Menu

maandag 14 december 2020

Het geheim van Elysion – Rinus van Warven e.a.

 


Subtekst: 45 jaar studie naar NABIJ-DE-DOOD-ERVARINGEN. Over bewustzijn in liefde zonder waarheen

 

Daar wij in een schijnbaar duale wereld leven - man/vrouw, licht/donker, groot/klein enzovoort - , allemaal dimensies van één en dezelfde werkelijkheid, vormt de ‘sterfelijkheid van het lichaam’ tegenover de ‘onsterfelijkheid van de geest’ voor mij geen enkel probleem. Degenen die de drempel van de dood het dichts naderden of deze, vanuit de levenden beredeneerd, zelfs over gingen en weer terugkeerden, vertellen over onvoorstelbare ervaringen. Dat zijn er vanwege de voortschrijdende medische techniek steeds meer: ruim 50 miljoen in de wereld, zo’n 20 miljoen in Europa, enkele honderdduizenden in Nederland. Ongeveer 4,2 % van de bevolking. Daar kun je twintig keer de Ahoy Rotterdam mee vullen! In “Het geheim van Elysion” doen ruim veertig, zeg maar gerust ‘ingewijden’, hun verhaal.

 

Een andere dimensie

Van Warven is theoloog en uitgever. Als student werd hij na een avondje stappen aangereden door een dronken automobilist met veertig biertjes achter de kiezen. Hij maakte zélf een 'Near Death Experiense' (NDE) oftewel ‘Nabij de Dood Ervaring’ mee. Als ervaringdeskundige is hij inmiddels voorzitter van het Netwerk NDE, een voortzetting van de in 1988 opgerichte Stichting Merkawah. Veel religieuze leiders blijken iets wat wijst op een NDE te hebben meegemaakt, veel religies stoelen derhalve op NDE’s, volgens Van Warven. Zie Paulus, die van een fanatiek vervolger van christenen veranderde in een kerkstichter, nadat hij van zijn paard viel en oog in oog stond met de universele liefde, belichaamd in Christus. Zie de grote reformator Maarten Luther, die geestelijk totaal veranderde, nadat de bliksem zo dicht bij hem insloeg dat hij tegen de grond smakte. Zie Mohammed die zijn openbaring kreeg in de zogeheten ‘Nacht van Beslissing’ (Laylat al-Qadr). Van Warven: “… ‘Elysion’ was in de Griekse mythologie de aanduiding van de verblijfplaats van de gelukzaligen. In het Nederlands wordt deze plek ook wel eens aangeduid met de Elysese velden. En in het Frans wordt er gesproken over de Champs-Élysées: de meest prestigieuze laan van Parijs…”. Even verder: “… in de Minoïsche cultuur, waar het idee is ontstaan, kon je alleen maar in Elysion terechtkomen na een levensbedreigende ervaring van bijvoorbeeld vuur of bliksem. De verwantschap met de NDE laat zich raden…”. Van Warven wijst het dualistische wereldbeeld van de aarde hier en de hemel elders af: “… Bij Homerus krijgt Menealos de voorspelling te horen dat hij, voordat hij zal sterven, naar de Elysische vlakte gebracht zal worden. Het mooie is dat die niet te vinden is aan de andere kant van het wolkendek…” of “… in de duistere oorden aan de andere kant van de werkelijkheid, waar zich de onderwereld zou bevinden…”, maar “… in het heldere licht van de zon…”. Dus in déze werkelijkheid, echter in een dimensie die wij bij leven gewoonlijk niet ervaren.

 

Liefde

Professor Pim van Lommel, de bekende schrijver van “Eindeloos bewustzijn” (2007), legt een NDE uit als een buitengewone bewustzijnstoestand waarbij sprake is van universele elementen: “… Zoals het besef dood te zijn, positieve emoties, een uittredingservaring, een tunnel-ervaring, waarneming van kleuren of van een hemels landschap, ontmoeting met overleden personen, communicatie met ‘het licht’, een levensoverzicht, de ervaring van een grens of de bewuste terugkeer in het lichaam…”. Naar gelang de achtergrond ziet een NDE-er Jezus, Maria of Boeddha. Niet alle NDE’s  zijn prettig: een minderheid van ongeveer 14% ervaart een NDE als een ‘nachtmerrie’ of ‘hel’. Een NDE is absoluut transformerend. Mensen geloven in een persoonlijk voortbestaan, zijn niet meer bang voor de dood, weten wat belangrijk is in het leven: onvoorwaardelijke acceptatie en liefde naar jezelf, naar anderen, de natuur en de aarde. Zie mijn vorige blog: Felix Timmermans die na een levensbedreigende ziekenhuisopname alleen nog maar wilde schrijven over ‘het goede leven’. NDE-ers zijn verrijkt met het inzicht dat alles en iedereen met elkaar is verbonden. Daarom wordt een NDE ook wel een éénheids-ervaring genoemd. Bezit en uiterlijk, aanzien en macht worden totaal onbelangrijk. Er is sprake van een verhoogde intuïtieve gevoeligheid wat als buitengewoon traumatisch kan worden ervaren. Het verwerkingsproces is vaak moeizaam. Mensen krijgen te maken met vooroordelen en onbegrip. De gevolgen zijn soms jarenlange depressies, heimweegevoelens en eenzaamheid. Achterin het boek staat dan ook een protocol voor hulpverleners die te maken krijgen met NDE-patiënten.

 

De hersenen als filter

Een intrigerend hoofdstuk gaat over ‘anomalieën’ (een afwijking van een regel of wetmatigheid) in de breinwetenschap. Volgens professor Swaab produceren 100 miljard hersencellen de geest zoals de nieren urine. Toch komen er steeds meer studies naar buiten over mensen die amper over breinweefsel beschikken (bijvoorbeeld vanwege een waterhoofd) en een normale intelligentie hebben. Een casus gaat over een wiskundestudent met een globaal IQ van 126 en een verbaal IQ van 143, terwijl zijn schedel voor ongeveer 95% gevuld is met vocht: “… Wat er van het brein over was, lag als een laagje, hier en daar slechts 1 tot 2 mm dik, ‘geplakt’ tegen de binnenkant van de schedel…”. En hoe zit het met het fenomeen ‘Terminale Luciditeit’ (helderheid rondom het stervensproces)? Volgens Van Lommel zijn wij níet ons brein: “… Een heldere waarneming en de hierbij behorende complexe waarnemingsprocessen gedurende een periode van duidelijk bewezen klinische dood, brengt het concept dat bewustzijn exclusief in de hersenen is gelokaliseerd aan het wankelen…”. Hij ziet onze hersenen dan ook meer als een ontvangststation, vergelijkbaar met een laptop die aangesloten is op het internet of de cloud: “… De hersenen functioneren als een soort ‘interface’ of zelfs als een filter: niet alle informatie uit het eindeloze bewustzijn dringt normaliter door in ons dagelijks bewustzijn…”. Zonder een lichaam blijken wij nog steeds in staat om bewuste ervaringen te hebben. Zijn wij nog steeds bewuste wezens: “… Wij hebben dus (tijdelijk) een lichaam en wij zijn (blijvend) verbonden met een universeel bewustzijn, dat buiten tijd en ruimte bestaat…”. Neurowetenschapper Eben Alexander, van wie ik eerder “Na dit leven” besprak, concludeert precies hetzelfde: “… De hersenen dienen als een filter dat ons toegang geeft tot dat oerbewustzijn…”.

 

Kistjesstelsel

Een essay gaat over de dromen en visioenen van de beroemde psycholoog Carl Gustav Jung, de uitvinder van het ‘collectief onbewuste’, die op 69-jarige leeftijd een NDE kreeg vanwege een hartinfarct. Ook hij stelt dat het individuele leven zich voortzet op een ander vlak. Hij heeft het over een “… tempel waar degenen bij wie je werkelijk hoort, je opwachten…”. Bij terugkeer ervaart Jung de wereld als een gevangenis, “… een ‘kistjesstelsel’, elk mens opgesloten in zijn eigen kistje. Maar ’s nachts komen de visioenen terug. Weer zweeft hij in de ruimte, geborgen ‘in de schoot van het heelal’, in een leegte, maar vervuld van het grootste geluksgevoel…”. Hij kon zich daarna “… nooit meer helemaal van de indruk bevrijden dat het ‘leven’ een apart stukje van het bestaan is, dat zich in een hiervoor speciaal ingericht drie-dimensionaal wereldsysteem afspeelt…”. Jung vatte een diepe vriendschap op voor de theoretisch fysicus en Nobelprijswimmaar Wolfgang Pauli, de geestelijk vader van een bijzonder boeiend deeltje van de kwantumfysica, de neutrino, die bij hem kwam vanwege een diepe depressie. Samen zochten ze naar een brug tussen de wereld van het fundamenteel onderzoek van de materie en die van de geest. Jung laat iets zien van het bestaan van een menselijk ‘zelf’, volgens hem de kern van de persoonlijkheid, die ook buiten tijd en ruimte lijkt te bestaan. Een hindoeïstische geestelijke vertelt dat weinig bronnen het fenomeen nabij-de-dood-ervaring zo veelvuldig behandelen als de vedische geschriften uit het oude India. Daarin heeft men het juist over ‘wakker worden’ in plaats van ‘dood gaan’. Het is van het hoogste belang dat de mens zich bewust wordt dat hij rentmeester is van de Âtman: de goddelijke vonk, die onsterfelijk is. Volgens hem was het de bedoeling dat tijdens oude inwijdingsrituelen in het Midden-Oosten via de doop een nabij-de-dood-ervaring zou ontstaan wanneer het hoofd onder water werd gehouden. Deze ervaring was trouwens alleen weggelegd voor een elite die geestelijke verlichting zocht.  

 

Thuiskomen

Niet alleen geestelijken, artsen, filosofen en therapeuten komen aan het woord, het boek staat ook vol diep ontroerende verhalen van ‘gewone’ mensen. Een vader vertelt hoe hij een vreselijk auto-ongeluk veroorzaakt waarbij hij zijn vrouw en jongste zoon verliest. In de daaropvolgende momenten van absolute duisternis en verschrikking verschijnt er een geruststellend licht waarin zijn vrouw hem bezweert terug te keren naar het aardse domein om voor hun overlevende zoon te zorgen. Maandenlang ligt hij in het ziekenhuis terwijl zijn vrouw als in een droom over hem waakt. “… Ik ontmoette de patiënten, de doktoren, de verpleegkundigen en de families van de patiënten daar. Als ik zeg ‘dat ik ze ontmoette’ dan was dat op een zeer indringende manier. Iedereen die ik zag, kende ik. Het waren in die sfeer vreemden voor mij, maar buiten mijn lichaam kende ik hen heel goed. Ik kende hun levens, hun liefde, hun haat, hun boosheid, hun vreugden, hun uitdagingen. Ik voelde zelfs hun ervaringen alsof mij die op een of andere kosmische manier zelf waren overkomen. Ik wist hoe ze zich voelden en leek zelfs hun gedachten te kennen. Het was alsof zij mij waren en ik hen. Ik ervoer een diep ‘één zijn’ met iedereen om mij heen. Bij het hen op die manier kennen, was er op geen enkele manier sprake van oordelen…”. Als hij nog een keer ‘opstijgt’ ziet hij zijn jongste zoon, slapend in een bedje. Het voelt alsof hij ‘thuis komt’, omringd door oneindige liefde en begrip (veel mensen noemen deze ervaring en zijn boos of kunnen dagenlang huilen, als ze weer terug in hun vaak gehavende lichaam zijn). Hij staat voor de keuze zijn jongste zoon al of niet aan God af te staan. Dat kan hij, in het besef dat alles ‘goed’ is en al zijn ervaringen te maken hebben met de ontwikkeling van zijn ziel. Dat gaat voortdurend door middel van ‘keuzes maken’. Onze enige opdracht is ‘groeien’ en ‘lief hebben’.

 

Een bibliotheek tot aan de nok gevuld met boeken

Veel mensen vertellen dat ze zien wat voor impact en gevolgen negatief gedrag bij leven voor anderen heeft gehad. Ze voelen wat zij voelden. Telkens is de boodschap: kijk wat je anderen hebt aangedaan. De les is dat je je bewust moet zijn van wat je doet. Je bent verantwoordelijk voor wat je aanricht. Je kunt een zegen zijn of een vloek; het heeft allemaal zeer grote gevolgen. Helemaal blij word ik van twee (!) verhalen over mensen die tijdens een BDE in een grote bibliotheek terecht komen, tot aan de nok gevuld met boeken: “… Er waren veel laddertjes om de bovenste boeken te bereiken. Het waren boeken over mensen. Ze wilde ze lezen, want ze voelde dat het ontzettend interessant was. Het was net alsof alle kennis daar in die boeken zat…”. NDE’s hebben een blijvende en grote impact op het leven. Ze worden tientallen jaren na de gebeurtenis nog levendig herinnerd en zijn vaak omschreven als ‘echter dan echt’ (dit integendeel tot bijvoorbeeld hallucinaties). NDE-ers blijven hun ervaring voortdurend onderzoeken, om inzichten te krijgen en te ontwikkelen betreffende de betekenis van hun ervaring. De meeste NDE’s leiden tot een verhoogd gevoel van zingeving en een verhoogd bewustzijn omtrent het doel van het leven. Als gevolg daarvan worden NDE-ers vaak minder in beslag genomen door eigen persoonlijke behoeften en zorgen en zijn onbaatzuchtiger en meer inlevend ten opzichte van anderen.

 

Bewustzijn is de basis

De oude natuurkunde kan niets met het fenomeen NDE. Dat is in de nieuwe natuurkunde anders: “… Albert Einstein verwoordde het passend: ‘Ruimte en tijd zijn niet omstandigheden waarin wij leven maar manieren waarop we denken.’ Als we ruimtetijd ontstijgen zoals bij de NDE vormt materie geen beperking meer en kunnen we door stoffelijke structuren heen zoals muren. Bewustzijn buiten de materiële wereld kan bijgevolg door stoffelijke structuren heen en kan kennis nemen van gebeurtenissen om het even waar…”. De meest treffende uitspraken over bewustzijn en geest komen tegenwoordig van de kwantumfysica: “… Vandaag zit de conventionele wetenschap met een ernstig probleem: ze kan haar eigen vondsten niet meer begrijpen…”. Kwantumfysica is de tak van wetenschap die het allerkleinste bestudeert: “… Een kwantum is de kleinst mogelijke hoeveelheid van iets. Zo is bijvoorbeeld de kleinste hoeveelheid licht een foton (een energiepakketje)…”. In die zoektocht stuitte deze discipline op iets wat de conventionele wetenschap juist altijd ten strengste had uitgesloten, omdat het de experimenten niet mocht beïnvloeden en het niet objectief was: bewustzijn. “… Materie bestaat uit atomen. Een atoom bestaat voor 99,999999999% uit leegte (‘niets’) en 0,000000001% uit ‘iets’. Moest men de leegte wegwerken dan zou het hele mensenras passen in één suikerklontje. Als we de kern van een waterstofatoom voorstellen ter grootte van een kers dan is het elektron dat er rond draait een speldenknop op een afstand van 2 km. Die speldenknop draait in werkelijkheid zelfs niet rond de kern, dat is slechts een model. Het elektron is overal tegelijkertijd rond de kern hoewel het in bepaalde gebieden meer waarschijnlijk zal worden aangetroffen dan elders; dat wordt de golffunctie genoemd. Tot je het waarneemt, is het elektron immaterieel, onstoffelijk en niet aanwezig. Er bestaat dus een onstoffelijke realiteit buiten onze stoffelijke werkelijkheid…”. De grondlegger van de kwantumfysica, Max Planck (1858-1947), zei dan ook: “… Bewustzijn is de basis. Materie is een afgeleide van bewustzijn…”. De grondbestanddelen van het stoffelijke zijn onstoffelijk: “… De bouwstenen van het universum zijn volgens de kwantumfysica dus geen materiedeeltjes maar ‘mogelijkheidsgolven’. Wanneer ze worden waargenomen verschijnen elektronen als deeltjes; als ze niet worden waargenomen keren ze terug naar de toestand van oneindige mogelijkheden…”. De microwereld wordt daarom door hele andere wetten gedomineerd dan de klassieke Newtoniaanse fysica. Er blijkt een universeel, alomvattend energieveld te bestaan dat alle herinneringen, verleden en toekomst tegelijkertijd bevat. Onze hersenen zijn hiervan de ontvangers en verwerkers: “… Bewustzijn zet ‘mogelijkheden’ om in actuele, manifeste dingen en gebeurtenissen. De waarneming door een observator is hierbij noodzakelijk om een mogelijkheid in een werkelijkheid om te zetten…”. In dit nieuwe kwantumfysische paradigma kan een NDE op een rationele manier verklaard worden.

 

Blokuniversum

“… Bewustzijn is fundamenteel, het is primair, het was er voor de stof, het kan niet volgen uit de stof, het veroorzaakt/schept de stof…”. Aan de ene kant is deze postmaterialistische visie bijna niet te vatten en aan de andere kant ook weer heel logisch. Alles wat wij mensen maken, bedenken we immers ook eerst. Je zou een en ander kunnen voorstellen als een ‘blokuniversum’: “… een ‘bevroren’ vierdimensionale structuur waarin alle gebeurtenissen – uit het verleden, het heden en de toekomst, een verdeling die dus eigenlijk niet bestaat – vaste eigen plaatsen hebben…”. Even verder: “… In het onbeweeglijke, bevroren, blokuniversum verandert niets en verstrijkt geen tijd. De illusie van een dynamische wereld ontstaat doordat het bewustzijn, komend vanuit een dimensie boven de vierdimensionale ruimtetijd, verbinding maakt met deze statische wereld. Het bewustzijn kiest zich een weg door het onbeweeglijke, onveranderlijke, bevroren blokuniversum. Daarin is de enige dynamiek die van het bewustzijn, de niet-stoffelijke reiziger die zich tijdelijk heeft verbonden met de stoffelijke wereld…”. Vervolgens: “… Als de binding van het niet-stoffelijk bewustzijn met het stoffelijk blokuniversum is verzwakt, bijvoorbeeld door verslechterde fysieke en/of mentale condities, dan kan die verbreken. Wanneer er niet langer verbinding is met een gebeurtenissenreeks in het blokuniversum, dan is het bewustzijn niet meer beperkt tot het in volgorde ervaren van de gekozen weg. Op die gekozen weg kan nu van een afstand worden teruggekeken. Het is of een afgerolde speelfilm volledig wordt gezien. Dat is wat in de NDE het levenspanorama wordt genoemd. Wat verder op de weg ligt, wordt eveneens gezien, evenals wegen die niet zelf maar door anderen zijn gevolgd en de vervolgen daarvan. Veelal is dit onvolledig en worden fragmenten waargenomen. Als de verbinding weer wordt hersteld, dan kunnen de ervaringen herinnerd worden die het bewustzijn tijdens de niet-verbonden staat had…”. De wereld van ruimte en tijd is in deze fascinerende visie onveranderlijk en omvat tegelijk elk mogelijk pad.

 

Opstanding

“… Wereldwijd is licht het symbool van goddelijkheid, van het geestelijk element dat na de oerchaos van het donker het Al doorstroomde en aan het duister zijn grenzen wees…”. Zie het Bijbelse scheppingsverhaal en Jezus die gepresenteerd wordt als ‘het licht der wereld’. Het licht staat voor compassie en universele, onbegrensde liefde. In het boeddhisme verbeeldt het licht inzicht in de waarheid en overwinning op de materie. In het hindoeïsme is licht een metafoor voor wijsheid. Volgens Eben Alexander zijn alle meditatieve tradities binnen grote religies in overeenstemming met NDE-ers die het hebben over een zogeheten ‘Godskracht’: “… We hebben allemaal deel aan die Godskracht. Alles draait om liefde, medeleven, vriendelijkheid en vergeving. De gouden regel ‘Behandel anderen zoals je zelf behandeld zou willen worden’, wordt in één of andere vorm geschreven in alle religies…”. Van Warven heeft het over wat NDE-ers kunnen betekenen in onze ‘ontzielde’ levens: “… er is een crisis in de wereld van zingeving en spiritualiteit. De religie zou in deze ontzielde samenleving een bezielend geluid moeten laten horen. Maar ze lijkt die rol niet naar behoren te kunnen vervullen. Ook deze wereld lijkt gevangen te zijn in de materialistische paradigma’s…”. Zie Arjan Plaisier die in “Zorg voor de ziel” schrijft:  “… Een christendom zonder de weg naar binnen, bloedt dood…”. Sommige NDE-ers ‘zien’ hoe hun lichaam vastzit aan een ‘zilveren koord’, een soort ‘goddelijke navelstreng’, zoals Charles Lindbergh tijdens de eerste vlucht zonder tussenlanding over de Atlantische Oceaan, van New York naar Parijs. Zie Prediker 12 vers 6, waarin dit fenomeen letterlijk aan de orde komt: “… voordat het zilveren koord wordt losgemaakt, de gouden lamp gebroken wordt en het lichaam terugkeert naar de aarde en de geest weerkeert tot God…”.  Dan is er geen terugkeer meer mogelijk. Zie ook Hosea 11 vers 4, waarin het gaat over ‘koorden van liefde’. Zie verder Paulus die ‘weggevoerd’ wordt tot in het paradijs: 2 Kor. 12 vers 1-5. En Jacob’s droom over een ladder die tot in de hemel reikt: Genesis 28 vers 11-13. Wat mij ook opviel is dat NDE’ers vaak vertellen dat ze vanuit een hoek van het plafond kijken naar wat er met hun lichaam gebeurt op de operatietafel. Dat is de plek waar Russisch-orthodoxen hun iconen hangen! Van Warven: “… Veel NDE-ers ervaren hun NDE als een paasverhaal. Ze vieren de aanwezigheid van het licht dwars door dood en duisternis heen. Er is een analogie tussen het verhaal van de opstanding van de mensenzoon en het opstandingsverhaal van veel NDE-ers. Een NDE-er weet dat pijn, verdriet, lijden en dood niet het hoogste woord hebben. NDE-ers vertellen over de oneindige meerwaarde van het leven. Hun verhalen zetten een streep door al onze ideeën over wat wel en niet mogelijk is in de alledaagse werkelijkheid. Wij mensen hebben de kracht om het verhaal van de opstanding verder te leven. We mogen ons overgeven aan die bron van Licht die in ieder mens aanwezig is...”.  Verder lezen: zie "Energie van de geest" van Philip Troost

 

Uitgave:  Van Warven – 2020, 432 blz., ISBN 978 949 317 544 0, 32,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 8 december 2020

Het kindeken Jezus in Vlaanderen – Felix Timmermans

 



Toen ik van de zomer tussen oude boeken aan het neuzen was in een kringloopwinkel, waar ik op mijn zwerftochten door het land altijd even een kijkje neem als de gelegenheid zich voordoet, stuitte ik op een gedateerde Salamanderpocket van “Het kindeken Jezus in Vlaanderen”. Wat ik het mooiste vond aan het boekje is de schitterende afbeelding van Jozef en Maria op de voorkant. Binnenin staan ook allerlei kleine illustraties. Naïef werk. Houtsneden die Felix Timmermans (1886 - 1947) zelf gemaakt schijnt te hebben. Ik bedacht dat ik er misschien met kerst wat mee kon, omdat het dan altijd weer een uitdaging is om iets origineels te lanceren. Toen ik aan het lezen sloeg, bleek de oude vertelling (1922) tot mijn grote verrassing ook nog eens ongelooflijk te boeien. Het gaat om een alternatief kerstverhaal, waarin Felix Timmermans de geboorte van Christus laat afspelen in het katholieke Vlaanderen, waar hij woonde. Het houdt een beetje het midden tussen “A Christmas Carol” van Charles Dickens en “Het kerstfeest van twee domme kindertjes” van W.G. van de Hulst. Nadat hij kantje boord had gelegen in een ziekenhuis focuste Felix Timmermans op ‘de goedheid van het leven’ (zie “Pallieter”). Hij liet zich vooral beïnvloeden door het werk van de zestiende-eeuwse schilder Pieter Breughel. Overigens: in Oost-Vlaanderen bestaan de dorpen Bethlehem, dat tegenwoordig Bellem heet, en Nazareth echt. Ik snapte ook ineens waar Dimitri Verhulst zijn inspiratie voor “De intrede van Christus in Brussel” vandaan moet hebben. 

 

Een engel op je pad

 


Als Maria, “… nog maar een maagdeken van achttien jaar…”, dromerig naar het portretje van haar overleden moeder Anna, die de monnik Lucas heeft geschilderd, zit te staren, komt een “… korte, dikke parochiepaap…” langs, die al wandelend zijn brevier leest. Of hij haar zijn zegen wil geven. Met alle genoegen natuurlijk. “… Het hoofd van de paap was groot, rood en vetblinkend tegen de avondlucht…”. Hij kijkt naar haar pronte borsten in het ‘spannende, zwaarplooiend blauwe kleed’: “… En vol bekommernisme om haar zielezuiverheid zocht hij naar woorden om haar zijn onrust diets te maken. Want hij wist maar al te wel hoe gevaarlijk de duivel zoekt en vindt, bijzonder in den maagdekenstijd. En hij zei: ‘Ge zoudt nonneken moeten worden’. ‘Ja?’ vroeg Maria verschietend. ‘Ja,’ zei de paap…”. Nou, daar heeft Maria totaal geen zin in. Dan zal ze nooit meer lekker langs de Nete kunnen lopen en de ‘patattenvuren’ ruiken in haar ‘eenvoudige, witte’ leven. Terwijl ze die zondagavond zwaar in gedachten ter kerke gaat, hoort ze ineens muziek door de takken van de bomen waaien: “… Maria zag bevreesd omhoog en toen ze weer voor zich keek, stond er daar, geweven uit avonddamp en maneschijn, een overschone engel met kersrode kazuivel om, en leliënbloemen in zijn hand. Hij was doorlicht van een hemels vuur en blonk als een kerkraam in de zon. Met zijn ruisende pauwsteertenvlerken hief hij zich boven den grond, en een bedwelmende reuk van violen en kruidnagelen walmde van hem uit…”. Hij komt haar boodschappen dat zij de moeder van de Heer zal worden.

 

Ge moet nu met Jozef trouwen

 


Op een mooie lentedag besluit Maria het geweldige nieuws aan haar nicht Elizabeth te melden. Dolgelukkig huppelt ze over de ‘Grobbedonkse heuvelen’, “…. De molens sloegen kruisen van blijdschap naar de zon…”, richting het “… witgekaleide huisje van koster Zachaar…”. Als ze daar aankomt is de eveneens zwangere Elizabeth net de was aan het ophangen. Ze vliegen elkaar ‘wenend’ om de hals. Zachaar staat het wilde stelletje vrouwen een beetje ongemakkelijk te bekijken: “… Terwijl zij voor het huis gingen, vertelde Elizabeth, hoe Zachaar in de kerk ineens stom en doof geworden was, omdat hij de woorden van een engel, die hem de eindelijke geboorte van een kind kwam melden, niet geloven kon; en dit moest zo nog duren tot de bevalling. Maria zag hem medelijdend aan, maar hij schudde zijn mager, met witte haren omkranst hoofd, als wilde hij zeggen: ‘ ’t Is niets, ’t is niets, ik heb het verdiend en ’t zal wel over gaan.' En hij liep hen voor om in den kelder een potteken bier te tappen…”. Elizabeth brengt Maria naar de kelderzolder waar ze mag logeren: “… Zij lei haar mantel af, verfriste zich en deed malse sloefkens aan haar voeten…”. Als ze samen de zaak nog eens doorpraten zegt Elizabeth ineens: “… Maria, ge moet nu met Jozef trouwen…”. Maria schrikt zich rot. Daar heeft ze nog nóóit aan gedacht. Ze is toen ze nog heel jong was uitgehuwelijkt aan de oude Jozef. Ze heeft hem één keer gezien. Een en ander beweegt haar tot tranen met tuiten. Maar de evenwichtige Elizabeth weet haar gerust te stellen. Ze hoeft niet bang te zijn voor Jozef: “…want dat hij was een heilig man, en die haar reinheid en haar maagdom zou eerbiedigen, dat hij steeds verlangde om wettig in haar bijzijn te mogen wonen, maar haar niet bezocht om geen opspraak te verwekken, en ten leste dat Maria huwen moest ter wille van haar en Jozefs eerbaarheid voor ’t aanschijn van de mensen…”. Maria komt al gauw tot bedaren: “… Weldra kriepte en sjirpte de koffiemolen, en terwijl Maria de gemaalde boontjes met kokend water begoot, sneed nicht Elizabeth de lange tarweboterhammen…”.

 

Kletsen doen ze toch

 


Ondertussen zit een eind verderop Jozef op een omgevallen boomstam “… te peinzen, altijd maar te peinzen aan hetzelfde ding, hoe het kwam dat Maria zwanger was, en wat hij nu als bruidegom moest doen; zijn handen speelden zenuwachtig met een korenaar…”. Gék wordt hij er van. Hij weet zeker dat Maria niet de persoon is om vreemd te gaan, en tóch… Een lange pastoor komt naast Jozef zitten en zegt dat hij als een ‘vuurken’ over de tong gaat, “… maar gij weet zo goed als ik, dat ze van een pink een arm kunnen maken…”. Dus hoe komt Maria zwanger. Voor de draad er mee. “… ‘Luister,’ sprak Jozef kort, ‘ik heb er geen schuld aan!’…”. Hoe dan? “… De pastoor zat daar als uit de wolken gevallen, en wist niet wat te denken…”. Hij “… liet een peerdezucht en krabde met een vinger in zijn haar…”. Uiteindelijk draagt hij Jozef op eens met Maria te gaan praten: “… Ge moogt u niet nutteloos op de tong laten rijden…”. Als Jozef het niet doet, zal hij zélf wel eens verhaal gaan halen bij Maria. Jozef ziet dat niet zitten en besluit er de volgende dag tussenuit te knijpen. Die nacht krijgt hij echter een droom, waarin een stem van ‘gevleugeld licht’ hem vertelt dat Maria zwanger is van de Heilige Geest. Hij moet niet bang zijn om haar tot vrouw te nemen. Wat volgt is een boerenbruiloft. Eerst de inzegening in de kapel: “… En och, het was er zo stil. De stilte zat naar haar eigen te luisteren. Maar toch, nu en dan, zei met een kort gekraak de ene stoel wat tegen den andere…”. Tot de deuren open vliegen, “… en, wijl het buiten nog tokkelde en vedelde…”, de bruiloftsstoet binnen komt. Zachaar speelt zich op het orgel regelrecht de hemel in. En als de dienst is afgelopen ligt de straat naar de oude uitspanning ‘De Zoeten Inval’ vol met rozen: “… Daar gingen ze de bruiloft, volgens oude manieren, met goeden sier doormaken, en reeds hong in de smoorlucht de smakelijke reuk van ajuinsoep, gestoofd konijn en andere lekkere beetjes…”.

 

De volkstelling 


Over Vlaanderen heerst een vreemde, wrede koning: Herodes. Er is weinig werk, dus verhuist Jozef met Maria naar de stad, waar ze hun intrek nemen in een ‘roversholleken’. Een “… ingezakt lemen hutteken, van onder tegen de walhelling…”, zodat Maria kan uitkijken over de bevroren Nete waar blij geluid van schaatsenrijders benevens ‘smoutebollenreuk’ vandaan komt. Dan rijden er twee in pelzen gewikkelde soldeniers onder tromgeroffel en “… de versmachtende stem van een koperen hoorn…” hun straatje in. Eén ontrolt een papier en verkondigt met schorre, bijtende stem dat alle inwoners zich op zondag 25 december moeten laten opschrijven in de gemeente waaruit het hoofd van het huisgezin vandaan komt, want Herodes wil wel eens weten hoeveel zielen zijn domein bewonen. Wie het bevel negeert “… verbeurt zijne goederen, of wordt gestraft naar den lijve…”. Jozef en Maria wordt het wit om de neus. Hoe moet dat, Maria loopt op alledag! Er zit niets anders op, ze gaan toch op pad: “... naar het kleine vlek Bethlehem…”. De weg is eindeloos, het vriest dat het kraakt, grote kladden kraaien wieken over de besneeuwde velden, “… en de luie zon, bleek als een hostie, volgde Jozef en Maria als een koppig dingen mee…”.  Ze krijgen eten van medelijdende mensen: “… ‘Ik wil het betalen,’ zei Jozef. ‘We zijn geen bedelaars.’ ‘ ’t Is om de liefde Gods,’ zei de jonge vrouw…”. Een sneeuwstorm steekt op, Maria kan niet meer, er is geen huis te zien: “… Doch plots liepen ze terecht op een enorm dikken, hogen beukeboom, die van onder, tot manshoogte was uitgehold…”. Waarschijnlijk de voormalige  ‘woonste’ van “… een vroom eremijt, te zien aan de gelovige spreuken in het hout gesneden…”. Jozef en Maria kruipen lekker warm tegen elkaar aan en brengen zo de nacht door. Hoog boven hen hangen drie vleermuizen in hun winterslaap en nog hoger roept een uil: “… En de boom, de holle boom, bromde in de wind; ’t was alsof er wondere wezens in de kruin zaten, en gilden of laag zongen als zatte vrouwlie…”.

 

Geen plaats in de herberg

 
 

De volgende dag strompelen ze weer verder, en net als Jozef beseft dat hij verdwaald is, ziet hij een molentje waar een kwiek Hollandertje hem een borreltje geeft, een ezeltje leent en hem de goede richting wijst: “… ‘Altijd recht vooruit! En dan de grote baan!’ riep het ventje hun nog toe. ‘Ge kunt niet missen. Goede reis en den Baas van hierboven met u!’…”. Bethlehem puilt uit van het volk. Het is één grote kermis. Zatlappen, bedelaars, blinden, gebrekkigen, een doedelzakspeler, sneeuwballen gooiende snaken, een dansende beer, ruziezoekers, steltlopers, janklaassenspelers, een paardjesmolen, bruine paters, meisjes van plezier, soldeniers die slechte vuile liedjes zingen. Als laatsten melden Jozef en Maria zich bij het gemeentehuis waar ze ingeschreven worden. Op zoek naar een slaapplek blijken alle herbergen en tot herberg verbouwde huizen vol te zitten. Terwijl de weeën op komen zetten, stuit het wanhopige echtpaar op een onnozel kind, dat hen over ‘bevrozen’ water naar een “… een verlaten stalleken, waar bieënkorven staan, het is er droog en er is warm hooi….”  brengt. Als de geboorte nadert gaat Jozef zenuwachtig in de donkere nacht op zoek naar water. Hij moet een eind lopen voor hij ontdekt dat hij op ijs staat. Hij stampt met zijn voet om er een gat in te krijgen. Hij kapt met zijn ‘lierenaar’ tot de splinters ijs in het rond spetteren. Het zweet lekt hem in zijn baard. Het bloed staat hem aan de oren. Tevergeefs. Tot hij een gebroken knotwilg ontwaart die hij met uiterste kracht al blazend op het ijs dondert. Eindelijk barst en scheurt het en kan Jozef zijn ‘blikken busken’ met water vullen. Als hij terugkomt zit Maria met een spartelend ‘borelingske’ in haar armen, terwijl “… de bieën in hunne korven zingen…”.

 

De herdertjes lagen bij nachte

 

Een eindje verderop hangen slaperige herders rond een vuur bij hun kudde in het veld. Een ‘bolneuzig bultenaarken’ ziet het in de verte weerlichten. Dat kan niet volgens de anderen, want de hemel staat vol sterren. Toch gelooft hij dat hij het gezien heeft. Ze kaarten rustig verder, terwijl een blinde een ‘weke klank’ aan zijn viool onttrekt. Plotseling schreeuwt een ‘zwartogig jongsken’: “… Moeder, moeder de hemel valt!...”.  De herders schrikken zich te pletter: “… Ze zagen allemaal omhoog; heel de stille hemel kwam in beroering, miljoenen sterren vielen uit de lucht, verlichtten de aarde als bij klaren dage, maar als afgesproken hield het plotseling stil; de grote beer, de botermelkweg, de reus, ze zaten nog wel op hunne plaatsen, maar in al zijn verheven glorie stond er ginder een ontzaglijk grote komeet. ‘De sterre met den steert! De sterre met den steert!’ wierd er verbaasd geroepen…”. Het is de tweede keer dat ze de ster zien. Ze vragen zich af wat het aankondigt. Oorlog? Pest? Hongersnood? Het vergaan van de wereld? Alleen de oude Bienus, die net noch met houten priemen een saaie kous stond te breien, weet het: “… Zijn stem was een gebod, hij was geleerd, want hij kon boeken lezen, en was ervaren in al de geheimen der schapen en der bieën, hij kon kruiden bezweren, kende den loop der sterren, en wist aan water, zon en manestand, het weder voor den anderen dag, soms wel voor een heel seizoen te voorspellen. Er wierd zelfs gezegd, dat hij den wind kon keren, en vele tovenaars uit de streek, die met den ‘Zwarten Ambrosius’ werkten, waren venijnig op hem, omdat hij meer kon dan zij, en kracht putte uit de woorden van God en van de engelen…”.  De ster staat boven Bethlehem. “… Ik geloof dat in Bethleëm grote dingen gebeuren…”, orakelt Bienus. “… ‘Ik zet nooit meer een voet in dat duivelsnest,’ zei het dikzaksken…”. Iedereen weet dat het er vol zit met “… slechte wijven, zatlappers, tuisers en bandieten…”. Bovendien komen er ieder jaar minder bladeren aan de bomen en wonen er toverheksen.

 

Stary, stary night 


Dan merken ze dat de ster steeds lichter wordt: “… ‘Ze geeft zoveel licht als de maan!’ doddelde een platneuzige sul die tot hiertoe niets gezegd had, ‘Zie achter mij de schaduw eens!’…”. Overal beginnen hanen te kraaien. De schapen gaan recht staan en draaien hun koppen naar het oosten. In de lucht klinkt prachtige muziek, en ineens verrijst er hoog voor hen een blinkende engel, “… met draaiende lichtkransen aller kleuren om zich henen…”, die vertelt dat de Zaligmaker is geboren. De bevende mannen zijn omhangen “… met het perelmoerig licht, dat van den engel kwam, uit zijn groengewaterde mantelplooien, uit zijn gulden haren, ’t hemelsblauwe kleed en zijn trillende vlammenvleugelen…”. Verbouwereerd zien de boertige herders hoe de hemel open gaat als een roos van blinkend engelengewemel en het vanuit heel ver in de duizelende diepte van engelenlicht een ‘mare’ opklinkt: “… Glorie aan God in den Hoge, en Vrede op de aarde aan de mensen van goeden wil…”. Kolommen van licht wandelen over de aarde. Sterren van licht maken grote cirkels, als op een schilderij van Vincent van Gogh. Als het visioen plotseling voorbij is oppert Bienus met bevende bestoppelbaarde kin: “… Laten wij seffens naar Betleëm gaan dit kindeke zoeken…”. Ze besluiten de andere herders in de heuvelen te roepen. Iemand begint “… op een koehoren te blaaskaken, en door de nachtstilte wandelde het getromp over de bergen en gaf een flauwe echo terug…”. Uit de eenzame hutten die ze voorbijgaan komen er koppen met slaapmutsen op die vragen waar de opgewonden stoet heen gaat: “… En in elke hut waar vroomheid was, schudde de vrouw haren rok om, de man schoot zijn broek aan zijn benen, en de kinderen kropen uit hunnen strooizak en vroegen om ook dit schone kindeken te mogen zien…”. Allemaal dragen ze giften van wat ze kunnen missen bij zich: “… eieren, boter, zoete lies, doeken enzovoort…”. Een vondelingetje komt met een lammetje aanzetten: om mee te spelen. Jozef weet niet wat hij ziet als er zachtjes wordt geklopt en er een hele menigte voor de schuurdeur staat. Nog meer hoogbezoek is onderweg...

 

Op de vlucht

 

Jozef en Maria gaan een kaarsje voor hun kind branden in de kathedraal van Gent, het ‘Jeruzalem van Vlaanderen’. Daar ontmoeten ze de oude profetes Anna en de heilige eremijt Simeon, die zich ook naar de kerk heeft gespoed om ‘het lichaam geworden licht’ te ontmoeten: “… ‘Vandaag! Vandaag! O blijdste dag van mijn leven!’ juichte Simeon, ‘ ’t Is zonne in mij, ’t is zonne in mij, ’t is zonne!’…”. Maar hij voorspelt ook met haperende stem dat een zwaard Maria’s hart zal doorboren, waarop ze prompt flauw valt.  Als Jozef en Maria met een piepend huifkarretje de stad uit trekken begint de sinds tijden zwijgende klok van Gent, “… Roeland, de tong, het hart van Vlaanderen…”, te galmen. “… Het Belfort beefde, Gent beefde en de mensen, als van de hand Gods geslagen, huiverden en ontroerden, voelden ’t gehamer door hun herten gaan, en staarden verbijsterd naar boven in de lucht…”. Op een prachtige februaridag komt Kruisduit, een vrolijke marskramer, langs het stalletje van Jozef en Maria, en vertelt over de drie koningen met hun duizenden soldaten die hij in Gent heeft gezien: “… Zij zijn uit de warme landen gekomen, over den Rhijn, langs Hasselt, Leuven, Mechelen, Antwerpen en Gent…”. Ze hebben Herodes naar de nieuwe koning gevraagd. Herodes heeft, in alle staten, de wijsneuzen van de stad, filosofen, kletskoppen, lettervreters en profetenbazen bijeengetrommeld. Staat er in oude papieren soms écht iets vermeld over een nieuwe koning? De schrik slaat Jozef en Maria om het hart. De marskramer heeft zijn hielen nog niet gelicht of bazuingeschal en paukengebrom vult de lucht en een leger komt als een kronkelende slang door de heuvels op hen af marcheren. De koningen Balthazaar, Gaspar en Melchior stappen van hun olifanten - dat zijn beesten met een ‘steert’ van achteren en een ‘steert’ van voren – om de Koning der Koningen te aanbidden en geschenken van goud, wierook en mirre aan te bieden. Ze zitten nog lang op een gevelde boom met Jozef en Maria en de oude marskramer te praten. Als ze eindelijk opstappen delen ze opgeruimd mee dat ze nog even langs Herodes gaan om te vertellen waar het goddelijke kind zich bevindt. Dan kan hij het een dezer dagen ook komen bezoeken en aanbidden. Jozef en Maria gaan diep bezorgd te bedde. Herodes is tot alles in staat. Diezelfde nacht nog krijgt Jozef een droom waarin een engel verschijnt die hem gebiedt te vluchten. Herodes zal hun kind zeker gaan zoeken om het te doden. Nog voor het ochtend wordt zijn ze vertrokken.

 

Warmte in kille coronatijden


In het paleis zit de nar Hobbelewitje in de leunstoel van de koning te wachten tot zijn heer de ogen opendoet: “… Door een spleetje in de saffraanzijden bedgordijnen beloerde de nar het wezen van Herodes. Zijn grote kop lag daar rood als een uitgebrande zon gezonken in witte, malse kussens; ene hand kwam boven het deksel, zij bezat puttekens van dikkigheid en glansde van juweelbezette ringen, en de buik die de dekens op en neder deinen deed, was enorm als van een zwangere vrouw die aanstonds kan bevallen. ‘Hij slaapt als een verken,’ peinsde Hobbelewitje…”. Hij moet niesen “… en alles belde en rinkelde wat aan hem was…”, waarop “… Het hoofd verroerde, een paardegekroch roffelde uit de zachte warme kussens en Herodes opende de waterbalken zijner bruine koeogen…”. Terstond probeert Hobbelewitje de koning met een grap op te vrolijken, want hij was in een vreselijk humeur ingeslapen, omdat de drie koningen nog steeds niet waren weergekeerd. Het is als een pleister plakken op een houten been: “… ‘Zwijg, bult!’ baste Herodes woest…”. Wat zou er vandaag gebeuren? Heel het hof zat “… met een ei van schrik…”. Als een hijgende boodschapper komt melden dat de drie koningen heimelijk een andere weg naar huis hebben genomen, ontploft Herodes zo’n beetje. Een geniepige minister raadt hem aan alle jongetjes onder de twee jaar in Bethlehem te doden: daar zit de verborgen koning zeker tussen. Een vreselijke pogrom barst los. Jozef en Maria krijgen het voor elkaar de Schelde over te steken en zoeken hun heil in Holland. Als de aan afzichtelijke zweren lijdende Herodes die zomer hoort dat het koninklijke kind toch nog is ontsnapt, wordt hij geveld door een epileptische aanval: “… zijn geest verdraaide lijk een omgekeerde handschoen…”. Hij sterft een afschuwelijke dood, waarna Vlaanderen herademt. Die zomer, in “… de baldadige joel van de zon, het wilde geweld van het licht…”, keert de heilige familie terug naar Nazareth. Jozefs “… ziel hong vol-gelukkig in hem als een rijpe peer…”, als hij de grond van zijn geliefde Vlaanderen betreedt. Het huisje van Maria staat nog steeds leeg op hen te wachten. Een avond in september: “… op het veld brandt een rood patattenvuur dat luie strepen smoor voor de hoge bomen weeft. Een laat vledermuisken trilt door de lucht…”.  Jozef en Maria zitten aan de avondpot: “… Terwijl een mannenstem brommend als een hommel den zegen des hemels over het eten roept, slaan de bolle handekens van een kind een houten lepel rumoerig op de tafel…”.

Wát een warmte in deze kille coronatijden…

 

Uitgave: Querido – 1964, 16e druk, Salamander 175, 160 blz., alleen nog tweedehands verkrijgbaar

zaterdag 5 december 2020

O – Esther Maria Magnis

 


Subtitel: O Adonai, O Emmanuel, O Dageraad, O Wijsheid, O Sleutel van David, O Wortel van Isaï, O Koning van Volken

 

Wij leven in een duale wereld. Man-vrouw, links-rechts, licht-donker, arm-rijk, enzovoorts. Dus naast het ‘ultieme kwaad’, zie mijn vorige blog, moet ook het ‘ultieme goed(e)’ bestaan. Voor mij is dat God, die in zijn Zoon Jezus Christus, ons zeer nabij gekomen is. Dat is wat wij met kerst vieren. Althans, ik, want ik ben christen. Het is niet alleen een verhaal uit een ver verleden, maar ook van hier en nu. Want sommigen ontmoeten Christus persoonlijk, in dromen en visioenen. Zie bijvoorbeeld een mij zeer ontroerend You Tube filmpje betreffende archeoloog Jennifer Peersmann.  Zie ook mijn blog over de Deense onderzoeksjournalist Charlotte Rørth. Ik heb Jezus nooit ‘gezien’, ook al zou ik dat natuurlijk wel heel graag willen. Maar ik ben al intens dankbaar dat zich in het diepst van mijn donkere ziel een helder licht heeft geopenbaard. Misschien is dat meer dan genoeg om het leven door te komen. De wereld kan zo onmenselijk zijn, het geweld zo vernietigend, verdriet zo diep, dat het je volkomen uit het lood slaat. Toch is er “… een levende kern die niet wordt geraakt…”, zegt Esther Maria Magnis in een interview in het ND van 29 november. Dat is ook mijn ervaring. Even verder: “… Voor mij is er een dimensie van leed waarin het om méér gaat dan het fysieke lijden: om het behoud van de ziel. Ik bedoel dat niet als goedkope troost…”. Na het overrompelende debuut, “Mintijteer” uit 2015 (over haar gevecht met God en hoe ze Hem weer vond), hoorde ik niets meer van haar. Tot ik vorige week een pakje van haar uitgever op de deurmat aantrof, met daarin haar nieuwste boek: “O”, een bundel prachtig vormgegeven meditaties voor Advent.

 

De vele gezichten van de Messias

Op de zeven dagen voor Kerst worden in de rooms-katholieke traditie de zeven zogenaamde O-Antifonen gezongen: korte teksten die telkens met de aanroeping ‘O’ beginnen. Jezus wordt aanbeden met namen uit het Oude Testament: “… daar waar mensen naar de Messias verlangen, iets van hem vermoeden, waar ze over hem horen, van hem dromen, en hem roepen…”. Wijsheid, Adoniai, Wortel van Isaï, Sleutel van David, Dageraad, Koning van volken en Immanuël. “… In de Benedictijnenkloosters zijn de O-Antifonen altijd met grote vreugde en uiterst feestelijk gezongen. De abt zette de eerste antifoon in, en meteen begon dan de klok van het klooster te luiden, om pas op te houden wanneer het Magnificat en de Grote Antifoon geklonken hadden. Die klok laat ons zien, dat alleen al bij het uitspreken van de erenamen van onze Verlosser de wereld begint te zingen…”. Er is ook een Nederlands Adventslied waarin vijf van de zeven O-antifonen worden geparafraseerd: het door Willem Barnard vertaalde 'Veni, Veni, Emanuel'. Zie hier.

 

Het ‘Magnificat’

De Antifonen zijn gegrond op de lofzang van Maria, het ‘Magnificat’, uit Lukas 1:46-55. Als Maria haar eveneens zwangere nicht Elisabeth gaat opzoeken, en ze elkaar zien, heeft ze wat je tegenwoordig een soort van ‘piekervaring’ zou kunnen noemen. Moet je nagaan: Maria wordt de moeder van de lang verwachte Verlosser van Israël. Dat heeft een engel haar verteld. En Elisabeth, die dacht dat ze nooit een kind zou krijgen, raakt op haar oude dag toch nog in verwachting! Een en ander uit zich in een door Maria uitgesproken wonderbaarlijk profetisch gebed: “… Het spreekt immers over de komst van een andere tijd, de komst van onze Heer…”. 

 

Sapienta

Zie Spreuken 8 : 1-6. De eerste naam. Wijsheid: “… Als wij roepen: ‘O Wijsheid, voortgekomen uit de mond van de Allerhoogste’, dan bevinden we ons niet, tijdens de eerste scheppingsdag, op een krijtrots en staren ver voor ons uit over de lege zee, of omhoog naar de heldere hemel. Nee, we gaan nog veel verder terug…”. Nog vóór de oerknal. “… Wat een dimensie van tijd! Wat een dimensie van energie! De dimensies van de wereld! De dimensies van een mens die zich er niet voor schaamt hartstochtelijk te smeken: ‘O, kom en leer ons de weg,’ – alsof hij er op de een of andere manier recht op heeft zo te bidden, alsof hij werkelijk de mogelijkheid heeft om te ontvangen. Dat komt mij volkomen absurd voor…”. Wij willen gewoon WETEN. Zie het CERN in Zwitserland waar voor miljoenen een deeltjesversneller is gebouwd en mannen in witte pakken proberen iets te doorgronden van de omstandigheden rond de oerknal. Wij denken bij ‘wijsheid’ al gauw aan een door ervaring getekende oude grijsaard. In de Bijbel is ‘Wijsheid’ echter een kind dat speelt voor het aangezicht van God. “…. Er liggen mildheid en kracht in dit spel, zegt de antifoon. Wanneer zien we kracht en mildheid samenkomen? Misschien bij het landen van een adelaar, die met zijn reusachtige vleugels, zijn zware lichaam en zijn geel-gloeiende klauwen voorzichtig balanceert op de rand van het nest, omdat zijn jongen daar zitten…”.  Magnis vergelijkt ons met de brutale en haveloze jongen van de adelaar die maar één ding willen: voedsel. “… Maar we bidden deze antifoon ook niet omdat we zo netjes opgevoed zijn. We roepen  met ruige nekken en gierige snavels, omdat we anders verhongeren…”. We snákken naar wijsheid.

 

Adonai

Zie Deuteronomium10 : 16-22. Magnis: “…. Adonai is de uitdrukking die de joden gebruiken om niet de naam van God uit te hoeven spreken, de naam waarmee hij zich vanuit de brandende doornstruik aan Mozes geopenbaard had…”. God openbaart en verhult zich tegelijkertijd. Het is een vaag en dubbelzinnig beeld. Aan de ene kant “… het angstaanjagende, donderende, dreunende, wrede en zelfs dodende karakter van deze God, die strijdwagens in de zee doet wegzinken, die in vuur verschijnt op de Sinaï, die brandoffers eist en rivieren met bloed vult…”. Een zeer verontrustende God met wie niet te spotten valt. Het lijkt of deze God zich met heel veel moeite probeert aan de mensen aan te passen, “… omdat hij hen weer dichtbij zich wil hebben, met zich verzoenen wil. Het is verbazend hoever hij gaat in dit verlangen, hoe vaak er sprake is van toorn, hoezeer hij zijn best doet om de Hebreeën onder de indruk te brengen van zijn god-zijn…”. Aan de andere kant is daar het verhaal van de geboorte van Mozes, waarin er geen sprake is van hard ingrijpen: “… Integendeel. Het wonder, namelijk dat de kleine Mozes überhaupt volwassen wordt, voltrekt zich niet middels Gods rollende donder, niet met vuur en bliksemschichten op bergen in een gezelschap van bebaarde mannen, nee, het voltrekt zich te midden van vrouwen en meisjes, bijna als vanzelf. God lijkt niet te hoeven ingrijpen…”. De vroedvrouwen, de moeder van Mozes, zijn zusje Mirjam, de dochter van de farao: “… Ze vormen zoiets als een onbewuste, beschermende krans om Mozes…”. De moeder van Mozes negeert het bevel van de farao om alle Hebreeuwse jongetjes te doden niet omdat hij ooit een ontzagwekkend leider zal worden, nee, “… De reden daarvoor die de Bijbel vermeldt is, ‘omdat ze zag dat het een mooi kind was.’…”. Gewoon een mooi kind! Dit goede en tedere blijft niet bestaan: “… Mozes gedraagt zich niet erg voorzichtig wanneer hij de Egyptenaar doodslaat. Hij moet vluchten, het begint allemaal weer van voren af aan, we kennen het al vanaf het begin van mens en God: dat wegrennen, dat verbergen. Wanneer God zich vele jaren later in de doornstruik aan Mozes openbaart is Mozes al een oude man, en hij verbergt ogenblikkelijk zijn gezicht. Sinds Adam en Eva, die zich voor God probeerden te verbergen, lijkt er niets veranderd. Tegelijkertijd spreekt het ook wel weer voor de mensen dat ze de scheiding voelen, dat ze het onderscheid tussen God en zichzelf opmerken…”. God trekt zich niet terug: “… Hij treedt de geschiedenis binnen, als een komeet, die met zijn snelheid niet bij onze atmosfeer past en die begint te gloeien, zo licht en vreemd. Zonder te verbranden verschijnt de God van liefde in deze atmosfeer waarin men kleine zuigelingen in de rivier gooit…” (zie ook mijn vorige blog). Magnis eerlijk: “… Ik vond de God van het Oude Testament als kind de meeste tijd niet goed wijs en verschrikkelijk; en toen kende ik de verhalen nog niet eens waarin hij handelingen lijkt te billijken die je eerder aan IS doen denken…”. Later raakt ze onder de indruk van de manier waarop God zich op de omgang met Mozes en zijn volk stort, die in het geheel niet op zijn ideeën zitten te wachten. De passie waarmee Hij dat doet. Hoe weinig Hij zich afgrenst van de wereld van de mensen. “… En dat is het oneindig geruststellende aan deze Adonai. Hij heeft alles opgeschreven, hij leidt zijn volk en hij wordt woedend als mensen hem niet volgen, zich tegen hem verzetten, hij maakt lawaai, hij verschijnt oneindig indrukwekkend en laat wonderen gebeuren waarvan men vandaag in de pastorale praktijk als kleine extra overtuigingsgimmick zeer dankbaar zou zijn – het maakt eigenlijk niet uit, een kleinigheid zou al mooi zijn…”. Magnis: “… Met ongehoorde traagheid van de kant van de mensen en ongehoorde daden van natuurkracht van Gods kant beweegt er af en toe iets in deze wereld. Het is verbazend wat God allemaal moet doen om ons zo ver te krijgen dat we ons tot hem wenden en hem ons vertrouwen schenken…”. Ze struikelt verder en hoopt dat HIJ ooit uit de sluiers naar voren treedt: “… ik geloof dat er een dag zal komen waarop ik achterom kijk en de zee gespleten achter me zie liggen, en ik  ben eruit omhoog gekomen…”.

 

Radix Jesse

Zie Jesaja 11 :1-10. “… Isaï, ook wel Jesse genoemd, is de vader van koning David. Wanneer wij deze antifoon bidden, dan benoemen wij de genealogie van Jezus, die niet zomaar uit de hemel is komen vallen, maar die tot een volk behoort, een volk met koningen van wie hij een nakomeling is…”.  In deze antifoon wordt geroepen om redding. Het is niet langer uit te houden op aarde. Of Hij spoedig wil komen en een einde aan het lijden wil maken. Ook al zijn we zelf gelukkig, we mogen de hel die deze wereld voor zeer veel mensen is niet verdringen, zegt Magnis. Soms zijn dingen zo gruwelijk dat er geen woorden voor te vinden zijn (zie mijn vorige blog): “… Daar begint het gebed van al die mensen en misschien hebben ze wel iemand nodig die het voor hen uit kan spreken…”.

 

Clavis David

Zie Jesaja 22 :20-22. Scepter en sleutel zijn de grote tekenen van autoriteit en gezag. De roep om redding wordt in deze antifoon nóg intenser. Magnis: “… Ik leef en woon, met mijn hart en mijn gedachten, in dat deel van de wereld waarin we met elkaar God aan het kwijtraken zijn. We staan met deze antifoon naast alle grote en kleine twijfelaars, voelen de atheïstische pijn, de doodsangst. Ook die van onszelf. We staan voor die dingen in het geloof en in het leven die voor ons een raadsel zijn – de wil om lief te hebben, het toch niet te kunnen, de wil iemand niet te haten, het echter wel doen, de wens om te kunnen vergeven, maar die vergevingsgezindheid niet voelen. De wens om God lief te hebben, maar toch te twijfelen. Te geloven in het goede, maar als het er op aan komt toch voor het kwade kiezen. We staan voor gebeden die raadselachtig zijn. Voor plekken in de Bijbel die in een waas van onbegrip verdwijnen. We staan voor de spiegel en zien een raadsel…”. Over mensen in de eenzaamheid van hun duisternis: “… Contact is daar nauwelijks mogelijk. Je kunt daar je naaste bijna niet liefhebben omdat je die niet kunt zien…”. Jezus, wie is Hij eigenlijk? “… De verrassende vreemdheid van God is zijn geheimzinnige inprenting. Het zijn de kartels in de sleutelrand waar geen mens mee gerekend heeft…”.

 

Oriens

Zie Maleachi 3 :19-21. Het gebed in deze antifoon klinkt niet meer zo vertwijfeld en smekend als in de twee daarvoor. De Morgenster brengt licht. In de lucht er achter wordt al wat meer licht en kleur zichtbaar. “… Als men door dit licht beschenen wordt betekent dat niet slechts dat het licht van kennis en begrip op ons valt, maar dat men zelf weer liefde afstraalt…”.

 

Rex gentium

Zie Jeremia 10 :1-7. “… Ik ben blij met de politieke dimensie die ook in deze antifoon naar voren komt. ‘O Koning van alle volken, doelwit van hun verlangen,’ al weer zo’n mooie beschrijving: de koning van de volken is geen vreemde overheerser die het eigene van de volken onderdrukt, nee, hij is de vervulling van hun wens, het doel van hun verlangen. Alsof er onder de volken van deze aarde toch een gemeenschappelijk verlangen is, dat ze uit zichzelf, en met al hun politieke krachtinspanningen, niet kunnen vervullen, misschien zelfs niet onder woorden kunnen brengen of ook maar kennen. Maar het gaat verder in deze antifoon. Hij is niet alleen het doelwit van hun verlangen, maar ook de ‘hoeksteen die alles één maakt'…”. Ooit komt alles goed.

 

Emmanuel

Zie Jesaja 7 :14. Magnis is een onzekere gelovige: “… Ik ben helaas een door twijfel aangevreten christen. Ik ben ongelofelijk bang om gemanipuleerd of bedrogen te worden, zelfs door de Bijbel. Terwijl anderen zich vol vreugde rond Jezus verzamelen, hoor ikzelf meer bij de asociale types die nog in de bomen rondhangen en zich tussen de bladeren verstoppen, er op de een of andere manier wel bij willen zijn maar dat zo vaak toch niet recht kunnen…” (zie het verhaal over Zacheüs). Ze denkt dan ook dat Jozef en Maria enorm opgelucht moeten zijn geweest toen, na de geboorte van hun ‘ongeplande kind’, de stamelende herders binnen kwamen vallen, met hun dwaze verhaal over een engelenleger. Waren ze tenminste niet meer alleen met hun ongeloofwaardige geschiedenis. Dat ene, grote woord ‘Jezus’ ruikt naar baby. Ze heeft het over het ‘ruime vertrouwensvoorschot’ dat het goddelijke woord verstrekt: “… Het legt zichzelf in onze handen, tandeloos en zonder vuur, krachteloos en machteloos…”. Het is aan ons wat wij met Hem doen.

 

Uitgave: Van Wijnen / Franeker – 2020, vertaling Dingeman van Wijnen, 48 blz., ISBN 978 905 194 595 9, 14,50

Rechtsreeks bestellen: klik hier