Menu

donderdag 16 november 2017

Bij je volle verstand – Tim Keller


Subtitel: Een uitnodiging voor sceptici

De populairste theologen in de conservatieve protestantse hoek zijn op dit moment waarschijnlijk Tim Keller (zie mijn blogs over “Het huwelijk” en “Aan Gods hand door pijn en lijden”) en Tom Wright (zie mijn blogs over “Paulus van Tarsus”, “Jezus en het evangelie van Judas”, “Pleidooi voor de Psalmen” en “Goed nieuws!”); gekscherend Tim & Tom genoemd. In zijn nieuwste boek, “Bij je volle verstand”, gaat Tim Keller in op de vraag in hoeverre je het redelijk kunt noemen om te geloven. Ik denk niet dat het atheïsten over de streep zal trekken, simpel omdat geloof ‘een gave van God’ is volgens de Bijbel. Ik denk wel dat het ‘ietsisten’ wat vastere grond onder de voeten kan geven. In die zin is het dus een beetje een preek voor eigen parochie – maar daar is natuurlijk niets mis mee. Keller heeft een nogal wollig taalgebruik; het is zaak even goed voor zijn verhaal te gaan zitten. Wat ik het buitengewone aantrekkelijke aan Tim Keller vind is dat hij zijn betogen doorspekt met voorbeelden uit de literatuur en filmwereld.

Omdat de meeste mensen stom zijn

Een quote van John Lennon uit 1966: “… Christianity will go. It will vanish and shrink. I needn’t argue about that; I’m right and will be proved right…”. Niets blijkt minder waar. Volgens een groot onderzoek door het Pew Research Center neemt religie juist toe. Een land als China wordt steeds christelijker naarmate het meer moderniseert. Christenen en moslims maken een steeds groter deel van de wereldbevolking uit, behalve in de Verenigde Staten en Europa (Washington Post, 24-04-2015): “… In God geloven is voor vier op de vijf mensen ter wereld helemaal niet gek, en dat zal in de nabije toekomst niet veranderen…”. Hoe komt dat? Het meest lompe antwoord is waarschijnlijk: omdat de meeste mensen stom zijn. Een wat doordachter en mensvriendelijker antwoord: omdat het seculiere denkraam essentiële dingen voor een bevredigend leven mist en omdat veel mensen intuïtief aanvoelen dat er méér is dan de zichtbare wereld. Een van de meest vooraanstaande filosofen van de wereld, Jürgen Habermas, is - tegenwoordig - van mening dat de wetenschap geen uitsluitsel kan geven over moraliteit of daar zinnige dingen over kan zeggen. Met een beroep op godsdienst zijn er verschrikkelijke dingen gebeurd, maar het secularisme was geen haar beter. De Franse revolutionisten waren gepokt en gemazeld in de geest van de Verlichting. Toch onthoofden ze in het openbaar 17.000 mensen. Om maar te zwijgen over het fascisme en communisme: “… de concentratiekampen leidden tot het morele besef dat eugenetica misschien in wetenschappelijk opzicht wel efficiënt was, maar (tegelijk) door en door slecht…”. Waar kun je de onderbouwing hiervoor vinden? Habermas: “… De idealen van gewetensvrijheid, mensenrechten en democratie zijn de directe nalatenschap van de Joodse ethiek van gerechtigheid en de christelijke ethiek van de liefde. Tot op de dag van vandaag is daar geen alternatief voor…”. Er is niets mis met de wetenschap, integendeel, maar het onderwijst geen waarden en leert ons geen naastenliefde. Wetenschappelijke kennis is niet toepasbaar op de belangrijkste aspecten van het menselijke bestaan, waaronder zaken als schoonheid, hoop, eergevoel, lijden, deugdzaamheid, opoffering en vergeving. Veel mensen voelen intuïtief aan dat we met onze liefdes en verlangens niet gereduceerd kunnen worden tot materie, chemie en DNA.

Een wilde God
Voor mij komen de indrukwekkendste argumenten voor religie echter van degenen die zeggen een rechtstreekse ervaring van het transcendente te hebben meegemaakt. Die een of andere Aanwezigheid hebben ervaren die het normale leven overstijgt. Waarschijnlijk zijn dat er veel meer dan we denken omdat mensen heel terughoudend zijn in het vertellen daarover. Vrienden en familie zullen al heel gauw zeggen: die is van het padje af. Eerlijk gezegd denk ik dat het in onze moderne wereld heel moeilijk is om in het goddelijke te geloven zonder ooit iets van God te merken. Sommige filosofen noemen zo’n ervaring ‘The Whoosh’ – een gesuis dat snel voorbijgaat. Een ander heeft het over een besef van een ‘heilige orde’ dat steeds weer opduikt in ons bewustzijn.
Het mooiste voorbeeld dat Keller noemt vind ik dat van atheïste Barbara Ehrenreich, bekend van haar invloedrijke boek “De achterkant van de Amerikaanse droom”, die onder de titel “Living with a Wild God” haar memoires schreef. Ze vertelt daarin over een onuitsprekelijke ervaring: “… Er was geen sprake van visioenen, geen profetische stemmen of totemdieren, niets anders dan dit laaiende alom aanwezige. Iets werd in mij gegoten en ik werd ergens in uitgegoten. Dit was geen passieve vrome eenwording met ‘het Al’, zoals door oosterse mystici beloofd wordt. Het was een heftige ontmoeting met een levend iets… ‘Extase’ past er als woord bij, maar alleen als je erkent dat het niet in hetzelfde domein thuishoort als geluk of euforie, dat kan lijken op een uitbraak van geweld…”. Keller: “… haar ervaring had haar in verbinding gebracht met iets ‘wilds’, iets ongeconditioneerds, zelfs iets gevaarlijks en gewelddadigs, niet iets wat ze als vriendelijk of goed kon interpreteren…”. Volgens Ehrenreich past de ‘wilde, amorele Ander’ niet in het plaatje van de vriendelijke, christelijke God, maar Keller beargumenteert dat God zeker wel als ‘wildheid’ voorkomt in de Bijbel: “… In Bijbelse weergaven van ontmoetingen met het goddelijke (zie Exodus 3 en 33 en Jesaja 6) voelen de menselijke ontvangers zich uitermate onbeduidend. Deze passages laten ook een God zien wiens aanwezigheid op een gewelddadige manier traumatisch en dodelijk is en tegelijk toch heel indringend en aantrekkelijk…”. En even verder: “… Zelfs Ehrenreichs zijdelingse opmerking dat ‘het was wat het was’ doet denken aan wat God tegen Mozes zei: ‘Ik ben, die ik ben’(Exodus 3:14, vert. NBG ’51). De ‘wildheid’ die Ehrenreich beschrijft past helemaal bij veel beschrijvingen van God in de Bijbel. God verschijnt in een storm (Job 38:1); op andere plekken als een opvlammend vuur (Exodus 3:2) of als een rokende oven of een brandende fakkel (Genesis 15:17). Ehrenreichs ervaring ligt griezelig dicht aan tegen de beroemde beschrijving die Rudolf Otto gaf van het ‘Heilige’. Zij was, zoals hij het noemt, aangelopen tegen het ‘volstrekt andere’… het vreemde en bevreemdende dat buiten het bereik van het gewone, begrepene en vertrouwde valt en daarom heimelijk is en onverklaarbaar. Het staat in contrast met het alledaagse en vervult het gemoed met verstijvende verbazing en verwondering…”. Waarom zijn er zoveel ervaringen die verder reiken dan het wereldbeeld van het secularisme, zelfs bij hen die daar helemaal niet op zitten te wachten (zie bijvoorbeeld: “De dag dat ik Jezus ontmoette” van Charlotte Rørth)? Als het zichtbare het enige is, waarom verlangen we dan zo intens naar iets wat niet bestaat en nooit bestaan heeft?

Zorgwekkend narcistisch
Keller gaat diep filosofisch in op de stelling dat het rationeel net zo min te bewijzen valt dat God niet bestaat als wel. Zowel de christen als de atheïst zijn ‘gelovigen’: “… Beiden kijken naar dezelfde werkelijkheden in de natuur en in het menselijk bestaan, en beiden zijn op zoek naar een manier om die te begrijpen door een proces dat rationeel, persoonlijk, intuïtief en sociaal is. De rede werkt niet zelfstandig en kan dat ook niet…”. Naar aanleiding van de sciencefictionfilm “The Matrix”: “… Kun je bewijzen dat je niet ergens in een grote kuip zit met draden en schroefjes die uit je achterhoofd komen die je een andere werkelijkheid voorschotelen?...”. Een hoofdstuk gaat over het zoeken naar de zin van het leven. Modernisten - Albert Camus, Anton Tsjechov, Franz Kafka, Jean-Paul Sartre, Joseph Conrad, Virginia Woolf, E.M. Forster, Samuel Beckett – rouwden om de zinloosheid van het leven. Het postmodernisme is er juist blij om, want nu is ieder voor zich vrij zijn om zelf zin te creëren. Dat lijkt mij eerlijk gezegd neerkomen op jezelf aan je haren uit het moeras trekken. De visie dat het leven is wat je er zelf van maakt wordt in het boek dan ook ‘zorgwekkend narcistisch’ genoemd. Zolang alles goed gaat zal het wel los lopen, maar wat als het tegen zit? Ene Richard Shweder schrijft over de betekenis van het leven: “… Voor de mens uit de oudheid… was de uitwendige wereld gelukkig en vreugdevol, maar was de kern van de wereld ten diepste verdrietig en duister. Onder het vrolijke oppervlak van de wereld van de zogenaamde vrolijke oudheid lagen ‘toeval’ en ‘noodlot’ op de loer. Voor de christen is de externe wereld duister en vol lijden, maar de kern ervan is niets anders dan pure, diepe vreugde en genot…”. Over het thema ‘voldoening’: “... We willen iets wat niets in het leven ons kan geven…”. Keller haalt het liedje ‘Is That All There Is’ van Peggy Lee uit 1969 aan. Ik zou daar ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ van The Rolling Stones - 1965 - aan toe willen voegen. Het gaat van de wereldberoemde uitspraak van Augustinus, ‘Onrustig is mijn hart tot het rust vindt in U, oh God’, naar C.S. Lewis die stelt: “… Schepselen komen niet met verlangens ter wereld zonder dat daarvoor bevrediging bestaat. Een baby ervaart honger; en kijk, er bestaat voedsel. Een klein eendje wil zwemmen; en kijk, er bestaat water. Mensen hebben seksuele verlangens; en kijk, er bestaan seksen. Als ik in mijzelf een verlangen waarneem dat zich door niet één ervaring in deze wereld laat bevredigen, dan is de meest waarschijnlijke verklaring dat ik voor een andere wereld ben gemaakt…”.

De dingen die je aanbidt zullen je levend verslinden
Keller besteedt een hoofdstuk aan het concept ‘vrijheid’. Religie wordt meestal gezien als de vijand van vrijheid. Echter, niemand is vrij. De postmoderne romanschrijver David Foster Wallace: “… In de dagelijkse loopgraven van het volwassen leven bestaat er niet zoiets als… niet aanbidden. Iedereen aanbidt. De enige keus die we hebben is het voorwerp van onze aanbidding. En de meest overtuigende rede om wellicht voor een of andere god of voor iets spiritueels te kiezen als voorwerp van aanbidding… is dat zo ongeveer alle andere dingen die je aanbidt je levend zullen verslinden. Als je geld en materiële dingen aanbidt, als je daar de werkelijke zin van het leven aan ontleent, dan zul je nooit genoeg hebben, nooit het gevoel hebben dat je genoeg hebt… Aanbid je eigen lichaam en schoonheid en seksuele aantrekkingskracht, en je zult altijd het gevoel hebben dat je lelijk bent. En als zichtbaar wordt dat de tijd niet heeft stilgestaan, dan sterf je duizend doden voordat (je geliefden) je ten slotte in de grond leggen… Aanbid je macht, en je zult je uiteindelijk zwak en bang voelen, en je zult nog meer macht over anderen nodig hebben om je angst het zwijgen op te leggen. Aanbid verstand, als slim beschouwd worden, en je zult je uiteindelijk stom voelen, een bedrieger, iemand die altijd op het punt staat om ontmaskerd te worden…”. Keller toont overtuigend aan dat onze identiteit wordt gevormd door anderen. Hij geeft een prachtig voorbeeld van een Angelsaksische strijder die in het jaar 800 twee sterke impulsen in zichzelf ontdekt: een neiging tot agressie en gevoelens voor hetzelfde geslacht. Hij leeft in een strijderscultuur dus zal hij zijn vechtlust ontwikkelen. Homoseksualiteit erkent hij niet dus zal hij dat in bedwang houden en onderdrukken. Dezelfde man met dezelfde impulsen in onze tijd in Manhattan zal precies het omgekeerde doen. Zijn seksuele voorkeur accepteren en voor zijn woede therapie volgen. Waarom? Omdat de samenleving vertelt wat we moeten geloven. Omdat een soort filter, een set uit de buitenwereld aangereikte overtuigingen en waarden, bepalen wie we zijn. Kijk alleen al wat social media ons (aan) doet. Ga op zoek naar jezelf en je vindt op den duur niets dan haat, eenzaamheid, wanhoop, woede, verval en verwoesting, aldus C.S. Lewis. Geef jezelf over en je vindt je ware ik. Verlies je leven en je redt het… Dit christelijke principe doortrekt het hele leven. Van boven tot onder. Keller gaat diep in op de moderne inzichten omtrent identiteitsvorming en zet daar de christelijke identiteit tegenover die niet ‘bewerkstelligd’ maar ‘ontvangen’ wordt (zie ook het Joodse begrip ‘tsimtsoem’ bij Nicole Krauss in haar roman “Donker woud”).

Heaven Is a World of Love
Robert Putman, een geciteerde hoogleraar openbaar bestuur aan Harvard, omschrijft de geestelijke toestand van mensen in de New York Times van 22 april 2016 als ‘wanhopig’, wanneer hem gevraagd wordt het feit dat in Amerika de zelfmoordcijfers tussen 1999 en 2014 met 24 procent zijn toegenomen te verklaren (zie bijvoorbeeld ook de cijfers van de hedendaagse burn-outexplosie; in de afgelopen twee jaar voor Nederlandse vrouwen stijgend van 9,4 naar 15 procent, en van Nederlandse mannen van 6 naar 9 procent). Een auteur zegt in de New York Book Review dat de moderne literatuur geen weg weet met vreugde. Keller: “… Films die het goed doen zitten bomvol apocalyptische nucleaire en natuurrampen, zombie-invasies of andere doemscenario’s. De ‘kwalitatief betere’ tv-series als Breaking Bad, House of Cards en Mad Men worden allemaal gekenmerkt door antihelden…”. Hij noemt een economisch deskundige die beargumenteert dat het seculiere optimisme een ramp geweest is, niet alleen voor het milieu maar ook voor de menselijke geest: “… Het ondermijnt ons vermogen om als mensen met moeiten en lijden om te gaan, en het kan mensen er niet toe aanzetten om kortetermijnplezier op te geven voor een hoger doel…”. Op een indrukwekkende manier vergelijkt Keller onze tijdgeest met de christelijke hoop die uitgaat van de goedheid van het leven in de confrontatie met de beperkingen ervan. Hij geeft het voorbeeld van slaven die volgens veel denkers door hun christelijke overtuigingen lijdzaam en gedwee zouden zijn gemaakt. Keller denkt dat het tegenovergestelde het geval was. Het zou juist het uithoudingsvermogen van de slaven hebben verhoogd: “… Hoop vereist geen geloof in vooruitgang, maar slechts geloof ‘in recht, in de overtuiging dat de slechteriken zullen boeten, dat onrecht hersteld zal worden, (dat) de ordening die aan de dingen ten grondslag ligt niet straffeloos genegeerd wordt…”. Veel mensen zijn van mening dat het verlangen naar een hiernamaals egoïstisch zou zijn. Maar de belofte van de Bijbel is niet dat we eeuwig zullen leven in een immaterieel, spiritueel paradijs, ver weg van deze wereld. We stijgen niet op naar de hemel; Gods hemelse glorie en reinigende schoonheid en macht komen naar beneden. Onze materiële wereld zal ooit vernieuwd worden, zodat kwaad, lijden, veroudering, ziekte, armoede, onrecht en pijn voor eeuwig weggenomen zullen worden (Openbaring 21:1-5, 22:1-4), en letterlijk draaien op liefde. Daarom is volgens Tolkien, de schrijver van ‘Lord of the Rings’, ieder goed vertelt sprookje een voorproefje van het evangelie. De achttiende-eeuwse filosoof en predikant Jonathan Edwards zegt: “… Heaven Is a World of Love…”.

Metaverhalen
Een hoofdstuk behandeld het probleem van de moraliteit. Als er geen God is hoe zit het dan met goed en kwaad? In handen van extreme gelovigen kan moraliteit weliswaar iets zijn om bang van te worden, maar aan de andere kant, als we zelf individueel onze waarden creëren, op grond waarvan kunnen we dan andere mensen dwingen die te aanvaarden? Als we zonder bedoeling gemaakt zijn, dan slaat het toch nergens op om zelfs maar te spreken over moreel goed en verkeerd? “… Vandaag de dag is er geen enkele mogelijkheid om een moreel standpunt te rechtvaardigen of er zelfs maar over in gesprek te gaan met iemand die het er niet mee eens is. Het enige wat we doen is die ander overschreeuwen…”. En even verder: “… daarom wordt onze samenleving uiteengereten door gepolariseerde, onverenigbare, alternerende universums van moreel debat die elkaar op geen enkele manier ook maar een klein beetje kunnen overtuigen…”. Socioloog Christian Smith vertelt over jongeren die gevraagd werden hoe ze wisten of een handeling moreel was of niet. Vaak zeiden ze dat ze “… in wat voor situatie dan ook automatisch weten… wat goed is en wat verkeerd…”. Dat is waarschijnlijk nog waar ook, want in de Bijbel staat dat alle mensen, ongeacht hun overtuiging, door God geschapen zijn met een moreel geweten (Romeinen 2:14-15). Keller behandelt het postmodernisme aan de hand van de beroemde definitie van filosoof Jean-François Lyotard als: “… het geen geloof hechten aan metaverhalen…”. Grote verhalen leiden alleen maar tot macht en onderdrukking – zie bijvoorbeeld het kapitalisme of het fascisme en communisme. Echter: “… Het enorme ironische hieraan is dat het postmodernisme zijn eigen metaverhaal creëert…”. Wat we nodig hebben is kort gezegd een ‘niet-totaliserend metaverhaal’. Volgens Keller is dat de christelijke visie: “… Voor een christen kan verlossing geen utopische hoop op onvermijdelijke vooruitgang zijn of op menselijk vernuft, maar alleen op God, en op Gods tijd…”. En even verder: “… Ten slotte kunnen metaverhalen door hun waarheidsclaim tot dominantie leiden, maar de lijn van de Bijbelse geschiedenis laat een verhaal (zien) waarin God keer op keer kiest voor hen die onderdrukt en beklagenswaardig zijn, die machteloos zijn en aan de zijlijn staan…”. Over gelovigen: “… Hun wereld is eerder mysterieus dan begrijpelijk, en ze verwachten niet dat ze er de macht over krijgen…”.

De meest invloedrijke man die ooit heeft geleefd
Aan het eind van het boek laat Keller een stel bewijzen en signalen de revue passeren die geen van allen zo sterk zijn dat ze geloof afdwingen, maar het geloof wel logisch maken: “… Sterker nog, deze argumenten zijn zodanig dat het ‘redelijker’ is en een minder grote geloofsstap vergt om in God te geloven dan om niet te geloven…”. En even verder: “… het doel van de zogenaamde theïstische argumenten is niet om ons een specifieke beschrijving van God te geven. Het belangrijkste wat ze doen is helpen ‘de ontoereikendheid in te zien van het (seculiere) naturalisme’ en ons zover te krijgen dat we gaan inzien dat er waarschijnlijk iets transcendents is buiten het universum…”. Keller noemt Jezus de meest invloedrijke man uit de geschiedenis. Historische geleerden zijn er vrijwel unaniem over eens dat Hij ooit geleefd heeft. De evangeliën zijn ooggetuigenverslagen en tonen geen tekenen van aanpassing aan de behoeften en gevoeligheden van de cultuur in die tijd. “… De stelling dat Jezus’ identiteit die is … van de Jahwe-God en dat hij aanbeden dient de worden, de notie van een gekruisigde Messias, het concept van een individuele opstanding, de domheid van de discipelen, het samengeraapte zootje dat achter Jezus aanging…” waren voor christenen buitengewoon gênante aspecten aan het Jezusverhaal. Keller wijst op de volmaakte flexibiliteit en ultieme wijsheid in alle relaties van Jezus. Hij was vrij van vooroordeel. En over zijn goddelijkheid: “… In de hele geschiedenis van de wereld is er maar één persoon die niet alleen beweerde dat hij God was maar er ook in slaagde om daar grote aantallen mensen van te overtuigen…”. Was hij een ontspoorde demagoog en bedrieger of de Zoon van God? “… De dingen die hij over zichzelf beweert ‘getuigen, als ze niet waar zijn, van een grootheidswaanzin in vergelijking waarmee Hitler een model van bescheidenheid en gezond verstand zou zijn’…”. Daarbij moet je ook nog eens bedenken dat Joden wel de laatsten zijn die geneigd waren te geloven dat een mens goddelijk zou kunnen zijn. Verder zijn er een overstelpende reeks historische bewijzen en wetenschappelijke argumenten voor de opstanding van Jezus. Keller: “… Hoe moeilijk het ook is om te geloven dat hij God is die naar de aarde gekomen is, het is misschien wel net zo moeilijk om dat niet te geloven…”.

Uitgave: Van Wijnen – 2017, vertaling Heleen Sytsma, 320 blz., ISBN 978 905 194 545 4, € 19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 8 november 2017

Brief aan mijn dochter – Abelkader Benali


Tijdens het wachten op de geboorte van zijn eerste kind, een meisje, Amber genaamd, beschrijft Abelkader Benali voor haar de wereld waarin ze terecht zal komen en vindt hij het vaderschap uit. Op een indringende manier vertelt hij over de Marokkaanse familie-achtergrond van zijn vrouw en hemzelf. Naar aanleiding van zijn fijnbesnaarde vertelling “Brief aan mijn dochter” is Benali samen met harpiste Lavinia Meijer momenteel bezig met een theatertour – zie hier. Wat mij betreft kunnen er niet genoeg van dit soort verhalen verschijnen, teneinde de groeiende kloof tussen autochtoon en allochtoon te dichten (zie bijvoorbeeld ook: "Een Marokkaan in Noord" van Barbara Schouten).

Het lichaam als gereedschap

Na een aantal bladzijden over wat de zwangerschap van zijn vrouw met hem doet begint Benali over zijn eigen moeder te vertellen, die hem kreeg toen ze niet veel ouder dan een jaar of vijftien was (er zouden nog zeven kinderen volgen). Ze woonde in de heuvels van Noord-Marokko: “… Een kindbruid. In die afgelegen plattelandsgemeenten groeiden meisjes op, gaven geboorte aan nageslacht en verlieten via een zijuitgang het leven…”. Over het lot van vrouwen: “… Op weg naar de geboortegrond van je moeder afgelopen zomer reden we langs een stevige Berberse matrone die een takkenbos zo groot als haar eigen lichaam vervoerde; ze ging eenvoudig gekleed, stapte stevig voort door dat tableau van land en zee, en je moeder slaakte een kleine kreet toen ze het gezicht van die vrouw zag, onvoorstelbaar oud voor haar leeftijd. Het lichaam als gereedschap…”. Hij vertelt hoe hij als ‘wandelende vertaalmachine’, in Rotterdam, zijn moeder naar het consultatiebureau begeleidde als er weer een broertje of zusje was geboren. Ze kon geen handtekening zetten, maar ‘een kruisje was ook goed’. Zijn trotse moeder berustte daarin. Vond het wel best. Stammend uit een schaamtecultuur waarin alles draait om de eer van de familie, behoort ze tot een van die onzichtbare vrouwen “… die hun leven slijten tussen vier wanden, wier hemel het plafond van het huis is, en die de binnenkant van de keukenkastjes beter kennen dan hun eigen ziel…”.

De sensatie van het onbekende
Het fenomeen migratie noemt Benali ‘een machine met een vrolijke, destructieve kracht’ die van zijn ouders tijdreizigers maakte: “… Families die elkaar decennialang niet zien. Mannen die nooit meer terug kunnen naar hun geliefde. Kinderen die opgroeien met een taal uit een land dat niet meer bestaat…”. Over vluchtelingen: “… Waarvoor vlucht de vluchteling? Niet voor oorlog, niet voor armoede, niet voor ellende. Hij vlucht omdat hem niets anders meer rest…”. Een van de bermbommen van landverhuizing is angst die ontstaat als mensen pijn willen vermijden en te maken heeft met de sensatie van het onbekende. In plaats van die sensatie te omarmen waren zijn ouders er bang voor. Eerst verlieten de mannen (gereduceerd tot anoniem werkvee dat ook weer het eerste zal zijn dat tijdens een crisis op straat staat - meer lezen: zie "Ik, Ali" van Günter Walraff) hun vertrouwde omgeving. Als de vestigingsplaats voor gezinsvereniging veilig was gesteld werden de moeders rechtstreeks naar hun bestemming getransporteerd. Vervolgens moesten ze daar hun hele leven van bij komen. Benali’s vader was een van de eerste islamitische slagers van Nederland. Zijn schoonvader werkte in de keukens van de grote hotels in Amsterdam. Wat migrantenkinderen niet werd gegund was de vrijheid om fouten te maken, schrijft Benali. En dat is begrijpelijk want ouders willen hun kinderen beschermen. Hij vertelt dat hij dan ook ongenadig op zijn mieter kreeg toen hij voor het eerst, op zesjarige leeftijd, aan het ouderlijk gezag ontsnapte om een praatje aan te knopen met een visser bij de Mathernessersingel. Hij mocht niet aanpappen met klasgenootjes: “… Verjaardagen vierden wij niet, en het contact met de buitenwereld moest beperkt blijven…”. Niet zo heel raar, gezien de wereld buiten de deur van familie Benali indertijd vergeven was van drugs: “… de verleidingen die op de loer lagen waren sterk en giftig…”. En even verder: “… Alles zoop en naaide en dealde en ging er dood aan…”. En nog verder: “… Uit de treinen van het Centraal Station kwam de dunne diarree van de wanhoop richting de West-Kruiskade gestroomd…”. Benali zegt dat hij legio veelbelovende jongens heeft zien mislukken: “… Al die Griekse tragedies op Nikes en Adidasschoenen…”. Hij groeide op met wantrouwen en argwaan. Hoe groter het gezin, hoe beklemmender de sfeer. Hij vertelt dat hij zich kapot schaamde als hij zijn ongeïnteresseerde vader moest meevragen naar een ouderavond of zijn analfabete moeder naar een rapportbespreking. Om aan alles te ontsnappen begroef Benali zich in boeken: “… Al vroeg ontdekte ik dat lezen een welkome muur was tussen mij en de mensen om mij heen…”.

Krassen
Hij zal geen volmaakte vader zijn. Hij zegt dat hij denkt dat zijn vrouw eerder dan hij zal vertellen tot wat voor ‘botte terzijdes’ hij in staat is: “… Dat ze die altijd verdragen heeft, zie ik dan weer als een teken van liefde van haar kant – of ongevoeligheid, het is maar hoe je het bekijkt. Hoe dan ook: met de pen waarmee we schrijven zetten we ook flink wat krassen…”. Voor hij vertelt hoe hij in alle vrijheid zijn vrouw ontmoette heeft hij het over het gebruik van uithuwelijken waaraan zijn ouders waren onderworpen, omdat in de familie van oudsher een strikte scheiding der seksen bestond. De mensen in het Rifland bleven binnen, want wanneer de beruchte Barbarijse zeerovers wisten dat er in een dorpje aan de Middellandse Zee begeerlijke dochters rondliepen, kwamen ze die ophalen. De man die in de weg stond ging eraan: “… Ik weet zeker dat jij later weinig affiniteit zult hebben met het fenomeen uithuwelijken - en dat begrijp ik - , maar bezoek je het landschap waar zij hun sporen lieten, dan zie je welke moeilijke omstandigheden ze het hoofd te bieden hadden en begrijp je de kracht van familie als bescherming…”. Prachtig beschrijft Benali hoe zijn ouders hun angst en ongemak verloren als ze op vakantie waren in Marokko: “… je grootvader dook in een lang gewaad, een djellaba, om er zes weken lang niet meer uit te komen, alsof hij daarbinnen alle comfort, rust en ruimdenkendheid vond die hij nodig had. Wanneer je grootmoeder terugkwam in het huis van haar ouders ging zij op in een voor mij mysterieuze, intieme omhelzing met haar eigen moeder, die bestond uit het elkaar eerbiedwaardig kussen op de binnenkant van de armen – een omhelzing die langer duurde dan welke omhelzing ook die ik ken…”. Ik vind het wel mooi wat hij schrijft over verliefdheid: “… We worden verliefd op het tekort van de ander, want het tekort legt de kwetsbaarheid bloot. En wat kwetsbaar is bekoort, omdat het ons verbindt met onze eigen kwetsbaarheid…”. Het viel niet mee om zwanger te worden. Er was sprake van een miskraam en een hartverscheurende situatie in een echokliniek. De onderzochte baarmoeder bleek geen vruchtje te bevatten: “… We hielden ons nog sterk bij het bericht, je moeder nog wat meer dan ik, terwijl ik niets anders voelde dan een scherpe behoefte om de plaats delict zo snel mogelijk te verlaten…”.

Uitzichtloosheid

Benali noemt de vorige eeuw de eeuw van de witte westerse man: “… en wat heeft hij er een potje van gemaakt. Het leiderschap van die man was gebouwd op de absolute waarheid van de technologische vooruitgang, de kracht van genieën en creatieve destructie, wat erop neerkomt dat wanneer je uit winstbejag iets tegen de vlakte kan slaan, je dat vooral niet moet laten. Het was de eeuw van een groei waar we wellicht ooit met afgrijzen op terug zullen kijken…”. Benali hoopt dat deze eeuw de eeuw van de vrouw wordt, en zij het anders zal doen. Ik zie eerlijk gezegd voorlopig niet veel veranderen. Hij voelt zich bevoorrecht: “… Om te weten wat een privilege is, moet je gaan kijken op die plekken waar men het ontbeert, in de buitenwijken buiten de behaaglijke ring van voorspoed en dertiende maand, van wintersportvakantie en tripjes naar Toscane – de buurten van Amsterdam Nieuw-West, Charlois, Molenbeek in Brussel…”. Plekken waar niemand zich zelfs maar tekortgedaan voelt, omdat domweg de woorden ontbreken om zich daarover uit te spreken. Over discriminatie: “… Uit onderzoek is gebleken dat bij gelijke kwalificatie Nederlanders met een ‘witte’ achternaam vele malen meer kans maken op een baan dan Nederlanders met een etnische naam. Moeten we om de poort naar het volledige burgerschap binnen te gaan overgaan tot het veranderen van onze naam?...”. Met z’n allen in de achterstandswijken van grote steden gaan wonen waar de oude witte bewoners uit zijn wegtrokken helpt de integratie ook niet verder. Hij beschrijft hoe zijn schoonfamilie lijdt aan sociale uitsluiting en economische malaise. Hij vertelt over gebrek aan goede voeding, gescheiden ouders, gokverslaafden in een rolstoel, huiselijk geweld. Vaders die jointjes roken terwijl hun vrouwen de kinderen onderhouden en de eindjes aan elkaar knopen. Inwoners van een grote stad die alle instellingen binnen loopafstand hebben maar toch niet over de gapende kloof springen die hen er van scheidt. Uit puur lijfsbehoud kijkt men weg van al het ongeluk. Mensen houden elkaar gevangen in een spiraal van uitzichtloosheid en wanhoop, waarbij men het eigen falen voortdurend afschuift op anderen en in laatste instantie op God, om maar geen gezichtsverlies te lijden. Hij vraagt zich af waarom zoveel Marokkaanse jongens in de gevangenis belanden. Waarom zoveel Marokkaanse meisjes hun school niet afmaken. Hij veegt de vloer aan met hoogopgeleide Nederlanders die praten over hun zogenaamde kosmopolitische instelling en kennis van de wereld maar in wiens leven een autochtoon niets anders is dan een exotische aanwezigheid. Tegelijk is hij kritisch op zijn eigen achtergrond: “… Het defaitisme in onze groep was sterk en oppervlakkig tegelijk. Niemand die er precies het fijne van wist, en toch voelde men zich bij voorbaat al buitenspel gezet…”. Hij gelooft er heilig in dat als je je leven kunt inrichten rond schoonheid en waarheid, rond kunst en cultuur, je al met een half been buiten het getto staat.

Naastenliefde

Wat Benali vooral erg dwars zit is dat hij zonder enig excuus of enige gêne ter verantwoording wordt geroepen voor de daden van zijn groep: “… Niets voelt sterker als gevangenschap dan wanneer je om je huidskleur, je etniciteit of geloofsovertuiging door een vreemde – of zelfs door een vriend, wat het nog pijnlijker maakt – wordt ondervraagd over de daden of woorden van anderen. Dit gebeurt vaak met een directheid die overrompelt, waardoor je verwarring voor onzekerheid wordt aangezien. Wat het niet is. Het is de reactie van de mens die zijn onschuld betwijfeld ziet…”. Hij schrijft over een middelbaar schoolmeisje dat geconfronteerd werd met op- en aanmerkingen over haar religieuze achtergrond en etnische afkomst. Ze verbood haar ouders verhaal te gaan halen op school omdat dat alleen maar tot meer uitsluiting zou leiden. Ze wilde van de witte school af, “… waarmee ze al heel vroeg in haar leven haar hoofd boog voor intimidatie. Ze zag zichzelf als het probleem, en ze droeg meteen de oplossing aan door zichzelf te verwijderen van de school…”. Hij vertelt dat onbekenden hem hebben gevraagd zijn Marokkaanse paspoort in te leveren en waarom ‘zijn’ geloof geen barmhartigheid kent. Redacteuren verzochten te komen spreken over etnisch gerelateerde drugscriminaliteit, wat hij wel eens heeft gedaan. Maar hij werd onderdeel van de kwestie en riep totaal krankzinnige reacties op. Hij is aangesproken op de aanslagen op de Twin Towers. Nine eleven bracht argwaan en onbegrip in zijn leven: “… Op die dag veranderde onze aanwezigheid in de wereld. Ja, die van je moeder en mij. Het werd vanzelfsprekend om het gesprek met ons ‘nieuwkomers’ te laden met verdenking, achterdocht en kwade trouw. Het geloof, dat tot dan toe als een bijzaak werd gezien, werd van de ene op de andere dag gepromoveerd tot de dominante factor in de omgang met mensen. Omdat ik tot dat ene geloof behoorde, werd ik een gevaarlijke ander…”. De vorsende blikken. Een buurvrouw die vroeg of hij en de zijnen geen naastenliefde kenden. Op sommige vragen zijn geen antwoord: “… Wat moet het antwoord zijn op haat? Liefde?...”.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2016, 176 blz., ISBN 978 902 950 561 1, € 15, -
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 1 november 2017

Zo zijn onze manieren – Frank Viola & George Barna


Subtitel: Maar zijn onze kerkgebruiken zo bijbels als wij denken?

Degenen die niets met de kerk hebben kunnen deze blog gewoon overslaan. Ik heb dat wel, omdat ik in een kerk ben opgegroeid. Ik kreeg dit boek opgestuurd van de uitgever en vond het ontzettend boeiend om te lezen. De schrijvers zijn twee christelijke Amerikanen die nagaan waar onze religieuze kerkgebruiken eigenlijk vandaan komen. Wat blijkt: zelden uit de Bijbel. De schrijvers hebben het dan ook ronduit over ‘heidens christendom’. Met heidens bedoelen ze natuurlijk niet iets als slecht of zondig of zo, maar niet-christelijk. Uit de leegloop van de kerken kun je constateren dat de huidige manier van kerk-zijn hedendaagse mensen niet meer zo aanspreekt – zachtjes uitgedrukt. Om maar te zwijgen over al degenen die het vanwege het vele machtsmisbruik helemaal gehad hebben met het geloof. Als onze kerkelijke tradities veelal zijn overgenomen uit de historische volkscultuur zijn ze niet onaantastbaar. Wordt het daarom niet eens tijd na te denken over hoe het misschien anders kan? In twaalf hoofdstukken houden de schrijvers twaalf kerkelijke issues tegen het licht. Ik ga ze allemaal even na.

Volgens het Boek?

“Zo zijn onze manieren” begint met een grappig voorbeeld van een gezin dat zondagsmorgens al stressend en kibbelend naar de kerk sjeest, om op z’n allerkeurigst op tijd in een kerkbank te ploffen, waarop pa zich ineens van alles gaat zitten afvragen: “… Is het wel volgens het Boek om vijfenveertig minuten lang op deze harde bank te zitten met uitzicht op twaalf achterhoofden? Waarom geven we zo veel geld uit om een gebouw te onderhouden waar we maar twee keer per week een paar uur gebruik van maken? Waarom is de helft van het kerkvolk nauwelijks wakker terwijl dominee Farley preekt? Waarom hebben mijn kinderen een hekel aan zondagsschool? Waarom moeten we elke zondagochtend dit zelfde, voorspelbare en slaapverwekkende ritueel afwerken? Waarom ga ik eigenlijk naar de kerk als het me tot tranen toe verveelt en ik er geestelijk niets mee opschiet? Waarom draag ik elke zondagmorgen deze ongemakkelijke stropdas als hij alleen maar de bloedsomloop naar mijn hersenen afknelt?...”. Ik denk dat het in Nederland niet veel anders is dan in Amerika.

Tempelloos geloof
Het tweede hoofdstuk geeft een imposante verhandeling over het kerkgebouw. Voor zover wij weten zijn er voor het jaar 300 geen speciale kerkgebouwen opgetrokken. God woonde in het hart van de christen, niet in een of ander heiligdom: “… Het is frappant dat we nergens in het Nieuwe Testament de term 'kerk' (ekklesia), 'tempel' of 'huis van God' vinden met betrekking tot een gebouw. Als je tegen een christen uit de eerste eeuw zou zeggen dat een ‘ekklesia’ (kerk) een gebouw was, zou hij dat net zo merkwaardig hebben gevonden als wanneer je je vrouw een appartement noemde of je moeder een wolkenkrabber!...”. De ‘ekklesia’ was een verzameling mensen. Elke gelovige werd gezien als een priester van God en voor de Allerhoogste was iedereen gelijk. Dus bestond er ook geen ‘geestelijkheid’. Christenen kwamen samen in woonhuizen. Het Jodendom en Grieks-Romeinse heidendom hadden tempels, priesters en offers. De christenen schaften al deze zaken af. Jezus had zich zelf opgeofferd – dat was voor altijd en eeuwig genoeg. Je kunt gerust stellen dat het christendom het eerste tempelloze geloof was.

Het kerkgebouw
De geschiedenis van het kerkgebouw begon in de tijd van keizer Constantijn met dodenverering; de sterkste gemeenschapsvormende kracht in het Romeinse Rijk. Monumenten op begraafplaatsen werden kapellen. Men ging catacomben versieren met christelijke symbolen (hier zie je voor het eerst het kruisteken) en relikwieën verzamelen. Het Avondmaal gleed af naar een magische ceremonie met heilige voorwerpen als de beker en het brood. Constantijn mag dan het christendom ingevoerd hebben, het is maar de vraag of hij echt christen was. Het lijkt er meer op dat hij de zonnegod Mithras vereerde. Tijdens opgravingen in de Sint-Pieter is een mozaïek gevonden van Christus als Onoverwonnen Zon. Hij voerde de vrije ‘zon’dag in, liet de zon op zijn munten staan, en richtte een standbeeld van de zonnegod met zijn eigen beeltenis op in zijn nieuwe hoofdstad Constantinopel. Hij verfraaide de stad met schatten uit afgodentempels en gebruikte heidense toverspreuken om oogsten te beschermen en ziekten te bezweren. Hoewel een christen niet mag doden liet hij zijn oudste zoon, neef en zwager executeren. Hij begon overal basilieken te bouwen die genoemd werden naar heiligen in plaats van naar heidense goden. Martelaren zouden dezelfde krachten hebben als de goden van weleer. De heiligste plaats in zo’n gebouw was het altaar. Op het altaar stonden de benodigdheden voor de Eucharistie, die inmiddels als offer werd gezien en alleen door heilige mannen, de geestelijken, mocht worden ontvangen. Na de vijfde eeuw bevatte het altaar een relikwie dat de kerk bestaansrecht gaf. Achter het altaar stond de bisschopsstoel, naar het model van de Romeinse rechtbank omringd door twee rijen stoelen voor de oudsten en diakenen. Vanwege de keizer werd er allerlei rituele pracht en praal de kerk binnen gebracht: kaarsen, wierook, officiële muziek, ambtelijke kleding. Constantijn behield de titel Pontifex Maximus. Zo werd ook het hoofd van de heidense priesters aangesproken. Hij zag zichzelf als de dertiende en belangrijkste apostel. Na zijn dood werd hij door de senaat goddelijk verklaard. De architectuur van de Constantijnse basiliekfase ging over in een byzantijnse, romaanse en gotische fase, waarbij de torenspitsen het contact tussen hemel en aarde voorstelden (à la de obelisken en piramides van Egypte). De latere hervormers, die meestal voormalige priesters waren, maakten de preekstoel of kansel tot het dominerende middelpunt van het gebouw. Kerkbanken (veertiende, vijftiende eeuw) dwongen het kerkvolk zwijgende, passieve, apathische toeschouwers te worden. Zo werd de kerk een soort theater waarin we het dagelijks leven kunnen ontstijgen. Het gebouw veroorzaakt niet alleen een onnatuurlijke scheiding tussen profaan en heilig, het kost ook nog eens handen vol geld.

Een dichtgetimmerde liturgie
Dan volgt een hoofdstuk over de liturgie die al vijfhonderd jaar wereldwijd en wekelijks door circa 345 miljoen protestantse gelovigen op min of meer dezelfde manier wordt gevolgd. Haar voornaamste wortels liggen in de middeleeuwse, katholieke mis, die doordrenkt was van heidens-magisch denken en Grieks spektakel. De hervormers maakten de preek (in de landstaal) tot de heilige koe van het protestantisme. Het kerkvolk mocht wel meezingen en deelnemen aan het Avondmaal. Verder veranderde er weinig. Bij de puriteinen was de preek een bijna bovennatuurlijk gebeuren. Het was immers Gods voornaamste middel om tot zijn volk te spreken. Sombere eerbied was een vereiste: “… Het puriteinse New England stond bekend om het straffen van kinderen die glimlachten in de kerk! Ook werd er een ‘collecteman’ in het leven geroepen die slapende kerkgangers wakker porde met een knoestige stok…”. Gemeenteleden die de zondagse preek misten werden gestraft. Ze kregen een boete of werden in een schandblok gezet. De latere opwekkingspredikers probeerden met alle voorhanden middelen mensen individueel te ‘bekeren’, zodat ze niet naar de hel gingen. Volgens de schrijvers staat een en ander in schril contrast met het oude christendom dat informeel en vrij van rituelen was, en vooral om spontane verbondenheid draaide. De oorspronkelijke verkondiging van de christelijke boodschap was een gesprek (in twee richtingen). Mensen reageerden op elkaar. Heidense sofisten en filosofen die christen werden en van retoriek een kunstvorm hadden gemaakt veranderden deze dialoog in een monoloog. De professionals spraken ook nog eens tegen betaling. Zo kwam het functioneren van het lichaam van Christus (de gelovigen) tot stilstand, werd de dominee een geloofsspecialist en de leken monddode tweederangschristenen. Wat we volgens de schrijvers nodig hebben zijn minder kanselridders en meer geestelijke coaches, die gelovigen helpen Christus daadwerkelijk te ervaren. Recht voor z'n raap: “… De doorsneepreek is dus een zwemles op het droge! De praktische waarde is nihil…”.

De voorganger in de plaats van de Heer Zelf
Een ander hoofdstuk beschrijft hoe het ambt van ‘voorganger’ is ontstaan. Ignatius van Antiochië (35-107) voerde een verhoogde oudste in die bisschop werd genoemd. Hij had de ultieme macht, moest absoluut gehoorzaamd worden, was de beheerder van de mysterieën Gods, ja, nam zo’n beetje de plaats van de Heer Zelf in: “… De bisschop ontwikkelde zich tot de plaatselijke presbyter. In de middeleeuwen werd de presbyter een katholieke priester. En deze veranderde in de Reformatie in ‘de prediker’, ‘de dominee’ en uiteindelijk ‘de voorganger’ – de persoon aan wie het hele protestantisme is opgehangen…”. De predikant van de Reformatie werd door de kerk gezien als de ‘man Gods’: de betaalde bemiddelaar tussen God en zijn volk. De hervormers geloofden dat de voorganger een soort tussenpersoon was, behept met goddelijke kracht en goddelijk gezag. Het valt niet mee voor God te spelen; het aantal burn-outs onder Amerikaanse voorgangers is inmiddels verpletterend. De schrijvers: “… Met de zondeval ontstond bij de mens een stilzwijgend verlangen naar een fysieke leider die hem in contact met God kon brengen. Daarom hebben menselijke beschavingen door de eeuwen heen altijd een speciale elite van gerespecteerde, godsdienstige leiders gecreëerd. De medicijnman, de sjamaan, de rapsode, de wonderdoener, de toverdokter, de waarzegger, de wijze en de priester – sinds Adams blunder kennen we hen allemaal. En deze persoon wordt altijd gekenmerkt door een speciale opleiding, speciale kleding, speciaal woordgebruik (‘Tale Kanaäns!’) en een speciale levensstijl…”.

Zondagse kleren

Waar komt verder het fenomeen ‘zondagse kleren’ vandaan? “… Van de middeleeuwen tot de achttiende eeuw was kleding een duidelijk bewijs van de sociale klasse waartoe men behoorde. In landen als Engeland was het voor arme mensen zelfs verboden om de kleding van ‘betere’ mensen te dragen…”. Het heeft dus te maken met status. En met heilig en onheilig. De geestelijkheid, die zich wilde onderscheiden van de leken, bleef de verouderde Romeinse kostuums dragen. Naarmate de kleding van de geestelijken overdadiger en duurder werd, werden er mystieke en symbolische betekenissen aan toegekend. In eerste instantie was wit de kleur van de geestelijkheid. De bisschoppen droegen paars. De hervormers voerden de zwarte toga van de wetenschappers in. Veel ‘Godsmannen’ zijn tegenwoordig herkenbaar aan hun kerkelijke boord. De schrijvers wijzen nadrukkelijk op het feit dat er in de kerk geen enkel verschil tussen ras of status zou mogen bestaan. De eerste christenen zagen zichzelf als een nieuwe soort op onze planeet: mensen in wie Christus woonde. Ze waren een nieuwe schepping. Vormden een nieuwe mensheid die alle natuurlijke verschillen en barrières oversteeg.

Rockmuziek en geldbelegging
Een hoofdstuk beschrijft de geschiedenis van muziek in de kerk. Constantijn zette professionele muziek in, analoog aan de ceremonies van de Romeinse keizer. In de vierde eeuw namen de christenen het idee van een koor over van de koren die in Griekse drama’s en tempels optraden. Het christelijke jongenskoor ontwikkelde zich uit heidense jongenskoren. Ook waren begrafenisprocessies en – toespraken gebruikelijk in de Grieks-Romeinse cultuur. Sinds de jaren zestig bestaan er zogeheten ‘aanbiddingsteams’, naar het voorbeeld van seculiere rockconserten. Wat de schrijvers er op tegen hebben is dat het kerkvolk niet mee kan doen als de muziek overgelaten wordt aan deskundigen. Hoe verhoudt zich dat met de uitspraak van Paulus dat iedereen in de samenkomst wel iets bijdraagt, zoals een lied, enzovoorts (1 Korinthiërs 14:26, Efeziërs 5:19, Kolossenzen 3:16)? Dan over geld. Hoewel Paulus in 2 Korintiërs 2:17 zegt: “… Wij zijn niet als zoveel anderen, die aan het woord van God willen verdienen…”, heeft de geestelijke elite van het lichaam van Christus tóch een bedrijf gemaakt. En over het ‘geven van de tienden’: “… Tienden geven staat wel in de Bijbel. Dus ja, het tienden geven is bijbels. Maar het is niet christelijk. De tiende hoort bij het oude Israël. Het was in feite hun inkomstenbelasting. In het Nieuwe Testament kom je nergens eerste-eeuwse christenen tegen die tienden geven…”. Tegenwoordig wordt het geven van tienden soms zelfs voorgesteld als een soort geldbelegging: “… Betaal de tienden, en God zorgt dat je er meer geld voor terugkrijgt. Betaal ze niet, en God zal je straffen…”. Hoe ‘christelijk’ is dat?!

Doop en Avondmaal
In de eerste eeuw ging het aanvaarden van het evangelie gepaard met de waterdoop. In de tweede eeuw werd de doop losgekoppeld van de bekering. Het moest door een periode van onderwijs, gebed en vasten worden voorafgegaan. In de derde eeuw wachtten pasbekeerden zelfs drie (!) jaar, waarin hun leven minutieus onder de loep werd genomen. De doop veranderde in een wettisch ritueel dat je zonden zou vergeven. Het water werd gezegend, mensen moesten zich ontkleden, er werden spreuken rondgestrooid, er was oliezalving en duiveluitdrijving, en de dopeling ontving melk en honing. Om er maximaal profijt van te hebben wachtten sommigen, zoals keizer Constantijn, tot ze op sterven lagen voor ze zich lieten dopen. Het Avondmaal was voor de eerste christenen een vrolijke, gezellige, gezamenlijke maaltijd bij iemand thuis. Paulus waarschuwt wel het Avondmaal niet op ‘onwaardige wijze’ te gebruiken. Hij doelde daarmee naar alle waarschijnlijkheid op dronken worden en niet wachten op arme broeders en zusters. In de vijfde eeuw was het Avondmaal verworden tot een eng priesterritueel waar de kerkleden met ontzag naar keken. Men durfde er soms amper dichtbij te komen. Men geloofde dat het brood God werd (transsubstantiatie).

Onderwijs

Aristoteles
, Abélard en Van Aquino geloofden allemaal dat het verstand de poort opende naar de goddelijke waarheid. Deze veronderstelling ligt ten grondslag aan de hedendaagse theologieopleidingen. Het christendom werd een intellectueel geloof. De hedendaagse universiteit is voortgekomen uit de taak van de bisschoppen om kerkelijk onderwijs te geven. De zondagschool was in eerste instantie een school voor arme kinderen op zondag. Daar leerden ze lezen en schrijven zodat ze beter bestand waren tegen mishandeling en uitbuiting. Uit de zondagsschool kwam het openbaar onderwijs voort. Natuurlijk is er niets mis met kennis. Door onze ratio kunnen we veel OVER God leren. Maar het intellect is geen poort naar kennis VAN God. God is Geest en communiceert met onze menselijke geest (evenals de schrijvers geloof ik dat de allerdiepste kern in de mens van geestelijke aard is). Ene Tozer hierover: “… Goddelijke waarheid is geestelijk van aard en kan daarom alleen door geestelijke openbaring worden ontvangen… Gods gedachten horen bij de geestelijke wereld, die van de mens bij de verstandelijke wereld. En hoewel het geestelijke het verstandelijke kan omvatten, kan het menselijke verstand nooit het geestelijke begrijpen… Door te redeneren kan de mens God niet kennen; hij kan alleen (iets) over God te weten komen… ”. Tot mijn verrassing gebruiken de schrijvers hetzelfde beeld als Nicole Krauss in “Donker woud” naar aanleiding van haar beschrijving van Kafka – zie mijn vorige blog: “… Om in bijbelse taal te spreken: het huidige christelijke onderwijs, of dit nu een theologische hogeschool of een bijbelschool is, is als het aanbieden van vruchten van de verkeerde boom – namelijk de boom van de kennis van goed en kwaad, in plaats van de boom des levens…”.

Hoe moet het dan wel?
Volgens de schrijvers heeft Jezus Christus de wereld radicaal veranderd: “… Hij veranderde de manier waarop de mens naar God keek. De manier waarop mannen naar vrouwen keken. Onze Heer kwam om de oude orde op zijn kop te zetten en te vervangen door een nieuwe orde. Hij kwam om een nieuw verbond te brengen, een nieuw koninkrijk, een nieuwe geboorte, een nieuw ras, een nieuwe soort, een nieuwe cultuur en een nieuwe beschaving…”. En in de kantlijn: “… De kerk van Jezus Christus is geen samengaan van Jood en niet-Jood. Het is een nieuwe mensheid - een nieuwe schepping - die zowel Jood als niet-Jood overstijgt (Ef. 2:15). De ekklesia is een biologisch nieuw geheel op deze planeet. Het is een volk dat goddelijk leven in zich heeft (1 Kor. 10:32; 2 Kor. 5:17; Gal. 3:28; Kol. 3:11). Zelfs de christenen van de tweede eeuw noemden zichzelf ‘het nieuwe ras’ en ‘het derde ras’. Zie Clemens van Alexandrië, Stromata, of Miscellanies, boek 6, hs.5. ‘We aanbidden God op een nieuwe manier, als het derde ras, als christenen’; Brief aan Diognetus, hs. 1, ‘dit nieuwe ras’…”. Wat de schrijvers voor ogen staat is een ‘organische kerk’ die leeft vanuit de door God verlichte geest. Die bestaat uit mensen die Christus ‘ervaren’, en vanuit die ervaring een gemeenschap gaan vormen waarin iedereen gelijk is. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Maar het komt onmiskenbaar in de buurt van de bijna communeachtige beschrijving die de grote godsdienstdeskundige Karen Armstrong geeft van de eerste christengemeenten in haar boek “Paulus. Onze liefste vijand” – zie hier.

Uitgave: Gideon – 2017, vertaling Richard Kettmann, 384 blz., ISBN 978 905 999 083 8, € 24,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier