Menu

maandag 7 juli 2014

De wand – Marlen Haushofer


Eén van de mooiste boeken die ik met een leeskring heb besproken – maar dat zeg ik wel vaker, geloof ik – is “De wand” van de, na een ongelukkig leven (getekend door depressies en een moeizaam huwelijk), veels te jong aan botkanker overleden Oostenrijkse auteur Marlen Haushofer (1920-1970; studeerde Germanistiek en Kunstgeschiedenis, moeder van twee zonen). Ze kreeg er de Arthur Schnitzler-prijs voor. De geschiedenis die ze vertelt is zo vreemd, dat het me een beetje aan Edgar Allan Poe doet denken.

Versteende wereld
Stel je voor. Je trekt je met je nicht en haar man een paar dagen terug in een jachthut in bosrijk gebergte. Na aankomst wandelen zij nog even naar het nabijgelegen dorp voor een borrel, maar jij gaat niet mee. Je bent moe, je gaat vroeg naar bed, en als je weer wakker wordt - inmiddels is het de volgende ochtend - merk je dat je helemaal alleen in het jachthuis bent. Okay, niet helemaal. De hond is er wel: Luchs. Ongerust ga je op onderzoek uit, loopt het bospad af, en dan stuit je op ‘de wand’. Een doorzichtige muur die jouw leefomgeving radicaal afsnijdt van de wereld aan de andere kant. Die wereld ziet er, voor zover je het kunt zien, bepaald shockerend uit: alsof de mensen en dieren er zijn versteend (ik kreeg gelijk associaties met de vrouw van Lot - de planten zijn trouwens niet gestopt met groeien; in de loop van het verhaal raakt een boerenerf aan gene zijde overwoekert door brandnetels).
Nou; daar sta je dan…

Orde van de dag
Natuurlijk is de vrouw die het overkwam in de war. Ze peinst zich suf over wat er gebeurd kan zijn. Maar niet lang. Ze moet verder. Ze leeft in een tijd waarin kernwapens een hot item zijn – ze denkt dat de wand daarmee te maken heeft: “… Ik nam aan dat het een nieuw wapen was dat een van de supermachten geheim had weten te houden; een ideaal wapen, het liet de aarde ongedeerd en doodde alleen mensen en dieren. Natuurlijk zou het nog beter zijn geweest als ze de dieren hadden kunnen sparen, maar dat was waarschijnlijk niet mogelijk geweest. Zolang er mensen waren, hadden die zich niet om de dieren bekommerd bij hun onderlinge slachtpartijen. Als het gif, ik stelde me in elk geval een soort gif voor, was uitgewerkt, konden ze het land in bezit nemen. Te oordelen naar het vreedzame uiterlijk van de slachtoffers hadden ze niet geleden; het geheel leek mij de meest humane duivelse streek die het menselijk brein ooit had verzonnen. Ik had er geen idee van hoelang het land onvruchtbaar zou blijven, ik nam aan dat de wand zou verdwijnen zodra je het kon betreden en dat de overwinnaars dan zouden binnentrekken. Nu vraag ik me weleens af of het experiment, als dat het inderdaad was, niet een beetje te goed gelukt is. De overwinnaars laten zo lang op zich wachten. Misschien zijn er helemaal geen overwinnaars. Het heeft geen zin daarover na te denken. Een wetenschapper, een specialist in vernietigingswapens, had waarschijnlijk meer ontdekt dan ik, maar hij zou er niet veel aan hebben gehad. Met al zijn kennis zou hij niets anders kunnen doen dan ik, wachten en proberen in leven te blijven. Nadat ik alles zo goed op een rijtje had gezet als iemand met mijn ervaring en mijn verstand maar kon, gooide ik de deken van me af en maakte het vuur aan, want het was die ochtend heel koud… ”. Terug naar de orde van de dag.

Eten of gegeten worden
Na tweeënhalf jaar als een soort Robinson Crusoë in haar eentje aangeploeterd te hebben rond de jachthut, besluit de vrouw - ze noemt nergens haar naam, ze vertelt wel dat ze een veertiger en weduwe is – om niet gek te worden, een verslag over haar situatie te schrijven. Dat doet ze heel gedetailleerd en rechttoe-rechtaan, zonder onderbreking van data, hoofdstuktitels, of wat dan ook. Wat volgt is een kosmisch overlevingsdrama in de vaak meedogenloze natuur. Ze jaagt, ze hakt hout, ze maait gras, ze melkt een koe die gelukkig is komen aanlopen en zelfs drachtig blijkt te zijn, ze legt een aardappel- en bonenveld aan, ze vist op forellen, speelt met een poes die op een dag voor de deur loopt te miauwen, en ook al nieuwe katjes krijgt. Ze beschrijft het zo mooi dat ik na het lezen van dit boek heel anders naar mijn eigen kat ben gaan kijken. In het jachthuis vindt ze een paar boerenalmanakken waar ze het een en ander uit opsteekt. Het keiharde werken, het aanpassen aan het weer, het doden van dieren, het eentonige voedsel, de eenzaamheid: het vergt meer dan de vrouw eigenlijk aankan. Voor Haushofer geen paradijselijke Roussiaanse toestanden in de zin van nobele wilden of verheven terug-naar-de-natuur-ideeën. Het is eten of gegeten worden. Het is of Haushofer heeft willen onderzoeken wie je écht bent, als je overgeleverd bent aan jezelf. En misschien is dat wel de charme van dit verhaal. Want willen we dat ten diepste niet allemáál weten? “… Sinds mijn kindertijd was ik het verleerd om de dingen met eigen ogen te zien en ik was vergeten dat de wereld eens jong, ongerept en heel mooi en verschrikkelijk was geweest. Ik kon daar niet meer naar terug, ik was tenslotte geen kind meer en niet meer in staat de dingen te beleven als een kind. Maar de eenzaamheid maakte dat ik soms een paar seconden de grote glans van het leven nog eens kon zien, zonder herinnering en bewustzijn…”.

Opgezogen worden door een groter wij
Je zou denken dat de vrouw aan het dagdromen zal slaan terwijl ze schrijft, uitgebreid zal gaan broeden over wat is geweest, maar dat is niet zo. Ze probeert haar verleden op afstand te houden en op te gaan in het hier en nu. Ze merkt hoe haar persoonlijkheid verandert. Ze heeft het gevoel dat haar nieuwe ik langzaam wordt opgezogen door een groter wij: “… Het was bijna onmogelijk om in de zoemende stilte van de wei onder de grote hemel een apart op zichzelf staand ik te blijven, een klein, blind, eigenzinnig leven dat zich niet in de grote gemeenschap wilde voegen. Eens was het mijn grote trots geweest dat ik zo’n leven was, maar op de alm kwam het me opeens heel armzalig en belachelijk voor, een opgeblazen niets…”.
Langzaam lijkt ze op te gaan in een nieuwe orde, in het ritme van de natuur: “… Sinds ik mijn tempo heb verlaagd, is het bos pas tot leven gekomen. Ik zal niet zeggen dat dit de enige manier van leven is, maar voor mij beslist de juiste. En wat heeft er niet allemaal moeten gebeuren voordat ik die kon vinden. Vroeger was ik altijd ergens naar op weg, altijd in grote haast, en ik zat stampvol ongeduld, want overal waar ik kwam, moest ik eerst een hele tijd wachten. Ik had net zo goed de hele weg kunnen kruipen. Soms zag ik mijn toestand en de toestand van onze wereld heel scherp, maar ik was niet in staat uit die verkeerde manier van leven te breken. De verveling waaronder ik vaak leed was de verveling van een brave rozenkweker op een congres van autofabrikanten. Bijna mijn hele leven heb ik op zo’n soort congres doorgebracht en het verbaast me dat ik niet op een goeie dag ben gestikt van afkeer. Waarschijnlijk heb ik het alleen maar kunnen uithouden doordat ik altijd naar mijn gezin terug kon vluchten. Maar de laatste jaren had ik vaak het gevoel dat ook mijn naaste verwanten naar de vijand waren overgelopen en het leven werd grijs en triest…”. In haar vorige leven is de vrouw niet erg gelukkig geweest; en misschien maakt dat het aanpassen aan het nieuwe leven makkelijker. Over haar twee dochters schrijft ze: “… Als ik nu aan mijn kinderen denk, zie ik hen steeds als vijfjarigen en ik heb het gevoel dat ze toen al uit mijn leven waren verdwenen. Waarschijnlijk beginnen alle kinderen op die leeftijd uit het leven van hun ouders te verdwijnen; heel langzaam veranderen ze in vreemde kostgangers…”, en een eindje verder: “… De twee tamelijk vervelende, liefdeloze en ruziezoekende half-volwassenen die ik in de stad had achtergelaten waren plotseling volkomen onwerkelijk geworden. Om hen heb ik nooit getreurd, altijd alleen maar om de kinderen die ze jaren geleden waren geweest. Waarschijnlijk klinkt dat wreed, maar ik zou niet weten wie ik nu nog iets zou moeten voorliegen. Ik kan me permitteren om de waarheid te schrijven; alle mensen ter wille van wie ik mijn leven lang heb gelogen zijn dood…”.

Vermoeid en belast, zoals een mens betaamt
De vrouw hecht zich enorm aan de dieren om haar heen, voelt zich één met hen. Ze droomt al gauw niet meer over mensen, alleen over dieren: “… In mijn dromen waren de mensen nooit vriendelijk tegen me, in het gunstigste geval waren ze onverschillig. Mijn droomdieren zijn altijd vriendelijk en vol leven. Maar ik denk dat dat niet zo gek is, het maakt gewoon zichtbaar wat ik altijd van mensen en dieren heb verwacht…”. Ze vindt mensen beklagenswaardig, “… want zij hebben net zo veel verstand dat ze zich tegen de natuurlijke loop der dingen verzetten. Daar zijn ze kwaad en wanhopig van geworden en niet erg beminnelijk. Terwijl het toch mogelijk zou zijn geweest om anders te leven. Er bestaat geen verstandiger gemoedsaandoening dan liefde. Die maakt het leven draaglijker voor wie liefheeft en voor wie bemind wordt. Alleen hadden we op tijd moeten beseffen dat dat onze enige mogelijkheid was, onze hoop op een beter leven. Voor een oneindig leger van doden is de kans van de mens voorgoed verkeken. Daar moet ik steeds aan denken. Ik kan niet begrijpen waarom we de verkeerde weg zijn ingeslagen. Ik weet alleen dat het te laat is…”.
Ze beleeft extatische tijden waarin ze het gevoel heeft dat de natuur haar betovert. Alsof ze slaapwandelt. Door de dood van sommige dieren komt ze weer hardhandig met beide benen op de grond terecht: “… Ik was niet meer los van de aarde maar vermoeid en belast, zoals een mens betaamt…”. Ze deelt al vroeg in het verslag mee dat er iets ergs is gebeurd met Luchs. Ze lijdt daar enorm onder. Dat vormt de climax waar heel het verhaal naar toewerkt. Pas op de allerlaatste bladzijden komt de openbaring.

Moderne mythe
Dit is zo'n verhaal waarin je kunt leggen wat je wil. Feministen zijn weggelopen met Haushofer omdat ze het lot van vrouwen aan de kaak stelt. Ze heeft het over het keurslijf van de beklemmende hoeveelheid plichten en zorgen dat een gezin met zich meebrengt: “… Ik heb weleens, lang voordat de wand er was, gewenst dat ik dood was, om mijn last eindelijk van me af te kunnen werpen. Over die zware last heb ik altijd gezwegen; een man zou me niet begrepen hebben en vrouwen stonden er immers net zo voor als ik. Dus babbelden we liever over kleren, vriendinnen en toneel, en lachten, de zorg die ons heimelijk verteerde in onze ogen. We wisten er allemaal van en daarom praatten we er nooit over. Dat was nu eenmaal de prijs die je betaalde voor het vermogen tot liefhebben…”. Je kunt “De wand” zien als een pleidooi voor ‘langzaam leven’ en ‘eco bewustzijn’. Je kunt het lezen als een apocalyptisch drama of als een een metafoor voor een depressie: à la Sylvia Plath die in haar legendarische “The Bell Jar” (1963) vertelt hoe ze het gevoel heeft onder een ‘glazen stolp’ te leven.
Boven alles is “De wand” vooral een schitterende moderne mythe.
Het verhaal werd verfilmd met in de hoofdrol Martina Gedeck. Titel: “Die Wand”.

Uitgave: Van Gennep Amsterdam – 2010 (oorspronkelijke uitgave 1963), 224 blz., vertaling Ria van Hengel, ISBN 978 946 164 111 3, €12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

2 opmerkingen :