Menu

zondag 1 december 2019

Pastorale – Stephan Enter


In tegenstelling tot Suzanne van der Schot en consorten (zie mijn vorige blogs) zijn er evenzo de nodige schrijvers die, bijna of helemaal, getraumatiseerd uit een religieuze jeugd komen kruipen. Ook van hen heb ik inmiddels al een heel rijtje besproken: Jan Wolkers, Tara Westover, Franca Treur, Johan Lock, Anouk Markovits, Jan Siebelink, Margriet van der Linden, Ayaan Hirsi Ali, Maarten ’t Hart, Ann De Craemer, Ellen Heijmerix. Ik vind hun verhalen minstens zo verpletterend als die van de ‘believers’. Ik lijk God wel, bedacht ik ter plekke. In Openbaring 3:15 en 16 blijkt Hij hartstochtelijk te houden van degenen die óf ‘koud’ óf ‘heet’ zijn. De ‘lauwen’ vindt Hij niet te pruimen. In “Pastorale” wordt afgerekend met een gereformeerde jeugd en doet Enter de valse beloftes waarmee de Zuid-Molukkers naar Nederland zijn gehaald uit de doeken.

Kan er uit Barneveld iets goeds komen

Barneveld. Je wilt er nog niet dood gevonden worden, na het lezen van “Pastorale”. Stephan Enter (1973) geeft in zijn interviews fluks toe dat zijn gefingeerde dorp aan de Veluwezoom, Brevendal, geënt is op het zwaar gereformeerde Barneveld, waar hij is opgegroeid. Over de bijna op het zwakzinnige af, autochtone bewoners (geen wonder met al die inteelt): “… ‘Maar ze zijn hier knettergek. Ze denken en geloven de raarste dingen, daar heb je toch zeker wel iets van meegekregen?’ ‘Vertel,’ zei hij ironisch. ‘Nou – zoals dat je van lippenstift en make-up kanker krijgt en dat dat Gods straf is voor de ontucht. En dat vrouwen die de pil hebben gebruikt alleen nog maar homoseksuele kinderen kunnen krijgen. Ze laten hun hele gebit trekken omdat dat uiteindelijk voordeliger is dan een leven lang tandartsbezoek – zoiets gebeurt in de stad al lang niet meer, maar hier wel. En niemand denkt dat er een mens op de maan is geweest; het idee alleen al getuigt van ‘hovaardij’ – heeft onze oude dominee letterlijk zo gepreekt.’ ‘O, maar mijn vader-‘ ‘Wacht – deze moet ik je ook vertellen. We hebben een fietsenmaker, Oraanje. Zo heet hij, met twee a’s. Die is van de echte bevindelijken, je weet wel: op elke straathoek wacht de verdoemenis. En hij is tegen sport want sport is voor de lichtzinnigen. Maar ja, er zijn nogal wat fietsmodellen waarbij ergens op het frame het woord ‘sport’ voorkomt. Weet je wat hij doet? Hij maakt er ‘spurt’ van voor hij ze in de etalage zet, door de bovenkant van de o weg te krassen. Ga maar kijken, het is echt waar. Of laten we samen gaan, weet je wat hij zegt als we binnenkomen? Dag jongeman, en dag meisje in jongenskleren. Vanwege mijn spijkerbroek. Heb ik met Oscar meegemaakt. En hij keek erbij of ik de hoer van Babylon was…”. Imbecielen. Allemaal. Behalve als het om geld gaat. Omdat iedereen familie is van iedereen houden de winkeliers en de ‘boerenmaffia’ van de Rabobank elkaar door dik en dun de hand boven het hoofd. Denk maar niet dat iemand uit de grote groep Molukkers die er ook wonen, samengekliekt in een eigen dorpswijk, de kans krijgt in het centrum hun eigen toko te beginnen. Bovendien fluisteren de xenofobe mannenbroeders, die zelfs in de auto naar stichtelijke preken luisteren, de plaatselijke boekhandelaar in het oor dat hij een seksboekje (die hij onder de toonbank verkoopt) in het RD moet stoppen, dat ze bij hem halen. Blijkbaar hebben ze daar ook geen normale krantenabonnementen. Verder mishandelen de primitieve boeren hun vee. En met mes en vork eten kunnen ze ook al niet.

Is Enter nog leuk?
Ik was benieuwd hoe VPRO-boeken en Nieuwsweekend (Radio 1) het nieuwe boek van Enter benaderen. Tjitske Mussche maakt zich er een beetje ongemakkelijk, en Mieke van der Weij een beetje lacherig, vanaf. Ze vallen Enter in ieder geval niet erg bij en dat snap ik. Want niets makkelijker dan refo’s bashen. Die reageren toch nooit. Is Enter nog leuk? Zelf vindt hij van wel. Ik weet het niet. Luister zelf maar. Naar met name het interview van Mieke van der Weij. Bij Maarten ’t Hart en Jan Wolkers wint de humor het eigenlijk altijd. Bij Ann De Craemer spat ondanks alle narigheid de liefde voor haar ‘zakdoek’ van een dorp van de bladzijden. Tara Westover geeft nooit of te nimmer de kerk de schuld van wat er mis gaat in haar familie. En Franca Treur blijft ten allen tijde respectvol. Evenals Jan Siebelink. Enter serveert het geloof zonder meer af als bull-shit waar je de kinderbescherming op af moet sturen. Ik proef geen greintje pijn. Alleen maar diepe, diepe minachting. Als Tjistke Mussche in VPRO-boeken er op wijst dat de intolerantie van een ongelovige even rottig kan overkomen als van een gelovige, lijkt Enter dat niet te snappen. Hij kaapt het gesprek door verder te gaan over de ‘tale kanaäns’, die je altijd bijblijft als je daarmee bent opgegroeid (zie ook “Een lamp voor mijn voet” van Liesbeth Labeur). Maar volgens mij bedoelde Tjitske Mussche hetzelfde als wat Suzanne van der Schot schrijft in “Moeilijk te geloven”: “… Mensen die overtuigd zijn van hun eigen gelijk, of ze nu beweren dat God absoluut wel of juist absoluut niet bestaat, wantrouw ik…”. En vervolgens haar allerpersoonlijkste mening, die ik allerpersoonlijkst deel: “… Hun stelligheid verraadt onverdraagzaamheid, domheid en meestal persoonlijke frustratie…”. Ik heb net het boek van Sjeng Scheijen over de avant-gardisten in Rusland besproken. De bolsjewieken wilden ook van godsdienst af. Stalin stuurde alle gelovigen in het minst erge geval naar de Goelag. De meesten werden simpel vermoord. Om het over Hitler en de Joden maar niet te hebben. Onderzoeksjournalisten van BBC Panorama en The Gurdian deden van de week een boekje open over de onderdrukking van minderheden in China, voornamelijk moslims, die in heropvoedinskampen compleet gehersenspoeld worden. De horror ten top, als je het mij vraagt. Ik kan me niet voorstellen dat Enter naar zo’n samenleving wil, want hij lijkt me een ontzettend vriendelijke man. En tegelijk een snob. In mijn beleving gaat hij met zijn ideeën een bedenkelijke richting uit. Zie ook de Hannie Schaft Lezing van minister Sigrid Kaag. Niemand wordt groter door op een ander te gaan staan.

Asterix en Obelix

Ik ben het trouwens ook totaal oneens met Arjan Peters in de Volkskrant, die zegt dat de roman over een wereld gaat die op knappen staat, en dus op sterven na dood zou zijn. Hij is vast nooit in Barneveld wezen kijken. Niets is minder waar. Overal lopen de kerken leeg, behalve in het zogeheten ‘kippendorp’. Er staan misschien wel de twee (!) grootste ‘refodoms’ van de hele wereld – en dat in zo’n klein rotplaatsje. Andries Knevel heeft er een tijdje geleden een bijzondere documentaire aan gewijd, omdat hij ook niet snapt wat daar aan de hand is (EO 2017). Zie verder de schitterende aflevering over “De boeren” van “De hokjesman” (VPRO 2013). Voor mij heeft Barneveld onderhand meer iets van het kleine Gallische dorpje uit Asterix en Obelix, dat “… dapper weerstand bleef bieden aan de overheersers en het leven van de Romeinen in de omringende legerplaatsen niet bepaald gemakkelijk maakte…”. Ik ken Barneveld namelijk een heel klein beetje. Ik ben er hemelsbreed niet zo ver vandaan, in Ede, opgegroeid. Ik ging er vroeger bij familie logeren, op het omringende platteland. Ik herinner mij eindeloze dagen van spelen met bepaald niet eenkennige buurkinderen. In mijn beleving is het omringd door metershoge maïsvelden. Een grote herdershond zorgde ervoor dat mijn kleine nichtje er niet in zou waggelen en voor altijd verdwijnen. Nog steeds springt mijn hart op als ik films zie waarin maïsvelden een rol spelen (na Ede heb ik altijd in steden gewoond). Echter; ik herinner mij ook nog vaag een zaterdagavond waarop een goddelijk mooie lange dunne blonde schoonheid uit de buurt met een paar vriendinnen op ons moest passen. Mijn oom en tante hadden hun kont nog niet gekeerd, of een regiment razende brommers en ronkende sportauto’s stoof het erf op. Een leger opgefokte knapen met fietskettingen om hun vuisten gewikkeld kwam naar binnen, en deelden mee dat ze ‘de Zuid-Molukkers in elkaar gingen slaan’. Bij het zwembad. En wég waren ze weer. Of er inderdaad rellen zijn geweest weet ik niet, maar ik maak mij geen illusies. In Barneveld kom je echt gasten tegen die het neanderthalerstadium nog niet lijken te zijn ontgroeid. Zoals overal, trouwens. Wat ik mij nog wel herinner is dat mijn oom en tante de volgende ochtend aan het ontbijt vertelden dat ze het vriendje van die blonde die nacht onder een lantaarn hadden zien staan janken. Omdat ze de verkering uit had gemaakt. Was ze van de geweldloosheid? Ik hoop het. Dat zou mooi zijn. In ieder geval hadden mijn oom en tante vreselijk met haar vent te doen. En ik van de weeromstuit natuurlijk ook. Wat een drama’s moeten zich hebben afgespeeld terwijl ik de slaap der onschuldigen sliep! Bij mijn weten is het later toch weer wat geworden met dat stel. Gelukkig. Op internet vond ik een artikel waarin verteld wordt dat de derde en inmiddels vierde generatie Molukkers geheel geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. Oók gelukkig.

Wat is nou die vrijheid
Ondanks mijn bezwaren richting Enter himself, is “Pastorale” een schitterend verhaal over drie plaatselijke pubers, Oscar alias ‘Boktor’, Louise en Jonkie, die je natuurlijk niets kwalijk kunt nemen, want op weg naar volwassenheid denkt iedereen zwart-wit. Oscar is een slome, lamlendige scholier van zestien. Zijn vier jaar oudere zus Louise, een tot het militant atheïsme bekeerd, waanwijs en verwend kreng, die vanwege haar studie, die ze van zins is af te breken, op kamers zit in de grote stad. Ze studeert Engels: “… Ze had toen ze begon, ging ze verder, gedacht dat ze in een walhalla van erudiete en vrije geesten terecht zou komen. Maar het was alleen maar een exameninstituut. Met name de professoren vonden niets vervelender dan een student die met een originele opvatting op de proppen kwam. Vooral als die student een vrouw was. (…) Ze was het gaan doen, zei ze omdat ze zo veel mogelijk wilde lezen en onder mensen wilde zijn die boeken vraten net als zij, maar in twee jaar tijd had ze slechts één keer een docent gewoon horen zeggen dat hij iets mooi vond – een paar regels van Dylan Thomas. (…) En het allerergste was nog dat ze alles smoorden in jargon. Dat begon al bij de basis; je kon niet aankomen met dat de plot goed in elkaar zat of dat metaforen origineel of scherpzinnig waren of iets over de melodie van de zinnen – nee, je moest vragen: welk spel speelt de auteur met de lezer?...”. Op een van de achterste bladzijden: “… Het laatste dat ze daarover had bedacht – maar voor zich hield – was dat ze een heldere overeenkomst zag tussen een literatuurwetenschapper en iemand die je vertelde hoe je de liefde moet bedrijven terwijl hij het zelf nooit had gedaan…”. De hele zomer doet ze weinig anders dan roken, drinken en nadenken. En dan is daar nog Oscars medeleerling Jonkie, een impopulaire Zuid-Molukker met een ontiechelijk grote bek, waar de eerste ineens nauwe betrekkingen mee krijgt, omdat hij hem zijn huiswerk moet brengen, als de laatste vanwege een ongeluk absent is. Al direct wordt het thema ‘vrijheid’ onder de loep genomen, in een prachtige passage over een bromvlieg die zich stukvliegt tegen het raam van een smoorheet klaslokaal: “… Als een ei van lucht groeide een gaap tegen Oscars verhemelte, zijn oogleden werden zwaar. Hij keek naar de vensterbank. Daar lag, in een bad van onoverwinnelijk licht, de bromvlieg op zijn rug. Zijn dunne staaldraadachtige pootjes staken omhoog en bewogen af en toe nog een beetje. Zo ging het dus, of je je nou wel of niet bij je gevangenschap neerlegde. Oscar tuitte zijn lippen en blies zonder zich verder te bewegen, en verplaatste zo de vlieg een paar centimeter. De pootjes verstijfden. Hij blies nog eens…”. Het doet me denken aan de onnavolgbare stijl van Jan Siebelink in “Margje”, waarin de stilte op een van de hitte zinderend boerenerf wordt verbroken door een gaasdeur die knallend dichtklapt, en creperende vliegen razend in de plakkerige stroop van de vliegenvanger boven de tafel gonzen.

Eersteklas dramaqueen
Waar Enter wel een puntje heeft is als hij Louise laat mijmeren over haar woede. Stelt ze, zoals haar ‘minnaar’ heeft gesuggereerd, het oplossen van haar directe problemen uit omdat daarachter een groter en onoplosbaarder probleem schuilgaat? “… Ze liet haar bestaan vergallen door woede of nee, dat was te sterk, ze was niet ongelukkig – maar het nam bezit van haar, steeds opnieuw. Het vrat dag na dag haar leven aan zonder dat ze een uitweg zag. Wrok was niets anders dan keer op keer jezelf een beetje gif toedienen en hopen dat een ander ziek wordt. De wrok nam ruimte in die voor andere dingen bestemd zou moeten zijn. Hoe kon je daarmee omgaan? Loslaten, als je daartoe in staat was – maar mocht dat? Mocht je iets loslaten: dat ze je jeugd hadden afgepakt, dat je meer dan tien jaar in een namaakwereld had rondgelopen waarin geluk en angst en toekomstverwachtingen op een gestoorde fantasie gebaseerd bleken te zijn en dus nooit relevant waren geweest en dat je die tijd, die de onbevangen en zonovergoten jaren van je leven hadden moeten zijn, niet kon overdoen? Hoe kon je je woede daarover kwijtraken?...”. Okay, ik vind Louise een eersteklas dramaqueen die stikt in zelfmedelijden. Waar hééft ze het over. Ze wordt groot op een vervallen landgoed. Dat is wel even wat anders dan stadskinderen op benauwde flatjes drie hoog achter in de Bijlmer (let wel: het zijn de tachtiger jaren), met een balkonnetje van twee bij twee als speelterrein. Wie kan er zomaar in een bootje stappen om met haar of zijn vriendje een eindje te gaan roeien? Ze mag gewoon in een hippe spijkerbroek rondlopen; ík zat in mijn stomme rokje tussen mijn klasgenoten mezelf zo’n beetje weg te schamen. Bovendien heeft ze hartstikke aardige ouders. Een schat van een moeder, die meestal in de moestuin te vinden is. En een waarschijnlijk al gepensioneerde, fantastische vader, die zich steeds verder terug trekt tussen een steeds groter wordend boekenbezit en ook nog eens prachtige klassieke stukken speelt op een vleugel. Kom daar maar eens om. Hij doet me denken aan filosofe Helena Klitsie, die jaren door India heeft gezworven, en in “Liefde’s logica” vertelt dat het leven van de traditionele hindoe is opgedeeld in vier periodes: “… De eerste periode is die van de leerling. De tweede die van de familieman- of vrouw, de derde die van de kluizenaar, die zich terugtrekt uit iedere vorm van sociaal leven en zich voorbereidt op de laatste fase, namelijk die van de asceet die zich alleen nog maar richt op het spirituele, op het sterven, op het hiernamaals, op de eenwording met God…”. Ze zegt dat het bij ons wel lijkt of de meeste oude mensen steeds dommer worden, wat ze als weerzinwekkend en mensonterend ervaart: “… De ouderdom brengt niet meer de wijsheid die hem draaglijk zou kunnen maken en een zekere waardigheid zou kunnen verlenen…”. En even verder: “… Vandaar wellicht de steeds groteskere verering van de jeugd…”. Afijn, dus ik vind dat die Louise gewoon niet zo gigantisch moet zeuren.

Female rage
Maar die woede, daar heeft iemand als journalist Liesbeth Goedbloed, de schrijver van het magnifieke “Broeder Ezel”, het in haar interviews en artikelen ook vaak over. Ik ben niet zo van de woede. Ik ben van nature meer à la Paulus gericht op wat voor dan achter mij ligt. Ik heb genoeg moeite om de teugels van vandaag strak in de hand te houden. Mijn credo is leven en laten leven. Wel zo makkelijk. Bovendien weet ik niet waar ik mijn eventuele woede op zou moeten richten. Mijn familie heeft zich namelijk even hard geëmancipeerd als ik. Misschien ga ik over vroeger nadenken als ik wat meer tijd heb om te reflecteren. In ieder geval heb ik geen seconde medelijden met de vreselijke levens - want geknecht door religie - van de orthodoxen op de Veluwe. Integendeel. Moet je zien hoe de boeren erbij zitten daar, in hun kasten van villa’s en bijna ordinaire landhuizen. 'Dallas' is er niets bij. Hun kinderen sjezen rond op skelters die twee keer zo groot zijn als mijn auto (en als je dat eenmaal gewend bent neem je vast geen genoegen meer met een lelijk eendje). Vanaf mega-trampolines springen ze boven de coniferen rond tuinen als voetbalvelden uit, alsof ze alvast een kijkje in de hemel nemen. Ze lijken me bepaald niet zielig. Het is des pubers eigen al die kitserige weelde vanzelf een keertje door te prikken. Zoals dat gaat, zal een deel van hen zich losmaken van de traditie en een deel zal het slijk der aarde niet kunnen weerstaan, en de mammon die er zichtbaar met de godsdienst meekomt, gewillig volgen. Op een dag zullen ze moeten kiezen waar ze zich aan willen conformeren en wat ze laten voor wat het is. Zie daarover de prachtige uiteenzetting van Suzanne van der Schot in mijn vorige blog. Het mensenleven bestaat nu eenmaal uit een conglomeraat van tegenstellingen, en volwassen worden houdt onder andere in daar een enigszins hanteerbare eenheid van te breien. Dat geldt voor iedereen. Voor de heidenen die tegenwoordig de universiteiten bevolken is het anders ook geen makkie zonder enig houvast hun wereld vorm te geven. Kijk maar naar alle depressieve toestanden daar. In de refowereld lijkt geen plaats te zijn voor andersdenkenden (bij Enter ook niet), afvalligen, tokkies, loosers en minkukels. Is de ‘echte’ wereld beter? Hoeveel schijnheiligheid is de veiligheid van de groep waard? In “Wolf”, een boek vol artikelen over de stand van zaken rond hedendaags feminisme, staat een prachtig stuk van Herien Wensink over ‘female rage’. Vrouwenwoede is niet alleen onzichtbaar in de refowereld, maar ‘not done’ in de hele maatschappij. Nee, als ik, arme sloeber, rondrij in de Barneveldse dreven, denk ik alleen maar: ‘Wat heb ik fout gedaan?!’. Ik ben niet kwaad, ik ben jaloers. Stront- en strontjaloers. Het is duidelijk: hier gebiedt de Heer den zegen. Maar ja, ik zou ook weer voor geen goud een gergemmer willen zijn.

Vest op prinsen geen betrouwen
Louise krijgt uitgerekend betrekkingen met Maarten, de zoon van de nieuwe dominee: “… ‘Geloof je nog?’ vroeg ze. Hij lachte, schudde kort zijn hoofd zonder zijn roeibewegingen te onderbreken. ‘Heb ik iets geks gezegd?’ ‘Nou – dat NOG verraadt al alles.’ ‘Zoals?’ ‘Dat jij het normaal vindt om niet te geloven.’ ‘Maar het is natuurlijk ook veel normaler,’ zei ze. ‘Het grootste deel van de wereldbevolking is geen aanhanger van het christelijk geloof.’ ‘Wel van andere geloven.’…”. En dan, gevat: “… En ook die hebben een minderheid. Gek hè, dat na duizenden jaren de mensheid er nog niet uit is welk geloof het beste is. Misschien moet daar eens een oorlog over gevoerd worden…”. Door allerlei omstandigheden komt het zover dat Louise de kindernevendienst gaat leiden, waar ze de kinderen nog net niet tot de satanskerk bekeert, maar wel vertelt dat ze niet in God gelooft en een minnaar heeft in plaats van een vriendje (ik dacht elke keer al: welk meisje heeft het nu over haar 'minnaar'?), met wie ze wel vrijt, maar waar ze niet van plan is mee te trouwen. De kinderen luisteren met open mond. Tot er eentje z’n vinger opsteekt en vraagt wanneer Maarten terug komt: “… ‘Volgende week,’ denk ik. ‘Waarom vraag je dat?’. ‘ Ik vind Maarten veel liever.’…”. Wat een en ander tot gevolg heeft laat zich raden: het huis (van God) is te klein. De titel “Pastorale” is gebaseerd op een literair genre van herdersliederen die het idyllische landleven verheerlijken. Alleen naaien de herders in het boek hun schapen een oor aan. Koningin Wilhelmina wat betreft het gezin van de Molukkers, waar Oscar gaat eten en tot over zijn oren verliefd wordt op de dochter des huizes die hem niet eens ziet staan. En de nieuwe dominee aangaande zijn moeder, die wordt ingeruild voor een stinkend rijke dame die dieper in haar buidel tast bij het verdelen van de goede-werken-baantjes. ‘Vest op prinsen geen betrouwen’. Staat ook in de Bijbel. Een en ander eindigt nog net niet in moord en doodslag. Wel in een pot geld waar niemand iets mee kan. Desondanks vind ik de existentiële spanning in Enters verhaal ver te zoeken, en dat valt me eigenlijk tegen, gezien zijn excellente staat van dienst vanwege zijn eerdere romans. Neem nu de karakterisering van een ouderling: “… een forse man van een jaar of zestig met een gezicht dat uit losse lapjes rood vlees bestond. Hij droeg een bril met zulke massieve glazen dat zijn ogen er enorm door werden uitvergroot en je, waar je ook zat, met uilachtige starheid leken te observeren. Hij kwam altijd in pak, driedelig zwart, en verspreidde een muffe geur die de ruimte vulde. Wanneer het stil was, viel bovendien te horen dat hij een geluid voortbracht – iets dat veel weg had van een continu doorgaand, innig tevreden gezoem. Van tijd tot tijd kantelde hij als een tuimelaar naar voren, strekte een beringde hand naar een glazen schotel Droste-flikken op het lage tafeltje voor hem en bracht er een naar zijn al bij voorbaat smakkende lippen…”. Dat is zo cliché dat het wel overgeschreven lijkt uit bijvoorbeeld “Nacht over Westwoud” (Wanda Reisel). Dan is het korte verhaal "Ouderlingenbezoek" van Maarten ’t Hart duizend keer grappiger. Dat komt volgens mij omdat het een gezonde dosis zelfspot bevat. Enter moet meer om zichzelf leren lachen. Waar hij wel weer heel goed in is zijn de natuurbeschrijvingen. Je zou bijna kunnen spreken van natuurmystiek. Beleefd in de bossen die bij Brevendal beginnen en waarin je tot diep in het Teutoburgerwald door kunt blijven lopen. De Veluwe heeft dan ook haar onwaarschijnlijk mooie kanten.

Uitgave: Van Oorschot – 2019, 288 blz., ISBN 978 902 829 300 7, € 22,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 27 november 2019

De minnaar, de monnik en de rebel – Suzanne van der Schot


Subtitel: Dagelijks leven met Jezus Christus

Het tweede boek van Suzanne van der Schot, dat ze schreef na haar terugkeer uit het klooster (zie mijn vorige blog), heb ik er maar gelijk achteraan gelezen. Vooral ook omdat wijlen Wim Brands het tijdens een interview in VPRO-Boeken van 22 november 2009 zo mogelijk nog mooier zegt te vinden dan het eerste – zie hier.

Jezus in de kerk

Van der Schot begint met de constatering dat Jezus veel verder van haar afstaat dan God zelf – wat gek genoeg bij mij ook zo is. Ik heb wel eens gedacht dat dat komt doordat in de refowereld waarin ik opgroeide niet zo veel aandacht was voor Jezus: dat was meer het pakkie-an van de ketterse evangelischen en de E.O.-ers. Volgens mij was professor Graafland de eerste die met “Gereformeerden op zoek naar God” (1990) een lans brak voor méér Jezus in de kerk. Maar toen was ik al een twintiger die niet meer zoveel had met het instituut an sich. Nu ik wel weer in de kerk kom, helpen de plaatjes op de beamer voor de kinderen, van een baardig meneertje koekepeertje in een lange soepjurk, ook niet echt. Sinterklaas is indrukwekkender. Ik vraag me ernstig af of een dergelijk voorgeschoteld godsbeeld in lengte van jaren beklijft. Ik vrees het ergste. Ik snap het stringente verbod op het afbeelden van God in de islam en het Jodendom volkomen. Van iedere voorstelling die zich tussen jou en God schuift moet je ook weer af, als je Hem echt wil leren kennen. Ik vind het dan ook helemaal niet zo problematisch dat in de kerk van mijn jeugd Jezus de geheimzinnige figuur op de achtergrond bleef. Dat maakt dat je zelf op zoek moet naar wie Hij is (als je daar tenminste behoefte aan hebt). Ik heb ook wel eens gedacht dat het misschien anders zou zijn als Jezus een vrouw was geweest en God dus zijn eniggeboren dochter in plaats van zijn eniggeboren zoon naar onze planeet had gestuurd. Maar eerlijk gezegd vind ik de aseksuele, poeslieve, mierzoete Maria van de Rooms Katholieken ook niet bijster inspirerend. Eerder een beetje irritant (Van der Schot heeft het als katholiek trouwens nooit expliciet over haar), zo niet vreselijk. Als ik het voor het zeggen had zou ik gaan voor ‘vrouwe wijsheid’: Sophia. Ze is intelligent. Ze is sterk. Ze is onafhankelijk. Ze gaat haar mysterieuze gang met koninklijke gratie en allure. Maar moet je wat hebben met iemand om in hem (of haar) te geloven? Waarom zou Jezus niet ‘de zoon van God’ kunnen zijn? Ik bedoel; het gaat wel over een persoon van 2000 jaar geleden in een cultuur die zo totaal niet de mijne is, dat mijn bevreemding toch niet zo gek is? Misschien vallen mij ooit de schellen van de ogen.

Ik ben God niet
Van der Schot stelt dat Jezus geen zaak van of-of is, maar van en-en, zoals eigenlijk bij ons allemaal. Het raadsel dat Hij vertegenwoordigt wordt mede veroorzaakt doordat Hij zelf nooit iets op schrift heeft gesteld. De evangeliën zijn een soort krantenartikelen van ánderen over hem. Over onze geobsedeerdheid met de vraag of ze wel ‘waar’ zijn: “… Wij eenentwintigste-eeuwse westerlingen willen pas iets geloven als we zelf de beelden hebben gezien, als we met eigen ogen hebben kunnen waarnemen dat er ergens op de wereld een aanslag is gepleegd, als we de doden in de straten op ons televisiescherm hebben gezien. Wat we vaak vergeten is dat we ook maar kijken door de lens van de cameraman, en dat hij voor ons de keuze al gemaakt heeft of hij het beeld links van hem of aan de rechterkant filmt. Dé waarheid is per definitie een illusie…”. Wat mij wel zeer kan ontroeren zijn de verslagen van mensen die Hem anno 2019 zien in dromen of visioenen, zoals veel moslims of de Deense onderzoeksjournalist Charlotte Rørth. Mij is dat nooit overkomen. Soms denk ik: is Hij misschien, zoals voorzegd, al teruggekomen? Is Hij al onder ons, zonder dat we het weten? Op de manier zoals Hij na zijn opstanding aan sommigen verscheen, die hem in eerste instantie niet eens herkenden – zie de Emmaüsgangers? Van der Schot kan niet zoveel met ‘wonderen’ (Jezus die een kreupele laat lopen, later weer een meisje van haar ziekte geneest en toen s’ avonds even over het water naar zijn vrienden op het meer liep). Ze laat ze gewoon staan: “… De lezer mag zelf uitzoeken wat de evangelist hiermee wil zeggen…”. Ze doet een volkomen rationeel onderzoek naar Jezus – ik denk niet dat ze veel heeft met dromen en visioenen. Zelf heb ik geen moeite met het idee dat Jezus het rationele overstijgt. Waarom zou Hij niet ook boven- of buitenrationeel kunnen zijn, als Hij écht ‘de Zoon van God’ is? Ook al snap ik niet hoe of wat. Maar ik ben dan ook God niet.

De zoon
Het eerste en grootste geloofsdogma is voor Van der Schot al meteen een onhaalbare kaart: dat Maria bevrucht wordt door de Heilige Geest. De evangelist Mattheüs beschrijft Jezus’ biologische afstamming, te beginnen bij Abraham via de grote koning David en uiteindelijk uitkomend bij Jozef, ‘de man van Maria, uit wie Jezus geboren is’: “… Het leest even spannend als het telefoonboek…”. Is daarmee de zaak opgehelderd? Nee, want meteen na die stamboom vertelt Mattheüs dat Maria in verwachting raakt van de Heilige Geest en dat daarmee de profetie van Jesaja is vervuld. Een maagd zal zwanger worden en een zoon baren die Immanuël (‘God met ons’) heet. Mattheüs geeft geen biologieles, hij was er niet bij, hij laat alleen zien dat Jezus met twee benen stevig in de traditie van het Oude Testament staat, en de aangekondigde Messias is. Nergens verkondigt Jezus zelf dat Hij de zoon van God is. Dat doen anderen. Wel noemt Hij God zijn Vader, en hij spoort de mensen om Hem heen aan God ook zo te noemen, met als beste voorbeeld natuurlijk het ‘Onze Vader’. Jezus zegt dat wij ook kinderen van God kunnen worden: “… Jezus ziet de mensen tegen wie hij spreekt net zo goed als zonen (en dochters) van God als zichzelf…”. Over zijn doop in de Jordaan: “… Dat de relatie tussen God en Jezus toch een geval apart is, blijkt uit Gods woorden, ‘dit is mijn geliefde Zoon’. Jezus is de enige in de Bijbel aan wie deze eer ten deel valt. Zelfs de aartsvader Abraham, of Mozes, David of welke profeet ook, wordt door God niet zo genoemd. De evangelist wil duidelijk maken dat Jezus dichter bij God staat dan wie ook…”. Johannes is heel concreet. Hij zegt dat niemand God ooit heeft gezien, maar als je Jezus als gids neemt, weet je hoe God wil dat je leeft. Jezus moet als zo bijzonder zijn ervaren dat hij opviel onder de vele rabbi’s. Mensen hebben over Hem gepraat en geschreven: “… Als hij zijn leven zuipend, slempend en hoerenlopend zou hebben doorgebracht, om aan het einde te stikken in een hap ganzenlever, dan was hij Gods zoon niet geweest, en dan hadden er na zijn leven wel zeker niet zoveel verhalen de ronde gedaan over hem…”. Dan hadden wij al helemaal nooit van hem gehoord. Anders dan de helden, de visionairs, de filosofen, de goeroes, van vroeger en onze tijd, wijst Jezus er steeds op dat wij zijn Vader, God dus, moeten leren kennen. Waarom? Volgens Van der Schot om gelukkig te worden. En dan zijn we weer helemaal terug bij de boodschap uit de kerk in mijn jeugd: om ‘zalig’ te worden. Want dat is ‘tale kanaäns’ voor ‘gelukkig’ worden. Van der Schot: “… wat moet ik doen om een gelukkig mens te worden? De wil van God kennen, geeft het evangelie als antwoord op deze vraag. Wat is die wil van God? Dat is in ieder geval niet per se míjn wil…”. En even verder: “… Gods wil doen gaat niet over regeltjes en ge- en verboden. Het gaat over de liefde in uitvoering brengen door de ander belangrijker te maken dan mijzelf, Jezus deed dit tot in het uiterste…”. Die opdracht is niet eenvoudig. We zijn op zijn zachts gezegd nogal egocentrisch ingesteld van nature: “… Mijn hoofd zit vol verlangens, voorstellingen, ideeën. Ik wil graag dat het leven verloopt zoals ik van tevoren bedacht heb. Ik houd er niet van als een ander daartussendoor komt fietsen…”. Maar om ons te helpen is er het verhaal over de zoon van God.

Verlossing
Zitten we te wachten op een Redder? Van der Schot niet, maar het volk Israël, dat zuchtte onder de overheersing van de Romeinen, wél. Bovendien was er in de Schriften beloofd dat er een Messias zou komen die hen zou verlossen. Jezus verlost echter niet van de Romeinen, maar van ‘zonden’, een item waar Van der Schot alweer niet zoveel mee kan. Welke zonden? Wat zijn zonden? “… Waarom moet ik gered worden? Wie heeft dat bepaald? Met mij is alles prima, ik heb die redding niet nodig. Jezus had zichzelf wat mij betreft echt niet hoeven opofferen. Wat maakt het voor mijn leven uit of er tweeduizend jaar geleden iemand gestorven is? Bovendien, hoe ‘zondig’ ben ik nou helemaal? Ik heb nog nooit iemand vermoord en ik heb ook nog nooit iets gestolen (behalve dan om mij nu onbegrijpelijke redenen een Holly Hobby-pen uit de supermarkt toen ik een jaar of tien was en die ik, toen mijn moeder erachter kwam, onder haar streng toeziend oog moest terugbrengen)…”. Dat liegt ze. In het vorige boek schrijft ze dat ze in het klooster een stukje chocola heeft gejat als de ‘versterving’ haar een beetje teveel is geworden, haha. Ze vertelt dat ze zo’n vier uur per dag op een krukje in de kerk heeft zitten bidden: “… Bidden is vooral: zitten blijven…”. Wat er dan gebeurt is dat je een ‘niemand’ wordt. Dat je leert wie en wat je bent als geen mens aandacht voor je heeft. Dat je leert luisteren naar Gods wil en die van jezelf op het tweede plan zet: “… Dat proces is geen feest, maar maakt je wel vrij…”. Ik denk dat dit iets is wat ons in belangrijke mate kan helpen te ontsnappen aan de onmenselijke druk waarmee wij onszelf opgezadeld hebben in onze prestatiemaatschappij. Kijk naar alle ‘belaste en vermoeide’ studenten. Nog niet eens volwassen en dan al een burn-out. Kijk naar wat er met ons gebeurt als we tot in het oneindige te horen krijgen dat we de beste moeten zijn, alles horen mee te maken wat er maar te beleven valt, alles uit onszelf moeten halen wat er in zit, overal en altijd tot het naadje moeten gaan. Dát is de zonde van onze tijd. Ik wordt al moe als ik er alleen maar over schrijf. Van der Schot: “… Als wie je bent en wat je kunt er niet meer toe doet, dan valt ook de drang weg om je te bewijzen, om de leukste, de beste, de slimste te zijn. Zonder onderlinge concurrentie is het veel gemakkelijker elkaar en ook jezelf te nemen zoals je bent…”. Jezelf loslaten, zomaar laten drijven. Dat is bevrijding. Van zelfopgelegde verwachtingen en die van de omgeving. Vrij van de uitputtende spelletjes om invloed en aanzien. Dat is leven in zijn puurste vorm. Jezus juk op je nemen betekent dat je het juk van anderen los moet laten. En dat is gelukkig ‘zacht’ en ‘licht’. Opmerkelijk is dat de gevestigde orde zich aangevallen en bedreigd voelt door Jezus: “… De mensen luisteren liever naar Jezus dan naar hen en zo ondermijnt hij hun macht over het volk…”. Misschien werkt het nog steeds zo. Overgave aan Jezus maakt ons los van de dwang uit onze omgeving, die dat niet leuk zal vinden. Zonden doen we altijd onszelf en elkaar aan: “… Het is zonde als ik ongelukkig ben omdat ik iets niet heb wat ik graag zou willen, het is zonde als ik iets niet doe omdat ik bang ben voor schut te staan als het mislukt. Het is zonde om mensen bij voorbaat af te schrijven omdat ze de verkeerde schoenen aan hebben…”.

Omdenken
Van der Schot vertelt over haar leerlingen op een ‘zwarte’ vmbo-school die bestaan uit negen nationaliteiten met overwegend een islamitische achtergrond: “… We delen de ervaring dat de buitenwereld van mening is dat er een steekje bij je los zit als je iets met God hebt…”. Dat schept een band. Ze vertelt over de vooroordelen waar ze mee te maken hebben, en de manier waarop ze zich daartegen te weer stellen. Mensen in de marge. Precies het soort waar Jezus om geeft. Van der Schot interpreteert de Bijbelverhalen als fantastische staaltjes omdenken. Jezus gaat altijd weer in tegen wat normaal is. Van der Schot: “… Er wordt over hem gepraat, gediscussieerd. En dat niet alleen in de tijd dat hij daadwerkelijk rondtrok; het hield niet op na zijn dood. Sterker, de discussies raakten alleen maar meer verhit. Mensen gingen een onderliggende boodschap lezen in zijn optreden. Ze gingen een diepere betekenis geven aan het verloop van Jezus’ leven. Het vermogen tot interpreteren van die betekenis zijn we een beetje kwijtgeraakt. Tegenwoordig lijkt de discussie over weinig anders te gaan dan de vraag of de verhalen ‘waar’ of ‘onwaar’ zijn. Daarmee doen we de evangelisten, noch onszelf, de geïnteresseerde lezers, recht. Die diepere betekenis zit ’m naar mijn idee in het feit dat Jezus steeds het onmogelijke doet, het meest onverwachte, het ondenkbare…”. En even verder: “… Jezus houdt mij iets voor en het is aan mij om dat op te pakken of niet. Hij laat mij vrij om te kiezen. Hij maakt het mij moeilijk door zijn dubbelzinnige taal. Ik hoef geen boekenwurm of geleerde te zijn, maar ik moet wel mijn vermogens inzetten om de wereld te leren bekijken door zijn bril en daaraan mijn leven aanpassen. Jezus is een geduldige leraar, maar wel een die veel huiswerk opgeeft…”.

Het in zichzelf verdeelde ik
En hoe zit het dan met het lijden? “… Bij de aankondiging dat zij zwanger zal worden, zegt de engel tegen Maria dat zij zich moet verheugen, want zij is in Gods ogen een begenadigde vrouw. Zo’n dertig jaar later zal haar het meest verschrikkelijke overkomen dat een mens kan meemaken: zij zal zien hoe haar kind vermoord wordt. Hoezo is Maria een vrouw die zich kan verheugen, een uitverkorene van de Heer? Kennelijk betekent de genegenheid van God niet dat een mens verschoond zal blijven van ongeluk, verdriet of dood…”. Prachtig schrijft Van der Slot over Jezus uitspraak over de nauwe poort. De wijde poort leidt naar de ondergang. Amusante schilderijen uit de tijd van de Reformatie laten zien hoe deze poorten ingezet worden om het ware geloof aan te wijzen. Al naar gelang de denominatie van de schilder dan wel opdrachtgever zijn het de ene keer de katholieken die door de wijde poort regelrecht de hel in lopen; op andere de protestanten. “… Het verhaal over de twee poorten is, als je het mij vraagt, niet gericht tot een groep, maar aan ieder afzonderlijk. Dus ook aan mij. De nauwe poort biedt slechts toegang aan één persoon, ikzelf. Dit geldt voor iedereen. Voor iedereen is er één poort: het leven zoals ik moet leven, met de mogelijkheden en de beperkingen die ik heb. De ondergang is daar waar ik me laat bedelven onder de verwachtingen van anderen en vooral die van mezelf…”. En over ‘het koninkrijk dat innerlijk verdeeld raakt’ en daardoor volgens Jezus verandert in ‘een woestenij’: “… Verdeeldheid tussen mensen, maar ook innerlijke verdeeldheid is zonde. Als ik het ene verlang, maar het andere doe, wordt alles troebel. Leven in een spagaat houdt geen mens vol. Je kunt niet met de een getrouwd zijn en van de ander houden, je kunt geen concertpianist zijn als je het eigenlijk alleen maar doet om je ouders tevreden te stellen. Wie voortdurend op twee gedachtes hinkt, wie verzuimt te kiezen, zal nooit een gelukkig mens zijn. Verdeeldheid is een gif. Vraag het een kind van gescheiden ouders, dat zich gedwongen voelt tussen zijn vader of moeder te kiezen. Vraag het aan de werkende moeder met een doorlopend schuldgevoel omdat ze moet schipperen tussen carrière en kinderen. Vraag het aan mij. Die in stilte wil leven, maar tegelijk de bevestiging van de omgeving zoekt, die milieubewust wil zijn, maar ook in een auto wil rijden, die tijd wil maken voor studie en contemplatie, maar ook die film gezien en alle leuke restaurants in Amsterdam geprobeerd wil hebben. Het verdeelde koninkrijk, dat ben ikzelf, en de woestenij is het onoverzichtelijke, rommelige leven dat ik leid zolang ik niet trouw ben aan wie ik ben en wat ik wil. Het is beangstigend om te kiezen, want ik moet er altijd iets voor opgeven. Wie weet wat ik laat schieten als ik kies, welke mogelijkheden ik allemaal uitsluit. Dus liever rommel ik wat aan, een beetje van dit, een beetje van dat. Ik ga wel knopen doorhakken, maar nu nog even niet. Door mijn wispelturigheid doe ik mezelf tekort. God hoeft me niet te straffen, dat doe ik zelf al meer dan genoeg…”. Ze vertelt over het gevoel gefaald te hebben na haar episode in het klooster: “… Ik ging keihard onderuit en kwam met hangende pootjes terug. Het isolement dat daarop volgde, was diep en langdurig…”. Het is een hardhandige manier om bescheidenheid en nederigheid aan te leren.

Met God wordt niet gebabbeld
Indrukwekkend schrijft Van der Schot over het gebed – ook al weet ze nog steeds niet wat dat precies is en wat voor zin het heeft. Ze is er een ander mens door geworden, zegt ze: “… Ik ben evenwichtiger, weet beter wat ik belangrijk vind en wat niet en durf daarin keuzes te maken…”. En even verder: “… Als ik bid, heb ik meer aandacht voor de mensen en de gebeurtenissen om me heen. Bidden is voor mij een oefening in ‘uw wil geschiede’…”. Ze heeft het over Jezus die veel bad, terwijl je zou denken dat dat niet hoefde, omdat hij nu eenmaal ‘een straalverbinding’ met God had. Aan het eind van zijn leven worden zijn gebeden persoonlijker, indringender en vooral meer invoelbaar. Op het moment dat de nood het hoogst is, aan het kruis, lijkt God van de aardbodem verdwenen, als Hij het uitschreeuwt. 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u Mij in de steek gelaten?': “… De werkelijkheid van het moment is keihard en lelijk. Is hier nog wel plaats voor God? Waar houdt Hij zich op tussen alle lelijkheid? Hier slaan we geen mensen aan kruisen, maar lelijkheid is er genoeg. Van de betonnen verlatenheid van een willekeurige vinexwijk op dinsdagochtend tot het met drommen winkelend publiek overladen Damrak in Amsterdam op zondagmiddag. Van de armoede van gezinnen waarvan de kinderen dag in dag uit met dezelfde kleren aan bij mij in de klas zitten, tot de families waarin de allernieuwste mobieltjes en sportschoenen de afwezigheid van de ouders moet compenseren…”. En even verder: “… Wie bidt, zegt Jezus, moet zorgen dat niemand het ziet, als was het een zeer intieme handeling. Bidden mag ook geen geklets worden, met God wordt niet gebabbeld…”. God weet alles immers al. Het moet over het aller-essentieelste gaan. Dat wat je ten diepste beweegt. Van der Schot:“… als ik bid, dan ben ik mij ervan bewust dat ik niet de enige ben, dat mijn bidden wordt opgenomen in het grote gebed van de mensheid. Een stille, subtiele verbondenheid die als een web van fijne draadjes over de wereld ligt…”. En wat mij het diepste aangrijpt: “… ‘Uw wil geschiede’. Wie is ‘U’ als ik dat zelf niet ben?...”. Dat schiet mij rechtstreeks terug naar “Het evangelie volgens Pilatus” van Eric-Emanuell Schmitt, die misschien wel de mooiste en kortste definitie van mystiek in de mond van Jezus legt, dan nog een kind: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Nee, want daar huist God. Daar stuiten wij op het grootste mysterie dat er in mijn ogen bestaat.

Nu ik nog
Jezus gaat te keer tegen degenen die mensen hun vrijheid afnemen, maar ook en net zo hard tegen hen die zich hun vrijheid laten afpakken. Je hebt altijd een keuze. Je kunt ergens in meegaan of niet. Leven of dood stel ik u voor, zegt de richter Jozua, zegen en vloek. Kies dan het leven. Van der Schot ziet de woorden van Jezus als een richtingaanwijzer, een handreiking: “… Niet dat ik die nodig heb omdat ik niet op eigen benen zou kunnen staan, maar omdat ik de wijsheid niet in pacht heb, ik mezelf niet gemaakt heb, omdat twee meer weten dan één…”. Over de wet, waarvan Jezus pertinent zegt dat Hij niet is gekomen om die af te schaffen maar te vervullen: “… De wet behoedt ons ervoor dat het recht van de sterkste gaat gelden of de waan van de dag. Mijn vrijheid mag die van een ander niet belemmeren. Heb God lief en je naaste als jezelf. Het zijn de enige twee regels die Jezus stelt. Twee regels die universeel en eeuwig zijn…”. Jezus was niet alleen maar een softe man met een baardje en sandalen die predikt dat we toch vooral lief voor elkaar moeten zijn: “… De paus schrijft over Jezus: ‘Iemand die er zulke brave morele opvattingen op na houdt, zou nooit tot de dood op het kruis zijn veroordeeld.’ Dat slaat de spijker op z’n kop. Een man die naastenliefde verkondigde, zal natuurlijk niemand in de weg zitten. Dat Jezus de voor die tijd meest vernederende dood moest ondergaan, een marteling die alleen voor de zwaarste misdadigers werd ingezet, wijst erop dat hij een uiterst omstreden figuur was, die op z’n minst ergernis, irritatie of angst opwekte…”. Uiteindelijk staat of valt het hele christendom met het opstandingsverhaal, waarin Jezus het verschil maakt met alle andere godsdienstleiders, en dat eigenlijk niet te bevatten is. Voor zijn leerlingen was het een levensveranderende gebeurtenis. Eindelijk lijken ze hun Meester te begrijpen. Nu ik nog…

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2009, 188 blz., ISBN 978 904 680 621 8, € 20,-
Rechtstreeks bestellen, klik hier

maandag 25 november 2019

Moeilijk te geloven – Suzanne van der Schot


Subtitel: Leven in een klooster in Parijs

Met dank aan degene die het oeuvre van Suzanne van der Schot (1973) onder mijn aandacht bracht. Het was absoluut een goed idee van de uitgever op de cover van dit boek een foto van de schrijfster te plaatsen, want daardoor dacht ik precies hetzelfde als iedereen om haar heen: wat doet zó ’n leuke meid ‘in hemelsnaam’ in een klooster!? Van der Schot past helemaal in het rijtje van vrouwen, die zijn behept met wat ik het ‘religieus dna’ noem, dat ik inmiddels heb besproken: Lauren Winner, Corrie ten Boom, Willemijn Dicke, Charlotte Rørth, Etty Hillesum, Esther Maria Magnis, Karen Armstrong, Nina Hagen (en mogen er nog vele volgen)…

Waarom

Van der Schot heeft geen gelovige opvoeding achter de rug, wat zo zijn voordelen heeft volgens mij, omdat je dan blanco bent. Haar eerste herinnering in verband met religie is een bezoek aan een mysterieuze, oorverdovend stille, oude kathedraal in Barcelona, op een regenachtige vakantiedag. Ze is een jaar of twaalf en staart met open mond naar de oude dames die op hun knieën zachtjes gebeden prevelen: “… Wat moet dat geweldig zijn, dacht ik, als je weet wat het geheim is dat verborgen zit in deze stilte…”. Als ze net twintig is heeft ze eenzelfde soort ervaring in Indonesië: “… De stilte trof me. Een stilte waarin wat is geweest en wat komen gaat, er een moment lang niet toe doet. Tijd bestond niet. Wat ik voelde of wie ik was, was even van geen belang. Ik maakte deel uit van de omgeving. Ik was slechts een toeschouwer van die vogels, het meer en de regen. Dit kon ik pas later zo verwoorden, op het moment zelf was er alleen maar de stilte en het gevoel dat ik volkomen op mijn plek was…”. Het zijn dit soort transcendente ervaringen die een allesoverstijgend religieus gevoel wakker maken, denk ik: zie ook de verhalen van George Sand en Willemijn Dicke. Het laat je niet meer los. Je wilt weten wat je is overkomen. Een vriendje neemt haar mee naar een katholieke kerk, waar ze weer gegrepen wordt door de gedachte: “… hier is iets aan de hand, er is een geheim en al deze mensen hier weten wat dat geheim inhoudt, behalve ik…”. Over de dienst: “… Het was een openbaring voor me dat het weliswaar over God ging, in mijn verbeelding een soort Sinterklaas die door de EO was uitgevonden, maar dat er geen spoor was van strengheid of betweterigheid. Geen opgeheven, belerende vinger en ook geen zweverig gedoe…”. Ze merkt dat de eeuwenoude psalmteksten over mensen gaan die goeddeels met dezelfde moeilijkheden kampen als wij nu. Het draait om vragen als “… Waarom zijn wij op aarde? Waarom verloopt het leven vaak niet zoals wij graag willen? Waarom, waarom?...”. En even verder: “… Ik vond er geen antwoorden op de bestaansvragen die bij iedereen vroeg of laat naar de oppervlakte komen, maar wel een plek waar ze gesteld mochten worden. De eventuele antwoorden kwamen vanzelf wel. Of misschien waren die antwoorden helemaal niet zo belangrijk…”.

Het geheim dat wij voor het gemak God noemen
De insteek van Van der Schot is steeds ‘zoeken’. De Bijbel “… is geen van boven opgelegde handleiding vol ge- en verboden die het leven zo onaangenaam mogelijk maken, maar een boek geschreven door mensen die met veel vallen en opstaan, net als ik nu, op zoek gaan naar dat geheim, dat we voor het gemak maar God noemen…”. Gedreven door nieuwsgierigheid blijft ze naar de kerk gaan, ook als het allang uit is met haar vriendje: “… Vaak had ik geen idee hoe ik moest verstaan wat daar gebeurde. Dan werd er tijdens de viering gezongen: ‘Volg de weg van Christus’ en: ‘Open je hart voor God’. Dan dacht ik, dat zou ik wel willen, maar hoe dan? Of werd er in de preek gesproken over een ‘Godsontmoeting’. Dan vroeg ik me af of ik misschien alvast een afspraak kon maken…”. En even verder: “… Hoe langer ik naar de kerk ging, hoe meer vragen er rezen. Wat is geloof? Hoe geloof je in iemand die je nog nooit gezien hebt en die nooit wat terugzegt? Is vertrouwen op God misschien gewoon hetzelfde als vertrouwen op jezelf? Dan wordt het wel een hele eenzame en egoïstische bedoening. Hoewel ik het idee had dat ik niets van het geloof snapte, (wie wel?) bleef het me mateloos boeien…”. Uiteindelijk gaat het altijd om dat ‘méér’ dat nergens anders te vinden en met niets te vergelijken is: “… In de kerk kreeg het leven een dimensie die verderging dan het alledaagse, dan het noodzakelijke. Wij hebben een verstand gekregen, wij kunnen nadenken over ons leven, wij hebben een besef van wat waardevol en onecht, rechtvaardig en onrechtvaardig is. Wie daar niets mee doet, laat iets kostbaars liggen…”. Natuurlijk gaat er ook van alles mis in de kerk: “… In naam van het geloof werd en wordt er veel leed aangericht in de wereld. Maar het alternatief zou zijn alle organisatievormen af te schaffen zodat ieder mens op zichzelf betrokken zijn eigen leven moet leiden. Dat vind ik geen optie…”.

Een diep soort vreugde

Terwijl Van der Schot Nederlands studeert sluit ze zich aan bij de ‘stadsmonniken’, een project van pastoor Bernard Zweers in Amsterdam. Twee maal per week gaat ze naar het ‘avondgebed’ in de Nicolaaskerk: “… Bij veel van wat ik hoorde of las gingen er alarmbellen rinkelen. Hoezo, eeuwig leven? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Hoe zijn we überhaupt aan het idee gekomen dat er zoiets als God bestaat? En als hij bestaat, wat heb ik daar dan aan? Waarom lijk ik God nodig te hebben en zoveel anderen niet? Was er misschien iets mis met mij? Waarom beheerste het mijn hele leven, en wat was dat ‘het’ eigenlijk? God?...”. Na haar afstuderen gaat ze als vrijwilligster een jaar naar Bangalore om in een opvanghuis te werken voor straatkinderen, dat op poten wordt gehouden door een groep jonge, jolige paters en zusters, die bij mij over komen als een stel hippies. Weer terug in Nederland merkt ze dat de religieuze ordes hier in hoge mate zijn vergrijsd. Terwijl ze als docent de kost verdient, wordt haar geloofsleven steeds intenser. Ze sluit zich weer aan bij de ‘stadsmonniken’ die inmiddels ‘s morgens en ‘s avonds diensten houden in de Papegaaikerk in de Kalverstraat, waar de deur altijd open staat, zodat iedereen mee kan doen: “… Ik wist dat ik in een ver land, in een totaal andere cultuur, mij zonder enige moeite staande kon houden. Nu wilde ik erachter zien te komen in hoeverre ik in staat was alle ‘buitenkant’ los te laten en te leven vanuit zoiets onzekers als geloof…”. Van der Schot: “… Deel te zijn van iets wat niet helemaal van deze wereld is terwijl ik zelf heel erg van deze wereld ben, vond ik overweldigend…”. En even verder: “… Ik had een vermoeden dat in het monastieke bestaan een diep soort vreugde besloten lag. Maar die moest bereikt worden via zaken als nederigheid, eenvoud, gehoorzaamheid, soberheid. Stuk voor stuk eigenschappen waar ik bepaald niet in uitblonk. Geloofde ik eigenlijk wel in God?...”. Ze bezoekt verschillende kloosters en leest van alles over mensen die kiezen voor een monastiek leven: “… Het bleek veel te maken te hebben met het op zoek willen gaan naar de kern van het mysterie dat leven is. Het had te maken met de wens afstand te nemen van de wereld om er des te beter naar te kunnen kijken. Zoiets…”. Ze neemt de proef op de som en gaat logeren bij de zusters van Jérusalem in Parijs. Daarop besluit ze het meest radicale te doen wat mogelijk is. Het habijt aannemen: “… Ik wilde mezelf en God een kans geven…”.

Theo en Thea
Ze vertelt hoe moeilijk het is om je individualiteit ondergeschikt te maken aan het belang van de gemeenschap: “… Wie met andere mensen samenleeft, moet concessies doen…”. Wie denkt dat kloosterlingen een rustig leventje leiden heeft het mis. De wekker gaat iedere dag om zes uur af. Tussen de gebedsdiensten door in een kerk verderop, die alles bij elkaar vier uur per etmaal in beslag nemen, werkt Van der Schot zich letterlijk te barsten: vloeren dweilen, eten koken, ramen lappen, strijken. s’ Morgens volgt ze een taalcursus, want haar Frans is niet al te best. ’s Avonds zijn er lessen theologie. Iedere dag bevat welgeteld twintig minuten pauze – en ’s maandags is de enige echt vrije dag. Het soort vrouwen dat intreedt: een filmregisseur, een kleuterleidster, een arts, een introverte politicologe, een Libanese econome, een lerares biologie (ik wil echt van het hardnekkige vooroordeel af dat religie iets is voor het domme volk, zie ook “Vrouw zoekt God” van Lauren Winner )… Ze merkt hoe het gaandeweg stiller wordt in haar hoofd: “… De menselijke geest wil vliegen, en als hij die kans niet krijgt om dat te doen door een spannend leven vol uitdagingen, zoekt hij een andere weg, naar binnen, die misschien wel veel spannender en uitdagender is…”. In het klooster word je nooit van de ene op de andere dag monnik. Na een paar maanden ontvangt Van der Schot als eerste stap het ‘postulaatkruis’: een houten kruisje dat je om je nek draagt als teken dat je voornemens bent te gaan intreden. In de kerk is Van der Schot zonder meer gelukkig, maar soms denk ik ook: wat dóe je jezelf aan. Het liegen over telefoongebruik: “… Ik ben laf, bang dat ik geen toestemming krijg, en vraag of ik mijn moeder mag bellen terwijl ik Jolanda bel. Ik mis haar erg, moet huilen aan de telefoon…” (p.s. Jolanda is een vriendin). Met priester Bernhard, die in de mannenafdeling van het klooster zit, drinkt ze zondagsmiddags stiekem een wijntje in een restaurant, als ze een eindje gaan lopen (ik bedoel, ben je daar nu volwassen voor geworden?). Even verderop: “… als ik de tafel dek en de vorken met de tanden naar boven leg, komt er, als ik weg ben, een zuster die alle vorken met de tanden naar beneden legt…” en “… Als ik een raam openzet, is er een andere zuster die zegt dat ik het beter dicht kan doen. Zodra ik het raam gesloten heb, komt er een derde die vraagt of ik het raam misschien een beetje wil openzetten…”. Een volkomen invoelbaar “… Stapelgek word ik ervan…” volgt. Bidden op afroep valt ook niet altijd mee: “… Ik weet niet hoe het komt, maar de laatste tijd zitten er steeds fragmenten van ‘Theo en Thea’ in mijn hoofd. Nu weer uit de aflevering over Sinterklaas waarin Bea Hofman (het alter ego van Theo) een brief schrijft aan de goedheiligman: ‘Beste Sint, ik móét hebben: geld, véél geld, het liefst in bankbiljetten van honderd gulden. Of anders iets exclusiefs uit een elektriciteitszaak. Aan mijn cadeau moet in ieder geval een stekker zitten.’…”. En tóch: “… Ik wist dat ik altijd naar de aanwezigheid van God zou blijven zoeken, dat de nabijheid van God het meest intense gevoel is dat een mens kan overkomen en dat het levensvervullend kan zijn je daarop te richten. Het was zo’n mooie ervaring, ik wilde eigenlijk meteen opspringen om het aan iemand te vertellen. Alsof ik een vallende ster zag, die je ook graag aan een ander wilt laten zien. Maar als je dat doet, is hij alweer verdwenen…”.

Een Eskimo uitleggen wat een aardbei is
Als er familie overkomt naar Parijs is Van der Schot daar niet altijd onverdeeld gelukkig mee. Ze vindt het moeilijk uit te leggen hoe ze innerlijk verandert: “… Het voelt alsof ik aan een Eskimo moet uitleggen wat een aardbei is…”. Over de kerk: “… Het is waar dat de katholieke kerk in vele opzichten een star en verouderd instituut is. Toch is het een wereldkerk die een miljard leden aan zich weet te binden. Het getuigt van arrogantie als wij vinden dat die kerk zich moet aanpassen aan onze westerse, postmoderne maatstaven en ik houd van de symbolen, de gebaren en de sacramenten. Dat alles betrekt je bij het mysterie dat zich voltrekt. God is niet in woorden te vatten, hoe geleerd of doordacht ze ook zijn. Alles wat eromheen bedacht is om uitdrukking te geven aan dat mysterie, is een middel, een kruiwagen om te trachten tot de kern van het geloof door te dringen. Wat die kern van het mysterie is, is voor ieder afzonderlijk weer anders: mijn God is een andere God dan die van degene die naast mij zit. In de kerk wordt een grootste gemene deler verkondigd. Dat kan niet anders. Maar geen pastoor, geen bisschop of paus kan mij vertellen hoe ik moet geloven. Toch ben ik blij dat ze er zijn, om mij een richting aan te geven en als bindende factor voor alle mensen die naar de kerk komen. Met mijn eigen, persoonlijke geloof kom ik naar de kerk om me te laten inspireren, om het onkenbare dat we God noemen uit te drukken. Daarvoor wil ik alles gebruiken wat maar te bedenken is: woorden, maar ook de wierook en de kaarsjes…”. Geloof me, van zo’n belijdenis barst ik bijna in tranen uit – echt waar. Echter, hoe meer ze haar gedachten onder woorden brengt, hoe meer haar moeder ervan overtuigd raakt dat haar dochter niet helemaal normaal is: “… Hoe kun je je leven besteden aan iets waarvan je niet eens zeker weet of het bestaat?...”. Maar is het leven rond zogenaamde zekerheden zo safe? “… Huwelijken kunnen kapotgaan, bedrijven failliet en winsten kunnen verschrompelen…”, argumenteert Van der Schot.

Hysterische wijven
Op een hilarische manier vertelt ze hoe ze via een andere non werk vindt op een klein en ongelooflijk chaotisch Engels vertaalbureau: “… Als Camille de deur opendoet, schrik ik me een ongeluk. Een onbeschrijflijke puinhoop doet mij in één klap de klasse van de hal en het trappenhuis vergeten…”. En even verder: “… In Michelles werkkamer stuiten Camille en ik op twee hysterische vrouwen, allebei van een jaar of veertig die Camille van alles toeroepen over een vergadering ergens op een kantoor die al begonnen is en waarvoor zij iets hadden voorbereid dat nu zoek is. Geen wonder, denk ik, maar ik houd wijselijk mijn mond. Camille moet nú een taxi bellen, terwijl zij doorgaan met spitten tussen de stapels papier. Een van de vrouwen merkt mij op, stelt zich voor als Michelle Brunon en zegt dat ze nu echt geen tijd voor me heeft. Ik weet me niet zo goed een houding te geven, zou graag willen helpen, maar ik weet niet hoe. Camille begint de twee verwijten te maken dat ze beter georganiseerd moeten zijn. Dat is een ding wat zeker is, maar het lijkt mij niet verstandig daar op dit moment over te beginnen. Na een minuut of tien dient de taxi zich aan en het rapport of wat er dan ook zoek is, is nog steeds niet boven water gekomen. Dan maar zonder. Op weg naar de trap gilt Michelle: ‘What a company, two hysterical women and two nuns!’ en weg zijn ze. Ze laten Camille en mij achter, ik in verbijstering en met een opkomende slappe lach. Camille slaakt een diepe zucht. Ik denk: moet dat mijn bazin worden?...”. Michelle over zichzelf: “… I have a temper…”. Dát heeft Van der Schot ondertussen al begrepen. Als het erg druk is luncht Van der Schot met haar collega’s in een restaurantje omdat ze de hele dag blijft werken: “… We drinken een glaasje wijn erbij en praten over het werk, de Franse politiek en de liefde. Wat dat laatste betreft komen we steeds weer tot de conclusie dat het leven zowel met als zonder relatie niet meevalt…”. Steeds vaker vraagt ze zich af wie nu het ware leven leidt: “… die kartuizer die leeft op het ritme van de seizoenen of deze twee vrouwen die zich door het dagelijks bestaan worstelen?...”. Proberen we niet allemaal gelukkig te zijn?

Wie is er nu gek?
Van der Schot blijft twijfelen over de volgende stap: daadwerkelijk het habijt aantrekken en postulant worden. Een vreselijk weekendevenement dat georganiseerd wordt voor katholieke jongeren ervaart ze als totaal niet haar ding. Ze zit in een volle bus waar met vlaggen wordt gezwaaid en vrolijke liedjes worden gezongen bij een gitaar. Een soort E.O.-jongerendag. In een pauze tijdens een padvinderachtige wandeltocht wordt door een megafoon verteld dat God van iedereen houdt, dat Hij de oplossing is voor al onze problemen en dat wij van God moeten houden omdat Hij ons dan zal belonen met een gelukkig leven. Van der Schot heeft niets met deze lawaaierige ‘happy-clappy-mentaliteit’ waar ze in verzuipt: “… Wat echter ontbreekt, is een kritisch geluid. Niemand vertelt deze kinderen – want dat zijn het eigenlijk nog – dat het geloof je niet ontslaat van de plicht kritische vragen te stellen. Hier wordt God aan de man gebracht door hem te verpakken als een licht verteerbaar snoepje, compleet met roze strik eromheen…”. Dat is mij uit het hart gegrepen. Als ze in een kamp zijn aangekomen houdt een priester, ene Nicolas Buttet, type ‘toffe peer’, een grandioze toespraak: “… Op humoristische wijze giet hij de Goede Boodschap van het evangelie bij zijn toehoorders naar binnen. ‘God is liefde, alleluia!’ roept hij keer op keer, wat de jongeren in de kerk luidkeels herhalen. Het hoogtepunt van de avond is het moment waarop in een gouden schrijn, een soort versierde kist, relieken van de heilige Thérèse van Lisieux de kerk worden binnengedragen. De aanwezigheid van haar relieken, lichaamsdelen van de heilige, meestal stukjes bot of haar, moeten de avond een extra cachet geven. De schrijn wordt naar binnen gedragen onder luid gejuich, alsof het de Europacup is. Intussen voel ik me steeds ellendiger worden. De onzekerheid, het niet-weten dat van ieder een eigen invulling vraagt, is wat mij zo boeit, niet deze hapklare brokken evangelie, overgoten met een jus van kunstmatige vrolijkheid. Heb ik het mis gehad wat het geloof betreft? Wie is er nu gek, deze massa mensen om mij heen of ik? Een geloof dat bestaat uit waarheden en feiten, waar de principes kant en klaar liggen en wij ze alleen nog maar hoeven aan te nemen, vind ik eng. Dat is het soort geloof waarin ziekte en leed een straf van God is en gezondheid en geluk een beloning. Dat is een God die, zolang je maar doet wat hij wil, al je problemen oplost, verdriet doet verdwijnen en iedere leegte in je leven moeiteloos opvult. Dat is een infantiele, karikaturele God. Het is een God zoals ik hem voorstelde voordat ik mij werkelijk ging verdiepen in het geloof. Ik dacht destijds dat christenen ten koste van de evolutietheorie het scheppingsverhaal voor waar aannamen, dat zij geen verdriet hadden om een overleden familielid omdat die in de hemel op ons arme stervelingen zou neerkijken. Wat een openbaring was het voor mij, te merken dat je niet je gezond verstand hoefde te verliezen om een gelovig mens te zijn. Ik leerde dat het christendom meer vragen dan antwoorden opwerpt en dat het leven er dikwijls ingewikkelder dan simpeler door wordt, maar altijd boeiender. Mensen die overtuigd zijn van hun eigen gelijk, of ze nu beweren dat God absoluut wel of juist absoluut niet bestaat, wantrouw ik. Hun stelligheid verraadt onverdraagzaamheid, domheid en meestal persoonlijke frustratie…”.

Beroepszoeker

Over de boodschap van liefde en vrede: “… Hoe bestaat het toch dat al deze mensen zo extatisch zijn over wat ze hier meemaken? Realiseert niemand zich dan dat de boodschap van liefde en vrede die hier gepredikt wordt, wel wat al te gemakkelijk de realiteit van een vaak wrede wereld met daarin gebroken mensen omzeilt, en waarin liefde en vrede zaken zijn die niet anders dan met veel moeite te bereiken zijn? De woorden van Nicolas Butter zijn op zichzelf niet onwaar, maar ze hebben de diepgang van een surfplank. En de verdieping van mijn leven is nou juist wat ik zocht in het geloof…”. Over Johannes van het Kruis, wiens ideeën in de zestiende eeuw zo vooruitstrevend waren dat hij een tijdje door leden van zijn eigen orde gevangen werd gezet: “… God is de totaal-andere, en dus per definitie onkenbaar. Ieder beeld dat wij van God hebben, is slechts een menselijke, dus beperkte voorstelling van hem. Om tot enige kennis van hem te komen, moeten wij alle voorstellingen, beelden of ideeën die wij van hem hebben, laten varen en ons begeven in de ‘donkere nacht’. In de ‘donkere nacht’ laten wij al onze zekerheden, onze gehechtheden los om onze aandacht te kunnen richten op dat wat onkenbaar is. Alleen in het duister kan men het licht van God ontwaren…”. En even verder: “… Het verlangen God te kennen botst met de feitelijke onmogelijkheid daarvan…”. In “Le Petit Prince” zegt de kleine prins dat ‘de woestijn zo mooi is doordat er ergens een put verborgen is.’ Volgens Van der Schot is de monnik iemand die op zoek is naar die put. De monniken zijn geen ‘wereldvreemde mollen’, maar ‘beroepszoekers’. Wie kiest moet iets durven opgeven. Uiteindelijk kan Van der Schot dat niet. ‘Ik ben twee mensen’, schrijft ze in haar dagboek. Op een gegeven moment realiseert ze zich dat het opgeven van haar zelfstandigheid, wat voor een monnik als een bevrijding moet voelen, voor haar een beklemming is. Ze is niet voor monnik in de wieg gelegd. Dus wordt het ‘einde verhaal’. Maar “… God laat mij niet met rust. Vaak heb ik het gevoel dat ik er nog steeds niets van begrepen heb, maar de fascinatie blijft…”. Thuis pakt ze haar baan als docent in Amsterdam-Oost weer op: “… Daar geef ik Nederlandse les aan een bonte verzameling Turkse, Marokkaanse, Nederlandse en Antilliaanse leerlingen. Ik vertel ze dat hun juf non is geweest. Vol ongeloof kijken ze me aan. ‘Heeft u dan geen man?’ ‘Nee,’ zeg ik lachend, ‘maar ik heb voorlopig mij handen vol aan God en aan jullie…”.

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2006, 268 blz., ISBN 978 904 680 051 5, € 20,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 20 november 2019

Kerstmis onder vuur – Kevin Prenger


Subtitel: Kerst tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het front, thuis en in de kampen

Met december in zicht beginnen de kerstboeken alweer om mijn oren te vliegen. Een opmerkelijke uitgave is "Kerstmis onder vuur" van Kevin Prenger (1980), hoofdredacteur van de afdeling artikelen op TracesOfWar.nl, het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog. Daarin onderzoekt hij de manier waarop Kerst tijdens de oorlog werd gevierd. Per oorlogsjaar geeft Prenger een bijna schematisch overzicht van wat er overal werd gegeten (als er tenminste eten was), wat er werd gezongen (het is opvallend hoe ver de secularisatie is doorgedrongen - iedereen kende toen bijna ‘Stille nacht’) en welke kadootjes er al dan niet onder de (vaak geïmproviseerde) kerstboom lagen. Natuurlijk zijn de individuele verhalen daaromheen het indrukwekkendst. Eerder besprak ik van hem “Oorlogszone Zoo”.

Maarten Luther en de kerstboom

Als Duitsland in 1939 Polen binnenvalt zijn met Kerst veel consumentenproducten onverkrijgbaar omdat de Britse zeeblokkade de aanvoer van overzeese goederen verhindert. Wél wordt er voor gezorgd dat iedere Duitser een kerstboom heeft. Laat ‘onze’ refo’s – die vaak tegen kerstbomen zijn, want heidens – het maar niet horen, maar volgens een oud Duits verhaal was de protestantse kerkhervormer Maarten Luther de eerste die kaarsjes plaatste in een kerstboom. Tijdens een winteravondwandeling werd hij geraakt door de aanblik van twinkelende sterren tussen de sparrentakken. Zoals bij ons hele miniatuurkerstdorpjes te zien en te koop zijn bij Intratuin, zo wordt in Duitsland de miniatuurversie van allerhande oorlogstuig als speelgoed gefabriceerd. Tot aan gebombardeerde huisjes, soldaatjes met vlammenwerpers plus automatische wapens en gasmaskers op, ambulances voor speelgoedhospitaaltjes met verpleegsters die gewonden verzorgen en artsen die zich buigen over operatietafels, toe. Bordspelen als ‘Oh, welche Lust Soldat zu sein’ en ‘Dass Grosse Belagerungsspiel’ verheerlijken de oorlog. Maar je moet er snel bij zijn. Tegen kerst zijn de grote warenhuizen uitverkocht.

Joelfeest
De middernachtmis wordt tijdens de oorlogskerst druk bezocht. Voor veel Duitsers gaan het christendom en het nationaalsocialisme, ondanks hun contrasterende wereldbeeld, prima samen. Toch zijn veel antropologen, historici, musici en andere deskundigen bezig met vastleggen hoe Kerstmis op een andere manier gevierd kan worden: “… Prioriteit was om zoveel mogelijk verwijzingen naar het christendom te schrappen. ‘Om ons te verblijden hebben we geen verhalen uit het land van de Joden nodig’, zo verwoordde een SS’er dit in een brief aan zijn dochter. ‘Zo’n groot leider als Adolf Hitler schenkt God alleen aan het Duitse volk.’ In Hitler zagen de nazi’s de nieuwe verlosser. Niet langer de geboorte van Jezus Christus moest gevierd worden, maar de Germaanse afkomst van het Duitse volk en de verbinding van Duitsers met de natuur en de grond waarop ze leefden, geheel in lijn met de ideologie van ‘Blut und Boden’. Daarbij werd teruggegrepen op de oude Germaanse folklore waaruit het christelijke kerstfeest ontsprongen was…”. Ver voor de kerstening van Europa vierden Germaanse volkeren het Joelfeest om stil te staan bij de winterzonnewende: “… Het feest nam enkele dagen in beslag en werd gevierd met ceremonieën bij grote vuren (Joelvuren) om boze geesten te verdrijven en te vieren dat het vruchtbare voorjaar eraan kwam…”. Naziorganisaties als ‘Das Ahnenerbe’ en de ‘Arbeitsgemeinschaft für Deutsche Volkskunde’ proberen de Germaanse folklore en oude rituelen nieuw leven in te blazen. Met fakkels en brandend rijshout dansen jonge kerels rond open vuren op besneeuwde bergen en heuvels en rollen zogeheten ‘vuurwielen’ van de hellingen. Nazigeleerden bestempelen de kerstboom, bij voorkeur een fijnspar of zilverspar, tot ‘heiligdom van de familie’. De boom die symbool staat voor vruchtbaarheid mag niet langer ‘Christbaum’ genoemd worden, vanwege de ongewenste verwijzing naar Christus. De spar, met in top de heilige swastika of het zonnerad, moet versierd worden met appels en noten als ‘aankondigers van nieuw leven’, en mag geen christelijke versiering bevatten als engelen of kerststerren. Kerstballen met het hakenkruis of in de vorm van het hoofd van Hitler zijn bij wet verboden vanwege de ‘bescherming van nationale symbolen, al bestaan ze wel’: “… Het idee de Führer in de boom op te hangen was voor trouwe nazi’s natuurlijk niet te verkroppen…”. Kersstalletjes worden verduitst: “… het exotische landschap van het Heilige Land moest dan plaatsmaken voor een Duits landschap en het stalletje zelf voor een bergsmidse of berghut. Mijnwerkers of kruidenvrouwtjes vervingen de drie koningen en de Heilige Familie werd verruild voor een Duits gezin. In plaats van in de kribbe lag het kerstkind in een wiegje en symboliseerde het de ‘blijvende verjonging van het Duitse volk’. Figuren van Duitse arbeiders en boeren konden worden toegevoegd als waren ze op een pelgrimstocht om het kindje te bewonderen. Kerstengelen veranderden van geslacht en werden ‘vrouwelijke lichtgestalten uit de Germaanse mythologie’…”. Moeders worden gepusht koekjes te bakken in de vorm van Keltische runen. De kerstmarkten liggen vol met ambachtelijk spul: “… Het westerse consumentisme werd beschouwd als decadent. De Amerikanen hadden het kerstfeest veranderd in een ‘luidruchtig feest met jazz en gezuip’. De kapitalistische kerstviering werd in verband gebracht met het verachte Jodendom…”. Christelijke kerstliederen worden herschreven. In het ‘Stille nacht’, houden geen engelen, maar Adolf Hitler de wacht. Joodse namen als Zion en Abraham worden uit het gezangenboek geschrapt en ‘on-Duitse’ kreten als ‘amen’ en ‘halleluja’ uitgewist. Maar de oude christelijke tradities laten zich niet zomaar verdringen. Om de overgrote meerderheid van de christelijke bevolking niet van zich te vervreemden drukken de nazi’s hun hervorming niet stringent door.

Run rabbit run
Ondertussen wordt het liedje ‘Run rabbit run’ van het duo Flanagan en Allen in Engeland een kersthit. Het zou slaan op de Duitse Luftwaffe die tijdens een aanval op vliegboten op Shetland enkel twee konijnen weet te raken. Een plaatselijke bewoner laat zich met een dood konijn op de foto zetten in een bomkrater. Het dier heeft geen schrammetje en komt in werkelijkheid dan ook van de slager. In Londen is in 1939 de kerstsfeer ver te zoeken vanwege de van hoger hand bevolen ‘black-out’, maar verder is er nog niet veel aan de hand. In 1940 zullen een miljoen Londenaren de decembermaand vanwege de ‘Blitz’, de onophoudelijke Duitse bommenregen, grotendeels ondergronds, in onder andere de metrostations doorbrengen, waar kerstfeestjes worden georganiseerd waarbij gedanst wordt op de perrons. In het door de atheïstische Sovjet-Unie bezette oostelijk deel van Polen vieren katholieke gevangenen op een andere manier ‘ondergronds’ kerst: “… Een priester sloop op kerstavond stiekem door het kamp en droeg in elke barak een mis op, terwijl iemand in de gaten hield of er geen bewakers in de buurt waren. ‘Zonder een bijbel of gedenkboek begon hij de woorden van de mis te zeggen,’ aldus Zarod, ‘het vertrouwde Latijn, uitgesproken op nauwelijks verstaanbare fluistertoon, en zo zacht beantwoord dat het wel een zucht leek (…). De woorden zweefden over ons heen, en de sfeer in de barak, die meestal zo hard en ruw was, veranderde welhaast onmerkbaar, de gezichten die naar de priester gewend waren, werden zachter en ontspanden zich terwijl de mannen moeite deden het nauwelijks verstaanbare te verstaan.’ Hun geloof hielp hen op dit speciale moment de ellende en het lijden in het kamp beter te doorstaan…”. In Auschwitz zet de SS ‘prachtig verlichte kerstbomen’ op. Bij wijze van grap ranselen ze onder een boom een paar gevangenen af. Een andere bron vermeldt dat er dode lichamen onder de kerstbomen werden gelegd: “… Oud-gevangene Karol Swietorzecki vertelde dat Lagerführer Karl Fritzsch de doden ‘een geschenk’ voor de levenden noemde en dat hij het verbood om Poolse kerstliederen te zingen…”. Er wordt een luguber ‘kerstdiner’ georganiseerd in een ondergronds mortuarium dat de kampbewakers mijden. De Joden in het getto van Warschau vieren Chanoeka als nooit tevoren: nu ze toch hutje-mutje zitten…

Black Christmas

Kerst 1941 komt de onverschrokken Winston Churchill met een zwaarbewapend slagschip aan in Amerika, om te gaan logeren bij de Roosevelts in het Witte huis. Dit keer wijkt Roosevelt van de traditie af om op kerstavond voor te lezen uit "A Christmas Carol" van Dickens, omdat de bespreking van de oorlogsstrategie op het programma staat. Na het eten wordt er nog wel gekeken naar een verfilming van Dickens "Oliver Twist". Churchill keert met nieuwe nylonkousen voor zijn vrouw huiswaarts. Eerste kerstdag geeft de Britse kolonie Hong Kong zich over aan de Japanners, die een bloedbad hebben aangericht in het als hospitaal ingerichte St. Stephen’s College: “… Personeel en patiënten werden hier met bajonetten aangevallen en gedood. Verpleegsters werden verkracht en verminkt…”. Een huiverende medische sergeant vertelt hoe hij onder een laken drie in stukjes gehakte vrouwenlichamen vond. De dag gaat de geschiedenis in als ‘Black Christmas’. Ondertussen vriezen de Duitse soldaten in Rusland zo ongeveer dood van de kou. Temperaturen van min dertig tot veertig zijn ze niet gewend. In Leningrad heerst zo’n hongersnood dat ‘blokadniki’ de behanglijm van de muren eten, huisdieren in kookpotten belanden, en sommigen zich schuldig maken aan kannibalisme of ‘lijkeneterij’. Ook Stalin tracht de christelijke kerst uit te bannen. De Ster van Bethlehem wordt vervangen door de vijfpuntige rode ster. In plaats van het kerstverhaal doet Grootvader Vorst, een figuur uit de Russische folklore zijn intrede, met twee communistische fantasiekarakters: Sneeuwmeisje en Nieuwjaarsjongen. Soms wint het goede het van het kwaad. Een Franse kunsthistorica vertelt hoe haar bewaker haar een paar detectiveverhalen geeft om de wereld om haar heen te kunnen vergeten. Kerst 1942 zitten de Duitse soldaten die nog niet zijn gecrepeerd op de boomloze Russische steppen of in het omsingelde Stalingrad, aan de radio gekluisterd, voor een speciale ‘live’ uitzending van de Grossdeutsche Rundfunk. Ze weten niet dat ze door propagandaminister Joseph Goebbels worden bedonderd bij het leven, die de hele uitzending in scène heeft gezet. Hitlers Duitsland zal niet meer herstellen van de nederlaag in Stalingrad. Het kost het Duizendjarige Rijk een half miljoen doden en krijgsgevangenen. Ondertussen hebben veel Britse kinderen de kerst van hun leven, die ze vieren met de vele gulle Canadezen en Amerikanen die zich voorbereiden op een invasie van Europa. Het is ook het jaar van Bing Crosby en zijn hit ‘White Christmas’. Volgens het Guinness Book of Records de bestverkochte single aller tijden met 50 miljoen verkochte exemplaren.

Stemmenorkest
‘Blooding December’ - Terwijl de straten van de Italiaanse stad Ortona tijdens Kerst 1943 veranderen in ‘killing zones’ passen de Canadezen de tactiek van ‘mouseholing’ toe, waarbij ze met explosieven gaten in de muren van woningen maken, zodat ze huis na huis kunnen veroveren zonder een doelwit voor sluipschutters en mitrailleurbeschietingen te worden. Ondanks de zware gevechten, waarbij ze voor een terreinwinst van 400 meter een week nodig hebben, krijgen de militairen ploeg na ploeg een kerstmaaltijd voorgeschoteld in de kerk. Inclusief orgel- en koormuziek. In Napels zijn de mensen zo arm en hongerig dat vrouwen zich prostitueren voor niet meer dan een blik cornedbeef. Veel soldaten lopen een soa op. De Amerikanen worden bedolven onder kerstpakketten van thuis. De meest rare kadootjes: ‘mooie pantoffels’ en ‘zwarte zijden sokken’. Bing Crosby komt met zijn tweede grote kerstnummer: ‘I’ll be home for Christmas’. In Duitsland worden hele steden door de RAF aan puin gebombardeerd. De spoorwegen hebben wel wat anders te doen dan kerstbomen vervoeren. De stemming is bedrukt. Veel Duitsers beginnen in de gaten te krijgen dat doorgaan met de oorlog zelfvernietiging betekent. In de Sovjet-Unie zijn de Duitse soldaten aan de terugtocht bezig en proberen enkel nog te overleven. In de telefooncentrale van het regeringscentrum van het Derde Rijk proberen drie verveelde militairen een beetje lol te trappen. Ze verbinden voor de grap de in een telefoonboek gevonden achternamen 'Heilig' en 'Abend' met elkaar waardoor een mevrouw en een meneer elkaar begroeten met het samengestelde woord ‘Heiligabend’. Terwijl ze ademloos toeluisteren, horen ze hoe uit het absurde gesprek nog een date volgt ook! Bij ‘ons’ zijn de deportaties van Joden begonnen: “… Van de circa 140.000 Joden in Nederland werden er 107.000 gedeporteerd, waarvan er slechts 5.200 levend terugkeerden…”. In een dorp in Italië preekt priester Borsotto, postuum benoemd tot Rechtvaardige onder de Naties door het Israëlische Holocaustinstituut Yad Vashem, over de Wijzen uit het Oosten, en draagt zijn kudde op net als hen de Joodse vluchtelingen in hun midden geschenken te brengen, waarmee ze in de kerstnacht worden overladen. In een Jappenkamp op Sumatra wordt bij gebrek aan instrumenten een stemmenorkest georganiseerd dat ‘wonderen’ doet: “… De vrouwen zeiden dat het hielp hun menswaardigheid te herwinnen en hun het gevoel gaf dat ze sterker waren dan de vijand. Die avond vergat iedereen de ratten en de viezigheid…”. In de jaren 80 doet een vrouwenkoor in Californië het kerstconcert op Sumatra over. Verschillende koren in de wereld hebben sindsdien het idee overgenomen.

Aan wiens kant staat U eigenlijk?
Kerst 1944: “… Judy Garlands melancholische kersthit ‘Have Yourself a Merry Christmas’ schalde uit de luidsprekers en bracht zelfs door de strijd geharde soldaten tot tranen. Misschien wel het meest populair was Glenn Millers ‘In the Mood’…”. Iconen als Marlene Dietrich, Bob Hope en Laurel en Hardy proberen de militairen moed in te pompen. De slag om de Ardennen, die bekend staat als ‘the Battle of the Bulge’, vangt aan, waarbij de Wehrmacht probeert een wig te drijven tussen de Amerikaanse troepen in het zuiden en Britse en Canadese troepen in het noorden. Hitlers ‘laatste gok’ noemt militair historicus Antony Beevor ‘de grootste en meest barbaarse veldslag van het volledige westfront’ : “… De Amerikanen betreurden in totaal 80.987 slachtoffers, waaronder 10.276 doden en 23.218 vermisten; de Britten 1.408, waaronder 200 doden; de Duitsers 98.024, waaronder 12.000 doden en meer dan 30.000 vermisten. Circa 3.000 burgers kwamen om…”. Over een gebed van de legendarische generaal Patton in een Rooms-Katholieke kerk in Luxemburg: “… Op zijn knieën voor het altaar en met boven zich een crusifix sprak hij God aan op het feit dat de afgelopen twee weken een ‘echte hel’ waren geweest voor zijn manschappen: ‘regen, sneeuw, meer regen, meer sneeuw’. ‘Aan wiens kant staat U eigenlijk?’ vroeg hij zich af. ‘Mijn leger is noch getraind, noch uitgerust voor winteroorlogvoering. En zoals U weet is dit weer beter geschikt voor Eskimo’s dan voor zuidelijke cavaleristen.’ Hij besloot zijn gebed met de mededeling dat hij niet vroeg ‘om een wonder’, het enige dat hij wilde was ‘vier dagen helder weer’…”. Dezelfde dag klaart het op…

Racisme
Het meest verbijsterende verhaal vind ik persoonlijk een fragment dat over het racisme gaat, waar de 1 miljoen Afro-Amerikanen in het Amerikaanse leger mee te maken hebben: “… Zowel door de legerleiding als door blanke soldaten werden ze gediscrimineerd. Zo verrichtte het merendeel van de donkere soldaten ondersteunende taken, bijvoorbeeld als chauffeur of kok, en verbleven ze in van blanke collega’s gescheiden legerkampen. Hun officieren waren meestal blank en vechten aan de zijde van blanke soldaten was uitgesloten. In de zuidelijke staten van de VS kon het gebeuren dat Duitse krijgsgevangenen beter behandeld werden dan hun zwarte bewakers. Maar ook in het noorden van de VS kregen ze te maken met racisme. In Detroit staakten in 1943 2.600 blanke arbeiders uit protest tegen de inzet van Afro-Amerikaanse werknemers in hun fabriek. ‘Ik zie liever dat Hitler en Hirohito de oorlog winnen dan dat ik naast een neger moet werken aan de assemblagelijn’, zo was te lezen op een protestbord…”. Er ontstaat een complete rassenrel in de stad Agana, waar blanke mariniers schieten op gekleurde collega’s. Ook op de nucleaire onderzoekslocatie Hanford Site in de staat Washington is discriminatie schering en inslag: “… Behalve dat ze verbleven in een gescheiden deel van het kamp werden ze ook tijdens de kerstperiode weg gehouden van de vieringen van blanke medewerkers. Terwijl voor blanken vanaf midden december tot de jaarwisseling onder meer variëteitenshows, sportwedstrijden, dansavonden en circusacts werden georganiseerd, waren er voor de donkere medewerkers slechts simpele activiteiten, zoals kaartspelletjes en bingo…”. Dankzij een merkwaardig onderbuikgevoel weten de Berlijners dat dit hun laatste Kerstmis is voor Duitslands doemsdag. Verbroedering tussen westerse krijgsgevangenen en hun Duitse bewakers is in deze kerstperiode geen zeldzaamheid. Met verhalen, liedjes, gedichten en tekeningen wordt een cultus van de dood gepromoot. Verering van dode soldaten krijgt een belangrijke rol in deze kersthorror. Een veel gepubliceerd gedicht is ‘Der Toten Soldaten Heimkehr’ van Thilo Scheller: “… ‘En als de kaarsjes van de boom van licht uitgebrand zijn’, luidde een gedichtregel, ‘plaatst de dode soldaat zijn met aarde bedekte hand zachtjes op elk van de hoofdjes van jonge kinderen. We zijn gestorven voor jullie, omdat we geloofden in Duitsland…”. Prenger vertelt uitgebreid over het beleg van Boedapest, waar vrij weinig over bekend is. Als de Hongaarse en Duitse soldaten zich overgeven aan het Rode Leger is de ellende voor de burgerbevolking nog lang niet voorbij, want dan gaan op hun beurt de plunderende, verkrachtende en moordende Sovjetsoldaten aan de gang. Prenger besteedt de nodige aandacht aan de Hongerwinter in Nederland, en vertelt onder andere over de kerstnachtmis in de mergelgroeve in de Sint-Pietersberg waar nu een Amerikaanse gedenkplaats is.

Vrede op aarde
Kerst 1945 wordt gevierd in vrijheid, maar ‘Ontbering dempt vreugde’ kopt een nieuwsbericht van Associated Press kernachtig. Prenger: “… Er heeft bloed gevloeid voor hoe wij tegenwoordig in het westen kerst vieren, zonder bemoeienis van de overheid, zonder tekorten en rantsoenering, zonder massale afwezigheid van naasten en zonder angst…”. Overal is het een grote puinhoop en aan alles is tekort. Prenger beschrijft hoe deze toestand over gaat in de Koude Oorlog – maar dat is weer een verhaal apart. Misschien is de mooiste kerstgeschiedenis wel een verslag waaraan president Ronald Reagan refereert op 5 mei 1985, vanwege zijn omstreden bezoek aan een Duitse oorlogsbegraafplaats, in het kader van veertig jaar vrede tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten. Omdat hun woonplaats Aken het doelwit is van geallieerde bombardementen zoeken een moeder en haar 12-jarige zoontje een veilig heenkomen in de jachthut van de vader van het gezin, midden in het bos. Aan het begin van de avond wordt er op de deur geklopt en staan er drie verdwaalde Amerikaanse soldaten op de stoep. Ze hebben al drie dagen in de kou rond gezworven. De moeder laat hen binnen en begint een haan voor ze te braden. Als er weer wordt geklopt, doet haar zoon open. Zijn haren rijzen ten berge, want nu staan er drie Duitse militairen voor de deur, die ook al de weg kwijt zijn. De vrouw laat ze binnen op voorwaarde dat ze hun wapens buiten achterlaten: ‘Het is kerstavond en er wordt niet geschoten’. De zes heren hebben een fantastische maaltijd en de wapenstilstand duurt tot de volgende ochtend. Eén Duitser is medicijnenstudent en verzorgt zelfs de wond van een Amerikaanse collega. Dan gaat ieder weer zijns weegs. Voordat ze vertrekken geeft de moeder ze hun wapens terug: ‘Wees voorzichtig jongens’, zegt ze. ‘Ik wil dat jullie op een dag weer naar jullie eigen huis kunnen terugkeren.’ De Duitsers en de Amerikanen schudden elkaar de hand en verdwijnen in tegengestelde richtingen. Zo zwart-wit is het allemaal niet: “… De Amerikaanse president verklaarde tijdens zijn speech dat van de ruim 2.000 gesneuvelde soldaten op de begraafplaats er slechts 48 gediend hadden in de SS. In collectieve schuld gaf hij aan niet te geloven. Veel slachtoffers waren volgens hem gewone, veelal jonge soldaten. ‘Hoeveel waren fanatieke volgelingen van een dictator en voerden gewillig zijn wrede bevelen uit?’ vroeg hij zijn publiek. ‘En hoeveel waren dienstplichtigen, gedwongen om in dienst te gaan gedurende de doodsstrijd van de nazi-oorlogsmachine?’ Hij vertelde dat één van de omgekomen soldaten op de begraafplaats een week voor zijn 16e verjaardag stierf. Op de begraafplaats had hij de Duitse oorlogsslachtoffers geëerd ‘als mensen die verpletterd werden door een kwaadaardige ideologie’, zei hij…”.

Uitgave: Brave New Books – 2019, 350 blz., ISBN 978 940 217 434 2, € 26,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier