Menu

maandag 11 maart 2013

Na dit leven – Eben Alexander


Subtitel: Een neurochirurg over zijn reis naar het hiernamaals

Maandenlang stond “Na dit leven” op de 1ste plaats van The New York Times bestsellerlijst; en geen wonder. Neuroloog Eben Alexander breekt na een ingrijpende bijna-doodervaring (BDE) in dit boek met alle wetenschappelijke taboes rond leven en dood. De meeste filosofen, psychologen en artsen gaan er van uit dat het brein een ingewikkelde machine is die bewustzijn produceert (zie b.v. mijn blog over “Wij zijn ons brein” van prof. Dick Swaab). Trek de stekker eruit en het is gedaan. Alexander hing deze materialistische visie ook aan, tot hij terugkeerde uit een 7 dagen durend coma na een ernstige bacteriële hersenvliesontsteking, waarvan hij menselijkerwijs gesproken onmogelijk had kunnen herstellen.


Leven na de dood
Al vanaf de oudheid zijn er verslagen bekend van BDE’s. Raymond Moody was een van de eersten die in de jaren zeventig van de vorige eeuw de aandacht op zich vestigde door daar over te publiceren. In 2007 haalde cardioloog Pim van Lommel met “Eindeloos bewustzijn” alle bestsellerslijsten, maar zijn boek werd door het merendeel van de wetenschappelijke elite weggezet als fantastische kletskoek. Alexander: “… Afhankelijk van met wie je spreekt is het bewustzijn of het grootste mysterie dat wetenschappelijk moet worden onderzocht of een compleet non-probleem. Het is verbazingwekkend hoeveel wetenschappers vinden dat het ’t laatste is. Voor vele – misschien wel de meeste – wetenschappers is het bewustzijn niet echt de moeite waard om je druk over te maken, omdat het slechts een bijproduct is van fysieke processen. Veel wetenschappers gaan nog verder door te zeggen dat het bewustzijn niet alleen een secundair fenomeen is, maar dat het bovendien niet eens écht is…”. Door het christelijke subdeel van onze natie - waar ik mij tussen bevind – worden BDE’s voornamelijk afgedaan als New Age onzin. Best wel vreemd eigenlijk, want christenen beweren al 2000 jaar precies hetzelfde als Van Lommel en Alexander: God is liefde en er is leven na de dood.
Het bijzondere van prof. Alexander is dat hij 15 jaar les gaf in neurochirurgie voor hem een BDE overkwam en dus als geen ander in staat is te beoordelen of hij van doen had met een fantasie, hallucinatie, droom, psychose, of wat voor buitengewone bewustzijnstoestand dan ook. Volgens Eben Alexander was het dat allemaal niet. Het was ‘echter dan echt’. Vergeleken met wat hij meemaakte lijkt het gewone leven een droom, zegt hij.

Hersenen die niet werken
Als er een mankement optreedt in je hersenen kun je rare dingen gaan zien. Het punt is dat Eben Alexander’s hersenen niet verkeerd werkten; ze werkten helemaal niét. Om het maar eens plastisch uit te drukken: ze zwommen in de pus en werden opgegeten door bacteriën. En als je hersenen niet werken, kun je niet bij bewustzijn zijn. Onder die omstandigheden ervoer hij zijn BDE: “… Die implicaties tarten alle beschrijvingen. Mijn ervaring maakte me duidelijk dat de dood van lichaam en hersenen niet het einde van het bewustzijn betekent, dat de menselijke ervaring over het graf heen gaat…”. Vandaar zijn conclusie dat de hersenen geen bewustzijn veróórzaken, maar ontvángen, en zelfs als een filter werken. Zeg maar als een soort radio. Deze gedachte is niet nieuw voor mij, trouwens; ik kwam ze eerder tegen bij de christelijke Chinese theoloog Watchman Nee (1903-1972) in zijn “De latente kracht van de ziel”.

Met de helft van het alfabet een roman schrijven
Zijn BDE brengt hem niet bepaald in een fijne omgeving. Hij heeft moeite met de omschrijving, noemt het een plek van trillende, kloppende duisternis: “… Op dat moment had ik het misschien ‘oer’ genoemd…”. Hij heeft het over een modderige baarmoeder, griezelige, reptielachtige, wormachtige wezens, angstaanjagend dof gebrul, een soort ritmisch kloppen dat een werkritme werd van een leger trolachtige, ondergrondse arbeiders dat een woeste monotone taak uitvoerde. Het soort dodenrijk zoals beschreven in de Bijbel: een plek waar het vuur niet uitdooft en ‘de worm niet sterft’. Dat het bij BDE’s uitsluitend om positieve ervaringen gaat, is dus beslist niet waar. Alexander noemt het dan ook ‘het Rijk gezien door de ogen van een Regenworm’. Achtereenvolgens begint de duisternis in splinters uiteen te vallen en reist hij door een poort naar een licht waarin hij een wereld gaat verkennen die zo extatisch en prachtig is dat alle superlatieven tekort schieten. Iets wat alle mensen met BDE-ervaringen melden: “… Als deze mensen, net als ik, op het aardse niveau terugkeren, kunnen ze slechts met woorden hun ervaringen en inzichten beschrijven, terwijl ze niet in woorden uit te drukken zijn. Het is alsof je met de helft van het alfabet een roman probeert te schrijven…”.

Liefde
De kennis die hij woordeloos op doet bestaat uit drie delen, vertelt Alexander: “… Je wordt bemind en gekoesterd, innig en voor altijd. Je hebt niets te vrezen. Je kunt niets verkeerd doen. Als ik deze hele boodschap in één zin zou moeten samenvatten, zou ze als volgt luiden: Er wordt van je gehouden. En als ik het nog verder zou moeten inkorten en slechts één woord kon gebruiken, dan zou het (uiteraard) eenvoudig luiden: Liefde. Liefde is, zonder twijfel, de basis van alles. Niet een of ander abstract, moeilijk te bevatten soort liefde, maar het dagelijkse soort dat iedereen kent; het soort liefde dat we voelen als we naar onze partner en kinderen kijken, of zelfs naar onze huisdieren. In de puurste en krachtigste vorm is liefde niet jaloers of egoïstisch, maar onvoorwaardelijk. Dit is de ultieme realiteit, de onbegrijpelijke, glorieuze opperste waarheid die in de kern van alles wat bestaat of ooit zal bestaan leeft en ademt. We krijgen nooit enig idee van wie en wat we zijn als we geen weet hebben van deze liefde en haar in al onze handelingen uitdrukken…”.

Het kwaad
En hoe zit het dan met ‘het kwaad’? Alexander: “… Het kwaad was nodig, want zonder dat zou een vrije wil onmogelijk zijn en zonder vrije wil zou er geen groei zijn; geen voorwaartse beweging, geen kans voor ons om te worden wat God graag wil dat we worden. Afschuwelijk en zo krachtig als het kwaad soms schijnt te zijn in een wereld als de onze, in het grotere geheel voerde liefde overweldigend de boventoon en zou uiteindelijk zegevieren… Als we ervan uitgaan dat het universum een bedoeling heeft (en daar geloof ik heilig in) en als we ons, terwijl we hier zijn, de enorme schoonheid en pracht herinneren van wat ons te wachten staat, dan kunnen we ten overstaan van het kwaad en onrecht op aarde gemakkelijker en uit vrije wil de juiste beslissingen nemen…”. Wel noemt hij de aarde een plek waar het kwaad steeds meer invloed krijgt.

Les
De reden waarom hij zijn boek schrijft: “… De onvoorwaardelijke liefde en acceptatie die ik tijdens mijn reis heb ervaren, is de enige en belangrijkste les die ik ooit heb gedaan, of ooit zal doen. En hoe moeilijk het ook zal zijn om de andere lessen die ik daar geleerd heb te begrijpen, weet ik ook diep in mijn hart dat het verspreiden van deze fundamentele boodschap – die zo eenvoudig is dat de meeste kinderen haar meteen aannemen – de belangrijkste taak is die ik heb…". Dat deed me denken aan een artikel dat ik in het ND van 08.03.13 las over de Britse experimenteel psycholoog Justin Barrett die denkt dat geloven in God is aangeboren: “… Het is niet zo dat het concept God in onze cognitieve systemen is ingeplant, maar eerder dat het concept God naadloos aansluit bij veel van onze intuïtieve neigingen. Zijn bestaan is, zonder dat ons nog iets is aangeleerd, intuïtief aantrekkelijk…”. Dat is een heel ander verhaal dan dat van de evolutionist Richard Dawkins, die zegt dat een kind als een onbeschreven blad ter wereld komt en al jaren roept dat een religieuze opvoeding kindermishandeling is. Misschien is het wel andersom. Ik krijg steeds vaker het idee, dat als wij maar met z’n allen om het hardst roepen dat God niet bestaat, wij er vanzelf in gaan geloven. Mensen willen bevestigd worden; óók in hun ongeloof.

Wetenschap de helft van het verhaal
Alexander: “… De wetenschap waar ik zo’n groot deel van mijn leven aan heb gewijd – is niet in tegenspraak met wat ik daarboven geleerd heb. Maar heel veel mensen geloven dat dat wel het geval is, omdat bepaalde mensen uit de wetenschappelijke wereld, die plechtig beloofd hebben in het materialistische wereldbeeld te geloven, steeds blijven volhouden dat wetenschap en spiritualiteit niet naast elkaar kunnen bestaan. Ze hebben het bij het verkeerde eind…”.
Als je bedenkt dat het heelal bestaat uit 74% donkere energie, 22% donkere materie, en maar 4% gewone, ‘zichtbare’ materie – dan duizelt het je. Wat ‘weten’ wij eigenlijk. Ondanks alles, bijna niets. Eben Alexander: “… Te stellen dat er nog steeds een scheiding is tussen ons huidige wetenschappelijke begrip van het universum en de waarheid zoals ik die zag, is een behoorlijk understatement. Ik houd nog steeds van de natuurwetenschappen en kosmologie, ik vind het nog steeds heerlijk om het enorme en prachtige universum te bestuderen. Alleen heb ik nu een veel uitgebreider idee over wat ‘enorm’ en ‘prachtig’ werkelijk betekenen. Het tastbare deel van het universum lijkt op een stofje in vergelijking met de onzichtbare en spirituele kant. Vroeger zou ik het woord ‘spiritueel’ in een wetenschappelijk gesprek niet in de mond hebben genomen. Nu geloof ik dat we het woord niet meer kunnen weglaten… Het feit dat de wetenschappelijke methode zich in de afgelopen vierhonderd jaar louter heeft gebaseerd op het fysieke domein stelt ons voor een enorm probleem: we zijn het grote mysterie in de Kern van het bestaan, ons bewustzijn, uit het oog verloren. … Omdat we ons in toenemende mate liever bezighielden met de macht van de moderne wetenschap en technologie, blijven velen van ons relatief verstoken van betekenis en vreugde in het leven, en van kennis over hoe onze levens passen in het grote bestaansplan van de eeuwigheid… Een ieder van ons is vertrouwder met bewustzijn dan met wat dan ook, en toch begrijpen we veel meer over de rest van het universum dan over de werking van het bewustzijn… Het is ons ware thuis en denken dat deze fysieke wereld alles is wat ertoe doet, staat gelijk aan jezelf opsluiten in een kleine kast en je voorstellen dat er verder niets buiten die kast bestaat… Als we die herinnering aan onze grotere verbondenheid niet herstellen, evenals die aan de onvoorwaardelijke liefde van onze Schepper, zullen we ons hier op aarde altijd verloren voelen…”.

Naar de kerk
Na zijn BDE-ervaring gaat Alexander met kerst naar een kerk: “… Mijn herinnering aan de tijd dat ik buiten mijn lichaam was geweest, was nog steeds puur en rauw, en overal waar ik hier keek, op deze plek waar ik vroeger niet koud of warm van werd, zag ik nu kunst en hoorde ik muziek die de herinneringen meteen terugbrachten. In de pulserende bastonen van een psalm echode de diepe ellende van het rijk gezien door de ogen van de Regenworm. De gebrandschilderde ramen met daarop wolken en engelen brachten de goddelijke pracht van de Poort bij me boven. Een schilderij van Jezus die het brood brak voor zijn discipelen riep de verbondenheid in de Kern op. Ik huiverde op het moment dat ik me de vreugde van oneindige, onvoorwaardelijke liefde herinnerde die ik had gekend. Eindelijk begreep ik waar religie echt om draaide. Of waar ze althans om zou moeten draaien…”.

Medisch wonder
Het verhaal van Eben Alexander is niet alleen fascinerend vanwege zijn spirituele component, maar ook vanwege de buitengewone ziektegeschiedenis die nauwkeurig uit de doeken wordt gedaan. E. colimeningitus komt in de Verenigde Staten bij volwassenen (Alexander was 54 jaar) minder dan één keer op de tien miljoen infectiegevallen voor en de kans op overlijden is groter dan negentig procent:
“… Medisch gezien was het domweg onmogelijk dat ik volledig was hersteld, een medisch wonder…”.
Met dit verhaal treedt Alexander volledig buiten de platgelopen paadjes: dat is wel even ‘om stil van te worden’…

Uitgave: A.W. Bruna Uitgevers B.V. (Levkoeken) - 2013, 200 blz., ISBN 978 940 050 190 4, €17,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 7 maart 2013

De kinderjaren van Jezus – J.M. Coetzee


De Volkskrant betitelde J.M. Coetzee (Kaapstad, 1940) onlangs als ‘een van ’s werelds grootste levende schrijvers’, en daar ben ik het volkomen mee eens. Van “In ongenade” – zie mijn blog van 03.10.11 – wist ik dat ik even moest doorzetten voor het verhaal me te pakken kreeg. En ja hoor, ook dit keer gebeurde het wonder: het is alsof Coetzee je betovert…
“De kinderjaren van Jezus” begint als een uitermate bevreemdend verhaal, dat nog het meest doet denken aan het ontregelende “De stad der blinden” van José Saramago. Je denkt echt even: waar gáát dit in vredesnaam over. Het verschil is dat het ‘unheimliche’ zich bij Saramago oplost in weerzinwekkende wreedheid en bij Coetzee in een soort van warme, alles-begrijpende barmhartigheid.


Schoongewassen
En tegelijk is dat ook het probleem. Coetzee voert een vluchteling op, Símon, die per boot is aangekomen in een Spaans-talig land, samen met David, een jongetje van vijf zonder ouders, waarover hij zich heeft ontfermd. Hun herinneringen zijn ‘schoongewassen’; ze zijn klaar ‘om een nieuw leven te beginnen’. Símon krijgt onderdak en een baantje als stuwadoor in de haven. Het werk put hem uit: ‘wat is de zin van al dit zwoegen als een lastdier?’ Zijn collega’s snappen niet dat hij er zo over denkt, zijn loyaal, behulpzaam, hardwerkend, maar tegelijk zo ‘bloedeloos’:
“… Iedereen die ik tegenkom is zo fatsoenlijk, zo vriendelijk, zo vol goede bedoelingen. Niemand vloekt of wordt boos. Niemand wordt dronken. Niemand verheft zijn stem…”. Zonder dat het woord religie er aan te pas komt, doen de mensen rond Símon toch wel heel sterk denken aan christenen die zich net zo braaf gedragen als moet volgens hun geloof (wat in het echt helemaal niet voorkomt – volgens mij – maar dat even terzijde). Kortom: ze zijn vooral saai. Geeft Coetzee hier een beschrijving van wat hij ziet als ‘het nieuwe leven’ dat Jezus geeft? Of is het zijn voorstelling van het hiernamaals?

Metaforen en verwijzingen
Over de kinderjaren van Jezus is altijd veel gespeculeerd omdat er bijna niets over in de Bijbel staat. Er is alleen een verhaal over hoe hij als twaalf-jarige de wetgeleerden in de tempel versteld doet staan vanwege zijn wijsheid en inzicht. Zijn openbare optreden begint pas op zijn dertigste als hij door Johannes de Doper wordt gedoopt in de Jordaan.
Gaat dit boek over Jezus? In letterlijke zin met geen woord. Maar de legio metaforen en verwijzingen naar de Bijbel zijn niet van de lucht. Símon wordt verondersteld de vader van David te zijn, maar is dat net zo min als dat Jozef de biologische vader van Jezus was. Hij gaat op zoek naar een moeder voor het jongetje. Hij denkt dat hij intuïtief zal weten wie dat moet worden, en vindt inderdaad een ongetrouwde ‘maagd’ van dertig, die zich met hart en ziel aan David vastklampt, hem vertroetelt als een baby, en verwent tot in de grond. De jongen zegt dat hij ‘geen vrienden heeft’ en ‘geen steen om zijn hoofd op te leggen’. Er wordt heel vaak brood
- de staf des levens - en soms wijn genuttigd (maar Símon heeft liever een sappige biefstuk). Als er op het werk iemand voor ieders ogen geld en een fiets jat, laten ze hem doen, ‘keren ze hem hun wang toe’.
Seks lijkt totaal onbelangrijk: “… Ik weet niet hoe het met jou is…”, zegt Símon tegen de moeder van een vriendje van zijn pleegzoon, “… maar in mij is het verleden niet dood. De details mogen wazig zijn geworden, hoe het leven vroeger was staat me nog heel levendig bij. Mannen en vrouwen, bijvoorbeeld: jij zegt dat je die manier van denken achter je hebt gelaten; maar ik niet. Voor mijn gevoel ben ik nog altijd een man, en jij nog altijd een vrouw…”. Dat doet mij denken aan Galaten 3:28: ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’. De vrouw in het verhaal zegt dan: “… Dat ben ik met je eens. Mannen en vrouwen zijn verschillend. Ze hebben verschillende rollen te vervullen…”.

Welwillendheid
Simon: “… ‘Als ik vragen mag, heb je al je gevoelens voor mannen achter je gelaten?’ ‘Ik voel niet niets,’ antwoordt ze langzaam en zorgvuldig. ‘Integendeel, ik voel welwillendheid, veel welwillendheid. Tegenover zowel jou als je zoon. Warmte en welwillendheid.’ ‘Bedoel je met welwillendheid dat je het goed met ons voor hebt? Ik heb moeite het begrip te doorgronden. Ben je ons goedgezind?’ ‘Ja, precies.’ ‘Welwillendheid, moet ik zeggen, is wat we hier voortdurend tegenkomen. Iedereen wenst ons het beste toe, iedereen is bereid aardig tegen ons te zijn. We worden zonder twijfel meegedragen op een wolk van welwillendheid. Maar het blijft een beetje abstract. Kan welwillendheid behoeften bevredigen? Ligt het niet in onze aard om naar iets tastbaarders te smachten?’ ‘Jij wilt misschien meer dan welwillendheid; maar is wat jij wilt beter dan welwillendheid? Dat is de vraag die je jezelf moet stellen.’…”.
Als Símon weer alleen is met zijn pleegzoon zegt hij: “… ‘Jij en Fidel lijken goed met elkaar te kunnen opschieten.’ ‘Hij is mijn beste vriend.’ ‘Dus Fidel voelt welwillendheid tegenover jou?’ ‘Een heleboel welwillendheid.’ ‘En jij? Voel jij ook welwillendheid?’ De jongen knikt heftig. ‘En ook nog iets anders?’ De jongen kijkt hem niet-begrijpend aan. ‘Nee’. Dus nu hoort hij het ook uit de mond van ‘kinderen en zuigelingen’. Van welwillendheid komen vriendschap en geluk, komen gezellige picknicks in het park of gezellige middagwandelingen in het bos. Terwijl van de liefde, althans van de begeerte in haar meest dringende verschijningsvormen, frustratie en twijfel en hartzeer komen. Zo simpel is het. En wat is hij eigenlijk van plan met Elena, een vrouw die hij nauwelijks kent, de moeder van de nieuwe vriend van het kind? Hoopt hij haar te verleiden, omdat in herinneringen die nog niet geheel voor hem vervlogen zijn elkaar verleiden iets is wat mannen en vrouwen doen? Blijft hij vasthouden aan het primaat van het persoonlijke (begeerte, liefde) boven het universele (welwillendheid, goedgunstigheid)? En waarom stelt hij zichzelf voortdurend vragen in plaats van gewoon te leven, zoals iedereen? Hoort dat allemaal bij een veel te trage overgang van het oude en behaaglijke (het persoonlijke) naar het nieuwe en verwarrende (het universele)? Is de cyclus van zelfondervraging alleen maar een fase in de groei van iedere nieuwkomer, een fase die Alvaro en Ana en Elena inmiddels met succes hebben doorlopen, en zo ja, hoe lang zal het dan nog duren voordat hij als een nieuwe, volmaakte man tevoorschijn komt?...”.

Mij ontbreekt niets
Het nieuwe leven is voor Símon veels te gezapig, te arm aan ups en downs, aan drama en spanning: “… Hij herinnert zich dat hij Alvaro eens heeft gevraagd waarom er nooit nieuws op de radio was. ‘Nieuws waarover?’ informeerde Alvaro. ‘Nieuws over wat er gaande is in de wereld,’ antwoordde hij. ‘O’, zei Alvaro, ‘is er iets gaande?’ Net als eerder was hij geneigd hem van ironie te verdenken. Maar nee, die was er niet. Alvaro doet niet aan ironie. Net zomin als Elena. Elena is een intelligente vrouw, maar ziet geen enkele dubbelheid in de wereld, geen enkel verschil tussen hoe de dingen lijken en hoe de dingen zijn. Een intelligente vrouw en een bewonderenswaardige vrouw bovendien, die met de karigste middelen – naaiwerk, muzieklessen, het huishouden – een nieuw leven heeft opgebouwd, een leven waarvan ze beweert – met recht? – dat er niets aan ontbreekt (Psalm 23:1). Hetzelfde geldt voor Alvaro en de stuwadoors: zij hebben voor zover hij kan ontdekken geen heimelijke verlangens, hunkeren niet naar een ander soort leven. Hij is de enige uitzondering, de ontevredene, het buitenbeentje. Wat mankeert hem?...”.
Elena over zijn eeuwige verlangen: “… Vriendschap op zichzelf is niet goed genoeg voor jou. Als die niet gepaard gaat met stormen van hartstocht ontbreekt er op de een of andere manier iets aan. Mij klinkt dat als een ouderwetse manier van denken in de oren. In de ouderwetse manier van denken ontbreekt er altijd iets, hoeveel je ook hebt. De naam die je aan dit ontbrekende “iets meer” hebt gegeven is hartstocht. Toch durf ik te wedden dat als je morgen alle hartstocht kreeg aangeboden die je wilt – emmers vol hartstocht – je prompt iets nieuws zou vinden om te missen, om te ontberen…”.
Wow: ga daar maar eens even over nadenken.

Anders
David is “anders”. Het wordt nog een hele toestand om hem naar school te krijgen. Rechtbanken, psychologen, en van alles komen er aan te pas. David gedraagt zich onaangepast,zegt rare dingen, is ongedurig, gehoorzaamt niet, zet de hele klas op stelten, en moet naar het speciaal onderwijs. Zijn nieuwe moeder ziet dat niet zitten. Uiteindelijk vlucht Símon met haar, David en een grote herdershond in een auto naar wederom ‘een nieuw leven’.

Verlosser
Wat mij betreft het ontroerendste stuk uit het boek (en waar ik mij natuurlijk helemaal in herken) - over een vriend die Símon een filosofieboek komt brengen, als hij in het ziekenhuis terecht komt: “… Het boek gaat, zoals hij al vreesde, over stoelen en tafels (de stoelheid van stoelen). Hij legt het weg. ‘Het spijt me, dit is niet mijn soort filosofie.’ ‘Wat voor soort filosofie zou je dan willen?’ vraagt Eugenio.
‘Het soort dat je door elkaar schudt. Dat je leven verandert.’ Eugenio kijkt hem niet-begrijpend aan. ‘Is er dan iets mis met je leven?’ vraagt hij. ‘Afgezien van je verwondingen?’ ‘Er ontbreekt iets aan, Eugenio. Ik weet dat dat niet zo zou moeten zijn, maar het is wel zo. Het leven dat ik heb is voor mij niet genoeg. Ik zou willen dat iemand, een of andere verlosser, uit de hemel neerdaalde en met een toverstokje zwaaide en zei:
Zie, lees dit boek en al je vragen zullen beantwoord worden. Of: Zie, hier is een heel nieuw leven voor je. Jij begrijpt dit soort praatjes niet, hè?’ ‘Nee, ik kan niet beweren van wel.’ ‘Laat maar. Het is maar een voorbijgaande bui. Morgen ben ik weer de oude.’…”.
Laten die verlosser en dat boek, de Bijbel, zich nu in het christendom presenteren. Ineens wordt het iets duidelijker wat de naam van Jezus in de titel doet…
Christelijker kan een onchristelijke roman toch niet zijn?

Waar het om gaat
Dit is precies het verhaal over waar het in alle religies om gaat, volgens godsdienstwetenschapper Karen Armstrong (zie mijn blog van 06.11.12): de bekering van "egoisme" naar "altruisme". Ons oude reptielenbrein is nog steeds gefocust op de 4V's: vechten, vluchten, voortplanten, voeding ('vreten' hoort het natuurlijk te zijn - maar dat staat zo onbeschoft). In de loop der tijd heeft zich in onze neo-cortex echter een nieuw hersengebied gevormd waardoor wij het vermogen hebben keuzes te maken en compassie te ontwikkelen. Volgens haar stimuleren alle godsdiensten ons dat te doen.
Of dat zijn bedoeling is weet ik niet, maar als geen ander laat Coetzee zien hoe het werkt.

Uitgave: Cossee - 2013, 320 blz., ISBN 978 905 936 388 5, €19,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 5 maart 2013

Nachtzwemmen – Lucy Clarke


Zo, tijd voor wat luchtigers (alhoewel…): een ongecompliceerde debuutroman rond een gecompliceerd familiedrama.
“Nachtzwemmen” gaat over backpacken - schrijfster Lucy Clarke (1980; studeerde Engelse literatuur) reist zelf veel - , over jonge mensen, over liefde, over tragiek en over heel veel dood. Bijna teveel voor een mensenleven, zou je denken, maar gek genoeg blijft het allemaal zo behapbaar dat het boek, inclusief de verslavende cliffhangers aan het eind van elk kort hoofdstuk, nog het meest aan “Goede Tijden, Slechte Tijden” doet denken.


Zussen
Katie en Mia: verschillender zussen kun je je niet voorstellen. Katie, de oudste, de verantwoordelijke, blond, mooi, sociaal, evenwichtig, heeft een goede baan bij een wervingskantoor en staat op het punt van trouwen. Mia, donker, impulsief, driftig, een ego-tripper, een moeilijke prater, heeft elke maand een ander baantje, slijt haar tijd met wandelen door parken alsof ze er van droomt ergens anders te zijn, en vrijt ook nog eens met ongeveer iedereen behalve met haar enige vaste, in stilte hunkerende vriendje, die ze al vanaf haar elfde kent. Als hun moeder rond haar vijftigste overlijdt aan kanker haalt Katie haar zusje over om van de kleine erfenis samen een appartement in Londen te kopen. Het is duidelijk dat Mia doodongelukkig is in de stad. Als ze aankondigt dat ze een wereldreis gaat maken is Katie ergens wel opgelucht.

Vechters springen niet
Tot na een half jaar de politie op de stoep staat met het bericht dat Mia zelfmoord heeft gepleegd door van een klif te springen. Op Bali: waar ze helemaal niet hoort te zijn.
Haar verloofde: “ … legde zijn handen op haar schouders. ‘Je zult je hier doorheen slaan, Katie.’ Maar hoe kon hij dat weten? Ze had hem niets verteld over de vreselijke ruzie die ze met Mia had gehad. Ze had hem niet verteld over de hatelijke, beschamende dingen die ze had gezegd. Ze had hem niets verteld over de woede en de pijn die al maanden tussen hen etterden. Ze had gezwegen omdat er in de relatie tussen twee zussen stromingen zijn die zo duister zijn en zo diep gaan dat mensen die aan het oppervlak zwemmen er maar beter nooit achter kunnen komen wat zich onder hen afspeelt…”. Voilà.
Ze leest van alles op internet over zelfmoord en weet één ding zeker: “… Mia zou nooit gesprongen zijn. Ze kon inderdaad onvoorspelbaar zijn en bruisende, roekeloze pieken abrupt afwisselen met verpletterende neerslachtige dalen, en soms leek ze dingen zo sterk te voelen dat het net was alsof ze een te dunne huid had, maar ze was ook extreem dapper. Ze was een vechter, en vechters springen niet…”.

Niets is wat het lijkt
Tussen de teruggestuurde spullen van Mia vindt Katie een reisdagboek, dat haar zusje nauwgezet en consequent blijkt te hebben bijgehouden. Dan komt bij Katie het plan op om aan de hand van dat dagboek Mia’s route na te reizen, wat haar misschien een beter begrip van Mia en haar omstandigheden zal geven. Ze zegt haar baan op en begint aan een eenzame zoektocht naar wat vooral diep zelfinzicht en harde waarheid op zal gaan leveren. Niets is wat het lijkt; alles brengt haar in verwarring.
Tijdens de reis duikt een gezamenlijke vriend op – waarover ik het volgende stukje wel tekenend vind voor de essentie van het verhaal: “… ‘Finn,’ zei ze langzaam, terwijl ze rechtop ging zitten. ‘Waarom ben je werkelijk hier?’ Hij pakte een steen, draaide die tussen zijn vingers en zei: ‘Het was moeilijk om weer in Cornwall te zijn. Ik had het gevoel dat ik… van alles verwijderd was. Het was alsof ik op Bali moest zijn, om te zijn waar het is gebeurd om het echt te laten lijken.’ Ze knikte. ‘Ik had hetzelfde.’ ‘Echt?’ ‘Het was zo onwerkelijk toen de politie het me vertelde. Ik denk dat ik het niet echt geloofde. Maar het hielp wel toen ik het stoffelijk overschot zag. Ik moest er zeker van zijn.’ ‘Dat moet heel moeilijk zijn geweest.’ Ze knikte. ‘Toen je een paar weken geleden belde en vertelde dat je hier was, besefte ik hoe belangrijk het was dat ik ook naar Bali zou gaan. Waar je mee bezig bent – deze tocht, naar dezelfde plaatsen gaan als Mia – dat begrijp ik heel goed.’ ‘Echt? Soms vraag ik me af of ik het zelf wel begrijp.’ ‘Je zoekt antwoorden. Dat snap ik.’ ‘Is dat zo? Of ben ik gewoon op de vlucht?’ Ze keek naar haar handen. ‘Katie?’ ‘Misschien draaide deze reis nooit om Mia. Misschien heb ik dat gewoon aangegrepen als excuus om mijn eigen bestaan te ontvluchten.’ Ze dacht aan Ed (haar verloofde), haar baan, haar appartement. Die miste ze geen van drieën. Wat zei dat over het leven dat ze achter zich had gelaten? ‘Het is niet erg om hier ook voor jezelf te zijn. Het hoeft niet alleen om Mia te gaan.’…”.

Geen “Baywatch”
Deze psychologische roman wordt in wisselende hoofdstukken vanuit het perspectief van Mia en Katie gepresenteerd, en springt van heden naar verleden, wat de spanning er flink inhoudt.
Ontmoetingen met een in de opvoeding door afwezigheid schitterende vader onthullen langzaam maar zeker steeds wat meer over de familieachtergrond, waardoor de meiden leren begrijpen wie ze zijn.
En verder altijd weer over de liefde: ze rotzooien met elkaars vriendjes, ze zijn jaloers, maar leren uiteindelijk wel door schade en schande wat echt houden-van is. Mia krijgt een emotionele band met een man die eveneens verwikkeld is in een moeilijke gezinsverhouding. Er worden grote offers gebracht. Enzovoort, enzoverder. Meer vertel ik niet – want ik kan moeilijk de clou van het verhaal gaan verraden. Wel wil ik nog even kwijt dat alles zich afspeelt tegen de achtergrond van de zee en de surfwereld. Mia geeft haar geliefde het ontroerende "De oude man en de zee" van Ernest Hemingway (1899-1961), wat voor mij het verhaal natuurlijk helemaal goed maakt.
Kortom, veel uiterst romantisch lief en leed en wat je noemt: ‘ontsnappingsliteratuur’ van de bovenste plank – maar ook weer geen “Baywatch”. Daar is “Nachtzwemmen” toch net iets te serieus voor, met verrassende zinnen als:
* - “… Mia aan iets binden, was zoiets als een lint vastprikken op de wind…”,
* - “… ‘Je past wel goed op haar, hè?’ ‘Dat is net zoiets als aan een goudvis vragen om op een piranha te passen, en dat weet je best.’…”,
* - “… Het was alsof ze Mia’s borst openbrak, de botten en het vlees openklapte en recht in haar hart keek…”,
* - “… ‘Ik ben net zo bereisd als een papieren vliegtuigje…”,
* - En een moeder die informeert naar een kater: “…’Hoe is het met je hoofd?’… ‘Zit er nog op.’…”.


Uitgave: A.W. Bruna Fictie - 2013, 320 blz., ISBN 978 940 050 159 1, €15
Rechtstreeks bestellen: klik hier