Menu

woensdag 9 april 2014

Opstanding – Lev Tolstoj


Ik zit op een leeskring waar af en toe wel eens een ‘klassieker’ wordt besproken: kom daar nog maar eens om. In dit geval de derde grote epische roman “Opstanding”(1899) – na "Oorlog en vrede" (1869) en "Anna Karenina" (1877) - van de Russische graaf Lev Tolstoj. Een bijna 500 bladzijden tellend moralistisch drama, dat meer dan een eeuw geleden werd geschreven, maar nog verrassend tot de verbeelding spreekt. Tolstoj’s geschriften draaien dan ook om vragen als ‘Wat te doen?’ en ‘Hoe te leven?’, en die zijn van alle tijden. Vorig jaar gaf uitgeverij Kok het opnieuw uit, met een nawoord van Tjerk de Reus, in de serie ‘Christelijke Klassieken’.

Schuld en onschuld
Hoofdpersoon in het verhaal is prins Nechljoedow, een rijke aristocraat die in zijn jonge jaren een arm onschuldig meisje bezwangerde, waarmee hij onverwachts geconfronteerd wordt, als ze als misdadigster terechtstaat tijdens een rechtbankzitting waar hij als jurylid optreedt: Maslowa.
Ze blijkt door zijn tantes, die haar als pleegkind onder hun hoede namen, het huis te zijn uitgegooid toen ze van hem in verwachting was. Langzaam raakte ze aan lager wal en uiteindelijk sleet ze in een bordeel haar liederlijke dagen c.q. nachten. Daar werd iemand vermoord en Maslowa als dader aangewezen.
Nechljoedow komt tot het inzicht dat als hij zich indertijd anders had gedragen Maslowa nooit in de goot terecht was gekomen. Zijn schuldgevoel drijft hem de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Al gauw komt hij tot de slotsom dat niet alleen Maslowa, maar minstens de helft van de gevangenen onschuldig zit opgesloten. Er zouden vijf soorten criminelen bestaan: 1) de volkomen onschuldigen die slachtoffers van rechterlijke dwalingen zijn, zoals Maslowa, 2) degenen die hun misdaden onder buitengewone omstandigheden hebben gepleegd, bijvoorbeeld in woede, jaloezie of dronkenschap, 3) degenen die misdaden pleegden waarvan ze helemaal niet wisten dat het misdaden waren, b.v. mensen die hout hadden gesprokkeld of gras hadden gemaaid op terrein dat niet van hen was, 4) degenen die werden aangeklaagd omdat ze moreel hoger stonden dan de doorsnee burger: aanhangers van sekten en politieke gevangenen, en 5) degenen die door de onrechtvaardige maatschappij tot misdaden werden gedreven: armen en verwaarloosden. Het boek zit vol met dit soort didactische redeneringen.
Maslowa wordt onterecht naar Siberië verbannen. Nechljoedow weet het tij niet te keren, en besluit met haar mee te reizen, zodat hij haar zoveel mogelijk kan helpen. Sterker, zijn voornemen is om alsnog met haar te trouwen. Op het eind van het boek wijst Maslowa hem ondanks - of misschien wel juist vanwege - haar liefde voor hem, af (ze kiest voor een ander): met die sentimentele Russen weet je het maar nooit.

Het Koninkrijk van God is binnen in u
Het boek begint schitterend: “… Tevergeefs deden ettelijke honderdduizenden mensen, samengedrongen op een kleine oppervlakte, hun uiterste best om de aarde waarop ze woonden te verminken. Tevergeefs verstopten ze de grond onder stenen om elke groei te verhinderen, tevergeefs werd het kleinste grassprietje gewied, de lucht met steenkolen petroleumdampen bezwangerd, werden de bomen gesnoeid, de dieren en vogels verjaagd – de lente was, zelfs in de stad, toch altijd nog de lente. De zon gaf warmte; het jonge gras begon weer omhoog te schieten, niet alleen in de perken langs de boulevards, maar ook tussen de straatstenen; de berken, de populieren, de kersenbomen ontplooiden hun vochtige en geurende bladeren; de linden droegen hun tot barstens toe zwellende knoppen; de kraaien, mussen en duiven maakten vol lentelust hun nesten in orde; bijen en vliegen gonsden in de warme zonneschijn langs de muren. Alles ademde vreugde – de planten, de vogels, de insecten, de kinderen. De mensen echter – de volwassen mensen – gingen voort zichzelf en anderen te bedriegen en kwellen. Zij immers meenden dat niet de lentemorgen zinvol en heilig was, die goddelijke pracht der natuur, geschapen tot vreugde van alle levende wezens om hen tot vrede, eendracht en tederheid te stemmen – nee, het enige dat erop aankwam, was wat zijzelf hadden bedacht om elkaar te bedriegen en te kwellen…”.
Terug naar de natuur, en het liefst zonder dat vermaledijde volk, dus.
Vervolgens komt er een eindeloos uitwaaierende beschrijving over hoe het zover heeft kunnen komen dat een wereldschokkend mooie vrouw in een donkere gevangenis bivakkeert, waarvan ik eerlijk gezegd al gauw dacht: wat een gezever. Tot Nechljoedow op het toneel verschijnt, en als het ware ‘bekeerd’ wordt: “… Maar het geestelijk wezen, het vrije actieve levende wezen, het enige ware wezen dat in ieder van ons leeft, was nu in hem ontwaakt…”. Nechljoedow gelooft in de God in hemzelf: “... Twee jaar heb ik niets meer in mijn dagboek geschreven en ik had al besloten met die kinderachtigheid op te houden. Maar eigenlijk was het helemaal geen kinderachtigheid. Integendeel: het was een onderhoud met mijzelf, met het ware en goddelijke ik, dat in ieder mens leeft!...”. Zijn breeduitgesponnen zielsworstelingen pakten mij volledig in, ik nam de irritant alwetende verteller voor lief, en uiteindelijk raakte ik zelfs zo ongeveer verslaafd aan “Opstanding”.

Roerend
Het punt is dat literatuur van honderd jaar geleden ook honderd keer langzamer leest dan literatuur van tegenwoordig. Je komt absoluut in ander vaarwater terecht en daar moet je je op instellen. Het is net zoiets als op vakantie gaan. Als je een hectisch leven leidt moet je ook even acclimatiseren. Het tweede wat hielp was dat ik net van te voren een interview had gezien van Wim Brands met schrijver/journalist Michiel Krielaars aan de hand van zijn reisboek "Het brilletje van Tsjechov" – zie hier -, waarin hij veel vertelt over de Russische mentaliteit. Volgens Krielaars is er in Rusland vergeleken met honderd jaar geleden weinig veranderd. Nog steeds ontberen de meeste ziekenhuizen spullen om adequate zorg te verlenen en is op zaterdagmiddag iedereen, van jong tot oud, dronken. Russen zijn gezagsgetrouw. Ook al worden ze nog zo wreed en onrechtvaardig behandeld, ze blijven geloven dat de autoriteiten wel zullen weten wat het beste is. Bovendien zijn ze behept met een soort naïeve amicaliteit die zo warm overkomt dat het bijna roerend is. Je ziet dat in “Opstanding” terug als Tolstoj b.v. vertelt hoe de adellijke Nechljoedow een plaats vrijmaakt in een trein voor een paar armoedige werklieden, die eerst nogal ongemakkelijk en wantrouwig reageren. Maar al gauw overwint een oude arbeider zijn verlegenheid, en begint tegen Nechljoedow te praten, waarbij hij “… verscheidene keren, als hij het belang van wat hij zei wilde onderstrepen, zijn eeltige hand op diens knie legde…”.

Van egoïsme naar altruïsme
“Opstanding” is een roman over een spirituele ontwikkeling. Nechljoedow staat eigenlijk voor Tolstoj (1828-1910) zelf. Na zijn studie – o.a. Oosterse talen en rechten - vocht Tolstoj mee in de Krimoorlog (vandaar “Oorlog en Vrede”; hij wordt wel de eerste ‘oorlogscorrespondent’ genoemd), reisde rond in Europa, en trok zich uiteindelijk als schrijver terug op het landgoed waar hij was geboren: Jasnaja Poljana. Hij ging zich te buiten aan drank, gokken en hoererij. Hij bestelde gewoon de vrouwen van zijn lijfeigenen bij hem thuis. Die hadden niets in te brengen. Ik heb mij laten vertellen, dat je de kans loopt dat als je zijn optrekje (inmiddels museum) gaat bekijken, je rondgegidst wordt door personen die verdacht veel op hem lijken: grote aardbeienneus, borstelige wenkbrauwen, priemende oogjes. Toch nam Tolstoj ook pedagogische initiatieven. Hij richtte meermalen een boerenschooltje op. Onderwijs verheft het volk.
Op zijn 34ste trouwde hij plotseling met zijn 18-jarige bewonderaarster en muze Sonja Behrs. Ze was een ware ‘hulpe tegenover hem’. Regelde al zijn zakelijke beslommeringen. Hield zijn correspondentie bij. Schreef maar liefst zes keer “Oorlog en Vrede” voor hem uit (weet je wel hoe dik dat boek is!).
Rond zijn vijftigste belandde hij in een diepe geestelijke crises, waaruit hij als een soort ‘christelijke anarchist’ herrees. Hij overdacht het christelijke geloof en de Bijbel opnieuw, en nam enkel dat voor ‘waar’ aan wat strookte met zijn verstand en geweten. Eigenlijk hield hij alleen de Bergrede over waarin het gaat over afzien van jezelf en goed doen aan anderen. Hij probeerde dat heel rigoureus in praktijk te brengen. Hij zwoor drank en roken en seks af – toch kreeg hij dertien kinderen, dus hij moet nog wel eens in zonden zijn gevallen. Hij liep in boerenkleding, op blote voeten, en werkte op het land. Hij werd vegetariër. Hij gaf iedereen die arm was geld. Hij was tegen geweld. Kortom; hij werd een soort profeet die al gauw was omringd door een leger jongelui, bewonderaars en bedelaars. Hij correspondeerde met Mahatma Gandhi en inspireerde de kibboetsim. Hij was de voorloper van de communistische revolutionairen met hun leuzen als ‘bezit is diefstal’ en ‘godsdienst is opium voor het volk’; want de Russisch-Orthodoxe Kerk veroordeelde hem omdat hij alle christelijke dogma’s en bijbelse wonderen aan de kant schoof. Hij werd een cultfiguur. Hij schreef geen pure literatuur meer, maar religieuze verhandelingen. Volgens hem waren niet de kerkleiders, maar de boeren de ware dragers van het geloof. Jezus was niet de tweede persoon van God, maar een wijsheidsleraar, die God zijn vader noemde, omdat Hij niet wist wie zijn echte vader was. Ik denk dat je zijn religie vooral kunt duiden als ‘ietsisme’, wat in onze tijd wel weer heel aktueel klinkt.
Het deed zijn gezin geen goed. Zijn kinderen leden onder zijn sektarische geestdrijverij - hij duldde geen tegenspraak - en zijn vrouw was bang dat hij al zijn geld weg zou geven. Ze had een hekel aan zijn ‘stinkende, ongemanierde discipelen’, hield hem constant in de gaten, en raakte steeds paranoider en hysterischer. Ze verdacht de leider van zijn aanhang, Tsertkov, ervan dat hij Tolstoj wilde overhalen zijn testament te wijzigen, zodat de opbrengst van zijn boeken niet meer naar zijn familie zou gaan. Ze schijnt wel eens met een verrekijker in een sloot te hebben gelegen om de bewegingen van haar man gade te slaan.

Groen stokje
Uiteindelijk werd het de beroemde en beruchte Tolstoj – inmiddels een tachtiger - allemaal te veel, en vertrok hij stiekem met een trein richting een klooster, waar hij zijn laatste dagen in rust wilde slijten. Hij strandde doodziek op een stationnetje in het stadje Astapovo, belegerd door journalisten, volgelingen en sensatiezoekers. Zijn vrouw, die lucht kreeg van zijn vlucht, reisde hem achterna, maar werd bij hem weggehouden toen hij zijn laatste adem uitblies. Tolstoj ligt begraven op een plek op zijn landgoed waarover zijn broer hem ooit had verteld dat er ‘een groen stokje lag dat alle mensen gelukkig zou maken’. Je zou kunnen zeggen dat Tolstoj zijn leven lang naar dat ‘groene stokje’ op zoek is geweest.
In "De bezetenen. Avonturen in de Russische literatuur" heeft Elif Batuman een essay geschreven waarin ze aannemelijk probeert te maken dat Sonja haar man vergiftigde.
Tolstoj’s laatste jaar is prachtig verfilmd in “The last station”, aan de hand van het gelijknamige boek van Jay Parini (1991), met in de hoofdrollen Christopher Plumming als Tolstoj en Heleen Mirren als Sonja. Iedereen hield in die tijd een dagboek bij, dus het levensverhaal van Tolstoj werd uit de eerste hand opgetekend. Als er in de film een zoveelste ruzie tussen het echtpaar losbreekt, hoor je op de achtergrond vijf driftig krassende pennen het bekvechten begeleiden.

Uitgave: Kok – 2013, vertaling Jacob Leclee, 491 blz., ISBN 978 904 352 234 2, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen