Met de leeskring hebben we “Dius” van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans (1951) besproken. Het boek was voor mij een aangename verrassing, omdat het onder andere draait om de Nietzscheaanse tegenstelling tussen het ‘dionysische’ en het ‘apollinische’, een thema dat ik de laatste tijd in diverse blogs heb verkend: zie “Romantiek. Een Duitse affaire” van Rüdiger Safranski, “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt en “Oorlogsroes” van Ernst Jünger. Het dionysische staat voor het duistere, het emotionele, het chaotische, het grenzeloze, het irrationele - kortom het romantische. Het apollinische staat voor licht, ratio, orde, logica, harmonie - kortom het klassieke. Wat ik ook origineel vond: het verhaal gaat om een meester-leerlingrelatie waarin dit keer de rollen zijn omgedraaid. De leerling neemt het initiatief en is zijn meester de baas. Normaal is het in verhalen natuurlijk andersom, waarbij de meester het vertrouwen meestal blijkt te beschamen: zie “Op weg naar de Hartz” van Wessel te Gussinklo, “De magiër” van John Fowles en wederom “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt.
Egidius, waer bestu bleven?
“Dius” heeft iets van een cultuurfilosofisch college — dus helemaal mijn ding. Ik heb de roman echt met de laptop op mijn knieën gelezen, zodat ik de namen van alle renaissanceschilders en -componisten die de revue passeren kon opzoeken. De protagonisten passen namelijk niet in hun tijd — tweede helft van de vorige eeuw, schat ik. Ze lijken op moderne ‘afhakers’. Als protest tegen de moderniteit trekken ze zich terug in hun eigen wereld, vol oude kunst en muziek. De naam Dius verwijst naar het middeleeuwse “Egidiuslied” (maar linkt ook aan ‘dionysisch’): een klaagzang over een overleden vriend. Dius werd geboren uit een overspelige relatie met een uitbater van een Siciliaanse ijssalon in Heist-aan-Zee. Zijn officiële ouders hadden zelf een schoenwinkel annex schoenmakerij. Hij groeide op met de geur van kruipolie en warme lijm, tussen zoemende machines. Als kind werd hij door zijn liefdeloze moeder schrijnend achtergesteld ten opzichte van zijn broer en zus. Zijn vader nam het zwijgend voor hem op. Op zijn zeventiende was hij een ‘einzelgänger’ die de wijde wereld introk.
Vriendschap
Als student staat hij ineens op de stoep van een kunstdocent, Anton, nadat hij tijdens diens lezing is weggelopen omdat hij - vanwege een rare opmerking - werd uitgelachen door zijn medestudenten. Hij heeft een verrassing voor Anton. Hij beschikt over een schildersatelier in een verwaarloosd gildehuis bij een oud kasteeltje, diep in de polder: ‘Ganzevliet’, dat Anton gratis mag gebruiken. Zijn docent oogt namelijk wat overwerkt. Daar kan hij, zonder door wie en wat dan ook gestoord te worden, zijn gang gaan. Dius wil zich niet opdringen, maar hij zou heel graag vrienden met hem worden. Anton is letterlijk met stomheid geslagen. De misplaatstheid van de omgekeerde situatie is absurd, zeker in het hiërarchische België van destijds. Dius is een beetje apart, weet Anton. Hij herinnert zich een door hem ingeleverde tekst waarin hij zichzelf vergeleek met een veulen in een wei vol hem aanstarende stieren: “… zo vervreemd, eenzaam en misplaatst voelde hij zich blijkbaar tussen de andere studenten…”. Voor hij het weet, stemt Anton toe.
Poëtisch leven
Op een woensdagmiddag komt Dius hem ophalen met een gammele bestelbus vol rotzooi. Tijdens de rit stopt hij plotseling omdat hij een eindje wil lopen. Anton heeft geen keus. Het blijkt dat Dius hem nodig heeft om een enorme boomstronk naar de auto te slepen. De knol is alleen niet te tillen. Hij wil er plakken uit snijden om als fineer te gebruiken. Hij zal er een schrijftafel voor Anton van maken, belooft hij vergoelijkend. Terwijl Anton steeds chagrijniger wordt, pauzeert Dius nog een keer om bij een kippenkraam een paar gebraden haantjes te kopen. Uiteindelijk komen ze aan bij het gebouw dat als een geheime schatkamer volstaat met de meest fantastische troep. De artistieke inboedel doet Anton onmiddellijk opveren. De grillige voorwerpen prikkelen zijn gemoed: “… Hierbij stak mijn eigen werkruimte thuis, met haar schrale rekken alfabetisch geordende boeken en het altijd netjes opgeruimde bureau, als een academische vorm van verbeeldingsarmoede…” (zie het apollinische). Onder uit de luidsprekers schallende renaissancemuziek wordt de kip opgepeuzeld. Prozaïscher kun je het niet bedenken.
Schemering
In het uur tussen hond en wolf laat Dius hem de uitgestrekte polder voor het gildehuis zien en struinen ze door de overwoekerde kasteeltuin: “… Het rook naar vuur en bladgrond. Ik rilde. In de oude pergola, enkele tientallen meters achter de hoge meidoornhagen, stonden geboetseerde koppen, lelijk en onaf, als totems uit een andere tijd. Het schemerlicht gaf ze iets onheilspellends. Ik vroeg maar niets…”. De onwezenlijke sfeer doet onontkoombaar denken aan “De magiër” van John Fowles.
Intriges
Een paar weken later rijdt Anton zelf naar Ganzevliet. Hij heeft het gevoel dat hij naar ‘verboden terrein’ gaat. Dius’ camionette staat voor de inrijpoort, maar in de grote zaal is niemand. Als hij om het gildehuis heen loopt, ziet hij dat de ladder naar de open hooizolder opgetrokken is en hoort hij het gesnik van een vrouw met wie Dius aan het vrijen is. Hij weet niet hoe gauw hij zich uit de voeten moet maken. Wanneer Anton hem vertelt dat hij langs is geweest, antwoordt Dius zonder blikken of blozen dat hij er die dag niet was. Ondertussen bedriegt Anton zelf ook zijn partner, Nouka, met een collega.
Beauty is terror
Wanneer Dius hem nog een keer komt ophalen, rijdt hij hem naar een kerkje om hem een aangrijpende replica van het wereldberoemde beeld van de heilige Cecilia in Rome te laten zien, waar hij een paper over wil schrijven. Haar frêle handen met de gestrekte vingers lijken op ‘neergeschoten vogels’: de ene hand op redding wijzend, de andere op ondergang. In de tere hals zit een diepe snede, waar Dius helemaal door van de leg raakt: “… Dius stond me met iets wilds in zijn blik aan te kijken. Hij was bloedrood aangelopen, trilde over zijn hele lichaam, probeerde iets te zeggen, kreeg het te kwaad, gebaarde naar het beeld, en zei ten slotte: Dit is het…”. Het sublieme. Woorden schieten te kort. “… Ik zag hem zwaar hijgen. Ik zag zijn verwarde, zwarte haardos licht heen en weer bewegen en dacht dat hij huilde…”. Zie het citaat van Donna Tartt in “De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. Anton: “… Ik voelde afgunst jegens zijn argeloze emotie, wist dat dit het was wat ik gaandeweg verloren was – een emotionele openheid…”. De droogkloot.
Battleground
Anton zoekt steeds vaker de inspirerende en bevrijdende omgeving van Ganzevliet op om te werken en te studeren. Hij voelt zich fijn bij Dius. Zwijgend brengen ze uren met elkaar door. Ze krijgen de slappe lacht als ze de ene idiotie na de andere met elkaar wisselen. Dat is ook heel romantisch: overdreven sentiment eindigend in luchtgevend lachen. Zie Safranki over de ironie. In dit fragment treedt eveneens iets ‘wreeds’ op. Dius zegt dat Anton moet ophouden omdat hij niet meer kan – Anton gaat tóch door. Overal loert het barbaarse om de hoek, als je goed oplet. Anton geeft zijn ongeïnteresseerde studenten les over Joseph Beuys, Joseph Kosuth, Marcel Broodthaers en Barbara Kruger. Een willekeurig rijtje namen lijkt het, maar Kruger heeft wel een werk gemaakt met de titel ‘Your body is a battleground’. Als Anton Dius vraagt naar Pia, een ongenaakbare medestudente waar hij nogal van onder de indruk lijkt te zijn, pakt Dius de karabijn die altijd bij de voordeur staat, jawel, en loopt weg. Die avond eten ze gebraden duif.
Spijt en heimwee
Wanneer Anton Nouka een keer meeneemt naar Ganzevliet, zegt ze dat het haar moeilijk lijkt om in het verlaten landschap te leven onder zo'n ‘verpletterende lucht’. Er komen dan ook veel zelfmoorden voor in de streek, weet Anton. “… Het begon te sneeuwen, eerst enkele afzonderlijk dwalende vlokjes, alsof de bui voorzichtig haar verkenners vooruit had gestuurd, daarna allengs heviger, met dikke pluimvormige vlokken, die op de rode jas van Nouka bleven haken voor ze verdwenen…”. Even verder: “… toen we weer in de auto zaten en ik de radio aanzette, klonk vreemde, trage blaasmuziek…”. 'Symphonies of Wind Instruments' van Igor Stravinsky. De ruiten dampen dicht. Zijn leven lang zal Anton, als het sneeuwt, denken aan dat muziekstuk en weg smelten van spijt en heimwee naar die tijd.
Kitsch
Het ‘dionysische’ komt op zijn sterkst aan bod als Anton zijn college over de Wiener Aktionisten beschrijft: een avantgardistische groep die, beïnvloed door de ideeën van Markies de Sade, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud, in de jaren zestig furore maakte met wat ‘orgie-mysterietheater’ werd genoemd. Het zou allemaal gaan om de opvoering van oeroude bacchantische rituelen: gedoe met poep en pies, bloederige ingewanden van dieren, zelfverminking en zo. Performances van slagersgasten. Toen ik er op internet meer over las, vond ik het fascinerend dat ze tegen hetzelfde aanliepen als de studentengroep in “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt: het bleef een spel, onbevredigende kitsch, het was niet écht. Religie werkt niet als je er niet in gelooft. Je kunt je hele leven kerkbanken verslijten: het zal je niets helpen als God geen werkelijkheid voor je is. Voor authentieke stront aan de muur moet je, shockerend genoeg, in een krankzinnigengesticht zijn.
Mystieke wonde
De Wiener Aktionisten brengen Anton bij de Christuswonde in de oude schilderkunst en de mystieke wonde in Wagners opera Parsifal, waarin de Graalkoning Amfortas gewond is geraakt door de heilige speer van Longius. De spirituele betekenis van het verhaal is dat de geestelijke wond pas kan genezen wanneer iemand het lijden, dat de beschadiging heeft veroorzaakt écht begrijpt. Een ‘reine dwaas’, of een biechtvader misschien? Zie de gelijknamige speelfilm van Hans-Jürgen Syberberg. Van ‘wonden’ gesproken: zie mijn vorige blog. Anton: “… Ik vertelde over oude mensenoffers, over de antieke Griekse bok die Dionysos heette, het meisje Ifigeneia dat op het ogenblik van haar offerdood door Artemis werd vervangen door een hinde…”. Zie het offer van Abraham: Isaak die werd vervangen door een ram (Genesis 22). Anton gaat nog verder: sensualiteit begint waar de perfectie van het lichaam wordt doorbroken. Zie het ‘lit-teken’ van het Middelnederlandse ‘lyc-teken’ – lyc is het oude woord voor lichaam. Zie de studenten met hun heldhaftige sporen in het gezicht van opgelopen houwen tijdens het schermen in “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Zie ook de Japanse kunst van met goud herstelde gebroken Japanse vazen: kintsugi. Ondertussen zit Dius met stralende ogen en een duivelse glimlach naar Anton te luisteren. Later ziet Anton hem ineengestrengeld met Pia op straat lopen: een sater en een nimf.
Op zolder
Wanneer Dius er een keer niet is, klimt Anton stiekem de hooizolder op, waar hij tientallen doeken vol wolkenformaties van Dius ontdekt. “… Een paar, de laatste, zijn dan toch anders – de verf druipt in dikke drippings tot op de donkere einder en lijkt een laatste oordeel aan te kondigen…”. Twee doeken zijn in het midden gescheurd. Er lijkt een soort ossenbloedachtige substantie omheen gesmeerd, waarvan Anton pas achteraf beseft dat het om Dius’ eigen bloed moet gaan. Alsof hij op de zolder zijn demonen gevangenhoudt.
Hout
Dius laat een snijmachine installeren die dunne houtvellen kan snijden voor fineer. Hij is door het dolle heen: “… kijkt me aan met een blik die niet van deze wereld is, een vreemde mengeling tussen gekte en droom…”. Hij streelt het trillende ijzer van het apparaat, “… als was het een dier dat hij nog moet temmen…”. Op een keer vertelt hij dat zijn ware leermeester een leraar metaalbewerking is geweest toen hij vijftien was. Een ukkie dat altijd en eeuwig met een peuk in zijn mond in een vettige rondliep, maar werkte op een tiende millimeter nauwkeurig. Een virtuoos die niet kon tekenen, maar wél wist hoe je met materie moest omgaan. Bomen leven in een andere tijdsdimensie, beweert Dius. Als je ze snel kon zien groeien, zou je merken dat ze elkaar bijna naar de keel vliegen voor een beetje licht. Het zijn rare snuiters die hun takken in het gezicht van hun buurman duwen. Zie de ogen en knopen in het hout: littekens van hun gevechten. Boswachter Peter Wohlleben trekt in zijn boek “Het verborgen leven van bomen” precies de tegengestelde conclusies. Volgens hem zijn bomen juist hele zorgzame wezens die overlopen van naastenliefde.
Meningen
Dius keert zich bijna woedend af van de moderne en hedendaagse kunst: “… Conceptuele kunst, bromde hij, wat een gelul…”. Wat is de zin om je voor of tegen iets uit te spreken? Daarmee zeg je alleen maar iets over je eigen smaak, over je eigen vooroordelen. Alle kunstenaars houden zich door de eeuwen heen met hetzelfde probleem bezig: de techniek van de ziel. Hoe maak je van geest materie? Hoe kun je het landschap begrijpen waarin je je begeeft?
Van God los
Anton heeft het over het chaotische geweld van ‘Verlust der Mitte’ van Asger Jorn. “… Daar, net niet in het midden van het schilderij dat het verlies van het midden wilde uitbeelden, in die wirwar van primitief ogende kleuren had de duivel mij aangekeken…”. Er zit een grof geschilderde tronie in het doek die zijn persoonlijke duivel is geworden, een monsterlijk gelaat zoals op sommige oud-Griekse maskers, dat opduikt in zijn nachtmerries. Hij brengt het in verband met zijn gemis aan een ‘zwaartepunt’. Waar hij het licht van het begrijpen zocht, was de onweerstaanbare, opwindende verleiding van iets onbegrijpelijks gekomen, van een overspelige betovering: “… daar was ik vast komen te zitten…”. Zie de link met wat Dirk de Wachter schrijft over het ‘zijnsgat’ van Heidegger dat we niet kunnen dichten, hoezeer we het ook opvullen met consumentistisch of zinnelijk genot. De Wachter gebruikt een verrassende metafoor voor ons ‘zijn’: een donut. De kern en de ruimte eromheen, waarin sommigen het goddelijke licht ervaren, kunnen blijkbaar net zo goed beheerst worden door demonische duisternis.
De grote boze wolf
De gevreesde kunstpaus Jan Chapot, die de examens op de kunstacademie af komt nemen, is gebaseerd op de inmiddels overleden Jan Hoet. Had Hertmans nog een appeltje met hem te schillen? Hij ruïneert carrières in de dop en breekt het meeste werk van de studenten tot de grond toe af. Ook dat van Dius, die het deels ontblote rechterbeen van de wereldberoemde ridder van Vittore Carpaccio heeft nageschilderd, een zestal keer. De levensechte huid (incarnaat), in zijn etherische schoonheid, is een waslaag van wonden en littekens. Op ieder paneel wordt de wond griezelig genoeg groter. De arrogante Dius laat zich zwijgend beledigen, steekt zijn middelvinger naar de ontploffende Chapot op, maakt een minzame buiging en loopt de zaal uit, terwijl hij de deur met een knal achter zich dichtslaat. Een deel van het schilderij van Carpaccio staat op de omslag van het boek: een in de lucht vechtende valk en reiger. Een roofvogel en een vogel die vanouds symbool staat voor wijsheid en eenzaamheid. Suggereert het tafereel de tweestrijd tussen geweld en wijsheid?
't Hijgend hert
Hertmans beschrijft op een ongelooflijke manier hoe Anton met zijn auto op een groot mannetjeshert botst, dat hem dwars door de versplinterde voorruit heen met zijn gewei tegen de rugleuning van de chauffeursstoel spietst. Hij kan zijn hoofd geen millimeter bewegen. Het dier gaat dood, hij zelf blijft in leven. Een en ander staat bijna symbool voor de dood van het dionysische – zie het hertengewei op de omslag van “De verborgen geschiedenis”. Het hert staat in veel culturen voor transformatie, zuiverheid en het spirituele pad. Dit doet me ook denken aan Karen Armstrong, die in “Compassie” schrijft dat alle godsdiensten oproepen om de vier dierlijke driften of instincten – vechten, vluchten, vreten, voortplanten – te overstijgen, zodat je je kunt richten op de goddelijke liefde. Moeten kerkelijke dienaren daarom afzien van seks? Mensen bewegen zich tussen engel- en duivel-zijn. Na meer dan een etmaal wordt Anton gevonden door Dius en Pia.
Mimesis
Als Anton terugkomt uit het ziekenhuis, is zijn partner, met wie hij op vakantie zou gaan, vertrokken. Ze heeft het helemaal gehad met hem. De hele zomer studeert hij voor zijn proefschrift op de vraag of er zoiets als originaliteit bestaat in de kunst: “… Ik waadde door een zee van theologische concepten en kunsttheorieën…”. Het antwoord is vooralsnog: “… Alles is nabootsing, vooral onze drang om origineel uit de hoek te komen…”. Zie René Girard. Op een dag komt hij thuis en ziet dat zijn geliefde langs is geweest om al hun bezittingen rigoureus in tweeën te verdelen. Zelfs alle textiel heeft ze doormidden geknipt, zodat niets meer bruikbaar is. Hoe verzin je het! Ook zijn minnares lijkt niets meer van hem te willen weten, totdat hij haar brieven in een vuilnisbak op Ganzevliet vindt, waaruit blijkt dat Dius haar bij hem heeft weggehouden. Het komt tot een woedende confrontatie met fysiek geweld, waarbij Dius zijn arm uit de kom trekt, en hij alweer in het ziekenhuis belandt. De ruzie wordt bijgelegd met als uitleg dat Dius vindt dat Anton eerst maar eens moet leren alleen te zijn voor hij weer onder de vleugels van een vrouw kruipt. Dius oreert omslachtig dat de oermens ooit zelfstandig was, daarna als een schaap achter een leider aan ging lopen en inmiddels tot een insekt is verworden dat in zwermen bestaat. Ter verzoening plant hij een Chinese ginkgoboom. Ondertussen gedraagt Dius zich verre van celibatair. Waar bemoeit die snotneus zich mee, zou je denken, maar Anton pikt alles van hem.
Voodoopop
In het verloop van het verhaal vind ik de spanning er een beetje uit trekken. Het kasteeltje, dan wel landhuis, wordt gekocht door een oom van Pia, met wie Dius uiteindelijk trouwt. In ruil voor de huur van het gildehuis wordt hij conciërge op het landgoed en ontwerpt de plafondschilderingen en meubels voor het kasteeltje. Een paar broers van Pia misbruiken hem zo ongeveer als hun persoonlijke slaaf, wat de nodige druk op hun relatie zet, maar alles keert zich ten goede. Tussendoor blijkt Dius een fantastisch bureau voor Anton te hebben gemaakt, met onder het fineer een brief die hij niet kan lezen. Wat er in staat komt de lezer (helaas) niet te weten. Aan alles komt een eind: Dius verhuist met zijn vrouw naar Bergamo, waar ze een baan aangeboden krijgt. Anton leeft in zijn eentje verder. Na twintig jaar gaat hij nog eens naar het landgoed kijken. Het gildehuis is vervangen door een schreeuwlelijke opslagplaats. Het kasteeltje blijkt al tien jaar leeg te staan, maar Anton krijgt het voor elkaar om het van de gemeente te kopen. Hij restaureert de boel en sluit zich er zich als een kluizenaar op, met zijn boeken en polyfone muziek. Hij wordt moe van steeds dezelfde studenten en gaat met vervroegd pensioen. Na al die jaren heeft hij af en toe weer contact met zijn vroegere minnares, die inmiddels weduwe is. Tot er op zekere dag een man met een grote hoed op voor zijn deur staat, met aan zijn hand een meisje van een jaar of tien: Dius. De vriend die hij net zo hard heeft gehaat als liefgehad: “… Misschien was Dius de voodoopop waarmee ik mijn eigen angsten op afstand had willen houden…”. De linkerhelft van zijn gezicht is zwaar verminkt: gescalpeerd door een blokkerend vliegwiel van een van zijn machines. De naam van zijn dochtertje: Zieltje, eigenlijk Cieltje, van Cecilia, een meisje met het syndroom van Down.
Op weg naar het einde
Als ze weer vertrokken zijn vraagt hij zich af of je je geliefden moet kunnen verraden om jezelf te zijn. Je levert hoe dan ook wat van jezelf in, toch? Voor het eerst in tijden gaat hij weer naar de bioscoop om te merken hoe gruwel als vermaakt wordt geconsumeerd. Kunst die de wereld kan redden? Ga toch weg. Op een dag besluit hij op zoek te gaan naar het domein in Bergamo waar Dius zich heeft verstopt. Hij woont er samen met zijn dochter, als op een tweede Ganzevliet. Anton blijft er weken hangen: “… Ik lijk op die eeuwige passant uit De Toverberg…”. De weken worden maanden, waarin Dius steeds moeilijker gedrag gaat vertonen. Als hij door een ongeluk met zijn fiets in het ziekenhuis verzeilt, blijkt hij een uitzaaiende tumor in zijn hoofd te hebben, waarop Anton contact opneemt met Pia. Samen nemen ze afscheid van de dingen, tot het zo slecht met Dius gaat dat hij opgenomen moet worden in een palliatief centrum: “… hij had iets van een vogel, een grote, stervende condor…”. Zie de omslag.
Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 320 blz., ISBN 978 940 313 383 6, € 24,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten