Byung-Chul Han (zie mijn vorige blog) noemt in zijn essay “De palliatieve maatschappij” (2022) de hedendaagse beschaving ‘palliatief’, omdat wij coûte que coûte pijn willen vermijden. Zie hoe het beeldscherm ons ‘beschermt’ tegen de buitenwereld. “… We zijn bang geworden voor pijn. Zelfs de dood proberen we weg te stoppen. We kiezen vaak voor verdoving in plaats van echt leven…”. En dan bij onze jongeren aan komen zetten met de oproep ‘sneuvelbereid’ te zijn… Zie verder het artikel ‘Waarom je een schedel op je bureau moet zetten. Het belang van memento mori’ van “De ongelooflijke” (30.12.25), naar aanleiding van een podcast met rouwdeskundige Manu Keirse. Misschien kunnen we weer zachtjes een beetje leren wennen aan de dood door het prachtige, dromerige boekje “Door de sneeuw”, van de Duitse bestsellerauteur en detectiveschrijver Tommie Goerz (1954) te lezen, waarin een dodenwake wordt gehouden in een afgelegen, met een dikke laag maagdelijke sneeuw bedekt Alpendorp: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”.
Noaberschap
“Door de sneeuw” beweegt zich op de rand van twee werelden. De protagonist, Max, een oude vrijgezel, heeft aan den lijve ondervonden hoe de gesloten, op het eigene en naar binnen gerichte dorpsleven, ruw verstoord werd door de met veel bombarie binnendringende buitenwereld. Alles verandert doorlopend. Panta rhei. Goed, het leven is daardoor misschien zo’n beetje grenzeloos geworden, alles werd mogelijk, maar ook oppervlakkiger. Veel goeds ging verloren en verdween. Ik herken dat wel. Op mijn zesde verhuisde ik van een hechte plattelandsgemeenschap naar de stad. Mijn hoogbejaarde moeder zei laatst nog dat ze dacht: wat zal ik nu veel meemaken - met zoveel mensen om me heen. Ze maakte níets meer mee. Of in ieder geval niet meer iets dat kon tippen aan de intieme solidariteit die vanzelfsprekend is in een buurtschap waar je op elkaar aangewezen bent. Wat je in de breedte leeft, leef je niet in de diepte.
W.G. van de Hulst-achtig
Het verhaal. Max staart in trance uit het keukenraam naar de vallende sneeuw: “… Hoe de sneeuw, als hij omhoogkeek in het eindeloze grauw van de lucht, uit zwarte stipjes bestond en hoe de stipjes gestaag op hem af bleven stromen. Tot hij erdoor werd meegevoerd, wat altijd gebeurde als hij een tijd zo stond te kijken. Dat had hij als kind al gehad. Alsof de vlokken niet naar hem toe zweefden, maar hij naar de vlokken…”. Bijna W.G. van de Hulst-achtig: “… Van niets werd de wereld zo roerloos als van vallende sneeuw. En zo vredig, zo zacht…”. Dwars door het kalme wit begint plotseling de doodsklok te beieren. Al twintig jaar luidt Gunda voor iedereen die in het dorp sterft de klok. Daarvoor was dat de taak van haar moeder: “… sinds het begin van de wereld leek het wel…”. Zijn oude vriend Schorsch is dood (alleen in zijn paspoort staat zijn echte naam: Georg, maar niemand had hem ooit zo genoemd, alleen bij de gemeente, wat wisten ze daar nou van mensen…). Lisl had het hem van buiten toegeroepen, vanaf de weg. Terwijl ze een kruis sloeg. Schorsch met wie hij hout hakte en machines repareerde. Met wie hij eindeloos met een potje bier had zitten niksen op een bankje op het erf of op de sofa bij hem thuis, waar ze samen zwegen of een dutje deden. Hij herinnert zich de ‘heilige momenten’ als ze luisterden naar de oergeluiden in het bos, het over stenen stromen van de beek. Ze hadden het jaarlijkse ‘bezembinden’ geregeld en een keer zwarte kaarsen gegoten die zouden helpen tegen onweer. Toen ze op een zolder een oude karnton vonden, hadden ze melk gekarnd. Hij probeert de krant te lezen: “… Hij sloeg de bladzijden om en bekeek de foto’s, maar het nieuws interesseerde hem niet. De wereld daarbuiten was zo ver weg, die had niks met hem te maken. Een janboel was het, hij begreep er niets meer van. Het was overal oorlog, overal waren mensen op de vlucht – bij hem sneeuwde het alleen…”.
Dodenwake
In Max’ vertraagde wereld wordt het halverwege de middag alweer nacht: “… het zou nog weken duren tot het merkbaar lichter werd. Wat was er met de dag gebeurd?...”. Hij zet thee van allerhande kruiden die hij zomers plukt en te drogen legt op een plank. Ondertussen denkt hij na over de veranderde omgang met de dood. Hadden ze Schorsch al opgehaald? “… Haast niemand wilde nog een dode in huis hebben, ook de eerste nacht al niet meer. Bij de laatste drie overlijdens was er geen dodenwake geweest. Ze waren de overledenen nog dezelfde dag komen halen, om bij de uitvaartonderneming in een koelcel te leggen. Pas voor de begrafenis werd het lichaam dan naar de kerkhofkapel gebracht, het werd niet meer opgebaard. De kist was voor die tijd al dichtgeschroefd. Maar zo kon je niet fatsoenlijk afscheid nemen. Bij een dodenwake was dat zoveel mooier. Dan had je de hele nacht om te praten en te huilen en was er wat te drinken, een borrel of twee, een biertje of wat, dat hielp altijd. Ook dat je met meer was en niet alleen…”. Hoe een prachtige ceremonie, zeker ook in verband met het onlangs gepubliceerde wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat ons brein nog enkele minuten tot zelfs uren na de dood actief lijkt te blijven (Telegraaf 16.02.26). Ik ga het nu maar niet hebben over wat een en ander aan ethische vragen oproept rond orgaantransplantatie.
Vrouwen
Die middag kleedt Max zich dik aan om naar het huis van Schorsch en diens vrouw Maicherd te glibberen. Hij wil weten of er een dodenwake zal zijn. “… De vrouwen die altijd direct kwamen als er iemand was overleden, hadden Schorsch al een flink eind opgeknapt, hij had zijn zondagse goed nog niet aan, dat zou de aanspreker doen, maar daar lag hij: netjes gekamd op de bank in de kamer, met links en rechts een kaars. Maicherd was alweer alleen. Het rook als in de kerk en ze hadden Schorsch een rozenkrans tussen zijn vingers gevlochten. Dat zou hij niks gevonden hebben, wist Max, maar daar viel met de vrouwen niet over te praten. Dat deed je nu eenmaal, dat hoorde zo. Vrouwen hadden nu eenmaal meer op met de kerk, dat was nooit anders geweest…”. Maicherd vertelt dat Schorsch die ochtend hondsberoerd werd en ineens weg was. Max belooft vroeg in de avond terug te komen: “… De mannen zouden tot middernacht waken, zo was het gebruik, daarna zouden de vrouwen het overnemen, tot de dageraad. Dan zou er ’s ochtends genoeg gewaakt zijn…”.
Vreemdeling
Als hij thuiskomt, ziet hij op het perronnetje voor zijn keukenraam een eenzame vreemdeling, die nog uren zal moeten staan koukleumen voor de trein komt. Hij opent het raam en roept hem naar binnen, geeft hem een kop thee, en biedt hem als iemand de wekelijkse boodschappen (uit de stad, want de voorzieningen zijn een voor een uit het dorp verdwenen) komt brengen, zelfs wat te eten aan. De jongeman, Janis, zegt dat hij een wandelaar is. Daar snapt Max helemaal niks van. Wie wandelt er nu zomaar wat rond en al helemaal met zulk weer. Janis blijkt verderop in het verhaal een fotograaf die duidelijk oog heeft voor de verdwijnende, nog steeds tussen bijgeloof en ongeloof zwevende leefwereld van Max. Janis kan zijn oren niet geloven als hij hoort welke wilde kruiden Max allemaal gebuikt voor zijn zelfgemaakte thee. Of Max televisie heeft? “… ‘Nee. En ook geen radio.’ Dan hoefde hij dat ook niet meer te vragen…”. Hoezo niet? “… ‘Wat ik moet weten komt niet op televisie. En ook niet op de radio.’…”. Janis zal later in het verhaal nog een keer terugkomen om te vragen of hij Max als ‘laatste der Mohicanen’ te midden van zijn archaïsche bedoening op beeld mag vereeuwigen, waar Max halfslachtig in toestemt.
Mannen onder elkaar
Op een schitterende manier vertelt Goerz hoe het er die avond en nacht bij de ouderwetse dodenwake aan toegaat. Als Max de kamer betreedt waar zijn vriend ligt opgebaard, ziet hij in een oogopslag dat de vrouwen de ergste viezigheid onder zijn nagels hebben weggekrabd. Zijn borstelige haar is met water aan zijn hoofd vastgeplakt waardoor hij er wat minder verwilderd uitziet. Zijn gezicht is ingesmeerd met zalf, zodat Schorsch er glimmend bijligt, zijn mond een eindje open. Max slaat een kruis, “… knikte de anderen toe en ging bij het doodsbed staan. De mannen bromden. Maicherd had acht, negen stoelen in een halve cirkel rond de bank gezet, achter de deur stonden er meer klaar, had Max gezien. Niemand wist hoe druk het zou worden…”. De oude trekkerkalender is van de muur gehaald; een ingelijste Jezus met aureool hangt ervoor in de plaats. “… Het rook naar oliekachel en stal, naar werk en zweet en ook een beetje naar hout…”, want de “… mannen waren allemaal direct na het werk gekomen, voor een wake hoefde je je niet op te doffen. Dat deed je pas voor het lijkmaal, als je na de begrafenis naar het café ging. Naar een wake ging je gewoon zoals je was…”. Maicherd zit alleen in de keuken, want de mannen moeten eerst alleen zijn: “… Mannen onder elkaar. Maicherd wist dat…”. De wake wordt geopend met een vraag: “… Waar zou Schorsch nou wezen?...”. Iemand moet die woorden zeggen. “… In de hemel…”, zegt een ander, hoestend van het roken, “… ook dat antwoord hoorde bij het ritueel, dan was de kop eraf. Van alle kanten klonk instemmend gemurmel, over Schorsch waren ze het kennelijk eens. Dat was niet altijd zo, er was ook wel flinke ruzie geweest…”. Na lang praten wordt de grootste schooier echter nog een plekje in de hemel toebedeeld, “… want eigenlijk moest iedereen daarnaartoe, wat er ook gebeurd was…”. Dat vind ik diep ontroerend. Hier geen ‘cancelcultuur’. De boeren zijn bij leven keihard voor elkaar, maar ook in staat tot veel vergeving. Ze weten maar al te goed van wat voor ‘maaksel’ de mens is. Max zou zich een kriek hebben gelachen om het streven ‘alles uit onszelf te halen’. De prestatiemaatschappij is ver van zijn bed.
Schnaps
Een caféeigenaar brengt twee kistjes bier en een fles perenbrandewijn mee die hij zelf heeft gestookt. Schnaps. Max smeert er zijn gewrichten mee in als ze pijn doen. De vader van de caféhouder had nog wel eens een vat bier zuur laten worden: “… ‘Smullig’ noemden ze dat. En of het nou naar dooie muis of naar dweilsop smaakte, Edwin tapte het gewoon. Met een stalen gezicht. ‘Niet moeilijk doen, ik heb niks anders,’ zei hij dan. ‘Er zit niks verkeerds in en je wordt er gewoon teut van.’ Maar dan rekende hij wel half geld, en iedereen dronk het spul. Omdat het zo goedkoop was, en omdat het waar was wat hij zei: je werd er gewoon zat van en na twee pullen proefde je toch weinig meer…”. De boeren hadden in de slechte jaren na de oorlog bij Stangl zitten zuipen, “ … vaak niet te kort, schnaps en bier, omdat het anders allemaal niet uit te houden was. Maar geld hadden ze niet, daarom hadden ze het laten opschrijven…”. Toen zijn vader overleed, bleek Stangl junior overal stukjes land te erven, waarmee de boeren senior hadden betaald, zonder dat ze dat ooit aan iemand vertelden, ook niet aan hun vrouw: “… De meesten vertelden hun vrouw sowieso alleen het hoogstnoodzakelijke. Of ze sloegen haar bont en blauw als ze met een stuk in hun kraag bij Stangl vandaan kwamen. Zo ging dat toen…”. In vroeger tijden lieten de boeren zich niet zien als ze naar het café gingen. Ze kwamen ongemerkt achterom, veel te bang dat er achter hun rug om gekletst zou worden dat ze niks omhanden hadden. Het terras was voor het ‘vakantievolk’: “… Hoe benauwd het ook was, de boeren zaten binnen…”. De dodenwake is een dwaaltocht door het verleden. Er worden oude verhalen verteld, anekdotes opgedist en geheimen geopenbaard, zodat de overledene nog een keer tot leven komt, in ieder geval in de hoofden van de aanwezigen.
Voor het laatst
Als iedereen vertrekt, blijft Max zitten. “… Hij wilde de hele nacht bij Schorsch waken. Ze waren zoveel samen geweest en vandaag was het voor het laatst. Hij kon het zich nauwelijks voorstellen, maar zo was het leven. Hij zou eraan moeten wennen…”. De vrouwen vinden dat prima en de mannen kan het niks schelen. Bij de vrouwen voelt Max zich veilig: “… Dan kon hij anders zijn. En de vrouwen kletsten met hem en hadden nooit het gevoel dat hij bijbedoelingen had. Hij maakte ook nooit van die lompe grappen. Bíjna nooit, tenminste…”.
Een zacht, lang lied
Als de vrouwen de wake overnemen verandert alles. Ze komen stil binnen en prevelen een gebed. “… De sfeer in de kamer werd plechtig, haast kerkelijk. De vrouwen zetten kaarsen neer, staken een blokje wierook aan en zongen een lied. Een zacht, lang lied…”. Lilo, die de laatste winkel in het dorp dreef, had altijd veel gezongen, ‘jaar in jaar uit, uren aan één stuk’. Ze wilde niet aan de man: “… Als het kermis was, ging ze graag en vaak dansen, ze lachte met de mannen. Ze stond midden in het leven – en toch stond ze ook overal net naast. Alsof er voor haar andere regels golden…”. Net als voor Max eigenlijk. “… Lilo was de enige die alle teksten van begin tot einde kende. Zij leidde het gezang, dat zachtjes voortkabbelde, de rest neuriede veelal alleen mee…”. Ook al heeft hij niets met de kerk, de kalme melodieën raken Max. Maicherd legt een bosje gedroogde kruiden op de borst van haar man, die Max samen met zijn vriend en de vrouwen nog heeft helpen binden. Een oude traditie. “… De volgende dag, met Maria-Tenhemelopneming, hadden ze ze met een kruiwagen naar de kerk gebracht, waar de pastoor ze zegende en ze werden uitgedeeld aan de kerkgangers, die ze thuis in hun bidhoekje, of in de stal of op de hooizolder te drogen hingen. Het zou helpen tegen storm en onweer, ze gaven de bossen aan hun vee als het ziek werd, of verbrandden losse bloesems of kruiden ter bescherming tegen ongeluk en blikseminslag. De afgelopen jaren was er ook een stel uit de nieuwbouw kruidenbosjes komen halen, en vorig jaar waren zelfs twee vrouwen uit het wijkje komen helpen met het samenbinden…”. De mensen die al dertig, veertig jaar in de nieuwbouwwijk wonen, worden nog steeds beschouwd als buitenstaanders. De eerste doos Mon Chéri gaat rond. De vrouwen halen hun breiwerk tevoorschijn. Maicherd begint walnoten te kraken en Frieda sokken te stoppen: “… ‘Die kerel van me knipt z’n teennagels niet,’ zei ze. ‘Paardenhoeven lijken het wel, niet om aan te zien. Al zijn sokken gaan eraan.’…”. Af en toe dommelt Max onder het gedempte heen en weer gepraat in slaap. Hij is een van hen. “… ‘Gaat het, Max?’ vroeg Maicherd, die hem een zucht had horen slaken die haast als een laatste ademtocht klonk. Max gromde iets onverstaanbaars en ging nog eens met zijn hand over zijn gezicht. ‘O, dan is het goed,’ zei Maicherd, en ze kraakte nog een walnoot…”.
Een kind van de duivel
Hij droomt van vroeger: “… Herinneringen dragen je verder dan je voeten ooit kunnen…”. In het dorp losten ze de dingen zelf wel op. Toen het leegstaande schooltje verhuurd werd aan een stel langharige hippies die ’s nachts voor overlast zorgden, hadden ze net zolang alle banden van hun auto’s leeg laten lopen tot de boodschap begrepen was en ze vertrokken. Toen het gerucht overwaaide dat er vluchtelingen in het schooltje zouden worden gevestigd, hadden een paar trekkers in een nacht het hele bouwwerk gesloopt. “… Max’ gedachten draaiden in kringetjes. Hij was moe. Ja, soms had hij het gevoel dat het dorpsleven uit kringetjes bestond, kringetjes waarvan je buitenaf nooit doordrong. Het dorp was een kring, elke boerderij, elke familie was een kring en mensen waren op zichzelf ook een kringetje. Alles was hermetisch afgesloten, ondoordringbaar. Kon je dat zo zeggen? Hij wist het niet…”. Schorsch en hij hadden toen ze nog jongetjes waren ooit een geweldig pak slaag gekregen toen ze in een boerderij iets hadden gezien wat ze niet móchten zien, “… omdat het niet bestond en omdat het zondig was en je er niet over mocht praten…”. Een kind met vuurrood haar: “… Een kind waarover een loden zwijgen lag, omdat het van de duivel was…”. Zo waren de tijden toen geweest. “… Het was een kind dat geen naam had, het mocht nooit naar buiten, niemand mocht het zien, het zat dag in, dag uit opgesloten. Het was niet gedoopt, mocht geen andere kinderen zien en niet met andere kinderen spelen. Het leerde nooit praten, kreeg lompen te dragen en restjes te eten. Het werd nog slechter behandeld dan het vee. En niemand bekommerde zich erom, het was per slot van rekening een kind van de duivel. Zolang je er niks van wist, had je er niks mee te maken. En toen was het op een dag weg. En ook daar werden geen vragen over gesteld, omdat het kind er immers nooit was geweest, zoveel had iedereen er wel van geweten…”. Hij denkt aan een jongen met een beperking die in de gierput viel en een vrouw die voorover was gekukeld in een luik bij de hoofdkraan van een waterleiding waar ze was gecrepeerd: “… zo gingen er wel meer dood, rare overlijdens waren haast normaal…”. Het was een mirakel, “… dacht hij, wat je allemaal in je hoofd aantrof als je er maar een beetje in rondneusde, en waar je zomaar op kon stuiten…”. Tegen half zes gaan de eerste vrouwen er vandoor: “… de oude Lilo was verstomd en leek in haar eindeloze rimpels te verzinken…”. De koeien moeten gemolken en de stallen uitgemest. De varkens krijsen al. Die hebben altijd honger.
Gay?
Om acht uur komt de begrafenisondernemer met zijn medewerker. “… ‘Komt de pastoor ook nog?’ ‘Waarvoor?’ vroeg Maicherd. ‘Voor de zegen,’ zeiden de aanzeggers. ‘Waar moet dat goed voor wezen?’ De aanzeggers haalden hun schouders op. ‘Misschien dat hij dan naar de hemel gaat?’ Maicherd wuifde het weg. ‘Hij gaat de grond in, verder niks. Dat verhaal over God en de hemel heeft me nooit overtuigd.’ Zo was Maicherd. Rechtdoorzee. Ze ging wel regelmatig naar de kerk, maar alleen om uit te rusten, zoals ze zelf zei….”. Ze wil wel dat haar man met de voeten naar voren het huis uitgedragen wordt: “… Want zo hoorde dat, een beetje bijgelovig was ze toch wel. Moedwillig het lot tarten was ook weer niet nodig…”. Als Max naar huis loopt, denkt hij aan Maicherd op wie hij ooit een oogje heeft laten vallen. Omdat ze er van achteren uitzag als een kerel maar van voren lieve ogen had. Ze koos Schors. Het maakte hem niet verdrietig. Als hij was getrouwd was hij alleen van alle vragen af geweest. Een vage suggestie richting homoseksualiteit komt voorbij. Maicherd bleef Schorsch haar hele leven trouw, “… en hij haar. En het dorp had van niks geweten en er was niks geweest om over te praten. Maar Max had het altijd geweten. Of gevoeld, net als Schorsch. Alles. Ze waren haast broers geweest, als kind al, en Maicherd had er geen punt van gemaakt, die had zelf ook al genoeg te dragen. En zij was veel bij Lilo geweest…”. In het dorp werd voornamelijk over werk en vee gepraat. “… Over de liefde? Zijn hele leven had Max zich ertegen verzet, het verborgen. De liefde was het werk van de duivel, altijd al geweest. Alleen zwijgen en vergeten konden je ervan verlossen…”.
Het grote zwijgen
In het café drinken ze er eentje op Schorsch. Iemand uit de nieuwbouw vraagt hoe het zit met de ongeschreven regels van het dorp. “… Dat is niet zomaar te zeggen. Die ken je gewoon, ze zitten in je bloed. Of je kent ze niet, en dan leer je ze kennen. Je groeit erin, als kind al…”, aldus Max. De nieuwbouwbewoner neemt geen genoegen met zijn antwoord: “… ‘Waarom leggen jullie ze niet gewoon uit?’ Zijn tafelgenoten knikten instemmend. Max likte iets van tussen zijn tanden en nam zijn tijd. ‘Weet je, Grüneisen,’ zei hij tenslotte, 'niet alles hoeft altijd gezegd te worden.’ Hij liet een stilte vallen en schudde zijn hoofd. ‘Meer heb ik niet te zeggen. Proost, op onze Schorsch.’ ‘Op Schorsch.’ Toen Maicherd haar glas had neergezet, keek ze Grüneisen in zijn ogen en zei zacht: ‘Het is ook goed om te leren zwijgen, Grüneisen. En om geen vragen te stellen…”. Max: “… Alles veranderde, en sowieso: iedereen bekeek alles weer anders. Altijd al…”. Ingrijpen doen de dorpsbewoners zelden tot nooit. Ze kijken gewoon toe als iets of iemand helemaal in de vernieling draait: “… In een dorp wonen mensen en er zijn mesthopen. En hoe dichterbij je komt, hoe erger het stinkt…”. Max weet wel beter als het dorp ‘een kalm meertje’ wordt genoemd: het is eerder een rattennest. “… Het is een meertje waar je bodem niet van ziet. Je weet nooit wat er daar beneden sluimert. En soms…’. Hij haalde zijn snuiftabak uit zijn broek, snoof met beide neusgaten, veegde zijn neus schoon en stopte zijn zakdoek weer in zijn zak…”. Wat soms? “… ‘Soms,’ vervolgde Max zijn overpeinzing, ‘om de paar jaar, steekt er bij volmaakt heldere hemel een storm op…’…”. En toch is het er fijn: “… Jawel, als je zweeg, redde je het samen. Waarover je niet sprak, dat bestond niet. Oude kwesties liet je rusten. Je wilde, je moest immers samenleven…”.
Waar is Max
De volgende dag zit iedereen in de kerk voor de begrafenis van Schorsch. Alleen Max komt niet opdagen. Als de pastoor niet langer kan wachten vanwege een trouwdienst elders, beginnen ze zonder hem. Hoe hij uiteindelijk weer opduikt, moet je zelf maar lezen.
Uitgave: Atlas Contact – 2025, vertaling Ralph Aarnout, 176 blz., ISBN 978 902 547 741 7, € 23,09
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten