Menu

dinsdag 21 april 2026

Satan in Goray – Isaac Bashevis Singer

 


“Het koninkrijk kome” van Bernice Rubens - zie mijn vorige blog - is een goede introductie tot het lezen van “Satan in Goray” (1935). Het verhaal gaat over een afgezonderd stadje omringd door dichte bossen, waar geruchten over de geheimzinnige Sabbatai Svi de ronde doen. Zou de afschuwelijke pogrom waarvan de bewoners het slachtoffer werden, de geboorteweeën kunnen zijn van de komst van de nieuwe Messias? De Pools-Joodse Nobelprijswinnaar Isaac Bashevis Singer (1902 – 1991) beschrijft in zijn debuut een gemeenschap vol psychopathie, magisch denken en religieuze waanzin, en vertelt daarmee een indrukwekkend, urgent verhaal over religieuze hysterie. Eerder besprak ik van hem het autobiografische “Op zoek”.

 

Wederopstanding

Goray leek voorgoed van de kaart geveegd toen in 1648 de goddeloze Oekraïense hetman Bogdan Chmelnicki er met zijn opstandige horde horige boeren huishield. Toch druppelen jaren later weer enkele burgers hun voormalige woonplaats binnen, van ieder groot gezin een paar: “… het is ’s werelds loop dat alles op zijn tijd terugkeert tot wat het is geweest. Winkels die lange tijd achter roestige luiken gesloten waren gebleven, werden één voor één geopend; beenderen werden naar het verwaarloosde kerkhof gebracht, waar ze gezamenlijk in een massagraf werden begraven; voorzichtig werden hier en daar de eerste kraampjes opgezet; leerjongens knapten de beschadigde daken op, repareerden schoorstenen en verfden muren die onder de bloed- en mergspetters zaten…”. Zelfs Rabbi Benisj keert terug, inmiddels in de zestig[E1] [E2] , en zorgt ervoor dat de Joodse tradities weer op gang komen. Ook Reb Eleazar duikt op, maar onherkenbaar: uitgemergeld en getraumatiseerd. Hij leeft teruggetrokken in zijn woning met zijn mooie, zeventienjarige dochter Rechele, een ietwat vreemd meisje dat met haar been trekt en niet praat.

 

Geruchten

Rabbi Benisj heeft geruchten gehoord over de rabbijnse afgezant Baruch Gad, die tijdens een reis door de woestijn een boodschapper van de tien verloren stammen zou zijn tegengekomen, die achter de woeste rivier de Sambation wonen. Beroemde kenners van de kabbala in Polen en andere landen ontdekten talrijke toespelingen in de Zohar en andere oude boekwerken die bewezen dat de dagen van ballingschap waren geteld. Heimelijk wordt er gesproken over het feit dat de bloedbaden de weeën van de komst van de Messias zijn. Sommigen verklaren dat zij het blazen van de grote ramshoorn kunnen horen, wat het einde der tijden aankondigt. Anderen wekken de mensen op zich te bekeren en boete te doen voor hun zonden, terwijl weer anderen dansen op straat onder tromgeroffel van vreugde. Volksvrouwen dromen opmerkelijke dromen over een grote wolk waarop alle Joden naar Jeruzalem vliegen. Zelfs heidense waarzeggers zien een opmerkelijke ster, en priesters getuigen van de slag van Armageddon die Israël zal winnen. Overal gebeuren onbegrijpelijke dingen. Landlopers vertellen dat het vuurstenen heeft gehageld in Bohemen. Tijdens een verschrikkelijke regenbui zou een slang uit de hemel een aantal steden vol Jodenhaters in Turkije hebben verpletterd. In Szebreszin hoorde iemens een stem uit de hemel, en in Pulav was een vis gaan praten. Overal bekeerden christenen zich tot het jodendom en lieten zich stiekem besnijden. Het meest werd er echter over de heilige man Sabbatai Zvi gepraat, wiens roeping als Messias binnenkort geopenbaard zou worden. Een zekere Reb Abraham Zalman, die de marteldood was gestorven, zou zijn voorloper zijn geweest.

 

Zweverig

Rabbi Benisj doet of hij niets hoort: “… Vele jaren wist hij al dat de Poolse joden op het verkeerde pad waren. Ze groeven te diep in dingen die bedoeld waren verborgen te blijven, ze dronken te weinig van de heldere wateren van de heilige leer…”. Jongemannen raken in de war van de pilpul. “… Jongens van nog geen twintig, wier verstand nog niet gerijpt was, bogen zich al over mystieke werken als de ‘Schatkamer van het leven’, ‘Raziël de engel’, de ‘Zohar’ en de uitleggingen van de mysteries van het goddelijk rijtuig van Ezechiël…”. Rabbi Benisj betreurt de kabbalistische werken van Isaäc Luria, die hen het hoofd op hol brengen. “… Er waren te veel asceten onder de Poolse joden, te veel kluizenaars, amulettenschrijvers en wonderdoeners…”. Hij zag er altijd op toe dat deze plaag zich niet verspreidde. “…Zolang ik leef, zal er geen afgoderij in Goray zijn!...”, riep hij altijd. Hij hield van gezond verstand en matigheid. Als er in Goray al ingewijden in de kabbala verschenen - mensen die wijn uit de muren toverden, zieken konden genezen en zelfs doden opwekken - dwong hij ze te vertrekken. Nu houdt hij zijn mond. De Joden raken steeds meer verdeeld in sekten. Zelfs de grote rabbi’s zijn het niet met elkaar eens. Een tijd van ziekte en rampen is geen tijd om de mensen vermanend toe te spreken.

 

Voor- en tegenstanders

Goray beleeft slechte tijden. Het wordt geteisterd door enorme slagregens en stormen. Zijn beste burgers zijn afgeslacht. De meeste mannen die het hebben overleefd, zijn jong. De angst voor nieuwe rampen verlaat de joden geen moment. Juist nu eenheid het meest nodig is, wil men niet langer verantwoordelijkheid voor elkaar dragen en trekt iedereen zijn eigen plan. “… Herhaaldelijk riep Rabbi Benisj de inwoners ter vergadering bijeen, maar ze vielen in slaap of gaapten naar de muren. Ze gingen akkoord met alles, maar voerden niets uit…”. Het gerucht dat de Messias nadert, schudt zelfs het plaatsje aan het eind van de wereld wakker. Een vrouw die op zoek is naar haar verdwenen man brengt wilde verhalen mee over bomen in het Heilige Land die ineens enorme vruchten dragen en vissen die in het zoute water van de Dode Zee zijn verschijnen. De opschudding bereikt haar hoogtepunt als er een Jood uit Jemen het aanstaande koningschap in Jeruzalem - Sabbatai Zvi - komt aankondigen. Iedereen moet zich klaarmaken voor de nakende verlossing. De lamme kabbalist Reb Mordechai slaat, met kruk en al, aan het dansen en bezwijmt. Rabbi Benisj laat de afgezant naar zijn studeerkamer komen. Wat er besproken wordt, weet niemand, maar de man vertrekt zonder een woord. De kabbalisten zijn zo kwaad dat er een in het leerhuis een handgemeen uitbreekt tussen voor- en tegenstanders van de nieuwe Messias.

 

Een bijzonder geval

Toen Rechele vijf jaar was, overleed haar moeder, en liet Reb Eleazer haar achter bij zijn broer in Lublin, een slager die altijd en eeuwig onder het bloed en de veren zat en met een mes tussen zijn tanden rondliep, en een oude opoe van in de negentig bij wie ze op de slaapbank moest slapen. Rechele was een koppig en dwars kind. Opoe trachtte haar onder de duim te houden met doodenge verhalen “… van wilde beesten en boze geesten, van rovers die in holen met heksen woonden; van menseneters die kinderen aan het spit roosterden; en een wild, eenogig monster dat rondsloop met een dennenboom in de hand, op zoek naar een verdwaalde prinses…”. Opoe stierf de dag voor Jom Kippoer. Rechele was twaalf. Singer beschrijft de gevaarlijke nacht voor Jim Kippoer als een tijd waarin alle remmen losgaan (zie “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt). Verderop lees ik dat op Jom Kipoer alle zonden vergeven worden: misschien kun je daarom de nacht ervoor straffeloos tekeergaan zoveel je wilt. Rechele is alleen thuis. Er moet iets verschrikkelijks gebeurd zijn, want haar oom treft haar als dood aan. Hij zet het op een gillen, waarop er mensen komen aanrennen die Rechele weer in het land der levenden krijgen, maar na die avond werd ze nooit meer de oude. In het begin kon Rechele helemaal niet praten. De slager liet allerlei dokters en kwakzalvers komen. Niets hielp. Toen bracht hij haar, om de pijn te doen vergeten, boeken en ging zelfs zo ver dat hij haar in de Thora onderwees. Dat werkte helend, al bleef ze een bijzonder geval. Toen de slager stierf, keerde Rechele terug naar haar vader, die haar meestal aan haar lot over liet. Doorgaans zit ze dan ook in haar uppie bij de haard te lezen, zonder enige interesse in de medemens.

 

Vreemde marskramer

Op een dag komt er wel een heel vreemde marskramer naar Goray: Reb Itches Mates. Hij laat toe dat iedereen met zijn tengels aan zijn koopwaar zit en mensen mogen zelf bepalen wat ze betalen voor zijn spullen. De kabbalisten voelen dat hij wat te vertellen heeft. Iemand van hen nodigt de marskramer uit voor het avondeten. Tijdens de maaltijd haalt Itches Mates een brief uit zijn binnenzak die ondertekend is door honderden rabbijnen. Hij begint fluisterend de diepste geloofsgeheimen te onthullen. Er zouden nog maar een paar ‘heilige vonken’ onder de verstikkende walm van dit aardse bestaan branden. De machten van de duisternis klampen zich daaraan vast. Sabbatai Zvi, Gods bondgenoot, is bezig de laatste heilige vonken naar hun oorsprong terug te brengen, en dan breekt de verlossing aan. Itches Mates blijft bij zijn gastheer slapen. Die hoort hoe hij de hele nacht bij de kachel zit te prevelen, omgeven door licht, alsof hij door de maan beschenen wordt.

 

Mezoezahs

Na het morgengebed gaat Itches Mates van huis tot huis om de mezoezahs te onderzoeken – zoals de gewoonte is van marskramers, die over het algemeen ook schrijvers zijn. Wanneer ze een fout in een mezoezah vinden, verbeteren ze die ter plekke met een ganzenveer, waarvoor ze een cent opstrijken van het gezinshoofd. Itches Mates kijkt met een schuin oog naar Rechele, die schel begint te lachen als hij vraagt of ze getrouwd is, en antwoordt van niet, omdat ze net als Jefta’s dochter een offer aan God is. De marskramer krijgt het ijskoud van zoveel heiligschennis en zegt dat God geen mensenoffers vraagt, dat een Joods meisje een echtgenoot moet hebben en zorgvuldig de wet naleven. Niemand wil haar hebben, beweert Rechele, behalve de duivel misschien. Glinsterende tranen rollen uit haar dolle ogen. Dat brengt Itches Mates op een idee: misschien wil ze zijn vrouw worden.

 

Boze geesten

Een boodschapper wordt naar de dorpen gestuurd om de vader van Rechele op te sporen, die echter nergens te vinden is. Ondertussen wacht Rechele met angst en beven af. Onrustig loopt ze uren door het huis. “… Soms rolden er zonder reden tranen uit haar ogen, net als bij een boom na de regen…”. De vrouwen zorgen voor haar: ze koken lekkere dingen, verstellen haar kleren, komen haar troosten en de boze geesten weg praten. “… Tsjinkele de Vrome bracht de nacht met Rechele door, opdat er geen duivels in haar zouden varen…”. Steeds wanneer ze op het punt staat in slaap te vallen, wekt Rechele haar met een ruk aan haar schouders. Ze is zo bang is voor de marskramer: ‘hij heeft dode ogen!’. Ze moet zich niet aanstellen; hij is juist een heilig man, door de hemel gezonden om haar te redden, aldus Tsjinkele.

 

Gewaarschuwd

Dan krijgt Rabbi Benisj een brief uit Lublin met de waarschuwing dat Itches Mates voor geen haar te vertrouwen is; hij zou zo ongeveer de duivel zelve zijn. Terwijl Rabbi Benisj zich opmaakt voor een oorlog tegen de marskramer en zijn aanhangers, wordt de verloving van Rechele met Itches Mates gevierd. De gemeenschap kijkt op een kluitje toe hoe Itches Mates een zakdoek uit zijn jas rukt en Tsjinkele de Vrome voorhoudt. Tsjinkele grijpt een punt, waarna ze samen de sterren van de hemel dansen, want Rechele is immers mank. Zoiets hebben ze in Goray nog nooit meegemaakt. Rechele krijgt prompt een toeval. Ondertussen meldt een spion aan Rabbi Benisj wat voor een ongehoord feest er gaande is. Rabbi Benisj pakt zich onmiddellijk dik in om verhaal te gaan halen, maar onderweg blazen boze geesten hem van de weg en kwakken hem in een berg sneeuw. Hij belandt in bed met een ontwrichte arm die niemand meer in de kom krijgt. Uiteindelijk wordt hij door zijn familie in een arreslee naar Lublin gebracht, en in Goray blijft geen enkele heilige rabbi die zijn verstand nog enigszins op een rijtje heeft.

 

Bruiloft

Schitterend beschrijft Singer hoe het toegaat tijdens een traditionele Joodse bruiloft. Lichtzinnigheid is toegestaan. Een nar tapt moppen. Misschien wel het mooiste fragment: “… Plotseling verdrongen de vrouwen zich om haar (Rechele) heen. De mannen naderden in gezelschap van de bruidegom, die het hoofd van de bruid kwam bedekken. Ze waren al te horen op de trappen en de meisjes probeerden de deur voor hen dicht te houden. Maar die werd met geweld opengeduwd en de mannen kwamen binnen, dronken en in een uitbundige stemming…”. Het regent rozijnen en amandelen over Rechele. Terwijl hij onder het huwelijksbaldakijn wacht tot zijn bruid bij hem wordt gebracht, prikt een ondeugende kwajongen met de breinaald van zijn grootmoeder in het achterwerk van de bruidegom, vermeldt Singer. Na zeven nachten is Rechele nog steeds maagd, constateren de teleurgestelde vrouwen die de bruid hebben weggegeven en het linnengoed controleren. Is er sprake van hekseij? Alle bezems worden uit huis gehaald. Het huwelijksbed wordt uitgerookt. Allerlei amuletten worden opgehangen om boze geesten te weren. Rechele moet op het matje komen. Itche Mates wordt apart genomen. En de nietsnutten in de herberg verzinnen een scheldnaam voor hem: de eunuch.

 

Wonderdoener

De pseudo-Messias wordt direct vergeten als er een gezant arriveert die vertelt dat Sabbati Zvi naar Constantinopel is vertrokken om de kroon van de sultan op te eisen: Reb Gedalia. De vroomheid en geleerdheid spatten van hem af. Hij blijkt ook nog eens een kundige rituele slachter, zodat in Goray eindelijk weer vlees kan worden gegeten. Wat kan Reb Gadalia eigenlijk niet?! Hij verricht wonderen. Hij geneest de zieken. Hij verlicht de geestelijke noden. Hij beslist in moeilijke gevallen. Hij windt de rijken om zijn vinger, zodat ze gul aan de armen geven. Hij leert de vrouwen op de juiste manier deeg te kneden. Hij helpt zelf mee de matses te bakken. Hij toont door middel van de kabbala aan dat alle wetten in de Thora verwijzen naar het gebod om vruchtbaar te zijn. Hij is altijd vriendelijk en opgeruimd. Tijdens de Seider mogen de mannen en vrouwen door elkaar zitten en op de binnenplaats van het gebedshuis wordt er gedanst. De zon schijnt ook dagelijks in Goray en zodra de nacht valt, verschijnen er vurige tekens aan de hemel.

 

Profetie

Als Rechele op een avond in haar soep kijkt en zeven maagden met een gouden kroon op het hoofd ziet, die zoete klanken laten klinken van een bovenaardse melodie, rent ze naar Reb Gadalia om hem in te lichten. Een nacht later spreekt de engel Sandalfon tot haar. De volgende ochtend begeeft ze zich in haar sabbatskleren naar het gebedshuis om de aanwezigen erover te vertellen. Ze valt voorover op de grond en onthult, stuiptrekkend en schokkend, met zo’n harde stem dat de echo door het hele plaatsje te horen is, de diepste mysteriën. Trillend constateert Reb Gadalia dat de profetie teruggekeerd is. Afgezanten worden de wereld ingezonden om het goede nieuws overal rond te bazuinen: Reb Mordechai en Ren Itche Mates.

 

Heilig paar

Itches Mates heeft zijn hielen nog niet gelicht of Reb Gedalia verschaft Rechele onderdak in zijn huis en woont met haar onder één dak, alsof ze getrouwd zijn. Hij leert jongemannen zwemmen en haalt goocheltoeren uit met de kinderen. Hij lapt alle reinheidswetten aan zijn laars en zegt dat op seksueel gebied alles geoorloofd is. Een paar oude huisvaders in Goray protesteren, maar niemand luistert naar hen. Er beginnen van heinde en ver bedevaartgangers naar het heilige paar te stromen. Terwijl er in Goray een uitbundige stemming heerst, wordt de rest van het land getroffen door de ene na de andere ramp: droogte, sprinkhanen en muizenplagen. “… En op een nacht zag een boer een geest op stelten dansen bij de windmolen. Wilde beesten, vossen, bunzings, marters en wolven, dansten er omheen…”.

 

Hunkeren naar verlossing

De inwoners van Goray raken zo in de ban van Rechele en Reb Gedalia dat ze hun verhalen over de aanstaande verlossing als zoete koek slikken en geen voorraad meer inslaan voor de komende winter. In plaats van hout te hakken stoken ze hun dakspanten, kasten en vloeren op. Sinds Rechele profetes is geworden, ligt ze in bed terwijl ze bijna niets meer eet. “… Wanneer ze las, sloegen de bladzijden vanzelf om. Soms stak ze een hand uit om iets te pakken en dan vloog het op haar vingers af alsof het werd aangetrokken door een magische kracht. Haar lichaam scheen in de duisternis als een edelsteen en haar huid schoot vonken…”. In het studiehuis klinkt de ramshoorn: elke stoot kan de Messias aankondigen. Maar de grote feestdag waarop het eind der tijden was voorspeld, gaat voorbij zonder dat er iets gebeurt. Daarna is er geen meel meer om brood te bakken, geen vis of honing. Reb Gedelia is foetsie: ergens in de heuvels aan het bidden. Nog nooit is er zo geweend tijdens de boetegebeden als dit jaar. Stelt God hen op de proef? “… De kinderen huilden luid en klaagden dat ze voor de gek gehouden waren… Ze wilden naar Jeruzalem… Ze wilden gouden jasjes aan… Ze wilden vleugels, zodat ze door de lucht konden vliegen… Ze wilden marsepein en de gouden muntjes in de soep die hun beloofd waren…”. Reb Gedalia komt terug en predikt dat deze bedorven Rosj Hosanna de laatste bezoeking is die God Zijn Volk aandoet. De gemeente moet standvastig blijven in het geloof en vooral niet wanhopen.

 

Verraad

Op de eerste dag van het Loofhuttenfeest barst er een wolkbreuk los boven Goray, zodat alles onder water komt te staan. Het begint te hagelen: stenen zo groot als ganzeëieren. Onweer volgt. De kinderen worden ziek en sterven. De voor- en tegenstanders van Sabattai Zvi vliegen elkaar in de haren. En tot overmaat van ramp duiken ook nog eens Reb Mordechai en Reb Itches Mates op met het verhaal dat de pseudo-Messias hen heeft bedonderd. Hij zou zijn overgelopen naar de Turk en de fez hebben aangenomen. Iedereen is sprakeloos. Dan vliegt de deur open en rent Reb Gedalia het studiehuis binnen. Voor ze hem bij zijn kladden kunnen grijpen, roept hij dat het niet waar is. Dat er een passage in de Zohar staat die er geen misverstand over laat bestaan dat slechts de schaduw van Sabattai Svi zich heeft bekeerd.  

 

De omgekeerde wereld

De verdeeldheid tussen de voor- en tegenstanders van Sabattai Svi laait hoog op. Dwepers van beide partijen doen elkaar op iedere jaarmarkt in de ban. Poolse soldaten moeten vechtende gelovigen in de gebedshuizen uit elkaar halen. De getrouwen splitsen zich ook nog eens in twee groepen. Eén groep is ervan overtuigd dat de Messias pas kan optreden als alle gelovigen zonder zonde zijn. De andere groep beweert dat de Messias eerst de Onderste Sfeer binnen moet dringen om daar de vonken van heiligheid aan te onttrekken. Heeft Jesaja niet voorspeld dat de Messias tot de zondaars gerekend zou worden?! Volgens hen moeten alle gelovigen zich onderdompelen in zonde, omdat ze dan pas verlost kunnen worden. Daarom doen ze van alles om aanstoot te geven: ze plegen in het geheim overspel, eten varkensvlees en verrichten ze werk op de sabbat. Met de dag worden de mensen in Goray verdorvener. “… Ze wisten zeker dat iedere overtreding een hogere sport op de ladder van zelfreiniging en geestelijke verheffing was, ze daalden af tot ze voor de negenenveertig Poorten van Onreinheid stonden…”. Op sabbatavond vergezelt Reb Gedalia de zijnen naar de oude ruïne van Goray, waar een waar bacchanaal wordt gehouden. Goray wordt een roversnest, een vervloekte plaats. Slechts een enkeling doet niet mee en kijkt toe hoe Satan in de straten danst.

 

Bezetenheid

Vanaf het moment dat Rechele hoort dat Sabbatai Zvi de fez opgezet heeft, verschijnen de heilige engelen niet langer aan haar. Ooit werd ze wakker met pijn in haar benen van het vele klimmen in de hemelse sferen. Dat is allemaal voorbij. Vroomheid en de genade van God hebben haar verlaten. Wel hoort ze stemmen van een heilige en een goddeloze die in een eindeloos debat zijn gewikkeld. Ze is doodsbang, want elke dag wordt de goddeloze sterker in haar. In Goray breekt een vreselijke hongersnood uit. In de buurt wordt een weerwolf gezien. Rechele raakt steeds meer bezeten van een dibboek. En Reb Gedalia raakt van de weeromstuit aan de drank.

 

En het geschiedde

De fragmenten in de te twee slothoofden beginnen steeds met de herhaalde opening ‘En het geschiedde’, wat een duidelijke verwijzing is naar de verteltrant van de Hebreeuwse Bijbel (met name het bijbelse Hebreeuws, waar ‘wayehi’ vaak zo wordt vertaald). Ze gaan over de gevangenneming van Reb Gedalia, die uiteindelijk wordt ontmaskerd als bedrieger, en de duivelsuitdrijving van Rechele.  Singer imiteert een kroniek- of schriftachtige stijl, alsof de gebeurtenissen achteraf als een soort religieuze of historische annalen worden vastgelegd. Het effect daarvan is dubbel:

·        het creëert afstand: de waanzin en chaos van het verhaal worden achteraf “geordend”;

·        het geeft ironie: wat eerder als messiaanse hoop begon, wordt nu bijna droog en fatalistisch opgetekend;

·        het plaatst de gebeurtenissen in een quasi-heilige context, wat wrang contrasteert met wat er werkelijk gebeurd is.

De moraal van het verhaal volgens Singer luidt: “… Laat niemand proberen de Heer te dwingen een eind te maken aan onze pijn in deze wereld. De Messias zal komen in Gods uur…”.

 

Uitgave: L.J. Veen – 2007, vertaling P. van Koningsveld, 212 blz., ISBN 978 902 040 733 4

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

Geen opmerkingen :

Een reactie posten