Menu

donderdag 6 februari 2025

Moeder en Zoon – Gerard Reve

 


De Vlaamse cultuurfilosoof Kris Pint haalt in “De extase van de jagers” naast Annie Dillard - zie mijn vorige blog - ook Gerard Reve (1923 – 2006) aan, de auteur van “Moeder en Zoon” (1980), dat zich laat typeren als een spirituele autobiografie, verwant aan de traditionele christelijke bekeringsgeschiedenissen en heiligenlevens, maar dan wel op zijn 'Reviaans' geschreven: plechtstatig, overdreven, ironisch zo niet sardonisch, blasfemisch en pornografisch. Reve behoort, naast Hermans en Mulisch, tot de ‘grote drie’ van de naoorlogse Nederlandse canon. Hoe is het mogelijk, denk je anno 2025, als je zijn staat van dienst op Wikipedia leest. Wat de ongelooflijke drinkebroer alleen al aan racistische teksten oprispt, zou nu absoluut niet meer kunnen. “… Hoe ben jij, Gerard Reve, een man met toch een behoorlijke dosis ontwikkeling, intelligentsie en gezond verstand, ooit in de Rooms-Katholieke Kerk terechtgekomen en er zelfs lid van geworden?...”. Het boek zou een antwoord op deze vraag zijn. Kris Pint beweert dat de grote moedergodin uit de oudheid, de heerseres over vruchtbaarheid en dood, in Maria weer boven water is gekomen. Dat geloof je gelijk als je Reve leest. Zie ook de Amerikaanse kunsthistorica Camille Paglia die de ‘wrede oermoeder’ op ziet duiken in de destructieve toename van seks en geweld (“De zevende koningin” – Willem Ouweneel). Reve lijkt door haar ‘bezeten’. Hij beschrijft niet alleen hoe hij op een uiterst sadistische manier een homovriendje verkracht, hij masturbeert zelfs voor een Mariabeeld in een kerk. Niet voor niets gaat zijn belangstelling voor de Rooms-Katholieke Kerk gelijk op met zijn verliefdheid, op zijn veertigste, voor een minderjarige jongen: Matroos Vos. Eerder besprak ik van Gerard Reve “De avonden”.

 

Onttoverde wereld

Het eerste gedeelte van “Moeder en Zoon”, waarin Reve zijn kinderjaren beschrijft, is weliswaar prachtig. Hij vertelt hoe hij als gevoelig, romantisch jongetje uit een communistisch gezin, lijdt onder de door de ‘rode fanatici’ onttoverde wereld. Kerstmis, het feest dat door de ‘heersende klasse’ is ingesteld om het ‘proletariaat’ dom te houden, wordt op geen enkele wijze gevierd. Hij hunkert naar de lichtjes in de kerstbomen terwijl de ‘donkere dagen’ in het troosteloze klaslokaal passeren zoals alle anderen. Wanneer de feestdagen voorbij zijn, staat hij elke dag in alle vroegte op, om de op straat gegooide kerstbomen naar zijn huis te slepen, vóórdat andere Amsterdamse straatschoffies ze verzamelen en in de fik steken. Hij haalt er de achtergebleven versiering uit, flintertjes engelenhaar, kerstballensplinters en aangekoekt kaarsvet, waar hij een nieuwe kaars van maakt. De kleinste kerstboom poot hij in een emmer met aarde, zet hem in hun schuurtje, draait de deur achter zich op slot, en viert zo zijn eigen eenzame kerst. Eenmaal volwassen, gaat hij nog een keer terug naar zijn oude school, waar inmiddels een groep monniken bivakkeert: “… Ik stond stil voor de grote, dubbele, massieve ‘art deco’ deur van de Rozenburgschool, verzakt en gehavend, maar verder intakt en ongewijzigd. Tot mijn verbijstering bemerkte ik, dat het bloed wegtrok uit mijn gezicht, dat ik het koud kreeg, en dat ik beefde…”. Het deed me onmiddellijk denken aan de documentaire ‘God, ik ben gay’ (KRO/NCRV 12.12.24) waarin Robbert Rodenburg zijn oude school ‘Het Driestar College’ bezoekt, waar hij genadeloos werd gepest en doodongelukkig is geweest.

 

Heilstaat

Reve vertelt hoe een meester op zekere dag met hem mee naar huis wandelt omdat hij zijn vader, redacteur voor het communistische dagblad ‘De Tribune’, wil spreken: “… Ik weet niet, of iemand iets kan begrijpen van wat ik hier op schrift stel, maar ik moet toch vermelden dat ik duizelend, bijna wankelend van schaamte, naast hem voortliep, onmachtig om onderweg ook maar één woord uit te brengen, en steeds loerend rondom om te zien wie ons zag…”. Later blijkt dat de docent graag met een zogeheten ‘arbeidersdelegaatsie’ was meegegaan naar Sovjet-Rusland, teneinde daar de ‘socialistische opbouw’ te bewonderen, en dacht dat papa daar voor kon zorgen. Helaas, pindakaas. De ‘Communistiese Partij’ lichtte de kandidaten tevoren grondig door. Het liefst hadden ze ongeletterde, politiek onervaren gasten die zo kneedbaar als was waren. Of ‘halfzachte dominees’ die het communisme pas echt ‘het christendom in de praktijk gebracht’ vonden. “… In het algemeen brachten die gedelegeerden de kosten van hun treinretourtje ruimschoots op. Men gevoelt zich nu eenmaal, om niet geheel logiese maar wel begrijpelijke redenen, moreel verplicht zo veel mogelijk gunstigs en zo weinig mogelijk slechts te vertellen over een land, waar men als gast rondgetoerd en gefêteerd is. Een enkele keer kwam er wel eens iemand met een forse kater en diepe ontzetting terug, die de honger, de terreur, de angst en de verstikkende leugenpropaganda niet op de voorgeschreven wijze had kunnen verwerken en goedpraten…”. Reve: “… Dat er daarginds honger, gebrek, massale corruptie, onderdrukking van iedere vrijheid van meningsvorming, bloedige vervolging van ieder ander geloof dan dat van de kerk van Marx en Lenin, en een middeleeuwse inquisitie heersten, bewees juist dat er daar een grote, de mensheid bevrijdende omwenteling aan de gang was!...”. Zelfs een halve eeuw later, nu iedereen de feiten kan kennen, komen de communisten nog steeds met precies dezelfde juichverhalen over de ‘rode martelstaten’ aanzetten, concludeert Reve. Als je alles maar in het ‘dialectische’ en ‘historische’ verband wil zien, is het duidelijk: “… dat wíj niet in de rij behoeven te staan en dat wíj geen gebrek en zeker geen nijpende armoede meer kennen; dat wíj vrijheid van vergadering, van drukpers, van kunst, van politieke meningsuiting, van staking en van demonstratie hebben…” juist bewijst “… dat ‘wij’ het ‘slecht’, en ‘zij’ het ‘goed’ hebben, dat ‘wij’ degenen zijn die onderdrukt en vervolgd worden, en ‘zij’ juist niet…”. Snap je? Dat een Russische schrijver als Amalrik zes jaar concentratiekamp krijgt, en, terwijl hij gevangen zit er nog eens drie jaar bij krijgt, bewijst alleen maar dat  daarginds “… de literatuur tenminste serieus wordt genomen…”.

 

Stomme aanbidding

Bij een branieachtig schooiertje thuis ziet Reve voor het eerst een Christusbeeld op de schoorsteen staan (met een 'drinkglas' in zijn hand, jawel). “… Ik was mij steeds op overgevoelige wijze bewust van mijn eigen wel nette, maar oude, opvallend onelegante, ongemakkelijk zittende en altijd net uit de mode geraakte kleren, maar Nikie scheen zich in zijn grauwe, nog het meeste aan een gestichtspakje herinnerende uitrusting volkomen op zijn gemak te voelen…”. Even verder: “… Vlak naast Nikie staande hoorde ik hem hijgen, werd ik op mijn gezicht zijn gloeiende adem gewaar, en keek ik naar zijn gespierde billen, die zich door het gedeeltelijk afzakken van zijn broek duidelijk aftekenden. Alles scheen op dit ene ogenblik geluk te zijn, dat echter op onbegrijpelijke wijze tegelijkertijd mateloos ongeluk en een diep verdriet inhield: ik wilde hem tegen mij aandrukken en hem kussen, maar ik wist allang dat zoiets niet bestond, en ook nooit zoude kunnen bestaan…”. Voor het eerst ervaart Reve “… in volle hevigheid de verlatenheid, die de onmiddellijke nabijheid van een in stomme aanbidding vereerd maar voor altijd onbereikbaar wezen inhoudt…”. Voor eeuwig zal Nikie voor hem de langs zijn wang ademende jongen blijven: “… Waarom was hij, in zijn belachelijke lompen, en wonend in een kaal, vrijwel leeg huis, gelukkig, en was ik het niet en zoude ik het nooit worden? Ik probeerde te vergeefs iets te begrijpen van mijn gevoelens, die niet konden bestaan, maar die mij van de gehele schepping scheidden...”.

 

Wie weet

“… Mijn volgende school, het gymnasium, was eveneens een verschrikking…”. Namelijk het Vossius. “… Ik schijn het bestaan nu eenmaal anders te ervaren dan de meeste mensen…”. Volgens Reve was het leerlingenbestand “… een verknipte troep, lelijk, pedant en ziekelijk, van zenuwlijders en psychopaten…”. Voor de leerkrachten gold hetzelfde. Uitzonderingen daargelaten. Vervolgens begint hij de verschrikkingen van zijn middelbare schooljaren te omschrijven. “… ‘Maar wat hebben wij aan al die ellende?’ zal de beproefde lezer vragen. ‘Er zijn toch ook mooie dingen in het leven, om over te schrijven?’ Ja, wie weet…”. Reve lijkt er nog niet zo zeker van. Even verder: “… Rustig maar: we moeten door het leed heen, dat, zoals we allen weten, vruchtbaar wordt zodra het in begrip is omgezet…”.

 

Recht in de leer

De karakteristieken die Reve beschrijft inzake de bekende hoogleraar moderne geschiedenis dr. Jacques Presser (auteur van “Ondergang”) herken ik direct, omdat mijn christelijke geloofsgenoten die mij in mijn jeugd omringden, niet altijd maar wel heel vaak, precies zo op mij overkwamen. Reve legt de vinger bij het raadselachtige van de ‘gespleten persoonlijkheid’. Er ‘klopte iets niet’. “… De gevoelens die hij uitte waren – zonder dat men van berekening kon spreken – echt en tegelijkertijd niet echt…”. Je kunt het geen hypocrisie noemen. Het gaat immers om een totaal onbewuste staat van zijn: “… Veel en veel later pas, na een zeer bezonnen terugblik en een duiding van alles wat ik toen, in mijn schooltijd, nooit had kunnen duiden, ben ik gaan inzien dat hij, met al zijn humor, briljantsie en erudietsie, zich nooit in zijn leven een eigen smaak of eigen oordeel heeft veroorloofd…”. Even verder: “… Hij had noch eigen smaak, noch eigen oordeel, maar schreef zichzelf de smaak en het oordeel voor, dat hij meende dat hij ‘behoorde te hebben’: dat was misschien in zijn onpersoonlijkheid het enige persoonlijke…”. Reve: “… hij had zich, reeds toen, geheel bekend tot de histories-materialistiese, marxistiese geschiedbeschouwing, volgens welke uitsluitend belangen, inzonderheid ekonomiese, het menselijke handelen zouden bepalen en de eigenlijke drijfveren van de geschiedenis zouden vormen. Het ware motief achter de Kruistochten was bijvoorbeeld het zoeken naar nieuwe handelsroutes op Indië en het Verre Oosten. Deze manier van uitleggen, die bedoelde geschiedschrijving tot een pseudo-wetenschap heeft gemaakt, was geenszins in strijd met wat ik thuis voorgeschoteld kreeg, integendeel...”. Alles draait om geld, zoals wij in ons land over het algemeen nog steeds vinden en denken. Wij zijn ‘concurrerende’ wezens: “… De marxistiese geschiedbeoefening is erg aantrekkelijk, omdat zij letterlijk alles moeiteloos weet te verklaren. (Onoplosbare problemen worden opgelost door het bestaan ervan te ontkennen.) Van elke gebeurtenis in de geschiedenis weet zij haarfijn de ekonomische drijfveren aan te wijzen, die haar bewerkstelligden. Gebeurt echter elders, onder identieke omstandigheden, het tegenovergestelde, dan kan dit met eenzelfde gemak verklaard worden uit het feit, dat die of die door de historie tot de macht bestemde klasse zich ‘haar macht nog niet bewust was’. Alles kan verklaard worden, wat betekent dat er eigenlijk nooit ook maar iets verklaard wordt. Dat het zelden stoffelijke belangen, maar bijna altijd niet-materiële ideeën – religieuze symbolen, machtsdrift, verlossingsdromen, nationalisme etc, - zijn, die leiders, volken en wereldrijken in beweging zetten, die visie is voor die geschiedschool taboe…”. Zie "Botsende beschavingen" van Samuel P. Huntington. “… De Noord-Amerikaanse burgeroorlog had volgens die leer der bevrijding der negerslaven tot inzet, niet omdat de handhaving der slavernij in steeds flagranter strijd kwam met de overspannen heilsverwachting en idealen van de jonge Amerikaanse bakermat der vrijheid, maar ‘omdat de kapitalisten met hun industrie veel beter gediend waren bij vrije loonarbeid dan bij slavernij’. Het door de marxistische leer ingevoerde ‘profijtbeginsel’, dat ieder op ethiese gronden handelen ondenkbaar maakt, is niets anders dan de door de achterdeur wederingevoerde calvinistiese erfzonde, volgens welke de mens ‘van nature slecht, en onbekwaam tot enig goed’ zoude zijn. Maar dit terzijde...”. Een leer, die niets inhoudt, is moeilijk te weerleggen aldus Reve: “… Verklaren kan die geschiedschrijving alles; maar, nog beter, alles weglaten wat haar minder goed uitkomt, tot het wegraderen toe, op historiese fotoos, van histories ongewenste personages…”. Even verder: “… Stuit deze geschiedschrijving op het fenomeen der religie, dan behandelt zij die niet als een spontane uiting van de menselijke geest, maar doet zij die af als een door een heersende klasse begunstigde traagheid of achterlijkheid van de menselijke intelligentsie. Dat ideeën bestaan, die geen enkel verband houden met de verdeling van het nationale inkomen – dat kan volgens haar niet, omdat het niet ‘behoort’ te kunnen: de leer gaat vóór de werkelijkheid…”. Zo, denk daar maar eens over na (en neem er vooral het reilen en zeilen van de huidige mainstream media in mee).

 

Het materialisme op de troon

Het geschiedenisonderwijs begint altijd bij ‘het begin’ (der mensheid), maar Reve vraagt zich af of het niet beter zou zijn het andersom te doen: bij de modernste geschiedenis te beginnen en dan naar achteren te werken. Zeg nou zelf, wat kunnen jonge mensen, die al niet bijkomen van het lachen als ze op film iemand met een hoge hoed zien, nu begrijpen van zeg de Egyptische oudheid. Wat  kunnen leerlingen in een tijd, waarin ‘de neurose der stadsmensen’, namelijk het materialisme op de troon is gezet, nu snappen van iets als het veelgodendom. “… Ik heb slechts zeer zelden iemand ontmoet die in staat was te zien, dat het religieuze denken en handelen een naar buiten projekteren is van innerlijke processen…”. Even verder: “… In een maatschappij, die geheel doortrokken is van één enkele religie en waarin nog geen individuaatsie en vrij onderzoek op gang zijn gekomen, wordt geen individuele, vrije kunstuiting geduld, omdat deze de goddelijke orde zou kunnen loochenen, bedreigen of verstoren. (Het marxisme duldt, waar het aan de macht is, noch vrij wetenschappelijk onderzoek, noch een individueel oordeel, noch vrijheid van artistieke schepping, en dit bewijst dat het een – primitieve – godsdienst is, die de klok der beschaving niet enkele generaatsies, maar duizenden jaren terugzet.)…”.

 

De maangodin

Het gekke  is dat Reve juist tijdens deze materialistische geschiedenislessen tot volle overgave aan de ‘oermoeder’ komt: “… Van al de Egyptische goden en godinnen was er één, een godin – de grootste van alle – wier beschrijving, ondanks alle relativering, diep in mij iets aanraakte, al begreep ik niet waarom: het was Isis, de echtgenote en zuster van Osiris, en Moeder van het goddelijke kind Horus. Men vereenzelvigde haar met de Maan, en een verheerlijking en verering van de Maan, als bron van leven en gevoel, kwam mij – hoe zeer mijn verstand zich tegen tegen de bizarriteit van de voorstelling verzette – als juist, als passend, en als geboden voor…”. Presser vertelt dat er tijdens de jongste volkstelling in Nederland, één persoon bij de rubriek ‘godsdienst’ ‘maan-aanbidder’ invulde. Reve valt bijna flauw. De klas ligt onder de tafel van het lachen en Reve lacht mee als een boer die kiespijn heeft. “… In een zonderlinge, onbegrijpelijke logica scheen het mij toe, dat er ‘niets aan de hand’ zoude zijn geweest als alle mensen, of het merendeel der mensen, de Maan nog zouden aanbidden, ofwel in het geheel niemand…”. Zie Annie Dillard in haar essay “Zo moet je leven”: “… Elke cultuur schrijft voor hoe je jouw ene leven moet leiden, namelijk: zoals iedereen het doet…”. De man die iets aanhangt dat niet meer mag bestaan “… en die eigenlijk zelf niet behoorde te bestaan…” doet Reve zichzelf afvragen of hij zélf wel mag bestaan. Daarop verbrandt hij na schooltijd in de schemering een paar vogelveren in een kuil op een braakliggend terrein, terwijl hij “… na eerst behoedzaam te hebben rondgekeken…” fluisterend Isis aanroept. “… Ik kon niet weten, toen, dat niet één of twee mensen, maar vijfhonderd miljoen mensen – een kwart of misschien wel een derde deel van het gehele mensdom – Haar nog steeds vereerden, zij het dat Zij, om redenen van veiligheid, zich voorlopig onder een andere naam had laten inschrijven… Noch wist ik dat Zij, toen zoals immer, Koningin des hemels was en, bekleed met een blauwe, met sterren bezaaide mantel, op de Maan stond; dat Zij de toevlucht en voorspraak was der zondaars en de stervenden, het heil der zieken en, als Sterre der Zee, de beschermster der zeevarenden; dat de Slang Haar gehoorzaamde; en dat de woorden die op de gevel van Haar grote tempel te Philar – door keizer Justianus in het jaar 552 van onze jaartelling op zijn futiel bevel gesloten – te lezen stonden, geen grootspraak waren: ‘Ik ben Die was, Die is, en Die zijn zal’…”. Zie Pint. Zie Paglia.

 

Kerkschaamte

Op latere leeftijd loopt Reve nog een keer tegen Presser aan op de jaarlijkse Boekenmarkt in de Bijenkorf, waar het warenhuis op den duur van af moet zien “… vanwege de diefachtigheid en velerlei ander wangedrag van de heren artiesten…”. Hij vertelt hoe het misdadige kunstenaarsvolk zich in de eerste ronde zonder mankeren van een dubbele portie bedient tijdens het koud buffet. De helft wordt opgegeten en de andere helft gebruikt om sigaretten in uit te drukken. “… Onder aanvoering van de liefdesapostel Simon V. roofde men daarna, in de onbewaakte grammofoonplatenafdeling, alles wat van zijn gading was…”. Reve schaamt zich rot een kunstenaar te zijn en durft Presser al helemaal niet onder ogen te komen. Hij is in 1966 namelijk toegetreden tot de Rooms-Katholieke Kerk. Hij had de vooruitgang, wiens moeizaam bevochten, maar zekere zege men zich alom zag aftekenen, hoogstpersoonlijk verloochend en verraden: “… Welk een smaad, welk een vernedering, welk een nederlaag voor het gezonde verstand!...”.

 

Gelofte

Terwijl de inmiddels veertigjarige Reve, uitgeput vanwege zijn drankzucht en geteisterd door een nooit aflatende zwaarmoedigheid, op de trein stapt na een lezing op een middelbare school, verschijnt op het perron de mooiste veertienjarige langharige postpakketbezorger die hij ooit heeft gezien. Matroos Vos vernemen wij later. Hij draagt een fel paars, mouwloos, zeer laag uitgesneden vrouwenbloesje en een knalrode, dun fluwelen heupbroek met daaronder kastanjebruine laarzen voorzien van zeer hoge hakken. Je moest in die tijd absoluut lef hebben om je zo uit te dossen. Reve valt als een blok voor de tiener en weet hem voor de trein vertrekt zijn visitekaartje te overhandigen, waarop hij ook nog met een stompje potlood vlug de ‘adellijke titel vóór zijn naam’ doorkrast. Jaja. “… Je moet niet te veel naar mijn kop kijken’, dacht ik. ‘Kijk naar mijn hart: niets dan goud, puur goud...’…”. Als de trein begint te rijden, doet hij de gelofte dat ‘als het wat wordt’ hij katholiek wordt.

 

Dekmantel

Het is voor Reve zelf ook een mysterie waardoor zijn belangstelling voor het “… tegen alle goede smaak, gezond verstand en menselijke waardigheid indruisende…” rooms-katholicisme precies ontstond: “… Van lieverlede kwam ik voor een raadsel te staan, een paradoks, in ieder geval iets dat mij begon te intrigeren en scheen uit te dagen. Van bijna alle teksten van brochures, artikelen, apologieën voor de radio, katechismusboekjes en bidprenten trof mij de onbeholpenheid van stijl, het geringe, bijna infantiel lage peil van de intelligentsie en de overmaat aan tautologieën en klisjees. Met de afbeeldingen was het niet anders. Katholieke beeldende kunst uit de vijftiger en zestiger jaren overtreft waarlijk alles wat zelfs de stoutste verbeelding aan wansmaak of alleen al aan gebrek aan het elementairste vakmanschap bijeen zoude kunnen fantaseren…”. Met verbijstering bekijkt hij de kitscherige “… Mariaas zonder tieten, in nachtpon en met kersrood pruilmondje…”. Hij komt tot de conclusie dat het niet anders kan of zoveel bijna godslasterlijke onbenulligheid moet een dekmantel zijn voor iets anders, iets diepers (zoals achter het masker van de 'heilige maagd' de woeste 'almoeder' schuilgaat?): “… Ik had niet het gevoel, dat ik nu aan de poorten der waarheid stond, maar ik vond het een pientere gevolgtrekking…”. Steeds vaker loopt hij een kerk binnen waar hij zich vergaapt aan de aanwezigen: “… Mooier of lelijker dan de rest van de bevolking kon men ze niet noemen, maar onder de bezoekers zag ik vrij dikwijls, tot mijn verrassing en voldoening, mooie jongens die ik, als ik ze in gebed geknield vóór een of andere schrijn zag liggen, met diepe vertedering en bijna schaamteloze belangstelling van zeer nabij beloerde. Waarover zouden die lieve roomse jongens op hun roomse knietjes, in hun roomse broekjes die zo nauw en zo fraai om hun roomse kontjes en roomse kruisjes spanden als dat bij buitenkerkelijke liefdesdieren het geval was, wel liggen tobben?...”. Enzovoort, enzoverder. Je zou als buitenstaander met de kennis van nu bijna denken dat Reve intuïtief de sfeer van kindermisbruik opsnoof, zeker als hij het heeft over ‘de katholieke kindertjeslucht’. Zoals een haai bloed ruikt.

 

Eindelijk een beetje waarheid

Hij komt er alras achter dat de meeste katholieken geen idee hebben waar ze precies in geloven. Edoch: “… Van lieverlede gelukte het mij, door de vele lagen golfkarton en eierdozen heen, tot de leer zelf door te dringen…”. Als hij de ‘dogmaas’ bestudeert, blijken ze precies dat te bevatten wat hij in wezen altijd al had gedacht. Kortom: hij komt zichzelf tegen. Moet hij niet worden wat hij in feite al is? Belijdend katholiek? “… En wat zouden de mensen allemaal niet zeggen? Was het niet gruwelijk en rampzalig genoeg, dat ik een homoseksueel was? Wat dat betrof was de stand in mijn leven, al vóór de rust, 0-1 voor Reve. Moest nu die stand, na de rust, ten overvloede nog 0-2 voor Reve aanwijzen? Christus nog aan toe: als ik alleen al dacht aan mijn arme ouders, die altijd het goede met mij voor hadden gehad!.. Of aan mijn Geleerde Broer, die alles wist, dus ook dat het roomse geloof malle onzin voor oude wijven was… Aan mijn vrienden en kennissen… Aan al die menslievende kollegaas van me… Of aan de Redaksie Kunst van de Internationale Wereldpers van Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht…”. Hij had de Kerk natuurlijk links kunnen laten liggen, maar hier was: “… Eindelijk, eindelijk eens een beetje waarheid, eindelijk iets dat echt en geen fopspeen was!...”. Bovendien was hij bij al zijn “… hoogmoed, in de eerste plaats een nette Hollandse jongen, een beetje een dronkaard, zeker, maar verder toch ‘God vrezende, en wijkende van het kwaad’; áls die Kerk volgens mij gelijk had, dan moest ik die Kerk in: stond je er vóór, dan moest je er door. Misschien was ik wel krankzinnig, maar er zat een systeem in…”. De beweegredenen voor zijn toetreding tot de Kerk wijt Reve vooralsnog aan het jong overlijden van zijn moeder en het verlies van de linkse kerk van zijn jeugd: “… nu vond ik beide in nieuwe gedaante terug…”. In een dienst op de zitplaats van Vondel in de vroeg zeventiende-eeuwse roomse schuilkerk aan de Ouderzijds Voorburgwal, thans ‘Museum Ons’ Lieve Heer op Solder’: “… Terwijl het ritueel voortschreed, mijmerde ik verder over kerk en geloof. Als ik het allemaal mooi vond, als het mij ontroerde, en als het kennelijk op een of andere wijze ten diepste met mijzelf verbonden was, wat hield me dan tegen? Ik zoude niet onthoofd of ontmand worden, en mijn leven en gevoelens en ideeën werden door die Kerk toch niet vertrapt en vertreden, zoals door de kerk waaruit ik ontkomen was. Die alle leven, elk gevoel, elk persoonlijk geweten en elk zuiver denken zocht te vernietigen...”.

 

Kukeleku

Steeds vraag je je af: meent hij het nu wel of meent hij het nu niet. Reve doet dan wel alsof hij gek is, volgens mij is hij veel dieper in de Bijbel gedoken dan menig doorsnee kerkganger. Neem alleen al zijn conclusie dat de 'man' waarmee Jacob een hele nacht vecht bij de Jabbok (Genesis 32) een 'demoon' is. Ik heb altijd geleerd dat het om een 'engel' gaat. Professor dr. Willem Ouweneel, die zich in sterke mate baseert op het rabbijnse jodendom, zegt in zijn nieuwste boek, "Israël en de hiel van Ezau", dat het de vraag is of het om een 'goede' dan wel 'slechte' engel gaat. Ouweneel blijkt het met Reve eens te zijn dat het om een 'geest van de nacht' gaat. Want: ten eerste schuwt hij het licht van de dageraad, ten tweede is Jacob in staat van hem te winnen, en ten derde laat hij Jacob zwaar gewond achter. De hierboven beschreven dienst belet Reve geenszins zich een stuk in de kraag te drinken en de flat in te kletsen van een bijzonder ongastvrije en hoogst irritante homo, die duidelijk bang voor hem is. Om de “… zelfmoorduren van de Zondagmiddag, van globaal half drie tot vijf uur…” door te brengen met overspelige seks, welteverstaan. Zijn relatie, met Wimie, staat toch al op springen. De jongen vindt dat Reve iets ‘demonies’ heeft. Geheel terecht overigens, getuige de machtswellust waarmee Reve hem tegen zijn wil onderwerpt aan zijn hoogstwaarschijnlijk bij elkaar gefantaseerde maar desalniettemin ronduit walgelijk sadistische genoegens. Een en ander heeft nog het meeste weg van perverse dierenmishandeling. “… De geslachtsdrift was hem bekend, de liefde niet…”, durft Reve ook nog over een andere schrijver te beweren, waarin trouwens gelijk Simon Vestdijk is te herkennen. Nadat hij het thuis wederom terneergeslagen op een zuipen zet, gaat de bel. Wie staat er op de stoep? De nooit meer verwachte mooie puber: Matroos Vos. Wankelend laat Reve hem binnen, geeft hem (natuurlijk) een glas wijn, en alles eindigt ermee dat hij de jongen als de eerste de beste pedo tussen zijn benen laat zitten (er gebeurt niets), tot hij weg moet omdat hij met een paar vrienden meerijdt die op hem staan te wachten. ‘Matroosje’  is de deur nog niet uit of partner Wimie komt binnen, die direct van alles vermoedt. Reve spelt hem het nodige op de mouw. “… ‘Kukeleku’, deelde een stem in mij mede…”. En even verder: “… ‘Kukeleku, kukeleku, kukeleku’, ging de stem in mij voort, die niet meer van ophouden scheen te willen weten…”. In trance deelt Reve, om zichzelf te redden, mee dat hij ‘thans en definitief en voorgoed heeft besloten om rooms-katholiek te worden’.

 

Een zwakzinnige troep, maar niettemin het ware geloof

Reve haalt het wonderlijke feit voor het voetlicht dat nogal wat kunstenaars, waaronder een bovenmatig aantal schrijvers, in de loop van hun leven tot de R.K. Kerk zijn toegetreden. Zie Aubrey Beardsley, Frederik van Eeden, Joris-Karl Huysmans, Jan Toorop, Léon Bloy, Paul Claudel, Julien Green, Graham Greene, Evelyn Waugh en in het hedendaagse Nederland Willem Jan Otten en zijn vrouw Vonne van der Meer. “… Wat kan hen bezield hebben?...”. Hij kan iemand niet in het hart kijken, maar hij vermoedt dat sommige bekeringen niet ‘echt’ zijn. Moet jij zeggen, dacht ik. “… Het tevoorschijn komen van de religiositeit is een bevrijding en ontplooiing van de persoonlijkheid door de ontplooiing van een vitaal gedeelte – als men hier ruimtelijke termen mag gebruiken – van de eigen ziel, dat tevoren ergens in een hoek van de psyche in het donker achter slot en grendel zat…”, vindt Reve. Natuurlijk kan religiositeit als een openbreken van een dichtgetimmerde wereld worden beleefd, maar evenzogoed hebben anderen religie juist als een bekrompen gevangenis ervaren. Ik hoef maar te wijzen op collega-auteurs als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers.  “… Religie is geen mening of overtuiging, maar een ervaring, die met het vermogen tot mythies denken en met het gevoel te maken heeft…”, aldus Reve. Hij moet behoorlijk wanhopig zijn geweest als hij op een gegeven moment aan Maria vraagt te doen wat ‘tot dusver geen man, geen vrouw, geen vriend, geen dokter, geen psychiater voor elkaar heeft gekregen’: hem uit de kruik en fles trekken. Is ze zijn laatste hoop? Waarschijnlijk heeft de traagheid waarmee de clerus is ingegaan op Reve’s verzoek om in de aloude Moederkerk - 'een zwakzinnige troep', maar niettemin 'het ware geloof' - te worden opgenomen, alles te maken gehad met het langdurig slepende ‘Ezelproces’ en de daardoor veroorzaakte ophef.

 

Uitgave: Elsevier Manteau – 1980, 293 blz., ISBN 978 901 003 115 0

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

zondag 2 februari 2025

De overvloed – Annie Dillard

 

 

Kris Pint, zie mijn vorige blog, maakte mij enorm nieuwsgierig naar “Expeditie naar de pool”, een verhaal van de Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945), dat ik terugvond in een nog steeds leesbare bundel schitterende essays: “De overvloed”, geschreven tussen de jaren zeventig en begin jaren negentig. Ik herinner mij dat tijdens de coronaperiode Dillards klassieker “Pelgrim langs Tinker Creek”, waaruit ook een paar verhalen in “De overvloed” zijn opgenomen, een bestseller werd, omdat wij toen massaal de natuur ontdekten. Het is een soort spiritueel reisjournaal waarin ze beschrijft hoe ze langs de oevers van Tinker Creek slentert, die door een vallei in Virginia stroomt waar ze een jaar verblijft. Haar inspiratie vond ze in “Walden” van Henry Thoreau. Het werd in 1975 beloond met de Pulitzer Prize voor non-fictie. “De overvloed” is voorzien van een voorwoord van Marja Pruis: “… Dillard beweegt zich op een precair en intens continuüm, dat van devoot naar woest gaat, van nuchter naar hysterisch, en weer terug. Het écht verwonderlijke van haar proza is misschien toch wel dat het ondanks de voelbare intensiteit en de hoge urgentie waarmee ze telkens nogal elementaire vragen opwerpt, nergens zwaar of onleesbaar wordt…”. Echt, als Pint beweert dat kunstenaars de rol van sjamaan hebben overgenomen, dan is Dillard daarvan het bewijs.

 

Totale zonsverduistering (uit “Teaching a Stone to Talk”)

Het eerste verhaal gaat over een zonsverduistering waarvoor Dillard met haar man vanuit hun woonplaats aan de kust in vijf uur de bergen oversteken naar het plaatsje Yakima, diep in de staat Washington, waar ze hun intrek nemen in een hotel: “… Het had iets gehad van sterven, dat omlaagglijden door de bergpas…”. Of “… iets van wegzakken in koorts of slapend in dat peilloze gat storten waaruit je jezelf wakker jammert…”. De volgende dag zoeken ze een heuvel met uitzicht over de prachtige Yakimavallei. Overal om hen heen klauteren mensen naar boven en zetten zich in groepjes in het dorre gras, “… alsof we met ons allen op de heuveltoppen waren samengestroomd om voor de wereld te bidden op de laatste dag van haar bestaan. Het was alsof we met ons allen uit ruimteschepen waren gekropen en ons opmaakten om de vallei te bezetten. Het was alsof we ons over de heuvels hadden verspreid om maagden te offeren, regen te maken, een kring van stenen steles op te richten. Er was geen beschutting tegen de wind. Het stugge gras zwiepte tegen onze benen…”. Ze vertelt dat ze al vaker gedeeltelijke zonsverduisteringen heeft meegemaakt, waarbij het afkoelt en de merels hun nest opzoeken, wat op zich al vreemd genoeg is, maar het haalt het niet bij een algehele zonsverduistering. “… De zon was aan het verdwijnen en de wereld klopte niet meer. Het gras klopte niet; het was nu platinawit. Elk detail van stengel, kop en spriet stak lichtloos en kunstmatig af als een door een kunstfotograaf vervaardigde platinadruk, in kleuren die nimmer op aarde waren gezien. Metallic tinten, matte finish. De heuvel was een negentiende-eeuwse ingekleurde foto waarvan de kleuren verschoten waren…”. Dillard ‘kijkt’ als geen ander: “… De hemel was marineblauw. Mijn handen waren zilver. Het gras op de heuvels was een vlechtwerk van fijn ijzerdraad, platgelegd door de wind…”. Alsof ze in een andere dimensie is beland. Over haar man: “… De huid van zijn gezicht bewoog als een bronzen beplating die straks los zou laten…”. Dan schuift er een reusachtig “… abrupt zwart lichaam…” vanuit het niets, als een platte schijf, voor de zon. Het lijkt op een ‘lensdop’, of een ‘potdeksel’. Alsof er een paddenstoelwolk verschijnt. Meteen is het zo donker als de nacht. In de zwarte lucht is alleen een ijle ring van licht te zien. “… Het was doodstil. Onze ogen verdroogden, onze aderen liepen leeg, onze longen zwegen…”. Het licht klopt niet. Aan de hemel staat iets wat er niet hoort. “… De seconde voordat de zon doofde zagen we een muur van donkere schaduw op ons afkomen. Nog voor we hem zagen had hij ons al bereikt, als een donderslag. De schaduw raasde over de vallei. Hij beukte tegen onze heuvel en sloeg ons omver. Het was de monsterlijke snelle schaduwkegel van de maan. Sindsdien heb ik gelezen dat deze schaduwgolf zich met 2600 kilometer per uur verplaatst. Taal schiet tekort om de impact van een dergelijke snelheid weer te geven. De schaduw was driehonderd kilometer breed. Geen eind in zicht. Je zag alleen de rand. Met 2600 kilometer per uur rolde hij over land op je af, met duisternis als een pestilentie in zijn kielzog. De aanblik van die schaduw, en de wetenschap dat hij recht op je af kwam, gaf dezelfde sensatie als een stoot narcose die je door je arm voelt trekken…”. Iedereen die de muur van schaduw met een ontstellende, onmenselijke snelheid op zich af ziet stormen, schreeuwt voor hij wordt verzwolgen. De schaduw jaagt over de vlakte verder en tuimelt in een oogwenk over de rand van de aarde. Nog geen twee minuten later komt de zon weer tevoorschijn: “… We knipperden met onze ogen tegen het licht. Het was alsof een enorme, met reuzenpassen benende god omlaag had gereikt en de aarde een oorvijg had verkocht…”. Allemaal haasten ze zich vervolgens de heuvel af om wat te gaan eten of drinken. “… De geest is nooit of te nimmer te verzadigen…”, zei Wallace Stevens ooit. “… De geest wil altijd voortleven, of op zijn minst een goede reden horen waarom dat niet kan. De geest wil dat de wereld zijn liefde beantwoordt, of zijn besef, zijn inzicht; de geest wil de hele wereld doorgronden, de hele eeuwigheid, tot God aan toe. Maar het lichaam, de ‘sidekick’ van de geest, is al dik tevreden met een spiegelei…”.

 

Het hert in  Providencia (uit “Teaching a Stone to Talk”)

Een van de grote thema’s in Dillards werk is ‘lijden’. We weten er geen raad mee en hebben er geen antwoord op. Ze vertelt hoe ze met drie Amerikanen een tocht maakt door de jungle van het Equadoriaanse Amazonegebied, waar ze in een dorpje een gevangen en met touw vastgebonden hertje op een ontzettende manier zien creperen: hun avondeten. Een hoog gehalte aan melkzuur, dat zich bij inspanning in het spierweefsel ophoopt, maakt het vlees namelijk lekker mals. Later, in hun hangmatten, met elkaar pratend terwijl ze zachtjes tussen hemel en aarde heen en weer wiegen, merkt ze dat haar collega’s niet alleen naar het hertje, maar ook naar haar hebben gekeken. Ze zijn geshockeerd omdat haar gezicht totaal onaangedaan en uitdrukkingsloos was geweest. En dat nog wel als jongste en enige vrouw in de groep. Vervolgens vertelt ze dat ze thuis op haar badkamerspiegel een krantenfoto met het zwartgeblakerde gezicht van een verbrande man heeft geplakt. “… Het artikel, met de kop ‘Man voor de tweede keer verbrand’, begint aldus: ‘Waarom haat God me zo?’ vroeg Alan McDonald in zijn ziekenhuisbed. ‘Ik kon het gewoon niet geloven toen het kruid ontplofte,’ zei hij. ‘Ik kon het gewoon niet geloven. Ik zei: “Nee, dat doet God me toch niet nog eens aan?”…”. Toen hij dertien was, raakte hij ernstig verbrand doordat een plas weggelekte benzine in de hens vloog en ditmaal doordat een bak met kruid naast hem ontplofte. Elke ochtend kijkt  Dillard naar de krantenfoto, zoals een devote katholiek naar een crucifix. “… Dit is het Echte Leven, elke minuut van het echte leven. Kan iemand s.v.p. Alan McDonald in zijn waardigheid, het hert in Providencia in zijn waardigheid, uitleggen wat dit te betekenen heeft? Mede namens mij, graag…”.

 

De wezel (uit “Teaching a Stone to Talk)

Als Dillard na een eindje lopen op een omgevallen boom gaat zitten, kijkt ze ineens recht in de ogen van een wezel: “… Ik zeg het je, ik heb een minuut in die wezel z’n hersens gezeten, en hij in die van mij…”. Wezels zijn twintig centimeter lange roofdiertjes die niet meer laten gaan wat ze te pakken hebben: “… Ooit weigerde een bioloog een wezel te doden die zich als een ratelslang in zijn hand had vastgebeten. Hij kreeg het diertje met geen mogelijkheid los en moest bijna een kilometer met die wezel aan zijn hand naar het water lopen en hem als een halsstarrig etiket losweken…”. Ze vertelt over een uit de lucht geschoten arend met de kaken van een verdorde wezelschedel om zijn keel geklemd. Ze zou willen leven zoals de wezel leeft: “… De wezel laat zich leiden door noodzaak en wij door keuze; wij haten noodzaak en sterven uiteindelijk onwaardig in zijn klauwen…”. Even verder: “… We kunnen leven zoals we willen. Er zijn mensen die geloften afleggen van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid – een zwijggelofte zelfs. Het gaat erom je roeping op een vaardige en lenige manier te besluipen: het gaat erom de teerste, gevoeligste plek te vinden en daar de tanden in zetten. Dat is zwichten, niet vechten. Een wezel ‘valt’ niet aan; een wezel leeft zoals hij hoort te leven, steeds zwichtend voor de volmaakte vrijheid van die ene noodzaak…”.

 

Paganisme (uit: “Holy the Firm”)

Dit essay, waarin Dillard haar eenzame dagen als auteur beschrijft, heeft nog het meeste weg van een mescalinetrip, alhoewel ze ergens anders zegt dat ze nooit drugs gebruikt. Ze ontwaakt in de armen van een god, die verrijst uit het water waar ze vanuit haar kamer op uitkijkt: “… Ik ben hiernaartoe gekomen om harde dingen te bestuderen – massief gebergte en zilte zee – en aan hun randen mijn geest te temperen…”. Een spin houdt Dillard gezelschap. Haar web hangt achter het toilet. Daaronder liggen een stuk of zestien lijken die ze uit haar web heeft gekieperd: “… De lijken zijn zo te zien van pissebedden, die gordeldierachtige beestjes die bij leven plat door huizen dolen, maar rond sterven. Er ligt ook een nieuwe flard oorworm, drie oude spinnenvellen, gekreukt en verfrommeld, en twee mottenlijken; vleugelloos en groot en hol, mottenlijken die ik op mijn knieën bestudeer…”. Jaren geleden vroeg ze aan haar studenten wie hun leven zou geven om schrijver te worden: “… Ik trilde van de koffie, of van de sigaretten, of van al die gezichten zo dicht om me heen…”. Alle handen gingen de lucht in. Ze waren blijkbaar wel wat gewend van haar: “… Ze dachten dat ik weer raaskalde. Dat was maar goed ook…”. Wachtend op inspiratie leest ze: “… In Armenië, lees ik, zouten ze hun pasgeboren baby’s. Ik check het elders: ook de Joden ten tijde van de profeten deden het. Ze wasten de boreling met water, besprenkelden hem met zout en wikkelden hem in doeken. Toen God beloofde dat hij Aäron en alle Levieten alles zou geven wat Israel aan God offerde, het eerste fruit en het eerste jongvee, ‘al het beste van de olie en al het beste van most en koren’, noemde hij zijn belofte ‘een altoosdurend zoutverbond’. Bij het rooms-katholieke doopritueel strooide de priester wat zout in het mondje van de dopeling. Ik strooi wat zout op mijn ochtendeitje. De hele dag voel ik me geschapen…”.

 

Huid  (uit: “An American Childhood”)

Op een ontzettend grappige manier beschrijft Dillard hoe ze zich als kind verbaasde over de huid van haar moeders handen: “… Volwassenen verkeerden in verval, maar ze merkten het niet, nog maalden ze erom…”. Op hun polsen en enkels na zitten grote mensen net zo ruim in hun vel als konijnen. Ze speelt met de hand van haar moeder: “… Met snelle bewegingen vormde ik evenwijdige ribbels op haar andere vingers – een heuse bergketen…”. Ik weet nog hoe ik met mijn vinger een vinger van mijn moeder zo ver mogelijk omhoog plachte te duwen om hem weer terug te laten ketsen op de keukentafel. Dillard trekt aan een haartje op de arm van haar vader om de tuitende tipi te bestuderen tot hij ‘au’ roept. Op het strand bevoelt ze de schenen van haar ouders. Daaronder het slappe vlees van de kuiten waar je tegen kunt duwen om het als een baby in een draagdoek te laten schommelen. Als ze naar haar vader kijkt die zijn stropdas strikt voor de spiegel, wiebelt hij met zijn grote oren om haar een plezier te doen: “… Het was een wonder dat hij iets hoorde met een hoofd dat zo los in het vel zat…”.

 

Wild wakker worden (uit: “An American Childhood”)

Dillard beschrijft zichzelf in haar puberteit als een ‘ongeleid projectiel’: “… Ik spetterde vonken die een kuil om me heen groeven en in die kuil was ik aan het verzinken…”. Ze komt inderdaad over als een losgeslagen ADHD’er. “… ‘Doe eens rustig,’ had iedereen me mijn hele leven vermaand…”. Maar ze kán niet rustig worden, al wil ze dat nog zo graag. “… Ik kon mijn stem niet laten zakken, ook al zag ik mijn omgeving gepijnigd kijken. In de klas maaide ik met mijn armen tot zelfs de leerkrachten me wel konden kelen…”. Ze voelt zich soms zo kwaad dat ze met een riem haar matras afranselt. Als ze niet boos is, verveelt ze zich te pletter. Ze speelt piano als een maniak, zodat de snaren het begeven. Als je het hebt over 'tot over je oren verliefd': “… Ik beminde mijn vriendje zo teder dat ik dacht dat ik tot nevel zou verdampen…”. Als ze begint te dansen weet ze niet meer hoe ze moet ophouden (zie het sprookje over “De rode schoentjes” van Hans Christian Andersen). “… Ik wist niet waar ik heen moest of wat ik met mezelf aan moest. In boeken gingen ze dan hout kloven…”.

 

Old Stone Presbyteran (uit: “An American Childhood”)

Als meisje gaat Dillard als enige uit het gezin naar de kerk. Wanneer ze de hypocrisie om zich heen ontdekt, stapt ze er in haar puberteit ook weer uit. De voorganger geeft haar een bundel van C.S. Lewis mee: “The Problem of Pain”. Ze heeft ook al een werkstuk geschreven over het Bijbelboek Job: “… Als de almachtige schepper alles op aarde bestiert, waarom is er dan zoveel leed? Waarom zijn al die onschuldige mensen in de kampen gestorven en waarom heerst er honger in de steden en op het platteland? Op zoek naar een antwoord op deze vragen vond ik dertig pagina’s tekst van duizenden jaren geleden en veertig pagina’s uit 1955. Ze boden een keur aan bloemrijke taal die neerkwam op ‘niet over nadenken’, of sereen verwoorde, logisch klinkende antwoorden die de geloofwaardigheid dusdanig tartten (pijn is Gods megafoon) dat ‘niet over nadenken’ daarbij vergeleken een prima antwoord leek…”.

 

Schrijver in de wereld (uit: “The Writing Life”)

Over lezen: “… Waarom lezen we anders dan in de hoop dat er schoonheid wordt blootgelegd, dat het leven wordt verheven en zijn diepste mysterie wordt verkend? Kan de schrijver alles isoleren en tot leven wekken wat zijn intellect en hart – en het onze – ten diepste raakt? Kan de schrijver onze hoop op literaire vormen nieuw leven in blazen? Waarom lezen we anders dan in de hoop dat de schrijver ons bestaan weet uit te vergroten en te dramatiseren, dat hij ons verlicht en inspireert met wijsheid, moed en de mogelijkheid van iets betekenisvols, en dat hij onze geest doordrong van de diepste mysteriën, zodat we hun majesteit en macht opnieuw kunnen ervaren? Kennen we iets hogers dan de macht die van tijd tot tijd ons leven grijpt en ons onthutsend aan onszelf onthult als wezens die hier verbijsterd zijn neergepoot? Waarom overvalt de dood ons zo, en waarom liefde? Nog steeds en steeds opnieuw moeten we wakker worden gemaakt…”. Volgens Dillard drijven het nieuwe (geestelijke) landschap en zijn klimaat de metafysica op de vlucht: “… in feite is de roman als vorm maar zelden metafysisch; meestal presenteert ze de maatschappij zoals die is. Vaak beoogt de roman haar tijdgeest vast te leggen, ze beoogt een verhoogd schijnbeeld van onze herkenbare wereld te construeren om dat kant en klaar en geanalyseerd te presenteren…”. Je kunt volgens haar net zo goed een zooitje reclameleuzen op een rijtje zetten.

 

Zo moet je leven (uit: “Image”)

Dillard: “… Elke cultuur schrijft voor hoe je jouw ene leven moet leiden, namelijk: zoals iedereen het doet…”. Misschien is de Amerikaanse alleen wat extra gericht op geld, bekendheid en uiterlijk. Ergens anders gaat het vooral om de mooiste schoenen dragen, de beste restaurants bezoeken, de duurste auto rijden en vakantie vieren op Tenerife. Of om varkens te roven bij een andere stam tijdens enerverende strooptochten, broodvruchten roosteren, gijzelaars in de fik steken, opklimmen in je bedrijf, een dik salaris verdienen, aandelen in de wacht slepen, de herten van de koning opeten, stropers vangen, zeerobben spiesen, de vijand intimideren en als een groot man dan wel beminde vrouw je laatste adem uitblazen, gerespecteerd om je varkens of je titels of je schoenen. Zo moet je leven. Want iedereen om je heen is het er sinds mensenheugenis over eens dat grond, dan wel arbeid, dan wel kennis, dan wel een titel, dan wel een graad, dan wel kralenkettingen, dan wel murexschelpen, dan wel een leger slaven, waarde vertegenwoordigt: “… Iedereen weet dat bijen steken en spoken spoken en dat je door je mantel weg te geven je rivalen in hun hemd zet. Dat je vijanden barbaren zijn…”.  Dat tornado’s “… Gods straf zijn, dat je voorouders toekijken en dat je met een aflaat het vagevuur kunt bekorten. De zwarte steen is heilig, of de papyrusrol; of het schubdier is heilig, de quetzal is heilig, deze boom, rots, steen, koe, berg, dit water, dit kruis – en het is allemaal waar. De Red Sox. Of niets is heilig, zoals iedereen met een beetje verstand weet…”. Welnu: “… Wie is jouw iedereen? Schaakgrootmeesters omringen zich zelden met motorcrossers. Wil jij inboorlingen op je verjaardagsfeest?...”. De illusie is compleet. Stel dat je langs je eigen bonenstaak omhoog kunt klimmen en de weidsheid van de tijd en de diepte van de ruimte ziet. Wat zou je anders doen?  Jouw tijd en zijn passies, jijzelf en je passies, wat stellen ze voor? Welke “… nieuwe wijsheid zou je mee het graf in nemen om door de wormen te laten ontwarren? Nou, misschien dat je toch maar niet de reclame in gaat…”. Maar wat dan wel? Als je alles hebt gezien, word je dan een relativist of een absolutist? “… Maakt kennis die je ervaart je automatisch tot een boeddhist? Moet je wat opwindend is als zodanig verzaken? Met welk doel?...”. Even verder: “… stel dat je de zachthuidige mensen van alle tijden hebt zien werken en sterven onder traag verschuivende sterren. Wat dan?...”.

 

Een wandeling in Roanoke Valley, Virginia (uit: “Pilgrim at Tinker Creek”)

De natuur is niet alleen van een verbijsterende schoonheid maar ook hard en hachelig: “… Alles wat leeft is een vooralsnog overeind gebleven deelnemer van een levenslange survivaltocht…”. Dillard: “… Wreedheid is een mysterie, de zinloosheid van het lijden ook…”. Dillard vertelt hoe ze  een klein kikkertje observeert: “… terwijl ik zo naar hem zat te kijken, schrompelde hij langzaam in elkaar en zakte in het water weg. Het leven trok uit zijn ogen, alsof het licht werd gedoofd. Zijn vel werd slap, lubberde; zelfs zijn schedel leek in elkaar te zakken, als een tent zonder scheerlijnen. Voor mijn ogen verschrompelde hij als een lekke voetbal. Ik keek toe hoe het strakke, glinsterende vel op zijn schouders rimpelde, naar binnen trok, implodeerde. Even later dreef het vel, vormeloos als een lek geprikte ballon, in felgroene plooien in het water. Ik keek met open mond toe, perplex, onthutst. Achter de leeggelopen kikker hing een ovale schim in het water; toen gleed de schim weg. De zak van kikkervel zonk omlaag…”. Het kikkertje blijkt te pakken te zijn genomen door een reuzenwaterwants, een plomp bruin insect van soms wel tien centimeter, dat met zijn voorpoten zijn prooi vastgrijpt, hem door middel van gif  met één beet verlamt waardoor alle ingewanden oplossen, waarna de wants het tot moes vergane binnenste van zijn prooi leegzuigt. “… Kikkers slokken hun prooi met huid en haar op, ze proppen die desnoods met hun duimen naar binnen. Ik ken verhalen van kikkers met hun brede bek zo vol levende libellen dat ze hun kaken niet meer op elkaar kregen. Mieren hoeven hun prooi niet eens te vangen: in het voorjaar storten ze zich massaal op net uitgekomen, nog kale vogelkuikens en peuzelen die hapje voor hapje op…”. Ze beschrijft hoe ze op een late namiddag een school van zeker honderd foeragerende haaien ziet in het kolkende, groene water aan de monding van een getijderivier: “… Het was een imposant, ontzagwekkend gezicht: brute kracht en schoonheid, gratie en bloeddorst in extase verstrengeld…”. Ons bestaan is een vaag spoor aan de oppervlakte van het mysterie, aldus Dillard: “… We moeten het op de een of andere manier breder bekijken, het hele landschap in ogenschouw nemen, het echt zien, en beschrijven wat zich afspeelt. Dan kunnen we althans de juiste vraag de bakerende duisternis in schreeuwen, of eventueel, een gepaste lofzang aanheffen…”. Dillards wereld is overrompelend. Ze vertelt over indianen die groeven in hun pijlen kerven, ‘bliksemsporen’, waardoor het bloed van een verwonde prooi naar de grond drupt, dat de jager zo kan volgen. En over twee Eskimo-meisjes die in kleermakerszit tegenover elkaar zitten. Mond op mond blazen ze om beurten langs elkaars stembanden, waardoor een zachte, onaardse muziek ontstaat.

 

De wateren der reiniging (uit: “Pilgrim at Tinker Creek”)

Dillard: “... Garanties bestaan niet in deze wereld. O, in je ‘behoeften’ wordt voorzien, in je behoeften wordt absoluut voorzien met de stringenste garanties die er zijn, in de helderste, oprechtste bewoordingen: klop aan, zoek; vraag. Maar lees wel de kleine lettertjes. ‘Niet gelijk de wereld geeft, geef ik u.’ Dat is het addertje onder het gras…”. Even verder: “… De godheid is niet speels. Hemel en aarde zijn niet voor de grap geschapen maar in volle, niet te bevatten ernst. Door een macht die ondoorgrondelijk is, en heilig, en ongrijpbaar. Daar is niets aan te doen, behalve het te negeren, of het te zien…”.

 

Voorlopig (uit: “For the Time Being”)

Een prachtig hoofdstuk gaat over de Franse priester en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin, afgewisseld met een college over ‘zand’. Teilhard was de ontdekker van een mannelijke pre-Neanderthaler in de Gobiwoestijn: de Pekingmens, die hij dateerde in het pleistoceen. “… Bij hun opgravingen stuitten ze elke dag op vijf tot tien giftige bruine groefkopadders. Die adders hielden hen alert, vond een teamlid…”. Evenals bij Dillard ontwikkelde zich bij Teilhard een soort van mystiek verlichte manier van ‘kijken’: “… ‘Mijn hele leven,’ zou hij schrijven, ‘iedere minuut van mijn leven, is de wereld geleidelijk voor mijn ogen ontvlamd en gaan laaien tot hij me omringde, geheel van binnenuit verlicht.’…”. Zie Mozes die het braambos ziet branden. “… Over de wonderen in het evangelie schreef Teilhard: ‘Ik voel me verplicht te erkennen dat ik niet geloof vanwege, maar ondanks de wonderen.’…”. Hoe ronder een zandkorrel, hoe ouder. Aarde slaat neer als stof of als modder. Als je blijft staan waar je staat, word je levend begraven, zoals alles om je heen. Voor een verrassend groot deel bestaat al het stof in de lucht uit spinnenpoten. Dat komt omdat ze hol zijn. Samengeperste lucht stuwt ze voort. Een andere onverwachte bron van zwevend afval zijn autobanden. “… Boerderijstof vermengt zich met Saharazand en druppeltjes zwavelzuur (afkomstig van verbrande fossiele brandstoffen), en samen veroorzaakt dat die vuile sluier die de wereld grauwig-bruin kleurt… “.  Lucht transporteert “… fliedertjes mest, kadaver, blad en bladharen, koraal, kool, huid, zweet, zeep, slib, stofmeel, algen, bacteriën, sporen, roet, ammoniak en spuug, maar ook ‘zoutkristallen afkomstig van schuimkoppen op zee, gruis dat van verre bergen is afgeschraapt, verwaaide micro-roetdeeltjes afkomstig van tropische bosbranden’…”, en dat inhaleren we allemaal.“… Hoornkiezel, vuursteen, agaat en glasachtig gesteente kunnen afslijten tot een snijvlak van slechts enkele atomen dik. Prehistorische mensen vervaardigden lange ovale messen met deze allesovertreffende scherpte en maakten ze, bewust, te fragiel voor gebruik…”. Een chirurg die zo een mes gebruikte om een buikincisie te maken, zei dat het soepeler sneed dan zijn beste (stalen) scalpels: “… het doorsneed slechts enkele cellen en liet nauwelijks een litteken achter…”. Even verder: “… Een rancher in Arizona vilde naar eigen zeggen met een mes van obsidiaan een beer in nog geen twee uur in plaats van de gebruikelijke drieënhalf uur, waarbij hij helemaal geen kracht hoefde te zetten…”. Het mes kan bij het minste of geringste breken. De maker werkte in extreme kou. Hij wist dat niemand zijn virtuoze messen zou gebruiken. Regelmatig kwam Teilhard in de jaren twintig in aanvaring met het kerkelijk gezag in Rome vanwege zijn visie op de evolutieleer, wat Rome als de doodsteek voor de oude leer van de erfzonde zag. Het Vaticaan besloot hem te muilkorven. Hij mocht geen lezingen geven en kreeg vrijwel geen fiats voor wetenschappelijke publicaties. Teilhard gehoorzaamde. “… De kardinalen wisten hemzelf ook met succes onder het tapijt te vegen: ze verbanden hem naar China…”. Zijn vrienden en vakgenoten drongen er bij hem op aan de jezuïetenorde te verlaten. Teilhard weigerde. Hij wilde het christelijke geloof niet verraden: “… Uittreden, besloot hij uiteindelijk, zou ‘de dood betekenen voor alles wat ik wil bevrijden in plaats van vernietigen’. De Katholieke Kerk, schreef hij aan het eind van zijn leven, is nog altijd onze beste hoop op een verbindingsboog met God, op de transformatie van de mens, en, zoals hij het zag, de zinvolheid van de evolutie: de Kerk is ‘de enige internationale organisatie die werkt’…”. Dillard: “… Net als tal van spirituele denkers bezat Teilhard een soort anaeroob vermogen om te gedijen bij paradoxen…”. Teilhard over het christendom: “… Het gaat te veel over schapen. Ik wil de leeuwen tevoorschijn zien komen…”. Als hij negenenveertig is ontmoet hij Lucile Swan, een veertigjarige gescheiden beeldhouwster: zijn grote, maar vanwege zijn geloften, voor altijd onbereikbare liefde. “… ‘Ik behoor mezelf niet toe,’ schreef hij haar…”.

 

Expeditie naar de Pool (uit: “Teaching a Stone to Talk”)

Dillard vertelt op een hilarische manier over haar bezoek aan een kerk waar ze met de tijd mee willen gaan door middel van een hip zanggroepje: “… Wie heeft deze aardige katholieken gitaren gegeven? Waarom staan ze niet in het Latijn te prevelen en bijgelovige rituelen op te voeren? Waarom vindt de paus dit goed?...”. Tussendoor behandelt ze de ijselijke expedities naar de Noord- en Zuidpool: even als het Absolute ‘relatief ontoegankelijk’ en tegelijk ‘het hoogste goed’. Subliem. De ontdekkingsreizigers “… sjouwden hun zwakke vlees eigenhandig naar de pool en belandden in zulke barre omstandigheden dat het, om een voorbeeld te noemen, de leden van Scotts Zuidpoolexpeditie elke ochtend alleen al uren kostte om hun laarzen aan te krijgen. Dag en nacht leverden ze een ellendige, niet aflatende strijd met bevroren tenen, diarree, bloedend tandvlees, honger, zwakte, geestelijke verwarring en wanhoop…”. Zie ook mijn blog over “De ijsballon” van Alec Wilkinson. In de kerk beukt een vrouw op de piano de hele potsierlijke communie lang het thema van ‘The Sound of Music’: “… Waarom wekken wij kerkgangers de indruk van blije hersenloze toeristen op een cruise rond het Absolute?...”. Even verder: “… Over het algemeen vind ik dat christenen, buiten die in de catacomben, onvoldoende besef hebben van de omstandigheden. Heeft iemand een flauw idee welk soort macht we zo opgewekt aanroepen? De kerken zijn kinderen die op de vloer met hun scheikundedoos spelen en een hoeveelheid TNT mengen waarmee je een hele zondagmorgen de lucht in kunt laten vliegen. Het is waanzin om naar de kerk te gaan met strooien en fluwelen dameshoedjes op; we kunnen beter een valhelm opzetten. Kosters zouden reddingsboeien en vuurpijlen moeten uitdelen; ze zouden ons aan onze kerkbank moeten vastsjorren. Want wie weet wordt ooit de slapende god wakker en neemt hij aanstoot aan wat hij ziet, of sleurt de wakende god ons ergens naartoe vanwaar we nimmer kunnen terugkeren…”. De nieuwe episcopaalse en katholieke liturgie bevat een onderdeel dat ‘elkaar de vrede van de Heer wensen’ wordt genoemd. Het behelst niet meer dan dat je de kerkgangers links en rechts van je de hand schudt. Maar er zijn pastors om ontslagen: “… Er was echter een grens aan de tolerantie van de gemeenteleden, en elkaar de vrede van de Heer wensen lag voorbij die grens. Mensen met wie ze al jaren overhoop lagen een hand geven, dat ging te ver…”.  Het ritueel vereist dat je iedereen in je onmiddellijke omgeving een hand geeft en ‘vrede zij met u’ zegt. De ander antwoordt dan: ‘Vrede zij met u’. Sporadisch antwoordt iemand alleen met ‘Vrede’. Ik heb de ietwat, zeker als je het niet gewend bent, ongemakkelijke begroeting ook wel eens meegemaakt. “… Vandaag zat ik tussen twee bonken van pubers met vlassige snorretjes…”, vertelt Dillard. “… Toen het moment daar was, gaf ik een van de bonken een hand en zei: ‘Vrede zij met u,’ waarop hij antwoordde: ‘Yo’…”. Ik heb onder de tafel gelegen van het lachen.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2020, vertaling Henny Corver, 224 blz., ISBN 978 902 546 192 8, 24,99

Momenteel niet leverbaar bij bol