Menu

maandag 4 februari 2019

Hij zag de hemel – Soendar Singh


Ondertitel: De visioenen van Sadhoe Soendar Singh

Als je het hebt over ‘Jezus zoals ik hem niet kende’ (zie mijn vorige blog)… Marilynne Robinson vertelt ergens dat ze een grootvader had die gek was op oude boeken en zich vaak terug trok op de zolder van zijn afgelegen boerderij, waar hij het werk van een of andere obscure theoloog dat hij ergens had opgevist, ging zitten lezen. Ik zou het vast goed met hem hebben kunnen vinden, want ik ben precies zo. Ik vond in een kringloopwinkel een merkwaardig boekje over ene Sadhoe Soendar Singh. Uit 1975. Nu had ik die naam wel eens horen vallen, en na lang nadenken weet ik ook wel weer waar. Ik ben hem tegen gekomen bij buitenlandcommentator Aad Kamsteeg die ooit een column over hem schreef in het ND. En ik meen ook in “De geest van het Oude Loo” van Han van Bree, dat ik eens heb besproken. Uit de inleiding van ene ds. W.H. Verhoef begrijp ik dat dat laatste helemaal klopt, want koningin Wilhelmina schrijft in haar boek "Eenzaam maar niet alleen" (Ten Have, 1959) dat ze in religieus opzicht heel veel aan Soendar Singh te danken heeft gehad. Het bijzondere aan zijn verhaal vind ik eigenlijk wel dat het zo in de lijn ligt van wat neuroloog Eben Alexander vertelt over zijn bijna-dood-ervaring in “Na dit leven”, en “De dag dat ik Jezus ontmoette”, waarin de Deense onderzoeksjournalist Charlotte Rørth vertelt hoe ze als ongelovige letterlijk op Jezus stuitte.

Toets alles

Als het over spiritualiteit gaat wil ik altijd wel graag weten uit welke hoek de wind waait. Onder dit label wordt zoveel humbug verkocht, dat enige alertheid qua ‘scheiding der geesten’ zeker op zijn plaats is. De helft van “De visoenen van Sadhoe Soendar Singh” bestaat uit zijn levensbeschrijving. Verzorgd door ene dominee Willem Wouter Verhoef (1928- 2013), bij leven hervormd predikant in onder andere Hoenderloo en Vlaardingen, las ik op internet. Hij schijnt nogal geïnteresseerd te zijn geweest in de zogenaamde ‘charismata’ of ‘geestesgaven’, zoals bijvoorbeeld gebedsgenezing, en de geloofsgemeenschappen waarin die een rol spelen, zoals de Pinksterkerken. Het enige wat ik weet van de Pinksterbeweging is wat ik heb opgepikt uit de roman van Johan Lock: “De erfenis van Adriaan”. En daarin komt het Pinkstergeloof er bepaald bekaaid af. Maar zijn verhaal is natuurlijk dat van een teleurgestelde afvallige. Er zullen heus wel gelovigen zijn die het daar prima kunnen vinden. Volgens Verhoef staat de Bijbel vol met bijzondere verschijnselen. Gelovigen hoorden Gods stem. Zagen visioenen van sprekende engelen en hemelse of demonische werelden. Als die verschijnselen schaars zijn, zoals in de tijd van de hogepriester Eli (1 Sam. 3:1), dan heeft dat te maken met geestelijke achteruitgang. Het volk van God verloor de antenne om Zijn stem te verstaan. Veel protestantse theologen hebben gesteld dat, toen de Bijbel er eenmaal was, al die bijzondere openbaringen van God niet meer nodig waren en dus ook niet meer voorkwamen. Volgens Verhoef snijdt dat geen hout. Nergens in de Bijbel zijn er teksten te vinden waaruit je zoiets kunt opmaken. Integendeel. Zie 1 Thess. 5:19-21: “… Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede…”. Dat betekent volgens hem ook dat niet altijd alles aangaande bijzondere openbaringen per definitie okay is: “… het goede is als het ware iets dat er uit gehaald moet worden…”.

Sadhoe voor altijd
Verhoef vertelt dat Soendar Singh op 3 september 1889 in een welgesteld gezin in Rampoer, India, werd geboren. Hij bezocht een christelijke school waar hij kennis opdeed van het Nieuwe Testament. Hij wilde er niets mee te maken hebben, verbrandde op vijftienjarige leeftijd zelfs een Bijbel en werd daar vervolgens weer zo onrustig van, dat hij drie dagen later besloot zijn hoofd op de rails te leggen als de God van de christenen zich niet aan hem zou openbaren. Daarop werd de kamer waarin hij zich bevond gevuld met een wonderbaarlijk licht waarin zich een gestalte bevond. Hij dacht dat hij met Boeddha of Krishna te maken had, maar de verschijning stelde zich voor als Jezus. Vanaf dan zegt hij dat hij een innerlijke liefde en vrede voelde die alle verstand te boven ging. Zijn familie deed er alles aan om hem voor het oude geloof terug te winnen. Hij werd onterfd. Hij werd bedreigd met de dood. Tenslotte vluchtte hij naar Simla waar hij zich bij een kerk aansloot. Drie en dertig dagen na zijn doop legde hij de belofte af om voor de rest van zijn leven Sadhoe te worden: “… Een Sadhoe (spreek uit sádoe) is een oosterling, die gekleed in het speciaal daarbij behorende saffraangele gewaad, geestelijke oefeningen doet of met een bepaalde boodschap door het land trekt, zonder geld of goed te bezitten, geheel afhankelijk van de mildheid en gastvrijheid van de mensen…”. Hij predikte bij de grens van Afghanistan en Tibet en later meer zuidelijk in Madras. Hij verkeerde vaak in levensgevaar. Verhoef vertelt een raadselachtig verhaal over hoe Soendar Singh in Tibet in een put werd gegooid waaruit hij na drie dagen werd verlost door een engel (?) die een touw naar hem gooide: “… De Lama was er zeker van, dat de sleutel van de put gestolen was, doch toen hij die op de gewone plaats aan zijn gordel vastgebonden vond, werd hij bang en beval de Sadhoe de stad te verlaten, opdat zijn machtige God hemzelf of de stad niet zou straffen…”. Soendar Singh richtte een school op voor goeroes. Toen hij in 1929 weer een poging deed om met het evangelie door te dringen in Tibet, is hij niet teruggekeerd van zijn reis. Hoogstwaarschijnlijk kwam hij om in het ruige klimaat van de Himalaya. Onder Soendar Singhs’ aanhangers bevonden zich gerenomeerde theologen, zoals de godsdiensthistorici Friedrich Heiler en Nathan Söderblom.

En-en
Verhoef besteedt een groot deel van het boekje aan uitleg rond de visioenen van Soendar Singh, waarbij sterk naar voren komt dat het oosterse denken verschilt van het westerse. Er wordt uitgegaan van de mens als een drie-eenheid van lichaam, ziel en geest, analoog aan de Goddelijke drie-eenheid: wij zijn geschapen naar het beeld van God. De visioenen hebben vooral betrekking op wat er gebeurt na de dood. Soendar Singh gelooft niet in dood is dood, maar stelt dat wij in een soort fase terecht komen tussen het aardse leven en de opstanding aan het einde van de tijd, als Jezus terugkomt. Ons lichaam wacht in het graf tot ze weer verenigd wordt met onze ziel en geest. Deze fase bestaat uit een breed spectrum aan gradaties tussen hemel en dodenrijk (wat iets anders is dan de ‘hel’, waarvan pas sprake is na de opstanding). In die tussenfase leren wij geestelijke dingen van engelen. Er zijn dus mogelijkheden na de dood. Het is allemaal niet zo zwart-wit. Jezus ging immers zelf na zijn dood naar het dodenrijk om de gestorvenen een nieuwe kans te geven (1 Petrus 3:19, 20 en 4:6). Volgens Soendar Singh is er sprake van een mogelijke bekering en een voortgaande heiliging na de dood. Wat ik wel mooi vind is dat er bij Soendar Singh plaats is voor een en-en standpunt, daar waar wij westerlingen vaak geneigd zijn of-of te denken. Of we hebben een individuele kern, of we zijn enkel relatie. Zie Franca Treur in “Hoor nu mijn stem” die een student boud laat beweren: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Waarom zou het een het ander uitsluiten? Verhoef: “… Zowel in de theologie als in de psychologie is ons al tientallen jaren met grote nadruk verteld, dat de mens is de mens-in-relatie. Hij is niet op zichzelf te zien. Hij is in relatie met, met zijn medemensen en met de ganse schepping. Hij kent en wordt gekend; hij heeft lief en wordt liefgehad; hij heeft zijn herinnering, zijn weg door het leven en alles wat daarin aan ervaring en vorming op hem afgekomen is. Dit zijn de dingen die hem gemaakt hebben tot wat hij is en hoe hij is. Zo is hij deze mens, met zijn erfelijke belasting en met zijn zonden, met zijn verdriet, zijn vreugde, zijn spanningen, zijn geloof…”. Wij maken elkaar, zou relatiedeskundige Esther Perel zeggen. Volgens Soendar Singh draait het hele mens-zijn om de relatie met de ander en is de hemel een nieuwe samenleving waar gewerkt wordt naar volmaakte liefde. Voor elkaar en voor God. Volgens hem zullen we elkaar in het hiernamaals ook zeker herkennen: wie of wat valt er lief te hebben als onze persoonlijkheden zijn gewist?! Zie bijvoorbeeld ook Lazarus die de rijke man kende, Mozes en Elia die met Jezus spraken op de berg Tabor, en de Emmaüsgangers die de weliswaar veranderde Jezus na zijn opstanding herkenden. Omdat een en ander dicht in de buurt komt van spiritisme grenst Verhoef de visioenen van Soendar Singh af. Hij heeft ze niet gezocht, ze zijn hem overkomen. En het allerbelangrijkste: ze stoelen altijd op en verwijzen altijd naar Jezus Christus.

Geestelijke wereld
Het tweede gedeelte van het boekje bestaat uit wat Soendar Singh zelf heeft geschreven aangaande zijn visioenen. Op aandringen van zijn vrienden heeft hij zijn pen ter hand genomen; wat hem zelf betreft hoefde dat niet zo nodig. Hij merkt ook op dat hij maar heel summier kan vertellen over wat hem is overkomen, omdat er eigenlijk geen woorden voor zijn en het een en ander het menselijk bevattingsvermogen totaal te boven gaat. Hij zegt dat de dood een ‘wisseling van bestaan’ is. De mens kan nooit vernietigd worden. De Schepper schept nooit iets dat ter ziele gaat. In een visioen vertellen ‘heiligen’ hem dat de dood zoiets is als gaan slapen. Sterven doet geen pijn, het is meer het gevoel dat er een grote loomheid over je komt. Mensen die zich in het leven nooit hebben voorbereid op de dood snappen vaak niet wat hen overkomt. Ze zijn erg in de war omdat ze niet beseffen dat ze in een geestelijke wereld terecht zijn gekomen in plaats van een materiële wereld. Er kunnen goede dan wel boze geesten naar je toe komen, al naar gelang je eigen aard. Ben je een liefdevol mens geweest dan zullen liefdevolle geesten je meenemen naar hun verlichte sferen. Ben je een slecht mens geweest dan zullen slechte geesten je meenemen naar hun duistere regionen: “… iedereen zal naar verhouding van zijn geestelijke groei samen zijn met bewoners, die in aard en natuur aan hem gelijk zijn…”. Hij vertelt ook dat hij heeft gezien hoe engelen zorgen voor kleine kinderen “… met een toewijding en liefde zoals geen enkele moeder kan opbrengen…”. Ze onderrichten de kinderen in hemelse wijsheid, tot ze gaandeweg aan de engelen gelijk worden. Het intellectualisme wordt in de geestelijke wereld over het algemeen ervaren als een barricade en een vorm van afstomping: “… De wetenschap die te maken heeft met materiële feiten, is in de wereld achtergebleven met uw physieke verstand en brein. Hier is alleen de geestelijke wijsheid van nut, die voortkomt uit de vrees en liefde tot God…”.

Licht
Het buitengewoon indrukwekkende verslag van Sadhoe Sing doet een beetje aan “De goddelijke komedie” van Dante denken, dat ook over een reis door het hiernamaals gaat. Hij vertelt dat in de hemel de grootste degene is die op aarde het meest gedaan heeft voor anderen. Zijn naaste het meest heeft gediend. Daarin bestaat ook de diepste vreugde en het doel van het leven. Zie Matth. 20:26. Het inzicht in ons geestelijke bestaan kan al in het tijdelijke beginnen voor zover wij daarvoor open staan en bereid zijn te leren. In het hiernamaals gaat onze geestelijke groei door. We zitten daar echt niet werkloos op een roze wolkje, zoals Maarten ’t Hart denkt. Het herinnert me aan de evangelische Bijbelleraar Henk Binnendijk, die ook gelooft dat het leven nu ten diepste een voorbereiding is voor het leven straks, en ooit schreef: “… Je zult daar zijn wat God hier van je heeft kunnen maken…”. Dat geldt voor ieder mens, ook voor degenen die op aarde nooit geconfronteerd zijn met de kerk of wat dan ook. Als Christus zich aan een overledene openbaart houdt Hij rekening met de ontwikkeling die de ziel van iemand heeft bereikt: “… Hij verschijnt dan nevelig of in voller licht van zijn heerlijkheid. Zodat zijn verschijning kan worden verdragen…”. Het wordt niemand verboden het licht van de hemel binnen te gaan. Het is alleen zo dat elke vorm van slechtheid in het licht van God zichtbaar wordt. Voor alle inwoners van de geestenwereld. Evenals elke vorm van goedheid. Niets kan verborgen blijven. Daarom deinzen zondaars die geen berouw hebben en geen vergeving willen ontvangen daarvoor terug. Iedere verstokte en verharde zondaar zal proberen zich in de duisternis te verstoppen, met andere boze geesten, om zo min of meer te ontsnappen aan het kwellende licht: “… God werpt nooit iemand in de hel, noch zal Hij het ooit doen, maar de mens schept voor zich zelf de hel…”. Door anderen kwaad te doen, doe je in feite jezelf kwaad. Het licht van God is onverdraaglijk voor egoïsten. “… Wie liegt beledigt en bezeert niemand dan zichzelf…”. Buitensporigheden en beestachtigheid met betrekking tot de eigen vrouw zijn (gelukkig) even grote zonden als overspel met vreemden: “… Man en vrouw zijn werkelijk verenigd, niet voor zinnelijkheid, maar voor wederzijdse hulp en ondersteuning…”.

Op weg naar volmaaktheid

Evenals mensen die een bijna-dood-ervaring hebben meegemaakt vertellen, schrijft Sadhoe Sing ook over een overledene die naar zijn door dierbaren omringde lichaam kijkt. De overledene wordt opgehaald door engelen, familieleden en vrienden die hem begeleiden naar de sfeer die hij door zijn leven en geloof heeft bereikt. Daar moet de overledene een tijd blijven om die dingen aan te leren die nodig zijn om op te stijgen naar hogere graden van volmaaktheid. Iedereen is blij met de geestelijke groei van een ander. Niemand kan in de hemel schijnheilig zijn want in het alles openbarende licht van Christus ziet iedereen je zoals je bent. Dat kan ook een geweldige troost zijn: eindelijk zul je helemaal begrepen worden. Dieper dan je jezelf kent. Over de hel zegt een engel: “… Wie weet of dit tenslotte geen reinigende vlam is?...”. Nu is de schepping nog aan zinloosheid onderworpen, maar dat zal niet zo blijven. Dwars door alle pijn en ellende heen vernieuwt God de gevallen schepping. De schepping is als ‘in barensnood’. Een engel vertelt: “… God heeft van de mens geen machine gemaakt, die automatisch werkt. Noch heeft Hij zijn bestemming als in de sterren en planeten vastgelegd, opdat zij nooit uit hun koers zouden gaan. Maar Hij heeft de mens naar Zijn beeld geschapen, met begrip, kennis van onderscheid en macht om onafhankelijk te handelen. Daarom staat hij boven alle andere schepselen. Ware de mens niet met een vrije wil geschapen, dan zou hij zich nooit in Gods tegenwoordigheid kunnen verheugen, noch de vreugde van de hemel kunnen smaken. Hij zou slechts een werktuig geweest zijn, dat zich zonder bewustzijn of gevoel zou bewegen, of gelijk de sterren geweest zijn, die onbewust door de oneindige ruimte snellen. Maar de mens, die vrij is, is door zijn aard het tegenovergestelde van deze zielloze volmaaktheid. Dit soort volmaaktheid zou in werkelijkheid onvolmaakt zijn. Zulk een mens zou een slaaf geweest zijn, die juist door die volmaaktheid gedwongen zou zijn tot daden, waaraan hij geen vreugde kon beleven, omdat hij geen keus had. Voor hem zou er geen onderscheid geweest zijn, tussen God en een stem. De mens, en met hem al het geschapene, is onderworpen aan de ijdelheid, maar niet voor altijd. Door zijn ongehoorzaamheid en door die ijdelheid heeft de mens zichzelf en alle andere schepselen in allerlei ellende en lijden gebracht. Door deze geestelijke worsteling alleen kunnen zijn geestelijke krachten volkomen ontwikkeld worden, en alleen in die worsteling kan hij de noodzakelijke lessen te zijner volmaking leren. Daarom zal de mens, als hij ten slotte deze hemelse volmaaktheid bereikt, God danken voor het lijden en de strijd van de tegenwoordige wereld. Want dan zal hij ten volle begrijpen, dat alles medewerkt ten goede voor hen, die God liefhebben (Rom. 8:18-30)…”. Nou, ga daar maar eens diep over nadenken, zou ik zeggen…

Uitgave: Hoenderloo’s Uitgeverij en Drukkerij – 1975, vertaling A.M. Hoekendijk, 104 blz., ISBN 978 071 571 113 8, € 12,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 30 januari 2019

Jezus – Shusaku Endo


Subtitel: Het verhaal van een leven

De in 1923 geboren Japanse schrijver Shusaku Endo voelde zich zijn hele leven gemangeld tussen het boeddhisme en rooms-katholicisme. Eerder besprak ik de roman waarmee hij in het Westen doorbrak: “Silence” (1969) – zie hier. In 1973 verscheen het onlangs vertaalde “A life of Jesus”, met een inleiding van Willem Jan Otten. Hij vertelt dat Endo tot de generatie behoorde waarvan de jongens uit naam van de goddelijke Japanse keizer bereid moesten zijn kamikaze te plegen. Doordat Endo een ziekelijk kind was, dat jarenlang in ziekenhuizen werd opgenomen vanwege slecht functionerende longen, ontliep hij de suïcidale dienstplicht. In plaats daarvan werd hij te werk gesteld in wapenfabrieken. Het lijkt er op dat hij zich daar altijd schuldig onder heeft gevoeld. Al zijn boeken gaan over lafaards. Voor Otten is de Jezus van Endo vooral een "Jezus zoals ik hem niet kende". Het trof mij dat Otten schrijft: “… Het is moeilijk om welke Jezus dan ook te zien schemeren door de sluiers van moderne, demystificerende en vaak vermoeide kerkverlaterstheologieën. Misschien hebben we daar een buitenstaander, uit een ontkerstende cultuur, voor nodig…”. Dat sluit naadloos aan op Esther Perels’ visie over wat kan helpen in een uitgebluste relatie (zie mijn vorige blog). Gezien alle kerken die sluiten, is het in ieder geval wel duidelijk, dat de manier waarop het Westen de God van het christendom presenteert niet meer inspireert. Misschien moeten we inderdaad eens op een andere manier naar Hem proberen te kijken (en misschien moeten pastors zich eens wat meer verdiepen in relatietherapie, want in de Bijbel wordt de verhouding tussen gelovigen en God ook vaak voorgesteld als een ‘huwelijk’).

Eerherstel

Endo zet Jezus in zijn biografie neer als een rondtrekkende, onopvallende, zwoegende, arme, jonge ambachtsman. Zelfs zijn naam was er één van dertien in een dozijn. Het enige wat hem waarschijnlijk onderscheidde van jan en alleman was zijn blik, want Jezus kende volgens de schrijver “… een knagende honger in zijn ziel. Jezus leed aan een chronisch gebroken hart…”. Hij droeg immers al het lijden van iedereen die hij tegenkwam. Endo vertelt hoe de inheemse Joodse bevolking in de dagen van Jezus gebukt ging onder de Romeinse overheersing. Hun grondgebied, dat nooit heel omvangrijk was geweest, stond in feite al vijfhonderd jaar onder buitenlands bestuur: eerst Perzisch, daarna Grieks, vervolgens Egyptisch, Partisch en Syrisch en ten slotte Romeins. Lijdzaam wachtten de Joden op het nationale eerherstel dat Jahweh hen had beloofd: het ‘koninkrijk van God’. Met lede ogen zagen ze toe hoe de tempelpriesters heulden met de vijand. Toen de profeet Johannes in de woestijn verscheen met zijn vlammende boodschap over de komst van een Verlosser, sloeg dat onder de Galileeërs, met hun halsstarrige vasthouden aan de Joodse religie en hun grenzeloze afkeer van de vreemde overheersers, dan ook in als een bom. Ook Jezus trok de woestijn in om zich aan te sluiten bij de luisteraars naar Johanners de Doper.

Het klooster van Qumran
Endo vertelt dat in de verlaten, dorre woestijn van Judea zich een militair bolwerk van revolutionairen had gevestigd. Daar bivakkeerde de harde kern van de sekte der Essenen, die er het klooster van Qumran bouwde, waar een bestaan van rigide ascese werd geleid. Hoewel de Essenen in het Nieuwe Testament nergens worden genoemd, acht Endo het goed mogelijk dat Johannes de Doper uit hun gelederen afkomstig was. De Joodse geschiedschrijver Josephus vertelt over hen: “… Afgezonderd van de rest van de wereld vormen zij het meest wonderlijke volk op aarde. Zij hebben geen vrouwen, geen geld en hun voedselvoorraad bestaat uit louter dadels…”. Ook worden ze genoemd in de in 1947 ontdekte Dode-Zeerollen. Enkele overeenkomsten met Jezus: “… In de Dode-Zeerollen wordt melding gemaakt van een leider van de Qumran-orde die bekend stond als de Meester van Gerechtigheid. Deze meester, of leraar, was zowel de oprichter als de leidsman van de beweging en werd vervolgd en ter dood gebracht door de gevestigde Joodse religieuze machthebbers. De openbare aanklager was iemand die de Verdorven Priester wordt genoemd en in de rollen wordt beschreven hoe de Meester van Gerechtigheid door de Verdorven Priester werd veroordeeld tot de kruisdood…”. Volgens sommige deskundigen leefden onder de leden van de Qumran-gemeenschap zelfs het idee dat hun grondlegger zou opstaan uit de dood. Er bestaan ook sterke overeenkomsten tussen deze specifieke religieuze sekte en de vroege christelijke gemeenschap. Allebei refereerden ze aan zichzelf als ‘de armen’ en ‘het nieuwe verbond’. Beiden leefden commune-achtig waarbij alle bezittingen werden gedeeld met de hele groep. Bij de Qumran-gemeenschap was dat verplicht, bij de christenen vrijwillig. En het meest frappante: beide groepen kenden de doop. Bij de Essenen ging het om een inwijdingsritueel dat jaarlijks terug keerde. Bij de christenen was dat een eenmalige traditie die stond voor wedergeboorte in een nieuw leven. Het gevestigde Jodendom praktiseerde de doop niet. Endo acht het niet aannemelijk dat Jezus zelf de Meester van Gerechtigheid was. Wel vindt hij het voorstelbaar dat, toen Jezus zich veertig dagen terug trok in de woestijn waar hij verzocht werd door de duivel, bij de Essenen onderdak vond. Kort na Jezus’ dood werd hun klooster gebruikt als schuilplaats voor de anti-Romeinse activisten tijdens de Joodse Oorlog, wat een goede reden kan zijn geweest om er in de evangeliën met geen woord over te reppen. De geheime Qumran-gemeenschap verwachtte een messiaanse leider die een aards koninkrijk op poten zou zetten. Oefenden de monniken van Qumram druk op Jezus uit om met zijn ideologie voor de dag te komen? De verleiding van de duivel kwam neer op het najagen van aards geluk: de ultieme droom van de kloosterlingen van Qumran. De spirituele tegenstelling tussen Jezus en de gemeenschap van Qumran kon niet groter. Jezus had een geestelijk koninkrijk voor ogen. Hij koos het blikveld van de God van de liefde. Johannes de Doper, gehuld in zijn mantel van kamelenhaar, vastgesnoerd met een koord van leer, verkondigde een hardvochtige God-vader die uit was op vergelding en straf. De Oud-Testamentische despoot die hele steden verwoestte als die zich niet aan Hem onderwierpen en in vlammende woede ontstak om de zonden van Zijn volk.

God is liefde
Volgens Endo bestonden de volgers van de profeet Johannes verder ondermeer uit geheime extremisten als de Zeloten, die naarstig op zoek waren naar een militante leider om de buitenlandse overheersers uit hun land te verdrijven. Geen wonder dat de gevestigde orde in Jeruzalem de groep rond Johannes met argusogen in de gaten hield. Ze wisten dat Pilatus, de gouverneur van Judea, iedere dreiging van opstand in de kiem zou smoren. Dat bracht hun riante positie in gevaar. De eerste discipelen zagen in Jezus hun uitverkoren aanvoerder. Zeker toen Johannes de Doper Hem ook nog eens aanwees als het ‘Lam Gods’. Endo is van mening dat de navolging van Christus’ leerlingen van meet af aan op misverstand en onbegrip berustte. Jezus liet dat in eerste instantie zo. Het verhaal over de bruiloft van Kana toont de ‘joi de vivre’ van Jezus, die de dreigende ondergangsstemming van Johannes de Doper totaal was ontgroeid. Toen Johannes de Doper gevangen werd genomen en onthoofd, vestigde alle nationalistische hoop zich op Jezus, als zijn opvolger. Jezus zorgde wel voor een revolutie; maar niet op de manier die zijn aanhangers voor ogen hadden. Het ging hem om een revolutie van liefde. Jezus doordrong de harde schemerwereld van het Oude Testament als een lichtstraal. Alsof de lange, lange nacht eindelijk voorbij was: “… De rest van zijn leven zou worden beheerst door een allesomvattend thema: de voortdurende vraag hoe hij de aanwezigheid van die God van liefde zou kunnen laten zien en hoe hij het voor anderen mogelijk zou kunnen maken om die liefde van God te leren kennen…”. Endo maakt een verschil tussen de ‘wonderverhalen’ en de ‘troostverhalen’ uit het Nieuwe Testament. Over de eenzaamheid van Jezus’ missie: “… Maar Jezus was zich, ook toen al, maar al te bewust van iets heel anders, namelijk de zinloosheid van liefde in een wereld waarin alleen materialistische waarden ertoe doen. Hij had de mensen aan de zelfkant lief, maar hij begreep dat ook zij zich tegen hem zouden keren op het moment dat ze zouden beseffen dat liefde ongrijpbaar is. Aan het eind van het liedje blijft het harde feit dat mensen altijd op zoek zullen blijven naar iets praktisch, naar concreet resultaat. De zieken vroegen hem om genezing, de lammem wilden lopen, de blinden wilden zien – tastbaar resultaat, dat is wat zij zochten. Met liefde koop je niets; liefde leidt tot niets concreets. Dit is waar het lijden van Jezus begint. Met iets van droefenis liet hij zich op een keer ontvallen: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!’…”.

Ontgoocheld

Endo vertelt dat het jaarlijkse Pesachfeest altijd onder zinderende spanning stond, omdat de Joden bekend waren met de profetie dat áls de messias verscheen, dat tijdens een Pesach zou zijn. Toen Jezus dan ook de menigte had gevoed met brood en vis en daarna de beroemde Bergrede uitsprak waren zijn toehoorders met stomheid geslagen. Dit was dus het antwoord op de verwachting dat Hij hun leider zou worden: “… een niet mis te verstaan antwoord bovendien: dit was een botte weigering. Dit was in geen enkel opzicht de respons op hun nationalistische aspiraties waar het volk op had gerekend. Dit was de totale ontgoocheling. De Jezus op wie zij hun dromen hadden geprojecteerd bleek volstrekt onverenigbaar met de werkelijkheid van de Jezus die hen zojuist zijn plan van aanpak had gepresenteerd…”. Gedesillusioneerd begonnen de mensen zich van hem te verwijderen. De stemming sloeg om. Uiteindelijk kotste de plaats waar Jezus was opgegroeid, Nazareth, Hem zelfs uit. Ook zijn discipelen snapten niets van Hem. Pas als Jezus tijdens zijn laatste Pesach met de pelgrims optrekt naar Jeruzalem keert de euforie van het messias-verwachtende gepeupel rond hem terug. Zoals te verwachten legt Endo een diepe belangstelling aan de dag voor Judas Iskariot, de discipel die Jezus zou verraden. Volgens hem duidt de afwijzende opmerking, toen Maria de voeten van Jezus zalfde met kostbare nardusolie, op het feit dat hij de enige was die begreep dat Jezus niet en nooit zou gaan voor het aardse leiderschap.

Kruisigt hem!
Endo legt uit dat de parallelle teksten uit het Oude en Nieuwe Testament betreffende het optreden van Jezus verschillend geïnterpreteerd worden door Bijbelvorsers. Degenen die gaan voor de letterlijke waarheid gebruiken de teksten in het Oude Testament als argument: de Bijbel bewijst zichzelf. Degenen die dat niet doen zien het net andersom. Zij wijzen erop dat de schrijvers van jongs af aan doorkneed waren met het Oude Testament en fragmenten daaruit in het lijdensverhaal invoegden als een liturgische omschrijving van wat er speelde. Voor de romancier Endo maakt dat niet zoveel uit. Een verhaal hoeft niet echt gebeurd te zijn om toch op waarheid te berusten: “… Maar letterlijk waar of niet, deze passage uit Marcus geeft een scherp beeld van de sfeer die op dat moment in Jeruzalem heerste en van de staat van opwinding waarin de pelgrims verkeerden…”. Endo benadert het Laatste Avondmaal als een herhaling van wat er zich had afgespeeld bij de Bergrede. Jezus was tot de conclusie gekomen dat het tijd was om voorgoed te breken met de massa pelgrims en al die anderen, die zich aan hem vastklampten. Hij was de messias van de liefde. Geen politieke messias. Hij wilde het vuur van de liefde laten ontbranden in de harten van zijn medemensen en een eeuwige metgezel zijn van ieder die dat nodig had. Andermaal stelde Jezus zijn omstanders teleur. Ze haatten hem daarom. Dat gaf het Sanhedrin onder leiding van hogepriester Kajafas de kans om Jezus op te pakken vanwege blasfemie. Een woedende Judas wist precies te vertellen waar de vermeende volksmenner zich ophield. Dit is ook de reden waarom het volk voor Barabbas koos, toen traditiegetrouw een misdadiger werd vrijgelaten vanwege Pesach. Barabbas was ook een patriot. Een Zeloot. Toen Jezus gevangen werd genomen in de hof van Gethsemane, vluchtten de discipelen alle kanten op. Typisch Endo: “… De idioten! De slapjanussen! Diep gezonken en laf, die leerlingen; net als wij. Toch groeide er later uit deze zelfde leerlingen een machtige groep mannen die geen duimbreed weken en zelfs het martelaarschap niet schuwden. Hoe dat kan? Het antwoord op die vraag is een van de belangrijkste thema’s van het Nieuwe Testament...”. Kajafas kreeg het ook voor elkaar om het volk te laten roepen om een kruisiging: “… Anders gezegd: ze eisten de doodstraf voor een politieke dissident, niet voor iemand die een misdaad tegen de religieuze wetten had begaan. Hun roep om kruisiging in plaats van steniging was niet meer dan een poging Jezus veroordeeld te krijgen voor anti-Romeins activisme, een civiele misdaad, niet voor ketterij of heterodoxie…”. Volgens Endo wilde Kajafas daarmee voorkomen dat Jezus’ liefdesboodschap zich alsnog in het collectieve geheugen van het volk zou nestelen. Dat vormde een bedreiging voor het Jodendom.

Opstanding

Aan het eind van het boek vraagt Endo zich af hoe het kan bestaan dat de voltallige gemeenschap van leerlingen de goddelijke natuur van Jezus heeft omarmd: “… Het is de vraag waarom een man die volkomen weerloos in de wereld stond en een meer dan treurige dood stierf door uitgerekend de leerlingen die hem in de steek lieten uiteindelijk toch werd beschouwd als Christus de Redder. Het is de vraag waarom de meester die alle dromen en verwachtingen van zijn leerlingen teniet had gedaan na zijn dood door diezelfde leerlingen werd aanbeden als de messias van liefde…”. Hoe komt het dat onder alle destijds bestaande geloofsgroeperingen er geen is geweest waar het opstandingsgeloof heeft postgevat, behalve bij de volgelingen van Jezus, waar het zelfs de kardinale doctrine is geworden? Hoe komt het dat alleen de religieuze gemeenschap rond Jezus de eeuwen heeft overleefd? Dat alleen de kerk van Jezus haar leer tot buiten de grenzen van Israël en onder de heidenen heeft verspreid? Bestond het concept ‘opstanding’ überhaupt wel ten tijde van Jezus? En als dat zo was wat hield dat dan in? Endo: “… de zekerheid waarmee de evangeliën en de brieven van Paulus zijn doordrenkt als het om de opstanding van Jezus gaat, is bijna stuitend. De wonderverhalen over het leven van Jezus in de evangeliën zijn boterzacht in vergelijking met wat er over de opstanding wordt beweerd…”. Zie bijvoorbeeld 1 Korintiërs 15: “… Maar wanneer nu over de Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? (…) en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. Dan blijkt dat wij als getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat wij verklaard hebben dat hij Christus heeft opgewekt…”. Endo lost de raadsels rond Jezus niet op: “… Ik denk dat ik in de tijd die mij rest graag nog een keer een leven van Jezus zou schrijven, dan vanuit een volgende stapeling van ervaringen die ik in mijn leven heb opgedaan. En als ik dat heb gedaan, ben ik niet klaar. Ook dan zal ik me niet hebben losgemaakt van de drang mijn pen ter hand te nemen en me aan weer een leven van Jezus te zetten…”.

Rond de kerst zond de NTR ook een mooie documentatieserie uit over Jezus van Nazareth - zie hier.

Uitgave: Kok – 2018, vertaling Ernst Bergboer, 192 blz., ISBN 978 904 353 011 7, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 23 januari 2019

Erotische intelligentie – Esther Perel


Ondertitel: Een vaste relatie geeft zekerheid, maar hoe houden we het spannend?

Nu de rook na de Nashville-bom is opgetrokken kun je constateren dat we met z’n allen toch best een beetje in de war zijn over de liefde. Vlak de hetero’s ook niet uit. In kringen waar het hardst geroepen wordt dat homo’s het wel mogen zijn, maar niet doen, pieken de echtscheidingscijfers als nooit tevoren, hoor ik uit verontruste bron. Terwijl de deskundigen ons toch met een vloed aan boeken over relatievorming om de oren slaan. En seks bespreekbaarder is dan ooit. Zelfs in christelijke kring. Ik krijg zoveel christelijke boeken aangeboden dat ik ze onmogelijk allemaal kan lezen, laat staan bespreken, maar zomaar een greep uit het christelijke assortiment: "Zo verbeter je je seksleven" van Kevin Leman. Met als subtitel: “Een goed gesprek… een betere band… de beste seks”. Nou, wat wil je als christen nog meer. Ik vind het prima allemaal, want volgens de grote godsdienstkenner Karen Armstrong moet liefde ‘gevoed’ worden (zie mijn blog over “Compassie”). Word je van het lezen van boeken over ‘geluk’ alleen maar ongelukkiger, van het lezen over de ‘liefde’ zou je daarentegen des te liefdevoller worden.

Hulde aan De Volkskrant

Ik stoom echter door naar het ‘echte’ werk. Niet na nog even gewezen te hebben op psychiater Dirk De Wachter, die ongetwijfeld het meest ontroerende boek over de breekbaarheid van de liefde heeft geschreven: “Liefde. Een onmogelijk verlangen?”. En het essay van Stine Jensen voor de Maand van de Spiritualiteit, "Eerste liefde", dat vast en zeker keigoed zal zijn, want ik kom Jensen ieder jaar een keer tegen op een filmfestival, waar ze altijd een zeer appetijtelijke speech houdt. Plus natuurlijk de prachtige documentaireserie van Sophie Hilbrand: “Liefde is…”. Maar de aller-, allergrootste liefdesexpert, die ik ademloos heb aangehoord, is voor mij toch wel Esther Perel. Ik zag haar in het drie uur durende interviewprogramma “Zomergasten”. En ik kijk zelden tv, laat staan ademloos. Overigens halen Jensen en Hilbrand haar ook aan in hun werk, dus ik ben in goed gezelschap. Ik denk dat ik in het jaar 2018 van niemand (buiten Clarissa Pinkola Estés – zie hier) zoveel heb geleerd als Perel. Eigenlijk zou iedereen die uitzending moeten zien, voordat hij of zij ook maar aan een relatie begint. Ze heeft twee in het Nederlands vertaalde boeken geschreven: "Erotische intelligentie" en "Liefde in verhouding. Een nieuw perspectief op trouw en ontrouw". Ik heb ze direct aangevraagd bij de bibliotheek, maar inmiddels zijn we een half jaar verder, en zijn er nog steeds leners voor mij. Niet zo gek, natuurlijk. Ik zou ze ook gewoon kunnen kopen, maar daar ben ik veel te krenterig voor. Echter, wat schetste mijn verbazing toen ik een maand of wat geleden een advertentie tegenkwam voor een vier weken durend proefabonnement op De Volkskrant (voor vier euro!), met als extra kadootje een keuze uit vier boeken, waaronder “Erotische intelligentie”. Zolang de voorraad strekt. In kleine lettertjes eronder. Nou, dacht ik, daar kun je je geen buil aan vallen - dat probeer ik gewoon. Ik had verwacht dat ik naar het boek kon fluiten. Dat alleen reageerders die een echt abonnement namen een boek zouden krijgen. Maar nee hoor. Op een zonnige zaterdag viel het zomaar in mijn brievenbus. Waarvoor hulde aan De Volkskrant! Niks geen volksverlakkerij. De daarop losbrekende telefoonterreur nam ik maar voor lief. Mijn ervaring is dat de abonnementsverkopers na drie keer overgaan neerleggen. Dus iedereen die mij belt: als ik niet opneem, even geduld a.u.b. Natuurlijk zou ik ze gewoon een keertje te woord kunnen staan, maar ik ben veel te bang dat ik zwicht voor die gehaaide callcentermensen. Ik zit namelijk zo spiegelend in elkaar dat iedereen mij over welke streep dan ook kan trekken. Praat op mij in en ik overtreed elk principe. Echt waar. Ik heb een keer een student aan de deur gehad met een aanbod van de Vriendenloterij… Enfin. Dus: iedereen lid worden van De Volkskrant! Behalve ik, want ik wil nu eenmaal op de hoogte blijven van het kerknieuws. Ik móet wel aan het ND blijven hangen. En twee kranten kan ik niet betalen.

Te mogen léven
Goed. Esther Perel (Antwerpen, 1958). Een relatietherapeut uit New York. In eerste instantie dacht ik dat ik te maken had met een mondaine tante uit de plaatselijke jetset. Tot ze begon te vertellen over haar Pools-Joodse ouders. Beiden overleefden de concentratiekampen van de nazi’s, waar ze jarenlang de dood in de ogen zagen. Zowel haar moeder als haar vader waren de enige uit hun familie die terug kwamen. Volgens Perel reageerden degenen die het hadden gered op twee manieren: sommigen waren niet bij machte wat er was gebeurd van zich af te schudden en sommigen grepen zich weer vast aan het leven. Haar ouders zagen hun bevrijding als een nieuwe kans die hen werd geboden. Ze pakten die met beide handen beet om het bestaan voluit te vieren. Uit dit gegeven bouwde Perel haar visie: “… Mijn ouders waren in mijn ogen uitzonderlijk. Ze wilden niet alleen overleven, maar ook van het leven genieten. Ze hadden een sterk verlangen naar nieuwe ervaringen en belevenissen. Ze cultiveerden plezier. Ik weet helemaal niets over hun seksleven, behalve dat ze twee kinderen kregen; mijn broer en ik. Maar door de manier waarop ze leefden, ben ik gaan denken dat ze een diep erotisch besef hadden, al betwijfel ik of ze dat woord zelfs ook maar kenden. Ze belichaamden mystieke betekenis, een kwaliteit van leven, een pad naar vrijheid. Het omvatte veel meer dan de strikte definitie van seks die de moderne tijd eraan heeft toegekend. Op dit ruime besef wil ik me bij de discussie over erotiek in dit boek concentreren…”. Daar krijg ik nu tranen van in mijn ogen. Wát een moed. Het herinnert mij aan een titel met dezelfde strekking, van een boek dat mijn ouders vroeger in de boekenkast hadden staan: “Te mogen léven”. Verder heeft Perels echtgenoot een sterke invloed gehad op haar ontwikkeling. Hij is directeur van een organisatie die vluchtelingen, oorlogskinderen en slachtoffers van martelingen helpt hun trauma’s te boven te komen. Ze vertelt hoe deze mensen, door het herstel van hun gevoel voor creativiteit, en hun vermogens om te spelen en plezier te maken, weer in staat zijn te functioneren: “… Mijn man werkt met pijn en ik met genot, twee zaken die dicht bij elkaar liggen…”. Perel woonde in verschillende landen en spreekt negen (sic!) talen. Ik ben diep onder de indruk.

Het verhaal van Perel
In de voornoemde uitzending legt Perel, veel beter dan ik dat kan, uit dat mensen die vreemd gaan dat heus niet doen om alleen maar een beetje platte seks. Ik moet zeggen, dat is voor mij zowel een openbaring als een opluchting. Want hóe vaak ben ik nu al tegen koppels aangelopen, die net nadat ze alles zo’n beetje voor elkaar hebben - carrière gemaakt, mooi huis, twee leuke kindjes, poen voor exotische vakanties en een dikke auto, goede vrienden, wat moet je nog meer!? – alles in elkaar laten donderen om er met een ander vandoor te gaan. Ik ben altijd weer verbijsterd. Ik kan er niet aan wennen. Wat bezielt ze? Perel vertelt hoe huwelijken ten onder kunnen gaan aan wat je zou noemen ‘de dood in de pot’. Hoe je het gevoel kunt krijgen dat je zo ongeveer een zombie bent geworden. Dat je in een moeras bent beland dat je enkel nog maar naar beneden zuigt. Dat je in een slaap bent gesukkeld waar je niet meer uit wakker kunt worden. Dat je zelf niet meer weet wie je bent. Dat je geen kant op kunt. Dat je iets kwijt bent geraakt waarvan je bang bent dat je het nooit meer terug krijgt. Dat je weer het gevoel wilt krijgen dat je leeft. En daardoor hele gekke dingen gaat doen. Vreemdgaan is een opwindende, maar vaak ook enorm beschadigende, optie. Niet alleen voor jou, maar ook voor de mensen om je heen. Misschien kun je de uitgevallen motor van je bestaan op een ándere manier weer aan de gang krijgen. Erotiek staat niet gelijk aan seks. Dieren hebben ook seks. Erotiek duidt op de vibrerende, creatieve, aanstekelijke energie om seks heen. Dáár gaat het verhaal van Perel over. En ik vind dat een ongekend prachtig, positief en sympathiek verhaal.

Marge Simpson
Perels vrij moeilijke boek bestaat uit elf opstellen die ik stuk voor stuk kort na zal gaan. Ten eerste: we beginnen een langdurige relatie uit avontuur, maar eindigen die soms in gevangenschap. Met de nodige humor vertelt Perel hoe ze ooit in een gesprek belandde tussen romantici, die gingen voor de ware en uitzinnige liefde – anders hoefde het voor hen niet, en de realisten, die hartstocht en passie gevaarlijk en onvolwassen vonden en geloofden in de rust en stabiliteit van de ware kameraadschap: “… Naarmate de discussie op het feestje zich verder ontwikkelde, bekeken de verdedigers van de twee kampen elkaar met een mengeling van medelijden, aandacht, jaloezie, ergernis en volstrekte minachting…”. Over één ding waren ze het in ieder geval eens: op den duur dooft de euforie. “… Ofwel in de onvergetelijke woorden van Marge Simpson: ‘Hartstocht is voor tieners en buitenlanders’…”. Stabiliteit is inherent aan zaken als geborgenheid en veiligheid. Begeerte en passie houden verband met opwinding en (prettig) gevaar. Het een lijkt het ander uit te sluiten. Maar Perel is een idealist. Volgens haar hoeft dat niet. Als we maar ons best doen om het mysterie in de ander te ontdekken. Haar of zijn anders-zijn te zien. We denken vaak dat we onze partner van haver tot gort kennen. Dat is niet zo. Iedereen laat maar een topje van de ijsberg, die zijn of haar persoonlijkheid is, los op de wereld: “… Ik probeer in gesprekken juist de nadruk te leggen op hoe weinig ze van elkaar weten en ik spoor hen aan weer nieuwsgierig te worden en zodoende een glimp op te vangen van wat er achter de muur schuilt die de ander zo behoedzaam heeft opgetrokken…”.

Mannen van weinig woorden
Perel gaat diep in op het rare fenomeen dat ongedwongen intimiteit vaak samen op gaat met verminderde seksualiteit. Verliefdheid creëert een heerlijk vals beeld van de ander. In het begin is het een en al illusie. Maar wie maalt daarom? Totdat de geruststellende vertrouwdheid zich aandient: “… Sommige wensen en gewoontes van de ander vormen geen probleem en worden liefdevol door ons vervuld, sommige kosten wat meer moeite en enkele zijn vervelend, onaangenaam of zonder meer weerzinwekkend. We vragen ons af hoe we toch ooit kunnen leren leven met …”. We kunnen zo boven op elkaar zitten dat we vergeten dat we twee afzonderlijke individuen zijn. Dan valt er niets meer te verlangen of te begeren. Perel blijft er op hameren dat we onze eigen afzonderlijkheid moeten cultiveren, onze individualiteit moeten ontplooien, onze eigen geheime tuin moeten onderhouden: “… Persoonlijke intimiteit bakent een privéterrein af dat tolerantie en respect vereist. Het is een ruimte, fysiek, emotioneel en intellectueel, die alleen het individu toebehoort…”. Perel stelt dat intimiteit tegenwoordig vooral gerelateerd wordt aan het al dan niet voldoende met elkaar praten: ik spreek, dus ik besta. Hoe waar dat is toonde een Telegraaf-filmpje vanmorgen nog maar weer eens, waarin het ging over het hoge aantal echtscheidingen dat in de maand januari wordt aangevraagd. Twee deskundigen beweerden om het hardst dat alles draait om ‘communicatie’. Het problematische is dat mannen vaak niet zulke praters zijn, en daardoor in een inferieure positie worden geplaatst. Praten is niet de enige weg naar intimiteit. Er bestaat ook nog zoiets als lichaamstaal. Perel pleit voor meer aandacht voor niet-verbale communicatie: leuke dingen voor elkaar doen, attente gebaren of iets gezamenlijks ondernemen. Perel is ook geen voorstander van het alles maar tegen elkaar (moeten) zeggen. Het te ver doorgevoerde mandaat op verbale intimiteit kan dwang worden: “… In mijn praktijk maak ik stellen mee die niet meer wachten op een uitnodiging, maar direct toegang eisen tot het innerlijk van hun partner, alsof ze recht hebben om ongehinderd binnengelaten te worden in alle privégedachten. Intimiteit veroorzaakt dan een schending in plaats van verwantschap…”. Intimiteit op bevel. Woorden kunnen kwetsen en beschadigen. Communicatie moet zich rustig kunnen ontplooien in schoonheid en wijsheid. Wanneer de persoonlijke grenzen niet worden gerespecteerd is dat de doodsteek voor seks.

Open geest

Perel schuwt de controverse niet. Onze gelijkheidsidealen wegen mee in de slaapkamerpolitiek, wat kan uitmonden in zeer saaie seks. Seks draait ook om macht. Volgens haar duidt seksuele onderwerping niet automatisch op vernedering of iets pathologisch: “… Als we in ons dagelijks leven afhankelijkheid uit de weg gaan, verwelkomen we haar waarschijnlijk in ons erotische leven…”. Ze hekelt de ‘perfecte seksuele prestatie-industrie’ waarin seks benaderd wordt met een pragmatische werkhouding: “… We praten niet over de kunst van seks; in plaats daarvan hebben we het over de regels van seks…”. Erotiek is per definitie inefficiënt. We moeten weer leren plezier te hebben. Te spelen. Over een getrouwde cliënt die tot over zijn oren verliefd was – uiteraard op een ander: “… Ik verwonder me samen met hem over de aantrekkingskracht van de betovering, terwijl ik het tegelijkertijd zijn ware naam geef: een fantasie. De vraag die ik hem stel is hoe hij hiervan kan genieten zonder dat deze kortstondige blijdschap zijn huwelijk in gevaar brengt…”. Vrijheid en verbondenheid vormen twee tegengestelde krachten die met elkaar verzoend moeten worden. Het gaat niet om een probleem dat we moeten oplossen, maar om een paradox die we moeten leren hanteren. Perel heeft het over seks in de media, en wat dat met ons doet: “… Nooit eerder werd seks zo publiekelijk uitgestald, met alle details in beeld. Seks, waaraan in geen eeuwen ruchtbaarheid is gegeven, is een product op zichzelf geworden. (…) De seksuele cultuur vertelt ons wat aantrekkelijk is en wat we zouden willen, alsof we niet zelf in staat zijn om uit te zoeken naar wie we verlangen en wat ons opwindt. Een complete industrie van hedonistisch gedrag balanceert aan de rand van het huwelijk als constante herinnering aan wat we hebben opgeofferd in ruil voor afgestompte seksualiteit en echtelijke liefde. Kunnen onze hedendaagse relaties ooit sterk genoeg worden om de sirenenzang van onbeperkt genot te weerstaan? …”. Gaat het in relaties om wat je verliest of om wat je wint? “… Laten ze ons niet wijsmaken dat deze oververzadiging getuigt van een verlichte seksuele zienswijze. De opvallende marketing van seksuele afbeeldingen is waarschijnlijk eerder overdadig dan vooruitstrevend, en winst en vrijheid van handel liggen hier eerder aan ten grondslag dan de vrijheid van meningsuiting. Kortom, het gaat meer om het openen van je portemonnee dan om het openen van je geest…”. Volgens haar is de onderliggende puriteinse boodschap nog steeds: seks is vies.

De cultstatus van kinderen
Een prachtig hoofdstuk gaat over de erfenis die iedere man of vrouw als deel van de bruidsschat in een volwassen relatie meebrengt: “… de eerste plek waar we over liefde en relaties leren, is in het gezin waar we zijn opgegroeid…”. Daar hebben we onze seksuele blauwdruk ontvangen die ons later op allerlei manieren beïnvloedt: “… er wordt in iemands erotische fantasie maar weinig aan het toeval overgelaten…”. Een ander hoofdstuk gaat over de veranderende seksualiteit als er kinderen komen. Perel gruwt van de hedendaagse cultstatus van kinderen. Ze vindt het zondermeer absurd hoe het leven van ouders om dat van de kinderen draait. Ze zegt te hopen dat de nieuwe trend van overijverige opvoeding hopelijk het toppunt van gekte heeft bereikt, zodat we onderhand weer eens normaal kunnen gaan doen met z’n allen: “… de laatste twintig jaar wordt er zo de nadruk op het geluk van het kind gelegd dat onze grootouders alleen al bij de gedachte zouden huiveren. Jeugd wordt zo heilig gemaakt dat het niet eens meer belachelijk lijkt dat een volwassene zichzelf volkomen wegcijfert om de vlekkeloze en pijnloze ontwikkeling van het kind te cultiveren…”. Sommige vrouwen gaan zo rücksichtslos op in het leven van de kinderen dat ze hun eigen ik verliezen. Perel beschrijft hoe ze afgepeigerde moeders leert zich op zelfbewustwording in plaats van zelfverloochening te richten. Als je wat royaler voor jezelf wordt, kun je hopelijk ook weer wat ontvankelijker worden voor je partner. Bovendien is het voor kinderen beter dat ze leren dat er grenzen zijn aan hun macht. Kinderen hebben baat bij emotioneel en seksueel bevredigde ouders. We moeten onze emotionele behoeften niet overbrengen op onze kinderen. Dat legt een veel te zware druk op hun schouders. Want dat is de andere kant van de zaak.

Haal me maar over
Een groots staaltje van seksuele assertiviteit vond ik wel het voorbeeld van een vrouw die op de vraag van haar man, ‘Zullen we?’, antwoordde: ‘Haal me maar over…’. Want soms is wachten tot je in de stemming bent, volgens een andere cliënt, net zoiets als wachten op de wederkomst van de Heer. Perel vertelt dat ze in haar studie geleerd heeft dat seksuele fantasieën te maken hebben met ontevredenheid en onvolwassenheid. Daar is ze in de loop van haar werkende leven anders over gaan denken: “… Fantasieën drukken onze werkelijke ik uit die anders moeilijk te zien is…”. Ze onderzoekt onderwerpen als monogamie, (on-)trouw, en het vinden van 'de ware': “… De aandacht is altijd op het voorwerp van onze liefde gericht, nooit op het vermogen om lief te hebben. Vandaar dat psycholoog Erich Fromm stelt dat we denken dat het makkelijk is om lief te hebben, maar moeilijk om de juiste persoon te vinden…”. Als geen ander laat Perel zien dat, zoals Fromm het stelt, liefhebben een kunst en kunde is: “… als we onze passie gedurende lange tijd voor een persoon willen behouden, moeten we een stukje onbekendheid in het vertrouwde geheel brengen. Zoals Proust het formuleerde: ‘De echte ontdekkingsreiziger gaat niet op zoek naar nieuwe landschappen, maar kijkt er met andere ogen naar.’…”.

Uitgave: Bruna – 2014, vertaling Marga Goeting, 272 blz., ISBN 978 940 050 467 7, € 20,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier