Menu

donderdag 16 oktober 2014

De bibliotheek van onvervulde dromen – Peter Manseau


Soms vind ik het ook wel leuk om het stof van een wat ouder boek te blazen. In dit geval “De bibliotheek van onvervulde dromen”, dat zich afspeelt in de vaak wrede, maar altijd sprookjesachtige Jiddische wereld, die ook door anderen - zoals b.v. Chaim Potok, Isaac Bashevis Singer, Marc Chagall en Elie Wiesel – op een bijna magische manier tot leven is gebracht.
Als zoon van een katholieke ex-priester en een uitgetreden non zit Peter Manseau (Boston – 1975) religie in het bloed. Hij studeerde godsdienstwetenschappen en literatuur; is redacteur bij ‘Search, The Magazine of Science, Religion and Culture’, en was een van de oprichters van de prijzenwinnende website ‘Killing The-Budha.com’.

Overleven op een vlot van woorden

In “De bibliotheek van onvervulde dromen” laat Manseau een 21-jarige, afgestudeerde, agnostische, Amerikaanse theologiestudent kennis maken met een Russische Jood van in de negentig, die zich de laatste grote Jiddische dichter noemt: Itsik Malpesj. De eerste heeft een baantje aangenomen bij een Joodse non-profit organisatie waar hij geschonken boeken in een bibliotheek moet sorteren. Hij wordt uitgekozen omdat hij een beetje Hebreeuws kent. Al gauw komt hij erachter dat hij daar niets aan heeft, omdat het om Jiddische boeken gaat; en Hebreeuws en Jiddisch verschillen net zoveel van elkaar als Engels en Latijn. Natuurlijk laat hij het er niet bij zitten en probeert zichzelf Jiddisch aan te leren. Wat erg helpt: er komt een bloedmooi, tot de joodse orthodoxie bekeerd meisje stage lopen in zijn magazijn (hij laat haar trouwens in de waan dat hij eveneens Joods is - ze deelt met hem het bed en voelt zich flink belazerd als ze erachter komt dat ze een relatie heeft met een katholieke goj: hij heeft n.m. wel erg veel verstand van de Bijbel - wat volgens mij allemaal nogal aanvechtbaar is, want ik betwijfel of een echte orthodoxe gelovige geneigd is tot seks voor het huwelijk, en - mocht ze iemand zijn geweest die als het zo uitkwam alle ver- en geboden aan haar laars lapte – als ze niet helemaal achterlijk was toch op z’n minst had kunnen opmerken dat ze met een onbesnedene van doen had - maar dit allemaal even terzijde…), die met een doos vol Jiddische brieven van haar overgrootmoeder aan komt zetten. Hij helpt haar die te ontcijferen. Dat lukt zo goed, dat hij uiteindelijk in staat is de stapel notitieboeken waar Malpesj hem op trakteert, te vertalen. Hierdoor worden we het leven van Itsik Malpesj in getrokken, dat bijna een eeuw beslaat. Het begint in het Russische dorpje Dubossarij, waar hij tijdens een pogrom wordt geboren. Malpesj zegt dat zijn leven heeft bestaan uit golven die hem voortdurend naar beneden dreigden te sleuren: “… Hoe ik dat heb overleefd? Door op een vlot van woorden te drijven…”. Schrijven om het hoofd boven water te houden. Schrijven als heling. Schrijven als therapie. Een thema dat de laatste tijd vaak in mijn blogs opduikt: zie “Mijn tijdperk van de angst” van Scott Stoffel; “Toen ik zweeg” van Nicky Robinson; “Het geluid van vallende dingen” van Juan Gabriel Vásquez . En eigenlijk kan ik niéts mooiers bedenken.

Andere verhalen bestaan niet
“De bibliotheek van onvervulde dromen” gaat over de liefde voor verhalen, het wonder van taal en de betovering van boeken. Aan de ene kant zijn er hoofdstukken die geschreven zijn onder de titel “Aantekening van de vertaler”, waarin allerlei bespiegelingen over het vertaalwerk en de Jiddische literatuur aan bod komen, aan de andere kant zijn er hoofdstukken die geschreven zijn onder de kop “De memoires van Itsik Malpesj”, waarin de dichter zijn verhaal doet.
Als Itsik een jaar of tien is, raakt hij geobsedeerd door een jongen op het jesjieve-schooltje waar hij naar toe gestuurd wordt: Chajm. Hij merkt dat Chajm achter zijn Talmoedboeken heel wat anders zit te lezen dan moet, en tóch alle antwoorden weet op de netelige vragen die ‘der Lerer’ af en toe op hem afvuurt. Hij heeft het er met zijn vader over, die denkt dat Chajm een wonderkind is, die misschien wel de geheimen van de Zohar en de Kabbala zit uit te vissen. Itsik papt met hem aan. Voor een cent per dag wil Chajm hem wel inwijden in zijn wereld. Elke morgen, voor dag en dauw, schept Itsik een paar uur ganzenstront in de zaak waar zijn vader werkt - er worden donzen dekbedden gemaakt - om die cent te kunnen betalen. Hij krijgt er van Chajm dagelijks een uitgescheurde boekbladzijde voor terug. Plus commentaar. Niets geen Zohar of Kabbalah, maar cyrillisch schrift. Chajm leert hem Russisch. Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski: “…’Het is een verhaal,’ zei Chajm. ‘Een verhaal?’ ’Een verhaal over een man die een oude vrouw vermoordt en dan verliefd wordt op een prostituee die hem dingen over God bijbrengt.’ ‘Een verhaal uit de Tora?’ ‘Nee, een christelijk verhaal. Een Russisch verhaal.’ ‘Een verhaal vol geheimen?’ ‘Andere verhalen bestaan niet,’ zei Chajm…”. Van de opwinding en hartstocht die zich bij het ontsluiten van deze nieuwe wereld van Itsik meester maakt, springen de tranen in je ogen. Toch duurt zijn duizelingwekkende gelukzaligheid niet lang. Als zijn vader er achter komt dat Itsik zich zijn zuurverdiende geld door iemand laat aftroggelen, komt er een hardhandig einde aan de relatie tussen hem en Chajm. Echter: het zaad is gezaaid en het bloed kruipt waar het niet gaan kan; áltijd… Itsik’s roeping staat vast. Hij weet het zeker. Hij is een dichter.

Basjerte
Door een domme actie van Itsik belandt zijn vader in de gevangenis, en weet zijn moeder niets anders te verzinnen dan hem, vanwege de algehele dorpswoede, naar een vriendin in Odessa te sturen. Deze vriendin heeft een dochter, Sasja, en deze Sasja wordt Itsik’s muze. Ook al heeft hij haar nooit gezien. Behalve op een foto. Al dichtend begeeft Itsik zich als een soort Don Qiuchot op weg. In een gapperskar komt hij in Odessa aan (bandieten kidnappen loslopende jongens om ze te verkopen aan het leger van de tsaar). Hij vindt een Jodenkroeg waar hebraïsten en jiddischisten elkaar bijna de koppen inslaan, met een achterkamertje waar Joodse kranten worden gedrukt – voor het nieuws hoort de cafébaas zijn bezopen klanten uit – en een zolderkamer, waar wonder-boven-wonder de moeder van Sasja woont. Sasja zelf is allang naar Erets Jisroël vertrokken om sinaasappels te kweken. Geeft niets; Sasja blijft zijn ‘basjerte’, zijn lotsbestemming (“… Ze is er vanaf het begin geweest, ze is altijd dichterbij dan het lijkt, en ze wacht er gewoon op om gevonden te worden…”). Op een dag voert de kroeghouder annex krantenuitgever Itsik zo dronken als een toeter, om hem vervolgens als verstekeling per boot mee te zenden in een kist vol houten letterstaafjes, naar het land van onbegrensde mogelijkheden: Amerika. Nóg verder weg van Sasja.
Een straatbende vangt hem op. De leider - hoe is het mogelijk: Chajm. Itsik werkt zich uit de naad in een textielatelier. De uitbater houdt ook nog een drukkerij op poten. Hij wordt omgekocht. Als hij zich met de lelijke zuster van de uitbater verlooft, zal hij de kans krijgen om als dichter op te treden. Eén avondje van roem overkomt hem. En dat is genoeg, want wie zit er onder de aanwezigen: Sasja. Zijn basjerte. Jawel. Kort zijn ze bij elkaar. Nog veel langer uit elkaar. En tenslotte vinden ze elkaar na een lang leven weer terug in een bejaardentehuis in Jeruzalem. Zoals ik al zei: een sprookje.

Kerk en Israël

Wat Peter Manseau mijn inziens vooral goed onder woorden heeft gebracht is de huiver en afschuw die er onder de Jiddische bevolking leeft i.v.m. de zogeheten ‘jodenzending’. Een New Yorkse uitgever drukt Bijbels in het Jiddisch. Niet om aan de Joden te slijten, maar aan evangelische emigranten, die met bosjes uit Europa komen en de Joden willen bekeren (wat door de laatsten gevoeld wordt als het willen ontnemen van hun bestaansrecht, hun wortels en identiteit). Jezus was de slechtste Jood die er heeft bestaan, zegt iemand. Wie wil er nu geen Jood meer zijn, merkt een ander op.
Hoeveel boter hebben christenen op hun hoofd? Het zijn de christenen waarvan de Joden in het verleden het meest te lijden hebben gehad. Als er een dode Russische jongen wordt gevonden krijgen de Joden de schuld: “… Wie zal zeggen waar leugens het best gedijen? In het donker, zoals een schimmel? In het heldere licht, zoals een bloem? In Dubossarij gedijen ze overal. Ze schoten wortel op de markt, waar ze door kooplui werden gekoesterd. Ze bloeiden in de kapellen, waar ze door priesters werden geoogst. Het gepeupel fluisterde dat de jongen door de Joden was vermoord. De Joden hadden zijn bloed nodig, zo ging het oeroude verhaal, om hun matses te zoeten en hun wijn dik te maken; ze hadden zijn bloed nodig voor hun pesachmaal. Natuurlijk! Wie anders, o wijze lieden van Dubossarij? Wie anders dan de Joden zouden een jongen vermoorden en hem langs de weg achterlaten zodat een christelijke landman op hem zou pissen? Wie anders dan de Joden zouden zo geheimzinnig met hun motieven omgaan en hun zaak zo slordig uitvoeren? Wie anders dan de Joden zouden hun eigen galg bouwen, hun eigen strop knopen, en de beul inhuren om hun hals op te rekken? Het is inmiddels jaren later en nog steeds verbijstert het me dat Joden weten dat die leugen al duizend jaar wordt verteld, terwijl christenen hem telkens weer als een openbaring beschouwen. Het is hemeltergend dat wij ons door zo’n stelletje imbecielen laten beoordelen en vermoorden. Zelfs met de laars van een Kozak in zijn hals zou een Moldavisch boertje nog zijn best doen te vragen wie de Jood is die hem tegen de grond heeft geslagen…”. Het laatste wat je doet is de kont van je vijand kussen. Dat mag duidelijk zijn.
Voor wie het interesseert: ik vind dat iemand als Simon Schoon zich wel heel indringend over de kloof tussen Kerk en Israël heeft geuit – zie hier.

Uitgave: Signatuur – 2010, vertaling Miebeth van Horn, 388 blz., ISBN 978 905 672 329 3, €14,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen