Ik kreeg van iemand “Het koninkrijk kome”, een roman over de pseudo-Messias Sabbatai Svi (1626–1676), geschreven door de eerste vrouw die in 1970 de Booker Prize won: de Litouws-Joodse auteur Bernice Rubens(1928-2004). Ik was zwaar nieuwsgierig naar Sabbatai, omdat een andere valse Messias, Jacob Frank (1726–1791), over wie Olga Tokarczuk haar onnavolgbare “De Jacobsboeken” schreef, beweerde dat hij een incarnatie van Sabbatai was. Onlangs beluisterde ik op YouTube een lezing van Willem Ouweneel (emeritus theoloog, filosoof en bioloog), waarin hij het fenomeen van de valse Messias koppelt aan de ‘antichrist’. Met ‘antichrist’ wordt niet zozeer een figuur genoemd die ‘tegen’ Christus is, maar eerder iemand die zich ‘in de plaats van’ Christus stelt: een ‘pseudo Christi’. Zonderlinge figuren die geregeld opduiken, vooral in roerige tijden, zoals de onze. Zie bijvoorbeeld Donald Trump, die zich op sociale media als Jezus afbeeldde (wat na de nodige protesten overigens als de wiedeweerga weer werd verwijderd). Opmerkelijk is dat Ouweneel af en toe heeft gezinspeeld op het idee dat Trump wel eens dé antichrist zou kunnen zijn. De evangelische kringen waarin hij zich beweegt, nemen de Bijbel een stuk letterlijker dan het mainstreamprotestantisme waarin ik zelf wortel heb geschoten. Toch vind ik het interessant om Ouweneel te volgen – ik steek veel van hem op. ‘Ik ben een schoolmeester’, zegt hij altijd. Zo vertelde hij dat er binnen het Jodendom een lijst bestaat met minstens zestig pseudo-Messiassen.
Dönmeh
De proloog van “Het koninkrijk kome” gaat over een schrijver die als toerist een moskee in Istanbul binnenloopt om mee te doen aan het gebed. Hij merkt dat hij in de gaten wordt gehouden door een man, die hem buiten op straat aanspreekt. Als de schrijver vertelt dat hij Joods is, nodigt de man hem uit in zijn woning. Daar blijkt, achter gesloten gordijnen, nota bene de sabbatsmaaltijd te worden genuttigd. De man vertelt dat hij tot de Dönmeh behoort, een groep die de voormalige Messias Sabbatai Zvi aanhangt.”… Voor de wereld zijn wij moslims, maar in het geheim belijden we het Joodse geloof…”. Hij geeft de schrijver een pak papier met fragmenten uit het dagboek van een van de discipelen van Sabbatai Zvi mee, die van generatie op generatie in de familie zijn doorgegeven, met het verzoek of hij de geschiedenis van Sabbatai wil optekenen. Welnu, de schrijver houdt wel van alles wat clandestien is.
Messiaanse koorts
Het verhaal. In 1626, op de negende Av van de Joodse kalender - een dag van rouw om de vernietiging van de Tweede Tempel, maar ook de dag waarop volgens de Joodse traditie ooit de Messias zal worden geboren - komt in de Turkse kustplaats Smyrna (het huidige Izmir) Sabbatai Zvi ter wereld: de oudste zoon van een arme poelier. Een oogverblindende bliksemschicht flitst door de synagoge, zonder donder, wat de poelier opvat als een teken. De angst slaat hem om het hart. Als hij thuiskomt, blijkt hij vader te zijn geworden. De baby ruikt als een engel, vindt zijn moeder - een praatje dat van mond tot mond gaat door de hele wijk. Iedereen komt naar het huis van de poelier om de jongen te zien. Iedereen lijdt aan messiaanse koorts, “… en niet één koorts is zo besmettelijk. In die tijd verspreidde zij zich dan ook over heel Europa…”. De hoop op een Messias is een laatste redmiddel in tijden van tirannie en onderdrukking. De poelier voelt dat zijn huis iets overweldigends wordt opgedrongen en weet nog niet zo zeker van of hem dat bevalt.
Zwavelgeur
Op de dag van de besnijdenis wordt de rabbijn gevolgd door een enorme processie. Sabbatai geeft tijdens het ritueel geen kik, terwijl David, de half jaar oude zoon van een bevriend stel, begint te kronkelen en snikken alsof hij de pijn van Sabbatai heeft overgenomen. David zal later een van zijn trouwste vrienden worden. Buiten, tussen de wachtende menigte, houdt Rafaël, de plaatselijke gek, zich op. Hij begint ineens te brullen over valse profeten die in schaapskleren komen, maar van binnen verscheurende wolven zijn. De rabbijn pikt de woorden met afgrijzen op. Als hij haastig vertrekt pakt een vrouw hem bij zijn mouw: “… Ruikt hij niet als een engel, rabbijn?’ vroeg ze. ‘Ruikt hij niet naar mirre?’ zei een andere vrouw. ‘Of naar wierook?’ vroeg een derde. ‘Hoe zijt gij uit de hemel verstoten, O Lucifer, zoon van de morgen,’ fluisterde rabbijn Eskapa, zij het zachtjes zodat niemand behalve zijn verscheurde ziel het kon horen. Hij vroeg zich af of hij iets moest zeggen. Of zijn gedachten onder woorden gebracht konden worden. Maar hij moest ze uitspreken. Dat was hij aan God verplicht. ‘Hij ruikt naar zwavel,’ fluisterde hij…”.
Hoogbegaafd
Het gaat goed met de familie Tsvi. Nadat de Joden in 1492 uit Spanje werden verdreven, ving het Ottomaanse rijk ze met open armen op. Omdat de sultan op oorlogspad is, veranderen de karavaanroutes en wordt Smyrna een belangrijke handelsplaats. De vader van Sabbatai spreekt zijn talen en weet op te klimmen als tolk en makelaar. Ze verhuizen naar een grotere woning, waar Sabbatai tot zijn grote blijdschap een eigen kamer krijgt. Hij groeit op als een bijzonder ongenaakbaar kind dat zich alleen door zijn moeder laat aanhalen. Ongerust merkt zijn vader dat Sabbatai zichzelf uithongert en slaat met een stok om in extase te raken. Zijn zoon telt zichzelf de oneindigheid in en heeft nare visioenen en nachtmerries. Tot zijn grote opluchting worden er nog twee jongens geboren. Traditioneel heeft een Messias geen broers of zusters. Toch blijft er iets bovennatuurlijke om Sabbatai heen hangen. Hij is een geniale leerling. Hij leest de profeten zoals andere kinderen van zijn leeftijd avonturenverhalen. Hij bestudeert de Thora en de commentaren. In zijn klas is hij een soort held. Zijn wijsheid dwingt respect af. Gestimuleerd door hun ouders, koesteren zijn medeleerlingen een bewondering voor hem die grenst aan idolatrie. Zijn vader denkt dat hij gek is, zijn moeder dat hij heilig is.
Monster of Messias?
Vlak voor zijn dertiende verjaardag, als hij bar mitswa zal vieren, komt hij huppelend de trap af terwijl hij een paar keer stralend roept dat alles ‘klote’ is. Iedereen verstijft van schrik. Als zijn vader hem beetpakt, voelt het lichaam van zijn zoon aan als een gloeiendhete muur en druipt het zweet van zijn voorhoofd. Sabbatai lijkt ziek. Wanneer zijn vader hem in bed stopt, moet hij zich afwenden omdat hij misselijk wordt van de zwaveldamp. De dokter die erbij wordt gehaald, staat voor een raadsel. Sabbatai mankeert niets. Misschien is het de opwinding, suggereert hij. Tijdens zijn bar mitswa eet de samengestroomde menigte uit zijn hand. Hij krijgt ze aan het huilen. Degenen die in hem geloven, zien in zijn manische blik een zegening. Slechts een enkeling, waaronder zijn vader en de rabbijn, zien in zijn bezeten blik machtshonger. Buiten laat Rafaël, de gek, zijn waarschuwing over valse profeten over het plein schallen. Tijdens het feest thuis gaat Sabbatai met David om als een doodgewone jongen. Ze jatten kersen van taarten, trekken meisjes aan hun vlechten en duiken tussen de tafels door terwijl ze tikkertje spelen. Tot zijn vader ziet wat niemand ziet. Als Sabbatai David te pakken krijgt, voert hij zijn vriendje mee achter het buffet, waar hij hem zoent met de hartstocht van een volwassene. Zijn vader weet geen raad met een dergelijke perversiteit, die in zijn ogen eerder bij een monster past dan bij een Messias, maar hij houdt zijn mond.
Antisemitisme
In zijn puberteit bestudeert Sabbatai in het geheim de kabbala. De rabbijnen staan zo perplex van zijn kennis dat ze hem op zijn achttiende de titel ‘Chacham’ oftewel ‘ de wijze’ toekennen. Een status die hem het recht geeft volgelingen te hebben. Als hij met zijn vader meegaat op zakenreis naar Constantinopel, komt hij op een markt terecht waar vluchtelingen uit Polen en Oekraïne als slaaf te koop zijn. Hij hoort gruwelijke verhalen over de pogroms door kozakkenleider Chmelnitski, waarbij eenentwintigduizend Joden zijn omgebracht omdat ze zich niet wilden bekeren tot het orthodoxe christendom. Ze werden levend gevild. Hun vlees werd aan de honden gevoerd. Ze sneden hun buik open om er levende katten in te stoppen. Isaac Bashevis Singer vertelt precies dezelfde gruwelen in zijn roman “Satan in Goray”, dat zich ook in de tijd van Sabbatai Zvi afspeelt. Doodziek en overstuur van wat hij heeft gehoord gaat Sabbatai naar bed en droomt over een rode vaars: “… stond in de Zohar niet dat de Messias een rode vaars was, die de onreine mensen loutert maar daardoor zelf onrein wordt?...”. Op de markt ziet hij een jongen die hij ervaart als zijn spiegelbeeld. Hij haalt zijn vader over de tiener te kopen. Het gaat om Saul Vlonski, de schrijver van de dagboekfragmenten. In werkelijkheid lijkt hij totaal niet op Sabbatai. 'Natuurlijk niet', aldus Sabbatai, het gaat om zijn ‘geestelijke tweelingbroer’. Om zielsverwantschap dus. Vanaf dan lijkt Sabbatai’s geest gesplitst. Alsof hij behept is met een meervoudige persoonlijkheid. Zijn lichaam laat hij bij Saul achter, zodat Saul ervoor kan zorgen en de eventuele koorts behandelen. Dan kan hij zelf zijn weg gaan als spiritueel leider. Zo legt hij het uit tenminste. Hij gaat de straat weer op, alleen, om in een moskee Allah te aanbidden, want hij ‘wil alles leren kennen’. Ondertussen lijkt Saul zo getraumatiseerd als wat. Hij heeft als enige in zijn familie een slachting overleeft, maar wel door zijn kleine zusje aan haar lot over te laten.
Manisch-depressief
Saul beschrijft in zijn dagboek het manisch-depressieve gedrag van Sabbatai: “… Gisteren werd hij bevangen door een toestand van zwaarmoedigheid die hij niet begreep, waarna hij zich ineens, zonder aanwijsbare reden, uitzinnig blij voelde. Hij begon te zingen. Ik begreep niets van zijn woorden…”. Hij vertelt hoe Sabbatai soms in een roes raakt als hij met de kabbala bezig is: “… Hij had zelfs een lexicon bedacht om zijn extase in uit te drukken…”. Hij beweert dat Sabbatai God heeft gezien en dat hij beloofd heeft geheim te houden dat zijn vriend, van wie hij ongeoorloofd veel houdt, een toeval kreeg met schuim op zijn mond. De kracht waarmee hij heen en weer deint tijdens het bidden verraadt de mate van zijn trance: “… in de Zohar staat dat de ziel van de jood met de Thora verbonden is zoals een kaars verbonden is met de vlam. Vandaar het deinen…”.
De tijd was rijp
Rubens: “… Het is onwaarschijnlijk dat Sabbatai Zvi zich als mogelijke Messias zou hebben kunnen onderscheiden als het tijdperk van de communicatie niet in volle bloei was geweest. Want hij droeg geen bijzondere boodschap uit. Hij had geen nieuwe preek. Andere pretendenten waren hem voorgegaan met dezelfde kwaliteiten, dezelfde overgave, dezelfde bevlieging, maar bij gebrek aan overdrachtsmiddelen werden hun vuur en roem niet verspreid. Maar tijdens Sabbatai’s leven werden brieven door heel Europa bezorgd en mondeling reisden verhalen en geruchten gemakkelijk met de karavanen mee. De Poolse bloedbaden, waarvan men inmiddels in heel Europa op de hoogte was, hadden de hoop op een Messias aangewakkerd en de tijd was rijp voor een Verlosser…”.
De rol van Verlosser
Hij heeft een kleine, fanatieke groep van acht volgelingen. Ze houden zich bezig met langdurig vasten, boetedoening en kastijding van het lichaam. In een ware orgie van zelfontkenning zou de geest een gevoeligheid kunnen opbouwen waarmee alles wat transcendentaal en bovennatuurlijk is omvat kan worden, zelfs tot in een toestand waarin de ziel in staat is in contact te treden met God. Soms geselt de groep zich, tot afschuw van voorbijgangers, op het strand met hysop. Rubens schrijft dat er na afloop echter geen spoor van verwonding op de huid van de boetelingen te zien is. Wat daar nu weer van te denken? Sabbatai’s zekerheid over zijn rol is onderhevig aan schommelingen, afhankelijk van de hevigheid van zijn koorts. Vaak wordt hij bevangen door twijfel en ontzetting. Toch stimuleert hij zijn discipelen in hem te geloven als hun leider. Hij geneest zijn doodzieke oma door middel van gebed, maar kruipt daarna paniekerig in een hoekje vanwege zijn wondergave. Saul ruikt zijn angst. Sabbatai heeft het gevoel dat zowel God als de duivel in hem huizen: goed en kwaad, de asceet en de hitsige wellusteling, en boven alles de gezonde en de vervaarlijk ongezonde geest. Die avond scandeert een menigte buiten zijn naam. Hij vreest zijn aanhangers niet tevreden te stellen. De afschuwelijke last die zij op zijn schouders leggen vervult hem met weerzin. De druk van buitenaf is immens. Overal is hij bekend. Hij raakt zo opgefokt door de wil om te geloven in de duizenden die hem het redderschap opdringen, dat hij geen weerstand kan bieden tegen de verleiding daarin mee te gaan, ook al voelt hij zich een oplichter als hij alleen is.
Gay
In het algemeen trouwen Messiassen niet. Daarom zoekt zijn vader, die twijfelt aan de mannelijkheid van zijn zoon, twee keer een vrouw voor Sabbatai. Hij gruwt ervan hen aan te raken. Hij is zo gay als wat. Hij maakt zich ervan af door te verkondigen dat de Ru’ach Ha Kodesj, de Heilige Geest, zijn bruiden niet accepteert. Ondertussen doet hij het stiekem met Saul in de duinen – papa heeft het goed gezien.
Heiligschennis
Op een avond hoort Sabattai op de wind en in de duisternis een stem die zegt dat hij de redder van Israël is. Volgens Saul huist de duivel in Sabbatai die zich voordoet als God. Hij roept, met een gezicht dat asgrauw is als een dodenmasker, tot ontsteltenis van iedereen de naam van God door de synagoge. Voor Joden is dat je reinste heiligschennis. Achteraf voelt Sabattai zich ‘besmeurd’, ‘onrein’. Drie dagen sluit hij zich op in zijn kamer, vastend en biddend. Ontroostbaar. Wederom overgeleverd aan knagende twijfel over zijn roeping. De rabbijnen houden hem als bloedhonden in de gaten. Het aantal discipelen neemt toe tot twintig, waarmee Sabbatai naar de sloppenwijken in Smyrna trekt. “… Hongerige mensen verliezen alle gevoel voor redelijkheid. God dringt gemakkelijk door tot lege magen…”. Zijn energie brandt als een heilzaam virus door hun verzwakte geest. Hij steekt hen aan. Zweept hen op. Als er rellen uitbreken, spreken de rabbijnen een banvloek over hem uit, wat het startsein is voor de grootste messiaanse beweging in de Joodse geschiedenis.
Verlossing door zonde
In zijn eerste stadium van ballingschap vestigt Sabbatai Zvi zich in Saloniki, waar de grootste Joodse gemeenschap van Ottomaanse rijk woont en dat het centrum is voor kabbalistische studie. Hij houdt zich gedeisd, tot hij hoort dat zijn oma direct na zijn vertrek is overleden. Alsof ze haar talisman kwijt is geraakt. Met overweldigend charisma preekt hij tot de armen. Tegen Saul vertelt hij dat Mozes tegen hem gezegd heeft dat hij af moet dalen tot de goot, dat hij overspel moet plegen en ontucht moet bedrijven. Want de trap naar de hemel is geworteld in de Gehenna. Alleen via de afgrond kan men opstijgen naar de hemel. Het doet een beetje denken aan de ultra-orthodoxie, waarin je alleen via de ‘nacht van de ziel’ - de zwartste depressie - het licht van God zou kunnen ervaren. Wanneer hij begint te preken over de verlossing door zonde (een kabbalistisch hoogstandje) en stelt dat alles is toegestaan wat tot dan toe verboden was, vrezen de rabbijnen chaos. Hij krijgt opnieuw de opdracht zijn biezen te pakken. Hij draagt zijn volgers op naar Constantinopel te vertrekken, waar hij zich later bij hen zal voegen. Zijn vader stuurt hem een brief met de boodschap dat zijn moeder ernstig ziek is. Verkleed als vrouw reist hij naar Smyrna. Hij komt te laat: zijn moeder is al overleden.
Vis
In Constantinopel papt Sabbatai aan met een hoer: Sara. De plaatselijke vooruitstrevende rabbijnen zien veel van hem door de vingers. Maar als hij op een gegeven moment over de markt loopt met een kruiwagen waarin een grote vis ligt die hij af en toe aait, terwijl hij verkondigt dat tweehonderd jaar geleden is voorspeld dat, aan de hand van een bepaalde stand van het sterrenbeeld Vissen, de Messias zich moet openbaren - wat precies nu het geval zou zijn - en zichzelf presenteert als die grote Vis, wordt het zelfs hen te gortig. Hij wordt gesommeerd zich te melden bij het rabbijnse hof, waar hij veroordeeld wordt tot geseling. Het sterkt hem alleen maar in zijn rol als martelaar: de Messias moet rondtrekken en lijden door ballingschap en tuchtiging. Zijn banvloek wordt echter opgeheven, zodat hij kan terugkeren naar Smyrna om bij zijn vader en broers tot rust te komen en te genezen van zijn waan.
Propaganda
Iedere Messias heeft iemand nodig die voor de propaganda zorgt, aldus Ouweneel in zijn lezing. Zie Johannes de Doper en Jezus, zie Haman en koning Ahasveros, zie Goebbels en Hitler. Dat was met Sabbatai niet anders. Hij ontmoet de kalligraaf Abraham Yakini, die hem een zogenaamd oud document met de kop ‘De grote wijsheid van Salomo’ toont, waarin de komst van ene Sabbatai Zvi wordt aangekondigd. Sabbattai, die snakt naar bevestiging, gelooft elk woord. Het is precies het duwtje in zijn rug dat hij nodig heeft.
Epidemie
Iedereen hunkert naar een Messias, weet Sabbatai. Rubens vertelt dat er in Europa een soort Messias-epidemie is uitgebroken: “… Ze verschenen onder christenen in Duitsland, Frankrijk en Polen. Zelfs Engeland bracht een pretendent voort, een quaker die Jacob Naylor heette. Iedereen deed mee. In het Ottomaanse rijk was zelfs heel dicht bij huis competitie. In het stadje Ossa noemde een man zich Jezus Eli Messias en hij gaf drie bewijzen van zijn Messiaanse eigenschappen. Maar Sabbatai had zijn perkamentrol…”. In Smyrna zijn ze Sabbatai echter vergeten en wil niemand naar hem luisteren. Zijn bezeten vroomheid schept alleen maar schandaal. Daarom vat hij het plan op naar Jeruzalem te gaan. Met Saul als enige metgezel verblijft hij een paar maanden op Rhodos en een half jaar in Caïro. Vandaar vertrekken ze naar Gaza, waar ze feestelijk worden opgewacht door de helderziende profeet Nathan Asjkenazi, die slechts het ambt van heraut ambieert, en zijn volgelingen. Sabbatai wil er zo snel mogelijk vandoor. Hoe meer hij de roep van de massa om een Messias ontkent, hoe standvastiger hun geloof wordt, lijkt het wel: “… hij schrok ervoor terug zich te openbaren. Soms geloofde hij er gewoon niet in. Zijn rol was het resultaat van de inbeelding van anderen, een wijdverbreide wensdroom….”.
De bruid van Hosea
Saul is zenuwachtig als ze Jeruzalem naderen. Hij verwacht dat Sabbatai volledig zal instorten bij het zien van de heilige grond. Dat gebeurt niet. Ze bidden bij de klaagmuur: “… Na enige tijd liet Sabbatai zijn voorhoofd rusten tegen de koele stenen en dankte God voor het gevoel van volledigheid…”. Hij brengt een stabiel jaar door in Jeruzalem. Pas als de armlastige Joodse gemeenschap hem naar zijn invloedrijke contacten in Caïro stuurt om geld los te peuteren, verlaat de overweldigende vrede van God hem. Hij gaat weg zonder afscheid te nemen van Saul. In Caïro loopt hij de prostituee Sara weer tegen het lijf. Ze heeft visioenen en hoort stemmen. Ze zou voorbestemd zijn de bruid van de Messias te worden. Sabbatai voelt zich een Hosea en ziet Sara als zijn door God uitverkoren gade. “… Ze is een wezen van volmaakte schoonheid, en in hart en nieren verdorven…”, zal hij later naar zijn vader schrijven. Dan staat zijn afgewezen minnaar Saul voor de deur, die hem wijst op zijn koorts, het teken dat het misgaat met hem. Het is geen koorts, volgens Sabbatai. Het is het vuur van God dat in hem woedt. Het is het brandmerk van de Messias. Saul verdwijnt, diep gekwetst, met de woorden: “… Ik zal je volgen tot aan je stinkende graf…”.
De Sabbatai-beweging
Sabbatai trouwt, maar zal zijn vrouw met geen vinger aanraken. Sara begrijpt zijn aard beter dan hijzelf. Dat hij de Messias is, vindt Sabbatai op spaarzame momenten uiterst logisch en geloofwaardig; af en toe volslagen belachelijk. De momenten van twijfel en besluiteloosheid brengen hem naar de rand van de waanzin. Het Messiaans verlangen hangt als een molensteen om zijn nek. ‘Ik ben gek’, fluistert hij soms. In het jaar 1665 stuurt Nathan uit Gaza circulaires rond waarin hij zijn visioenen beschrijft. God zou aan hem het verschijnen van de Messias hebben aangekondigd – en wel in de persoon van Sabbatai Zvi. Dat wordt het echte begin van de Sabbatai-beweging. Nathan zorgt voor een witte hengst waarop Sabbatai, als een god in een witte mantel, met naast zich zijn koningin, aan het hoofd van een stoet mensen Jeruzalem opnieuw betreedt. Hij sticht chaos. Hij zoekt vol liefdesverdriet naar Saul, die zich niet laat vinden. Hij schaft de ceremoniële Joodse wetten af, wat de rabbijnen een beroerte bezorgd. Ze halen opgelucht adem als de herrieschopper verkondigt dat hij naar Aleppo wil reizen, en vandaar terug naar zijn geboorteplaats Smyrna.
Hedonisme in plaats van boetedoening
Ondanks de hysterische aanbidding zakt Sabattai tijdens zijn tocht steeds dieper in een depressie. Hij kan alleen maar aannemen dat God aanstoot neemt aan zijn entourage en de platvloerse kermis van zijn messiaanse parade. In plotselinge flitsen van agressief inzicht doorziet hij het zooitje bedriegers om hem heen. Hij zit gevangen in een publiciteitsmachine van klatergoud. Hij wil langs de kust reizen in de hoop Saul te vinden, die hij intens mist. Deze keer staat Smyrna op zijn kop bij zijn komst. De ramshoorn klinkt. Het gezin van Zvi wordt belegerd. De opgewonden menigte is doodeng. Sabattai lijkt te baden in licht; sommigen vallen flauw, anderen raken in extase. In de synagoge ‘verziekt’ Sabbatai volgens zijn vader de natuurlijke orde door boetedoening af te schaffen en hedonisme te prediken. Zijn hoofd is duidelijk omgeven door een aureool. De verlossing is niet meer aanstaande, maar gekomen. Iedereen moet zich klaarmaken om op te trekken naar het beloofde land. Echter, de sultan van het Ottomaanse Rijk heerst nog over Palestina.
Laatste kruistocht
Sabbatai is totaal onbetrouwbaar. Als zijn Messiaanse uitspraken worden afgewezen, is hij kwaad; als ze worden erkend, is hij bang. Het zaad van zijn waanzin ontkiemt naar alle kanten, woekert welig, ongebreideld en onbeheerst. In Frankrijk, Polen, Litouwen, Rusland, Duitsland en het beklemmende Spanje beginnen Joden hun spullen in te pakken en in de Europese havens samen te drommen. Een dwaze maar moedige (eigenschappen die vaak in een en dezelfde persoon huizen) man maakt Sabbattai uit voor een charlatan die iedereen de vernieling in helpt, en ontkomt ternauwernood aan steniging. Dat wekt een besmettelijke energie op die grenst aan hysterische bezetenheid. Godsdienstwaanzin grijpt om zich heen. Iedereen staat te trappelen om op te breken voor de laatste kruistocht. De profeet Nathan keert het tij door in de synagoge te verkondigen dat Sabbatai eerst met een klein aantal discipelen naar Constantinopel wil vertrekken om de sultan een kans te geven zich te bekeren. Als de sultan weigert, zal Sabbatai hem onttronen. De menigte laat zich vermurwen terug te keren naar haar dagelijks werk en geduld te beoefenen. Als dieren die een aardbeving voelen aankomen, vluchten de rabbijnen en families die niet geloven in Sabbatai de grens over, overtuigd van het feit dat er in deze zaak alleen maar verliezers zijn. Sabbatai voelt dat het te laat is, dat hij verloren is, dat de sultan alle Joden in Turkije zal straffen en vernietigen. Zijn vader smeekt hem niet te gaan. Hij zal zijn aanhangers naar de ondergang leiden. “… ‘Het leidt mij,’ zei Sabbatai…”. Even verder: “… ‘Ik ben de Messias,’ schreeuwde hij. ‘Ik, Sabbatai Zvi, geboren op Tisja b’Av. Als mijn volk te gronde wordt gericht is het de wil van God. Ik ben alleen het werktuig van die vernietiging.’…”. Zijn broer, die hem eten voert als een klein kind, zou hem het liefst met zijn vork vermoorden.
Judas
Al die tijd heeft Saul Sabbatai, als zijn schaduw, gestalked. Wanneer Sabbatai koers zet naar Constantinopel, verraadt Saul, als een ware Judas, waar hij zich bevindt aan de soldaten van de grootvizier, die na de opgevangen geruchten naar hem uitkijken. Een daad uit pure liefde, volgens Saul. Hij wilde hem gekroond zien, al was het maar met een doornenkroon. Sabbatai laat zich bijna opgelucht arresteren. Hij wordt met alle egards behandeld, want de stadsbestuurders zitten niet te wachten op oproer. Of hij wel eens aan zichzelf twijfelt, vraagt de grootvizier. “… ‘Natuurlijk twijfel ik,’ Sabbatai verhief zijn stem. ‘Alle heiligen twijfelen. Dat kan niet anders. Hun vroomheid zou anders hoogmoedig zijn.’…”. De vizier beschouwt Sabattai als ongevaarlijk, een naïeve dwaas. Om het enthousiasme rond hem in te dammen, zegt hij evenwel dat hij terecht moet staan voor gezagsondermijning. Dat moet het vuur van het plebs toch wat indammen. In zijn luxe onderkomen mag Sabbatai zelfs bezoek ontvangen, maar hij stuurt zijn gasten weg. Als een zwarte kakkerlak zit hij in een hoek te huilen om Saul.
De zesendertig rechtvaardigen
De rechtszaak laat nogal op zich wachten. Sabbatai wordt overgebracht naar een kerker in Gallipoli, dat van de ene op de andere dag een welvarend centrum wordt vanwege alle pelgrims die dicht bij hun Messias willen zijn. De weg naar het fort verandert in een ware Via Dolerosa, bezaaid met stalletjes vol koopwaar, waarmee beroepssjacheraars gouden tijden beleven. Met duizenden scharrelen de mensen over de kasseien. Ondertussen houdt Sabbatai zitting in een met tapijten behangen en luxueus ingerichte zaal. Zelfs zijn bewakers raken in zijn ban. Als een van hen vraagt of hij wel eens twijfelt, legt hij uit dat het judaïsme zesendertig Rechtvaardige Mannen kent die, zonder het zelf te weten, de toorts van het geloof uitdragen: “… God heeft hen met dat doel op aarde gezet. Misschien zet hij op dezelfde manier in elke generatie een gek op aarde die de rol van Messias moet vervullen. Want God heeft net zo chronisch behoefte aan een Messias als een Messias behoefte heeft aan God…”. Of hij terugkomt als hij doodgaat? “… Na iedere Messias staat de volgende op. Dat kan niet anders, want het geloof van de mensheid moet in stand worden gehouden…”.
Allah vergeeft
Eindelijk wordt Sabbatai naar de sultan in Adrianopol gebracht. Zijn volgelingen hebben de straat naar het paleis bestrooid met bloemblaadjes. Hij betreedt het gebouw in een staat van manische waanzin. De nacht voor het proces ontaardt in een wilde orgie. Zelfs de sultan voelt tijdens de rechtszaak Sabbatai’s messiaans magnetisme en huivert. Tijdens de laatste zittingsdag is Sabattai veranderd in een trillend hoopje mens die alles aanvaardt, als ze hem maar met rust laten. Hij kan kiezen tussen een folterende doodstraf of het aannemen van de tulband. “… Wat hem betrof was hij bereid de eerste de beste tulband te grijpen, driemaal ‘Allah’ te roepen en naar de grootste moskee te snellen om daar voor altijd te blijven bidden…”. Natuurlijk kiest hij voor de tulband: bekering is de wil van God. Zijn discipelen volgen hem. “… Op het marktplein wordt gedanst. Ik ben bang voor wat ze vieren. Ik ben zo bang dat ik niet verder vraag. Ze zingen ook, en hun lied dringt tot me door. ‘De verrader heeft de tulband aangenomen, / Allah vergeeft, Allah vergeeft…’…”.
De gek van Dulcigno
Omdat er verhalen de ronde blijven doen dat Sabbatai, ondanks het aannemen van de tulband, in het geheim de Koran terzijde schuift, wordt hij uiteindelijk verbannen naar Dulcigno, dat tegenwoordig Ulcinj heet, de zuidelijkste badplaats van Montenegro. Daar legt Sabbatai zijn broer uit dat hij diep in zijn hart altijd Joods is gebleven. “… Voor mij was geloofsverzaking een bevel van God. Hij heeft bevolen de wereld van de islam binnen te gaan om deze te bekeren tot het judaïsme. De tulband is vermomming. Tijdelijk, triviaal…”. Volgens hem houdt de tulband de kwade geesten op afstand, omdat hij het kwaad vertegenwoordigt. Hij zwaait er minachtend mee in het rond. Ze kennen hem allemaal: de gek van Dulcigno.
Uitgave: Arena Amsterdam – 1992, vertaling Joop van Helmond, 368 blz., ISBN 978 906 974 032 4
Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

Geen opmerkingen :
Een reactie posten