Menu

vrijdag 3 januari 2014

Heliand – Jaap van Vredendaal (vertaler)


Subtitel: Een Christusgedicht uit de vroege middeleeuwen

Overige betrokkenen: Redbad Veenbaas en Willem van der Meiden

Deze kerst heb ik tussen de bedrijven door de "Heliand" (Oudsaksich voor de ‘Heiland’, ‘de helende’, van het werkwoord hêlian, ‘helen’, ‘beter maken’) gelezen; het gedicht waarin Christus rond 830/840 de Oudsaksische cultuur binnenkwam in de moedertaal (de geletterden, voornamelijk geestelijken, communiceerden in het Latijn: de taal van de Bijbel en de wetenschap). De kerstening van onze contreien was in volle gang. Volgens het voorwoord werd het geschreven in opdracht van Lodewijk de Vrome, zoon van de Frankische Keizer van het Heilige Roomse Rijk: Karel de Grote, die zijn onderdanen als ze niet goedschiks tot het christendom overgingen, daar zonder scrupules en met ongekend geweld kwaadschiks toe dwong. Eén rijk, één keizer, één godsdienst. Toch bleef het nieuwe geloof niet alleen een politieke kwestie. Het vond zijn weg naar het innerlijk van onze voorouders. Iets wat mij mateloos boeit. Want laten we wel wezen: het christendom kwam van ver, en was vreemd. Het zit mij zelfs na anderhalf millennium nog vaak als een slecht passende jas. Ik moet het altijd bevechten.

Inculturatie
In bijna 6000 allitererende verzen vertelt (of zingt) de onbekende dichter - alhoewel sommigen denken met de Friese bard Bernlef van doen te hebben, die door Liudger van zijn blindheid werd genezen - het verhaal over Jezus zoals dat opgetekend is in de vier evangeliën. Maar dan wel op z’n Germaans. Het is een soort heldensage, zoals we dat kennen van “Beowulf” en het “Hildebrandslied”.
De brengers van het christendom begonnen niet bij nul, maar probeerden aan te sluiten bij de bestaande cultuur. Veel kapellen en kerken staan op eertijds heilige heidense plekken, die met wijwater werden gereinigd en waar vervolgens de christelijke God werd aanbeden. Traditionele bezweringsformules bij ziekte en dood bleven bestaan, alleen werden de namen van de oude goden vervangen door die van een heilige of Christus. Voor het Germaanse joelfeest kwam het tegenwoordige kerstfeest in de plaats. Een heel mooi voorbeeld is ook de oudste liturgische tekst ooit gevonden, die van de z.g. Utrechtse doopgelofte, waarin drie inheemse goden worden genoemd, waarvoor de christelijke drie-eenheid in de plaats is gekomen: “… Forsachistu diabolae? / verzaak je de duivel? – et respondeat: ec forsacho diabolae / Antwoord: ik verzaak de duivel – end allum diobolgelde? / En alle duivelsoffers? – respondeat: end ec forsacho allum diobolgeldae / Antwoord: en ik verzaak alle duivelsoffers – end allum diobeles uuercum? / En alle werken van de duivel? – respondeat: end ec forsacho allum dioboles uuercum / Antwoord: en ik verzaak alle werken en woorden - and uuordum, Thunaer ende Uuoden ende Saxnote / van de duivel, Donar en Wodan en Saxnoot – ende allum them unholden the hira genotas sint / en alle afgoden die hun gezellen zijn – gelobistu in got alamehtigan fadaer? / Geloof je in God, de almachtige Vader? – ec gelobo in got alamehtigan fadaer. / Ik geloof in God, de almachtige Vader. – gelobistu in Crist godes suno? / geloof je in Christus, Gods zoon? – ec gelobo in Crist gotes suno. / Ik geloof in Christus, Gods zoon. – gelobistu in halogan gast? / Geloof je in de Heilige Geest? – ec gelobo in halogan gast. – Ik geloof in de Heilige Geest…”. Deze werkwijze wordt ‘inculturatie’ genoemd. Vredendaal staat in een voorafgaande inleiding uitgebreid stil bij de achtergronden van het gedicht.

Droom
Er is maar heel weinig bekend over het Germaanse heidendom omdat het om een orale traditie ging. Wat is overgeleverd, komt ook nog eens uit christelijke teksten, en wordt zonder meer bestempeld als duivelse afgodendienst.
Wel komt de naam van Wodan o.a. terug in plaatsnamen als Woensel en Woensdrecht en in Woensdag, en de naam van Donar in Donderberg en Donderdag: “… Uit de levensbeschrijvingen van de missionarissen en uit een overgeleverde lijst van heidense gebruiken valt af te leiden dat de bewoners van de Lage Landen heilige plaatsen kenden in de vorm van een bos, een boom, een bron of rots. Karel de Grote verwoestte bij zijn eerste veldtocht tegen de Saksen de ‘Irminsûl’, letterlijk ‘reusachtige zuil’. Het is niet duidelijk of het hier om een boom of een beeld ging, maar de plaats (in Westfalen in Duitsland) had voor de Saksen wel een grote sacrale waarde. Ook de plaatsnaam Ermelo (van ‘Irminlo’) herinnert wellicht aan zo’n heilige zuil: middeleeuwse bronnen spreken namelijk van een ‘columna Ermelo’…”.
Uit de heldenliederen kan worden opgemaakt dat er sprake moet zijn geweest van voorouderverering.
De dichter vertelt dat hij aanvankelijk een eenvoudige boer was (wel erg bescheiden: hij was anders aardig thuis in de godsdienstwetenschap van zijn dagen en kende zijn talen), die in een droom de goddelijke opdracht kreeg in ‘zijn eigen tongval’ de ‘god’lijke wetten te reciteren’ – een literair motief dat wel vaker opduikt in de christelijke overlevering (zie b.v. John Bunyan’s “The Pilgrim’s Progress” - 1678).

Leer ons de runen
Het probleem van onze tijd is dat het Bijbelse kerstgebeuren zo oud en uit-den-treure is herkauwd, dat het moeilijk is om er nog een vonkje inspiratie uit te slaan. Iedereen weet hoe het afloopt. Maar toen de “Heliand” op het toneel verscheen was het een ‘nieuw’ verhaal: een opwindende gedachte.
De vier evangelisten zijn bijzondere helden die als enigen de goddelijke wijsheid ontvangen om het ‘geheim’ van Christus woorden en werken te ‘boekstaven’ en de goede boodschap te verkondigen die ‘in de ganse wereld haar weerga niet kent’.
Christus is een ‘machtige heer’, die in onze ‘Middelgaard’ – middenaarde, tussen de godenwereld (boven) en het dodenrijk (beneden), waar de mensen wonen – menigeen zou helpen en velen ‘vrijwaren van vijandschap, van duivelse bedwelming’.
Prachtige uitdrukkingen komen voorbij: “… Van hun sibbe was hij niet, geen aver van Israël door edele geboorte…”. Aver is nakomeling, in het Nederlands alleen nog bewaard gebleven in de uitdrukking ‘van aver tot aver’ (van geslacht tot geslacht), verbasterd tot: ‘van haver tot gort’.
Zacharias is een bejaarde man, ervaren en ‘vroed’, van het Oudsaksisch ‘frôd’, dat ‘oud’ en ‘wijs’ betekent, zoals in ‘de vroede vaderen’, ‘vroedschap’ (gemeentebestuur), het werkwoord ‘bevroeden’, en wie weet, misschien ook wel ‘vroedvrouw’. Als Zacharias een engel ziet staan ‘ijsde’ hij van schrik. Mijn moeder spreekt dialect, en heeft het wel eens over ‘ik ies er van’ of ‘heel iezig’, en als we iets heftigs meemaken voelen we ons nog steeds ‘bevroren’. De oude Zacharias over zijn vrouw: “… Twintig winters lagen in deze wereld achter ons, zo oud waren we allebei, toen ze mijn echtgenote werd. Zeventig winters brachten we gezamenlijk door als bank- en bedgenoten…”. In de Oudgermaanse talen werden niet de jaren, maar de winters geteld.
De tempel in Jeruzalem is het ‘wijhuis’.
‘Wurd’, het lot en mogelijk een macht uit voorchristelijke tijden, beschikt, maar is een dienaar van de Allerhoogste. Er is sprake van een demon die ‘Mudspelli’ heet, en een rol speelt aan het einde van de tijd. De ‘grimmige’ Satan zet soms een ‘verhulhelm’ op waardoor hij zich als iemand anders kan voordoen.
Bijbelse plaatsen heten ‘Nazarethburg’, Bethlehemburg’ en ‘Romeburg’. En ze liggen in ‘Galilealand’ of ‘Kanaänland’. Gevaren wordt er in ‘hooggehoornde’ schepen, die doen denken aan de boten van Vikingen. De woestijn is in de Germaanse versie een woud.
De herders hoeden geen schapen, maar paarden (paarden fungeerden als statussymbool, het woord maarschalk betekent oorspronkelijk ook paardenknecht; ‘maar’ is verwant aan merrie en ‘schalk’ aan knecht).
Jezus is een ‘luttel’ jongetje, en de blijde boodschap is de blijde ‘mare’. Eenmaal volwassen wordt Hij voorgesteld als de ‘allarco cuningo craftigast’, ‘de krachtigste der koningen’, met als vorstelijk gevolg zijn twaalf trouwe vazallen; wat eerder doet denken aan koning Arthur met zijn dappere ridders van de ronde tafel dan aan de ‘lijdende Knecht des Heren’. Hij is machtiger dan Wodan, Donar en Saxnoot samen: “… Dit licht ziet nooit meer een wijzere waarzegger…”, dus als je de keus hebt!
In de Bergrede zijn degenen ‘zalig die een mild hart in hun heldenborst dragen’, en in het Onze Vader (dat gezien wordt als een soort toverformule) gaat het niet over ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, maar ‘geef ons dagelijks raad’. Het gaat om ‘wijsheid’: leer ons de runen!
Herodus, die van een foute vrouw houdt, krijgt te horen: “… mijd haar in je gemoed: bemin haar niet meer…”.
Door aan de ‘roede’ (staak/kruis) ‘te hangen zou Christus de mensen leiden naar het licht van God’. De dichter heeft het niet over ‘dit leven’, maar ‘dit licht’.
Het gedicht breekt af tijdens de verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers. Vermoed wordt dat er een paar honderd verzen verloren zijn gegaan. In deze uitgave zijn ook een aantal Oudsaksische Genesis-fragmenten toegevoegd. Verder is het boek prachtig geïllustreerd met afbeeldingen van middeleeuwse kunst.

Christus versus het Joodse Volk
Opvallend is dat naarmate het verhaal vordert de stemming steeds anti-joodser wordt: “… Eerst moeten de joden, de scharen mij binden, hoe onschuldig ik ook ben, me tot het uiterste pijnigen – een beproeving zal het zijn: in de stad Jeruzalem steken ze me met speren, met scherpe zwaarden schenden ze mijn lichaam, beroven ze me van het leven…”. Het zijn Joodse in plaats van Romeinse soldaten die Christus kruisigen. Het Joodse volk is vervult met ‘wolfse woede’.
De “Heliand” is een schitterend gedicht, maar Henk Vreekamp (voormalig predikant voor Kerk en Israël) wijst ook op de gevaarlijke onderstroom: “… Ontzetting overvalt me wanneer ik in dit epos Christus zie optreden tegen de grimmige Joden. Daarin herken ik tot mijn grote schrik het begin van een verwoestend spoor dat uiteindelijk zal uitlopen op Auschwitz…” (RD; 08.12.06) en “… De Schriften van Israël zijn wat betreft de Heliand namelijk in geen Saksische velden of wegen te bekennen. En niemand schijnt ze te missen. Het Evangelie is blijkbaar gemakkelijker te assimileren dan het Oude Testament. De Wet van Mozes is daarom blijvend nodig om het Evangelie zuiver te houden, aldus Van Ruler. Het Evangelie, met andere woorden, zal zich in Noord-Europa blijvend in gezelschap moeten bevinden van enerzijds de Edda en anderzijds de Thora…” (Transparant; jan. 2005).
Waarschijnlijk heeft het hierdoor zo lang geduurd voordat dit meesterwerk werd vertaald in het Nederlands (2006). Na WO II stond alles wat Germaans aandeed in een verdachte reuk.


Uitgave: SUN – 2006, 270 blz., ISBN 978 908 506 580 7, €19,00
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 27 december 2013

Donderdagmiddagdochter – Stevo Akkerman


Onderschrift: Het verhaal van het verlies van een kind, een huwelijk onder druk en een schrijver die zijn geloof moet herijken.

Journalist Stevo Akkerman schreef een hartverscheurend egodocument rond het overlijden van zijn derde kindje, Evy Elise, dat niet levensvatbaar bleek. Het zette heel zijn wereld op zijn kop: “… Zo ligt ze in de kist, het mensje dat in dossiers door het leven gaat als een ‘cyanotische, zacht huilende en iets gaspende neonaat met Potters facies: een platte neus en aangezicht en hoogoplopend hoofd’, het meisje dat wij niet meer hebben gezien in haar eigen kleertjes, de dochter die ik even heb ontmoet op een donderdagmiddag in maart – en sindsdien iedere dag. Niet omdat ze begraven ligt aan het einde van onze straat, maar omdat ze haar intrek heeft genomen in mijn hoofd, op een plek waar alle gedachten langskomen en waar het geheugen niet omheen kan…”. Soms gebeuren er dingen die het leven bijna verdelen in ‘er voor’ en ‘er na’: alles komt in een ander licht te staan.
Akkerman is van 1963 en ik van 1964; dus we zijn van dezelfde generatie. Zijn verhaal heb ik tevens gelezen als een op alle fronten herkenbaar tijdsdocument. Akkerman schreef eerder de romans “Vals weerzien” en “De inboorling”.


Een verhaal
Psychiater Frieda Klein zegt in “Blauwe maandag” – zie mijn vorige blog – dat mensen hun leven vorm moeten geven in een verhaal, zodat ze er grip op krijgen. Dat is precies wat Stevo Akkerman doet: “… Door ze te noteren, tracht ik de gebeurtenissen netjes in het gelid te zetten. Ik wijs ze hun plaats en dwing hen zich aan te passen aan de rode lijn die ik heb ontdekt of heb bedacht…”. Maar: “… Het verwarrende is: terwijl ik schrijf om greep te krijgen op de geschiedenis, gebeurt het omgekeerde…”. Allerlei herinneringen komen naar boven. Verleden en heden - “… ik leef in het tijdperk dat strekt van poepdoos (bij zijn overgrootmoeder) tot Google…” - beginnen door elkaar te lopen.

Herkenbaar
Akkerman groeide op in een kinderrijk en streng gereformeerd milieu – ík in een heel wat luchthartiger hervormde familie, maar wel binnen de orthodoxe rechter flank. Bij Akkerman thuis namen ze zichzelf doodserieus (gezin van een hoofdonderwijzer), terwijl het bij ons een vrolijke bende was, waar mij al vroeg werd ingestampt mezelf en anderen met de nodige korreltjes zout te nemen. “… Het gaat niet goed met mij. Ik maak het hele gezin te schande. Mijn vader en moeder vertellen dat ze op ouderavonden met gebogen hoofd door de gangen van de school gaan. En dan moet de maandagmiddag nog komen dat ze telefoon krijgen van de politie, op een tijdstip dat ik geacht word op catechisatie te zijn. Ze kunnen hun zoon komen ophalen van het bureau, waar hij zit wegens winkeldiefstal. Chokotoffs gepikt bij de Spar. Ja, ik bezorg mijn ouders en de Here veel verdriet…”. Bij de Akkermans hoorden ze bij ‘de enige, echte en ware kerk’, en wel de ‘vrijgemaakte’, waaraan hij werd geacht zich zonder tegenspraak te conformeren: er werd voor hem gedacht. Mij werd verteld dat het niet uitmaakte bij welke kerk je hoorde - ‘als je het maar méénde’ – en op het hart gedrukt dat ik verantwoordelijk was voor mezelf, en dat anderen niet voor mij konden denken, al wilden de meesten die ik ontmoette dat natuurlijk wel graag. Toch proef ik meer overeenkomst dan verschil:
“… Op voetbal mochten we niet, dat was goddeloos, en een spijkerpak was ook verboden; uniform van de wereld. Ons haar was fris en kort. Niet over de oren. Kwam ik van de kapper thuis zonder bevredigend resultaat – had ik ‘gedekt’ besteld in plaats van ‘kort’ – dan werd ik teruggestuurd…”
. Ja, die gereformeerde jongens met hun bloterige flaporen en terlenka-broekjes liepen compleet voor gek. En ík ook. Want als meisje moest ik persé een rokje aan, terwijl heel de klas in hippe strakke jeans liep, en een hoedje op naar de kerk. Het was echt vreselijk, allemaal. Stevo: “… Wij hadden geen televisie. Televisie was een gruwel, op zondag al helemaal en sport was afgoderij…”. De goddeloze platen die hij niet mocht draaien: Abba, The Rolling Stones, The Beatles, Pink Floyd, Simon and Garfunkel, Supertramp, Status Que, Led Zeppelin, Alquin, The Clash. De goddeloze boeken die hij niet mocht lezen: Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Harry Kuitert, Herman Wiersinga, Gerard Reve, Willem Frederik Hermans, Paul Sartre, Albert Camus, Sigmund Freud, Louis Paul Boon, William Burroughs, Jotie t’Hooft. De goddeloze films die hij niet mocht zien: De kanonnen van Navarone, Een vlucht regenwulpen. Ik ken ze allemaal.

Het is overal wat
Als jaren later de directeur van de Evangelische School voor Journalistiek (waar de lessen grotendeels bestaan uit het ontkrachtten van de evolutietheorie) vraagt op te schrijven ‘Wie Jezus voor jou is’; weet Stevo Akkerman niets anders te verzinnen dan uit de ‘Heidelberger’ (“… Mijn kinderen weten niet eens wat het is, maar ik leerde elke week een vraag en antwoord uit de ‘Heidelbergse Catechismus’ uit het hoofd…”) te citeren, wat natuurlijk niet de bedoeling is. Er wordt een persoonlijk en authentiek antwoord verwacht: “… Maar ik wist heel goed dat de waarheid – dat ik geen flauw benul had wie Jezus voor mij was – verboden was; zoiets zei hier niemand, nooit, zelfs niet in gedachten. Je kon God hier wel vinden, maar niet zoeken. Soms wilde ik dat ik nooit van Hem gehoord had. Dan zou ik hem zelf kunnen ontdekken. Soms wilde ik dat Hij niet bestond. Dan hoefde ik me nergens druk om te maken. Soms wilde ik dat ík niet bestond. Dan kon ik niet verloren gaan…”.
Tijdens zijn studie ontmoet hij Maria, zijn vrouw, die een heel wat vrolijker geloof aanhangt, en hem al gauw van zijn gereformeerde preutsheid afhelpt.

Machteloos verdriet
Het gaat door merg en been als Stevo vertelt hoe ze er, na het overlijden van hun dochtertje, samen even tussen uit gaan. Ze stranden in een hotelletje in Londen waar Maria op bed gaat liggen huilen om daar niet meer mee op te houden. Stevo die er verdoofd bij zit, niet weet te troosten, niet durft te strelen, ondergedompeld in zijn eigen machteloze verdriet. Een paar jaar later zijn ze in Washington en gaat het pas echt fout, als Maria zegt dat hun dochtertje is overleden omdat ze niet genoeg hebben gebeden:
“… Ze kan net zo goed zeggen dat ik mijn dochter heb vermoord…”
. Ze zegt dat ze het zo niet bedoelt, maar: “… Als we elkaar de volgende ochtend terugvinden, zijn we elkaar kwijt. We zouden op bezoek gaan bij een collega, maar van Maria hoeft het allemaal niet meer. Ik ben een klootzak, ze gaat niet mee, bekijk het maar. Vijf, zes keer lopen we het rondje van Dupont Circle, met steeds een paar meter tussen ons in. Hoe langzaam ik ook ga, ze blijft achter me lopen. Houd ik halt, dan doet zij dat ook. Dan sjok ik weer verder. Dupont Circle: we lopen hetzelfde rondje, maar niet dezelfde weg…”.
Maria heeft zich aangesloten bij een charismatische pinkstergemeente, waar Stevo niets van moet hebben. Ze gelooft in boze machten, in tongentaal, in gebedsgenezing, in opwekkingsliedjes en in Armageddon. Stevo vindt het allemaal occulte rimram: “… De vrijgemaakt-gereformeerden hebben mijn jeugd gestolen, nu gaan de pinkstergelovigen er met de rest vandoor. Alles is in stukken gevallen…” en ietsje verder: “… Ze zet me klem. Het is om gek van te worden. Natuurlijk mag ze zelf weten wat ze gelooft. Maar dit niet. Wat dan wel? En waar ligt de grens? Kan ik dat wat duidelijker aangeven? Nee, dat kan ik niet en dat wil ik niet, en ik begrijp niet hoe het mogelijk is dat ik dit gevecht verlies terwijl iedereen ziet wat er mis is met Hagin (een voorganger) en zijn volgelingen. Iedereen, behalve zij. Het is om razend van te worden. Maar dat mag ook al niet. Waarom ben ik zo kwaad? ‘Luister,’ zegt ze, ‘misschien vergis ik me. Wat dan nog? Heb jij nooit iets gedacht waarvan je later vond dat het niet klopte?’ Haar geloof is niet te verdragen, maar haar redelijkheid is nog erger. Wat kan ik doen?...”.

Gelovig zijn, maar niet mesjokke
Stevo Akkerman heeft het over de Amerikaanse mirakelprediker Benny Hinn, naar wie ik mij door een collegaatje ook een keer heb laten meetronen. Ik geloofde mijn ogen niet: al die mensen die in de jaarbeurshallen in Utrecht gewoon achterover vielen en in elkaar zakten als hij een keertje met zijn hand gebaarde. Toen ik opstapte omdat ik mijn trein moest halen, en achter het podium langsliep, was ik benieuwd of zijn geheimzinnige kracht mij ook zou raken, maar helaas: er gebeurde niets. Ik ben ook een keer met een vriendin naar een evangelische dienst geweest waarin een zanger in tongen ging staan bidden. Het was dood- en doodeng. Hij zei dat hij door kreeg dat er iemand van de aanwezigen het heel moeilijk had, en of degene die dat was naar voren wilde komen, zodat hij of zij de handen opgelegd kon worden. Mijn vriendin stond in de startblokken: haar ouders zaten in een onverkwikkelijke scheiding. ‘Dat gaat over mij’, fluisterde ze, ‘ik ga er naar toe’. Ik pakte haar arm. Mijn haren stonden recht overeind. ‘Als je dat maar laat’, siste ik terug, ‘hoeveel van degenen die hier zitten, denk je wel niet, vinden dat ze het zwaar hebben’. Ja, dat was ook weer zo. Ik heb iemand van het heil afgehouden.
Stevo heeft het over colleges over argonauten die op aarde zijn geland om onze zielen te ontvoeren: dr. Rob Matzken. Ik heb het allemaal gelezen. Christenen hebben hun eigen Erich von Däniken’s. Om je vingers bij af te likken. Wat Stevo wil: “… Gelovig zijn, maar niet vrijgemaakt; evangelisch, maar niet mesjokke. God vasthouden, maar zonder kleuterliedjes bij het begin van de lessen journalistiek. (… ) God vasthouden en er niet gratis het EO-lidmaatschappij bij krijgen, dat is het eigenlijk…”.
En wat ook waar is: “… Zou ik niets meer geloven, dan zou mijn ongeloof nog steeds gereformeerd zijn. Zoals er ook evangelisch ongeloof moet bestaan, een hervormd ongeloof, een katholiek ongeloof…”.
Steeds komt Akkerman terug op de z.g. ‘Akeda’, de geschiedenis waarin Abram zijn zoon Izaäk wilde offeren. Het moet een onverteerbaar verhaal zijn voor iemand die een kind heeft verloren – en eigenlijk voor iedereen met een beetje gevoel in zijn lijf. Ik kan er alleen mee uit de voeten via de visie van Lisette Thooft, die helemaal geen christen is. Net zo goed als dat het verhaal van de joodse bijbelgeleerde Pinchas Lapide, die helemaal niet gelooft in Jezus als Messias, maar wel in zijn opstanding, mij veel meer overtuigt dan de uitleg van welke rechtzinnige theoloog dan ook.

Ik ben nergens meer
Op een dag besluit Maria dat Stevo genoeg heeft laten zien dat hij niet van haar kan houden: “… Mijn vrouw is mijn vrouw niet meer, mijn kinderen voelen zich verraden, mijn vrienden worden moe van me – al zeggen ze dat natuurlijk niet, de gelovigen denken dat ik een heiden ben, de heidenen denken dat ik een gelovige ben, ik ben op mezelf aangewezen, maar met mezelf kan ik ook niet veel. Ik zit in een appartement dat het mijne niet is, met naast de bank een stapel boeken waar ik eindeloos de tijd voor heb, maar waar ik geen letter in lees. Ik kook maaltijden die ik niet wil eten, kijk naar tv-programma’s die ik niet wil zien, bel mensen die ik niet wil spreken, loop heen en weer tussen woonkamer, keuken en slaapkamer zonder te weten wat ik daar zoek, ik gooi Glorix in de plee, doe de afwas en stofzuig, maar thuis ben ik niet – ik ben nergens…”.

En toch…
Ik ben alleen op een streng gereformeerde basisschool geweest, daarna was het allemaal niet meer zo christelijk en mijn werk was al helemaal midden in de wereld, behalve, gek genoeg, ooit een blauwe maandag in een christelijk bejaardentehuis in Zwolle (je wilt niet weten waar ik overal heb gewerkt). De Esdoorn, waarvoor Akkerman, om geld te verdienen, in zijn jonge jaren op de fiets potjes bejaardenpies naar verschillende huisartsen bracht, en waar ik een hoop ‘vrijgemaakte’ types heb ontmoet. Later is zijn oma daar overleden. Ja-ja, we leven in een klein landje: nog even, en we zijn collega’s.
Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een beetje vanaf de zijlijn – en met belangstelling, dát zeker - toekeek hoe mijn christelijke bekenden, vrienden, en familieleden zich overeind hielden in hun christelijke territorium. Als het moest deed ik wel mee (naar de kerk, en naar de kroegen waar ‘reformatorische’ jeugd rondhing – de christelijke ‘onderwereld’, zoals Akkerman het zo fijntjes benoemt, waar werd gedanst en gevreeën, en het op een zuipen werd gezet: “… Aan het einde van de dag zag je sommigen dronken over de vloer kruipen. Ze sloegen met hun handen in de drab van bier, as en glasscherven en voor zover ze nog iets te vertellen hadden: het was zeker niet de tale Kanaäns die ze bezigden…”); maar eerlijk gezegd meende ik het niet zo heel erg, allemaal. En toch: op het eind van het boek komt Akkerman in een kerkje op het Begijnhof aan het Spui terecht, waar hij zich wonderbaarlijk op zijn plek voelt. Dat is mij ook gebeurd. Waarom komen mensen als hij, als Vonne van der Meer, als Henk Vreekamp, als ik, ondanks alle vragen zonder antwoord, leed zonder uitzicht, bekrompen vooroordelen en harde confrontaties met botte godsdienst zonder twijfel, toch altijd weer in kerken terecht? Daar heb ik vooralsnog maar één antwoord op: omdat we ‘ongeneeslijk’ religieus zijn. Omdat we onmogelijk kunnen geloven dat we overgeleverd zijn aan onszelf. Omdat we ons niet kunnen neerleggen bij de zinloosheid van het bestaan. Omdat we vermoeden dat er een kern van waarheid zit in de aloude woorden van de Heidelbergse Catechismus, die Akkerman citeert: “… Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus…”. Wie die mysterieuze Heiland Jezus Christus dan ook moge zijn…

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2013, 160 blz., ISBN 978 90 468 1530 4, €16,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 19 december 2013

Blauwe maandag – Nicci French


Ondertitel: Een Frieda Klein thriller

Nou goed, eentje dan. Uit de vloedgolf aan titels die Ranne Hovius aanhaalt in “De eenzaamheid van de waanzin” - zie mijn vorige blog, en omdat ik in de donkere dagen voor kerst toch eigenlijk wel met een kerstverhaal moet komen: “Blauwe maandag” van Nicci French, de schuilnaam voor het Britse schrijversechtpaar Nicci Gerrard en Sean French. Dit wereldberoemde duo schreef twaalf thrillers en meerdere korte verhalen. Met hun boeken beheersen ze al jaren de bestsellerslijsten. In totaal werden in ons land meer dan 5,5 miljoen exemplaren van hun werk verkocht. “Blauwe maandag” is het eerste deel van een geplande achtdelige thrillerreeks met als middelpunt psychiater Frieda Klein (inmiddels zijn ook deel twee: "Dinsdag is voorbij" en deel drie: "Wachten op woensdag" verschenen). Aldus de achterflap.

Het meest schizofrene feest aller tijden

Kerst: licht en vrede. En tegelijk het meest schizofrene feest aller tijden, want lang niet iedereen lukt het om ‘verplicht’ gelukkig te zijn: “… Frieda had gedacht dat het politiebureau er donker en verlaten bij zou liggen en dat het er stil zou zijn, maar zo was het niet. Toen ze binnenkwam, werd ze overvallen door geroezemoes en de geluiden van stoelen die verplaatst werden, deuren die geopend en gesloten werden, rinkelende telefoons, mensen ergens in de verte die uit angst of in woede iets riepen en voetstappen in de gangen. Misschien was het rond Kerstmis wel drukker dan ooit in een politiebureau, bedacht Frieda – als drinkebroers dronkener waren, eenzame mensen eenzamer en malloten en zielenpoten tot het uiterste getergd waren, als alle ellende en narigheid van het leven manifest werden. Misschien loop je in deze tijd van het jaar wel meer kans dat er iemand naar binnen wankelt met een mes in zijn borst of een naald in zijn arm, of dat er een vrouw met een gehavend gezicht naar de balie strompelt en zegt dat hij haar geen pijn had willen doen…”.

Sterk uit de verf
Het punt met thrillers is dat je er niet zoveel over kunt schrijven. Tenminste: als je de clou niet wil verraden. Dat zou natuurlijk heel flauw zijn; dan hoeft niemand het boek meer te lezen. Dat ga ik dus niet doen. Ik ga het gewoon over Frieda Klein hebben, omdat ze - tot mijn verrassing – als psychoanalyticus heel sterk uit de verf komt. Vaak blijven therapeuten in boeken, en vooral in thrillers, vage, zweverige figuren (zie b.v. “Gen voor geluk” van Richard Powers). Zo niet Frieda. Ze speculeert tot in het oneindige over zichzelf en haar vak. Dat vind ik bijna net zo boeiend als het verhaal op zich.

Op verhaal komen
Het boek opent met een aantal korte scènes die als pionnen op een schaakbord worden gezet: een proloog over een zaak die nooit werd afgesloten - van de in 1987 vermiste vijfjarige Joanna Vine, dokter Frieda Klein die midden in de nacht door Londen dwaalt omdat ze niet kan slapen, en een man die een paniekaanval krijgt. Hij wordt naar Frieda doorgespeeld via een collega en voormalige mentor, Reuben, die helemaal aan zijn eindje is. Zoals schrijvers een writers block kunnen op doen, zo blijkt Reuben een totale desinteresse en afkeer voor zijn patiënten te hebben ontwikkeld, die op den duur niet meer is te verbloemen. Alsof hij zich vergiftigd voelt door alles wat hij over zich heen heeft gekregen, de jaren door. Het doet me denken aan de priester in “The power and the glory” van Graham Green, die ook kotsmisselijk wordt van zijn biechtelingen: het zijn altijd en eeuwig dezelfde zonden – drank en overspel. Elk beroep heeft zijn eigen metaalmoeheid. Reuben lijkt met zijn vroegere onconventionele aanpak en latere verslavingen trouwens verdacht veel op psychiater Robert Laing, waar ik in mijn vorige blog over schreef. Zelfs zijn manier van werken: totale vereenzelviging met zijn patiënten, tot het gebouw waar hij praktijk houdt: “The Warehouse”, komen overeen. Als Reuben op non-actief wordt gezet en Frieda, die bij hem een psychoanalyse heeft ondergaan, daar de supervisie over krijgt, beticht hij haar van ‘vadermoord’: heel freudiaans allemaal. Ik mag hem wel, die Reuben. De antiheld.
Frieda leert haar stagiair dat mensen hun leven vorm moeten geven in een verhaal - zodat ze er weer grip op krijgen. Een gegeven dat vaak opduikt in mijn blogs. Sinds God is verdwenen, er geen ‘grote verhalen’ meer zijn, moeten we ons eigen verhaal ver‘zin’nen. Zelf ons leven zin en betekenis geven. Dat is een hele klus. Sommigen – of misschien wel heel veel - lukt dat niet altijd (in 2020 zou depressie volksziekte nr.1 zijn). Als de wind mee zit, zal het wel gaan, maar wat als het tegen zit? Ik denk daar vaak over na. Stel dat geloof inderdaad een projectie is (en natuurlijk komt dat er wel bij kijken, dat bestrijd ik niet); wat dan nog? Is het christendom met de goddelijke held Jezus Christus niet een veel mooier verhaal dan alle ‘on’zin en zin‘loosheid’ die wij een plek moeten geven in ons eigen bij tijd en wijle miserabele leventje? Misschien doen therapeuten wel niet anders dan mensen helpen de held in hun eigen verhaal te worden. Maar wat als we door die illusie heenprikken? Merken dat we in feite niet zo heel veel voorstellen? En anderen al helemaal niet wakker liggen van onze vermeende heldhaftigheid? En trouwens: op een dag is het zo-bij-zo ‘einde verhaal’. Soms komt het allemaal bij mij over als een soort van jezelf aan je eigen haren uit het moeras trekken…

Droom en daad
De man die bij Frieda in analyse gaat, vertelt dat hij twintig jaar geleden droomde over een gefantaseerd dochtertje en tegenwoordig droomt over een gefantaseerd zoontje. Van vijf jaar met sproeten en rood haar. Frieda leest een artikel in een krant over een vermissing van een jongetje. Van vijf jaar met sproeten en rood haar. Na lang wikken en wegen besluit ze contact te zoeken met hoofdinspecteur Malcolm Karlsson die de zaak in handen heeft. Ze weet niet dat er op dezelfde manier twintig jaar geleden een meisje is verdwenen; maar Malcolm wel. Heeft het e.e.a. met elkaar te maken? Hij vraagt of Frieda mee wil helpen in zijn onderzoek. Dan heb je de poppen aan het dansen.

Nivo
Tussen de uiteenzettingen over onbewuste drijfveren en overdrachtsmechanismen en tweelingonderzoek door gaat Frieda’s relatie uit. Maar een Romeo en Julia-verhouding was het toch al niet: beiden vinden hun carrière belangrijker dan hun partner.
Frieda vraagt zich af wat voor verhaal het verdwenen jongetje zichzelf heeft verteld om te overleven. Zijn verhaal is fragmentarisch te lezen. Zijn belevingswereld is heel zintuiglijk, sprookjesachtig en magisch. Het deed me denken aan Jack in “Kamer” van Emma Donoghue. Ik vind het ontzettend knap als een volwassen schrijver in staat is in de huid van een (getraumatiseerde) kleuter te kruipen.
Los van het verhaal heeft de manier waarop Frieda vertelt over wat er in de gesprekken tussen haar en haar patiënten gebeurt, voor een thriller, opvallend nivo: “… ‘Wil je me vertellen waarom je me zo dringend moest spreken?’ Sasha Wells was midden twintig. Ze droeg een donkere broek en een jasje waarmee ze haar contouren leek te willen verhullen. Maar al zat haar donkerblonde haar in de war en streek ze er voortdurend met haar vingers doorheen, al streek ze het haar uit haar ogen ook wanneer dat niet voor haar gezicht hing, al was ze een beetje te mager, al zaten de vingers van haar linkerhand onder de nicotinevlekken, en al keek ze Frieda niet in de ogen, maar wierp ze alleen af en toe een vage, beminnelijke glimlach in haar richting, ze was onmiskenbaar een schoonheid. Maar ze leek zich er met haar grote donkere ogen voor te verontschuldigen. Ze deed Frieda denken aan een gewond dier, een dier dat niet terugvecht, maar zich klein maakt en zich terugtrekt…” en “… ‘Hij reageerde eigenlijk niet, behalve dat hij alleen maar zweeg’, zei Frieda. ‘Als je mensen werkelijk belangrijke dingen vertelt, waardoor hun hele leven verandert, zijn ze vaak zo geschokt dat ze met een vreemd soort kalmte reageren… Ik dacht dat hij boos op me zou worden, maar hij leek in een shocktoestand. Hij ging gewoon de deur uit. Ik had het gevoel dat ik hem in de steek had gelaten. Het is mijn taak om patiënten te helpen.’ …”.

Het kon erger
Verrassende plotwendingen en onvoorziene gebeurtenissen houden het boek levendig en spannend. Zo komt er een Oekraïense bouwvakker, Josef, door het plafond van Frieda’s werkplek vallen, aan wie ze het hele verhaal door eigenlijk nog het meeste heeft.
En als het eindelijk kerst is, heeft ze een “… mooi stelletje achterblijvers en buitenbeentjes…” om zich heen verzameld: “… Frieda keek naar de mensen die in het kaarslicht om de tafel zaten: Paz, lief en sexy met haar belachelijke strikken (collegaatje); Josef met zijn woeste haardos en zijn droevige, donkere ogen; Chloë
met een blos op haar wangen en littekens op haar armen
(16-jarig recalcitrant nichtje die ze bijles in scheikunde geeft); Olivia, een dronken, wulpse en raaskallende zielenpoot (door haar broer in de steek gelaten schoonzusje en moeder van Chloë); en Reuben natuurlijk, ironisch over zijn eigen ondergang, maar vanavond een dandy met zijn mooie rode vest. Iedereen praatte door elkaar heen, en niemand luisterde. ‘Ach, het kon erger,’ zei ze, en ze hief haar glas…”.
Ik hou van die weemoedige ondertoon. Van het menselijk tekort dat niet weggepoetst wordt. De omarming van het imperfecte. Heel mooi.

Uitgave: Ambo/Anthos – 2014, vertaling Irving Pardoen, ISBN 978 904 142 582 9, €8,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier