Menu

zondag 20 oktober 2019

De testamenten – Margaret Atwood


Met “De testamenten” won de 79-jarige Margaret Atwood, de ‘grande dame’ van de Canadese literatuur, samen met schrijfster Bernardine Evaristo, de prestigieuze Engelse Booker Prize 2019. Haar roman is een vervolg op “Het verhaal van de Dienstmaagd”, een dystopie uit 1985, die ik eerder besprak (zie hier). Het is Atwoods’ antwoord op de vraag van veel lezers hoe er een einde is gekomen aan de religieuze heilstaat Gilead. Het is intrigerend hoe anders Atwood in de loop der jaren is gaan schrijven: sneller, harder, visueler en humoristischer. Haar personages zijn slimmer, individualistischer, maar tegelijk ook oppervlakkiger. Atwood is absoluut met de tijd mee gegaan. “De testamenten” is trouwens goed zelfstandig te lezen.

Alleen een sukkel zou zoiets geloven, dus geloofde ik het

“De testamenten” wordt bevolkt door drie hoofdpersonen. Ten eerste de eigenzinnige, ouder wordende Tante Lydia die, vijftien jaar na “Het verhaal van de Dienstmaagd”, als de hoogstgeplaatste vrouw in het theocratische Gilead beschouwd kan worden. Ze heeft zelfs een standbeeld gekregen waar dankbare onderdanen offers brengen: eieren, sinaasappels, croissants. Vanaf de eerste bladzijde is ze bezig met iets wat absoluut verboden is. Ze zit stiekem te schrijven in een van de weinig overgebleven bibliotheken, die alleen toegankelijk zijn voor daartoe bevoegden (vrouwen die lezen zijn gevaarlijk). Kennis is macht, volgens haar. Vooral schandalige kennis. Dat weet iedere inlichtingendienst. Ze verzamelt al jaren belastende documenten. Ze is in de weer met minuscule fotocameraatjes en afluisterapparatuur. Ten tweede Agnes, de pleegdochter van een hooggeplaatste Bevelvoerder. Ze hebben maar liefst drie Martha’s, vrouwen die het huishouden op poten houden. Ze leidt tot haar negende jaar een buitengewoon bevoorrecht leventje, met een moeder die zielsveel om haar geeft, met haar speelt en liedjes voor haar zingt: “… U hebt me gevraagd om te vertellen hoe het was om op te groeien in Gilead. Dat zou helpen, zegt u, en ik wil graag behulpzaam zijn. U verwacht misschien alleen maar gruwelen, maar in werkelijkheid werden veel kinderen in Gilead liefgehad en gekoesterd, net als overal, en waren veel volwassenen er net als overal vriendelijk maar onvolmaakt…” (wat me doet denken aan "De meeste mensen deugen" van Rutger Bregman). Atwood spreekt de lezer herhaaldelijk rechtstreeks aan. Met haar vader heeft Agnes niet zoveel, wat niet verwonderlijk is, want op school worden de meiden geïnstrueerd mannen vooral als ‘geile bokken’ te zien, wat eigenlijk een beetje zielige griezels van ze maakt, overgeleverd als ze zijn aan hun onbeheersbare lusten. Ten derde: de zestienjarige Daisy, die aan de andere kant van de grens, in het vrije Canada, wordt grootgebracht door een stel dat een kringloopwinkel draaiende houdt. “… Melanie zei dat al mijn kinderfoto’s bij een brand verloren waren gegaan. Alleen een sukkel zou zoiets geloven, dus ik geloofde het…”.

De alfakip
Volgens Tante Lydia wordt ze nog steeds getolereerd omdat ze de vrouwen leidt met een ijzeren vuist. Als de eunuch van een harem. Bovendien weet ze teveel vuiligheid over de leiders. En ze is discreet. Alle heren aan de top hebben het gevoel dat hun geheimen bij haar veilig zijn. Haar mannelijke evenknie is Bevelvoerder Judd, het hoofd van de Speurders. Ze vertelt hoe het zover heeft kunnen komen. In een ander leven was ze rechter. Amerika kampt met apocalyptische rampen. Op een dag wordt er een coup gepleegd. Zij en andere vrouwelijke hoogopgeleiden worden gevangen genomen en naar een stadion gebracht. Het doet een beetje denken aan de razzia in “Haar naam was Sarah” van Tatiana de Rosnay. Voor haar ogen worden groepen vrouwen geëxecuteerd. De nacht brengen ze door in de gangen en kleedkamers. Na een tijd nemen ze haar mee voor een ondervraging door Bevelvoerder Judd. Ze reageert te brutaal. Ze wordt een tijdlang opgesloten in een donkere cel. In elkaar geslagen. Met tasers bewerkt. Ze weet een ding zeker: “… Dit zal ik je betaald zetten. Het kan me niet schelen hoelang het duurt of hoeveel stront ik in de tussentijd op mijn bord krijg, maar ik zet het je betaald…”. Daarna mag ze drie dagen op adem komen in een soort hotelkamer met een warme douche en lekker eten. Als ze weer bij Bevelvoerder Judd wordt ontboden werkt ze mee: “… Wat heeft het voor zin om jezelf uit morele overwegingen voor een stoomwals te werpen en platgewalst te worden als een sok zonder voet? Je kunt beter opgaan in de menigte, de godlovende, schijnheilige, haatzaaiende menigte. Je kunt beter stenen gooien dan het mikpunt van stenen zijn. Althans beter voor je overlevingskansen…”. Ze doorstaat de vuurproef: als ze een wapen in handen krijgt schiet ze veroordeelden dood. Ze moet het ‘vrouwelijke domein’ opzetten, want de heren Bevelvoerders hebben wel wat anders te doen. Lydia is een keiharde tante. Ze weet hoe macht werkt: “… Als dit een kippenhok is, dacht ik, dan wil ik de alfakip zijn. En om dat te worden moet ik bovenaan staan in de pikorde…”. Verdeel en heers: “… Hou je kalm, nam ik mezelf voor. Geef niet te veel bloot, dat kan tegen je worden gebruikt. Luister goed. Onthoud alle aanwijzingen. Toon geen angst…”.

Klep houden
De moeder van Agnes wordt ziek en overlijdt, waarna haar machtige vader met een vrouw hertrouwt die ze niet mag. Agnes haat haar uitbottende lijf: “… Het volwassen vrouwenlichaam leek wel één grote boobytrap. Als er ergens een gat zat, zou er vroeg of laat iets naar binnen worden geschoven en zou er iets anders uitkomen…”. Tot overmaat van ramp hoort ze ook nog via het welig tierende geruchtencircuit (wat denk je: al die vrouwen!) dat haar overleden moeder niet haar echte moeder is. Een Martha over deze destabiliserende waarheid: “… ‘Die vriendin van je praat teveel,’ antwoordde ze. ‘Ze zou haar klep eens moeten houden.’…”. Haar echte moeder wilde met haar de grens over vluchten, waarbij ze gepakt werd. Volgens de Martha kon ze onmogelijk dood zijn. Een vrouw die kinderen kan krijgen is veel te kostbaar. Waarschijnlijk is ze na een hersenspoeling Dienstmaagd geworden, oftewel seksslavin; iemand die voor onvruchtbare Echtgenotes plaatsvervangend kinderen moet baren. Ze hebben de status van onaanraakbaren. Agnes die leerde dat alle Dienstmaagden sletten dan wel borderliners zijn, begrijpt eindelijk waarom. Ze raakt gefascineerd door de Dienstmaagd die bij hen in huis komt wonen. Haar niet-ouders willen zo snel mogelijk van haar af als er een jongetje wordt geboren. Ze wordt uitgehuwelijkt. Aan de vreselijke Bevelvoerder Judd, die toe is aan zijn zoveelste kindbruidje. Tante Lydia trekt zich Agnes’ lot aan en weet haar uit zijn klauwen te redden. Ze neemt haar als aspirant-leerling onder haar hoede. De Tantes hebben immers ook niet het eeuwige leven. Meisjes die een ‘roeping’ voelen kunnen hen in hun gewijde taak opvolgen.

Infiltrant

De ouders van Daisy worden opgeblazen door een autobom, waarna een kennis, Ada, een halve kerel, zich over haar ontfermt door haar onder te laten duiken. Ada vertelt haar plompverloren dat het omgekomen echtpaar ook al niet haar echte ouders zijn. Dat ze een overlevende uit het tirannieke Gilead is, waar ze juist een protestmars tegen heeft gelopen. Erger, dat ze Baby Nicole is, het boegbeeld en de icoon van alle ontvoerde baby’s die Gilead terug eist. Er bestaat een terroristische organisatie, Mayday, die via een ‘Ondergrondse Vrouwenweg’ - naar de 'Ondergrondse Spoorweg' van de voormalige slaven - asielzoekers uit Gilead helpt: “… Zoals Mark Twain al zei: history does not repeat itself, but it rhymes…”. Daisy doet zich voor als dakloze, en laat zich als Mayday-infiltrant door zendelingen juist Gilead ín smokkelen, om te helpen de staat van binnenuit te ondermijnen. Zo komen de levens van Tante Lydia, Agnes en Daisy bij elkaar.

Macht corrumpeert
“De testamenten” gaat over macht (en het is heel wat beter te pruimen dan “De vorst” van Machiavelli). Hoe macht werkt. Uitvergrote subtiliteiten maken dat des te duidelijker. Tante Lydia die alle zonden van Gilead verzamelt als een verslaggevende engel: “… Mijn grootste vrees: dat al mijn inspanningen vergeefs blijken te zijn en dat Gilead nog duizend jaar zal blijven bestaan. Het grootste deel van de tijd voelt dat hier zo, ver weg van de oorlog, in het stille oog van de storm. Zo vredig, de straten, zo rustig, zo ordelijk; maar onder het bedrieglijk kalme oppervlak trilt iets, als in de buurt van een hoogspanningmast. We zijn allemaal zo gespannen als een veer; we trillen, we bibberen, we zijn op onze qui-vive. Schrikbewind, zeiden we vroeger, maar het is eerder een Verlammingsbewind. Vandaar de onnatuurlijke rust…”. Wie wil weten hoe een machtswisseling in het echt plaatsvindt, zou "Het huis van de moskee" (2005) van Kader Abdolah moeten lezen, een verhaal over hoe ayatolla Khomeini de macht grijpt in Iran. Wat me het meeste is bijgebleven is dat van de ene dag op de andere niemand een ander meer vertrouwt. Zodat je niet meer durft te zeggen wat je denkt. Iets waarvan de kiemen in het normale leven gevaarlijk dicht aan de oppervlakte liggen. De macht van woorden. In Gilead leren de ‘gewone’ vrouwen en meisjes niet lezen en schrijven. ‘Pen is nijd’ is een gevleugeld spreekwoord. De timide Dienstmaagden worden opgetrommeld om in een orgie van geweld in ongenade gevallen mannen aan stukken te scheuren. Alle opgekropte haat vindt op die manier een uitweg.

Een in zichzelf verdeeld huis

Er wordt explosieve informatie naar deze en gene gedropt: “… De waarheid kan mensen die haar eigenlijk niet mogen weten een hoop gedonder geven…”. Hoe je vanzelf een medeplichtige wordt: “… Toen ik pas begon met het lezen van die dossiers, werd ik er onpasselijk van. Probeerde iemand me schrik aan te jagen? Werd mijn geest op deze manier gehard? Was dit een voorbereiding op de taken die ik later als Tante zou moeten uitvoeren? Ik ontdekte langzamerhand hoe de Tantes te werk gingen. Ze registreerden en noteerden. Ze wachtten. Ze gebruikten de vergaarde informatie om doelen te bereiken die alleen zij kenden. Hun machtige wapens waren in feite onfrisse geheimen, zoals de Martha’s altijd al hadden gezegd. Geheimen, leugens, list en bedrog – maar niet alleen geheimen, leugens, list en bedrog van anderen maar ook die van henzelf…”. Waar die informatie over gaat: “… Dienstmaagden die tot onwettige handelingen waren aangezet en daarna de schuld in de schoenen was geschoven; Zonen van Jakob die tegen elkaar hadden samengespannen; steekpenningen en gunsten die op de hoogste niveaus waren uitgedeeld; Echtgenotes die andere Echtgenotes erin hadden geluisd; Martha’s die mensen hadden afgeluisterd en de informatie hadden doorverkocht; mysterieuze voedselvergiftigingen die hadden plaatsgevonden; baby’s die van de ene Echtgenote aan de andere Echtgenote waren doorgegeven op basis van schandelijke, ongefundeerde geruchten. Echtgenotes die waren opgehangen op beschuldigingen van niet-bestaand overspel omdat de Bevelvoerder zijn zinnen had gezet op een andere, jongere Echtgenote. Publieke terechtzittingen – bedoeld om verraders te straffen en het leiderschap te zuiveren – draaiden volledig op vervalste verklaringen die door martelpraktijken waren verkregen. Meineed was niet de uitzondering, maar de gewoonte. Onder de uiterlijke schijn van deugd en zuiverheid was Gilead aan het rotten…”. Wanneer het Agnes en Daisy lukt deze informatie naar Canada te loodsen brengt dat de poppen aan het dansen...

Uitgave: Prometheus – 2019, 448 blz., ISBN 978 904 464 188 2, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 13 oktober 2019

Het boek van het licht – Chaim Potok


“… Wij zijn niet ons brein. Wij zijn onze boekenkast…” (Trouw). Dat geldt zeker voor mij. Als ik met mijn man naar Antwerpen ga, parkeren we onze auto meestal op Linkeroever (waar ruimte zat is), om vervolgens door de nostalgische voetgangerstunnel onder de Schelde door te lopen, die midden in de stad uitkomt, op een oergezellig plein waar altijd gebasketbald wordt. Aan dat plein zitten trouwens de lekkerste shoarmatenten van de wereld. In ieder geval, als ik daar ben moet ik altijd aan “The Chosen” van Chaim Potok (V.S., 1929 – 2002, rabbijn) denken, waarin een ultraorthodoxe Joodse jongen met een bal de bril van het gezicht van een liberale Joodse jongen slaat. Dit ongelukje brengt hen met elkaar in contact, wat allerlei verwikkelingen in gang zet (de houten roltrappen in de tunnel doen mij trouwens altijd aan “Hans en Riekje” denken, die op stap gaan in de Amsterdamse Bijenkorf, lang, lang geleden, in een leesboekje op de lagere school). Door Chaim Potok ben ik van de Joodse wereld gaan houden. De strijd die zijn personages leveren om uit de zuigende Joodse ultraorthodoxie te geraken was vergelijkbaar met die van mijzelf, om eertijds van de refotraditie los te komen. In de roman “Het boek van het licht” stelt Potok de Joodse mystiek op een sublieme manier aan de orde (zie ook mijn blog over het werk van Sjef Laenen).

Starry, starry night

Evenals Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik” overkomt Gershon Loran, de hoofdpersoon in “Het boek van het licht”, op jeugdige leeftijd een soort eenheidservaring, als hij op het dak van een verloederde flat in Brooklyn - New York, een hond jongen ziet krijgen: “… Pal voor zijn ogen werd leven geschapen. Hij strekte zijn hand uit om een van de nieuwgeboren jongen aan te raken, maar de teef hief haar kop op en ontblootte haar tanden. Boven zijn hoofd leek de hemel vol sterren op hem neer te dalen. Hij voelde zich helemaal opgenomen in het leven van hemel en aarde, in het mysterie van de schepping, in de pijn en de onuitputtelijke glorie van dit ene moment. Hij wilde de teef tegen zich aan drukken, haar strelen, iets strelen. In plaats daarvan stak hij zijn hand omhoog en aaide langs de hemel en voelde, voelde werkelijk, schrijnend en exquis, de koele, droge, fluwelen aanraking van het besterde uitspansel tegen zijn vingers. Hij huilde een beetje en huiverde in de kille avondlucht…”. Het doet me denken aan de sterrenhemels van Van Gogh. Gershon, een wees, wordt opgevoed door zijn orthodoxe oom en tante, die een beetje vreemd zijn geworden van het verdriet om hun enige zoon die sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. Gershon is een onopvallende, stille, eenzame, maar buitengewoon intelligente jongen. Hij weet niet wat hij wil, tot hij op het niet-orthodox seminarie in Manhattan geconfronteerd wordt met een legendarische Joodse professor van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Jacob Keter, die Kabbala doceert. Hij wordt er door gegrepen. Voor het eerst van zijn leven raakt iets hem tot in het diepst van zijn ziel.

Het irrationele maakt ons compleet
Professor Keter ligt constant in de clinch met de rationele Talmoedist professor Nathan Malkuson, waartussen Gershon zich in eerste instantie vermalen voelt. Professor Keter verdedigt zijn discipline met verve: “… Staat u mij toe, een stelling te verkondigen, heren. Ja? Het komt zelden voor dat ik tijdens de les of bij het schrijven een polemiek aanga. Maar nu wordt het tijd om een stelling te verkondigen. Er was nooit een tijd waarin niemand dacht dat het noodzakelijk of mogelijk was, de kabbala tot wetenschappelijke discipline te verheffen. De Talmoedisten keurden het af. De Kabbalisten keurden het af. Tot op de dag van vandaag keuren ze het af. Ja. De eerstgenoemden beschouwen de kabbala als onzin, de laatsten als iets onaantastbaars en heiligs. Voor mij is de kabbala geen onzin en niet iets onaantastbaars, maar, jazeker, het hart van het Judaïsme, de ziel, de kern. De talmoed vertelt ons hoe de joden handelen; de kabbala vertelt ons hoe het Judaïsme voelt, hoe het de wereld ziet. Wij zijn tegenwoordig westerse, secularistische wezens, rationeel, logisch, ja, en dus raken we verward door de kabbala, die zo irrationeel, zo onlogisch is. Maar de traditie was niet verward; bijna tweeduizend jaar lang was die niet verward. Grote Talmoedisten waren ook grote Kabbalisten. Ja. Als de kabbala, zoals sommigen van mijn collega’s op het instituut beweren, nooit serieus genomen is, kan iemand me dan uitleggen, waarom de joden in Europa in de loop der eeuwen tientallen en nog eens tientallen commentaren op kabbalistische boeken hebben geschreven? Leg me dat eens uit, als het echt om onzin gaat…”. Hetzelfde geldt voor de ‘bevindelijke’ oudvaders. Gershon droomt zelfs van de polemiek tussen professor Keter en professor Malkuson: “… De lange man zei: Ik ben een bedreiging voor u, mijn vriend, is het niet? U zou graag willen dat onze wereld gelijkmatig en rationeel was, is het niet? U bent niet geïnteresseerd in de rabbijnen, de groten die vervuld waren van poëzie en tegenstrijdigheden. Heel diep in ons huist ook het irrationele. Het is de energie die ons voortstuwt, onze creatieve demon. Gelooft u dat we de wereld alleen kennen op basis van wat we waarnemen of logisch kunnen afleiden? Nee, waarde vriend. Hebt u, toen u jong was, nooit iemand ontmoet die bij het spreken over zijn ervaringen meer gebruik maakte van de verbeelding dan van logica, die sprak over dingen die niet overeenstemmen met enige werkelijkheid die we kennen? Het irrationele maakt ons compleet…”.

Korea
In “De ruimte van Sokolov” laat Leon de Winter de moderne natuurkunde zo ongeveer samenvallen met de kabbala in de geest van een alcoholicus. Dat doet Chaim Potok nog net niet, maar hij brengt beide terreinen wel dicht bij elkaar. Gershons kamergenoot, Arthur Leiden, blijkt de zoon van een wereldberoemde kernfysicus, die meegeholpen heeft om de atoombom te maken. Arthur is in alles het tegenovergestelde van Gershon. Knap, goedgebekt, populair. Toch lijdt hij onder zijn afkomst. Kan niet in het reine komen met de prestaties van zijn vader. De beroemde familie van Arthur stelt een beurs ter beschikking die de onzekere Gershon uitgerekend wint. Dat betekent dat hij zijn dienstplicht als rabbi tijdens de Koreaanse Oorlog een jaar uit kan stellen. Gershon wordt een beroemdheid onder de studenten omdat professor Malkuson hem laat slagen voor een examen door hem in de lift een paar vragen te stellen. Professor Keter examineert hem tijdens een wandeling. Om te snappen waar de ondervraging over gaat zou je Laenen moeten lezen. Ondertussen werkt zijn vriendin, Karen, keihard aan een filosofiescriptie waarmee ze hoopt te promoveren. Bij zijn afstuderen zijn voormalig president Harry Truman aanwezig en Albert Einstein himself. Ondanks het uitstel breekt toch de dag aan dat Gershon als militair in Korea belandt. Met een amulet om zijn hals die een oude man waarvan hij Aramees heeft geleerd, uit de synagoge van zijn oom en tante, aan hem heeft gegeven. Ondanks dat de oude man zegt spijt te hebben dat hij Gershon ooit wat heeft geleerd als hij hoort van diens liberale opleiding. Chaim Potok werkte zelf van 1955 tot 1957 als geestelijk verzorger bij het Amerikaanse leger in Korea.

Zinloos lijden

Tijdens zijn militaire dienst gebeurt er niet zo heel veel. Gershon heeft het vooral ontzettend koud. Vanwege de wind uit de Siberische toendra’s die messen van ijs door het kampement blaast. Hij richt een kapel in. Hij krijgt te maken met soldaten die dood gaan omdat ze antivries hebben gedronken. Met korporaals die in nabijgelegen dorpen met hoeren worden betrapt. Ultraorthodoxe landgenoten halen het bloed onder zijn nagels vandaan door te zeiken over zijn assistent die een goj is en de kruisen op de sjoel: “… De zelfgenoegzame superioriteit van hen die zeker waren van de zaligheid…”. Je zou er zin van krijgen te zondigen, maar hij wordt geacht het moreel van zijn bataljon hoog te houden. Piloten van gevechtsvliegtuigen storten neer en worden opgelapt in hospitalen waar Gershon dwars door wildstromende rivieren en over modderige wegen, vanwege de moesson, heenrijdt. Daarna de meedogenloze hitte. Mensen worden opgeblazen door landmijnen. Militairen met geslachtsziekten. Mannen die doodziek worden nadat ze in vervuild water hebben gezwommen. Gevallen van zonnesteek. Hij vliegt naar Japan. De overrompelende schoonheid van Tokyo. Mysterieuze geisha’s brengen zijn hoofd op hol. Hij wordt zonder enige uitleg overgeplaatst. Waarschijnlijk heeft hij een meerdere tegen de haren in gestreken. Hij ziet hoe een plaatselijke politieagent een jongen van een jaar of vijftien in elkaar slaat terwijl iedereen zijn hoofd omdraait. Scrofuleuze bedelkinderen. Stuit op een massagraf met amper volwassen skeletten. Hij haat het land. Hij bouwt een soekka tijdens het Loofhuttenfeest waarin hij de Talmoed bestudeert met onzichtbare gasten, oesjpizien, de professoren Malkuson en Keter, die hem aldoor in visioenen vergezellen: “… Ga door met studeren, meneer Loran. In een oord waar geen mensen zijn, moet u een persoon zijn…”. Hij krijgt te maken met antisemitisme. Soldaten zijn bang dat er een atoomoorlog zal uitbreken, waarvoor ze Israël verantwoordelijk stellen. Gershons vragen over zijn volk aan de Onzichtbare: “… Waarom laat U hen zo lijden, deze mensen, dit land? Joden lijden omdat velen in hen de verkenningstroepen van de wereld zien en in dergelijke troepen vallen de meeste slachtoffers. Maar alleen lijden omdat je knel zit tussen de wereldrijken! Wat een zinloos lijden! Legt U me dat uit. Alstublieft. Er kwam geen antwoord…”. De mannen zijn gek op hem. En toch lijkt alles een beetje langs hem heem te gaan.

Dubbelzinnigheid
Tot Arthur Leiden plotseling voor Gershons neus staat. Hij heeft er vrijwillig voor gekozen geestelijk verzorger te worden bij de infanterie, ook al vinden zijn ouders dat maar niets. Arthurs vader, die Gershon ontmoet tijdens een verlof: “… we klungelen met licht en atoombommen, met de energie van het universum. Vind je het gek dat de wereld niet weet wat ze aanmoet met de joden? Niemand is vertrouwder met de kern van de krankzinnigheid in het universum dan de jood en niemand is krampachtiger, wanordelijker bij het zoeken naar een antwoord. Wij hebben altijd wanhopig haast. We bieden apocalypsen in een boodschappenwagentje aan, messiassen in kaftans vol tabaksvlekken. Hoe kwam ik hierop? O, ja. Kosjere gerechten vormen nauwelijks een oplossing voor de problemen van de menselijke soort. Maar Arthur wil het zo. En dus…”. En Arthur, die ooit een briljante student natuurkunde was: “… Mijn vader dacht dat ik degene zou zijn die de deeltjestheorie en de golftheorie van het licht zou verenigen. Dan zou ik een tweede Albert Einstein zijn geworden. God, hij bracht alles bij elkaar – materie, energie, ruimte, tijd. Nu moet iemand de quantumtheorie en de relativiteitstheorie bij elkaar brengen. Oom Albert zei eens tegen me dat hij dacht dat ik dat zou doen. Ik maakte altijd vreemde gedachtensprongen. Maar ik dacht dat we op den duur alles zouden vernietigen met al die kennis. Tijdens mijn tweede jaar op Harvard begon ik het te haten. Ik kon alleen nog maar lijken zien die over de aardbol verspreid lagen. En vogels met uitgebrande ogen…”. Hij nam privélessen bij een plaatselijke rabbijn: “… Ik wilde geen invloed uitoefenen op de natuurkunde, ik wilde invloed uitoefenen op mensen. Wat heb je aan natuurkunde als die in handen is van een soort die ten dele nog in het reptielenstadium verkeert?...”. Het jongetje dat alles goed wil maken. Arthur vindt Gershons mystieke neigingen vreemd: “… Magie. Numerologie. Emanaties. Opklimmingen. Mijn verstand is niet geschikt voor de kabbala. Ik zat vol verbazing naar je te kijken. De manier waarop je die rare boeken verslond…”. Gershon: “… Ze zeggen in die boeken dingen die niemand elders durft te zeggen. Ik voel me prettig bij die aanvaardbare ketterij…”. En even verder: “… Het meeste in die boeken kun je niet zo eenduidig uitleggen als een passage uit de talmoed. Ik kan beter met dubbelzinnigheid leven, geloof ik, dan met zekerheid. Twijfel is het enige dat ons rest, Arthur. Twijfel en vertwijfeld strijden…”.

Niemand heeft de wijsheid in pacht
Arthur wil met alle geweld naar Japan, naar Hiroshima. Gershon begeleidt hem. Japan betovert hen. Maar in Hiroshima voelt Arthur zich 'een melaatse'. Als ze weer op de legerbasis terug zijn verongelukt Arthur met een vliegtuig waar hij helemaal niet in hoort te zitten. Toevallig heeft hij de plaats van een ander ingenomen. Het is een van die verhalen die je zo vaak hoort na rampen of aanslagen, waardoor je gaat denken dat toeval niet bestaat – dat alles, of in ieder geval sommige dingen, zijn voorbeschikt. Na zijn diensttijd zoekt de eeuwig twijfelende Arthur professor Malkuson op, die bijzonder eerlijk is naar hem toe: “… Ik zal het je vertellen, Loran. Het is niet van belang dat er misschien wel niets is. We hebben dat altijd als een mogelijkheid erkend. Wel is het van belang dat we, als er niets is, bereid zijn om iets te maken van het enige dat ons rest – onszelf. Ik weet niet wat ik je nog meer kan zeggen, Loran. Niemand heeft de wijsheid in pacht. Niemand…”. Toch lijkt Gershon door dit antwoord juist te weten welke weg hij moet inslaan. Zijn vriendin en hij besluiten hun huwelijk uit te stellen. Zij om een carrière te starten als filosoof in Chicago, en hij om leerling te worden van professor Keter in Jeruzalem.

Uitgave: Brandaan – 2012, vertaling Jeanette Bos, 470 blz., ISBN 978 946 005 017 6, € 6,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 9 oktober 2019

15 beroemde verhalen – Anton Tsjechow


Anton Pavlovitsj Tsjechov (Rusland, 1860-1904, arts) wordt in de literatuurgeschiedenis beschouwd als de 'Meester van het Korte Verhaal'. Hij begon te schrijven om zijn familie uit de armoe te helpen. Later zou hij ook de auteur worden van beroemde toneelstukken die nog steeds worden opgevoerd: “De Meeuw”, “Oom Wanja”, “Drie zusters”, “De Kersentuin”. Voor Tsjechov geen opvoedkundige zedenschetsen: “… Alles in deze wereld is betrekkelijk. Er zijn mensen die zelfs verdorven zouden kunnen worden door kinderboeken… Geen literatuur kan in haar cynisme het werkelijke leven overtreffen: met één glaasje voer je iemand niet dronken die al een heel vat op heeft… De menselijke natuur is onvolmaakt, en daarom zou het vreemd zijn alleen rechtschapenen aan te treffen op aarde. Te menen dat het de plicht van de literatuur is parels op te graven uit een hoop minderwaardige individuen, is de literatuur zelf verloochenen… De literaire kunst heet daarom kunst, omdat zij het leven uitbeeldt zoals het werkelijk is. Haar bestemming is de weergave van de volstrekte en eerlijke waarheid…”.

Ik wilde leven!

Op mijn strooptocht naar tweedehands boeken vond ik een prachtige bundel met verhalen van Tsjechov. Ik heb ze natuurlijk veel te snel achter elkaar gelezen. Eigenlijk zou je er elke keer als je ‘s morgens wakker wordt eentje moeten lezen, zodat je er de hele dag op kunt kauwen. De personages van Tsjechov menen altijd dat het gras ergens anders groener is. In zijn verhalen komen veel lezers voor, waarbij meestal een draadje los zit, wat mij wel aan het denken zette :). Ik ga ze stuk voor stuk even langs. Het boek begint met “De dame met het hondje”, waarschijnlijk Tsjechovs bekendste verhaal, al is het maar vanwege de film die er naar werd gemaakt: ‘Oci Ciornie’ dan wel ‘Black Eyes’ van Nikita Mikhalkov uit 1987. Het gaat over de schuinmarcheerder Dmitri Goerov, een doorgewinterde bankier die het in een kuuroord aanlegt met een twintig jaar jongere dame met een keeshondje, Anna Sergejevna. Over zijn wettige vrouw: “… Zij las heel wat af …”. Zie je wel? Daar heb je het al! “… Hij vond haar eigenlijk maar beperkt, bekrompen en onelegant, al hield hij dat wel voor zich; hij was bang voor haar en zat niet graag thuis…”. Ze hebben nog niet met elkaar gevreeën of Anna heeft spijt als haren op haar hoofd: “… Ik ben een slecht, diep gezonken vrouwspersoon, ik veracht mezelf en denk er zelfs niet over om me te rechtvaardigen. Ik heb niet mijn man bedrogen, maar mezelf…”. Als de zoveelste Madame Bovary vertelt ze wanhopig hoe haar echtgenoot haar tot op het bot verveelt: “… Toen ik met hem trouwde was ik twintig jaar; al gauw ondervond ik een soort kwellende nieuwsgierigheid, ik wilde iets beters; er moet toch een ander leven bestaan, hield ik mezelf voor. Ik wilde leven!...”. Zie ook mijn blog over “Erotische intelligentie” van Esther Perel. En verder: “… Mij verzadigen aan het leven… De nieuwsgierigheid verzengde me… dat begrijpt u niet, maar ik zweer bij alles wat me heilig is, dat ik mezelf al niet meer in de hand had, er kwam iets over me, niets kon me weerhouden, ik zei tegen mijn man dat ik ziek was en nam de trein hierheen… En ik heb hier de hele tijd rondgelopen als in een roes, als een waanzinnige… en zo werd ik tot een vulgair, misselijk stuk vrouw, waar iedereen op neer kan zien…”.

Dubbel
Als Dmitri weer thuis is denkt hij dat zijn herinnering aan Anna zoals gewoonlijk zal vervagen tot een vage nevel. Niets is minder het geval. Ze wordt tot een obsessie. Hij kan haar niet loslaten, reist naar de stad waar ze woont, en ontmoet haar tijdens een première in het plaatselijke theater, waar alle belangrijke figuren op af komen – zoals hij wel verwachtte. De emoties zijn verpletterend. Ze blijven elkaar in het geniep ontmoeten: “… En nu pas, nu zijn haar begon te grijzen, had hij leren liefhebben zoals het moet, echt liefhebben – voor het eerst van zijn leven…”. Een uitzichtloze toekomst opent zich: “… Terwijl hij praatte dacht hij er over na dat hij nu op weg was naar een rendez-vous en dat geen sterveling daarvan afwist en er waarschijnlijk ook nooit van af zou komen te weten. Hij leidde een dubbel leven; een voor iedereen zichtbaar en kenbaar leven, controleerbaar voor ieder die het aanging, een leven vol conventionele waarheid en conventioneel bedrog en volkomen lijkend op het leven van zijn kennissen en vrienden, en een ander leven dat tot dusverre in het verborgene was voortgekabbeld en onontbeerlijk was, iets waarin hij eerlijk was en zonder zelfbedrog en dat de kern van zijn leven uitmaakte, onzichtbaar voor anderen, terwijl alles wat maar geveinsd aan hem was, zijn buitenkant, waarin hij zich verborgen hield om de waarheid te verhullen, de leugenachtigheid van zijn werk bij de bank, zijn discussies in de sociëteit, zijn ‘minderwaardige ras’ (waarbij hij gewoonlijk op vrouwen doelde), de jubileumfeestjes die hij met zijn vrouw afliep – dat alles was openbaar. En anderen beoordeelde hij naar de maatstaven die hij voor zichzelf aanlegde; hij geloofde niet wat hij zag en nam altijd aan dat bij iedereen het echte en werkelijk belangwekkende leven zich afspeelde onder de dekmantel van geheimhouding, als onder de dekmantel van de nacht. Ieders privé-bestaan moet het hebben van die geheimhouding en dat is wellicht voor een deel de reden waarom de cultuurmens er met zoveel kippedrift werk van maakt dat men zijn persoonlijk geheim, zijn privacy eerbiedigt…”. O ja?

Over de liefde
In “Over de liefde” wordt er gefilosofeerd over het ‘grote mysterie van de liefde’. Waarom worden we juist verliefd op ‘die ene’? Waarom wordt de mooie Pelageja uitgerekend verliefd op een pafferige, driftige kok die haar in zijn dronken buien slaat, zodat ze zich op de zolder moet verstoppen en niet met hem trouwt, wat hij wél wil, omdat hij uitermate vroom is, wat dan weer aanleiding geeft tot nóg heviger conflicten? “… De verklaring die voor één enkel geval bevredigend lijkt, is dat al niet meer voor een tiental anderen en volgens mij kun je dan ook niet beter doen dan ieder geval apart bij de kop nemen, zonder te generaliseren. Je moet, zoals de heren artsen dat noemen, ieder afzonderlijk ‘individualiseren’…”. “Ionitsj” is een verhaal over een vrijgezelle dokter die hevig verliefd wordt op een achttienjarig meisje. Ze neemt hem in het ootje en peinst er niet over met hem te trouwen. Ze wil naar het conservatorium. Kunstenares worden. Als ze na vier jaar afwezigheid terug komt naar huis, is zíj verliefd maar wil híj niet meer. In “Angst” gaat het over een man die zijn vriend, iemand die alles heeft wat hij zich wenst maar verteerd wordt door levensangst, bedondert met diens echtgenote. Een vrouw die zich ook al, à la Esther Perel en Madame Bovary, dood verveelt. “… Mij blijft het volslagen hetzelfde…”, antwoordt ze op een opmerking dat het mooi weer is. “… ‘Waarom blijft u dat volslagen hetzelfde?’ vroeg ik. ‘Omdat ik me verveel. U verveelt zich alleen maar wanneer uw vriend er niet is, maar ik verveel me altijd. Trouwens… dat is voor u niet interessant.’…”.

Gekte
In “De zwarte monnik” speelt een legende over een monnik, gekleed in een zwarte pij, die duizend jaar geleden ergens door een woestijn liep, de hoofdrol. Een eind van de plek waar hij liep zagen een paar vissers hem ook: als luchtspiegeling: “… Van die luchtspiegeling ontstond een tweede luchtspiegeling, vervolgens van de tweede een derde, zó, dat het beeld van de zwarte monnik tot in het oneindige werd voortgeplant van de ene atmosferische laag naar de andere. Hij werd nu eens in Afrika, dan in Spanje, dan weer in India en dan weer in het hoge noorden gesignaleerd… Tenslotte trad hij buiten de grenzen van onze dampkring en nu dwaalt hij rond in het heelal, waarbij hij steeds niet in een dergelijke omstandigheid geraakt, dat zijn beeld zou worden uitgewist…”. Na precies duizend jaar zal de luchtspiegeling weer in de dampkring op aarde terecht komen en zich aan de mensen vertonen. En ja hoor, hij wordt gezien door een overspannen wetenschapper op een stil plekje in de natuur. Een wervelwind neemt de gestalte aan van een monnik die met hem praat en vertelt dat hij een uitverkoren genie is. De wetenschapper snapt heel goed dat de monnik een hersenschim is, ontstaan uit zijn overprikkelde fantasie. Toch maakt alle onverdiende aandacht van deze hallucinatie hem brooddronken van geluk. Als hij trouwt en zijn vrouw hem probeert te genezen van zijn gekte raakt hij depressief. Sommige kunstenaars zijn inderdaad bang geweest dat wanneer hun psychoses zouden worden behandeld, ook hun bron van creativiteit zou opdrogen. Het langste verhaal in deze bundel, “Zaal 6”, is eerder een novelle. Zaal 6 is een bijgebouw van een vreselijk hospitaal waar vijf geesteszieken verzorgd worden: “… Men klaagde dat het er van de kakkerlakken, de wandluizen en de muizen niet uit te houden was. In de chirurgische afdeling heerste voortdurend wondroos. In het hele huis waren slechts twee lancetmesjes en geen enkele thermometer; de badkuipen dienden als opslagplaats voor de aardappelen. De opzichter, de huishoudster en de medische assistent buiten de patiënten uit en van de oude dokter vertelde men, dat hij een geheime handel dreef met de voor zieken bestemde spiritus en dat hij er een harem op nahield van vrouwelijke patiënten en verpleegsters…”. Degene die voor psychiater door moet gaan, dokter Andrej Jefimytsj Ragin, laat het ziekenhuis al gauw aan zijn assistent over. Waarom zou je mensen verhinderen dood te gaan als dat het normale en legale einde van iedereen is? Waarom zou je het lijden willen verzachten als de mens, naar men zegt, door lijden tot volmaaktheid wordt gevoerd? Hij zit liever thuis te lezen (‘een ziekelijke gewoonte’!) – de helft van zijn royale inkomen geeft hij uit aan boeken. Met een van de gekken filosofeert hij over het leven. Volgens hem kun je het ware heil alleen maar in jezelf vinden. Hij gaat voor de Stoïcijnen. Kijk naar Diogenes die volmaakt gelukkig was in zijn ton. De gek is het totaal niet met hem eens. In Griekenland is het altijd lekker warm, dus Diogenes kon op z’n gemak in die ton liggen en lekker sinaasappels en olijven eten. Het lijden kun je alleen maar in theorie verachten: “… Degenen, die door hun ambt of werk met het leed van anderen in aanraking komen, zoals rechters, politieambtenaren, doktoren, raken gaandeweg door de macht der gewoonte in zo hoge mate afgestompt, dat zij ondanks de beste wil niet anders dan formeel kunnen staan tegenover de mensen, met wie zij te maken hebben; in dat opzicht onderscheiden zij zich in niets van de boer, die achter op zijn erf schapen en kalveren slacht en het bloed, dat daarbij vloeit, niet ziet…”. En inderdaad, als dokter Andrej na allerlei ontwikkelingen zélf als patiënt op zaal 6 terecht komt, piept hij wel anders…

Het nut van verhalen
“Wolodja” gaat over een zeventienjarige, hevig door zijn gevoelens heen en weer geslingerde puber, met wie het verkeerd afloopt. “Thuis” is een prachtig verhaal over een weduwnaar die probeert zijn zeven-jarige zoontje bij te brengen dat roken op zijn leeftijd een verkeerde gewoonte is. Ondertussen herinnert hij zich het gymnasium waar leerlingen die betrapt werden met een sigaret zonder genade van school werden gestuurd. Als hij over hun verdere levensgang nadenkt komt hij tot de conclusie dat door de straf meestal veel groter onheil werd gesticht dan door het vergrijp zelf. Zijn zoontje luistert geen ogenblik. Pas als hij hem bij het naar bed gaan een zelfverzonnen sprookje vertelt waarin een voorbeeldige koningszoon sterft aan de tering vanwege zijn gerook, en uiteindelijk het hele koninkrijk in verval raakt, huivert het jongetje en neemt zich vast voor nooit meer te roken. Zijn vader denkt aan “… de leden van de jury, die altijd ‘een redevoering’ nodig hebben; hij dacht aan het publiek, dat zijn kennis van de geschiedenis alleen uit oude sagen en uit historische romans haalt; hij dacht eraan, hoe hij zelf de zin van het leven niet uit preken en wetten, maar uit fabels, romans en gedichten put…”. En ik denk aan Ellen van Wolde die in “Verhalen over het begin” schrijft dat een verhaal zoveel meer zegt dan enkel een kernboodschap. Stel je voor dat het verhaal over ‘de Toren van Babel’ was afgedaan met ‘de mensen moeten zich over de aarde verspreiden’. Zou Bruegel ooit een schilderij gemaakt hebben bij zo’n boodschap? Zou je ooit overwegen je leven te veranderen op grond van een affiche op het station met de tekst: ‘God redt’? Het Exodus-verhaal maakt toch echt meer indruk. “In het ravijn” ligt het dorp Oeklejewo. “… Wanneer een vreemdeling vroeg, wat dat voor een dorp was, kreeg hij ten antwoord: ‘Dat is het dorp, waar de koster eens bij een begrafenis alle kaviaar heeft opgegeten.’…”. Tsjechov: “… Of het leven hier nu zo armzalig was, of dat de mensen niets anders dan dit weinig belangrijke voorval van tien jaar terug hadden weten op te merken, in ieder geval wist men over het dorp Oeklejewo verder niets te vertellen…”. Maar ondertussen!

Humor

De laatste zes verhalen zijn heel kort en buitengewoon hilarisch. “Een hulpeloos schepsel” gaat over een vrouw die het personeel van een bank gek maakt met haar eeuwige geouwehoer. “Bridge” gaat over een stel ambtenaren die de nacht doorhalen met kaart spelen. Op elke kaart is een portret van een bekende geplakt. “De redenaar” gaat over een vent die zo ontzettend goed kan kletsen dat hij er bij wordt gehaald om de grafrede te houden als er een dronkenlap van een ambtenaar is overleden. Helaas vergist hij zich in de persoon en houdt een toespraak over iemand die er in levende lijve bij staat. “Het kunstwerk” gaat over een prachtige bronzen lamp die een arts van een dankbare patiënt krijgt. Een peperduur stuk waarvan de voet bestaat uit twee blote dames in zo’n schandalige houding dat de arts de lamp niet tentoon durft te stellen. Dus geeft hij de lamp kado aan een bevriende advocaat, en die weer aan iemand anders, en zo door, tot diezelfde lamp weer bij diezelfde arts terecht komt. “De verstandige portier” gaat over een oude portier die in de keuken het ondergeschikte personeel uitkaffert omdat ze zich gedragen als domme varkens die alleen maar bij de kachel zitten te vreten en te zuipen. Hij wil ze aan het lezen hebben. Zelf gaat hij met een boek op zijn wachtpost zitten. Het is echter zo saai dat hij in slaap valt en gesnapt wordt door de opzichter. “De nare jongen” tenslotte, gaat over een rotventje die zijn zus en haar vriendje stalkt en afperst nadat hij gezien heeft dat ze elkaar kussen. Als het stel eindelijk ouderlijke toestemming krijgt om met elkaar te trouwen vliegt de verloofde naar buiten op zoek naar zwager Kolja: “… En toen hij hem eindelijk te pakken had, snikte hij bijna van gelukzaligheid en greep de nare jongen bij zijn oor. En meteen kwam ook Anna Semjonowna aangehold, die ook op zoek was geweest, en greep het andere oor. Dat had u moeten zien, die verrukking op de gelaten van de verloofde verliefden, toen Kolja begon te huilen en om genade te smeken: ‘Ach, lieve duifjes, ik zal het nooit meer doen! O, o, genade, vergiffenis!’ En enige tijd later bekenden zij elkaar, dat zij in al die tijd van hun eerste liefde, nooit zulk een roes van zaligheid hadden gehad, als in die minuut, die minuten, waarin zij het nare jongetje aan zijn oren trokken…”.

Uitgave: L.J. Veen – 1974, vertaling Marko Fondse / D.P. Peet / M. Budimir / Theo J. van der Wal / H.J. Been, 287 blz., ISBN 90 204 0518 7, € 12,90
Rechtstreeks bestellen (alleen tweedehands): klik hier

zondag 6 oktober 2019

Het verhaal van de Dienstmaagd – Margaret Atwood


In 1985 werd “The Handmaid’s Tale” van Margaret Atwood (1939, Canada) voor het eerst uitgegeven. Dat het boek opnieuw in de belangstelling staat komt niet alleen door de succesvolle televisieserie die er over gemaakt is, maar ook omdat ze er, inmiddels vierendertig jaar later en op 79-jarige leeftijd (!), een vervolg op heeft geschreven: "De testamenten". Daarnaast viert de dystopie hoogtij: het brengt de actualiteit dichtbij. Zie bijvoorbeeld mijn recensies over “De muur” van John Lanchester en “Frankusstein” van Jeanette Winterson. In november komt er trouwens een nieuwe dramaserie over “The War of the Worlds” op de buis, naar de roman van de dystopische schrijver bij uitstek: H.G. Wells (1866-1946). Aan de ene kant hebben we het nog nooit zo goed gehad. Aan de andere kant worden we met z’n allen toch best een beetje zenuwachtig van alle klimaatveranderingstoestanden die het journaal dag in dag uit over ons heen spuugt (tel daar ook nog het bizarre nieuws van vorige week over waargenomen UFO’s bij op). Niemand lijkt te weten óf en wát er gaat gebeuren: het kan alle kanten op. Eerder besprak ik van Margaret Atwood "Boven water" (1972).

Oudtestamentische slavinnen

Het verhaal begint met een korte proloog in bijna staccato zinnen. Het gaat over meisjes die in het verleden bij elkaar in een gymzaal sliepen, bewaakt door ‘tantes’ met veeprikkers. Buiten stonden bewapende bewakers, achter het hek. Met hun rug naar hen toe. Vervolgens focussen we op het hier en nu. De ik-vertelster heeft inmiddels een Spartaans ingerichte kamer in een mooi woonhuis tot haar beschikking. Ze is het eigendom geworden van een Bevelhebber en zijn Echtgenote. Ze loopt rond in een rode soepjurk met een witte kap op haar hoofd waardoor ze zo weinig mogelijk van haar omgeving ziet (Atwood lijkt bijna behept met profetische gaven, in haar tijd waren fundamentalistische groeperingen als Isis en kledingstukken als boerka’s nog niet het ‘nieuwe normaal’ – in feite keek ze uit op de Berlijnse muur toen ze dit verhaal schreef). Het huishouden wordt gerund door twee ‘Martha’s’ (zie het verhaal over Martha en Maria in de Bijbel). Een kookvrouw en een poetsvrouw. In onschuldige groene gewaden. Vrouwen van laag allooi waarvan weinig tot niets te vrezen valt. Amerika, dat inmiddels Gilead heet, is veranderd in een soort Oudtestamentische samenleving waarin een sekte het voor het zeggen heeft. Omdat de Echtgenote (die trouwens alles aan elkaar rookt – dat mag dan weer wel) onvruchtbaar is moet de ik-vertelster een kind voor haar baren. Dit naar aanleiding van een eigen interpretatie van Genesis 30:1-3, waarin aartsmoeder Rachel, die maar niet zwanger raakt, voorstelt om de slavin Bilha te gebruiken om ‘op haar knieën’ kinderen te produceren voor aartsvader Jacob. De ik-vertelster kent de Echtgenote van evangelisatieprogramma’s die vroeger op tv waren: de hysterische Serena Joy. Ze vond dat het gezin heilig was en dat vrouwen thuis moesten blijven, al hield ze zich daar zelf niet aan: “… Eigenlijk was ze een beetje eng. Ze meende wat ze zei…”.

Een gedresseerd varken dat op zijn achterpoten loopt
De ik-figuur mag als verzetje boodschappen doen voor het huishouden. Maar altijd samen met een andere Dienstmaagd, zodat ze elkaar in de gaten kunnen houden. De standaardbegroeting gaat als volgt: “… Gezegend zij de vrucht…”. En het antwoord: “… Moge de Here openen…”. De gebruikelijke afscheidsgroet: “… Onder Zijn Oog…”. Weer eens wat anders dan: Heil Hitler. “… Ze loopt zedig, met gebogen hoofd, de roodgehandschoende handen gevouwen, met korte stapjes, als een gedresseerd varken dat op zijn achterpoten loopt…”. Er heerst oorlog. Op elke hoek van de straat staan ‘Wachters des Geloofs’ bij blokkades en versperringen om de bevolking te controleren. Ze moeten hun pasjes laten zien die nagetrokken worden op een ‘Compuchek’. Er is geen man die naar de Dienstmaagden fluit of hen op de een of andere manier lastig valt. In Gilead worden vrouwen beschermd. Dat was vroeger wel even anders. Toen konden de vrouwen niet in het donker over straat: “… Er zijn verschillende soorten vrijheid, zei Tante Lydia. Vrijheid om en vrijheid van. Toen alles nog een bende was, had iedereen de vrijheid om. Nu krijgen jullie vrijheid van. Denk er niet te gering over…”. Kortom, de mannenbroeders van de SGP zijn er niets bij. Nick, een Wachter die de slee van de Bevelhebber staat te poetsen probeert een praatje met de ik-figuur te maken: “… Hij mag eigenlijk niet praten. Sommigen zullen het toch proberen, zei Tante Lydia. Alle vlees is zwak. Alle vlees is gras, corrigeerde ik haar in gedachten. Ze kunnen het niet helpen, zei ze, God heeft ze zo gemaakt, maar Hij heeft jullie niet zo gemaakt. Hij heeft jullie anders gemaakt. Het is aan jullie om de grenzen te bepalen. Later zullen jullie er dankbaar voor zijn…”. Er zijn ook goede dingen. Er zijn geen boodschappentasjes van plastic meer bijvoorbeeld. Voor Japanse toeristen zijn de Dienstmaagden bezienswaardigheden: “… wij zijn geheim, verboden, we winden ze op…”. Of we gelukkig zijn? “… ‘Ja, we zijn heel gelukkig,’ mompel ik. Wat kan ik anders zeggen?...”. Ook in dit boek is er sprake van een Muur (zie ‘De muur’ van John Lanchester), waar lijken aan hangen van terechtgestelden. Onder andere voormalige abortusartsen, priesters, homo’s.

Schandalig en onbetamelijk
De ik-figuur dagdroomt over vroeger. Moira, haar vriendin op de universiteit: lesbisch, nukkig, vlot, atletisch, brutaal, vindingrijk, die aankondigde een lingerieparty te houden. Daar had de ik-persoon nog nooit van gehoord: “… Je weet wel, net als Tupperware, maar dan met ondergoed. Van dat hoerige spul. Kanten kruisjes, jarretelles met drukknopen. Bh’s die je tieten omhoog duwen. Ze vindt mijn aansteker, steekt de sigaret aan die ze uit mijn tasje heeft gehaald. Wil je er ook een? Gooit me het pakje toe, verschrikkelijk royaal, als je bedenkt dat ze van mij zijn…”. Hebben we niet allemaal zulke vriendinnen gehad? Moira: “… Echt, het wordt een groot succes. We doen het in onze broek van het lachen…”. Even later vertelt de schrijfster dat jongens met een ladder probeerden hun studentenkamer te bereiken, op jacht naar ondergoed. Moira en zij trakteerden ze op papieren zakken vol water die ze leeggoten boven hun hoofden. Ik dacht aan Lisette Thooft die ooit schreef dat waar mannen porno met dodelijke ernst benaderen, vrouwen gieren van het lachen tijdens bijvoorbeeld een Chippendales-avondje. Natuurlijk zagen ze de omwenteling wel aankomen, maar ze negeerden de dingen en leefden gewoon door: “… Wij waren de mensen die niet in de krant stonden. Wij leefden in de witte marges van de pagina’s. Het gaf ons meer vrijheid. Wij leefden in het wit tussen de berichten…”. Ook de samenleving waarin de ik-figuur moet overleven is bezeten van seks, maar dan in de tegenovergestelde trant als De Telegraaf zeg maar. Het lichamelijke is ‘schandalig’ en ‘onbetamelijk’. Verkrachtingen worden veroorzaakt door de vrouw zelf. God gebruikt zulk soort afschuwelijke zaken om je een lesje te leren. Spiegels zijn vervangen door glimmend metaal. In het ‘Rode Centrum’, waar de slavinnen een heropvoeding krijgen, worden masochistische pornofilmpjes vertoond om te laten zien hoe het vroeger ging. Evenals de concentratiekampgevangenen in WO II blijkt de ik-figuur getatoeëerd te zijn met een nummer. Op haar enkel. Langzaamaan komen we er achter dat ze getrouwd is geweest, na een verhouding met een gehuwde man met wie ze een dochtertje heeft, die ze ontzettend mist. Ze werden opgepakt toen ze probeerden illegaal de grens over te steken.

Obsessie

Pas na zo’n honderd bladzijden vertelt de ik-figuur dat ze wordt aangesproken met 'Vanfred', wat niet haar echte naam is (van Fred). Het is de bedoeling dat ze zwanger wordt van de Bevelhebber, waarvoor een walgelijke edoch Bijbels gefundeerde ceremonie plaatsvindt waarbij ze vastgehouden wordt door haar bazin terwijl haar baas bezig gaat. En dat alles voorafgegaan door Bijbellezing en gebed en allemaal ook nog eens met zoveel mogelijk kleren aan. In feite is het voor alle drie een mensonwaardig gebeuren. Wat doe je jezelf en elkaar aan – denk ik dan. Vanfred heeft wel enige keuze gehad. Het was of draagmoeder worden of dwangarbeid verrichten in de koloniën als Onvrouw. Dan kon je beter direct dood gaan. Als er een geboorte plaatsvindt worden alle andere slavinnen opgehaald om aan de zijlijn toeschouwer te zijn. Eindelijk wordt ook uitgelegd waarom vruchtbaarheid zo’n obsessie is in deze theocratie. Als vrouwen al zwanger worden is het nog maar de vraag of het kind levensvatbaar en gezond is. De aarde is namelijk totaal vergiftigd: “… De kans is één op vier, dat hebben we in het Centrum geleerd. De lucht raakte op een gegeven moment te vol met chemische stoffen en straling, in het water wemelde het van de giftige moleculen, het duurt jaren voordat alles weer schoon is, en ondertussen dringen ze je lichaam binnen en nestelen zich in je vetcellen. Wie weet raakt zelfs je vlees verontreinigd, vervuild als een strand vol olieresten, een gewisse dood voor strandvogels en ongeboren kinderen. Als een gier jou opeet, gaat hij misschien wel dood. En misschien ben je lichtgevend in het donker, als een ouderwets horloge. Een doodskloppertje. Dat is een soort kever, die rottend vlees begraaft…”. Het doet me denken aan Juliette Legler, hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht, die van de week met het verontrustende nieuws kwam dat minuscule plasticdeeltjes lijken door te kunnen dringen tot cellen van de menselijke placenta. Even verder: “… Vrouwen gebruikten medicijnen, pillen, mannen bespoten bomen, koeien aten gras, en al die opgepepte pis stroomde in de rivieren. Om nog maar te zwijgen van de ontploffende kerncentrales langs de San Andreas-breuk in Californië, tijdens de aardbevingen, niemands schuld, en de gemuteerde syfilesbacterie waartegen geen kruid gewassen was…”.

Zielig

Met horten en stoten vertelt Vanfred over de staatsgreep die plaatsgevonden heeft. Hoe de vrouwen van de ene dag op de andere op straat kwamen te staan. Hoe hun rekeningen werden geblokkeerd. Ondertussen lijkt iedereen er een dubbelleven op na te houden. De Bevelhebber wil dat Vanfred stiekem naar zijn kamer komt. Om scrabble te spelen en hem te kussen ‘alsof ze het meent’. Hoe zielig is dat!? Hij hunkert naar intimiteit. Zegt dat hij dacht dat alles beter zou worden: “… Beter? Zeg ik met zachte stem. Hoe kan hij denken dat dit beter is. Beter betekent nooit beter voor iedereen. Het betekent altijd slechter voor sommigen…”. Als Nick geen pet op heeft, of eentje die scheef staat, is de kust veilig. De Bevelhebber vindt de tijd waarin mensen ‘verliefd’ werden op elkaar historisch gezien een ontsporing. Een gril. Als je het niet meer prettig vond, veranderde je van man, vertelt Vanfred: “… We waren ervan overtuigd dat elke verandering een verbetering was. We waren revisionisten; we herzagen onszelf…”. De Bevelhebber neemt haar zelfs mee naar een streng verboden nachtclub: “… Misschien heeft hij die toestand van bedwelming bereikt die naar men zegt door macht wordt opgewekt, een toestand waarin je denkt dat je onmisbaar bent en daarom alles kunt doen, echt alles waar je zin in hebt, alles, wat dan ook…”. Nou, daar weten wij alles van, na alle MeToo-affaires. Ondertussen wil de Echtgenote dat Vanfred stiekem met Nick naar bed gaat, want haar man bakt er duidelijk niks van. En de Dienstmaagd die haar afhaalt om boodschappen te doen brengt haar op de hoogte van het ondergrondse verzet.

De kracht van vergeving
Atwood schrijft prachtig. Als Vanfred in de zomer, terwijl de avond valt, voor het geopende raam zit: “… De geur van de tuin stijgt op als warmte van een lichaam, er moeten nachtbloemen tussen staan, zo sterk geurt het. Ik kan die geur bijna zien, een rode uitstraling die omhoog golft als de trillingen boven een asfaltweg rond het middaguur…”. Ze houdt van de natuur: “… Er is hier geen paardebloem te zien, de gazons zijn gefatsoeneerd. Ik zou graag een paardebloem willen zien, eentje maar, haveloos en schandelijk toevallig en moeilijk te verdelgen en eeuwig geel, als de zon. Goedgemutst en plebejisch, stralend voor arm en rijk…”. Het ‘smadelijk’ mislukken van de liefde: “… piemels als worteltjes van drie weken, een wanhopig betasten van vlees, koud en ongevoelig als ongekookte vis…”. Over heimwee naar vroeger: “… het verleden is voor mij een obsessie geworden. Als een thee drinkende Witrus in Parijs, moederziel alleen in de twintigste eeuw, dwaal ik af naar het verleden en probeer de verre, verloren paden terug te vinden; ik word te sentimenteel, ik laat mezelf gaan. Ik huil niet, ik ween. Ik zit in deze stoel te druipen als een spons…”. En over het thema van dit boek zelf: “… Misschien gaat dit verhaal helemaal niet over macht. Misschien gaat het niet over de vraag wie wie kan bezitten, wie wie wat kan aandoen zonder zich te hoeven verantwoorden, zelfs tot de dood erop volgt. Misschien gaat het niet over de vraag wie mag zitten en wie moet knielen of staan of liggen, benen wijd. Misschien gaat het over de vraag wie wie wat kan aandoen en daarvoor vergiffenis krijgt. En vertel me nu niet dat dat op hetzelfde neerkomt…”. Want “… onthoud goed dat vergeving ook een kracht is. Erom smeken is een kracht, haar aan iemand onthouden of schenken is ook een kracht, misschien wel de grootste…”.

Uitgave: Prometheus – 2019 (26ste druk), vertaling Gerrit de Blaauw, 352 blz., ISBN 978 904 464 400 5, € 15,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 28 september 2019

De klokkenluider van de Notre Dame – Victor Hugo


Toen afgelopen april de Notre Dame in Parijs vlam vatte, besloten we spontaan met de leeskring na de vakantie “De klokkenluider van de Notre Dame” (1831) te bespreken. Uit compassie en als eerbetoon. Nou, dat hebben we geweten. Niemand die op dat moment bevroedde dat deze klassieker zo’n mega-lang, uitgesponnen en taai verhaal zou zijn. Toch ben ik blij dat ik het heb gelezen, met dank aan mijn leeskameraden, zonder wie ik er nooit aan was begonnen. Gaandeweg kreeg het verhaal mij meer en meer te pakken: die Victor Hugo kan wel schrijven, hoor!

Prachtig van lelijkheid

In het voorwoord vertelt Victor Hugo (1802-1885) hoe zijn romantische geest op hol sloeg door het Griekse woord ‘anankhe’ – noodlot – dat in een muur van een van de torens van de Notre Dame was gekrast. In het verhaal dat volgt verplaatst hij zich terug naar het verleden (waarvoor tijdens de Romantiek een enorme belangstelling opkwam): de middeleeuwen. Er is ongewoon veel volk op de been in en rond de Notre Dame omdat Driekoningen en het Narrenfeest op 6 januari 1448 op een en dezelfde dag vallen. De hele ochtend wacht een ongeduldige menigte op drie dingen: “… het middaguur, het Vlaamse gezantschap en het mysteriespel. Alleen de middag was op tijd gekomen…”. Eindelijk begint theatermaker Pierre Gringoire aan zijn ‘schone moraliteit’. Maar het toneelspel is net zo oeverloos vervelend als het begin van het Hugo’s roman zelf. Binnen no time kijkt en luistert niemand meer, en focust de aandacht zich op een gekkenbekkenwedstrijd. Iemand uit het publiek stelt voor een pausverkiezing te houden. Wie de raarste grimas trekt is de winnaar. Quasimodo haalt klinkklaar de overwinning, de klokkenluider, die er uit ziet als “… een in stukken gebroken reus, die verkeerd weer in elkaar was gezet…”. En dan volgen er onnavolgbare zinnen waarin Victor Hugo zijn literaire talent op een majestueuze manier naar voren brengt. Hij zal “… maar niet proberen de lezer een idee te geven van die neus als een viervlak, die neus als een hoefijzer, van dat kleine linkeroog, half verscholen onder een rossige en stekelige wenkbrauw, terwijl het rechteroog geheel verdween onder een monsterlijke wrat, van die onregelmatige tanden met hier en daar gaten ertussen, als de schietgaten in een vestingmuur, van die eeltige lip waarover een zo’n tand uitstak als de slagtand van een olifant, van die gespleten kin en bovenal van de uitdrukking die over dit alles lag gespreid, dat mengsel van boosaardigheid, schuwheid en droefgeestigheid…”. Verder heeft Quasimodo “… Een geweldig hoofd met piekerig rood haar, tussen de beide schouders een enorme bochel en van voren als terugslag daarvan een holte, de beide dijen en benen zo zonderling gekronkeld dat zij elkaar alleen met de knieën konden raken en, van voren gezien, op twee sikkelbogen leken die bij het handvat samenkwamen, brede voeten, monsterachtige handen; en bij al die wanstaltigheid een ongrijpbare maar sterke impressie van kracht, behendigheid en moed; een curieuze uitzondering op de aloude stelregel dat kracht, evenals schoonheid, voortspruit uit harmonie…”. Snap je? Quasimodo is prachtig van lelijkheid. Ik zag spontaan een kruising van King Kong en de Hulk voor me.

Een gratis vent

Met lede ogen ziet dichter/student/filosoof Gringoire toe hoe het volk het plein voor de Notre Dame opstormt als daar de prachtige zigeunerin Esmeralda, “… ‘Liefje,’ riep Madame Aloïse plechtig uit, ‘die naam hebben jouw ouders beslist niet uit de doopvont gevist.’…”, met haar geitje verschijnt om haar zang-, dans- en acrobaatkunsten te vertonen. Ook een grimmige geestelijke kan, onder het slaken van onheilspellende kreten als ‘heiligschennis’, ‘profonatie’ en ‘daar steekt toverij achter’, zijn ogen niet van het meisje afhouden: aartsdiaken Dom Claude Frollo. Eersteklas vrouwenhater. Een ingemetselde kluizenares waardeert haar capriolen evenmin, en gilt: “… Ga je weg. Egyptische sprinkhaan!...”. Afgewisseld met: “… Hou je bek, helse krekel!...”. De opvatting heerst wijdverbreid dat zigeuners uit Egypte stammen: “… De paus had hun, naar men zei, de biecht afgenomen en hun als boetedoening opgelegd om zeven jaar lang de wereld rond te trekken zonder in een bed te slapen…”. Er lopen “… vreemde praatjes over hen, over gestolen kinderen en gerolde beurzen en het eten van mensenvlees…”. De geestelijke gebiedt de dove klokkenluider in gebarentaal woedend van zijn narrentroon te komen, die in optocht door de menigte wordt gevoerd. De dichter slentert uiteindelijk platzak en dakloos door het donker wordende Parijs, terwijl hij zich nog net niet in de Seine verzuipt, omdat het water zo koud is. Als hij een glimp van Esmeralda opvangt besluit hij haar te volgen, en maakt mee hoe ze op een duistere hoek wordt aangevallen door een paar aanranders. Zij zet het op een gillen, hij zet het op een brullen, grijpt in en krijgt een geweldige oplawaai van niemand anders dan de bochel Quasimodo, terwijl zijn compagnon (die later niemand anders dan de aartsdiaken blijkt te zijn) weg rent. Een regiment soldaten komt op de herrie af. Esmeralda wordt uit de klauwen van de wanstaltige klokkenluider gered door de kranige Kapitein Phoebus, die haar met een zwaai op zijn paard zet. Terwijl hij fatterig zijn modieuze knevel gladstrijkt kijkt zij hem als betoverd strak in zijn prachtige ogen, laat zich van het paard afglijden, en gaat er als een bliksemschicht vandoor. Wanneer de dichter weer bij zijn positieven komt ziet hij zich opgenomen in een dievenleger dat hem meevoert naar een herberg waar ze hem naar de andere wereld willen helpen omdat hij geen centen laat rollen. Volgens de Bargoense traditie kan alleen een vrouw die met hem wil trouwen hem redden. Het lijkt er op dat niemand de ‘gratis vent’ wil hebben. Tot Esmeralda opduikt en zegt dat ze hem neemt. Door een aarden kruik in vier stukken te gooien zijn ze officieel gehuwd. Binnen honderd bladzijden zijn alle hoofdrolspelers in de volgende vier- á vijfhonderd langs gekomen.

Harem
De arme Gringoire weet niet hoe hij het heeft. Zo’n mooi meisje dat hem zomaar in de schoot wordt geworpen. Echter; Esmeralda is geenszins van plan het bed met hem te delen en alras ziet hij zijn denkbeeldige vrijages in rook op gaan. Hij legt zich er zonder morren bij neer. Als broer en zus door het leven gaan? Ook goed. Ondertussen neemt Victor Hugo de gelegenheid te baat om lyrisch de loftrompet te steken over de Notre Dame, hoe ze is gebouwd en door architectuurvandalen vernield. Hij neemt je mee op de torens en laat je uitkijken over Parijs, terwijl hij omstandig vertelt hoe alles ontstaan is wat je ziet. Spannend is anders. Dit gedeelte kun je het beste overslaan. Vervolgens komen we er achter dat dom Frollo een ontzagwekkend geleerde is die als een soort doctor Faustus op achttienjarige leeftijd al vier faculteiten heeft afgewerkt. Zijn ouders overleden aan de pest, waarna de aartsdiaken zich over zijn baby-broertje Jehan ontfermde, die ondertussen de jaren des onderscheids heeft bereikt, maar voor geen meter wil deugen. Dom Frollo - hij heeft absoluut zijn goede kanten - heeft ook de ongelukkige Quasimodo opgevoed, die ter vondeling werd gelegd: “… Zo kwam het dat hij langzamerhand, door zich voortdurend in samenhang met de kathedraal te ontwikkelen waar hij in leefde, in sliep en bijna nooit uitkwam en waar hij van uur tot uur de geheimzinnige invloed van onderging, op haar begon te lijken, er zogezegd mee vergroeide, er een wezenlijk onderdeel van ging vormen…”. Dom Frollo probeert de goede daden aan Quasimodo besteed af te strepen tegen de misdaden van zijn broertje, zodat de laatste misschien weer quitte komt te staan voor de Allerhoogste. Quasimodo is zo aanhankelijk als een hond aangaande de aartsdiaken. De stumper haat mensen: “ … Hij was echt kwaadaardig, omdat hij wild was; en hij was wild omdat hij lelijk was…”. Echter, hij houdt van zijn klokken: “… Quasimodo had dus vijftien klokken in zijn harem, maar de dikke Marie was zijn favoriete…”. Toch hebben diezelfde klokken hem doof gemaakt, “… maar moeders houden vaak het meest van het kind dat hen het meest doet lijden…”. Hij klimt over de dakrichels, rent door de goten, praat met beelden, kent ieder plekje in het indrukwekkende bouwwerk als zijn broekzak: “… De aanwezigheid van dit buitengewone wezen blies een soort levensadem door de hele kathedraal…”. Alsof het er spookt: “… In Egypte zou men hem voor de god van deze tempel hebben gehouden, de middeleeuwen hielden hem voor de duivel; maar hij was de ziel van het gebouw. Zozeer zelfs dat voor hen die weten dat Quasimodo heeft bestaan, de Notre-Dame tegenwoordig verlaten, ontzield, dood is…”. Dom Frollo staat in een kwade reuk bij de goegemeente. Bewijzen zijn er niet, maar hij zou zich inlaten met zwarte kunsten. Hij sluit zich vaak op in een geheimzinnig torenkamertje. Joost mag weten wat hij daar uitvoert, maar vast niet veel fraais. Toverij? Hekserij? Is hij op zoek naar de steen der wijzen?

De doodstrijd van de architectuur
Victor Hugo blijkt behept te zijn met een enorm gevoel voor humor en een vlijmscherp observatievermogen. Hij heeft het over een dokter in de geneeskunde, “… wiens accent van de Franche-Comté aan al zijn zinnen de statigheid van een sleepjurk verleende…”. En over de hoogopgeleiden onder elkaar: “… elke geleerde mond die een andere geleerde complimenten toevoegt is een met honing besmeerde kruik gal…”. Dom Frollo interesseert zich vooral voor alchimie. Hij wil goud maken. Hij voorspelt dat ‘het boek het bouwwerk zal doden’, waarmee hij ageert tegen het in zijn ogen duivelse nieuwe medium: de boekdrukkunst. Vervolgens schrijft Victor Hugo zo’n schitterend hoofdstuk over de architectuur die verdreven wordt door de literatuur, dat alleen al dat fragment het lezen van zijn boek de moeite waard maakt. De mens heeft niets belangrijks “… gedacht dat niet in steen werd geschreven. En waarom? Omdat elke gedachte, religieus dan wel filosofisch, eraan hecht zich te vereeuwigen…”. Met het gedrukte boek verdwijnt de versteende gedachte. Legt de ene vorm van denken het af tegen een andere, zoals een slang van huid wisselt: “… Kijk hoe sinds de ontdekking van de boekdrukkunst de architectuur meer en meer uitdroogt, wegteert en kaler wordt…”. Gutenberg is de voorloper van Luther: “… Vóór de boekdrukkunst zou de reformatie slechts een schisma zijn geweest; de boekdrukkunst maakt haar tot een revolutie…”. De pers zal de kerk doden. En daar lijkt Victor Hugo gelijk in te krijgen. Hij fulmineert tegen het nabouwen van de Sint-Pieter: “… Ze neemt de Sint-Pieter van Rome en maakt er een kopie, een parodie van. Het wordt een rage, meelijwekkend…”. Wat hij niet anders ziet als “… Een onbenullig testament, het laatste gebazel van een grote, aftandse kunst die weer in kindsheid verzinkt alvorens te sterven…”. Het genie van de kathedralenbouwers is gefnuikt: “… De mooie lijnen van de kunst maken plaats voor de oude en onverbiddelijke lijnen van de wiskundige. Een gebouw is geen gebouw meer, maar een veelhoek…”. Zie “… de paleizen van Lodewijk XIV, lange kazernes voor de hovelingen, stijf, ijskoud, vervelend…”. Het doet pijn aan je ogen: “… En dan komt Lodewijk XV met zijn cichorei en vermicelli en al zijn wratten en groeisels, die toch al oude, vervallen, tandeloze en kokette architectuur ontsieren…”. De architectuur verkeert in doodstrijd.

Een beetje dom
Ondertussen wordt Quasimodo door een wel erg onpartijdige want dove en sacherijnige rechter veroordeeld tot geseling aan de schandpaal. “… Alle gebochelden lopen met opgericht hoofd, alle stotteraars houden graag redevoeringen, alle doven spreken zachtjes…”, is je dat ook wel eens opgevallen? Quasimodo snapt niet wat hem overkomt. Als hij om water brult is het uitgerekend zijn vermeende slachtoffer, Esmeralda, die hem op een hartverscheurende manier te drinken geeft. Op een hilarische manier beschrijft Hugo wat er gebeurt als er tussen een groep jonge meiden een knappe vent opduikt (in dit geval kapitein Phoebus): “… Hun frontlinie, vergeeft u ons de uitdrukking, werd onmiddellijk verplaatst. Zonder een woord te zeggen verstonden zij elkaar uitstekend. De instincten van vrouwen begrijpen en beantwoorden elkaar sneller dan de intelligentie van mannen…”. En even verder: “… Een druppel wijn volstaat om een heel glas water rood te kleuren; om een bepaalde kleur te geven aan een hele kring knappe vrouwen, volstaat het binnenkomen van een nog knappere vrouw; vooral wanneer er slechts één man aanwezig is…” (in dit geval Esmeralda). Kapitein Phoebus over de kleren van zijn aanstaande schoonmoeder: “… Zeg haar toch eens, lieve nicht, dat die tegenwoordig wel wat ouderwets zijn en dat zij er met dat geborduurde blazoen op haar kleed uitziet als een wandelende schoorsteenmantel. Heus, men gaat tegenwoordig niet meer zo op zijn banier zitten, ik bezweer het je…”. Af en toe vergeet hij zichzelf in het delicate gezelschap van zijn maagdelijke verloofde: “… De kapitein schaterlachte, ‘Duivelskaters! Dat medelijden is net zo op zijn plaats als een veer in een varkensbil! Ik mag een buik krijgen als een paus, als…’ Hij hield plotseling in. ‘Pardon, juffers! Ik geloof dat ik iets doms ging zeggen.’…”.

Razernij van gevoel
In de Romantiek is alle aandacht gefocust op gevoel. Aangaande de losbol van een broertje van Dom Frollo: “… De student keek met verbazing naar zijn broer. Hij die zijn hart de vrije loop liet, die geen andere wet ter wereld erkende dan die van de natuur, die zijn passies via zijn neigingen liet uitstromen en bij wie het meer der grote gevoelens altijd droog lag omdat hij het elke ochtend zo rijkelijk voorzag van nieuwe afvoerwegen – hij wist niet hoe woest die zee van menselijke hartstochten kan koken en bruisen wanneer men haar elke uitgang ontneemt, hoe zij aanwast, zwelt, overstroomt, hoe zij het hart uitholt, hoe zij in haar diepten in snikken en in stuipen uitbarst totdat zij eindelijk haar dijken doorbroken en haar bedding verlaten heeft. Het strenge en beheerste uiterlijk van Claude Frollo, die koude oppervlakte van onaandoenlijkheid en ongenaakbare deugdzaamheid had Jehan altijd misleid. De vrolijke student had nooit beseft wat voor kolkende, ziedende, onpeilbare krater zich onder de besneeuwde top van die Etna bevond…”. Kortom, Dom Frollo is smoor- en smoorverliefd. Op Esmeralda. Komt er achter dat kapitein Phoebus (op wie Esmeralda weer onzegbaar verkikkerd is) een afspraakje met haar heeft weten te maken, verbergt zich voor wat geld als de eerste de beste voyeur achter de wand van het kamertje van de koppelaarster waar de date plaats zal vinden, ziet met verhitte blik aan hoe de snoodaard het onschuldige deerntje steeds verder inpalmt en springt, wanneer “… alles erop wees dat de heer Phoebus kennelijk het punt was genaderd waarop Jupiter zelf zoveel dwaasheden uithaalt, dat de goede Homerus zich genoodzaakt ziet een wolk te hulp te roepen…”, op het moment suprême dus, uit zijn hol tevoorschijn om de kapitein aan gort te steken. Esmeralda valt flauw. Als ze weer bijkomt ziet ze zich omringd door soldaten terwijl iemand zegt: “… Het is een heks; zij heeft een kapitein vermoord…”. Om kort te gaan. Esmeralda wordt aangeklaagd voor moord terwijl de aartsdiaken vrijuit gaat en er alles aan doet haar in de cel alsnog te overweldigen. Maar de kuise Esmeralda geeft niet toe. Als ze naar het plein voor de kathedraal wordt gebracht om opgehangen te worden, zwaait Quasimodo - onder het oog van kapitein Phoebus, die trouwens weer zo kwiek als een vogeltje rondparadeert - aan een touw naar beneden, trekt Esmeralda uit handen van de beul, rent met haar de kerk binnen, en roept: asiel! Want in de middeleeuwen vormt de kerk een vrijplaats voor misdadigers. Oh, zó ontroerend: “… Het waren twee extreme slachtoffers van de natuur en de maatschappij, die elkaar raakten en elkaar hielpen…”. The beauty and the beast. Clichématiger kan het niet, en tóch heeft het verhaal wat.

Slakrop

Dom Frollo heeft het ter elfde ure meer dan te kwaad: “… En nu hij zo zijn ziel doorzocht, nu hij zag hoeveel ruimte de natuur daarin had toebedeeld aan de hartstochten, werd zijn grijns nog bitterder. Hij wroette op de bodem van zijn hart in al zijn haat, al zijn kwaadaardigheid, en onderkende met het kille oog van de arts die de zieke onderzoekt dat deze haat, deze kwaadaardigheid, enkel ontaarde liefde waren; dat de liefde, die bron van alle goedheid bij de mensen, in een priesterhart gruwelijke vormen aannam en dat een man van zijn aanleg geen priester kon worden zonder een duivel te worden. Toen lachte hij verschrikkelijk, en ineens verbleekte hij weer bij de gedachte aan het meest sinistere aspect van zijn noodlottige hartstocht, van die bijtende, venijnige, haatdragende, onverzoenlijke liefde die voor de een op de galg, voor de ander op de hel was uitgelopen: zij veroordeeld, hij verdoemd…”. De arme dichter, die ondertussen in zijn eentje optreedt nu Esmeralda gevangen zit, op de onnozele vraag van Dom Frollo of hij niet jaloers is op de prachtige uniformen van Koninklijke ruiters als kapitein Phoebus: “… De filosoof en de onafhankelijkheid in lompen zijn mij meer waard. Ik ben liever de kop van een vlieg dan de staart van een leeuw…”. En even verder: “… Ach, wij arme filosofen zijn naast een veldheer als een bed kool en radijs naast de tuin van het Louvre. Maar wat maakt het uiteindelijk voor verschil? Voor de groten zowel als voor ons bestaat het leven uit geluk en ellende…” – wat zo’n beetje het thema van heel het boek ontsluit. Gringoire is heel tevreden over zichzelf: “… ‘En bovendien heb ik het geluk al mijn dagen van ’s ochtends tot ’s avonds door te brengen met de zeer begaafde man die ik ben, en dat is heel prettig.’ ‘Een kop om een bel aan te binden!’ bromde de aartsdiaken…”. Een prachtig stuk gaat over Koning Lodewijk XI die in de naargeestige Bastille hof houdt. Hij zou zo blij geweest zijn met zijn troonsbestijging dat hij vergat de begrafenis van zijn vader te regelen. De manier waarop hij uitroept: “… Ik zie om mij heen alleen maar lieden die vet worden van mijn magerte!...”. Iemand die aan zijn voeten ligt en smeekt om genade: “… Sire! Laat Uwe Majesteit toch de goedheid hebben mij aan te horen. Sire! Laat uw toorn niet los op een nietig wezen als ik. Gods machtige bliksemschichten zijn niet gericht op een slakrop…”. Waarop een kamerdienaar fluistert: “… Hij doet er goed aan zo over de grond te kruipen. Koningen zijn als de Jupiter van de Kretenzers: zij hebben slechts oren aan hun voeten…”.

Tragisch einde
Het verhaal loopt niet goed af. Een leger van zesduizend schooiers komt verhaal halen, wil hun Esmeralda terug, en steekt de kathedraal in de fik. Na de nodige intriges en wederwaardigheden vindt de aartsdiaken de dood, wordt Esmeralda opgehangen, en “… Wat Pierre Gringoire betreft, hij slaagde erin het geitje te redden en maakte opgang op het toneel. Het schijnt dat hij, na te hebben geproefd aan de astrologie, de filosofie, de architectuur en het hermetisme, al die dwaasheden weer opgaf voor de tragedie, de meest dwaze van alle. Hijzelf zei aldus ‘een tragisch einde te hebben gevonden’…”. Ook “… Phoebus de Châteaupers kwam tragisch aan zijn eind: hij trouwde…”. Quasimodo verdwijnt en wordt niet meer gezien, maar in een kelder waar de gehangenen werden gedumpd, worden wel twee elkaar zonderling omarmende geraamten gevonden. Een vrouwen- en mannengeraamte, waarvan men opmerkt “… dat het een kromme ruggengraat had, dat de schedel tussen de schouderbladen zat en dat het ene been korter was dan het andere. Verder vertoonden de nekwervels geen breuk en was het duidelijk dat de man niet door ophanging gestorven was. De eigenaar ervan was blijkbaar zelf hiernaartoe gekomen om in de kelder te sterven. Toen men hem wilde losmaken van het geraamte dat hij omarmd hield, viel hij tot stof uiteen…”. Als dat geen liefde is…

Uitgave: Atheneaeum/Polak & Van Gennep – 2011, vertaling Willem Oorthuizen, 544 blz., ISBN 978 902 536 872 2
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 25 september 2019

Joodse mystiek. Een inleiding – Sjef Laenen


Omdat ik inmiddels aardig wat boeken heb besproken waarin de Joodse mystiek op een of andere manier aan de orde komt (“Een dubbelsnoer van licht”, “De slinger van Foucault”, “Donker woud”, “Alle rivieren stromen naar de zee”, “De procedure”, “De ruimte van Sokolov”) raakte ik vanzelf geïnteresseerd in het item op zich. Het valt voor een leek als mij nog niet mee aan relevante informatie te komen, want het onderwerp is gekaapt door werkelijk iedereen die ook maar in de verste verte iets met spiritualiteit heeft (tot aan David Bowie en Madonna toe). Henk Vreekamp, die bij leven veel deed voor de interreligieuze dialoog tussen kerk en synagoge, wees op de buitengewoon fascinerende en vooral ook leesbare studie van Sjef Laenen. De laatste geeft vaak lezingen, cursussen en gastcolleges over de geschiedenis van de Joodse mystiek aan de Universiteit Leiden.

Wissenschaft des Judentums

Het wetenschappelijke onderzoek naar het Jodendom en de Joodse mystiek is nog niet zo oud. Het komt pas onder invloed van de achttiende-eeuwse Verlichting op, waarin de emancipatie van onderdrukte en achtergebleven groepen een belangrijk ideaal wordt. Na eeuwenlange vervolgingen en vooroordelen zien veel Joden dan eindelijk een kans om geaccepteerd te worden en voluit mee te draaien in de West-Europese christelijke cultuur. Maar dan moeten ze wel kunnen aantonen dat ze minder mesjogge zijn dan de goegemeente denkt. Mede door de in de Romantiek gekweekte belangstelling voor het verleden komt in de negentiende eeuw de ‘Wissenschaft des Judentums’ op gang, waarin vooral de rationele aspecten van het Jodendom voorrang krijgen (zie de filosofie van Maimonides). De joodse Verlichting, de ‘Haskala’, ontstaat. Het geloof in een Messias die het voorouderlijk thuisland Palestina aan de Joden zal teruggeven maakt plaats voor de aanvaarding van de Europese natie als het enige echte thuis. Aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw verandert het politieke klimaat. Een nieuwe golf antisemitisme jaagt door Europa en slaat de hoop op een vreedzaam samenleven met anderen de bodem in. Het zionisme ontstaat. Een nieuw messianisme en nationalisme komt op. Men krijgt belangstelling voor de mystieke kant van het Jodendom. Gershom Scholem (1897-1982) is de eerste die op een grondige wetenschappelijke manier onderzoek doet naar de Joodse mystiek.

Geschiedenis
Om het Jodendom te begrijpen is enig besef van de geschiedenis onontbeerlijk. In de Hebreeuwse Bijbel, het ‘Oude Testament’, wordt verteld over de stamvader, Abraham, die een verbond met God sluit: het historische begin van het latere Joodse volk. De tweede aartsvader is zijn zoon Isaac, en de derde aartsvader zijn kleinzoon Jacob. Tijdens een nachtelijke worsteling met ‘een man’ krijgt deze Jacob een nieuwe naam: Israël. Zijn twaalf zonen zijn de stamvaders van het volk Israël. Het gaat over Jacobs lieveling Jozef, die onderkoning wordt in Egypte, waar de familie een goed heenkomen zoekt als er een hongersnood heerst. Hoe ze gedwongen worden tot slavenarbeid, en hoe Mozes hen bevrijdt uit Egypte, de ‘Exodus’, en zijn volk dwars door de woestijn naar het ‘Beloofde Land’ leidt. Op de berg Sinaï ontvangt Mozes van God de Wet, de eerste vijf boeken van de Bijbel: de ‘Tora’. Ook wel ‘Pentateuch’ genoemd. Na de verovering van het Beloofde Land, Kanaän, wijst God de eerste koning aan: Saul. Opgevolgd door David. Diens zoon Salomo bouwt de schitterende Eerste Tempel in Jeruzalem. Na de dood van koning Salomo scheurt het rijk in twee stukken: het zuidelijke gedeelte, Juda, met als hoofdstad Jeruzalem bestaat uit de stammen Juda en Benjamin. Het noordelijke gedeelte, Israël, met als hoofdstad Samaria bestaat uit de resterende tien stammen. In 722 v. Chr. wordt het tienstammenrijk gedeporteerd door de Assyriërs. Sindsdien weet niemand meer waar ze gebleven zijn. In 586 v. Chr. wordt ook het tweestammenrijk veroverd. Door de Babylonische koning Nebukadnezar II. Hij verwoest de prachtige tempel, steekt de laatste Davidische koning de ogen uit, brengt zijn zonen om en voert de belangrijkste Judeërs af in ballingschap. Echter, als de Perzische koning Cyrus het Babylonische rijk verovert, mogen de Judese ballingen terug naar huis. Het is ondertussen 538 v.Chr. De Tweede Tempel wordt gebouwd (dezelfde die in 70 n. Chr. door de Romeinen werd verwoest). De profeet Ezra stelt de Tora weer centraal. Vanaf nu worden de afstammelingen van de ballingen ‘Joden’ genoemd. Ze blijven onder Perzische heerschappij staan, daarna onder dat van Alexander de Grote en de Romeinen. Een grote bron van zorg en spanning in het Jodendom zal vooral de invloed van het hellenisme worden.

De Joodse geschriften

Waarschijnlijk zijn er al heel vroeg schriftgeleerden of ‘soferim’ die de voorschriften voor het naleven van de Wet opstellen. Na de verwoesting van de Tweede Tempel komen de ‘rabbijnen’ naar voren die er voor zorgen dat het Jodendom kan voortbestaan zonder moederland en tempel. Nu de offercultus is verdwenen komt de studie van de Tora centraal te staan. Naast de schriftelijke Tora wordt er ook een mondelinge Tora doorgegeven. De wettelijke regeling voor het dagelijkse leven heet de ‘Halacha’. De rest van alle Joodse verhalen duidt men aan met de term ‘Haggada’ of ‘Aggada’. Omdat de mondeling overgeleverde tradities uitgroeien tot een enorm omvangrijk geheel wordt er na 220 n. Chr. een systematisch overzicht samengesteld: de ‘Mishna’. Daarnaast ontstaat ook nog de ‘Tofesta’ oftewel ‘toevoeging’ bestaand uit ‘baraitot’, tradities die niet in de gezaghebbende Mishna zijn opgenomen. De ‘Gemara’ bestaat weer uit commentaar op de Mishna. Mishna en Gemara samen vormen de ‘Talmoed’. Er zijn er twee: de Palestijnse of Jeruzalemse Talmoed, plus de Babylonische Talmoed die het meeste gezag heeft. Ook de ‘Midrash’ is een literatuurvorm die een onderdeel van de mondelinge Tora vormt. Laenen vertelt dat de Joodse mystiek geen eenwording met God kent, zoals dat in de christelijke mystiek het geval is (zie bijvoorbeeld de Spaanse mystica Theresia van Avila, 1515-1582): “… In alle beschreven joodse mystieke ervaringen is er altijd sprake van een onderscheid tussen God en schepsel; er blijft altijd een afstand tussen de mysticus die God tracht te naderen en God zelf, en nergens worden beiden identiek…”. In die zin kun je, paradoxaal genoeg, dus niet eens spreken van mystiek. Daar word ik wel even stil van, eerlijk gezegd. De Joden kennen natuurlijk niet Jezus als de rechtstreekse weg naar God. Dan moet je het zelf doen, lijkt de conclusie. Niet iedereen zal daar toe in staat zijn geweest. Ik bedoel: je moet er geestelijk best wat voor in je mars hebben. Er zijn dan ook nogal wat verslagen over mensen die het spoor bijster raakten, ziek of gek werden (zie ook de jeugdvrienden van Elie Wiesel in “Alle rivieren stromen naar de zee”). De mysticus wil de kloof tussen God en hemzelf overbruggen. Het gaat om het herstellen van het contact met de eeuwige goddelijke werkelijkheid, die voorbij onze eindige menselijke wereld ligt. Elke stroming deed en doet dat op zijn eigen wijze.

De antieke Joodse mystiek

De allereerste verschijnselen van Joodse mystiek komen op aan het einde van de tweede eeuw na Christus en uiten zich als de zogeheten ‘troonwagen-’ oftewel de ‘Merkava-mystiek’. Dit naar aanleiding van Ezechiël 1, waarin een visioen wordt beschreven van God op een troon die op vier wielen lijkt te staan. Deze mystiek, die functioneerde in besloten rabbijnse kringen, was absoluut niet bestemd voor het gewone volk. De verslagen van de mystici over hun reis door de zeven hemelen met de beschrijvingen van de troon van glorie zijn verzameld in de ‘Hechalot-literatuur’ (hechal=paleis), en zijn afkomstig uit een lange periode van zeker duizend jaar. Er is echter amper sprake van authentiek materiaal. Het grootste deel van de manuscripten bestaat uit herbewerkingen die in de loop der tijd ook nog eens zijn aangedikt met allerlei nieuwe elementen en eigenzinnige interpretaties. Daarnaast schrijven de auteurs onder allerlei pseudoniemen, zoals Henoch, Abraham, Ezechiël of belangrijke grondleggers van de Mishna als rabbi Jochanan ben Zakkai, rabbi Akiva en rabbi Ismaël. Volgens Laenen gaat het in de Merkava-mystiek niet zozeer om mystiek als wel om magie. Er staan gedetailleerde instructies in voor allerlei praktische doeleinden, zoals genezing van mensen, onderwerping van vijanden of liefdesdrankjes. Het gaat over handlezen en de duiding van de bijzondere lijnen van het voorhoofd. En over bovennatuurlijke krachten, toekomstvoorspellingen en beïnvloeding van de loop der gebeurtenissen: “… De laagste, eerste hemel is vol magie. Hoe hoger men komt, des te minder speelt magie een rol…”. Er wordt geschreven over het Bijbelboek Hooglied met de bruidegom als een zelfportret van God. De mystieke reis vereist een intense voorbereiding. De geleerde verdiept zich in de ervaringen van voorgangers. Er wordt dagenlang gevast: “… Dan zette hij zich in zithouding neer met het hoofd tussen de knieën. In deze lichaamshouding citeerde hij fluisterend gebeden en extatische hymnen, waarmee een soort zelfhypnose werd opgeroepen…”. Twee begeleiders, die naast hem zitten, pennen alles op wat uit zijn mond komt. De opstijgende dan wel afdalende tocht is gevaarlijk. Poortwachters, engelachtige wezens, zijn er op uit de reiziger tegen te houden of kwaad te doen (een associatie met Bunyan's "Christenreis" dringt zich vanzelf aan mij op). Naarmate hij vordert nemen de moeilijkheden toe. Taalmagie speelt een belangrijke rol. Kennis over de krachten van de letters en het gesproken woord kunnen de reiziger maken of breken. Hij moet de namen van de engelen kennen: dat geeft hem macht over hen. De allerhoogste engel zou ene Metatron zijn, de ‘Prins van het Gelaat’, die vaak geassocieerd wordt met de Bijbelse Henoch. Ook is er sprake van de 'Prins van de Tora' die (gedwongen) naar de aarde afdaalt om de mysticus zijn gewenste kennis te verschaffen. In tegenstelling tot de middeleeuwse mystiek speelt de mens in de Merkava-mystiek als individu geen rol. Het gaat zuiver om God. De vraag is in hoeverre de Merkava-mystiek is beïnvloed door de laathellenistische wereld, de gnostische stromingen van destijds en de apocalyptici die wij kennen uit de Dode-Zeerollen.

De klassieke Kabbala
Aan het eind van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw komt er tijdens de dynamische periode van de hoofse en feodale cultuur, de troubadours en de ketterse catharen in de Provence, een nieuwe Joodse mystieke stroming op: de Kabbala. Letterlijk betekent het woord ‘traditie’. De kabbalisten gaan er van uit dat aan de ons omringende werkelijkheid een andere, goddelijke wereld ten grondslag ligt, die gesymboliseerd wordt door de tien sefirot, lichten, geopenbaarde dan wel naar de wereld gerichte aspecten van God, die schematisch worden voorgesteld door met elkaar verbonden concentrische cirkels – zie hier. De eerste sefira wordt Keter (kroon) genoemd, de allerhoogste manifestatie, waarin de verborgen godheid zijn wil tot openbaring uit. De tweede, Chochma (wijsheid), bevat de spirituele blauwdruk, de goddelijke ideeën dan wel ‘archetypen’ van de hele zichtbare werkelijkheid (Laenen wijdt een intrigerend fragment aan de vergelijking van elementen uit de psychologie van Jung met de Kabbala). Is Chochma de mannelijke kracht dan is Bina (inzicht) zijn tegenhanger, de derde, vrouwelijke kracht waarin de schepping in al zijn onderdelen wordt onderscheiden. Soms worden Chochma en Bina ook verbeeld door de symbolen ‘abba’ (vader) en ‘imma’ (moeder). Uit hun vereniging worden de volgende zeven sefirot ‘geboren’. De vierde Chesed (liefde dan wel genade) en de vijfde Din (streng oordeel) zijn ook twee tegengestelde krachten. De onbegrensde goddelijke liefde wordt door zijn onverbiddelijke rechtvaardigheid in toom gehouden (zie de schier onoverbrugbare tegenstellingen tussen goed versus kwaad, liefde versus haat, loon versus straf, het heilige versus het profane). In de zesde sefira, Tif’eret (schoonheid), worden deze tegengestelde krachten verzoend en in harmonie gebracht. De zevende sefira Netsach (overwinning), de achtste sefira Hod (majesteit) en de negende sefira Yesod (fundament), vormen ook een drie-eenheid. Zij werken de schepping verder uit: zie de exacte banen die de planeten volgen, de seizoenen die elkaar opvolgen, de afwisseling van dag en nacht, de dieren en planten, het functioneren van het menselijk lichaam. De tiende sefira, Malchoet (koninkrijk), waarin het goddelijk leven uitmondt, heeft geen eigenschappen van haarzelf: zij vormt de grens tussen God en wereld. Zij wordt geassocieerd met de vrouwelijke zijde van de godheid, ‘Schechina’, en is voor de mysticus het aanknopingspunt, de eerste stap op de weg naar het terugvinden van God. Deze tien sefirot vloeien of stromen voort uit het hoogste beginsel, het En Sof, wat letterlijk ‘er is geen einde’ of ‘zonder einde’ betekent: de aanduiding voor God, die voor ons mensen onkenbaar is.

Heelheid
Wat ik zelf heel mooi vind is dat de sefirot vaak worden ingedeeld in drie triades: het intellect, het psychische en het natuurlijke – wat overeen lijkt te komen met het christelijke mensbeeld geest/ziel/lichaam. De energie van de sefirotwereld beïnvloedt niet alleen de stoffelijke wereld; ons concreet menselijk handelen, onze gedachten, fantasie, intenties en innerlijke overpeinzingen beïnvloeden ook de sefirotwereld. Vanwege de val van Adam loopt er een scheur tussen de zichtbare en onzichtbare wereld, waardoor het neerstromen van de goddelijke energie wordt verstoord. Volgens de “Zohar”, het hoofdwerk van de Kabbala, splitste de oorspronkelijk androgyne mens, Adam, zich daardoor ook in een vrouwelijk en mannelijk deel. De kabbalisten houden zich bezig met het herstellen van de ‘heelheid’ van al wat is. Vandaar dat het juiste handelen in het Jodendom ook zo belangrijk is. De kabbalistische wereld bestaat uit mythen die onmogelijk logisch te beredeneren zijn. De hele wereld met alles wat daarin is staat symbool voor de goddelijke wereld. Ook de kleuren. Ook de cijfers. Ook de letters waaruit de Tora is opgebouwd, dus ook de Tora zelf. Het is logisch dat de esotorische kabbalisten en de Joodse filosofen, met hun nuchtere en realistische benadering van de Joodse religie, elkaar regelmatig in de haren vlogen. Laenen gaat diep op de (vermeende) controverse tussen beide professies in; want lang niet altijd is dit als een kwestie beleefd van of/of maar gelukkig ook van en/en. De Castiliaanse kabbalist Mozes van Burgos zei dan ook dat de kabbalisten beginnen waar de filosofen ophouden. Of, zoals verwoord in een citaat van ene 'Shakbar', dat ik ‘toevallig’ tegenkwam toen ik zomaar een boek opensloeg: “… In het begin nam ik mijn meester als leermeester / In het midden nam ik de Schrift als leermeester / Aan het eind nam ik mijn geest als leermeester…”.

De ontwikkeling van de Kabbala

Vervolgens behandelt Laenen de geschiedenis van de Kabbala waarbij hij allerlei mystici en boeken bij name noemt. Ik zal de belangrijksten aanstippen. Het oudste kabbalistische boek dat wij kennen is de “Sefer ha-Bahir” (het Boek Bahir), dat zoiets betekent als ‘stralend licht’ - zie Job 37:21, waarschijnlijk uit de twaalfde eeuw. Daarin worden de sefirot voorgesteld als een door God geplante boom, met zijn wortels in de hemel en zijn takken richting de aarde. De boomwortels vertegenwoordigen de ene Naam die alle letters bevat waaruit de hele schepping - als klank – tot aanschijn komt. Opmerkelijk is dat in de Bahir voor het eerst het thema reïncarnatie (gilgal) op een positieve manier wordt gepresenteerd. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Volgens latere kabbalisten vormen de eerste kabbalisten strikt besloten kringen waarvan de mystici (Abraham ben Isaac van Narbonne, Rabad, Jacob de Nazireeër, Isaac de Blinde) in dromen en visoenen nieuwe openbaringen hebben ontvangen van de profeet Elia. Azriël van Gerona is de eerste die een werk wijdt aan de mystiek van het gebed, waarin hij alle zegeningen van het zogenaamde Achttiengebed vereenzelvigt met de achttien ruggenwervels van de mens. De mysticus stijgt hierlangs omhoog naar zijn oorsprong, de hersenen: een symbolische weergave van de sefirotwereld. Andere belangrijke kabbalisten uit de school van Gerona zijn Ezra ben Salomo, Jacob ben Sheshet en Nachmanides oftewel Ramban. Een groep mystici die zich niet baseert op de sefirotleer wordt de Iyyum-kring genoemd, naar hun hoofdwerk “Sefer ha-Iyyun” (het Boek van Contemplatie). Zij werken onder andere met de kleuren die uit het licht ontstaan. Een andere kring die de sfirotmystiek niet is toegedaan zijn de Ashkenazische chassidim oftewel de Duitse vromen uit de twaalfde en dertiende eeuw. Hun voornaamste werk is de “Sefer Chasidim” (het Boek der Vromen). De vromen willen zich geheel en al aan God wijden: “… Men onderwierp zich aan diverse vormen van zelfkastijding zoals bijvoorbeeld lang vasten, zich ’s winters onderdompelen in ijswater, ’s zomers zijn lichaam aan bijen blootstellen of naakt op een mierenhoop gaan liggen…”. Zij concentreren zich op de numerieke verbanden in de taal van de Tora en de gebeden en houden zich bezig met ‘gematria’, een methode die gebruik maakt van de getalswaarde van de Hebreeuwse letters (aan het eind van het boek besteedt Laenen hier een heel hoofdstuk aan). Elke verandering of aanvulling van heilige teksten zijn volgens hen dan ook volledig ontoelaatbaar. De chassidim beheersen diverse technieken om paranormale en extatische bewustzijnstoestanden op te roepen. Eleazer van Woms is de eerste uit deze kringen die aanwijzingen geeft hoe je met behulp van lettermagie een golem creëert. Een opmerkelijk boek is de “Sefer ha-Temuna” (het Boek van de Vorm) dat een leer van kosmische cycli (‘shemittot’, enkelvoud ‘shemitta’) bevat, zoals ook bekend uit Indiase en Arabische bronnen. Wij leven momenteel in de 7000-jarige cyclus van Din, die wordt gedomineerd door het principe van inperking, strenge wet en rechtvaardigheid, waarin het goddelijke licht zich niet volledig kan openbaren. Vandaar alle kwaad en onreinheid. Het volgende tijdperk wordt echter weer in utopische termen omschreven, wat mij doet denken aan het ‘duizendjarige vrederijk’ van de christenen. Verder gaat het nog over de exponent van de ‘extatische’, ook wel profetische, Kabbala onder Abraham Abulafia, die zich eindeloos bezig houdt met het combineren en permuteren van de Hebreeuwse letters (zie “De slinger van Faucault” waarin een computer Abulafia heet).

Vrouwonvriendelijk
De Kabbala trekt vaak een vergelijking tussen de sefirot Din met de Boom van Kennis van goed en kwaad en de sefirot Chesed met de Boom des Levens. Oorspronkelijk waren de wortels van deze paradijsbomen met elkaar verbonden, maar toen ze van elkaar los raakten kon het boze zijn gang gaan. De les die hier uit getrokken wordt: “… het kwaad kan slechts ontstaan wanneer twee verbonden zaken uit elkaar gehaald worden of indien iets wordt afgescheiden en geïsoleerd van zijn eigenlijke plaats binnen de goddelijke rangorde…”. De dualistische Isaac ben Jacob ha-Chen schiep zelfs een compleet kwade ‘linkse’ sefirotmanifestatie. De heilige rechteremanatie heeft bijvoorbeeld Eva als vrouwelijke kracht. Haar tegenhanger vormt de vrouwelijke demonische kracht Lilith. En wat het manlijke betreft: Adam heeft de satanische Samaël als tegengestelde. De strijd tussen goed en kwaad zal pas op het einde der tijden door de Messias beslist worden. De leer van de Kabbala culmineert in de "Zohar". Een literair monument van 23 boeken in vijf verschillende delen, bestaand uit zo’n 2400 meeslepende en geëxalteerde bladzijden vol mystieke commentaren, van vooral rabbi Simeon ben Yochai (die niet veel onderdoet voor Mozes zelf) uit de tweede eeuw na Christus en eind dertiende eeuw opgeschreven door Mozes van León (al zijn de meningen daar ook weer over verdeeld natuurlijk). Volgens de Zohar bestaat de menselijke ziel uit de nefesh, de ruach en de neshama. De neshama is de goddelijke vonk. De nefesh bevat de krachten die het lichaam in stand houden. De ruach heeft tot taak voor een goede wisselwerking tussen deze twee delen te zorgen en het goddelijke licht door te geven. De neshama kan zich los maken van de ziel als de mens kwaad begaat of fouten maakt. Een onreine neshema van de Andere Kant kan zijn plaats innemen. Eerlijk is eerlijk: de Zohar is hier en daar buitengewoon vrouwonvriendelijk. Bepaalde fragmenten stellen dat vrouwen verbonden zijn met de Andere Kant, het gebied van onreinheid en kwaad. Vooral tijdens de menstruatie zouden vrouwen geneigd zijn tot magie en tovenarij en ze zijn bovendien behept met een drang tot moord en doodslag (wat ik nogal kras vind, zeg nu zelf: wie hebben er de hele geschiedenis door meer gemoord en gedaan…). Ook christelijke kabbalisten als Pico della Mirandola en Johannes Reuchlin hebben zich intensief met de Zohar bezig gehouden.

De Luriaanse Kabbala

Na de rampzalige uitdrijving van de Sefardische Joden uit Spanje en Portugal (1492) leeft het Joodse messianistisch en apocalyptische gedachtegoed enorm op. In het Galilese stadje Safed in Palestina begint men zich met een hele nieuwe en tegenwoordig meest bekende vorm van Kabbala bezig te houden: de Luriaanse. Voorgangers van de charismatische rabbi Isaac Luria of Ashkenazi, ook wel ha-Ari, ‘de leeuw’ genaamd, zijn onder andere Josef Cara die zich laat inspireren door een soort geleidegeest, een ‘maggid’, en Mozes Cordovero, die een thematisch handboek schrijft waarin hij de chaotische kabbala in een ordelijk systeem onderbrengt. De belangrijkste ideeën van Luria behelzen die van de ‘tsimtsum’, de ‘terugtrekking’ van God - die je je het beste kunt voorstellen als een inademing – (wat ook wel gezien wordt als Gods ‘ballingschap’), waardoor er ruimte ontstaat voor de schepping. Vervolgens de ‘shevirat hakelim’ oftewel ‘het breken van de vaten’ - zie de sefirot - , een kosmische ramp waardoor de scherven van de gebroken vaten, de zogeheten schillen of kelippot, een gebied van kwade krachten zijn gaan vormen waarin goddelijke vonken verborgen zijn. En de ‘tiqqun’, het kosmische herstel, waarin deze vonken bevrijd moeten worden om terug te keren naar God. Ieder mens kan in dit proces zijn steentje bijdragen door het goede te doen: de geboden naleven, Torastudie, mystiek gebed. Volgens sommigen zelfs in meerdere levens. Het gaat om een positief proces van zelfverwerkelijking. Het uiteindelijke doel van de schepping is dan ook een kosmische zuivering, het ongedaan maken van Din - de negatieve kracht in God zelf - en een volkomen eliminering van het kwaad. Een mooie gedachte vind ik de Luriaanse visie op de balans tussen vrouwelijke en mannelijke krachten, als het evenwicht tussen vorm en inhoud: “… Het demonische of kwade element in de schepping ontstaat daar waar de vormkant, het vrouwelijke, een eigen leven gaat leiden zonder contact of harmonie met de kern, met het mannelijke principe: het is de vorm zonder inhoud…”. Of misschien: het evenwicht tussen verstand en gevoel. Zou je niet kunnen zeggen dat in iedere vorm van fundamentalisme deze balans is zoekgeraakt? Luria kon aura’s lezen en zou zelfs met bomen, vogels en engelen hebben kunnen praten. In zijn tijd is ook sprake van het in trance raken door middel van ‘wenen’. Rabbi Jozef ibn Tabal stelde de Tora voor als een gewaad van lettercombinaties, wat prachtig is uitgebeeld in de tekeningen die Mark Podwal maakte voor “De Golem” van Elie Wiesel. Uit de kringen rond de Luriaanse kabbala komt ook de merkwaardige figuur van Shabbetai Zevi uit de tweede helft van de zeventiende voort, die van zichzelf denkt dat hij de langverwachte Messias is. Hordes mensen krijgt hij op zijn hand. De ontreddering is groot als hij zich tenslotte tot de islam bekeerde. Fanatieke aanhangers blijven in hem geloven. De ware Messias zou zich diep in de wereld van de kelippot moeten begeven om de goddelijke vonken te bevrijden. Uit het sabbatianisme komen twee sektes op: die van de Dönme (die zich zogenaamd tot de islam bekeren) en die van het frankisme (die zich zogenaamd tot het christendom bekeren), waarin het leiden van dubbellevens hier en daar volkomen uit de hand loopt en eindigt in doodenge rituele orgiastische uitspattingen.

Iedereen een verlosser

De meest recente en daardoor ook bij het grote publiek meest bekende manifestatie van de Joodse mystiek vormt het chassidisme (niet te verwarren met de twaalfde-eeuwse Ashkenazische chasidim). Chasid betekent ‘vrome’. Ze zijn vooral bekend door het werk van Martin Buber, Isaac Bashevis Singer en Chaim Potok. De wortels van deze beweging, die oorspronkelijk zeker niet als orthodox werd gezien, liggen in Oost-Europa. Laenen haalt het boek dat Daniël Meijers over de chassidim schreef, "De revolutie der vromen" (1989) aan, dat ik nog een keertje wil bespreken, dus ik geef daar niet teveel over weg. In ieder geval komt de beweging op uit de allerarmste, van onderwijs verstoken, dus ongeletterde onderlaag van de Joodse bevolking. De stichter is Israël ben Eliëzer (ca. 1700 – 1760), een meeslepende en charismatische persoonlijkheid die bekend staat als de Ba’al Shem, ‘Heer van de Naam’, vaker nog als Ba’al Shem Tov oftewel de Besht. Zijn opvolger is Dov Bear, ‘de Grote Maggid van Meseritz’. Vanaf dan vormen zijn volgelingen zelfstandige ‘tsaddiks’ (lett. rechtvaardigen) of ‘rebbes’, die het spirituele middelpunt vormen van onafhankelijke groepjes. Anders dan in de Luriaanse Kabbala wordt het kwaad volgends de chassdim veroorzaakt door de geleidelijke verhulling van de goddelijke lichten (wat een daad van erbarmen is, hoe zou de mens het licht van de onuitsprekelijke kunnen verdragen?). Het gaat erom het kwaad om te buigen naar het goede. Je moet je er mee confronteren. Ik bedacht hoe ‘Joods’ de psychoanalyse eigenlijk is. De Luriaanse idee van tiqqun wordt gezien in het veel beperkter verband van de mens in zijn persoonlijke en dagelijkse omgeving. Het gaat om het verlossen van iemands eigen vonk. De ‘devequt’ (goddelijke extase) is een vorm van vreugde over Gods aanwezigheid in alles wat bestaat en leeft (panentheïsme, niet te verwarren met pantheïsme, waarbij alles wat is als goddelijk wordt beschouwd). Het ‘God aankleven’, de directe emotionele religieuze ervaring, wordt een hogere status toegekend dan de studie van Tora en Traditie (behalve in het chabad-chassidisme van rabbi Schneur Zalman van Liadi, waar ze naast elkaar bestaan). De orthodoxe tegenstanders van de chassidim worden de ‘mitnagdim’ genoemd. Een van hun belangrijkste leiders is rabbi Elia ben Salomo Zalmon (1727-1797) oftwel de Gaon van Wilna. Uiteindelijk ontstaan er uitgebreide chassidische dynastieën die hier en daar culmineren in bijna koninklijke hofhoudingen. De reactie op de Joodse Verlichting was er een van terugtrekking en afzondering. Tijdens de Holocaust is het chassidisme in Oost-Europa nagenoeg uitgeroeid.

Kritische noot
In christelijke kringen vestigde zich het misverstand dat de Kabbala vooral te maken heeft met magie, hekserij en getallenwichelarij. Christelijke kabbalisten als Cornelis Agrippa van Nettesheim (1487-1535) ontwikkelden zelfstandig systemen van christelijke esoterische speculaties, die een eigen leven gingen leiden en met de oorspronkelijke Joodse Kabbala weinig meer van doen hadden. Vrijmetselaars, alchemisten en allerlei andere charlatans en fantasten borduurden daarop voort en produceerden een amalgaam aan onsamenhangende, warrige, occulte literatuur, waar Laenen in het laatste hoofdstuk van zijn boek de broodnodige kritische aandacht aan besteedt. Hij noemt onder andere Éliphas Lévi en Dr. Papus, occultisten die zonder enige concrete aanwijzing de Tarot in verband brengen met Joodse mystiek. Hij heeft het over Aleister Crowley en zijn geheime genootschap van “The Order of the Golden Dawn”. Hij legt het bizarre werk van publicisten als A.E. Waite, Dione Fortune, André Peters en Charles Poncé onder de loep. Hij stelt met nadruk dat het Boek van de Schepping, “Sefer Yetsira”, géén kabbalistisch boek is, zoals ene Knut Stenring beweert, omdat de Kabbala van veel latere datum is. De lectuur van Erich Bischoff is eveneens verouderd en klopt van geen kanten. Ook in de hippe Kaballa-centra van tegenwoordig word je volgens hem een soort magere en oppervlakkige pseudo-Kabbala voorgeschoteld, waarbij alles gericht is op hedonisme, op genieten, op jezelf liefhebben in plaats van God. De oorspronkelijke Kabbala draait om vragen als de zin van het lijden, het mysterie van de schepping, het verrichten van de geboden en inzicht in de Tora. De tegenstelling kan haast niet groter. Aan de andere kant is er voor degene die zich serieus wil verdiepen in de Joodse mystiek steeds meer betrouwbare en serieuze literatuur beschikbaar van auteurs als Fine, Fontaine, Van der Heide, Van der Horst, Kuyt, Van Loopik, Meijers, Poorthuis en Van Uchelen.

Uitgave: Kok-Kampen, tweede druk 2008, 300 blz., ISBN 978 904 351 077 6, € 12,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier