt een regelrechte hype, ook al zal het monument nooit echt gebouwd worden. Foto’s en illustraties gaan de hele wereld over. Duizenden buitenlanders zien het, waaronder Henriëtte Roland Holst en Gerard van het Reve senior. Het Rotterdamsch Nieuwsblad, het Algemeen Handelsblad en zelfs de Provinciale Noord-Brabantse courant berichten over de ‘Nieuwe toren van Babel’. Dadakunstenaar Raoul Hausman presenteert een collage ‘Tatlin leeft thuis’, waarin Tatlin wordt voorgesteld als een keurig heerschap met een machinebrein. Jan Romein heeft het over het ‘machinisme van Tatlin’. Ondertussen woont de officiële fantast en profeet van de revolutionaire staat, de ‘ultramoderne constructivist’ himself, in een klein en verwaarloosd appartement, waarin de kippen in een hoek eieren leggen en gedeeltelijk in zijn bed slapen.

Eenwording van alle kunsten

Malevitsj wijkt uit naar het plaatsje Vitebsk, waar de zachtaardige Marc Chagall als commissaris van de kunsten het bewind voert. Daar verenigen zich in de straten zijn suprematische confetti van groene cirkels, oranje vierkanten en blauwe rechthoeken zich in een kunstzinnige renaissance met de vliegende joden van Chagall. Malevitsj richt er met sektarisch elan zijn eigen artistieke organisatie en onderwijsgroep op: de UNOVIS (natuurlijk bestaat zoiets niet lang in een totalitaire staat). Ze dragen hun eigen embleem op hun revers of manchetten: een zwart vierkant. Ze zingen een eigen hymne. Ze hebben hun eigen armzwaaiact. Houden hun eigen onbegrijpelijke lezingen. Hun doel: wereldwijde eenwording van alle kunsten, maar dan natuurlijk wel op de Malevitsj-manier. Hij is even rigide en onverzoenlijk en overtuigd van zijn enige en eeuwige gelijk als de Rode Garde. Zelfs de meest toegewijde leerlingen van Chagall raken in de ban van de potentaat, die niet moe wordt Chagall neer te zetten als een verouderde reliek. Daarop neemt Chagall de benen naar Moskou waar hij het opnieuw geopende Joodse Staatstheater beschildert. Al gauw emigreert de laatste naar Parijs, waar hij zijn opleiding heeft gevolgd, maar zal daar nooit meer dezelfde hoogte bereiken als in Rusland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt zo ongeveer de hele Joodse gemeenschap in Vitebsk, en dat is de helft van de stad, door de Duitsers vermoord dan wel naar werk- en vernietigingskampen gestuurd: “… Toen het Rode Leger Vitebsk heroverde in 1944, waren er dankzij strijd, deportatie en genocidale moordpartijen van de meer dan honderdduizend inwoners nog precies 218 over…”.

Aanzien in Europa

Terwijl de positie voor de avant-gardisten thuis steeds hachelijker wordt, stijgt hun bekendheid en reputatie in Europa. Zeer positieve reacties komen uit Berlijn op de ‘Erste Russische Kunstaufstellung’ (1922, behalve van De Telegraaf, die het heeft over ‘kachelpijpisme’ en ‘Russische hocus-pokus’); een tentoonstelling die doorgaat naar Amsterdam. Nieuwe ideeën lijken echt in de lucht te zitten. Zonder meer opmerkelijk is de geïsoleerde, maar desondanks parallelle ontwikkeling en verwantschap tussen Malevitsj en het abstracte werk van de communistische kunstenaars van ‘De Stijl’ (Mondriaan, Van Doesburg). Het kruis van de eerste christenen staat gelijk aan het zwarte vierkant van Malevitsj, constateren de radicale kunstenaars. Malevitsj heeft inderdaad wat weg van een enge sekteleider dan wel knotsgekke goeroe, die bij de dood van Lenin voorstelt diens nagedachtenis overeind te houden door hem te vereeuwigen als een zwarte kubus, die iedere leninist in huis zou moeten hebben om te vereren (zie ook “Het onsterfelijkheidscomité” van John Gray). Echter, het onverdraagzame communisme streeft naar een uniforme maatschappij op álle fronten: ook de kunstzinnige. In 1930 wordt Malevitsj voor de tweede keer gevangen gezet en waarschijnlijk gemarteld. Daarna begint hij opnieuw min of meer figuratief te schilderen en maakt hij zijn indrukwekkendste werk: ‘Vrouwentorso’, ‘Vrouwenfiguur’ en ‘Vreemd voorgevoel’. Alleen doordat hij ernstig ziek wordt, ontkomt hij aan moord dan wel dwangarbeid in de Goelag. Hij sterft op 15 mei 1935. In de totalitaire samenleving van de onmenselijke tiran Jozef Stalin worden alle vrijdenkerij en pluriformiteit onder de intelligentsia uitgebannen. Er is maar plaats voor één ideologisch frame. Tatlins’ helderziende ‘performances’, die zijn tijd ver vooruit zijn, worden amper opgemerkt. Het enige grappige uit die periode is eigenlijk dat hij een tijdje zo’n kleine vriendin heeft dat ze de bijnaam ‘Molecuul’ krijgt. Naarmate de repressie sterker wordt, zondert hij zich steeds meer af, en lijkt zich af en toe op de rand van een psychose te bewegen. Tatlin wijkt uit naar Kiev, waar hij een ooievaar als huisdier heeft, die de hele boel onderschijt. Volgens onbevestigde berichten zou hij zelfs een condor op een binnenplaats houden. Om te bestuderen. Tatlin wil namelijk vliegen: zijn nieuwste project. Hij ontwerpt inderdaad drie opmerkelijke luchtfietsen. Terug in Moskou werkt hij voor de faculteit Hout en Metaal. Later nog voor de faculteit Keramiek, waar hij prachtige dingen maakt. Bijvoorbeeld een drinkbeker voor babytjes in de vorm van een moederborst. Af en toe kan hij een opdracht in de wacht slepen als theatervormgever. Schilderijen maakt hij niet meer. Hij sterft in 1953.

Wormen in blik
Het ‘heroïsch realisme’ komt op en bestaat voornamelijk uit middelmatige kontenkruipers van de communistische partij, die zich bezig houden met het vereeuwigen van arbeiders en legerleiders. De richting naar een gehomogeniseerde Sovjeststijl en massakunst wordt deels aangemoedigd, deels afgedwongen. De kunstenaars willen terug naar het traditionele en ambachtelijke, wat niet onbegrijpelijk is, gezien hun geschoktheid na de verschrikkingen van de (burger)-oorlog. Bij ons was dat eveneens het geval: zie de ‘Nieuwe Zakelijkheid’. De vage wereld van de abstractie wordt als vervreemdend en doods ervaren. De vrije val van de Russische avant-gardisten is een verdrietig verhaal. Massamoordenaar Stalin zuivert de cultuurwereld. De futuristen worden steeds meer afgeknepen, gemarginaliseerd en geridiculiseerd. Het is een verhaal van professionele en maatschappelijke uitsluiting. Er worden lastercampagnes op touw gezet. Inclusief publieke aanklachten. Ze worden uit de museumwereld verbannen. De kunstenaars die weg kunnen, verdwijnen uit Rusland om nooit meer terug te keren. Uitreisvisa zijn echter moeilijk te krijgen. Mensen worden van hun bed gelicht, gearresteerd en afgevoerd. Niemand die weet wat er met hen gebeurt: “… De angst en het wantrouwen gaven voeding aan allerlei uitzinnige stadslegendes en griezelverhalen. Een kunstenaar herinnerde zich dat ‘er geruchten door Moskou gingen dat kinderen met snoepjes werden weggelokt, om zeep of gehakt van ze te maken’. In die tijd ‘voelde je’, in de woorden van Nikolaj Chardzjiëv, ‘in de lucht het gekraak van uiteen splijtende schedels’ en ‘gingen mensen lijken op wormen in blik.’…”. Scheijen: “… De avant-gardisten vervaagden zoals de Cheshire Cat in “Alice in Wonderland”; zijn grijns bleef als laatste zichtbaar…”. Hij eindigt met het commentaar van Tatlin op zijn verbazingwekkende werk: “… Zonder raadsel, mijn jongen, kan er geen kunst bestaan…”. Dat drukt precies de onweerstaanbare aantrekkingskracht uit van alle echte kunst.

Uitgave: Prometheus – 2019, 592 blz., ISBN 978 904 464 395 4, € 24,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier