Menu

dinsdag 18 december 2018

Winter – Ali Smith


“Winter” is het tweede boek uit Ali Smiths seizoencyclus. Eerder besprak ik de Man Booker Prize-favoriet “Herfst”- zie hier. “Winter” is een kerstverhaal: vier mensen – twee oude zussen, een zoon van een van hen plus een buitenstaander – vieren samen kerst in een kast van een huis in Cornwall, ook al zijn ze eigenlijk vreemden voor elkaar. “Winter” is geen vervolg op “Herfst”, maar heeft wel vergelijkbare thema’s: herinneringen, kunst, politiek, liefde. Het boek is ook een stuk ingewikkelder dan “Herfst”, en toegegeven, je moet er van houden omdat het toch echt wel experimenteel proza is wat Smith ons voorschotelt. Maar dat doe ik. Enorm. Smith laat zien hoe wij ‘anders’ naar ons post thruth-tijdperk kunnen kijken. Ze doet dat op een enorm welwillende, vrolijke, zachte manier. Voor mij heeft ze iets van de wijze oermoeder, zoals bijvoorbeeld Marilynne Robinson dat ook heeft, die niet aarzelt het fenomeen ‘kwantumverstrengeling’ op te voeren, waardoor ‘de oude rituelen van oorzaak en gevolg verschrikkelijk inefficiënt blijken, Einsteins universum mechanistisch en dat van Newton het werk van een prutser’. We weten van alles over ons fysieke brein, maar niets over onze geest. Alsof we een radio uit elkaar halen om te kijken waar de muziek zit. Waar blijft ons ‘gezonde verstand’ als we nadenken over de ‘snaartheorie’ die zeven, nooit waargenomen, dimensies toevoegt aan de ons bekende vier? Kijk, dat vind ik nu opwindende taal. Wat weten we nu helemaal? Wat weten we over ons 'zelf'? Wat weten we over wat we ooit 'zijn zullen' (Romeinen 8)? Dit soort teksten stemmen mij oneindig hoop- en verwachtingsvol.

That reservoir of goodness

Omdat “Winter” een boek is dat zich als het ware ‘ontvouwt’ in plaats van dat het van oorzaak naar gevolg hobbelt, kan ik het eigenlijk net zo goed van achteren naar voren bespreken. Temeer ook, omdat ik het naar het einde toe steeds mooier begon te vinden. Of moest ik gewoon wennen aan de cryptische Smith en begreep ik haar gaandeweg beter? Marilynne Robinson gelooft in een ‘zelf’, een individuele ‘kern’ dan wel ‘ziel’ of ‘geest’, welke naam je er dan ook aan geeft, die moderne neurowetenschappers ontkennen (zie “Wij zijn ons brein” van Dick Swaab). Ik geloof ook in iets als de ziel. Ik denk dat daar de verbinding met het goddelijke plaatsvindt. Marilynne Robinson heeft het zelfs ergens over ‘that reservoir of goodness’, of in christelijke termen ‘genade’. Dat is de essentie van kerst, dat is de oorsprong van het ‘licht’ waar met kerst alles toch eigenlijk om draait. Ik weet niet of Ali Smith gelooft in ‘genade’ of ‘God’. Ze heeft het er nergens over. Toch schrijft ze over de ‘ziel’ die ze naar voren haalt in bestaande kunst. Het gekke is, dat ik de ‘ziel’ ook veel meer ontmoet heb in kunst, dan in de kerk. Zie alleen al het indirecte licht van Caravaggio, waar momenteel een immens populaire tentoonstelling van te zien is in het Centraal Museum van Utrecht. En zijn leerling Rembrandt. Je kunt de ziel niet zien. En daarom bestaat die niet – volgens materialisten. Toch laat Ali Smith een wonderlijk meisje in haar boek zeggen: “… waar zouden we zijn zonder ons vermogen verder te kijken dan we geacht worden te zien…”. Ze heet Lux, licht, een drop-out, die Art heeft ingehuurd om hem met kerst te vergezellen naar zijn moeder, omdat hij niet wil weten dat hij ruzie heeft met zijn echte vriendin. Hij heeft Lux opgepikt bij een bushalte waar ze zat te lezen. Ze heeft iets van een ongrijpbare engel, die de dingen goed komt maken - evenals het baby-meisje in “Kind uit Nergensland” uit mijn vorige verhaal. Jezusfiguren die helemaal bij kerst passen. Ze vindt dat Art een ‘schone geest’ heeft. Voor haar is het bestaan van een ‘geest’ geen vraag: “… Alles wat leeft heeft een geest, zegt ze. Zonder geest zijn we niets dan vlees. En dingen als, zeg maar, vliegen en bromvliegen, zegt hij. Hebben die een geest? Want als ik een geest heb, zal ik je vertellen. Dan is die niet schoon, die is klein, en rot, en ongeveer het formaat van een bromvlieg. Het formaat van de geest van een bromvlieg, zegt ze. Glanzend als een pantser. Heb je ooit gezien hoe vastbesloten een bromvlieg kan zijn als hij door het glas van een raam wil?...”.

Geest en materie

In het verhaal gaat het onder andere over de kunst van Barbara Hepworth en de gaten die ze maakt in haar sculpturen. Een ‘inner circle’ die je ook als de ziel annex geest zou kunnen zien. Een grote steen waarin een kleinere steen past als een koppeling van moeder en kind. Ik heb de ziel altijd als een soort gouden bal gezien, een zon, die tegen je middenrif danst. Het centrum van je lijf en misschien ook wel je leven. Ik heb me vaak afgevraagd of dat een soort van typisch vrouwelijke mystiek is; een equivalent voor de baarmoeder. Maria en het kindje Jezus. Maar ik kom het ook in het werk van mannen tegen, zie bijvoorbeeld de rol van de cirkel in “De christus van Elqui” van Hernán Rivera Letelier. Een fragment waarin Smith de cirkel eveneens met God verbindt: “… Ken je dat verhaal, zegt ze, over de briljante kunstenaar en koning, en de koning stuurt zijn mensen naar de kunstenaar om hem opdracht te geven het volmaakte kunstwerk voor hem te maken, en de kunstenaar tekent een cirkel, alleen een cirkel, niets anders en geeft die aan hen en zegt geef dit van mij aan jullie koning? Dat is een oud verhaal over een kunstenaar die Giotto heet, zegt hij in haar oor. Nee, ik zei niet God, ik zei Giotto. Dat weet ik, zegt ze. Ik bedoel ik weet dat je het niet over God had...”. Het ontroerende is dat iemand mij laatst, toen ik het verhaal over Giotto nog niet kende, wees op het werk van Gisèle d’Ailly, waarover pas een boek is verschenen: “De eeuw van Gisèle”. In een documentaire in “Het uur van de Wolf” vertelt ze ook hoe in een klooster in Griekenland 'de cirkel in haar wakker werd'. Ze heeft het over cirkels die ze als ‘trommels’ ziet. Ik bedacht dat, volgens veel verhalen, in de tropen trommels vaak worden gebruikt om het goddelijke op te roepen. Art in het verhaal weet “… dat geest en materie mysterieus zijn en, als ze samenkomen, abondant…”. Smith speelt met woorden.

God is dood
Terug naar start. “Winter” begint met de indrukwekkende mededeling dat alles ‘dood’ is: “… God was dood: dat om te beginnen. En romantiek was dood. Ridderlijk was dood. Poëzie, proza, schilderkunst, ze waren allemaal dood, en kunst was dood. Theater en film waren allebei dood. Literatuur was dood. Het boek was dood. Modernisme, postmodernisme, realisme en surrealisme waren allemaal dood. Jazz was dood, popmuziek, disco, rap, klassieke muziek, dood. Cultuur was dood. Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood. Geschiedenis was dood. Politiek was dood. Democratie was dood. Communisme, fascisme, neoliberalisme, kapitalisme, allemaal dood, en marxisme, dood, feminisme, ook dood. Godsdienst was dood. Nadenken was dood. Hoop was dood. Waarheid en fictie waren allebei dood. De media waren dood. Het internet was dood. Twitter, Instagram, Facebook, Google, dood. De liefde was dood. De dood was dood. Een heleboel dingen waren dood. Maar sommige waren niet, of nog niet, dood. Het leven was nog niet dood. Revolutie was niet dood. Rassenongelijkheid was niet dood. Haat was niet dood. Maar de computer? Dood. Tv? Dood. Radio? Dood. Mobieltjes waren dood. E-readers waren dood. Huwelijken waren dood, sekslevens waren dood, conversatie was dood. Bladeren waren dood. Bloemen waren dood, dood in hun water…”. Welkom op “… een vrolijke zonnige, post-millenniumwisseling-broeikaseffectochtend de dag voor Kerstmis (Kerstmis, ook dood)…”. En in een verhaal dat “… over echte dingen gaat die echt gebeuren in de echte wereld met echte mensen in de echte tijd op de echte aarde (jaja, de aarde, ook dood)…”. Kijk, dát is schrijven! Het doet me denken aan de postmoderne wetenschapsjournalist John Horgan en zijn interessante studie "Het einde van de wetenschap: Over de grenzen van onze kennis". Alweer uit 1997.

Art in Nature
Later blijkt dat een jongeman, Arthur oftewel Art genaamd, op een aftandse pc in een openbare ruimte in Londen willekeurige woorden in zit te typen op Google om te kijken of er automatisch het woord ‘dood’ achter verschijnt, wat vaak het geval is. Ook met zijn eigen naam: Art is dead. Er staat een ongeduldige rij wachtenden achter hem, maar dat interesseert hem geen bal. Zijn eigen laptop is naar de mallemoer, kapot gesmeten door zijn vriendin voor ze wegliep na een hevige ruzie. Via zijn mobieltje komt hij er achter dat ze in zijn naam nepberichten vol flagrante leugens op internet zet om hem te pesten. Hij beheert een natuurblog (waarvoor hij alle informatie van internet plukt – hij ziet zelf nooit een stukje echte natuur): “… De antwoorden schuimen al binnen als slecht getapt bier. Woede en sarcasme en haat en spot…”. Gelukkig doorziet zelfs zijn bejaarde tante Iris dat hij gefaked wordt, maakt hij op uit haar tweet: “… vertel uit eign ervaring: zijn wij overgeleverd aan techno of techno aan ons?...”. En dan is dakloze Lux daar dus, die wil weten hoe zijn vriendin was, als ze voor duizend pond er mee instemt als haar stand-in te functioneren. “… Lastig, die Charlotte van je? Zegt ze. Beetje overgevoelig? Een nagel aan mijn dooskist, zegt hij…”. Lux: “… Waarom zou je je familie niet gewoon de waarheid vertellen, dat zij een nagel aan je kruis is… Doodskist, zegt hij…”. Haha. Zijn Charlotte: “… Charlotte, slim. Charlotte, stom. Charlotte, aardig… “. En dan: “… Charlotte, mooi. Mooier dan wie ook. Met meer gevoel en begrip dan iemand die hij ooit…”. Dat wordt natuurlijk een knettergek verhaal.

Eigenste kerstkindje

Even overschakelen naar zijn moeder, Sofia Cleves, een oudere vrouw die alles niet meer zo op een rijtje heeft, want ze ziet een vrolijk en beleefd kinderhoofd dat haar overal vergezelt: “… geestig, zoals Duchamp die de Mona Lisa een snor had gegeven; zelfs een beetje als een tafelstilleven van Cézanne, die ze aan de ene kant altijd verwarrend had gevonden en aan de andere kant verfrissend omdat hij onthult, al is het moeilijk te geloven, dat dingen als appels en sinaasappels ook blauw en paars kunnen zijn, kleuren waarvan je nooit had gedacht dat die erin zaten…”. Haar eigenste kerstkindje. Even verder over de Mona Lisa: “… De meesten stonden er met hun rug naartoe omdat ze foto’s maakten van zichzelf met haar; tegenwoordig glimlachte het oude schilderij op zijn superieure manier naar de rug van mensen, mensen die hun telefoon boven hun hoofd in de lucht hielden. Ze zagen eruit of ze een groet brachten. Maar een groet aan wat? De ruimte voor een schilderij waar mensen staan zonder ernaar te kijken? Zichzelf?...”. Ze is er al voor naar een opticien geweest. Als Art met Lux arriveert bij haar woning in the middle of nowhere vinden ze haar met dikke buitenkleding aan in de veel te warm gestookte keuken. Ze heeft het koud zegt ze. Ze is ook veel te mager omdat ze niets eet. Lux krijgt het voor elkaar haar wat lagen kleding uit te laten uittrekken. Er is nergens eten te vinden in huis. Ze moeten iemand bellen vindt Lux. Buiten de dokter kan Art niemand anders verzinnen dan de oude tante waarmee zijn moeder al dertig jaar in onmin leeft: Iris. En die komt midden in de nacht aanzetten met tassen vol boodschappen. De volgende dag, eerste kerstdag, maken de oude dames op een spectaculaire manier ruzie aan de feestdis - op een gegeven moment draait zijn moeder zich zelfs demonstratief om met haar gezicht naar de muur - terwijl Art en Lux hun best doen de gemoederen te sussen. Hun leven lang zijn ze tegengestelde persoonlijkheden geweest. Zo conservatief als de moeder van Art, zo progressief is zijn hilarische tante. Opa heeft de laatste zelfs als puber uit huis gezet vanwege haar provocerende manier van doen. Haar hele leven was en is één grote, dramatische protestdemonstratie: ban de bom, dierenleed, plastic soep. Dat soort dingen. Het huis waar ze zijn blijkt Iris te kennen omdat ze het ooit met een man of vijftien gekraakt heeft.

Balans

Hoe langer je over het verhaal doordenkt hoe meer analogieën je ziet met het klassieke kerstverhaal. Het denkbeeldige kinderhoofdje verandert langzaam in de cirkel zoals uitgebeeld in de stenen van Barbara Hepworth, zodat er een link ligt met het kindje Jezus dat gelovige Christenen in hun hart zeer nabij achten. Art ziet en droomt trouwens ook van alles. Herhaaldelijk klinkt de vraag wat Freud er van zou zeggen. De moeder van Art vertelt midden in de nacht aan Lux, als ze allebei niet kunnen slapen over de vader van Art, die zich over haar ontfermd heeft als een soort Jozef toen zij op het punt stond een alleenstaande moeder te worden. Dus is hij helemaal niet zijn echte vader: “… Het is ook belangrijk in het leven sommige dingen voor je te houden, zei Sofia. En Arthur was mijn zaak. Van niemand anders…”. Art vertelt dat hij zijn vader maar twee keer in zijn leven heeft gezien. Zoals veel gelovigen God ook beschouwen als hun Vader, terwijl ze Hem eigenlijk zelden ervaren. Lux slaapt in de schuur. Voor haar is geen plaats in de herberg. Eigenlijk is ze een (Kroatische) vluchteling. Net zoals Jezus die met zijn ouders naar Egypte vluchtte om aan de moordpartij van Herodus te ontkomen. Alles wordt weer gelinkt aan de vluchtelingen van nu. Misschien zullen juist zij, in het kielzog van Jezus en Lux, uiteindelijk de wereld redden? Het gaat over een crowdfundingsactie waarbij mensen duizenden ponden hebben ingezameld om een boot te financieren die kan worden ingezet tegen de reddingsboten die vanuit het Italiaanse vasteland vluchtelingen op zee helpen die in de problemen komen. Verlaten mensen voor de lol hun huis? Het gaat over de vrienden van Iris die de wereld willen behoeden voor de ondergang – net zoals de Messias. Allerlei kerstverhalen komen voorbij, waarbij ik er vast wel wat heb gemist, omdat ik niet zo erg op de hoogte ben van de Engelse literatuur. Dickens, Keats, Garner, Shakespeare. Cymbeline, het toneelstuk waarin iedereen doet of hij iemand of iets anders is. Net internet. Net henzelf. Op tweede kerstdag komt er een bus met vogelaars langs die op zoek zijn naar de Canadese zanger, die ergens in de buurt gespot moet zijn volgens een fakebericht van de ex van Art. En het verontrustende is: er is nóg een bus onderweg. Zie de Wijzen uit het Oosten. Als Art de waarheid opbiecht, zegt de groepsleider dat het er niet toe doet, dat de busreis een leuk verzetje is met kerst: iedereen viert kerst, ook al gelooft niemand meer. Ondertussen verkoopt Lux de inboedel van de vintagewinkel die zijn moeder ooit dreef, en die staat opgeslagen in de schuur: het consumentisme. Niet alleen de kunst, ook de politieke actualiteit is volop aanwezig: de Brexit, graatmagere fotomodellen, de brand in de Grenfel Tower. De kerstboodschap van Smith: als kunst en politiek met elkaar in samenspraak gaan is er hoop. Volgt er bezinning. Kijk naar het geharrewar van de zussen. Uiteindelijk zingen ze samen een tweestemmig lied. De mens zal altijd komen bovendrijven. En, zoals in Cymbeline, elke chaos streeft naar balans.

Uitgave: Prometheus – 2018, vertaling Karina van Santen & Martine Vosmaer, 308 blz., ISBN 978 904 463 795 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 15 december 2018

Kind uit Nergensland – Floor Koomen


Subtitel: Een kerstverhaal maar dan anders

Iemand nog een kerstverhaal nodig? Ik hoef geen kerstverhaal voor te lezen, maar als ik dat wel moest, dan wist ik het wel. Ik kende Floor Koomen (Amsterdam, 1963, documentairemaker, formatontwikkelaar, docent media en adviseur Afrika bij diverse media en goede doelen) al van zijn debuut “Soms in Afrika”. Hij schrijft snel, trendy en ook wat sarcastisch en bijterig. Ik houd wel van een beetje rauw...

Broodschrijver

De, na een twintig jaar treurig huwelijk gescheiden vijftiger Rolf van den Brandt, zit in zijn dooie eentje drie hoog achter, een kerstverhaal te schrijven. Kerst: “… God, wat zie ik hier tegenop. De eenzaamheid, dat zoete sentiment, de flauwe films op tv, de romantische verlichting in de binnenstad en die ontheemde Roemeen die, in de natte kou, tussen de Blokker en de H&M Jingle Bells zit te pielen op z’n accordeon. Ik haat het…”. Zijn uitgever, Gijshard - en ik weet toevallig dat deze in het echt Gerhard heet, haha - heeft hem opgebeld met de vraag of hij een klassieke kerstnovelle in de pen heeft zitten. Getverderrie. Maar: brood op de plank. Drie pakjes Marlboro, fles goedkope whisky, paar stazakken soep, twee Unox rookworsten en een halve krat pils. Van den Brandt is er helemaal klaar voor. Terwijl hij de duffe kerstfeesten uit zijn verleden overdenkt herinnert hij zich er eentje die er tussenuit sprong. Ooit werd hij als tweedejaars aan de Toneelschool in Amsterdam ontslagen vanwege onbeheersbaar drugsgebruik. Daarop besloot hij te gaan backpacken: “… Mezelf zoeken. In India. Natuurlijk. Want daar is waar ‘mezelf’ in de jaren ’70 en ’80 volgens velen verbleef. Het bleek nutteloos. Ik heb mezelf nog steeds niet gevonden. Het hoeft ook niet meer. Want wat ik van mezelf weet, is nogal onaangenaam…”. Omdat de grens tussen Iran en Afghanistan indertijd dicht was besloot hij naar Israël af te zakken. Daar maakte hij een levensveranderend avontuur mee, dat hij als kerstverhaal op gaat dissen.

Vragen, vragen
Die Chanoeka en Kerst is Van den Brandt in Jeruzalem. “… Ik ben niet christelijk opgevoed, heb geen last van zondagschoolgedoe of uitleggerige dominees en heb dus geen Maarten ’t Hart- of Jan Cremerachtig gereformeerd trauma. Ik vind dus, nu ik hier toch ben, dat ik moet openstaan voor het kerstgebeuren…”. Voor het eerst leest hij aandachtig het Nieuwe Testament. Dan komt hij op het idee van Jeruzalem naar Bethlehem te reizen. Lopend. Net als Jozef en Maria. Een wandeling van zo’n 25 kilometer. Van Nazareth naar Bethlehem was trouwens wel even een ander verhaal. Een dikke 200 kilometer. Door de hitte. Door de woestijn. Zij hoogzwanger. De spanning die er moet hebben geheerst tussen die twee: “… Jozef worstelt met de vraag: ‘Hoe is mijn vrouw in Godsnaam zwanger geraakt? Dat verhaal over die engel en een heilige geest blijft lastig’. Maria moet zich ook opgelaten hebben gevoeld: ‘Wat moet Jo wel niet denken? Gelooft hij wel echt dat ik geen seks heb gehad met een man? En was het wel echt een gezant van God?’…”. In een krantenartikel over de feiten rond de geboorte van Jezus las ik vanmorgen trouwens dat veel deskundigen denken dat Jezus helemaal niet in Bethlehem geboren is. Hij wordt niet voor niets ‘Jezus van Nazareth’ genoemd. Historicus Fik Meijer denkt dat de wat al te enthousiaste pleitbezorger van de blijde boodschap, Lucas, de volkstelling als motief gebruikte om Jezus, oneerbiedig gezegd, naar Bethlehem in Judea te krijgen. Jezus was immers een nazaat van koning David, en David kwam uit Bethlehem. Sommige tijdgenoten herkennen Hem dan ook niet als Messias volgens een passage in Johannes 7, want ‘de Messias kwam toch niet uit Galilea?’. Ze zagen hem dus als Galileeër. Onder Augustus zou er ook nooit een census hebben plaatsgevonden. Bovendien is het niet logisch dat een Romeinse keizer opdracht gaf om af te reizen naar de plaats waar vele jaren eerder een grootvader geboren was. Die reis zou talloze inwoners weken tot maanden hebben gekost en de economie daardoor hevig ontwrichten. Onder stadhouder Quirinius heeft echter wel een volkregistratie plaatsgevonden. Hij moest orde op zaken gaan stellen omdat zijn voorganger Herodus Archelaüs, de zoon van Herodus de Grote, bij zijn dood een grote bende had nagelaten. Dat betekende: mensen en bezittingen tellen en daar belasting over heffen. Alleen klopt de datering dan weer niet. Jezus werd volgens de evangelist Mattheüs toch echt ten tijde van Herodus de Grote geboren, dus zo’n elf jaar voor de volkstelling van Quirinius (ND; 15.12.2018). Vragen, vragen. De meeste geleerden denken dat Lucas zich heeft vergist.

Het Jeruzalemsyndroom

In ieder geval ontpopt Van den Brandt zich als pelgrim: “… Pelgrims heb je dus in allerlei soorten en ondersoorten, die zich weten aangetrokken tot de ‘heilige’ stad Jeruzalem – van de katholieke nonnetjes tot de übervrome en fanatieke evangelicalen, en van gestoorde nephogepriesters en koningen David tot oude Duitse vrouwen die de terugkomst van Jezus verwachten en de hele dag aan de voet van de Olijfberg zitten te picknicken of zoiets…”. De psychiatrische instellingen in de stad zijn bekend met het zogenoemde ‘Jeruzalemsyndroom’, waarbij een gelovige zich in overdreven mate vereenzelvigt met een persoon of profetie uit de Bijbel: “… Vlak bij de Jaffapoort staat al jaren een oude Fransman met een blikken kroon op zijn hoofd en een gordijn om zijn schouders king David te zijn. In het hostel waar ik verbleef, woont ene ‘Ich komme from Austria und my name ist Elcke.’ Elcke verwacht binnenkort de eind-van-de-wereld-oorlog, Armageddon. Maar omdat Jeruzalem volgens de Bijbel de terugkomplek van Jezus is, wordt deze stad volgens haar gespaard. Hier is Elcke dus veilig. En ziemlich verrückt…”.

Herodus, de kindermoordenaar
Zoals de titel al suggereert bekijkt Van den Brandt het standaard kerstevangelie inderdaad nét even anders dan doorgaans in de kerk het geval is. Hij komt er achter dat de velden van Efrata voor een uitermate onvriendelijk landschap staan met extreme temperaturen. ‘De herdertjes bij nachte’ moeten volgens hem ruige kerels zijn geweest die voor een hongerloontje de geiten en schapen van een of andere kapitalist verzorgden: “… Wat lagen die gasten daar eigenlijk te doen? Hadden ze vrouwen bij zich? Drank? Lagen ze elkaar sterke verhalen te vertellen of namen ze de uits-lagen-bij-nachte door van het afgelopen weekend?...”. De kapitalisten waren landverraders die met vette winst vlees verkochten aan de legioenen van de bezetter. De Romeinen waren verre van vegetarisch. De priesters in de tempel, ook goede klanten van de schapenboeren, evenmin. Omdat ze een ‘heilig’ zakcentje bijverdienden aan elk offer wisten ze deze praktijk behendig te stimuleren. Bovendien mochten ze een deel van het offer zelf opeten. Van den Brandt zegt te twijfelen aan het verstand van de wijzen uit het Oosten. Hoe kun je nu bij de paranoïde dictator Herodus langs gaan om te vertellen dat er een koning van de Joden was geboren. Ze hadden kunnen weten dat hij met barbaars geweld zou reageren: “… Zijn baas, keizer Augustus, zei ooit over hem: ‘Je kunt beter het varken van Herodus zijn dan zijn zoon.’…”. Uit angst voor verlies van zijn positie liet Herodus drie van zijn zoons vermoorden. En minstens twee van zijn vele vrouwen. Trouwens, het is maar de vraag of Herodus alle Joodse jongetjes onder de twee jaar in en rond Bethlehem écht heeft laten vermoorden: “… Flavius Josephus meldt deze vreselijk dramatische gebeurtenis nergens. Het kan natuurlijk zijn dat het als te lokaal werd gezien, of dat er geschriften verloren zijn gegaan. Toch is het opmerkelijk. Ook de hupsakee-lekker-opschieten-evangelist Markus vond er in zijn snelle tekst in het Nieuwe Testament geen plekje voor. De wetenschapper Lucas vermeldt het evenmin, en Johannes, de filosofische mysticus, al helemaal niet. Alleen de meer empathisch ingestelde evangelist Mattheüs schrijft erover…”. Of was moord zo aan de orde van de dag dat het onbelangrijk was? “… Nieuws gaat nu eenmaal over het uitzonderlijke en niet over het dagelijkse…”. Het waanzinnige verhaal gaat dat Herodus heeft verordonneerd dat als hij sterft uit iedere familie ook een vrouw gedood zal worden. Zodat zijn sterfdag altijd met massale rouw zal worden herdacht. Zijn zus Salomé aast op de macht. Als het zover is beveelt ze van de moorden af te zien om draagvlak te creëren voor haar familie: “… Herodus blijft de ‘kindermoordenaar’ en wordt niet ook de ‘vrouwendoder’. Ik vermoed dat hij dat jammer vindt…”.

Hollywoodkerstromantiek
Tussen neus en lippen door vertelt de schrijver dat Franciscus van Assisi in het begin van de dertiende eeuw de eerste levende kersstal inrichtte. In een tijd van analfabetisme een briljant idee natuurlijk. Maar toch. “… Waar komt die Hollywoodkerstromantiek dan vandaan? Die beeldjes van dikkige engeltjes met kleine piemeltjes en lullig kleine toetertjes? Waarom willen mensen dat toch, dat vredige tafereeltje in een stal met os en ezel, en een baby’tje in een houten bakje?...”. De schrijver zal zijn uitgever eens wat leren, met zijn klassieke kerstverhaal: “… Eindelijk mijn kans om af te rekenen met dat mierzoete sentiment. Ik zal de lezers laten weten wat de werkelijke aard van het feest is. Hoe de wereld écht in elkaar zit. Natuurlijk is het historisch gesproken niet helemaal juist wat ik opschrijf. (…) Maar in essentie klopt het. De wreedheid, de machtswellust, de waanzin en de moorden…”. Het is kerst. “… Tegelijkertijd is het lijden van deze dag net als het lijden van de dag van gister en van morgen. Tegelijkertijd zijn er in talloze sloppenwijken in Zuid-Amerika, Afrika en Azië wanhopige en verlaten moeders die niet weten hoe ze hun kinderen morgen te eten moeten geven, laat staan hoe ze het schoolgeld moeten opbrengen om de gruwel van armoede te doorbreken. Overal zijn mensen slachtoffer van wereldhandel en onderdrukking. Overal werken kinderen tot bloedens toe als slaaf op bijvoorbeeld rozenkwekerijen en in kledingfabrieken, zodat wij, de rijken, en voor een habbekrats picobello uit kunnen zien en onze kersttafels met verse bloemen kunnen sieren. Zo houdt ons economisch systeem mensen gevangen in dwang en slavernij. Zijn mensen op de vlucht voor honger en oorlog. Worden meisjes gedwongen hun lichamen voor een paar rotcenten te verhuren om, als het gerief is gekomen, te worden weggegooid als een volgesnoten papieren zakdoekje…”.

Ruwe bolster, blanke pit
Voor Van den Brandt geen ‘witte kerst’ dat jaar. Al lopend en filosoferend laat zijn richtingsgevoel het afweten, raakt zijn water op, en heeft de oorverdovende stilte en laaiende hitte van de woestijn een desoriënterend effect op hem. Honger. Blaren. Uitputting. Het wordt snel donker. En koud. Insecten leven zich op hem uit. Hij wordt bang. Als hele opstandelingenlegers als die van de Makkabeeën in de woestijn konden verdwijnen “… is het niet ondenkbaar dat deze kleine nephippie daar verzwolgen wordt door steen en zand…”. Na een vreselijke nacht strompelt Van den Brandt verder, stuit op een schijnbaar verlaten bedoeïenenkamp, hoort gehuil en vindt tot zijn ontsteltenis een duidelijk doodziek baby’tje. Wat te doen? Hoe dat verder gaat aflopen ga ik natuurlijk niet vertellen. Ter geruststelling: deze ruwe bolster heeft een hele blanke pit. Tegen de tijd dat het verhaal af is vraagt Van den Brandt zich wel af of Gijshard zijn werk zal pikken. Is hij niet veel te ver gegaan voor zo’n beschaafde christen? Nou, dat valt alles mee. Sterker; Gijshard durfde het zelfs aan míj een recensie-exemplaar te sturen...

Uitgave: De Barbaar – 2018, 144 blz., ISBN 978 905 999 139 2, € 13,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 12 december 2018

Het Pilgrim Fathers complot – Jeroen Windmeijer


Subtitel: Zes moorden, drie continenten, een wereldwijde cultus en een verborgen manuscript

Het leuke van een leeskring is dat andere mensen je soms op het spoor van een boek zetten waar je in je eentje aan voorbij zou gaan. We hadden het op een gegeven moment over wandeltochten toen iemand vertelde dat er een Leidse thrillerauteur was aan de hand van wiens boek een stadswandeling is uitgezet. En hoe plezant het zou zijn als we met z’n allen die route eens zouden lopen als het wat beter weer wordt. Ik spitste mijn oren, want in een grijs verleden heb ik nog in Leiden gewoond en gewerkt en geleerd. Ze had het over Jeroen Windmeijer (1969), van huis uit antropoloog maar inmiddels leraar godsdienst- en maatschappijleer aan een middelbare school, en zijn omvangrijke boek “Het Pilgrim Fathers complex”. Eerder schreef hij "De bekentenissen van Petrus" en "Het Pauluslabyrinth". We blijken onze eigen Hollandse mix van Erich von Däniken en Dan Brown te hebben…

Puriteinse protestanten

Ik bespreek zelden thrillers vanwege het euvel dat het heel moeilijk is er wat zinnigs over te zeggen – je mag immers de clou niet verraden. Dat ga ik nu natuurlijk ook niet doen. Windmeijer heeft echter ook veel didactisch materiaal in zijn verhaal gestopt; hij is en blijft leraar. Waarom zou je saaie, droge geschiedenisboeken lezen als je ook via een spannend verhaal je horizon kunt verbreden?! De feiten. In 1609 streek een groep Engelse puriteinse protestanten in Leiden neer: de Pilgrim Fathers. Koning Jacobus I kon het niet waarderen dat ze de Anglicaanse kerk als te werelds bestempelden. De Lage Landen stonden bekend om de heersende godsdienstvrijheid (waar je je ook weer niet al teveel van moet voorstellen: zie de zogeheten ‘schuilkerken’ en bijvoorbeeld de controverse rond de radicale Amsterdamse burgemeester Frederick de Vrij die in 1620 als een moderne Christus op de Dam persoonlijk alle Sinterklaaskraampjes omvergooide om een eind te maken aan dit ‘paapse feest’ – gedoe rond Sinterklaas is niets nieuws). Een deel van deze groep trok in 1620 met de Mayflower naar Amerika, waar ze de grondleggers van de Verenigde Staten werden. Een en ander gaat in 2020 groots herdacht worden en in Leiden zal er zeker een graantje van mee te pikken zijn. Daar bevindt zich dan ook al sinds jaar en dag een klein maar dapper American Pilgrim Museum. Verder was taalwetenschapper Piet van Vliet in het voorjaar van 2017 in het archief van Erfgoed Leiden en Omstreken aan het neuzen. Hij vond een manuscript dat een uniek inkijkje biedt in het leven en denken van de Pilgrim Fathers. Rond deze gegevens bouwt Windmeijer zijn intrige.

Intellectuele vuurvreters

“Het Pilgrim Fathers complot” is een ouderwetse whodunit. De rechercheur waarmee we van doen krijgen citeert dan ook regelmatig Agatha Christies legendarische detective Hercule Poirot: “… It is the brain, the little gray cells on which one must rely. One must seek the truth within – not without…”. Hoofdpersoon is de achtenvijftigjarige universitair docent Archeologie en Geschiedenis Peter de Haan. Zijn vriendin heet Fay Spežamor, een weduwe van begin vijftig, docent Griekse en Latijnse taal en cultuur en conservator Romeinse en Etruskische kunst in het Rijksmuseum voor Oudheden. Ze woont samen met haar moeder, óók al een voormalig docente klassieke talen, en dochtertje in een kabouterhuisje achter de grote poortdeur van het rustieke Jean Pesijnhofje, waar ooit veel van de Pilgrims Fathers woonden: “… De oorspronkelijke betekenis van het woord ‘paradijs’, dat was afgeleid van het oud-Perzische ‘pairidaëza’- ‘ommuurde tuin’- kwam er ten volle tot zijn recht…”. Peter en Fay zijn dikke vrienden met Judith Cherve, een voormalig Joodse studente van Peter waar hij stiekem nog steeds een beetje verliefd op is. Inmiddels docent Jodendom bij Religiewetenschappen en freelanceonderzoekster voor het Joods Historisch Museum in Amsterdam en in het verhaal intensief op zoek naar haar roots. Aan de ene kant zegt ze over de Pilgrims: “… Dat puriteinse van hen heeft me altijd wel aangetrokken. Je afwenden van de materie, van bezittingen, je richten op het geestelijke, de blik gericht op het goede, op God. Het leven als een reis, een pelgrimstocht. Wat zij gedaan hebben, naar een nieuwe wereld vertrekken om daar helemaal opnieuw te beginnen, is soms toch wel een aanlokkelijke idee…”. Aan de andere kant zet ze zich ook weer in voor het pro-Palestijnse ‘Een Ander Joods Geluid’, wat vaak met ‘links’ geassocieerd wordt. Bij haar hoort Mark Labuschagne, een briljante maar geestelijk wat labiele hoogleraar Nieuwe Testament. De scheidslijn tussen genialiteit en gekte is dun. Nou, dan heb je wel een stelletje intellectuele vuurvreters bij elkaar, toch?!

Complottheorieën
Peter en Fay bezoeken een open avond van de vrijmetselaars. Fay is namelijk lid van de gemengde loge Ishtar aan het Steenschuur nummer zes in Leiden. Op de zwart-wit geblokte tegels van de werkplaats of tempel, wordt de - ook al - zeer erudiete voorzitter van de groep, aangeduid met de titel ‘Achtbare Meester’ dood gevonden, badend in het bloed, “… als een omgevallen koning op een schaakbord…”. De rechercheur in het jasje van een moderne Prediker: “… Zo aan je einde te komen, dacht Rijnsbergen. Al die wijsheid vergaard, al die boeken bestudeerd, de halve wereld rondgereisd om dan in een zaaltje in Leiden je hersens in te laten slaan…”. En ook al heel christelijk, als de Achtbare in een zwarte bodybag naar buiten wordt gedragen: “… Het leek alsof ze een gigantische cocon van een of ander insect met zich meevoerden, die na verloop van tijd zou ontpoppen om in een nieuwe gedaante tevoorschijn te komen…”. Waarom zou iemand een vrijmetselaar vermoorden? De schrijver neemt de gelegenheid te baat om allerlei praatjes rond het gezelschap bij monde van een insider te ontzenuwen: “… Maar jij, Peter zult vast ook de verhalen wel kennen dat de oorsprong van de vrijmetselaars bij de Orde van de Tempeliers zou liggen, voluit de Orde van de Arme Ridders van Christus en de tempel van Salomo, een christelijke kruisridderorde. Je komt dat fabeltje altijd weer tegen in boeken en op sites vol compplottheorieën. In de tijd van de kruistochten maakten de Tempeliers deel uit van de kruisvaarderslegers die een Heilige Oorlog tegen de moslims voerden in het Heilige Land. Sommige complotdenkers gaan nóg verder terug, helemaal tot aan duizend voor Christus, tot aan koning Salomo en zijn bouwmeester Hiram Abiff, de architect van de eerste tempel in Jeruzalem. Deze meesterarchitect zou over geheime kennis hebben beschikt, die hij verstopte in zijn architectuur. Door de eeuwen heen zou die kennis dan weer van generatie op generatie doorgegeven zijn. In de kathedralen als die van Chartres in Frankrijk of de Rosslyn Chapel bij Edinburgh in Schotland zouden vrijmetselaars geheime boodschappen en codes hebben verstopt, die alleen voor ingewijden duidelijk zouden zijn. Beste Peter, ik kan je vertellen dat dit allemaal klinkklare onzin is. Mensen die zulke dingen geloven zijn vaak maar enkele stappen verwijderd van het geloof in een geheime regering die uit is op een totale heerschappij over de hele wereld…”.

Misschien is de wereld te groot geworden
En even verder: “… Er zijn complotdenkers die denken dat wij vrijmetselaars zo ongeveer achter elk kwaad in de wereld schuilgaan, dat we de hand hebben gehad in 11 september, dat we achter elke bankencrisis zitten die maar plaatsgevonden heeft of plaatsvindt, dat we aan de basis hebben gestaan van de Franse Revolutie, aan de aanval op Pearl Harbor, you name it… de Illuminati, de Novus Ordo Seclorum, de zogenaamde Nieuwe Wereldorde, al die vrijmetselaarssymbolen op het 1-dollar biljet, het Alziend Oog en de niet afgebouwde piramide. Ach, je kent al die verhalen waarschijnlijk wel. Je zou erom kunnen lachen als het niet zo triest was…”. Maar waarom is er dan juist anno 2018 zoveel paranoïa richting de vrijmetselaars? “… Tja, waarom nu? Het zijn rare tijden. Mensen die het idee hebben dat ze de wereld niet langer begrijpen, dat ze er geen vat meer op hebben. Misschien is de wereld te groot geworden. Al de ellende die elke dag weer onze huiskamers binnenkomt, via internet, via onze smartphones. Vroeger konden mensen bij alle ellende die hun overkwam, elke ziekte, misoogst, de dood van een kind, een schipbreuk, nog wijzen naar een god of naar goden. Gelovigen zijn in feite de eerste complotdenkers van de geschiedenis: iets gebeurt niet zomaar, er zit iemand achter, met een bepaald plan. Het is een straf omdat de mensen zich niet aan de goddelijke regels hebben gehouden, niet hebben geofferd of omdat twee goden ruzie hebben, weet ik veel. Maar nu, er gebeuren nog steeds verschrikkelijke dingen in de wereld, volkomen zinloze, toevallige rampen waar geen enkele bedoeling achter zit. Zonder geloof in God kom je dan al snel uit bij mensen, het liefst bij geheimzinnige genootschappen die allemaal uit zijn op werelddominantie…”. Maar, nu eens en voor altijd: “… Wij vrijmetselaars komen gewoon voort uit de gildes van de metselaars van vijfhonderd jaar geleden, daar is niets spectaculairs aan. Die metselaars waren vrij om in Europa van stad naar stad te reizen om kathedralen te bouwen. Ze hadden inderdaad een geheim handenschudritueel, ze hádden wachtwoorden, maar dat waren gewoon manieren waarop iemand aan kon tonen dat hij lid van het gilde was. Die metselaars nodigden weer anderen uit om lid te worden en zo ontstond langzamerhand een broederschap. In de Verlichting werd het pas een meer filosofische beweging of groepering, waarschijnlijk de eerste groep mensen die zich los van een godsdienst organiseerde, zonder overigens daarbij religie af te wijzen. Dát is pas het écht bijzondere aan deze groep, dat het vrijdenkers waren, dat ze tolerant stonden ten opzichte van andersdenkenden, dat was ongewoon…”.

Vijanden
Vervolgens duiken er twee radicale studenten op uit kringen van het Leidse actiewezen (“… Antiglobaliseringsgroepen, milieuactivisten… De Vrijplaats Leiden aan de Middelstegracht met de Fabel van de Illegaal, die opkomt voor vluchtelingen en illegalen… Zulk soort mensen…”), die aandacht vragen voor de Noord-Amerikaanse indianen in het Pilgrimsjaar. Volgens hen is er sprake geweest van genocide. De kolonisten hebben doelbewust geprobeerd een in hun ogen minderwaardig ras van de aardbodem weg te vagen. En dat ook nog Bijbels gemotiveerd. Ze voeren actie tegen de Amerikaanse mythe van ‘het lege land’: “… Er zijn onderbouwde schattingen dat het aantal indianen afnam van ongeveer twaalf miljoen in 1500 tot ongeveer tweehonderdvijftigduizend in 1900, wat het de meest grootschalige uitroeiing in de geschiedenis van de mensheid maakt. Natuurlijk, veel indianen zijn overleden aan ziektes omdat ze in aanraking kwamen met ziektekiemen waar ze niet tegen bestand waren, maar heel veel zijn toch overleden tijdens directe confrontaties met blanken. Zo kun je de geschiedenis van de WIC niet, of niet meer, vertellen zonder de enorme schaduwzijde die ermee verbonden is…”. Ze zijn er van overtuigt dat er een link is tussen de Pilgrim Fathers en de vrijmetselaars. Hoe zouden de vrijmetselaars anders in de Verenigde Staten terecht zijn gekomen? Hoeveel presidenten waren er geen vrijmetselaar? De vrijmetselaars hebben hoe dan ook veel vijanden: “… Maar weet je, dit is zomaar een los idee, hoor, misschien moet je het zoeken in de richting van de katholieke kerk. Er zijn nog genoeg orthodoxe leden die nog steeds niet geaccepteerd hebben dat de wil van Rome al lang geen wet meer is. Ze beschouwen ons als ongelovige duivelaanbidders. Maar we hebben zoveel groepen in de VS. We hebben radicale evangelisten, trigger-happy new-born christians die iederéén uit de weg willen ruimen die niet Pro Life is, we hebben fascistische white-supremacist militas, er zijn boom aanbiddende hippies die de Pilgrim Fathers en misschien ook wel de vrijmetselaars zien als het begin van alle ellende in de VS, het begin van het einde van de inheemse bevolking. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan, echt. Het is niet voor niets dat de vrijmetselaars in dictatoriale regimes vaak als eerste verboden worden…”.

Heilsgeschiedenis
Het verhaal zit opmerkelijk consistent in elkaar. Toch zijn er een paar dingetjes waar ik mijn vraagtekens bij zet. In het gevonden fragment beschrijft een Pilgrim dat er een scheiding is ontstaan tussen een leider van de groep, Josh Nunn, die in Leiden wil blijven, en zijn jeugdige oogappel William Brewster, die Leiden wil inruilen voor Amerika: “… Rond Josh Nunn staan de mensen, onder wie opmerkelijk veel lieden die in de bouw werkzaam zijn overigens, metselaars et cetera – wie oren heeft, die hore – die ervoor kiezen in Leiden te blijven. Josh, die in goeden doen is geraakt, bezit tegenwoordig een eigen loge in de schouwburg, waar de kerngroep regelmatig samenkomt om tijdens de pauzes van een voorstelling met elkaar te overleggen…”. Maar een puritein mag toch helemaal niet in een schouwburg komen? Vanwege zondig en zo? Ik bedoel: een maand of wat geleden is er op de reformatorische hogeschool De Driestar nog een docent ontslagen omdat hij een toneelstuk had geschreven. Ter leeringe ende vermaek notabene: over zijn eigen overwonnen gokverslaving. Omdat het in de tekst gaat over ‘wie oren heeft, die hore’ dacht ik dat er later wel op gereflecteerd zou worden, maar nee hoor. Verder wordt er op het vermoorde lichaam van de Achtbare Meester een envelop gevonden met daarin een hervertelling van het Bijbelboek Exodus. Zelfs bij een leek als ik gaat er direct een rood lampje branden als er staat dat Jacob zijn zoon Jozef kreeg bij zijn lievelingsvrouw Rebekka. Dat was natuurlijk niet Rebekka, maar Rachel. Ik dacht nog even dat het was om de lezer om de tuin te leiden, maar ook hier wordt niet meer op terug gekomen. Het Exodus-verhaal geeft wel aanleiding tot een interessante verhandeling over hoe letterlijk je de daarin vertelde geschiedenis moet interpreteren. Het gaat over zeshonderdduizend mannen die uit Egypte zouden zijn vertrokken. Tel daarbij de vrouwen, kinderen en het dienstpersoneel op en je komt tot zo’n duizelingwekkende hoeveelheid mensen dat als de voorhoede het Beloofde Land heeft bereikt, de achterhoede zich nog in Egypte zou moeten bevinden. Alhoewel er onderweg natuurlijk veel overleden zijn. Toch heb je het over meer personen dan er toendertijd in heel Egypte woonden. Van zo’n grote ontvolking zouden er toch sporen te vinden moeten zijn? En hoeveel manna en miljoenen kwartels waren er niet nodig om zo’n grote groep veertig jaar in de woestijn te voeden? Zelfs het smalle stuk groen langs de Nijl van heel Egypte bracht te weinig voedsel op om het slavenvolk te voeden. Bovendien was het Beloofde Land in die tijd bezet door Egyptenaren. Hele naties worden gebouwd op een combinatie van mythische waarheden en verzinsels. De Bijbel is geen aardrijkskunde- of geschiedenisboek, zoals mijn toch best wel orthodoxe leraar op de gereformeerde basisschool al zei, maar een gelóófsboek. Héílsgeschiedenis.

Rekkelijken en preciezen
Halverwege zijn verhaal komt Windmeijer ook nog met een schitterende lection over de predestinatiestrijd tussen de protestantse hoogleraren Arminius en Gomarus, oftewel de Remonstranten en de Contra-remonstranten. De ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’. De ‘bavianen’ en de ‘slijkgeuzen’. In 1619 werd op de grote synode in Dordrecht bepaald dat de leer van Gomarus de officiële lijn van de Gereformeerde kerk zou worden, en zeker toen prins Maurits zich daar ook nog eens voor ging inzetten, moesten de Remonstranten inbinden. Natuurlijk kwam deze strijd niet uit de lucht vallen. Het was een reactie op de totaal uit de hand gelopen leer van goede werken waarmee je de hemel kon verdienen binnen de katholieke kerk, met als toppunt de koehandel rond dure aflaten. Het geld staken corrupte priesters in hun eigen zak. Een en ander is prachtig uiteen gezet in de volgens de enthousiaste schrijver ondergewaardeerde tv-serie “God in de Lage Landen”, die ik ook nooit heb gezien, maar zeker bij uitzending gemist eens ga bekijken. Als Judith een beurs krijgt aangeboden voor het prestigieuze Harvard in Boston (V.S.) grijpt Peter de kans om bij haar te gaan logeren met beide handen aan. Vervolgens komen ook alle bezienswaardigheden rond de Pilgrims, de Indianen en de vrijmetselarij ter plaatse voorbij, wat smeuïg wordt opgedist, maar wel een beetje véél is op den duur. Het verhaal is en blijft echter een thriller. Uiteindelijk raakt Peter betrokken bij zes moorden op drie oudere mannen en hun jongere protegees. Allemaal in vrijmetselaarskringen. Allemaal ook met een tatoeage die bij de meesten is weggesneden. Hij ontkomt zelfs zelf ternauwernood aan een moordaanslag en een en ander brengt hem naar het Sint-Catharinaklooster aan de voet van de Sinaï, dat rond het brandende braambos van Mozes zou zijn gebouwd, waardoor we weer helemaal terug geraken bij Exodus.

De Bijbel heeft tóch gelijk

Windmeijer staat uitgebreid stil bij de vreselijke fragmenten die Exodus bevat. Verhalen die aan IS doen denken (zie bijvoorbeeld ook docent Oude Testament dr. Hetty Lalleman). Een fantastisch staaltje "En de Bijbel heeft toch gelijk" aangaande de tien plagen van Egypte: “… Toen de Hebreeërs door de woestijn trokken, werden ze volgens de overlevering ’s nachts op hun weg begeleid door een kolom van vuur en overdag door een kolom van rook. Meerdere schrijvers plaatsen om die reden de uittocht in de periode 1650-1600 voor de christelijke jaartelling, toen er in de Minoïsche tijd een waanzinnige vulkaanuitbarsting plaatsvond op het eiland Thera in de Middellandse Zee – een van de grootste vulkaanuitbarstingen die ooit in de geschiedenis op aarde zijn vastgesteld. Een tsunami van minstens achtentwintig meter hoog bereikte Kreta en richtte daar veel verwoestingen aan. Vandaag de dag is nog goed te zien hoe het halve eiland Thera bij de vulkaanuitbarsting de lucht in geblazen werd; het eiland heeft de vorm van een sikkelvormige maan. Van grote afstand was overdag de rookpluim van de vulkaan te zien geweest en ’s nachts had er een enorme gloed van de nagloeiende vulkaan afgestraald…”. En even verder: “… Door de aswolken bleven de regens uit en werd de Nijl een vieze, trage modderstroom, waarin algen welig tierden. Toen die algen massaal stierven, kleurde het water rood. Hierdoor verlieten de kikkers de rivier om op het land hun heil te zoeken. Toen die in de droge woestijn omkwamen, hadden muggen en luizen geen natuurlijke vijanden meer en namen die ongestoord in aantal toe. Ziektes staken de kop op met een enorme sterfte onder het vee als gevolg. Mensen werden op grote schaal gestoken en gebeten, waarna de open wonden door het vele krabben gingen zweren. De as in de lucht kwam in botsing met de onweersbuien, en de hagel kwam met bakken uit de hemel. Hierdoor ontstond een vochtig klimaat, een ideale omgeving voor sprinkhanen om zich snel voort te planten. De asdeeltjes verduisterden bovendien het licht van de zon, waardoor het donker werd op aarde. Door de vochtigheid begon het voedsel te rotten; het graan beschimmelde. Volgens de Egyptische traditie mocht het oudste kind van het gezin altijd als eerste van het graan eten, waardoor alle eerstgeborenen stierven…”. Het grappige is dat Peter op een vliegveld een boek van de vooraanstaande archeologen Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman koopt, "The Bible Unearthed", waarin weer wordt uitgelegd dat het Bijbelboek Exodus allemaal fake is. Nu heb ik dat zelf niet gelezen, maar ik ben wel een goede vriendin en leerling van Finkelstien tegengekomen, die hem geholpen heeft met zijn opgravingen: archeoloog Jennifer Guetta-Peersmann. Toen ze later lid werd van een evangelische groepering distantieerde ze zich van zijn opvattingen, zie hier.

Exit wereldgodsdiensten

Het hele boek door komen mythische analogieën met de Bijbelverhalen aan bod, zoals bijvoorbeeld het Babylonische epos over de koning van Sargon met het Bijbelverhaal over het kindje Mozes. Mijn orthodoxe inspirator Willem Ouweneel zei daar ooit over dat als de mensheid in de dagen van Noach met dezelfde kennis uit elkaar is gegaan alle religies en wereldbeschouwingen vonken van ‘de goddelijke waarheid’ moeten bevatten. De kip- en het eidiscussie. Vandaar dat sommige theologen het christendom niet zozeer tegengesteld zien aan, maar eerder als vervulling van, het heidendom. Bonjourt Windmeijer in het begin van zijn boek het complotdenken rond de vrijmetselaars de deur uit, aan het eind van de boek haalt hij het via de achterdeur net zo hard weer binnen. Ik moest onvermijdelijk denken aan de geschiedenis van Jezus waarin Hij waarschuwt dat als je een boze geest uitdrijft je er zeven voor terug kunt krijgen: Lukas 11:24-26. Peter gaat er, zoals alle samenzwerings -‘idioten’ kan ik niet nalaten te schrijven, met gestrekt been in: “… In een sneltreinvaart had Peter de tekst gelezen, waardoor de volle omvang van de inhoud ervan en de verpletterende consequenties die een eventueel bekend worden ervan voor de officiële geschiedenis van het Jodendom en christendom zou hebben, nog niet volledig tot hem doordrongen…”. Na tweeduizend jaar exit godsdienst omdat eindelijk één slimmerik achter de verborgen waarheid van het wereldgebeuren komt. Zoveel achterlijks gelooft toch niemand zou je denken – maar je zou ze de kost moeten geven die dat wél doen! Het zijn en blijven dan ook fascinerende verhalen…

Uitgave: HarperCollins – 2018, 496 blz., ISBN 978 940 270 162 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 5 december 2018

De heilige Rita – Tommy Wieringa


Met een leeskring “De heilige Rita” besproken van Tommy Wieringa, ook een roman waarin een jongentje in de steek wordt gelaten door zijn moeder (zie mijn vorige blog). Het melancholieke verhaal is min of meer gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Wieringa’s moeder ging er met een ander vandoor toen hij elf was. Hij besloot bij zijn vader te blijven die nog geen maaltijd kon koken. De eerste dertien jaar van zijn hoofdpersoon, Paul Krüzen, lopen aardig synchroon met zijn eigen jeugd. Paul woont echter op zijn vijftigste nog steeds bij zijn vader op een Twentse spookboerderij in de grensstreek. Wieringa ging op zijn zestiende - gelukkig - het huis uit (zie het interview van Carolina Lo Galbo in VPRO Boeken – tweede helft). Zelf noemt hij een gezinssituatie van twee mannen die tot elkaar zijn veroordeeld ‘vrij hopeloos’. Wieringa won met zijn roman zowel de BookSpot Lezersprijs als de BookSpot Literatuurprijs 2018 en werd genomineerd voor de NS Publieksprijs. Eerder besprak ik van hem “Dit zijn de namen”.

Klein blijven

Het verhaal. In een bar in the middle of nowhere, het gehucht Mariënveen, is de wat zielige, ongetrouwde eenzaat Hedwiges wel héél stom bezig. Hij doet of hij miljonair is. In het bijzijn van een crimineel en een Russische maat die na een potje biljarten hun keus “… weer uit elkaar schroeven als huurmoordenaars…”. Zijn vriend “… Paul schudde zijn hoofd. Klein blijven, hij had het hem vaker gezegd, altijd kleiner en dommer lijken dan de anderen. Niks hebben en niks kunnen, dat kennen ze, daar kunnen ze mee leven. Maar zo’n avond was het niet voor Hedwiges Johannes Geerdink, die wilde nu eens uit zijn schrale, bleke vel stappen en genieten van de twijfel die hij had gezaaid. Hedwiges de mil-jo-nair, jazekers!...”. Hedwiges houdt het ouderwetse kruidenierswinkeltje dat hij van zijn ouders heeft geërfd op poten. Er komt geen kip. Niet in de laatste plaats vanwege de nostalgische katholieke sfeer doet het boek mij denken aan “Vurige tong”, waarin Ann De Craemer ‘haar neus snuit in de zakdoek’ van het Vlaamse Tielt, waar de mensen zich ook al zo ‘klein’ voelen.

Sorry, niet grappig
Terug naar hoe de ouders van Paul elkaar in de wacht hebben gesleept. Zijn moeder. De pronte dochter van de laatste vierkante dorpssmid. Zijn vader. Een timide, bleke geschiedenisleraar. Zijn moeder die enkel ‘geen boer’ had willen trouwen: “… Een binnenman, hoe mooi wilde je het hebben…”. Hun huwelijksreis brengt hen naar Amsterdam, waar zijn wilde moeder, die in haar zijden nachthemd “… glansde als een vis…”, het prima naar haar zin heeft en zijn vader ziek wordt van heimwee. Zwarten en provo’s blazen hem van zijn sokken. Voor het eerst en waarschijnlijk ook voor het laatst: wijn, dansen, gokken. Hondervijftig gulden naar de kloten: “… ‘Morgen heb ik meer geluk,’ zei ze. Ze zag zijn schrik en zei: ‘Sorry, niet grappig.’…”. Drie dagen eerder dan gepland zijn ze weer thuis: een veeg teken. Een kind wordt geboren. Ook voor het eerst en voor het laatst: “… Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, ‘want we wonen aan een drukke weg’. Zijn moeder antwoordde: ‘Dan baar je ze maar zelf.’…”. Zijn moeder die af en toe gek wordt van haar Paultje: “… Dat geplak van ‘m de godganse dag. Ik kan echt geen kant op…”. Volgens zijn vader heeft hij alleen lopen geleerd om haar beter te kunnen achtervolgen. Zijn vader die als rook door zijn vroegste kinderjaren deint. Als figurant krijgt hij pas vaste trekken wanneer hij scheldend en tierend met een lichaam uit de maïs komt slepen.

Maar ik wil bij jou
Uitgerekend in de verlaten grensstreek waar nooit wat gebeurt, stort een sproeivliegtuigje neer. Daarin, meer dood dan levend, een heldhaftige Rus die het Sovjetrijk van Brezjnev is ontvlucht. Na een opknapbeurt van drie maanden in een ziekenhuis wordt hij weer afgeleverd op het adres waar hij is gevonden: bij Paul en zijn ouders. Wat moeten ze anders met hem? Pauls’ goedertieren moeder, wel in voor een verzetje, verzorgt hem tot en met: “… Ze bracht hem zijn eten en schoof zonder te verblikken of te verblozen een po onder zijn kont…”. De aanwinst trekt heel wat bekijks: “… Ze tikten op het raampje naast de zijdeur, riepen ‘volluk’ in het halletje en kwamen op kousenvoeten binnen…”. Vanwege het carnaval bouwen alle Mariënveners mee aan een wagen waarop ze de vlucht van de Rus uitbeelden: een vliegtuigje waarin hij kan plaatsnemen omringd door een batterij ballistische raketten van triplex. Tegen de tijd dat de optocht de feestzaal bereikt zijn de ‘noabers’, uitgedost als het Rode Leger, straalbezopen. Als de happening bacchantische hoogten bereikt worden er liters alcohol en braadworsten in de mond van de Rus gegoten en gepropt. De moeder van Paul schreeuwt moord en brand, klautert naar hem toe, en weet hem uit de handen van de rucksichlose knuppels te rukken, waarop de Rus aan het kotsen slaat zoals nooit iemand voor hem. Dagenlang weigert ze tegen de buitenlander te praten. Dan ziet Paul hem weglopen. Nooit zal hij zichzelf vergeven dat hij zijn moeder waarschuwt: “… Wat als hij dat niet gedaan had. Wat als hij de Rus zwijgend had laten gaan. Wat als…”. Zijn moeder vliegt achter de Rus aan en valt hem huilend om de hals. Ze komt nog een keer terug om haar spullen op te halen. Hartverscheurend vertelt Wieringa hoe Paultje zich aan haar benen vastklampt: “…Maar ik wil bij jou…”. Zijn moeder zegt dat papa niet alleen kan blijven. Dat papa hem nodig heeft. Dat hij het later zal begrijpen: “… Met gesloten ogen zei hij ‘ik wil niet alleen blijven, ik wil niet alleen blijven’, en had dwars door alles heen de felle herinnering aan een sprookje waarin een meisje in een put viel en net zo lang bleef vallen tot ze in slaap viel…”. Zelfs met zijn verjaardagen laat ze niets van zich horen.

Slapjanus

Nog steeds een beetje onthutst over het onderlaatst gepubliceerde CNN-rapport waaruit blijkt dat één op de twintig Europeanen niets weet over de Holocaust (zie mijn vorige blog), vraag ik me af hoe ze dat eigenlijk voor elkaar krijgen. Bijna elk boek refereert op de een of andere manier wel een keertje aan de Tweede Wereldoorlog. Ook deze roman. Paul blijkt een grote handelaar in militaria te zijn. Zijn schuur staat vol curiosa met betrekking tot de Grote Oorlog en het Derde Rijk, wat nogal ranzige Neo-Nazi’s aantrekt. In de wetteloze krimpregio trekken drugshandelaren en Oost-Europese roofbendes hun spoor. Aan de overkant van de grens houdt een voormalig klasgenoot zich bezig met vrouwenhandel. Paul weet dat ‘Club Pacha’ niet pluis is, toch zoekt hij er regelmatig vertier bij zijn favoriete hoertje Rita, die hem vertelt dat ze wordt mishandeld (zie ook "Meisjes te koop" van Iana Matei). De ‘heilige Rita’ is tevens patrones van de ‘hopeloze gevallen’. Twee weken per jaar gaat Paul met Hedwiges op vakantie naar Thailand. Bestemming: de sekshoofdstad Pattaya. Een droeviger oord is er op de hele wereld niet te vinden. Terwijl voor Hedwiges seks ‘evenmin een onderwerp is als ruimtevaart’ laat Paul zich verwennen zonder zich ook maar één enkele keer in zijn egoïstische genot af te vragen hoe het voor het meisje dat hem bedient moet zijn. Op zijn vijftigste heeft hij toch nog even sjans met een apothekersassistente - man overleden, kinderen de deur uit - die hem herkent van de basisschool. Maar ook bij haar maakt hij van de zenuwen niks klaar. Eigenlijk is zijn enige vriend de enorme lindeboom voor zijn slaapkamerraam: “… die oude geweldenaar die gelijkmatig de seizoenen doorstond. Het was belangrijk om een boom in de buurt te hebben waartoe je je kon verhouden; binnenkort bereikten ook mensen de leeftijd van bomen, maar zonder de wijsheid van hun zwijgzaamheid…”. Barstend van zelfmedelijden vergelijkt Paul zichzelf met een verweesde, jonge haas, die opgejaagd wordt door een kraai. “… Alles moest zijn loop hebben. In het leven van de dieren, in dat van hemzelf, Paul Krüzen – meer haas dan kraai. Solitair levend prooidier. Hazenhart…”. Volgens de jagers sterven hazen in hetzelfde veld als waar ze worden geboren, want de haas is geen reiziger: “… ’n Hazen wil schötten wörden woar at he geboren is…”.

Aardappeleters
Prachtige natuurtaferelen wisselen af met beschrijvingen van authentieke streekbewoners. De Wesselinks: “… Ze waren zo oud als bomen, die broers, en even vriendelijk. ‘Wij zijn zo oud,’ kraakten hun stemmen, ‘wij hebben geen leeftijd meer.’ Paul had niks tegen ze weten te zeggen. Uit een kastje pakten ze glacékoeken van de Attent in Kloosterzand en keken toe terwijl hij at; hun dikke grijze sokken schoven over de plavuizen. Op het aanrecht stond een stapel vuile vaat. Ze hadden aan de tijd zitten morrelen, die twee, en hem uiteindelijk onklaar gemaakt…”. Iedereen die kan trekt weg. Het voelt als klinkklaar verraad als een onnozele dorpsjongen, die het schopt tot kandidaat in de ‘X-factor’, op de vraag van Wendy van Dijk wat zijn ‘állerdiepste wens’ is, antwoordt: “… Noar ’t westen…”. In het dorp is geen pinautomaat meer, wél een wolf. Een volk van aardappeleters. De vader van Paul leert vijf verschillende aardappelgerechten koken. En jus maken, want ze houden van ‘nat eten’: vlees bakken, uitje erbij fruiten, beetje ketchup, beetje mosterd, beetje halvamel – zo had oma het hem geleerd. “… Hadden ze vroeger wel halvamel? Vroeg Paul. En ketchup?...”. Niemand die zo lang kauwt als zijn vader. Zevenendertig keer per hap, alsof hij “… dorre bladeren…” at. De Chinezen die naar het dorp komen. Eerst de vrouw die de cafetariahouder heeft besteld bij een Chinees die komt gokken. Met in haar kielzog nog een zoon en een dochter die niet waren voorzien. Maar a là, wie a zegt moet ook b zeggen. Hoe of dat nou is, zo plotseling tussen de Chinezen leven? “… O, alsof ik altijd op vakantie ben – ik versta geen woord van wat ze zeggen…”. In ieder geval is hij gelukkiger met een vrouw die niet weet wie Angela Merkel is, dan zónder. “… ‘Het lijkt erop,’ zei Paul, ‘dat romantiek, verliefdheid, al die dingen, dat je daar eerst doorheen moet voordat je op het volgende niveau komt, of zo. Maar kun je daar niet gewoon beginnen, vraag ik me af, en het eerste deel overslaan?...”. Dat geeft een hoop minder gedoe. Daar is de cafetariahouder het wel mee eens. Hij moet er eens diep over nadenken: “… Ik weet eerlijk gezegd niet of ik van haar hou. Maar als ik haar niet zie, een tijdje… dan mis ik haar… Wat is dat dan? …”. Daarna de Chinese familie die een restaurant begint: “… Paul herinnert zich de keer dat hij voor het eerst babi pangang at. De revolutie in zijn mond. Driehonderd jaar vlees, aardappelen en jus en nu dit…”. Inmiddels zorgt papa niet meer voor Paul. Maar Paul voor papa.

Eenzaamheid

De wereld van Paul wordt steeds kleiner: “… Kinderlijk, dacht hij, ik ben mijn leven lang kinderlijk gebleven. Alsof met het ouder worden geen verlies en tegenslag zouden meekomen, dingen die met een vrouw aan je zijde zoveel beter waren op te vangen. Een alleenstaande man stierf gemiddeld vijf jaar eerder dan een getrouwde man. Eenzaamheid was even schadelijk als roken of excessief drinken; wie alleen leeft, aan de rand van de wereld bovendien, sterft een eenzame, ellendige dood. Schrijf deze man in als kinderloos, zei Jeremia, een man die in zijn dagen geen geluk heeft. Zo werd Paul terechtgewezen door een profeet van voor de jaartelling, als een onverantwoordelijk kind dat zijn kansen op het geluk heeft verspeeld…” (zie ook “De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn” van Olivia Laing). De Chinezen gaan een hopelijk winstgevender onderneming beginnen in Arnhem. Pauls’ hoogbejaarde vader wordt opgenomen in het ziekenhuis met een open beenwond. Hij heeft het er best: “… Niet voor niets, dacht Paul onderweg naar huis, stond in Genesis dat een zoon zijn vader en moeder moet verlaten en zijn eigen vrouw moet aankleven om samen ‘één vlees’ te worden; de band tussen ouder en kind had een beperkte houdbaarheid. Met het kind dat het ouderlijk huis nooit verlaten had, was iets niet in orde. Nooit konden de ouders hun ogen sluiten voor hun mislukkeling. Afkeer, soms uitmondend in haat, zette zich tussen hen vast…”.

Kartonnen medicijndoosje
Ondertussen wordt voor mij het verhaal pas écht spannend als na een paar honderd bladzijden Hedwiges een overval meemaakt. Wanneer Paul na een paar dagen gaat kijken treft hij Hedwiges zelfs dood aan in zijn stoel. Een natuurlijke doodsoorzaak, zoals de dokter veronderstelt? Zelfmoord? Moord? Paul denkt te weten wie de - in ieder geval indirecte - moordenaars zijn en trekt tegen hen van leer tijdens de begrafenisrede. Daarmee roept hij zijn eigen doodvonnis over zich af. En dat allemaal in de kerk waar Hedwiges trouwens nooit meer kwam omdat hij geen zin had nette kleren aan te trekken.“… De wrake Gods boezemde stilaan even weinig angst in als de bliksem van Zeus of de hamer van Thor…”. De pastoor heeft deernis met het arme, oude Europa “… dat niet wist wat het met zichzelf aan moest. De mensen hadden geen geloof meer. Nergens meer in, al helemaal niet meer in zichzelf…”. Angstig trekt Paul zich tussen ‘de muren van maïs’ terug op de oude boerderij waar ’s nachts geluiden klinken als van een ‘zwalkend galjoen’: “… Misschien geloofde hij intussen wel sterker in geesten dan in God…”. Het verhaal heeft een open einde. Het grootste raadsel waar het mij mee opzadelt is dat van een met bloed doortrokken kartonnen medicijndoosje. Paul heeft het zien liggen onder de stoel van de dode Hedwiges. Maar niemand heeft het gevonden, de van heinde en ver opgetrommelde erfgenamen niet, de politie niet…

Uitgave: De Bezige Bij – 2017, 286 blz., ISBN 978 902 345 875 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 3 december 2018

De middagvrouw – Julia Franck



Julia Franck (1970; Oost-Berlijn) over de achtergrond van “De middagvrouw” waar ze in 2007 de prestigieuze Deutscher Buchpreis mee won: “… Mijn vader is heel jong overleden, wat ik over hem weet, is niet veel. Hij was verlegen en fijngevoelig, maar hij had geen vertrouwen in andere mensen. Enkele maanden na het einde van de oorlog had zijn moeder hem op het perron achtergelaten met de belofte meteen weer terug te komen. Hij was zeven jaar en wachtte tevergeefs. Misschien is hij wel nooit ouder geworden en heeft hij zijn hele leven gewacht. Voor mij is dit gegeven familielegende en griezelverhaal ineen. Wat, zo vroeg ik me al heel jong af, brengt een moeder tot zo'n besluit? Ze was verpleegster en had dan ook een voor die tijd ongebruikelijke opleiding genoten, die alleen voor dochters van goeden huize was weggelegd. Bij mijn naspeuringen heb ik heel wat sporen van haar kunnen terugvinden, oude foto's waarop ze met haar oudere, niet minder knappe zus te zien is. Documenten in het stadsarchief van Bautzen. Ik kende twee, drie plaatsen waar ze had gewoond, wist haar geboortejaar en sterfdatum te achterhalen, maar hoe intensiever mijn zoektocht werd, hoe meer ik merkte dat sporen alleen nog geen verhaal vertellen. Een verhaal heeft mensen en perspectieven nodig. Ik gaf haar een naam: Helene. Ik moest haar zelf bedenken, haar karakter, haar ervaringen, de omstandigheden waaronder ze was opgegroeid, de verwachtingen van en hindernissen voor een vrouw uit die tijd, zeer intelligent en zonder vooruitzicht op een studie, als jonge vrouw hoopvol gestemd en romantisch verliefd, uiteindelijk getrouwd, uit traditie en noodzaak en zonder liefde, moeder tegen wil en dank. In welke mate kon een vrouw in die tijd haar leven zelf vormgeven en haar eigen identiteit bepalen, op welke momenten moest zij zich verloochenen. Hoe meer ik me een voorstelling van haar leven maakte, hoe duidelijker ze mij voor ogen stond, haar gebaren, haar lach, haar ontwijkende blik - de schaamte en rusteloosheid waarmee ze probeerde zichzelf te zijn –, des te beter begreep ik hoe ze tot een dergelijk besluit had kunnen komen. Van meet af aan wist ik dat ik haar wilde rechtvaardigen noch moreel veroordelen – maar dat ik wilde vertellen, zo precies en nauwgezet mogelijk…”.

Proloog

“De middagvrouw” is een echt ‘Duits’ - zwaar, filosofisch, breedvoerig - maar desondanks fascinerend boek. De proloog begint met de wederwaardigheden van een zevenjarig jongetje, Peter, in het door het Rode Leger veroverde Stettin. WO II is aan zijn eind gekomen. Desolate puinhopen. Niets te eten. Een afwezige vader. Overal soldaten waarvoor geen vrouw veilig is. Als Peter thuiskomt vangt hij een glimp op van zijn moeder, terwijl ze verkracht wordt op de keukentafel, zonder dat hij begrijpt wat er gaande is. Daarop vluchten ze in een overvolle trein richting het westen. Op een station sommeert zijn moeder hem op een bankje te gaan zitten en op hun koffer te passen, waarop ze weg beent. Ze komt niet terug…

Standhouden
Dan begint het lichtelijk absurde verhaal over zijn mama. De kleine Helene uit Bautzen. Negen jaar jonger dan haar zus Martha. Vader: een gerespecteerde uitgever annex drukker. Moeder: een hysterische Jodin voor wie iedereen uit de weg gaat. Gek geworden vanwege de dood van alle vier de jongetjes die tussen Martha en Helene zijn geboren. Ze kan Helene niet om zich heen verdragen. Geen nood: Helene heeft Martha. Papa trekt naar de Grote Oorlog, raakt een been en een oog kwijt vanwege een te vroeg ontplofte granaat, en komt zonder ook maar ooit een vijand te zien in een lazaret terecht waar iedereen hem al gauw vergeet. Martha wordt verpleegster. Neemt bijna dagelijks een collega mee naar huis. De mannelijke Leontine. Terwijl de buitengewoon slimme Helene op haar dertiende thuis de zware zetmachines hanteert, ziet ze jaloers en verontrust toe hoe tussen haar zus en vriendin een lesbische liefde ontvlamt. Na zes jaar komt papa eindelijk thuis. Doodziek. Zijn vrouw wil hem niet zien. Slaapt liever. Zijn knappe dochters verplegen hem. Een naburige oorlogsveteraan ontpopt zich als een uitvreter die op Martha loert. Niemand krijgt hem de deur uit. Tot hun verwarde moeder eindelijk eens haar kamer uitkomt. Hij weet niet hoe snel hij moet wegvluchten van zoveel krankzinnigheid. Martha spuit de patiënt, wiens open stomp krioelt van de maden, vol cocaïne en morfine die ze uit het ziekenhuis jat. Zelf neemt ze af en toe ook een shotje, wat minder vreemd is dan het lijkt, want volgens Norman Ohler tierde het drugsgebruik, zéker onder Hitler later, welig (zie “Drugs in het derde Rijk”). Vader sterft. Moeder wil niet eens naar de begrafenis. “… We zullen haar niet dwingen. Iedereen mag zijn eigen weg naar God vinden…”, zegt de dominee. En op de vraag van de ontroostbare Martha - die op dat moment meer huilt om Leontine, die er vandoor is met een ‘verloofde’, maar dat weet de dominee natuurlijk niet - of hij begrijpt waarom God ons zo laat lijden: “… Het gaat niet om begrijpen, mijn beste kind, standhouden is alles…”.

Heilig voorbeeld
Prachtig wordt de titel “De middagvrouw” uit de doeken gedaan. Volgens het volksgeloof van het dienstmeisje is de geestelijke toestand van haar mevrouw een gemakkelijk te verdrijven vloek. Ze weigert met ‘de middagvrouw’ te praten. Ze hoeft alleen maar een uur lang aan ‘de middagvrouw’ te vertellen hoe je vlas bewerkt. Dat is alles; maar ja – als je niet in haar gelooft… Het doet me een beetje aan de legende van “Melmoth” denken; zie hier. De meiden vinden ondertussen een verdwenen adresboekje waaruit ze opmaken dat ze een onbekende tante in Berlijn hebben wonen. De stad waar Leontine naar verdwenen is. Helene maakt boven een dampende fluitketel stiekem een brief voor Martha open die ondertekend is door ‘haar vriend Leo’. De liefde is nog lang niet over blijkbaar. Leontine schrijft over haar irritante man, met zijn “… hagedisachtig dichtgeknepen ogen…”, die inmiddels in de bibliotheek slaapt, omdat ze hem heeft wijsgemaakt dat hij snurkt. Ze studeert geneeskunde. Houdt thuis wilde feesten met vriendinnen waarbij ze zich hult in de pantalons van haar eega. Marthe en Helene, die ondertussen ook voor verpleegster leert, hebben nog maar één doel voor ogen: op naar Berlijn. Dat betekent slijmen met en de hielen likken van hun mysterieuze tante. Met de nodige droge humor beschrijft Franck hoe de meiden een kalender ontwerpen vol volkswijsheden voor de kerstmarkt. Om een centje bij te verdienen en hun tante in het hart te raken, waarmee een intensieve correspondentie op touw wordt gezet. “… Wat tante bijvoorbeeld van dit soort adviezen vond: Matigheid en arbeid zijn de ware artsen van de mens; arbeid prikkelt de eetlust en matigheid verhindert de verkeerde bevrediging ervan. Hoe vaak de mensen niet beschaving en zeden met etiquette verwisselen! Een kwajongensstreek vergeven ze eerder dan een overtreding van de traditionele omgangsvormen. De zekerste manier om een jongmens te bederven is hem te verleiden om gelijkgezinden hoger te achten dan andersdenkenden. Men kan goede voornemens niet doeltreffender ondermijnen dan door er geregeld over te praten…”. Het heeft effect. Er komt een brief met daarin twee enkele reisjes naar Berlijn. Ze mogen zolang blijven als ze willen. Martha en Helene weten niet hoe ze hun ‘heilig voorbeeld’ moeten bedanken.

Dansen op de vulkaan

Maar tante is alles behalve ‘heilig’. Ze blijkt in een fantastisch huis in Berlijn te wonen dat bevolkt wordt door mondaine gasten met wie ze ‘s avonds naar theaters en nachtclubs trekt. Martha volgt in haar kielzog. Helene is te jong en blijft thuis om te lezen. Prachtig schildert Franck de decadente sfeer die er heerst: “… De hele stad leek werk te zoeken en wie een baan had, wilde een betere, een met meer loon. Wie geen werk had, hield zich met andere zaakjes bezig, maar de zusjes wisten daar nog te weinig van. In bedekte termen werd er over zwendel en weddenschappen gesproken; ook werd gezegd dat alleen mooie meisjes zichzelf konden verkopen, tenminste bij de revue. Lucinde, de vriendin van Fanny, werkte bij de revue, naakt, zoals ze ten beste gaf, uitsluitend gehuld in haar haar…”. Alcohol, opium, verhoudingen. “… Is Dada een prullenbak voor de kunst?...”. Martha voelt zich als een vis in het water. Helene houdt angstvallig een oogje op haar. Via Leontine krijgt Martha een aanstelling in het Joods ziekenhuis. Helene weet werk te vinden bij een apotheker, die haar van alles leert. Met het geld dat ze verdient betaalt ze een avondopleiding om een gymnasiumdiploma in de wacht te slepen. Ze droomt van een studie. Om quitte te staan bij haar tante legt ze al gauw om de zoveel tijd een zakje wit poeder bij haar op het nachtkastje. Nood breekt wet. Ook Martha heeft weinig last van scrupules. Brengt achter de rug van haar tante grammofoonplaten naar de pandjesbaas en stuurt levensmiddelen uit de voorraadkamer naar haar moeder in Bautzen. Als Helene eindelijk mee uit mag, ontmoet ze een filosofiestudent uit een gegoed milieu. Carl. Hij heeft een zolderkamer. Al gauw trekt ze bij hem in. In het drugshol van haar tante hebben ze amper in de gaten dat Helene er bijna nooit is. Het ‘dansen op een vulkaan’ neemt iedereen totaal in beslag – zie ook de Duitse televisieserie “Babylon Berlin”.

Voor de liefde geboren
Ondanks de libertijnse omgeving waarin Helene verkeert ondergaat ze evenwel een illegale abortus en is ze gedwongen zich vanwege de sociale conventies totaal buiten de begrafenis van Carl te houden, die plotseling verongelukt. Ze heeft drie jaar met hem samengewoond. Is totaal van slag. Ze ontmoet zijn moeder nog wel een keertje, die geen idee heeft. Hij heeft het vaak over zijn gevoelens voor Helene gehad: “… Tranen liepen over het fijne en mooie gezicht van Carls moeder. Carl kon niet anders, weet u, hij was voor de liefde geboren. Helene vroeg zich ineens af: zijn we dat niet allemaal?...”. Een zoon is onvervangbaar, maar zo’n mooi en verstandig meisje vindt vast wel weer een andere vent. Daar kan Helene het dan weer mee doen. Bijna bewusteloos leeft Helene verder, een drukke baan accepterend in een ziekenhuis. Willoos laat ze zich het hof maken door een perfect specimen van het ‘blonde beest’: Wilhelm. Hij noemt haar Alice en zal wel zorgen voor de juiste papieren, want Joden zijn een verdoemd ras: “… Je bent niet goed wijs. Helene was geschrokken. Was het mogelijk dat Wilhelm zinspeelde op de nieuwe wetten, die voorschreven dat ze in het ziekenhuis elke misvorming moesten aangeven en registreren, omdat tot elke prijs moest worden voorkomen dat mensen die met erfelijke ziektes waren belast zich voortplantten? En golden bepaalde geestelijke en psychische ziektes, zoals waaraan haar moeder in de ogen van sommige buren leed, niet eveneens als erfelijk en dienden die dus in ieder geval vermeden te worden? Een blakende gezondheid was het hoogste gebod, en wie niet kon genezen en blaken, moest zo snel mogelijk sterven, voordat het Duitse volk gevaar liep om aangestoken of door zieke nakomelingen verontreinigd, bevuild te worden…”. De ongemakkelijke vergelijking met de actualiteit van vandaag de dag dringt zich onweerstaanbaar op: het anti rook- en alcoholbeleid van de regering (waar op zich natuurlijk niets mis mee is), het reduceren van suiker in frisdranken, de designerbaby’s… En dat in een tijd waarin de vooroordelen over Joden weer volop in Europa leven, volgens een groot onderzoek van CNN dat vorige week gepresenteerd werd. “… Joden ‘hebben te veel invloed in de media en de politiek’, zo antwoordde maar liefst een vijfde van de ruim zevenduizend ondervraagde Europeanen. Volgens ruim een kwart van de Europeanen hebben Joden bovendien een te grote rol in de zakenwereld en de financiële sector. Ongeveer evenveel ondervraagden zijn van mening dat Joden in Europa ook teveel invloed uitoefenen ‘in conflicten en oorlogen over de hele wereld’. Niet alleen laten de uitkomsten van het onderzoek zien dat oude vooroordelen over Joden nog volop leven in Europa, ‘ze tonen ook een verbijsterende onwetendheid aan’ over de geschiedenis…”, volgens een artikel in het ND van 27 november. En even verder: “… Een belangrijke factor lijkt de onkunde over de Holocaust te zijn, aldus CNN in een interactieve presentatie. Vooral jongeren in Frankrijk weten daar weinig of niets over: ‘Een op de vijf jongeren tussen de 18 en 34 jaar in Frankrijk gaf aan nog nooit van de Holocaust te hebben gehoord.’ Voor heel Europa gold dat een op de twintig ondervraagden niets wist van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, terwijl in Oostenrijk veertig procent van de volwassenen aangaf ‘maar een klein beetje’ van de Holocaust te weten. In Polen was met tachtig procent de grootste – en toenemende – steun te vinden voor het herdenken van de Holocaust. Het nieuwe hoofd voor bestrijding van antisemitisme in Duitsland, Felix Klein, zegt in een verklaring over de cijfers van het CNN-onderzoek: ‘Om het antisemitisme te bestrijden is het essentieel om de herinnering aan de Shoah levend te houden. Het is een taak voor ons allemaal, omdat het antisemitisme een bedreiging is voor iedere open, democratische samenleving'…”.

Arisch
Alle innerlijke seinen staan op rood, toch laat Helene zich een van beide kanten totaal onbevredigende echtverbintenis in rommelen. Waar moet ze anders blijven? In haar eentje? Wilhelm met zijn verheven nazi-ideeën over reine en zuivere arische maagden is meer dan teleurgesteld als hij merkt dat Helene seksueel van wanten weet. Hij verkracht haar binnen het huwelijk want hij heeft het volste recht haar ‘aan te raken’. Hij verbiedt zijn ‘huisvrouwtje’ te werken. Eigenlijk hebben ze elkaar beiden in de tang, want Helene kan hem altijd nog aangeven als ‘vervalser’. Ondanks het feit dat Wilhelm zijn heil als gevierd ingenieur steeds meer buitenshuis gaat zoeken, raakt Helene toch in verwachting. Wie zegt dat het kind van hem is? Eens een hoer, altijd een hoer blijkbaar. Trouwens, wie heeft gezegd dat ze überhaupt zwanger moest raken? Hij is niet van plan voor de kosten op te draaien. Dus moet Helene toch maar gaan werken. Diensten van meer dan zestig uur. Eten op de bon. Wilhelm laat zich niet meer zien. Een onbetrouwbare buurvrouw past op het jongetje dat wordt geboren. Peter. Helene zal nooit een vertrouwensband met hem ontwikkelen omdat haar identiteit geheim moet blijven. Eigenlijk slaat Peter zich in z’n eentje door het leven, met als gigantisch voordeel dat hij er door zijn blonde krullen uitziet als een engeltje. Het schrijnendst laat Franck de oorlog voor zich spreken als Helene op een vrije zondag met Peter paddenstoelen gaat zoeken in het bos. Een trein staat stil op de rails. Er komt zo’n ongelooflijke stank vandaan dat Helene vermoedt dat het om een veetransport gaat. Mannen met fluitjes lopen er lawaaierig omheen. Ze probeert er in een wijde boog langs te lopen om aan de geur te ontsnappen. Daarbij klimt ze over een hoge stam als ze een nies hoort. Weer ruikt ze een walgelijke vlaag gier. Dan merkt ze dat er een mens gehurkt op de grond ligt: “… zijn hoofd was niet te zien, hij boorde het in de grond, waarschijnlijk omdat hij hoopte te verdwijnen, en hoopte, dat men hem niet zou zien. Hij trilde zo hevig, dat de verlepte bladeren aan de takken die hij over zich heen had getrokken, bewogen…”. Helene weet niet hoe gauw ze weg moet vluchten, in het schokkende besef dat haar zus Martha waarschijnlijk hetzelfde lot heeft getroffen.

Foute heldin
Uiteindelijk eindigt het verhaal weer waar het begon. Helene die Peter achterlaat op het station. Maar ze heeft er wel over nagedacht. In de koffer zit een briefje met het adres van een zwager, waar Wilhelm het over had. Plus wat geld wat ze heeft bewaard. Haar trouwring heeft ze in een broekband genaaid. Want een beetje goud kan geen kwaad. Als Peter zeventien is wil zijn moeder hem komen opzoeken op de boerderij van zijn oom, waar hij intussen een ongewenste maar goede hulpkracht is, die de kosten voor zijn studie eigenhandig verdient. Peter verstopt zich op de hooizolder. Hij wil zijn moeder niet meer zien. Nooit meer. NRC Handelsblad: “... Het komt zelden voor dat een romanfiguur je zo aan het hart gaat. Madame Bovary, Anna Karenina, Medea: de wereldliteratuur kent maar een paar waarlijk tragische heldinnen, mooie, goede vrouwen die toch het foute doen. Helene is zo’n heldin…”. Frankfurter Allgemeine Zeitung: “… Een grootse roman over het zwijgen…”.

Uitgave: Wereldbibliotheek – 2010, vertaling Goverdien Hauth-Grubbeb, 384 blz., ISBN 978 902 842 346 6, € 13,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 25 november 2018

Scheepsberichten – E. Annie Proulx


E. Annie Proulx (1935) is een journalist die pas na haar vijftigste korte verhalen en romans begon te schrijven. Met buitengewoon veel succes kan ik wel zeggen. In de Verenigde Staten alleen al, werden meer dan 700.000 exemplaren van haar tweede roman “The Shipping News” verkocht. Het boek won verschillende literaire prijzen waaronder de National Book Award 1993 en de Pulitzer Prize 1994. Proulx kocht een uitgestrekt stuk land in Wyoming en liet er haar droomhuis bouwen, de Bird Cloud Ranch, waar ze als een kluizenaar leeft, dealend met de desolate omgeving en het gure klimaat. Ook “Scheepsberichten” gaat over een uitgeweken stadsjongen die zich geplaatst ziet tegenover de harde natuur. Plaats van bivak, het waterige oord Newfoundland: “… bijna tienduizend kilometer in dichte mist gehulde kust. Scherpe rotsen vlak onder het rimpelende water, boten die zich tussen de met ijskorsten bedekte kliffen door ploegden. Toendra en kale vlakten, een land van miezerige sparren, die door mannen werden omgehakt en weg gesleept…”.

Loser

Het verrassende aan dit boek is dat bijna ieder hoofdstuk begint met een tekening plus korte uitleg van een vissersknoop. De naam slaat op het onderwerp dat besproken gaat worden. Overgenomen uit “Het knopenboek van Ashley” dat Proulx ooit voor 25 cent kocht op een rommelmarkt. Het verhaal. Met de nodige ironie begint Proulx te vertellen over de zesendertig jarige Quoyle die als een buitenproportionele golem half bewusteloos door het leven struikelt. Een derderangs journalist uit het onooglijke plaatsje Mockingburg in de staat New York. Onderbetaald zonder dat hij het in de gaten heeft. Immuun voor alle spot en kritiek die hij te verduren krijgt omdat zijn vader hem al een ‘grote lummel’ vond en zijn kleine broertje hem uitschold voor “… Spekkont, snotsmoel, lelijk varken, wrattenzwijn, stomkop, stinkbom, schijtbak, vetzak…”, terwijl hij deed alsof hij moest braken zo gauw Quoyle de kamer binnen kwam. Een geboren verliezer. Natuurlijk getrouwd met de verkeerde. Een hooggehakte heks die hem bedondert waar hij bij staat. Zijn ouders worden gelijktijdig ongeneeslijk ziek en plegen gelijktijdig zelfmoord. Zijn vrouw verongelukt. En dan staat hij er alleen voor met zijn wonders van dochtertjes, waar ze nooit naar omkeek (behalve toen ze geld aan ze kon verdienen). Bunny van zes en Sunshine van viereneenhalf. Plotseling staat het enige familielid voor zijn neus die hij heeft: een oude, pinnige, bezorgde tante. Of hij niet terug wil naar zijn roots. Met haar. Wat heeft hij te verliezen? Voor hij het weet zit hij met een gezicht dat de kleur heeft van ‘een rotte parel’ op de stampende veerboot richting Newfoundland. Hij kan niet eens zwemmen!

Een vinnig krantje
“Scheepsberichten” kent geen plot. Rolt als golven van het ene voorval in het andere. Zie ‘De avonturen van…’ noem maar op: Huckleberry Finn, Dik Trom, Kapitein Rob. Het hangt trouwens van ‘alsen’ aan elkaar: “… De kinderen als een rij hennetjes op de achterbank…”, “… Een magere man met een snor als een streepjescode…” en “… IJs kleurloos als de onderkant van een strijkbout…”. Op het puntje van een landtong vindt tante het oude familiehuis terug, waar ze ooit uit is vertrokken. Een huis dat vierenveertig jaar heeft leeg gestaan, er dienovereenkomstig aan toe is, en met dikke kabels zit vastgeklonken aan de rotswand omdat in keihard gesteente nu eenmaal geen fundering is te graven. Ooit hebben hun door de gemeenschap uitgestoten voorouders het over het ijs naar the middle of nowhere getrokken. Ze weigerden ter kerke te gaan. Vanwege de blizzard vlucht de vierkoppige familie na de bezichtiging al gauw naar een gammel hotel. Ze krijgen de bruidssuite toegewezen, notabene. Alles wat ze aanraken valt zowat uit elkaar. Maar er is tenminste te eten. Quoyle vindt een baantje bij de lokale krant. De ene collega heeft een nog grotere bek dan de andere. De directeur ligt met zijn laarzen op het bureau in zijn stoel. Gehuld in een overal waar de visschubben nog aanhangen. Of Quoyle de scheepsberichten en de auto-ongelukken wil verslaan. Iedere week moet er een sensationele foto van een autowrak op de voorpagina komen. Als er geen actuele is dan haalt hij er maar eentje uit het archief. Alsof het nepnieuws er ter plekke is uitgevonden. Zolang Quoyle maar geen journalistieke ideeën spuit zal hij het vast prima kunnen vinden met de baas. De krant groeit tegen de klippen op: “… Omdat ik weet wat de mensen willen lezen. Neem dat maar van mij aan…”. En dat zijn voornamelijk provinciale roddels en zedenschandalen. “… De redactionele pagina liet, met de kracht van een brandweerslang, stromen schimpscheuten neerdalen op de provinciale politieke arena. Tirades, gelardeerd met scheldwoorden. De ‘Grammy Bird’ was een doorbijter. Die het leven recht in de onbetrouwbare, bloeddoorlopen ogen keek. Een vinnig krantje…”. Dat is wel even slikken voor de timide Quoyle. Maar ja, hij heeft geen keus. Het grappige aan het verhaal is dat hij langzamerhand in krantenkoppen gaat dénken.

Vingers in de oren
De tante pakt de verbouw van het familiehuis voortvarend aan. Is dan ook gewend problemen halsoverkop te lijf te gaan. Wat wil je: van huis uit scheepsstoffeerder. Quoyle wordt aan het werk gezet. Hij overtreft zichzelf. Ondanks zijn hoogtevrees klimt hij het dak op om nieuwe spanten te timmeren. Krijgt bijna een hartaanval als hij merkt dat Bunny met een speelgoedhamertje achter hem aan is geklauterd. Tussendoor maakt hij een reportage over een voor anker liggende ongeluksboot die ooit voor Hitler was bedoeld (voor de eerste keer van zijn leven hoort hij van zijn baas en zijn lezers dat hij iets goeds heeft gedaan!). Hij maakt zich zorgen over zijn ietwat gedraggestoorde dochter Bunny die dingen ziet die er niet zijn. Niets om je naar over te maken, zegt de tante, op het eiland zijn er wel meer die het tweede gezicht hebben. Die weten wanneer een visser niet thuis komt. Bunny verzint een spelletje waarin zogenaamd het huis in zee verdwijnt, wat later ook echt zal gebeuren - tijdens een razende storm. En verder: elanden op de weg. Eenden die bevroren uit de lucht komen vallen. Zeehonden als huisdier. Rotganzen, stinkende zwarte vogels die volgens de oudjes hun nest bouwen van dooie vis. IJsbergen in de baai: “… Hij kon er niet over uit. Had nooit gedacht dat ijsbergen deel zouden uitmaken van mijn leven…”. Autochtone bewoners die er van staan te kijken dat er een Quyole is teruggekomen: “… Ik herinner me de Quoyles en hun scores nog wel. Woeste bende was dat. In het verleden hebben de Quyoles, naar men zegt, wel eens een man bij zijn oren aan een boom vastgenageld, ze sneden hem de neus af om met de bloedgeur de duizendpoten en vliegen aan te trekken, die hem levend hebben opgevreten…”. Quoyle is te laat om zijn vingers in de oren van zijn dochtertje te stoppen. Vervolgens stuit hij ook nog op een geheimzinnige vrouw die struis langs de weg loopt, met in haar kielzog een verstandelijk beperkt jongetje.

Verhalen
En dan de verhalen. Over lekker eten. Zeehondenvinnetaart bijvoorbeeld. Over inktvissen, zó groot, dat ze hebben geprobeerd met hun tentakels een volwassen man de zee in te sleuren – gelukkig had hij een mes bij zich. Over doodarme mensen die voor verbetering van de omstandigheden afhankelijk waren van schipbreuken. Over een schip dat is gekapseisd met driehonderdveertien kleintjes uit Engelse kindertehuizen aan boord. Slavenmateriaal, bestemt voor Canadese boeren: “… afgebeuld, behandeld als vuil, halfdood van de honger en gek van eenzaamheid…”. Soms wens je dat de hel bestaat, vooral die hel uit het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus: “… Een van die jongens, Lewis Thorn, heeft nooit zelfs maar een bed gehad, die moest in het muffe hooi slapen, had geen schoenen of laarzen, maar wikkelde zijn voeten in lappen. Hij kreeg aardappelschillen en korsten te eten, hetzelfde als wat ze aan de varkens gaven. Ze sloegen hem elke dag, tot hij de kleur van een donkere regenboog had, geel, rood, groen, blauw en zwart. Hij werkte van lantaarnlicht tot lantaarnlicht, terwijl de kinderen van de boer naar school en naar feestjes gingen. Zijn haar groeide tot op zijn rug, vol klitten en knopen. Hij had geprobeerd het met een sikkel te kortwieken. Je kunt wel raden hoe dat eruitzag. Hij was vies en zat onder de luizen. Het ergste was dat ze hem bespotten, dat ze hem beschimpten, omdat hij een tehuisklant was…”. En dat is nog maar honderd jaar geleden. Een boortoren die gekapseist is in niet eens zo’n hele zware storm, enkel omdat de bemanning niets wist van de zee, alleen maar op olie lette. Vergeten de patrijspoorten dicht te doen. Vijfennegentig man overboord waarvan er niet eentje is terug gevonden. Ambtenaren van de Sociale Dienst die zijn gebeten door onbekende insecten, na een recente instroom van Peruaanse immigranten. Gewetenloze reders die willens en wetens hun schepen veel te zwaar beladen. De grote vistrailers die alle vis uit zee vissen. Een chauffeur die dwars door Nova Scotia en New Brunswick kachelde, met zijn armen door het stuur gestoken en breiend als een breimachine: “… Tegen de tijd dat-ie in Montreal aankwam, had-ie een hele schipperstrui gebreid…”. En meiden die als ze een mat hadden gevlochten er een kat in vouwden. Degene waar de kat naar toe liep als hij werd bevrijd zou het eerst trouwen. Het kwam altijd uit.

Als een wesp in een potje
Het spannendst wordt het als Quoyle een stinkende koffer uit zee vist waar een afgehakt mensenhoofd in blijkt te zitten. En wanneer hij merkt dat er een oude vent om het huis heen scharrelt, die overal touwtjes neerlegt met heksenknopen: zwarte magie. Hij valt ook nog een keer van een onbetrouwbaar bootje en verdrinkt net niet. De taal is af en toe meer dan schitterend: vuurtorens die op landtongen ‘stotteren’, een huis dat ‘tropische hitte en verlammend comfort’ ademt en als het gaat sneeuwen: “… Daar heb je de duivelsveren al…”. Miljarden dansende vlokken, voortgejaagd door een straffe wind: “… Stiefmoeders adem…”. De ongelooflijke natuurbeschrijvingen: “… Vage mistbogen tijdens de ochtendtrip over de baai. Regenbuien werden gevolgd door explosies van kleur, Billy Pretty kletste over ringen rond de maan. Stormen bliezen af en aan. Plotselinge hagelbuien veranderden in helle paarse stralen, om vervolgens weer over te gaan in regen. Twee, drie dagen hitte, die op woestijnwind leek te zijn aangevoerd. Vezels van licht, die als lumineuze palingen door de baai kropen. Op de landtongen en in de moerassen rijpten de bessen met miljoenen tegelijk: aalbessen, kruisbessen, bosbessen, grote veenbessen, kleine veenbessen, vossebessen, squashbessen, late wilde aardbeien, lepeltjesheide, harde bergbraambessen, die uit bruine bladeren omhoogstaken…”. En over toilet maken: “… Zeelieden droegen hun haar ooit op tweeërlei manieren: bijeengehouden in rattestaartjes, of in een uit vier haarstrengen gevlochten platte streng. Voor de final touch was een gepekeld palingvel uit de pekelton nodig. De zeeman rolde het palingvel voorzichtig terug (zoals je een condoom terugrolt), schoof het dan over zijn staart omhoog en maakte het vast. Bij chique gelegenheden strikte hij er nog een rood lint om…”. Beangstigend en tegelijk fascinerend beschrijft Proulx een mannenfeest in een caravan. Over dertig zakken chips in iets wat dienst doet als badkuip. Tegen tien uur s’avonds is iedereen dronken en pissen ze de chips onder. Oorverdovende muziek die vijf mijl in de rondte is te horen. De kamer zo vol dat de bierflesjes boven de hoofden moeten worden doorgegeven. Een ranzige lucht van tabak, rum en vieze haren. Geschreeuw, gezweet, gevreet. Een woeste stemming en een boot die met kettingzaken in stukken wordt gehakt. Je snapt niet dat het buiten de opgelopen katers verder allemaal goed is gegaan. De volgende dag, Quoyle, niets gewend, op zijn knieën voor de wc, “… kokhalzend, ellendig, vol zelfhaat…”. Een vrouwenstem die hem in de oren klinkt als een “… wesp in een potje…”. Hah.

Alles is mogelijk…

Quoyle die eindelijk iemand tegen komt die zich in een eerdere relatie net zo heeft laten gebruiken als hij: “… Net alsof je het gevoel hebt dat dat het enige is wat je verdient. En hoe erger het wordt, hoe meer je ervan overtuigd raakt dat het je verdiende loon is, want anders zou het wel anders zijn. Snap je wat ik bedoel?...”. Ja, zo werkt dat vaak. Het komt allemaal goed, “… Want als Jack Buggit kans zag om uit een augurkenpot te ontsnappen (een verhaal apart: schipper die voor dood uit zee is gevist maar opgebaard en wel zijn ogen open slaat en zich uit zijn smalle doodskist wurmt), als een vogel met een gebroken nek kans zag om weg te vliegen (als Bunny bij een dood vogeltje gaat kijken is hij verdwenen), wat was er dan nog meer mogelijk? Het kan best zijn dat water ouder is dan licht, dat diamanten barsten in warm geitenbloed, dat bergtoppen koud vuur uitstralen, dat er in het midden van de oceaan bossen opdoemen; het kan gebeuren dat er een krab gevangen wordt met de schaduw van een hand op zijn rug, dat de wind gevangen wordt in een eindje geknoopt touw. En dat de liefde zich soms voordoet zonder wee en droefenis…”. Proulx boodschap is uitermate hoopgevend: je kunt jezelf altijd hervinden. Of misschien: opnieuw uitvinden.

Uitgave: De Geus – 2004, vertaling Regina Willemse, 399 blz., ISBN 978 905 226 623 7, € 17,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier