Menu

zondag 1 maart 2026

Allerzielen - Cees Nooteboom

 


“Allerzielen” (1998) wordt gezien als Nootebooms grootste roman (zie ook mijn vorige blog). Het is eerder een ‘Duits’ dan een ‘Nederlands’ boek. Daarmee bedoel ik: ‘ernstig’ en ‘zwaar’. “… Je mocht niet generaliseren. Toch hadden volkeren bepaalde karaktereigenschappen…”. Ik resoneer daar wel mee. Dat geldt echter niet voor iedereen weet ik uit ervaring, al past het boek zeker in sombere tijden als de onze, meen ik. De protagonist is een cameraman, Arthur Daane, die tracht te leven met het feit dat tien jaar geleden zijn vrouw en zoontje zijn omgekomen bij een vliegtuigongeluk. Hij wil documentaires met diepgang maken, maar niemand zit te wachten op iets wat moeilijk lijkt en langer dan twintig minuten duurt. “… ‘Ik weet dat je twee polen in je wezen hebt,’ zei de redacteur (hij zei nog net niet ‘in je ziel’), ‘reflectie en actie, maar met reflectie haal je nu eenmaal geen kijkcijfers.’…”. Arthur huist in eenzaamheid: “… Hij die te veel weet en het zo slecht kan zeggen…”. Daarom loopt hij als een soort Wandelende Jood door besneeuwd Berlijn. Zie Tommy Goerz in “Door de sneeuw”: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”. “Allerzielen” heeft geen direct plot, het meandert als een camera van hot naar her en hoest Arthurs diffuse, surrealistische en soms oogverblindende gedachten op, die ik heb gezocht als krenten in de pap.

 

Verlopen dubbelganger

Berlijn voelt aan als een dorp in de toendra, aldus Arthur, die tot diep in Rusland doorloopt. Met Berlijn, Warschau en Moskou als kortstondige onderbrekingen. Er zijn maar twee steden die volgens hem echt om lopen vragen: Parijs en Berlijn. Komt dat door de ‘breuk’ die er dwars doorheen snijdt? De Seine en de voormalige Muur. Passage voelt als ‘een grens overschrijden’. Berlijn: ‘de stad die ooit een beroerte heeft gehad’. Zie het litteken dat nog altijd zichtbaar is. “… Als eb en vloed waren er troepen door deze spoelbak van de geschiedenis getrokken…”. Correspondeert een en ander met weduwnaar Arthur Daane zelf? Met ‘voor’ en ‘na’ het trauma? “… Arthur Daane hield van mensen die, zoals hij het uitdrukte, ‘meer dan één persoon hadden’, en al helemaal als die verschillende personen elkaars tegenstellingen leken te zijn…”. Als een ‘verlopen dubbelganger’ slecht hij in gedachten de ‘tijdmuur’ die hem van zijn dode vrouw scheidt. Soms heeft hij het gevoel dat ze hem roept, als een soort Eurydike uit de onderwereld: “… Zij was daar ergens, ze wilde iets zeggen, ze wilde dat hij aan haar dacht…”. Af en toe wordt er in het verhaal een stem verleent aan een achtergrondkoor van dode zielen (maakt zijn vrouw daar deel van uit?), wat doet denken aan “De ontdekking van de hemel” waarin Harry Mulisch engelen laat fungeren als alwetende vertellers en regisseurs van het noodlot: “… Wij weer. Altijd ’s nachts, lijkt het wel. Het koor bij Sophocles heeft een mening. Wij niet. Het koor bij “Henry V” vraagt om een oordeel. Doen wij ook niet…”. Even verder: “… Wij zijn het die alles bij elkaar moeten houden. Jullie vermogen om in de tijd te bestaan is gering, jullie vermogen om in de tijd te denken is onuitputtelijk…”.

 

Caspar David Friedrich

Evenals in “Rituelen” (zie mijn vorige blog) zijn er in “Allerzielen” vrouwen die ‘oneindig hoge trappen’ beklimmen. Jacobsladders: “… Ze was nog niet ver, en de trap verdween in de wolken…”. In een museum bekijkt Arthur de ‘rare pathetische doeken’ van Caspar David Friedrich, waar de afgrond loert in ‘verdwaasde kruisigingen’ en ‘vervallen kloostermuren’, “… de monniken veranderd in vleermuizen, de bastaardengelen van het verval…”. Zie “Ochtend in het Reuzengebergte”, een landschap van paarse bergen “… met in het midden een onmogelijk hoge rots met daar bovenop een nog onmogelijker kruis…”. Een ‘dun, mager’ geval met aan de voet een vrouw, in iets wat op een baljurk lijkt, die een man helpt bij de laatste stappen die hij nog moet klimmen. De vrouw als gids naar het ‘hogere’ (zie mijn vorige blog). De mannen van Friedrich keren hun rug naar de wereld toe. Alsof ze die afzweren. Zie “Monnik bij zee”: “…Wat deed die man daar in dat van God verlaten landschap? Boete doen, jammeren in eenzaamheid?...”. Even verder: “… Het duinzand zo wit en fijn dat het wel sneeuw leek, de horizon een rechte streep waarover een wolkenfront naderde, een barricade waardoor elk idee van ontsnapping was uitgesloten…”. Zie “Abdij in het eikenwoud”: “… Öde, Finsternis, het jachtterrein van de Germaanse ziel die nu dan eindelijk, aan het eind van de waanzineeuw, uitgejaagd was…”.

 

Het volk dat in duisternis wandelt

De schilderijen in de volgende zalen zijn van een ‘onuitsprekelijke braafheid’, watervalletjes, baasjes met hun lievelingshonden, onschuldige vrouwenportretjes: “… de wereld zonder erfzonde…”. Friedrich heeft op zijn minst het vermoeden gehad dat er zoiets bestond als 'de machten der duisternis'. Met de Joden is ook de ironie, de afstand, de noodzakelijke lucht uit Duitsland verdwenen. Een beetje Voltaire of Cervantes zou ‘het volk dat in duisternis wandelt’ misschien geholpen hebben. Over de ‘Duitse ziel’ (Wagner, E.T.A. Hoffmann, Heine): “… Het smachten van Wilhelm Meister, Zarathoestra die huilend eindigt aan de hals van een koetspaard, de schilderijen van Friedrich, de dubbele zelfmoord van Kleist, het lood van Kiefer en de druïdische bokkezangen van Strauss, het leek allemaal met elkaar te maken te hebben, een duister woelen waarbij voor mensen uit een land van polders geen plaats was…”. Nederlanders zijn daarentegen het volk van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’: “… Wij hebben een koningin op de fiets. Bij Hitler kon je thuis niet naar binnen kijken. Daar houden wij niet van. Wij willen weten of mevrouw Hitler al gestofzuigd heeft…”. Even verder: “… Nederland, een land zonder bergen. Oppervlakkig, hè? Geen bergen, geen holen. Niets te verbergen. Geen duistere plekken aan de ziel. Mondriaan. Zuivere kleuren, rechte lijnen. Sloten, dijken, polderwegen. Geen afgronden, geen spelonken…”. Saai! Je gaat er dood van verveling.

 

Het uur tussen hond en wolf

Arthur heeft van het ‘halfdonker’ zijn specialiteit gemaakt. Hij filmt het ‘duister dat langzaam uit de grond omhoog lijkt te kruipen of probeert er weer in te verdwijnen’. De Potsdamer Platz: “… Schijnwerpers, het lichtend oog van kranen boven een bouwput, neon in een verlaten straat, oranje of ijsblauwe zwaailichten die, als je ze zwart-wit filmde, elk hun eigen tonaliteit behielden, het seriële licht van rijdende treinen of langzame files, altijd de onuitsprekelijke betovering van licht in de duisternis…”. Zo anders, dan het helle licht van de dag, dat “… keihard door de sneeuw werd teruggekaatst, zodat alles van glas werd en op breken stond…”.

 

De dood

Steeds lijkt de dood Arthur te vergezellen. Een vrouwelijke heilsoldate geknield bij een zwarte man roept hem. Of hij het slachtoffer even kan ondersteunen terwijl zij de hulpdiensten waarschuwt. “… Thuislozen, daklozen, junks, zwervers, schreeuwers, waar hij kwam in de wereld, de straten waren er vol mee. Raaskallend, zoekend, in lompen gehuld, zwart van het vuil, met enorme bossen aan elkaar geklit haar, zwijgend, scheldend of bedelend liepen ze door de steden alsof ze uit een oertijd waren gekomen om de mensheid ergens aan te herinneren, maar aan wat?...”. Hij begeleidt een ontzettend oude vrouw naar de metro, die al uren in een bushokje zit te wachten op een bus die niet komt. Het ‘koor’ weet dat ze even later dood zal zijn en dat het met de zwarte man ook niet goed gaat. Een agente die hem vraagt wat hij achter de hekken rond de bouwput op de Potsdamer Platz doet, komt in een slip terecht als ze de politieauto draait en tegen een sneeuwschuiver botst. Ze wordt door een ambulance met loeiende sirenes afgevoerd. Ondertussen sneeuwt het harder dan ooit: “… de vlokken waren nu van een ander soort wol, te zwaar om te dwarrelen. Het leek wel een bewegende muur die je opzij moest schuiven…”. In de Weinstube waar hij die avond aanschuift bij drie vrienden, gaat iemand dood. 

 

Woudgeesten

“… Er waren, had Arthur Daane geleerd, verschillende soorten vriendschap, maar alleen een vriendschap die gebaseerd was op zoiets ouderwets als wederzijdse achting was de moete waard…”. Hij is met de ‘begeesterde’ filosoof Arno Tieck, een personage gebaseerd op Nootebooms vriend Rüdiger Safranski. De beeldhouwer Victor Leben. En de stevige, luidruchtige, Russische natuurkundige Zenobia Stejn, die zich ‘als een onweerswolk’ door het leven beweegt, als tegenwicht een kleine fotogalerie beheert en ‘drinkt tegen de feiten’: “… wodka! Dubbel, een voor mij en een voor mijn ziel…”. Woudgeesten die debatteren over Hegel, Jünger, Mandelsjtam, Benn. “… Arno hief zijn glas. ‘Op onze korte dagen. En op de miljoenen geesten die om ons huiveren.’ Ze dronken…”. Even verder: “… Sommige mensen hadden je uitgekozen zonder iets van je te willen. Je had er niets voor hoeven doen. Ze hingen hun warmte om je heen, je wist dat je ze kon vertrouwen tot het bittere einde…”.

 

Kunstenaarschap

Kunst is een belangrijk thema in Nootebooms werk. Hij beschrijft hoe Victor uren tot dagen op een stoel vanuit een steeds veranderende positie naar een stuk steen kan zitten ‘loeren’: “… ik denk niets omdat ikzelf dat ding word…”. Tot het slijpen en kerven, het hakken en beitelen begint. Hij wil dat het ‘raadsel zichtbaar wordt’ in wat hij maakt. Over een blok Fins graniet: “… Het leek of het in die steen voortdurend nacht was…”. Even verder: “… terwijl de steen kleiner geworden was leek hij groter, en ondanks het feit dat hij nu geraffineerder en gepolijster was, straalde hij plotseling een verbeten macht uit...”. Zenobia die ziet hoe Arthur urenlang zwijgend naar haar collectie kan kijken. Hij moet een ‘tweede ziel’ hebben, volgens haar. Het liefst filmt Arthur ‘voeten’, de ‘tredmolen die de wereld wegtrapt’ op weg naar de U-Bahn. Hij denkt na over de “… blinde kracht die mensen voortjoeg op weg naar iets wat met hun verdwijning eindigde…”. Hij filmt voetstappen in de sneeuw terwijl hij denkt aan de gezongen landkaarten van de aboriginals en hun ‘droomtijd’ in het boek van Bruce Chatwin: “Songlines”. Waar een buitenstaander niets ziet, zien zij overal tekens in de eentonige zandvlakten. “… Ach, en Berlijn in de sneeuw van de onschuld, alle verschillen uitgewist, het volmaakte huwelijk van Oost en West, de apotheose van de verzoening…”. De euforie van de Wiedervereinigung heeft allang plaats gemaakt voor wederzijdse rancune, argwaan, jaloezie en afhankelijkheid. Iedereen weet precies hoe de ander zich moet gedragen. In alle kasten liggen skeletten, rapporten, lijsten, bijgehouden processen, namen en pseudoniemen. “… Die muur kunnen ze rustig weghalen, die blijft toch wel staan…”. Zie de leegloop, de ontmanteling. Kijk de oude mensen in hun gezicht: “… van die hoofden met brandnetels en spinnenwebben…”.

 

Verborgen, gesloten werelden

Bij Nooteboom zijn het altijd de vrouwen die verleiden. Die mannen tijdelijk van hun ‘autisme’ verlossen. Goddelijke wezens die hun lot sturen. Tijdens de val van de Muur had een blonde vrouw Arthur bij de hand gepakt en een dans ingetrokken. Een leraar Grieks zei ooit dat je pas echt vrij was als je als Odysseus kon vragen ‘welke kant je op zou gaan’. “… Pas later had hij begrepen dat het niet waar was. Sluw was Odysseus, maar niet vrij, net zomin als hijzelf. De helft van de tijd had Athene de listige held te hulp moeten komen om hem in de ene of andere gedaante te redden…”. Even verder: “… Odysseus had geluk gehad. Iemand had hem de weg gewezen…”. Over Vermeer: “… die geheimzinnige schilder, had iets met Nederlandse vrouwen gedaan, hij had hun nuchterheid betoverd, zijn vrouwen beheerden verborgen, gesloten werelden waar je niet in kon. De brieven die ze lazen bevatten de formule van de onsterfelijkheid…”. Even verder: “… Je zag zulke vrouwen nog steeds in Nederland, doorschijnend en solide tegelijk. Het geheim was dat van de schilder geweest, hij had iets gezien wat anderen niet zagen, iets waardoor je nog steeds als je voor zo’n schilderij stond, in Den Haag of in Washington of in Wenen, het gevoel had dat je ergens in gelokt werd, een deur in die zich achter je zou sluiten als je naar binnen ging. Het was van een alles verterende intimiteit…”. De vrouw als hinderlaag.

 

Sirene

In het boek wordt Arthur ook door zo’n sirene meegelokt. Het begint als hij vlak voor haar een krant weggrist, haar woedende blik opvangt en getroffen wordt door het litteken dat haar ontzagwekkende ‘berberkop’ siert. Als teken van de dapperheid van een schermer, bedacht ik, zie “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Een tijdje later ziet hij haar op straat lopen. Hij volgt haar naar de Staatsbibliotheek. Alsof ze een magneet is. Hij gooit een briefje op haar bureau met de vraag of ze naar de kantine wil komen. Ze voldoet aan zijn verzoek. Stelt zich voor als Elik. Geschiedenisstudent. Vader nooit gekend. Moeder heeft zich doodgedronken. Opgevoed door oma in Nederland. Als meisje een afschuwelijk geweldsdelict overleefd waardoor ze mannen haat, maar dat beseft Arthur niet. Ze schrijft een proefschrift over een obscure Spaanse koningin uit de vroege twaalfde eeuw:  “… Zeventien jaar had ze geregeerd, alleen…”. Queen Urraca. “… Spannend was het zeker, een vrouw tussen mannen, bisschoppen, minnaars, echtgenoten, zonen, een groot gevecht om macht, positie, de enige middeleeuwse koningin die daar daadwerkelijk geregeerd had…”. Even verder: “… Zevenentwintig was ze geweest, weduwe, moeder van twee kinderen, koningin van Castilië en Léon toen ze trouwde met de koning van Aragón…”. Er waren geen kinderen uit dat bed gekomen. Was die man impotent geweest? “… Hij sloeg haar, zeiden de bronnen. Duizend jaar oude roddel, of de waarheid, of erger. Het huwelijk was een ramp geworden. Zij had teruggeslagen, maar dan met legers…”.

 

Beeldmens

Hadden zijn vrienden hem maar aan de mast vastgebonden en was in zijn oren gestopt. Hij leent de auto van Arno Tieck en gaat een dagje met Elik op stap. Hij laat haar zien waar de Muur heeft gelopen maar ze heeft niets met zijn obsessie:  “… Dit krioelt nog. Dat is te groot voor mij…”. De dag eindigt in een drama, maar volgens het koor op de achtergrond zien wij altijd maar de helft van het verhaal: “… kunst, wetenschap, satire, ironie, het is de spiegel waarin altijd maar een deel zichtbaar is…”. Elik had hem achtergelaten als een ‘ontredderd vlaggenschip’, aldus het koor op de achtergrond, waarop Arthur zich zo ongeveer bewusteloos drinkt en geplaagd wordt door boosaardige dromen: “… Het vlies tussen hem en de chaos was kennelijk heel dun, en deze nacht waren er geluiden en stemmen doorheen gekomen. Ze hadden beelden meegebracht die hij nooit meer hoopte te zien, niet zo, hun bekende, verdwenen gezichten in de toonaarden van het bederf, verderf, flarden van ongelukken, hoongelach, naderingen gevolgd door een veel snellere verwijdering tot hij zichzelf had wakker geschreeuwd en naar het licht gegraaid had, licht dat de kamer onthulde als een gevangeniscel, de muren vijandig kaal, de kastanje buiten een huizenhoog houten monster dat zijn armen naar binnen wilde steken…”. De telefoon staart hem aan als een ‘veel te grote zwarte kever’. Geesten zoeken naar de ‘venijnige voelspriet’ van zijn wereldradio om rampzalig nieuws uit te braken: “… Wat had Victor gezegd? ‘Wij zijn de grootste helden van de geschiedenis, wij zouden allemaal bij onze dood gedecoreerd moeten worden. Geen generatie heeft ooit zoveel moeten weten, zien, horen, leed zonder catharsis, stront die je meezeult voor de nieuwe dag.’…”. De ‘beeldmens’ weet er geen verhaal van te breien (zie “De crisis van het narratieve” van Buying-Chul Han). “… Wat moet ik met al die ellende die ik elke dag naar binnen krijg? Ik wil het wereldleed op rijm, in hexameters, voorgelezen door John Gielgud in een zwarte moiré kamerjas uit een in rood marokijn gebonden boek met kleurenetsen van Rubens…”.

 

De kater van Boelgakov

In ‘licht als grijs poeder’ op een echte Berlijnse winterdag staat Arthur aan een tafeltje tussen daklozen, Vietnamese sigarettenverkoopsters, agenten met gemuilkorfde honden, braaksel, zaagsel, Roemeense schoonmakers, junks, bedelaars, de stank van worst en mannen met afgetrapte schoenen koffie te drinken op het station, “… met de kater van Boelgakov die manshoog naast hem staat en zijn zachte wollige arm om hem heen slaat, zodat de klauw met de lange, gebogen scherpe nagels op zijn schouder ligt…”. Hij gaat naar Arno Tieck die hem vertelt hoe Hegel in zijn kamer het gebulder van de kanonnen van Napoleon in de Slag bij Jena hoorde en besefte dat de geschiedenis aan haar eindfase was begonnen: “… met Napoleon is een nieuwe tijd aangebroken, er zijn geen heren en geen knechten meer, die tegenstelling die de hele geschiedenis door bestaan heeft…”. Zie Francis Fukuyama en zijn “Het einde van de geschiedenis en de laatste mens” (1992). Hij laat Arthur muziek van Hildegard von Bingen horen: “… vrouwelijke spiritualiteit, mannelijke autoriteit…”. Arthur moet niet te min over Eliks bizarre scriptieonderwerp denken: “… die tijd kan nu misschien niemand nog iets schelen, maar in die rare uithoek van Spanje werd toen wel over het lot van Europa beslist. Als die paar malle koningen in het noorden zich niet tegen de islam hadden verzet heetten jij en ik misschien nu Mohammed…”. Als hij thuiskomt, zit ‘ze’ op de trap.

 

Zíj bepaalt

 

In een café praat Arthur eindeloos met zijn vrienden. Luther, Jacob Böhme, Novalis, Heidegger. “… Kijk, wij zijn plat, dat is aan de ene kant wat oppervlakkiger, maar het geeft ook wat meer helderheid. Al die verborgen spelonken, wouden, Lichtungen, hellingen met bijbehorende wouden, dan krijg je natuurlijk ook Nibelungen, druïdische dichters en schrijvers als hogepriesters. Daar moet je voor oppassen. Dat heb je niet met oostenwind in de polder…”. En op haar kamer koestert Elik zich in eenzaamheid: “… De sensatie van alleen zijn, niemand kon ze dat uitleggen. Het gevoel van volstrekte autonomie, van onverschillig zijn voor je omgeving, omgeven door een stilte van je eigen maaksel, onbeweeglijke, doordringende, heilzame stilte…”. Iemand die zich in zichzelf kan opbergen. Anoniem in Berlijn. In Nederland is iedereen van de weeromstuit weer gelijker dan gelijk vanwege de alom gepredikte authenticiteit: “… thuis had ze vaak het idee dat er een grote verkinderachtiging in gang was gezet, een fatale, onuitstaanbare oppervlakkigheid van mensen die hun individualiteit leken te willen bewijzen door en masse om dezelfde grappen te lachen, dezelfde cryptogrammen op te lossen, dezelfde boeken te kopen en meestal niet te lezen, iets van een zo onaangename zelfgenoegzaamheid dat je het er benauwd van kreeg. Al haar kennissen waren op yoga, gingen met vakantie naar Indonesië, deden aan shiatsu, iedereen leek zich met honderden dingen bezig te houden waarbij je uithuizig moest zijn, haast niemand hield het bij zichzelf uit…”. Dag in dag uit is Arthur op zoek naar háár. “… ‘Hij is verliefd.’ Zei Victor. ‘En dat op zijn leeftijd. Levensgevaarlijk. Maar ieder volvoert zijn lot tot het einde.’…”. Ze komt wanneer ze wil, ze gaat wanneer ze wil: “… Aan het eind van de vierde dag had hij zoiets gehoord als een kras, een zacht geschuur tegen zijn deur. Hij had opengedaan en zij was naar binnen gegleden als een kat, toen hij zich omdraaide zat ze al, haar ogen recht op hem gericht…”.

 

Ausländer raus

Als ze weer wegblijft, reist Arthur voor een werkopdracht naar Estland. De dag dat hij terugkomt en draaierig van vermoeidheid tussen zijn vrienden in de Weinstube zit, ‘verschijnt’ ze in de kroeg. Een schikgodin die hem met haar blik omhoogtrekt uit de kring. Ontvoert. Wezenloos loopt hij achter haar aan. Ze leidt hem naar een kelder vol neonazi’s waar ze tussen de ectasykoppen, speedkoppen, cokemaskers en vanitasgezichten met magere lichamen in grotestadslompen tekeergaat op de dansvloer. Stampende figuren, dwangarbeiders “… slovend, verkrampt, bewegend op het genadeloze ritme, in elkaar krimpend bij elke zweepslag, meeschreeuwend bij wat zij kennelijk als woorden herkenden, een Duits hellekoor, rauw, over kapot ijzer getrokken stemmen, vergiftigd metaal…”. Een bezeten maenade, een vernederde gekkin, met honderd armen die ze naar alle kanten uitstrekt, vloeiend en dan weer schokkend, een woestijndans opvoerend waarmee ze alle anderen van hun plaats verjaagd. Ze worden herkent als 'Ausländer', waarna er een gevecht uitbreekt en ze Arthur ternauwernood met een welgemikte karateslag weet te redden. “… ‘Waarom ga je naar die tent?’ ‘Omdat ze me daar niet willen. Heb je de teksten verstaan?...”. De uitdaging. De kick. Ze neemt hem mee naar haar kamer, een schrikbarend vaal, kerkerachtig, armzalig, stinkend hol.

 

Heimwee

“… Keer terug op uw schreden…”, adviseert Victor hem. Hij gehoorzaamt in die zin dat hij voor twee maanden in opdracht naar Japan reist om de ‘Shikoku Henro’, de ‘achtentachtig tempeltoer’ te filmen, een beroemde boeddhistische pelgrimsroute op het eiland Shikoku. Deze tocht, die meer dan 1200 jaar geleden ontstond, voert langs 88 tempels die geassocieerd worden met de monnik Kūkai (ook bekend als Kōbō Daishi). Sommige sekten hebben niet alleen altijd volgehouden dat de zichtbare werkelijkheid een illusie is, vertelt Victor hem, “… maar daar ook nog prachtig bij gezongen met van die donderende trommelslagen en lage bromstemmen, heel dramatisch…”. Ze hebben gelijk gekregen: “… Intussen zijn wij er na een oneindige zoektocht achter dat alles wat wij voor solide werkelijkheid houden, zo ongeveer lege ruimte is en dat we een bril zouden moeten hebben die groter is dan alles wat we kunnen bedenken om waar te nemen hoe onzichtbaar en onvoorspelbaar de deeltjes zijn waaruit de zogenaamde materie bestaat!...”. Even verder: “… Wij zijn doorzichtig! Terwijl we er toch zo stevig uitzien! Ha! Nu we eindelijk weten uit hoeveel schijn de wereld bestaat, zouden we daar natuurlijk onze religie van moeten maken, maar dat hebben zij al gedaan…”. Als het hele universum een vraag is, dan is mystiek een antwoord. “… Van alle antwoorden die nooit het hele antwoord zijn kies ik voor de kunst…”. Daarom is Von Bingen ook in de mode, net als het Gregoriaans. Uit heimwee: “… Geef toe dat het fantastisch is: welk schrikbeeld, welke afgrond, of welke verlossing of extase je de mensen ook toeschuift, ze maken er muziek van. Duizend jaar geleden zongen de planeten nog in harmonie de lof van God, daar zijn ze kennelijk mee opgehouden, waarschijnlijk omdat ze weten dat wij eraan komen…”. Met ons raketarsenaal. Of we kunnen het gewoon niet meer horen: “… Dezelfde hersens, andere software…”.

 

Veldwerk

Als Arthur terug is, hoort hij dat Elik voor ‘veldwerk’ op reis is. Waar kan dat anders zijn dan in Spanje? Arthur moet en zal ernaartoe, ook al waarschuwen verschillende vrouwen hem niet te gaan. ‘Die vrouw is slecht nieuws’. ‘U zult haar in Spanje wel vinden, maar ik weet niet of dat goed voor u is’. Intuïtie? Hij laat zich niet tegenhouden. In Spanje zijn er aan de orde van de dag aanslagen.”… Wat ergens anders een tweepartijenstelsel was, werd hier een strijd met gif, leugens, meineden, verdachtmakingen, schandalen…”. In Spanje heersen de ‘demonen’, “… een mensenslag waarmee je de wereld moest delen…”. Hij vindt Elik uiteindelijk in het Archivo Histórico Nacional, waar ze verloren voor alles in een achthonderd jaar oude foliant het summum van haar studie bekijkt: een gestileerde handtekening van Urraca. Elik, die in twee tijden leeft. “… Zijn eerste instinct is om zich om te draaien en machteloos weg te gaan…”. Had hij dat maar gedaan. Een bode fluistert Elik in het oor dat er iemand op haar staat te wachten: “… de onwillige verbazing, de frons vanwege de verstoring, de traagheid waarmee ze opstaat, waardoor hij al weet dat hij niet had moeten komen…”. Ze slaat hem van zich af als een jankende hond. Soms kun je niet anders om van iemand af te komen.  

 

Naar het noorden

Die nacht wordt hij ook nog in elkaar geslagen door een paar jongens die zijn filmcamera willen roven. “… Nederlandse cineast overvallen…”. Het staat in alle kranten. Als hij bijkomt in het ziekenhuis is hij ergens geweest dat niet is uit te leggen: “… Licht was het daar, je kon horen wat levenden niet mochten horen…”. Hij probeert het niet eens: “… Het was verboden, zo voelde het, het mocht niet. Je hoorde niet terug te komen, je was besmet met een verlangen dat niet uitgesproken kon worden. Je hoorde niet meer daar en niet meer hier…”. Aan zijn bed de ‘drie koningen’: Arno, Zenobia, Victor. Zwijgend. Victor die naar een hoek van de kamer loopt, zijn sjaaltje schikt, zijn jasje recht trekt, een buiging maakt, lijkt te tellen en begint te tapdansen terwijl hij hem recht aankijkt. Alof hij  in het leven terug wordt gedanst. Een ceremoniële dans, een bezwering, het geklikkerdeklak als een sprakeloze boodschap, nog geen minuut lang voor de verpleegster binnen stuift om er een eind aan te maken. Meneer moet rust hebben, zegt ze, terwijl ze zijn tranen afveegt. “… Wer nicht weint, hat kein Genie…”. Nietzsche. Als hij na zes weken wordt ontslagen, hoort hij dat er een vrouw naar hem is komen kijken die heeft gezegd dat ze voor haar werk naar Santiago moet. Wanneer hij eindelijk in zijn auto in noordelijke richting rijdt, aarzelt hij even op een kruispunt, maar houdt toch het noorden aan. Hij is het noorden dus niet kwijt. Prachtig, prachtig, al schurkt Nooteboom hier en daar wel tegen het pathetische aan, vind ik als nuchtere noorderling.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 416 blz., ISBN 978 940 313 506 9, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier