Wij leven in ‘collaptische’ tijden, stelt Wouter van Noort in een prachtig artikel in het NRC van 20.09.26: “… Als het voelt alsof alles aan het verschuiven en kantelen is, komt dat misschien wel omdat dat zo is…”. Wat is een goed en betekenisvol antwoord op een ‘tijd van collapse’? Eigenlijk vindt hij ‘hoop’ te blij voor deze nieuwe fase: “… Hoop is de laatste jaren te veel verzand in ‘hopium’: verdovend, kalmerend, terwijl dat evident niet genoeg was…” (zie de feelgoodliteratuur die rond 2010 aan een enorme opmars begon, zou ik zeggen). Misschien moeten we de pijn aankijken: ‘Staying with the Trouble’. Als we dat aandurven, zijn we mogelijk in staat eroverheen te groeien. Komt er wellicht ruimte voor iets “… symbiotischer, gezelliger en wijzer (…) dan de extractieve en exploitatieve shit van het oude systeem die zo in ons gezicht ontploft de laatste jaren…”. Is het niet net alsof hij de rechterhersenhelftwereld van McGilchrist beschrijft (zie mijn vorige blog)? “… In plaats van voortdurend te denken in termen van transitie naar iets anders – waardoor we maar blijven rennen – zouden we ons moeten afvragen: wat is er al?...”, meent hij. Wat er al is, zijn de (post)moderne klassieken. Daarom lees ik ze zo graag. Misschien zijn daar wel antwoorden te vinden op de vele vragen van nu. “Norwegian Wood” van Haruki Murakami (Kyoto, 1949) is een indringende, melancholieke bildungsroman over romantiek en volwassenheid, over de onmogelijke en dappere liefde van een jongeman. Ter gelegenheid van een drievoudig jubileum (40 jaar “Noruuei no mori”, 20 jaar “Norwegian Wood” en de 50e Nederlandse druk) verschijnt dit vroege hoogtepunt in het oeuvre van Murakami in oktober bij Atlas Contact eenmalig in een gelimiteerde luxe-editie.
Donker
De Britse YouTuber die onder de naam ‘Nick Reads’ een interessant videokanaal beheert — ‘for people who think books still matter’ — vestigde mijn aandacht op “Norwegian Wood”. Het kwam uit in 1987. Er werden maar liefst dertien miljoen exemplaren van verkocht. Het succes was zo groot dat Murakami zich genoodzaakt zag Japan een tijdje te verlaten. Het betekende zijn doorbraak. Best bijzonder, want het boek heeft níéts met de tegenwoordig populaire, manische linkerhersenhelftwereld waarin alles ‘superleuk’ en ‘megaspannend’ moet zijn (zie mijn vorige blog). Eigenlijk is het een nogal ‘traag’ en ‘donker’ boek, waarin veel wordt gerefereerd aan depressie (rechterhersenhelftwereld) en zelfmoord. Tegelijk is het verhaal vaak hilarisch. Misschien werd het destijds meer geaccepteerd dat neerslachtigheid en zwaarmoedigheid eigen zijn aan de puberteit? Zou de hedendaagse problematiek rond het psychische welzijn van jongeren te maken kunnen hebben met de blindheid daarvoor en de vervolgens torenhoge eisen die dat in onze hijgerige prestatiemaatschappij met zich meebrengt (zie “Gij zult gelukkig zijn!” van Pascal Bruckner)? Ik noem maar wat? In ieder geval is de protagonist in “Norwegian Wood”, Toru Watanabe, een eenzame, stille, ernstige, onopvallende en nogal passieve student in Tokio, die het leven maar zo’n beetje over zich heen laat komen (‘Toru’ betekent iets als ‘doorgang’, 'passage': naar de volwassen dimensie?). Hij houdt zich verre van de studentenacties tegen de gevestigde orde die, net als in veel andere landen, eind jaren zestig en begin jaren zeventig — de tijd waarin het verhaal zich afspeelt — losgaan. Laten ze de boel maar afbreken als ze dat willen; hij doet er niet aan mee. Er komt heel veel seks voor in het verhaal, wat helemaal bij de seksuele revolutie van toen past en nu misschien als seksistisch zou worden bestempeld: manosfeer enzo. Gek genoeg wordt het nergens echt plat of vulgair — het is geen Jan Wolkers. “Norwegian Wood” is een realistisch verhaal, in tegenstelling tot het veelvoorkomende surrealisme in de rest van Murakami’s oeuvre (zie mijn bespreking van “De moord op Commendatore – deel 2” en “De stad met de onvaste muren”).
Het Systeem
Misschien zou je kunnen zeggen dat Murakami de linkerhersenhelftwereld (zie mijn vorige blog) aanduidt met ‘het Systeem’. “… Ieder van ons bezit een tastbare, levende ziel. Het systeem heeft zoiets niet. We mogen niet toestaan dat het systeem ons uitbuit…”, aldus Murakami in een speech tijdens het in ontvangst nemen van de Jerusalem Prize in 2009. Zijn toespraak staat bekend als ‘Always on the Side of the Egg’ (Aan de kant van het ei). Murakami gebruikt daarin de metafoor van het breekbare ei tegenover de harde muur, waarbij de muur staat voor ‘het Systeem’. In “Norwegian Wood” gebeurt er niet veel opzienbarends. Wat voor Murakami belangrijk is, zijn de personages: de ‘levende zielen’. Misschien zou je kunnen zeggen dat zij nauwelijks zijn opgewassen tegen ‘het Systeem’.
Een drassig moeras
Het boek speelt zich af in het hoofd van Watanabe. Wanneer hij op zevenendertigjarige leeftijd in een vliegtuig landt op het vliegveld van Hamburg, brengt de zachte achtergrondmuziek – ‘Norwegian Wood’ van The Beatles – hem terug naar het jaar 1969, dat hij zich uitsluitend herinnert als een hopeloos moeras. En daar is alle reden toe: na zijn vriend heeft ook zijn vriendin een einde aan haar leven gemaakt. “...Een drassig moeras dat zo diep en zo zwaar aan mijn schoenen zoog dat ik bij elke stap vreesde ze te verliezen. Ik probeerde uit alle macht vooruit te komen midden in deze drab. Voor me of achter me was niets te zien. Alleen dit donkere moeras strekte zich uit zo ver het oog reikte. Ook de tijd verliep strompelend. Hij hield gelijke tred met mijn stappen. De mensen om me heen gingen wel degelijk vooruit, alleen ik en mijn tijd bleven in dit moeras voortploeteren. De wereld om me heen maakte grote veranderingen door. John Coltrane ging dood, en nog veel meer mensen. Er was een roep om verandering. Die leken vrijwel binnen handbereik. Maar die gebeurtenissen waren niet meer dan een betekenisloze, substantieloze achtergrond. Ik sleet mijn dagen zonder op of om te kijken. Het enige in mijn blikveld was dat oneindig uitgestrekte moeras. Ik zette een stap met mijn rechterbeen, tilde mijn linkerbeen op, dan weer mijn rechterbeen. Zonder enige zekerheid waar ik me bevond en zonder enig vertrouwen dat ik de goede kant op ging. Ik bleef gewoonweg de ene stap na de andere zetten omdat ik toch ergens heen moest...”. In ieder geval kun je zeggen dat Watanabe zijn pijn onder ogen ziet.
De hel
Het genie van Murakami is dat hij heel heldere woorden weet te gebruiken voor een sfeer die bijna niet uit te drukken is: “… De bladeren van de boomtoppen ritselden, in de verte blafte een hond. Het klonk zo ver weg dat het leek alsof het geluid van een ingang tot een andere wereld kwam…”. Naoko, de vriendin van Watanabe, kijkt hem diep in de ogen: “… Alsof ze op zoek is naar de schaduw van een klein visje dat toevallig de bodem van een heldere bron oversteekt…”. En andersom: “… Achter in haar ogen beschreef een zware, zwarte vloeistof vreemd gevormde draaikolken…”. Watanabe herinnert zich hoe ze over een grasveld lopen en Naoko hem een verhaal vertelt over een onzichtbare veldput, waar je zomaar in kunt vallen als je niet op de paden blijft: “… als je vooroverleunde en in het gat keek, kon je niets zien. Het enige wat je kon vaststellen, was dat het angstaanjagend diep was. Zo diep dat je er geen voorstelling van kon maken. Dat gat zat volgepropt met duisternis – zo’n intense duisternis alsof alle soorten duisternis van de wereld samen waren ingekookt…”. Als je erin valt, ben je verloren. Eens in de twee, drie jaar verdwijnt er iemand, en zeggen de mensen: ‘O, die is vast in de veldput gevallen’, aldus Naoko. Niemand kan die put vinden, maar hij moet in de buurt zijn. “… Het is geen kwestie van logica…”. Het verhaal doet me onmiddellijk denken aan Arnold Huijgen, die het in “Inferno” heeft over de moderne installatie ‘Descent into Limbo’ van Anish Kapoor uit 1992: de hel als een peilloos diep gat, dat een oneindige val suggereert in de pure leegte, het absolute nulpunt, of mogelijk zelfs een poort naar een andere dimensie. Het werk bestond nog niet toen Murakami “Norwegian Wood” schreef. Naoko zegt erbij dat ze ‘veel meer in het duister en in de kou en in de war’ is dan Watanabe denkt.
De greep van de dood
Watanabe blijft best wel een vaag figuur, al houd ik onmiddellijk van hem omdat hij steeds boeken leest: Truman Capote, John Updike, Scott Fitzgerald, Raymond Chandler, Joseph Conrad. “… Het kwam weleens voor dat ik al gelukkig werd als ik alleen een boek rook, of het in mijn handen voelde…”. Een jaar na het overlijden van zijn vriend Kizuki komt hij onverwacht Naoko tegen. Het ging om een zelfmoord uit het niets: “… toen de dood op die avond in mei Kizuki op zijn zeventiende greep, had hij tegelijkertijd mij gegrepen…”. Even verder: “… Nu ik erop terugkijk, was het zeker een vreemde tijd. Midden in het leven draaide alles om de dood…”. Watanabe: “… Sindsdien was er een verstijvende, koude lucht tussen mij en de wereld gekropen…”. Op de middelbare school trokken ze constant met z’n drieën op. Naoko was het vriendinnetje van Kizuki. In het begin had ze wel meisjes voor Watanabe uitgenodigd, maar dat werkte niet: “… Zodra er een vierde bij kwam, werd de sfeer ongemakkelijk. Als we met z’n drieën waren, leken we net een talkshow waarin ik de gast was, Kizuki de talentvolle presentator en Naoko de assistente…”. Naoko is een stille, mysterieuze, etherische schoonheid die zo weggelopen kan zijn uit de rechterhersenhelftwereld: “… ‘Ik kan me niet zo goed uitdrukken’, zei Naoko. ‘Dat is al een hele tijd zo. Als ik iets wil zeggen, komen steeds alleen de verkeerde woorden in me op. Of soms het tegenovergestelde. Als ik dat dan probeer te herstellen, wordt het alleen maar erger. Het is net of ik in twee lichamen ben opgesplitst die tikkertje spelen. We rennen elkaar achterna rond een dikke pilaar. De andere ik heeft altijd de goede woorden en deze ik krijg ik nooit te pakken.’…”.
Leidsvrouw
Ze spreken steeds vaker met elkaar af. Naoko lijkt een soort leidsvrouw, achter wie Watanabe urenlang aanloopt: “… Alsof het lopen op zich een soort ritueel was om kwade geesten uit te drijven…”. Ze praten ‘in flarden’, fragmentarisch en van de hak op de tak. Ook Watanabe kan geen woorden vinden voor zijn innerlijke leegte. Hij vertelt haar over zijn veroveringen, die hem niet echt raken: “… Ik denk weleens dat er misschien een harde schil om mijn hart zit en dat daar maar weinig doorheen kan dringen. Wie weet kan ik daarom moeilijk van iemand houden…”. Om haar op te vrolijken, vertelt hij haar gekke verhalen over zijn kamergenoot, die een ‘schoonmaakmanie’ heeft. Daardoor hebben ze de enige kamer op de campus die er picobello uitziet. De kamergenoot vertelt Watanabe wanneer hij naar de kapper moet, zijn neusharen moet knippen en een bad moet nemen als hij begint te stinken. Ze noemen hem ‘de Marinier’.
In een oogwenk heb je ze plat
De enige studiegenoot met wie hij verder nog banden heeft, is Nagasawa, een interessant figuur die zo voor zichzelf gaat dat hij rechtstreeks uit de boeken van Ayn Rand lijkt te zijn weggelopen. Hij leest uit principe alleen romans van schrijvers die minstens dertig jaar dood zijn – Balzac, Dante, Dickens – omdat hij geen tijd wil verspillen aan prullen die de tand des tijds nog niet hebben doorstaan. “... Als je hetzelfde leest als iedereen, dan denk je ook hetzelfde als iedereen. Dat is de wereld van de boeren en het plebs...”. Nagasawa imponeert tegelijk door zijn behulpzame vriendelijkheid en extreme egoïsme. Een heer doet niet waar hij zin in heeft, maar wat hem te doen staat, volgens hem. Hij ziet het bestaan als een ratrace. Hij wil het gevecht met de grote, harde buitenwereld aangaan via een baan bij Buitenlandse Zaken: “... Als ik toch mijn krachten ga meten, wil ik ze beproeven in de grootste arena. Met andere woorden, de overheid. Hoe ver ik kan opklimmen in die idiote bureaucratische organisatie...”. Dat is natuurlijk ook een manier om in het leven te staan. Volgens Watanabe leeft Nagasawa in zijn eigen (linkerhersenhelft-)hel. Hij is rijk en ziet er zo goed uit dat hij elk meisje dat hij wil zijn bed in weet te kletsen (ook al heeft hij een vaste vriendin: Hatsumi). Het gaat hem zo goed af dat het bijna weer vervelend wordt: “... In een oogwenk heb je ze plat...”. Willoos laat Watanabe zich meevoeren in Nagasawa’s vrouwenjacht, zonder er echt van te genieten. Ondertussen vindt hij een baantje in een platenzaak. Murakami was, voordat hij groot werd als schrijver, platenverkoper en uitbater van een eigen jazzbar in Tokio. Zijn enorme deskundigheid op muziekgebied spat van de bladzijden..
Zenuwinzinking
Wanneer zijn kamergenoot Watanabe een potje met een vuurvliegje geeft, laat hij het op het dak van het campusgebouw los: “… Nog lang nadat het vuurvliegje was verdwenen, bleef het spoor van zijn licht op mijn netvlies staan. Dit vage licht danste in de dikke duisternis van mijn gesloten ogen een hele tijd door, als een ziel die zijn doel kwijt is…”. Het beeld is bijna exemplarisch voor zijn relatie met Naoko, die na haar twintigste verjaardag — waarop ze voor het eerst uren achter elkaar praat, aan één stuk door huilt en met hem naar bed gaat — volledig uit zijn leven verdwijnt. Pas na drie maanden krijgt hij een brief waarin ze vertelt dat ze zich heeft laten opnemen in een ‘van de wereld afgesloten plek’ om haar ‘zenuwen tot rust’ te laten komen.
Heen en weer geslingerd
Als Watanabe in zijn eentje in een tentje zit te eten, komt er een vrijgevochten tante naar hem toe, Midori, die hem brutaal om zijn aantekeningen van het vak Theatergeschiedenis vraagt. Wanneer hij ze niet terugkrijgt, zoekt hij haar telefoonnummer op in de studentenadministratie en krijgt hij een boekhandel aan de telefoon. Midori zou je kunnen zien als een meisje dat uit de linkerhersenwereld is ontsnapt, als we in het jargon van McGilchrist blijven. Ze is grappig, uitdagend, vrolijk, bijdehand, wispelturig, down-to-earth, een beetje een tomboy met haar korte haar, en een beetje een trickster met haar gelieg. Ook met haar loopt hij door Tokio. Steeds kreeg ik het gevoel dat er allerlei mythen achter Murakami's verhaal schuilgaan. Alsof hij veel meer bedoelt dan hij schrijft. Als Watanabe op bezoek gaat bij Midori, koopt hij een bosje narcissen voor haar: “… Het was wel vreemd om narcissen te kopen in de herfst, maar ik had van jongs af aan een zwak voor narcissen gehad…”. Of Narcissus? “… In de trein zaten die zondagochtend drie oude vrouwen. Toen ik instapte, keken ze naar mij en mijn bloemen. Een van de drie lachte naar me. Ik lachte terug…”. De drie schikgodinnen? In het vervolg van het boek wordt Watanabe tussen de beide hemisfeervrouwen heen en weer geslingerd.
Wat is ‘normaal’?
Wanneer Naoko vraagt of Watanabe een paar dagen op bezoek komt, vertrekt hij naar de instelling waar ze verblijft, diep in de bergen. Het lijkt alsof hij in een andere wereld terechtkomt. Er is geen radio of tv. De dagen worden doorgebracht met werken op het land en het verzorgen van dieren. Het verschil tussen artsen en patiënten is niet te zien, omdat iedereen er gelijk is. De kliniek heeft nog het meest weg van een zelfvoorzienende commune. Naoko deelt haar appartement met een vrouw van een jaar of veertig, Reiko – want niemand mag in zijn eentje aan zijn lot worden overgelaten. De stelregel is dat iedereen elkaar helpt en alles kan zeggen wat hij of zij op zijn hart heeft, want ‘je hart spuien’ betekent genezing. Heel toepasselijk leest Watanabe in deze ‘tussentijd’ “De Toverberg” van Thomas Mann, dat zich ook in een van de boze buitenwereld afgezonderd sanatorium afspeelt. Voor het eerst hoort hij dat er ‘gekte’ in de familie van Naoko zit: haar zusje heeft ook zelfmoord gepleegd. Reiko, die al zeven jaar op de plek is vastgeroest, vertelt dat ze begon door te draaien toen haar droom om concertpianiste te worden in duigen viel door een verlamming in haar pink. Daarna werd ze ook nog eens beschadigd door een psychopathische leerlinge aan wie ze pianoles gaf. Het is een heel vreemd verhaal over een engelachtig mooi meisje, wier haast beangstigende schoonheid iedereen sprakeloos maakte: “… Als zij tegenover me zat, verdween mijn gezonde oordeel…”. Ze bleek een pathologische leugenaar. Ze verleidde de drieëndertigjarige Reiko zoals de vrouw van Potifar Jozef verleidde, maar deed het voorkomen alsof Reiko háár had aangerand. Ze vertelde overal rond dat Reiko lesbisch was. Edoch: het meisje was pas dertien… Wanneer Watanabe weer terug is in de bewoonde wereld, voelt het alsof hij op ‘een planeet met een afwijkende zwaartekracht’ is terechtgekomen en heeft hij uren nodig om zich weer aan te passen aan alle chaos en het rumoer om zich heen. Steeds is het de vraag wat de ‘normale’ wereld is: de instelling in de bergen of het bestaan in Tokio. Hetzelfde geldt voor mensen: “… ‘Hoe komt het dat je altijd naar dit soort mensen trekt?’ vroeg Naoko. ‘Ik bedoel, mensen als wij, waar een steekje aan loszit, die gestoord zijn, die niet kunnen zwemmen, die geleidelijk aan verdrinken? Ik, Kizuki, Reiko. Waarom trek je niet naar normalere mensen?’ ‘Omdat ik het zo niet zie,’ antwoordde ik na enig nadenken. ‘Ik vind jou en Kizuki en Reiko helemaal niet gestoord. De mensen die ik gestoord vind, lopen allemaal vrolijk buiten rond.’ ‘Maar wíj zijn gestoord hoor. Ik kan het weten,’ zei Naoko…”.
Over verbinding
Hoezeer McGilchrist gelijk heeft als hij zegt dat geluk op de allereerste plaats te maken heeft met warme sociale contacten, laat Murakami ook zien wanneer hij beschrijft hoe Watanabe volkomen vereenzaamt wanneer hij de campus verlaat, omdat hij elders een huisje vindt. Naoko trekt zich steeds meer terug en laat zijn brieven onbeantwoord. Midori weet niet hoe ze tot Watanabe moet doordringen: “… Je lijkt de hele tijd opgesloten te zitten in je eigen wereld, en als ik aanklop – ‘Watanabe, hier ben ik!’ – doe je even één oog open en dan keer je weer terug naar je eigen wereld…”. Ze wil lange tijd niets van hem weten, pissig omdat hij niet genoeg aandacht voor haar heeft. Hij krijgt verontrustende brieven van Reiko waarin ze schrijft dat Naoko stemmen hoort en steeds verder wegzakt. Watanabe's depressie kleurt al zijn waarnemingen. Als hij op zijn veranda zit: “… In het donker leken de kersenbloesems op ontstoken vlees waarvan de bladderende huid was opengesprongen. De geur van dit rottende vlees hing zoet en zwaar in de tuin…”. Hij ‘haat’ de lente. “… Vervolgens had ik drie dagen lang het vreemde gevoel dat ik op de bodem van de oceaan liep. Ik kon nauwelijks verstaan wat mensen tegen me zeiden en als ik zelf iets tegen iemand zei, kon diegene mij ook niet verstaan. Het voelde alsof er om mijn lichaam een vlies geplakt zat waardoor ik niet in contact kon komen met de buitenwereld…”. Even verder: “… Mijn bewustzijn was zo slap en opgezwollen als de wortels van een plant in het donker…”. Als een engel op de achtergrond is daar steeds Reiko. “… Als het donker is om je heen, zit er niets anders op dan een poosje te wachten tot je ogen aan de duisternis zijn gewend…”, schrijft ze. “… Als je niet in een psychiatrische inrichting wilt belanden, open dan je hart een beetje en geef je over aan de stroom…”, schrijft ze. Uiteindelijk moet Naoko worden opgenomen in een regulier ziekenhuis. Een herinnerde uitspraak van Nagasawa maakt dat Watanabe zich bij elkaar raapt: “… Je moet geen medelijden met jezelf hebben. Zelfmedelijden is voor sukkels…”. Wanneer Watanabe ten langen leste bewust besluit voor Midori te kiezen, pleegt Naoko – zonder dat ze daarvan op de hoogte is – zelfmoord: alsof ze voor altijd bij Kizuki wil zijn. Daarna is het wederom Reiko die Watanabe zijn schuldgevoel uit het hoofd praat en terugstuurt naar de wereld van de levenden. In het werk van Murakami zijn vrouwen altijd 'boodschappers'. Ze komen naar de held van het verhaal toe, in plaats van andersom. Reiko waarschuwde Watanabe bijvoorbeeld ook voor 'afstomping' toen ze hoorde over zijn vrouwenjacht met Nagasawe.
Uitgave: Atlas Contact – 2026, vertaling Elbrich Fennema, 320 blz., ISBN 978 902 547 956 5, € 29,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten