Menu

zaterdag 13 juli 2019

De Golem – Elie Wiesel


Zowel in het christen- als Jodendom is er altijd magie en mystiek geweest, stelt Willem Ouweneel in “Een dubbelsnoer van licht”, zie mijn vorige blog. Van de week ben ik naar een fascinerende tentoonstelling in het Joods Historisch Museum geweest, die over allerlei aspecten van de Joodse kabbala gaat. Eén daarvan is de legende van de Golem, waar de Joodse schrijver Elie Wiesel een sprookjesachtig verhaal over schreef en de Joodse kunstenaar Mark Podwal schitterende illustraties bij maakte.




Het bloedsprookje

Via bedelaars en grootvaders en rebbes is het verhaal Elie Wiesel ter ore gekomen, vertelt hij. Over de befaamde wonder-rabbi Jehuda Löw uit Praag, bekend als de Maharal, die in het jaar 1580 de ‘lemen Golem’ oftewel ‘Jossel de stomme’ in leven roept. Een week voor Pesach verbergen antisemieten het lijkje van een christenkind in de kelder van koopman Sjmuel. Het praatje gaat rond dat de Joden christenbloed nodig hebben voor het bereiden van hun matzes: “… Twintig jaar eerder waren in Praag alle Hebreeuwse boeken in beslag genomen en naar Wenen gebracht, om ze zorgvuldig op een dergelijk ritueel te onderzoeken. Men had zelfs niet één gebedenboek achtergelaten, zodat de voorzanger de gebeden uit zijn hoofd moest zingen. Twee jaren later bracht men de boeken tenslotte weer terug…”. De koopman wordt met zijn hele gezin opgepakt en, begeleid door een tierende menigte, naar de gevangenis gebracht. De Maharal roept het geschokte getto op naar de Alt-Neue Sjoel - die al zoveel rampen heeft overleefd - te komen, om voor de slachtoffers te bidden. Ooit verwoestte een uitslaande brand de joodse wijk. Alleen de synagoge bleef ongedeerd, waar twee geheimzinnige witte duiven net zolang op de trapgevel bleven zitten tot het gevaar was geweken. ’s Nachts waagt zich niemand in de buurt van het godshuis. Het gerucht gaat dat de doden er samenkomen om op hun eigen manier te bidden, te studeren en te gedenken. Behalve de Maharal. Die is nooit ergens bang voor. De Maharal stuurt de Golem - die altijd op zijn vaste plaatsje in het Gerechtsgebouw zit te slapen - naar de begraafplaats, om naar het lege grafje van het christenkind te zoeken. Op die manier worden de grafschenners ontmaskerd en kan hij de Joden vrij pleiten. Dat jaar vieren de Joden van Praag met meer vreugde Pesach dan ooit tevoren.


Een slapend of wandelend standbeeld
Hoe de Golem er uit ziet? “… In jouw verbeelding lijkt hij op een monster. Je stelt hem voor als enorm groot, sterk en log, met moeite zijn loodzware lichaam voortslepend – een soort menselijk beest, dat de natuur heeft voortgebracht als een karikatuur of om ons schrik aan te jagen…”. Nou, dan vergis je je. De beschermer van de gemeenschap is heel lang, lomp, dat wel, maar tegelijkertijd verbazend lenig. Hij staat met beide benen stevig op de grond, maar lijkt ook te zweven: “… Zeker van zichzelf, ging hij onverbiddelijk zijn weg. Niets kon hem tegenhouden. Hij was meedogenloos tegenover slechte mensen en wreed ten opzichte van onze vijanden, maar tegelijkertijd was hij vriendelijk en mild tegenover ons. Daarbij was hij gezegend met zowel intuïtie als schranderheid. Op straat zou je je hebben omgedraaid om naar hem te kijken, niet vanwege zijn uiterlijke verschijning, maar om iets anders, ik weet niet wat; hij straalde een kracht uit, die je overweldigde, ontroerde en met emoties overstelpte…”. Hij kan dwars door je heen kijken. Hij kan zichzelf onzichtbaar maken. Als hij je wil overtuigen of geruststellen vlammen zijn ogen. Soms kijkt hij dof en berustend, is ongenaakbaar – ook als hij wordt gepest. Onverschillig. Als een slapend of wandelend standbeeld. Alleen goddeloze mensen brengen hem tot razernij. Door zijn broeders laat hij zich alles welgevallen. “… Omdat hij nooit sprak en omdat het altijd was alsof hij je overviel, je liet schrikken, je uit je gewone doen bracht en de normale gang van zaken verstoorde, hadden sommige mensen een hekel aan hem…”. De Maharal en de Golem volgen in elkaars schaduw: “… je kon voelen hoe zij een eigen leven leidden, dat je met huiver vervulde…”.


Alles ligt opgesloten in het woord
Prachtig vertelt Elie Wiesel over de Maharal, die het voor zijn volk opneemt tegen koning Rudolph en de christelijke prelaten. Hoe zijn geboorte een nieuwe pogrom voorkomt. Hoe hij woedend wordt op de engel des doods. Hoe hij vierhonderd leerlingen in zijn kleine huisje met twee kamers weet te proppen. Zijn macht en zelfopoffering zijn ongekend. De Maharal, die intens meeleeft met het lijden van zijn gemeente, weigert te zwichten voor wreedheid. In zijn machteloosheid tegenover het kwaad, bestormt hij met zijn gebeden de Allerhoogste. In een droom wordt hem uitgelegd hoe hij met de eerste tien letters van het heilige alfabet de lemen Golem moet scheppen: “… Alles immers ligt opgesloten in het woord; men hoeft maar bepaalde lettergrepen te rangschikken, bepaalde zinnen te vormen, bepaalde woorden volgens een bepaald ritme uit te spreken, om hemelse krachten te veroveren en te bemachtigen…”. En even verder: “… Ja, de Maharal in zijn wijsheid had het begrepen: de samenleving waarin de joden moesten leven met angst voor de toekomst, was zo diep gevallen, dat alleen een Golem – een kunstmatig wezen zonder ziel, een schepping van klei, in dienst van aardse zaken en van goddelijke inspiratie verstoken – haar van de ondergang kon redden…”. Waarom heeft de Maharal zijn ‘stomme Jossel’ niet onsterfelijk gemaakt? Een kwestie van te veel medelijden? Wil hij hem niet verdoemen tot eeuwig overleven? De Maharal houdt met heel zijn hart van zijn creatie.


De nieuwe koster
Alleen de meest geliefde leerlingen van de Maharal, zijn schoonzoon rabbi Jitzak Hacohen en rabbi Sasson, zijn getuige van de schepping van de Golem. Op een doodstille nacht neemt de Maharal hen mee naar de bossen aan de oever van de Moldau, waar onuitsprekelijke dingen gebeuren. Uit het leem staat een man op die kan ademen, maar niet kan spreken: “… Uit het pak dat de Maharal met zich mee had gebracht haalde hij kleren te voorschijn en hij hielp de Golem met aankleden. ‘We zullen zeggen dat Jossel mijn nieuwe koster is’, legde hij intussen uit. ‘Als stomgeborene is hij zomaar, als het ware nergens vandaan, bij ons komen aanlopen. Nieuwsgierige mensen zullen dan niet zoveel vragen stellen. Wat heeft het voor zin vragen te stellen aan iemand die geen antwoord geven kan? Kom, m’n beste Jossel, laten we naar huis gaan’…”. Alleen de Maharal heeft het recht de Golem opdrachten te geven of van zijn diensten gebruik te maken. Dat ondervindt zelfs zijn vrouw. Als ze de Golem vraagt water voor haar te putten veroorzaakt hij een overstroming. Als ze vraagt een paar vissen te vangen voor de sabbat brengt hij er honderden mee. Alle verhalen over de Golem eindigen gelukkig: “… Het begint vaak hetzelfde: een jood die ten onrechte van een verzonnen misdrijf beschuldigd wordt. En ook het einde is hetzelfde: de Golem die tussenbeide komt om de dingen recht te zetten. De Golem: dienaar en bondgenoot van de Maharal. De Maharal denkt en de Golem handelt. De intelligentie van de eerste in combinatie met de geheime krachten van de laatste falen nooit als het erom gaat de waarheid te ontdekken en zo de gerechtigheid te laten triomferen…”. De meeste verhalen gaan over de grootste vijand van de gemeenschap: bisschop Thaddeüs van de Groene Kerk. Notabene een Joodse bekeerling. Alles stelt hij in het werk om de Joden te benadelen. Hij hersenspoelt Joodse meisjes, bedenkt fanatieke intriges, vergiftigt matzes. Maar steeds zijn de Maharal met zijn Golem hem te slim af.


Ik zou zo graag weten of dat waar is
De Maharal is zo bescheiden dat hij geen titels op zijn grafsteen wil: “… Wij echter geloofden vast in zijn miraculeuze krachten. Van de eenvoudigsten tot de geleerdsten van ons volk waren wij allen ervan overtuigd dat de Sjechina in onze Meester aanwezig was. Hij kon verder kijken dan wie ook en zag misschien ook meer dan wie ook: hij wist een hoger niveau te bereiken en zijn ziel bewoog zich in de hemelse sfeer die voor gewone stervelingen niet toegankelijk is. Hij was zo zuiver van hart dat de zonde hem uit de weg ging, zoals hij de zonde…”. Naarmate de Golem minder te doen heeft wordt hij steeds depressiever. Uiteindelijk neemt de Maharal hem mee naar de zolder van de synagoge en laat hem inslapen. Om het geheim te bewaren verbiedt de Maharal iedereen de toegang tot de zolder, op straffe van excommunicatie. Al gauw is iedereen hem vergeten: “… Het verhaal gaat, dat iemand later eens de zolderdeur van de synagoge geopend heeft om naar binnen te kijken: hij verloor zijn verstand. Weer een ander kostte het zijn leven, een derde zijn ziel. En het enige commentaar van mijn vader daarop was: het is gevaarlijk om te kijken naar iets wat je niet mag zien. Maar een rondtrekkende bedelaar die ik onlangs ontmoette, gaf mij onder strikte geheimhouding zijn eigen verklaring hiervan: de Maharal had de toegang tot de zolder verboden omdat de Golem in werkelijkheid nog leefde. Hij wacht tot hij geroepen wordt. En ik, ik zou zo graag weten of dat waar is…”.


Uitgave: Gooi & Sticht – 1987, vertaling M. Middelhof-van de Sande, 105 blz., ISBN 90 304 0389 9
Niet meer verkrijgbaar

maandag 8 juli 2019

De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje – Nescio


De literatuur is een leverancier van godsbeelden. Pater Tycho in “De sjamaan en ik” – zie mijn vorige blog: “… Als mensen vragen ‘Geloof jij in God?’, antwoord ik: ‘Dat zou ik bij God niet weten’. Het hangt namelijk helemaal af van het godsbeeld van de vragensteller. En het kan heel goed zijn dat ik minder gemeen heb met het godsbeeld van de vragensteller dan met de notie van liefde of dankbaarheid van een atheïst…”. In “Dichtertje” wordt God vergeleken met een ‘gewichtig heerschap’. Daar heb ik niets mee. Al is het alleen al omdat God van een totaal andere orde is dan wij, nietige mensen. In het eerste en tweede verhaal voert Nescio (1882-1961) een kunstschilder op die geobsedeerd wordt door de zon, wat hij helemaal niet met God linkt, maar ík wel. In "De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst" verbindt Joost Zwagerman het schilderij “Light and Colour”(1843) van Turner met de verhalen van Nescio. Nescio’s kunstschilder Bavink wil evenals Turner de zon schilderen: “… Niet de zon als anekdotische bol in een sfeerschets, maar de zon zelf. Kern en wezen van de licht- en warmtebron. De ziel van de zon…”. Zwagerman noemt “Light en Coleur” een ‘uitzinnig schilderij’: “… Een woestenij van zonlicht spettert tot in de uithoeken van het canvas. Turner probeerde tot aan de binnenkant van het licht te geraken. Hij vocht zich het zonlicht in, als in het oog van een orkaan. Niet zo vreemd dat Turner in de laatste fase van zijn leven danig in de war raakte. Niemand kijkt ongestraft lang in de zon – ook Turner niet; en Bavink evenmin…”. Willem Ouweneel waarschuwt in “Een dubbelsnoer van licht”: “… Licht kan een zegen, maar ook een gevaar zijn. Mensen die zich willen laten leiden door het licht, moeten voor twee dingen oppassen; zij moeten zeker weten dat het licht uit de goede bron komt, dus geen ‘dwaallicht’ is, en zij moeten uitkijken dat zij niet te dicht bij het licht komen, want het kan een mens verteren, zoals een mug die tegen een gloeilamp vliegt. Het eerste is het gevaar van de ‘magie’, het tweede van de ‘mystiek’. Er is zowel in het jodendom als in het christendom altijd magie en mystiek geweest…”. Zwagerman vertelt over de eindscène van de speelfilm “Mr. Turner” van Mike Leigh, waarin de stervende zich nog één keer van zijn bed opricht en uitroept: ‘The sun is God!’. God woont in een ontoegankelijk licht – 1 Timotheus 6:16. En niemand kan God zien en leven – Exodus 33:20.

Zo eentje dus

“De uitvreter” begint aldus: “… Behalve de man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter…”. Met ‘die man’ bedoelde Nescio (Latijn voor: ik weet het niet), alias J.H.F. Grönloh (hij dacht dat hij niet meer serieus zou worden genomen in het zakenleven als ze er achter kwamen dat hij schreef), zijn inspirator Frederik van Eeden. Evenals Van Eeden, heeft Nescio een blauwe maandag geprobeerd met een paar socialistische en anarchistische vrienden een landbouwkolonie op poten te zetten. Nabij Huizen, “Tames”. Het experiment mislukte jammerlijk vanwege gebrek aan geld, kennis en mankracht. Nescio geeft een schitterend portret weg van een ‘uitvreter’: “… dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je ’s avonds thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en je jas aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een vorst jenever zat te drinken op ’t terras van ‘Hollandais’ voor centen van de lui; die parapluis leende en nooit terugbracht; die een barst stookte in de tweedehandsch kachel van Bavink; die dubbele boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en buitenlandsche reizen maakte als-i z’n ouwe heer weer had afgezet, en pakken droeg, die hij nooit betaalde…”. Zo eentje dus. Japi.

Ik geloof dat mijn ziel te groot is
Bavink liep hem tegen het lijf, aldus Koekebakker (alleen de naam al), de verteller. Een vent die niets anders doet dan de hele dag onbeweeglijk aan de waterkant zitten. Volgens eigen zeggen bezig ‘te versterven’. Onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Bavink vindt dat wel wat. Maar al gauw blijkt dat hij Japi niet al te letterlijk moet nemen. Japi praat voor drie en eet voor zes – op zíjn kosten. Als mensen hem aangapen wordt hij des duivels: “… Dat kon Japi goed: met ’t welwillend beschaafde Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je praat alsof niet zelfs op ’t kleinste dorp sedert eeuwen dominees en pastoors bezig zijn ’t volk op te voeden…”. Oftewel, hou maar op met al dat gepreek, want dat heeft nog nooit wat uitgehaald. Al gauw treedt Japi op als een soort primitieve manager voor de manisch-depressieve Bavink. Zit er omgekeerd op een stoel bij als hij schildert. Met een borreltje binnen handbereik. Gratis commentaar leverend. Japi houdt Bavink aan de gang, weet zijn schilderijen te verkopen, beheert zijn geld: “… niemand anders verstond de kunst Bavink in ’t leven te houden, zoals Bavink zei…”. Het wordt allemaal enorm hilarisch verteld. Koekebakker: “… Van Hoyer had ik al gehoord dat ze bij dag en nacht samen rondscharrelden, dat ze in één bed sliepen, Japi onder ’t laken en Bavink er boven, dat ze om beurten jenever hadden gedronken uit ’t ééne bierglas dat Bavink nog had…”. En toch voel je dat het niet goed gaat met Japi. Hij zit nét iets teveel in het water te staren. Zevert nét wat teveel over dat het tot in al der eeuwigheid naar het Westen blijft stromen. De zon tegemoet. Onverschillig voor al het getob van de mensen. Ook als hij zelf allang dood is. Hij ‘voelt zich zo raar van binnen’: “… Ik geloof dat mijn ziel te groot is…”. Hij begint minder te roken. Gooit zelfs een stuk van zijn sigaar weg. Dat zou hij vroeger nooit doen: “… Toen rookte i tot ’t endje te klein werd om vast te houden, dan stak hij er een speld in en rookte ’t zoo op…”. Soms verdwijnt hij zomaar voor een tijdje; niemand weet waarheen. Zijn vader dwingt hem in een baan. Hij laat over zich lopen door een Parisienne waar hij verliefd op is. Hij schopt het een heel eind in de wereld. Maar het gevoel van zinloosheid blijft. Japi doet denken aan een twintigste-eeuwse Prediker: lucht en leegte, alles is leegte. Uiteindelijk zal de aantrekkingskracht van het water hem te sterk worden.

Jongens waren we – maar aardige jongens
Het tweede verhaal, “Titaantjes”, start met het overbekende: “… Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf…”. Dat is gelijk ook de leukste zin. De humor is over. Het gaat over de luchtkastelen die Koekebakker en zijn vrienden bouwen als ze jong zijn, en waar niets van overblijft als ze ouder worden. Al blijft de beschrijving van de werkelijkheid schitterend: “… Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar de Ringdijk. Dan zaten we in ’t gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote ogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig…”. Alsof je er zelf bij zit. Alles is doordrenkt van weemoedig verlangen: “… We wachtten maar. Waarop? Dat hadden we nooit geweten. Bekker zei: ‘Op ’t koninkrijk Gods…”.

Bavink en de zon

De jongens verachten hun bazen, de ‘hoge heeren’ in het algemeen, de meisjes die hen niet willen omdat ze armoedzaaiers zijn, en vooral de eentonige tredmolen van het leven waarin ze zijn beland. Als het verhaal vordert: “… Ik kom zo gaandeweg tot ’t einde. Goddank zal hier of daar iemand zeggen…”. Inderdaad, ik wel in ieder geval. Alleen Bavink blijft groots in zijn gekte. Het liefst wil hij naar de opkomende zon lopen over ‘de lange, lange schitterende streep’ over de Zuiderzee. Hij ‘ontving de zon in zijn hart’. Terwijl de ondergaande zon bijna de spoorrails op het Centraal Station raakt een weliswaar dronken Bavink tegen Koekebakker: “… Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier-en-dertig ondergaande zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch staat-i daar weer iederen avond…”. En dan smekend: “… Doe ‘m in een hoededoos, Koekebakker. In een hoededoos. Ik wil met vrede gelaten worden. Doe ‘m in een hoededoos, in een ordinaire hoededoos. Hij verdient niet beter…”. Bavink eindigt in een ‘gesticht voor zenuwpatiënten’ waar hij zwijgend naar de zon ligt te staren: “… Dat mag-i niet, maar ze kunnen niets met ‘m beginnen…”. ‘Koekebakkertje’ zelf is inmiddels een ‘wijs en bedaard man’ geworden, vindt hij zelf, die stukjes schrijft waarvoor hij een schamel loon ontvangt, zonder ergernis te geven. “… Gods troon is ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om ‘m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: ‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ’t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.’ En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?...”.

De beest uithangen
Olivia Laing heeft het in “De eenzame stad” over onze extreme behoefte om te zien en gezien te worden. Een item dat denk ik van alle tijden is, want het derde verhaal van Nescio, “Dichtertje”, gaat daar ook over. De enige keer “… dat ’t dichtertje zijn leven voelde leven in ’t hoofd van een ander mensch…” is als (in een tram) een verloofde voor zijn neus zijn meisje op haar mond zoent die blozend opmerkt: “… Die meneer keek net…”. Waarop het dichtertje een nog rooiere kop krijgt als zij. Het dichtertje voelt zich gevangen in het dwangbuis van de sociale conventie. Hij ziet er uit als een ‘keurig heertje’, maar in zijn gemoed roert zich een voyeuristisch ‘beest’. Je zou kunnen zeggen dat hij in een bijna schizofrene toestand verkeert, want hij slaagt er niet in zijn buitenkant met zijn binnenkant te verzoenen. Als dat te lang duurt word je vanzelf wel een keertje gek. Dat gebeurt dan ook. In zijn hoofd speelt zich een gevecht af tussen God en de duivel, die hij projecteert op de mensen om hem heen. God (een gewichtig heerschap voor wie hij minder dan niks betekent) wandelt op het Damrak en keert hem zijn rug toe. In een hoek van een terras zit ‘een duivel aan zijn snor te draaien’ terwijl hij naar een vrouw lonkt. “… De duivel had hem leelijk te pakken. Hij was een zwak dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk uit zwakte…”. Hij weet niet op wie hij verliefd moet worden: “… God begreep niets van ‘m en Potgieter ook niet…”. Potgieter was destijds een gevreesde criticus die de ‘Jan Saliegeest’ van de romantici hekelde. Uiteindelijk ziet het dichtertje maar één manier om de beest uit te hangen: door een ‘grimmig’ boek te schrijven waar hij waarachtig nog beroemd mee wordt ook. Over Djengis Khan. Jawel. De titaantjes zijn in dit verhaal trouwens volledig buiten beeld.

Mijn heilig lief

Met een bijna sardonisch gevoel voor humor vertelt Nescio hoe dichtertje achter een ‘lief, jong, levendig, natuurlijk vrouwtje’ aan zit, van dertien in een dozijn. Terwijl hij smachtend de uren aftelt tot hij zijn uitverkorene weer ziet maakt hij in zijn hoofd gedichten naar Heine, Hélène Swarth, Kloos en Van Eeden: “… ‘De Uren’: ‘Hoe gaan de uren zwaar met loggen tred.’ / ‘Die Kreuzfahrer’: ‘Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie’. Dat was zíj. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom hij verder leefde…”. En even verder: “… ‘Mijn heilig lief’. Nu is de wereld een groot zomerland.’…”. Toe maar. Na elf maanden schrijft hij haar eindelijk een briefje dat hij haar wil spreken. “… Haar moe vond ’t goed, ‘als ’t een nette burgerjongen was en ze hield van ‘m…, maar geen scharrelpartij.’…”. Eindelijk maken ze hun eerste afspraak. Ze weten geen van beiden wat ze tegen elkaar moeten zeggen. Dichten kan hij al helemaal niet meer. De tweede avond mag hij bij haar thuis komen: “… Z’n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti boven komen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar bed gestuurd…”. Jaja, dat waren nog eens tijden! Afijn, hij wordt goedgekeurd, en de zondag daarop komt zij natuurlijk op visite bij hém thuis om kennis te maken met haar aanstaande schoonmoeder. Hij zit er als een slome zoutzak bij en luistert naar het geklets van de vrouwen dat al gauw over een ‘snoezig taschje’ gaat: “… Had híj ’s nachts op straat gelopen en gezegd, dat God de poorten des hemels open gooide? Wat raar…”. Voor hij het weet is hij zes jaar getrouwd en heeft hij een dochtertje van vijf. Zijn vrouw heeft inmiddels “… tweeduizend nachten naast ‘m geslapen en weet datti niet tegen kou kan en ’s morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan blijven…”. Om je haren van uit je kop te trekken, toch?

Kakmadam

Tot overmaat van ramp wordt het dichtertje à la des “Leiden des jungen Werthers” (Nescio noemt de titel ook ergens in het verhaal) verliefd op het steeds mooier wordende zusje van zijn vrouw, en zij op hem, maar er gebeurt niets. Terwijl zij na een avond puberaal zwijmelen aan de waterkant langzaam naar huis fietst en zich afvraagt of ze sterven of leven wil, wordt ze opgewacht door haar moeder die “… zat te gapen met ’t Nieuws van den Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus…”. Weer die bijtende tegenstelling tussen droom en daad. Zie bijvoorbeeld ook over Amsterdam in het vroege voorjaar: “… Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zo hoog zijn, en ze wekken ’t verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt naar gemarineerde haring en opeens gaat een slag van je oogen naar je hart, je ziet ’t goud neerstorten als een zee en je staat en een klein jongetje veegt z’n neus af met de rug van z’n hand en roept: ‘Kakmadam.’…”. Ondertussen maakt het dichtertje promotie: “… Zelfs zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen hem op te zien…”. Komt vooruit. Zijn schoonzus wordt een bijdehante werkende single. Ze zijn nog steeds verliefd. En toch: “… Waarom had ze niet z’n hand gepakt en gezegd: ‘Ik houd van jou.’ Waarom wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze ongezoend dood gaan?...”. Uiteindelijk kan ze hem niet weerstaan en laat dichtertje het beest in zich los, waarna het dichtertje opgaat in waanzin, en al snel de dood vindt in een inrichting, terwijl zijn minnares haar weg vervolgt als trotse ‘ongehuwde moeder’: “… Zij is op kantoor in Rotterdam, haar baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat iets heel bizonders is voor een Rotterdammer…”.

Een gewoon mens

Op unieke wijze excuseert Nescio zichzelf tussendoor uitvoerig voor zijn sensuele geschrijf: “… Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door mijn vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt…”. Ze vindt de vrouwen in zijn verhaal niet zo erg, maar de mannen wel: “… Gek in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zóó erg. ‘k Denk dat ’t komt doordat ík dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, tóch ga ik door…”. Wilde hij alle eventuele kritiek voor zijn? Die kwam er toch wel. Niemand had eerder zo vrij over God en ontrouw geschreven als hij. In ‘een woord na’: “… Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik nog mededeelen, dat Dichtertje’s Dora ontstaan is uit de idealisatie van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een oud man voelde. Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar antwoord was: ‘Ik heb toch nooit diabolo gespeeld.’ Ze zei dit niet uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen…”. Ach toch. Menno ter Braak schreef in een zeer lovende recensie dat Nescio’s boek gunstig afstak tegen de mooi-schrijverij van de Tachtigers. En Gerard Reve zei dat, nadat er tientallen jaren tonnen hoogdravende onzin over de Nederlandse lezer waren uitgestort, Nescio eindelijk schreef als ‘een gewoon mens’. Terwijl Harry Mulisch in “De duivelskunstenaar” een beetje schampert: Duitsland heeft Faust, Frankrijk heeft Candide, en wij hebben Nescio…

Uitgave: Nijgh & van Ditmar – 2018, 168 blz., ISBN 978 903 880 510 8, € 20,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 3 juli 2019

De sjamaan en ik – Willemijn Dicke


Als er iemand erg in zijn hoofd zat - zie mijn vorige blog - was dat universitair hoofddocent Willemijn Dicke (1970) wel. In “De sjamaan en ik” beschrijft ze op een nuchtere, eerlijke en vaak hilarische manier de reis naar haar hart. Op haar spirituele zoektocht ontmoet ze een hele rits goeroes en belandt ze op de gekste plaatsen: ‘Dicke in de zweef’…

Uit de kast

Het boek begint met een herinnering aan de toespraak die Dicke houdt op de begrafenis van haar vader, die ze beëindigt met een nummer van Leonard Cohen: ‘You Want It Darker’. Het lied is gebaseerd op het Hebreeuwse woord ‘Hineni’ dat ‘I am ready Lord’ of ‘Hier ben ik’ betekent. Later die dag, op de begrafenisreceptie, proost haar lievelingsneef, die nooit heeft geweten dat ze in God gelooft, haar luidkeels toe: “… Op Willemijn, die uit de kast is!...”. Hoe heeft het zover kunnen komen? Ooit was Willemijn Dicke wat ze een ‘militant atheïste’ noemt. Godsdienst was iets voor achterlijke religekkies, niet voor hoogopgeleide promovendi. Ze had connecties met Herman Philipse, de activistische hoogleraar die ook Franca Treur in verband met atheïsme aanvoert in “Hoor nu mijn stem” (jaja, Nederland is een klein landje): “… Mijn man, onze kinderen en ik leven in een volledig onttoverde wereld, zoals socioloog Max Weber dat noemde…”. Het atheïsme was niet zomaar een gegeven dat bij haar leven hoorde, maar een praktiserend en fundamentalistisch, nou ja, ‘geloof’ (ik zou niet weten hoe je het anders moet omschrijven). Hoe dat zo gekomen is, is haar zelf eigenlijk ook een raadsel. De kerk speelde in haar ouderlijk huis amper een rol. Dus van frustratie, zoals bij Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, was geen sprake. Alleen met Pasen nam haar protestantse vader zijn gezin mee naar een dienst. Haar jong gestorven, uitbundige moeder was kinderlijk katholiek. Dicke ging naar een christelijke basisschool waar ze christelijke psalmen leerde, maar dat vond ze alleen maar prachtig. Ergens in de hogere klassen van het middelbare onderwijs besloot ze simpel dat geloof iets was voor domme mensen, en daarmee basta. Toen ze eenmaal in Nijmegen studeerde begon ze een regelrechte afkeer voor ‘christenhonden’ te voelen. Ze werd verschillende keren kampioen schermen. Ze kon goed leren, maakte carrière aan de universiteit (stond een rang onder het hoogleraarschap), trouwde een zorgzame man, kreeg twee gezonde kinderen, had interessante vrienden, een bijzonder huis, mooie spullen en ging meerdere malen per jaar op vakantie. Ze had maar één probleem: ze vond er allemaal niks aan. Het summum van dat treurige leven: op haar achtendertigste publiceerde ze haar debuutroman en had een wekelijkse column in het AD, “De Buurtkroeg”. Daarvoor stroopte ze iedere zaterdagavond de Rotterdamse bars af om volkomen teut naar huis te fietsen, waar haar man op de kinderen paste. En ook zondagsmorgens; vanwege de kater (wat een goedzak –dacht ik). In ieder hoofdstuk beschrijft Dicke een spirituele episode waarin ze meegeeft hoeveel ze er voor heeft betaald – want één ding is overal hetzelfde: coaches kosten héúl veul geld. In ieder geval is het hardcore atheïsme redelijk goedkoop (als je het ook nog uitspreidt over zo’n dertig jaar): “… aanschaf van ongeveer dertig pockets van atheïstische schrijvers à 15 euro…”.

Moederschap
Ik ben gierend van het lachen van de bank gerold toen Dicke ging vertellen over het moederschap. Ik dacht dat het bij mij thuis erg was, maar dit slaat alles: “… Ik weet niet meer wie meer ruziemaakt: de kinderen onderling of mijn man en ik. Over hoe we die kinderruzies het beste kunnen beteugelen. De dag begint met cornflakes tegen de muur, plukken haar die worden uitgerukt, spuugklodders in het gezicht. Tussen de middag zijn het lievelingstekeningen die moedwillig worden verscheurd. Legobouwwerken, met moeite in elkaar gezet en op de pronktafel uitgestald, worden van het balkon geflikkerd. Tijdens een uitstapje naar de speeltuin worden handenvol zand in elkaars ogen gewreven. Nadat ik ze een moment, een miniem kort ogenblik, alleen thuis heb gelaten, zie ik als ik terugkom een gezichtje geplet tegen het raam, tevergeefs roepend om mama, om mij, twee handjes van broer om de keel. Het kost me moeite om de vingertjes los te peuteren en het duurt enige tijd voor dochter hoestend, hijgend, weer op adem is. Autoritjes eindigen steevast met mij op de achterbank, omdat er anders bloed vloeit. In het zwembad ben ik maar net op tijd als de een de ander kopje-onder duwt en in het hevige gespartel geen teken ziet om los te laten. Soms ben ik te laat en kan ik alleen maar janken om een ingetrapte deur, een van de muur gerukte badkraan of een stoel die door de manshoge ruit in de hal is gesmeten. ‘Ik haat haar!’ ‘Ik vermoord haar!’ De aanpak van mijn man en die van mij verschillen diametraal en we zijn beiden even onsuccesvol…”. Het gaat van kwaad tot erger. Als ze haar kinderen niet van of naar school moest brengen zou ze de hele dag in bed liggen. Niets doet er meer toe: “… Ik kan me over niets meer opwinden, ik word door niets meer geraakt…”. Riekje Boswijk - zie mijn vorige blog – zou waarschijnlijk zeggen dat de middelpuntzoekende kracht flink zijn kop op steekt. Dicke loert alleen nog op mogelijkheden om uit te gaan, maar “… Wat voor sneu leven leid ik dat ik de momenten met MDMA, of sloten alcohol, of het liefst in combinatie, tot de lekkerste van mijn leven reken?...”.

De hele wereld aan elkaar breien

Tot Dicke “De grootinquisiteur van Sevilla”, het beroemde relaas uit “De gebroeders Karamazov” van Dostojevski leest, waarin de grootinquisiteur uitlegt dat de katholieke kerk alleen maar zo groot is geworden omdat de mensen daar hun vrijheid in kunnen leveren. In ruil daarvoor wordt hun gezegd hoe ze moeten leven. Lekker makkelijk. Dan hoef je zelf niet na te denken. Opeens beseft Dicke dat ze niet eens de bescherming van een kerk terug heeft gekregen voor het inleveren van haar vrijheid. Ze heeft uit eigen beweging gekozen voor een rotleven met diploma’s, een hypotheek, nette buren en af en toe een uitspatting in een kroeg. Ze kan niemand de schuld geven. “… Heel even overweeg ik therapie, maar dat idee verwerp ik snel. De weiden van mijn jeugd en potentiële trauma’s zijn allang afgegraasd. In medicijnen geloof ik niet. Mijn gapend gat aan existentieel ongeluk is niet met een grammetje Prozac te dichten. Waarmee dan wel?...”. Ze stuit op zen-meditatie: “… Zen staat ver af van zweverige spiritualiteit – ik kan het woord niet eens uit mijn mond krijgen. Spiritualiteit associeer ik met middelbare vrouwen met hennahaar die sieraden dragen waarin grote stenen zijn verwerkt. Die vrouwen geloven in het lot, willen praten met bomen en breien de hele wereld aan elkaar, zonder behoefte aan een logisch en verklarend onderliggend systeem…”. Nee, dán zen: “… Zen staat voor discipline, voor afstand en onthechting…”. Ze raakt weg van zenmeester Ton Latouwers: “… Hij haalt teksten aan van Dostojevski, gedichten van Rilke om een centraal punt uit het zenboeddhisme te illustreren. Kijk. Die insteek snap ik…”. Ze leest álles van hem: “… Ik bestel zijn debuut, zijn proefschrift, zijn laatste boek dat hij aanraadt in een interview, en het boek dat hij noemt in zijn boek…”. Ze gaat zelfs op retraite in een klooster die door hem wordt geleid. Ze schrikt zich een hoedje als ze geacht wordt voor een Boeddhabeeld te buigen: “… Buigen voor beelden, dat doen we toch sinds het gouden kalf niet meer?...”. Terwijl ze er van overtuigd is dat zen niets met religie heeft te maken blijkt Ton Lathouwers te pas en te onpas God erbij te halen. Hij vertelt een indrukwekkend verhaal over hoe God gestalte kreeg in het vernietigingskamp Auschwitz: “… Op een dag werd een barak verplaatst. Alle vrouwen moesten een eind lopen naar een volgende plek. Wie achterbleef zou zeker gedood worden. Eén vrouw was zo ziek dat ze niet meer kon lopen. Een medegevangene, zelf ernstig verzwakt en met twee kinderen op de arm, gebood de zieke vrouw op de grond te gaan liggen. Met haar voeten rolde ze haar steeds een beetje verder. ‘De engelen maakten een buiging,’ zei Ton Lathouwers…”. Ze voelt zich zachter en ontvankelijker worden. Thuis vertelt ze met vochtige ogen aan haar man hoe ‘mooi’ het was. Toch is haar wantrouwen tegenover religie zo groot dat ze besluit er niet mee door te gaan. “… Kosten: vijfdaagse stilteretraite à 250 euro…”.

Buiten de brandbreedte van het normale
Dan overkomt haar tijdens een fietstochtje met haar gezin een overweldigende ‘eenheidservaring’ – zie mijn vorige blog. Totaal overrompeld gaat ze op zoek naar verklaringen en ontdekt dat alle mystieke tradities in elk tijdvak deze belevenis op de een of andere manier beschrijven. Ze leest werk van Franciscus van Assisi, Hadewych, Jan van Ruusbroec en Teresia van Avila. “… Is er misschien een werkelijkheid die zich niet laat kennen via wetenschappelijke methoden? Ik twijfel nu of rationaliteit de enige weg naar kennis is…”. Iemand raadt haar aan het ‘medicijnwiel’ tijdens een sjamanencursus te doorlopen, om haar zintuigen beter te oefenen. Ze komt op een boerderijtje ergens in de polder van Zuid-Beijerland terecht waar een geruststellende ouderwetse huisdokter - goeroe-appeal nul - cursus geeft. In het sjamanisme wordt veel met stenen gewerkt. Ze probeert met keien te praten en in zelfgestookte vuurtjes gezichten te zien. Op een gegeven moment voelt ze zich waarachtig door de wind gekust, en krijgt ze haar nieuwe naam door: ‘Spoorzoeker’. Via de huisarts maakt ze kennis met Amerikaanse coaches waarbij ze cursussen volgt over het afzweren van verslavingen, het eindigen van emotionele verstrengeling, perfect luisteren en nog veel meer. Ze gaat langs bij een chaneller die liefdevolle boodschappen overbrengt van haar overleden moeder. Op haar werk is het allemaal nog steeds vreselijk: “… Mijn wetenschappelijke publicaties, waar ik misschien wel twee jaar aan heb geschaafd, worden door drie of vier mensen gelezen. Vrijwel nooit ontvang ik een reactie. Ik was dan ook blij verrast toen ik per mail een vraag ontving over een publicatie. ‘Met veel interesse heb ik uw artikel over publieke waarden gelezen. Ik vroeg me af: bent u misschien familie van de Dordtse tekenaar Otto Dicke?’ Tot zover de intellectuele uitwisseling onder academici…”. Ze zegt haar baan op. Belandt duizend treden lager in de pikorde als hr-manager, waar ze constant de kwaaie pier is: “… De slotsom is dat ik de hele dag klagende, boze, verdrietige, overspannen mensen spreek die terecht verwachten, dat is mijn rol immers, dat ik de situatie op kan lossen…”. Erger kan bijna niet. Uiteindelijk vraagt ze een privéconsult bij de sjamanenhuisarts aan, die ‘de energie van een geesteszieke uit haar onderbewuste’ verwijdert: “… Ik moet denken aan mijn familie. Van vaderskant ben ik genetisch belast met depressie, bipolaire stoornissen en andere psychiatrische aandoeningen. Mijn vader lijkt de dans aardig te zijn ontsprongen, maar minstens de helft van mijn familieleden zit in een psychiatrische inrichting en de andere helft was er niet uit de toon gevallen. In mijn moeders familie wemelt het van de alcoholisten. Het is niet onmogelijk dat ik ook erfelijk bedeeld ben met een geest die buiten de brandbreedte van het normale valt…”. In de auto terug naar huis kan er zowaar een glimlachje om een onbenullig grapje van een dj op de radio af. Kosten voor de poldersjamaan: “… 150 euro per weekend (cursus van acht weekends), privéconsulten à 75 euro…”.

I get it!
Dicke: “… Meer dan twintig jaar studie, vergelijken, lezen, analyseren en reflecteren heeft me niets opgeleverd. Tijdens die oefeningen in sjamanisme daarentegen heb ik me, bij vlagen, even opgetild gevoeld. De niet-cognitieve aanvliegroute heeft me tot nu toe meer opgeleverd dan al die boeken en analyses bij elkaar. Om mijn dofheid voor eens en altijd op te ruimen bezoek ik paragnosten in herenhuizen; zit ik twaalf weken lang in een protestantse kerk in een kring bij een lichtwerker die engelen en andere lichtwezens aanroept; reis ik af naar een kasteeltje in België om een workshop met stenen te doen; maak ik kennis met familieopstellingen en doe ik sessies emotioneel lichaamswerk. De haptonoom constateert spanningen in spieren en huid. Ik boek stilteretraites in kloosters, ik neem hallucinerende middeltjes…”. En dan heb ik het nog niet over de al maar uitdijende boekenplanken die haar man aanduidt als ‘spirituele shit’. Onder leiding van een Mexicaan tript ze op het psychedelische cactuspoeder peyote, terwijl ze de geesten shag offert die ze van te voren koopt bij een tankstation. “… ‘Welk merk?’ vraagt de pompbediende. ‘Het goedkoopste’…”. Achteraf schaamt ze zich wel een beetje. Ze heeft een naakte sessie in een zweethut: “… Ik wil na deze nacht juichend ‘I get it!’ kunnen roepen. Ik wil de zin van het leven, en preciezer nog van míjn leven begrijpen. Ik wil mijn levenspad leren kennen en mijn levensdoel. Ik wil weten wat of wie mij kan helpen om de zin en levensvreugde te vinden…”. Toe maar. Na een paar happen poeder uit een pindakaaspot begint ze te kotsen, maar dat hoort allemaal bij de trip, dus heeft ze het er voor over: “… Ik ben inmiddels heerlijk mellow…”. Als ze zichzelf na een avond doorzakken tongzoenend terugvindt in een kroeg, met een gepensioneerde Antilliaan in wie ze de engel die haar begeleidt meent te hebben ontdekt, beschouwt ze zichzelf wel als heel erg van het padje af. Thuisgekomen flikkert ze een hele rij boeken in de vuilnisbak. Kosten: “… minstens 20 workshops, cursussen, readings, retraites à 150 tot 350 euro, altijd contant te voldoen…”.

Levend water
Vervolgens begint haar zoektocht weer van voren af aan, want de eenheidservaring laat haar niet los. Bovendien hoort ze zomaar vanuit het niets een troostende stem die zegt ‘Je kunt er niet uit vallen’, als ze door een desolaat stadsgedeelte op huis aanloopt, na een lange middag als mantelzorger bij een autistische oom, waar ze buitengewoon vermakelijk over vertelt. Ze leest weer van alles over mystiek, herkent zich het meest in de ‘Rijnlandse’, en komt uiteindelijk bij de middeleeuwse Meister Eckhart terecht, en een workshop van pater Tycho, een specialist op zijn gebied. Pater Tycho is een wijs man: “… Als mensen vragen ‘Geloof jij in God?’, antwoord ik: ‘Dat zou ik bij God niet weten’. Het hangt namelijk helemaal af van het godsbeeld van de vragensteller. En het kan heel goed zijn dat ik minder gemeen heb met het godsbeeld van de vragensteller dan met de notie van liefde of dankbaarheid van een atheïst…”. Hij maant haar God een naam te geven, omdat je geen relatie aan kunt gaan met iets of iemand die geen naam heeft. En verder: “… Ik zie God als een onderaardse rivier. Er bestaan heel veel putten, ieder gemaakt van ander materiaal en met een eigen vorm. Er is een enorme diversiteit aan putten. Echter, de smaak van het water is dezelfde…”. Hij zegt dat Dicke zich moet toewijden aan een van die putten: “… Je moet één put grondig verkennen – en het maakt niet zoveel uit welke put dat is. Wat jij de afgelopen tijd hebt gedaan is van de ene naar de andere put hoppen voordat je de onderaardse rivier hebt bereikt…”. Langzaamaan leert Dicke een beetje te wennen aan het woord God waar ze altijd zo allergisch voor is geweest. Ze komt in aanraking met de gnostiek. De naam van Bram Moerland valt. Ze gaat weer het klooster in voor een stilteretraite waar ze hoopt hoofd en hart samen te brengen. Volgens pater Tycho is stilte voor de ziel hetzelfde als water voor de bloemetjes. Ze vertelt dat ze tijdens het mediteren afgeleid wordt door een enorm kleurenspektakel: goudgerand, paarse bollen, vloeiende lijnen die als water in elkaar oplossen. Ik besef ineens dat dát het moet zijn geweest, waar ik laatst een half uur in een gekantelde bioscoopstoel, te midden van zo’n honderd studenten, onder de klanken van Pink Floyd naar heb liggen staren. Mijn dochter had me voor deze belevenis meegesleept naar een soort mini-omniversum, waar ik me na tien minuten al dood lag te vervelen, terwijl ik vol verbazing naar de kinderen om me heen keek, en vermoedde dat dit alleen maar leuk was als je een of ander pilletje had geslikt. Dicke wordt steeds ontvankelijker. Ze maakt een eucharistie mee waarbij de tranen over haar wangen stromen tijdens het ‘Onze Vader’ (een tijdje geleden kwam ik er achter dat het prachtige “Baba Yetu” de Afrikaanse versie van dit universele gebed is). Kosten: “… vrijwillige donaties voor cursussen en gesprekken…”.

Spiraal
Het contact met pater Tycho schiet niet op, dus tussendoor laat Dicke zich ook nog een keer fiksen door een buitenaardse swami uit India, terwijl ze zich afvraagt wat ze haar kinderen aandoet met haar rare fratsen. Kosten: “… healings à 175 euro en vijfdaagse cursus à 550 euro…”. Ondertussen zetten haar heidense vrienden haar ‘tussen haakjes’ omdat ze denken dat ze ‘godsdienstwaanzinnig’ is geworden. En haten haar nieuwe collega’s haar zo erg dat ze haar bloed wel kunnen drinken. Het is meer dan verschrikkelijk allemaal. Toch veranderen er langzaam dingen. Ze merkt dat het met de kinderen makkelijker wordt. Niet omdat zij veranderen, maar omdat ze als ouders veranderen. Ze vullen minder voor ze in, laten ze meer hun gang gaan, frustreren ze minimaal: “… Korte broek in de winter? Als jij dat wilt. Een week niet douchen? Nou ja, dat zal wel niet onmiddellijk gevaar voor de volksgezondheid opleveren…”. Pater Tycho raadt haar aan eens een keertje op te houden met al haar gezoek. Kijk gewoon maar wat er van komt. En verdomd - hoewel ze dat woord langzamerhand uit haar woordenlijst schrapt - dat helpt. Als een non haar vraagt of ze in haar leven haar ziel wel eens geweld aan doet, rent ze naar de wc om te braken, en zegt ze haar vreselijke baan op. Na een tijdje duikt er vanzelf een mail op waarin ze gevraagd wordt voor een leuke functie. Echter, na rustige periodes vol overgave tuimelt ze onaangekondigd zomaar weer het duister in: “… alsof een struikrover in een duik naar mijn enkels heeft gegrepen waarna ik in een immens donker gat ben gelazerd…”. Vol zelfbeklag vertelt ze pater Tycho dat ze ondanks al haar ondernemingen geen bal is opgeschoten in haar zelfverstaan: “… Ik durf zelfs te wedden dat het ongeveer dezelfde vraagstukken zijn waar mijn tienerdagboeken vol mee staan…”. Pater Tycho: “… Willemijn, je maakt een vergissing. De thema’s in ons leven blijven hetzelfde en we blijven ze tegenkomen. Zie je leven als een spiraal. Soms ben je in het donker, soms in het licht. De manier waarop je die thema’s kunt bezien zal anders zijn als je hoger op die spiraal belandt. Zie het als groei, Willemijn, dat je nu naar dezelfde thema’s kunt kijken maar met een rijker repertoire en misschien, als ik me niet vergis, met beduidend meer mildheid dan tien of twintig jaar geleden…”.

Bundel Uw licht in mij
Het gaat als een vuurtje rond dat Dicke ‘into Jezus’ is: “… Gelovigen zijn vliegensvlug om mij tot ‘hun’ club te rekenen: of het nu orthodoxe christenen, blije Jezusomhelzers, traditionele katholieken of vrijgemaakt gereformeerden zijn. Ze laten allemaal blijken, op meer of minder subtiele wijze, dat ik een van hen ben. Dit claimeffect had ik niet voorzien…”. En even verder: “… Ik ben nog helemaal niet klaar voor de etiketten die de buitenwereld op mij plakt. Iedereen lijkt te weten waar ik me bevind op de schaal van religieus-zijn. Nu ik nog…”. De eerlijkheid gebiedt mij dat ik moet bekennen dat ik Dicke, voordat ik dit boek las, inderdaad ook gemakshalve en bij voorbaat indeelde bij het E.O.-kamp van Knevel en consorten. Ik had nu eenmaal een radio-interview met haar beluisterd van de E.O. – zie hier. En ik had een paginagroot artikel over haar gelezen in het Nederlands Dagblad (08.02.2019); toch eigenlijk ook een E.O. –krant. Na zich vrijwillig een tijdje te hebben laten opsluiten door een sekteachtige oplichter - hij komt niet eens opdagen - die geïnspireerd is door de befaamde New Age publicatie “A Course in Miracles”, “… Kosten: twee weken retraite in Costa Rica à 2450 US dollar per week, plus vliegticket…”, raakt Dicke eindelijk een beetje goeroemoe. En waar ze nóg vermoeider van wordt zijn haar atheïstische vrienden, die ze beoordeelt als zo intolerant als de pest, en allemaal “… even saai, vijandig en voorspelbaar…” zijn: “… Werkelijk elke discussie kan ik van tevoren uittekenen. Ik heb nog nooit een gesprek met een atheïst gevoerd waarin ik dacht: o ja, dit heb ik nog nooit bedacht, of dit is verhelderend…”. Volgens haar is er voor een atheïst niets heilig, of het moet de vrijheid van meningsuiting zijn: “… Hun arrogantie vind ik stuitend. Zij zijn verlicht en wij, religieuzen, zijn dommeriken, wij zijn niet in staat om te zien wat er mis is met onze levensbeschouwing. Op geen enkele manier komt het in hen op dat zij misschien wel de ervaring missen, een gevoeligheid voor zaken die je niet met het blote oog ziet, of een openheid naar een andere vorm van kennis, die hen ook zou kunnen bereiken…”. Zij kan het weten, want ze was vroeger precies zo. Het boek eindigt met de laatste regel uit een gebed: “… Bundel uw licht in mij, maak mij nuttig…”. Mooier kan toch niet?!

Uitgave: Prometheus – 2019, 240 blz., ISBN 978 904 463 969 8, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 30 juni 2019

De reis van het gewaarzijn – Riekje Boswijk-Hummel


Ik was behoorlijk onder de indruk van “Energie van de Geest” van Philip Troost – zie hier. Hij vertelt daarin dat hij onder andere geïnspireerd werd door het werk van Riekje Boswijk (1946), die de basis heeft gelegd voor wat ‘Transpersoonlijke Therapie’ wordt genoemd. “De reis van het gewaarzijn” is het handboek waarin ze haar visie uitlegt. Boswijk studeerde Nederlandse taal en letteren, gaf enkele jaren les, maar verdiepte zich later in boeddhisme, soefisme, christelijke mystiek, psychologie en psychotherapie. Met haar man Jan Boswijk richtte zij in 1982 ‘Centrum Boswijk’ op, waar zij groeps- en individuele therapie gaf. In de loop van de jaren ontstond bij haar een heel eigen kijk op psychologische processen en ontwikkelde ze een model met een daarbij passende manier van therapeutisch werken. De ‘Opleiding Transpersoonlijke Psychotherapie’ die Jan en Riekje in 1986 startten is hierop gebaseerd en wordt nog steeds gegeven in het ‘Boswijk Instituut’.

Eenheid

Het verrassende voor mij is vooral dat haar theorie naadloos aansluit op wat ik gaandeweg als gelovige ben gaan aannemen. Mijn idee dat wij een drie-eenheid zijn van lichaam-ziel-geest (zie bijvoorbeeld “Gezien en gehoord” van Simon de Visser). Zij werkt het alleen nog wat breder, verder en dieper uit. En om het nog wat ingewikkelder te maken, zij duidt de zaken waar het over gaat soms met andere woorden aan dan ik, omdat zij meer vanuit het boeddhisme redeneert en ik vanuit het christendom. Dat geeft maar weer eens aan hoe ‘onverwoordbaar’ mystieke ervaringen in feite zijn, volgens mij. Om helemaal bij het begin te beginnen: dat wat is. Het ‘Onbegrensde Veld van licht of energie’: “… Dit veld, deze dimensie, wordt in alle mogelijke spirituele en religieuze tradities genoemd, met steeds andere namen. In het Boeddhisme wordt gesproken over de Leegte, het Nirwana, in het hindoeïsme over Brahman, de soefi-meester Inyat Khan spreekt over Licht, in het taoïsme wordt gesproken over Tao. In de christelijke mystiek worden verschillende woorden gebruikt, zoals: de Ongrond, het Licht, het Zijn of Zijnde, de Heilige, God…”. Van de week had ik een leeskring over “De trooster” van Esther Gerritsen, die in een interview zei: “… Wat is God? God is de ruimte tussen mensen…”. Misschien kun je ook zeggen: het wit tussen de regels. In ieder geval: hier ligt de oorsprong van alles wat bestaat. De mens kan deze oorspronkelijke energie voelen in wat Boswijk het ‘Kleine Veld van licht of energie’ noemt, oftewel zijn ‘ziel’ of wat ik, analoog aan de Bijbel, als de ‘geest’ heb leren aanduiden. Het boeddhisme heeft het over de ‘Boeddha-natuur’, het hindoeïsme over ‘Atman’, de soefi-meester Inyat Khan gebruikt het woord ‘ziel’, de christelijke mystiek heeft het over de ‘lichtvonk’, en moderne namen voor deze dimensie zijn: essentie, wezen, kern, zelf, enzovoorts. “… Als zij wordt ervaren, voelt zij aan als: vrede, stilte, rust, ruimte, sereniteit, vervulling…”. Ik ervaar het als een ‘bal van licht’, een soort zon, maar dan ín mij. Zelfs dieper dan op hartsniveau, eerder onder mijn middenrif. Vaak wordt er in dit verband gesproken over een ‘eenheids-ervaring’, wat ik altijd heb verbonden met het Sjema Jisrael: de Heere, Uw God is één. Boswijk: “… Kenmerk van dit ‘eenheids-gevoel’ is dat er geen ‘ik’-besef bestaat…”. Dit is precies wat de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt een kind in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus” laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Het binnenste van de cirkel.

Wij
Verder bespreekt Boswijk het ‘gewaarzijn’: het ‘instrument’ waarmee je je bewust wordt wat er zich in de buiten- dan wel binnenwereld afspeelt. Misschien dus wel je ‘ik’, denk ‘ik’. Je zou het kunnen vergelijken met een zaklamp. Er gebeurt van alles in en om je heen. Je bent je niet van alles bewust. Het is maar net waar jij je aandacht op richt, en die aandacht is stuurbaar. Wat de rest van de psyche buiten de kern betreft heb ik als gelovige altijd op één hoop gegooid en aangeduid als ziel. Boswijk onderscheidt daarin vier dimensies. Daarom is zij dan ook psychotherapeut en ik niet. De dimensie of ring (zie de ringen om Saturnus) om de kern noemt Boswijk het hart. Ze onderscheidt daarin twee ‘gevoelskleuren’ dan wel ‘energieën’: vreugde en liefde. Misschien is het vrijuit stromen van vreugde wel het vrolijkst en grappigst zichtbaar in het huppelen van kinderen. Wordt deze hartsenergie verbonden met iets of iemand dan is er sprake van ‘liefde’. Boswijk splitst deze liefde uit in gevoelens van houden van, mededogen, troost, medevreugde, geduld (geduld is liefde die wacht), begrip, mildheid, vergeving, spijt, verzoening, rechtvaardigheid, verontwaardiging (verontwaardiging uit zich in vechten vóór in plaats van tégen – zie Dominee Martin Luther King of Nelson Mandela), moed (zie de Dwaze Moeders van Argentinië en alle mogelijke dissidenten en activisten). Allemaal liefde. Ter onderscheiding van de een-heid in de kern: hier is er sprake van wij-heid. De ervaring dat eenheid plaats maakt voor de ervaring ik en jij, maakt dat er tussen de ziel en het hart een grens is. Welnu; als deze hartsenergie zich verbindt met een doel zal het op weg daarnaar toe, vroeger of later, gegarandeerd obstakels tegenkomen. Gefrustreerd worden. Deze stagnatie veroorzaakt letterlijk een schok die onmiddellijk streshormonen optrommelt die zijn bedoeld om jou in actie te zetten. Als het heel erg is ‘klap je dicht’ of ‘knapt er iets in je’ of ‘bevries je’ (vroeger had mijn moeder daar in haar dialect een heel eigen uitdrukking voor: 'me ies ter van') of ‘staat de tijd stil’: de verbinding met je doel wordt verbroken. Gewone herinneringen verschijnen als een film, traumatische herinneringen verschijnen als een dia. Dit stagneren van energie, deze kramp of schok, het even stilstaan van voelen en denken, begrenst in het model van Boswijk het hart, waarop er woede en angst ontstaan. Deze worden doorgaans omgezet in de fight/flight-reactie: je wordt boos en gaat tekeer of je wordt bang en rent weg, afhankelijk of jij jezelf krachtiger dan wel zwakker inschat dan je obstakel. Je gaat in de voor- of achteruit. Je betreedt het strijdveld of je blaast de aftocht.

Verdriet
In het model van Boswijk is het de derde dimensie of ring: die van de ‘directe emoties’ woede en angst. Woede is een ‘afgescheiden’ emotie. Je bent niet meer in de liefde van je hart verbonden met een ander, alleen je ‘ik’ bestaat nog maar. En die wil een ander ‘beschadigen’. Het is een hele krachtige, simpele, beperkte, eenzijdige en daardoor vaak ook ontzettend ‘prettige’ emotie: “… Veel mensen houden wel van de opwinding en de drukte die ruzies opleveren. Zeker als mensen niet gewend zijn om liefde te voelen en te geven, zijn ze in zekere zin blij met vijandigheid, want die verbindt hen met de ander. Liever een vijandige relatie dan géén relatie…”. Het geeft je energie. Winnen levert ook nog eens vreugde in de vorm van triomf, zo niet euforie op. Als je verliest zoek je een andere reden om boos te zijn. Want woede is: angst voor pijn. Ook angst is een ‘afgescheiden’ emotie. Echter, nu ben je niet boos maar bang. Als je niet kunt vluchten kan angst ‘chronisch’ worden (gewelddadige ouders, terminale ziektes). Kun je de energie die de streshormonen oproepen fysiek niet kwijt dan gaan ze in je hoofd zitten en wordt je denken enorm bekrachtigd: piekeren. Soms vluchten, vooral kinderen, in een fantasiewereld. Als je als kind met niemand in de buitenwereld je liefde hebt kunnen delen, zal het later heel moeilijk worden je hart voor anderen te openen. Na de schok, of de kramp, of de pijn rond het hart, ontstaan er in deze derde cirkel van ‘directe emoties’, woede en angst die zich naar buiten richten. Als je woede en angst voelt bevindt je ‘gewaarzijn’ (‘ik’ noem het maar je ‘ik’) zich in die derde dimensie. Je bent niet meer in shock, en je bent ook niet meer in de liefde van je hart. Je gewaarzijn is door wat Boswijk de ‘middelpuntvliedende’ kracht naar buiten geduwd: weg van de pijn. Direct daarop ontstaat er de ‘middelpuntzoekende kracht’ die terug wil naar je centrum: je oorspronkelijke hart/ziel (voor mij is dat niet moeilijk te volgen want ik heb God vaak gezien als een magneet, en Jezus als de transformator - de Bijbel maakt duidelijk dat wij, kleine mensen, niet bestand zijn tegen de verblindende uitstraling van God, zie het verhaal van Mozes die God wil zien, net zo goed als wij ook niet bestand zijn tegen bijvoorbeeld kernenergie). Het gaat dus om een kracht naar buiten of een kracht naar binnen. Ik herinner mij nog dat mijn grote orthodoxe inspirator Willem Ouweneel ooit zei: je beweegt je altijd naar God toe of van God of af. Om terug te komen in de vreugde en liefde van je hart zul je door de grens van pijn moeten, wat aan zal voelen als verdriet. Verdriet dat werkelijk is ‘uitgehuild’ ontspant en laat de energie weer stromen. Op die manier kan ik ook iets met het idee dat Christus aan het kruis het lijden van de wereld op zich nam om de weg naar God te openen, die geblokkeerd werd door het kwaad.

Slechte verliezers

Voelen en denken lijden tot ‘conclusies’. Denken is het onder woorden brengen van gevoelens en bevestigen elkaar over en weer: “… Je kunt niet denken: ‘Mijn moeder is een rotmens’ wanneer je voelt dat je van haar houdt. Je kunt onmogelijk denken: ‘Ik stel niets voor’ wanneer je voelt dat iemand je heel aardig vindt…”. Afhankelijk van waar je gewaarzijn zich bevindt, bijvoorbeeld in je woede of in je angst, zal je daarvoor ook allemaal aanleidingen in de buitenwereld zien. Kortom: je kijkt door een bril van woede of angst. Je binnenwereld zie je bevestigd in de buitenwereld. Je ‘projecteert’ je binnenwereld op de buitenwereld: “… Op deze manier houd je de binnen- en buitenwereld in overeenstemming met elkaar. In realiteit is het maar de vraag of de ‘reden’ die je ziet werkelijk bestaat: wat je meent te zien kan heel goed een projectie zijn…”. Je zet de werkelijkheid regelmatig (onbewust) naar je hand. Het standpunt van je gewaarzijn bepaalt dus wat je ziet. Vervolgens ga je je daarnaar gedragen: je begint te schreeuwen, je gaat fysiek tekeer of je gaat mokkend in een hoekje zitten. Lang niet altijd kunnen directe emoties worden geuit. Je loopt weer tegen een dikke vette grens aan. Dan worden ze ‘omgeleid’ en komen ze als indirecte emoties naar buiten: de vierde ring of dimensie. Je wilt op de een of andere manier toch doorvechten. Je doel bereiken. Dus word je niet boos, maar verdrietig. Je bent verongelijkt. Je gaat huilen, dreinen, drammen, klagen, jammeren. Het leed etaleren: slachtofferverdriet. Slachtofferverdriet is een vorm van manipulatie en moet onderscheiden worden van ‘echt’ verdriet. Het is een manier om alsnog je doel te bereiken. Het is middelpuntvliedend en eindigt daarom nooit. Hier vind je de ‘eeuwige verliezers’, die hun doel niet kunnen loslaten. Andere gevechtstechnieken zijn verleiden, vleien, dat zich uit in berekening, slimheid, omkoping en chantage. Jaloezie, dat zich uit in roddelen, machtsspelletjes, de ander ‘naar beneden halen’. Onbewuste sabotage en trainage: geen zin hebben, afspraken vergeten, ongelukjes veroorzaken. Bewust ‘straffen’ en ‘wreken’: zie de boze puber die de sfeer in huis danig kan verpesten. Of wat dacht je van het befaamde ‘zwijgen’?! Daardoor ontstaan totaal uit de klauwen lopende fenomenen als stalken en eerwraak: “… Mensen verleggen in zekere zin hun doel. Ze zijn niet meer bezig hun oorspronkelijke doel te halen, maar kiezen een nieuw doel: de ander pijn doen. Ze voelen zich daartoe gerechtigd omdat ze zoveel pijn hebben. Deze ‘gerechtvaardigde’ woede voelt aan als haat…”. Wraak is ‘zoet’. En dat allemaal omdat je in de grond van de zaak bang bent voor de pijn van een geleden verlies. Haat en wraak zijn probate middelen tegen pijn.

In je hoofd
Je kunt ook stoppen met vechten. Bijvoorbeeld doordat je door je ouders gedwongen wordt te gehoorzamen. Je wordt braaf. Soms ‘internaliseer’ je de stem van je ouders en zul je tot in lengte van dagen de braverik blijven. Nu om de schouderklopjes te verdienen van de buitenwereld, waar je volslagen afhankelijk van wordt. Maar zo ontbeer je wel de vitaliteit en vreugde uit je eigen hart en dat gaat zich op den duur wreken in een levenscrises: “… Is dit alles? Waar doe ik het allemaal voor? Wat is de zin?..”. Zo kweek je een burn-out. Soms weten ouders het protest van hun kinderen om te draaien in schuldgevoel of schaamte: het naar jezelf kijken met de afkeurende blik van een ander. Soms wordt angst verboden: verman je. Stoer is cool. Als je je stoere beloftes niet waar kunt maken vinden anderen je al gauw onbetrouwbaar. Wanneer puur verdriet wordt ontkend ga je je ‘flink’ gedragen: óók een vorm van stoerheid. Gevoelens en emoties voel je in je lijf. Je kunt die ontkennen door in je hoofd te gaan zitten: de vijfde en buitenste ring of dimensie. Hier ontstaat ook het fundamentalisme volgens Boswijk, dat niet alleen betrekking heeft op religie, maar ook gevonden wordt in de wetenschap, in de medische, psychologische en ecologische wereld, in de kunst, de sport en het onderwijs. Het heeft te maken met de onwil het eigen denken te onderzoeken, want wee je gebeente, als je gaat twijfelen. Hoe slimmer iemand is, hoe vaardiger hij is in het rationeel bewijzen van zijn subjectieve voorstellingen. Als je je intrek hebt genomen in je hoofd, ben je geen bewoner meer van je lichaam, en wordt je lichaam een ‘ding’. En dat moet goed functioneren. In het verlengde daarvan ziet Boswijk dan ook de hedendaagse overdreven aandacht voor gezondheid, sport, vitamine-preparaten, voedingssupplementen, make-up, botox, haarimplantatie, lekker eten, seks, borstvergroting dan wel verkleining, verfraaien van de schaamdelen, enzovoorts. Je lichaam als “… Een instrument dat dienstbaar moet zijn en blijven, dat er mooi uit moet (blijven) zien en dat genot moet verschaffen. Er is heel wat tijd en geld mee gemoeid om dat allemaal voor elkaar te krijgen. Er blijft daardoor waarschijnlijk geen tijd en geld over om je te verdiepen in je gevoelswereld. Komt dat even goed uit! Dat was nu net de bedoeling!...” (zie ook “Serotonine” van Michel Houellebecq). Boswijk wijst op de (terechte) aandacht voor de natuur. De wetenschappelijke benadering is heel wat anders dan de beleving van de natuur: “… Die is alleen maar mogelijk wanneer je je opgenomen kunt voelen in de natuur en haar schoonheid en uiteindelijke raadselachtigheid kunt ervaren…”. Als ook het hoofd geen geschikte vluchtplaats is voor je innerlijke pijn kun je altijd nog opgaan in de buitenwereld: je letterlijk te pletter shoppen, reizen, televisiekijken, gamen, appen, facebooken, enzovoorts.

Alles is liefde

En toch is er maar één soort energie, die voortkomt uit je kern. Misschien heeft Bløf toch gelijk: is alles liefde. Een energie die, zoals Boswijk laat zien, hele trajecten naar buiten en naar binnen aflegt, over vaak al jong gebaande paden, en op allerlei manieren gevormd en ook wel misvormd wordt. Het goede nieuws is: deze wegen oftewel ‘neuro-pathways’ kunnen verlegd worden. Vaak begint de terugreis met een soort heimwee van de ziel, die aanvoelt als een dodelijke vermoeidheid, vervreemding, leegte, zinloosheid, veroorzaakt door de middelpuntzoekende kracht. Behoeftig naar zingeving komen veel mensen bij spirituele en religieuze tradities dan wel filosofische en politieke denkrichtingen terecht die stellige antwoorden hebben op hun vragen. Maar als deze opvattingen alleen maar een zaak van je hoofd zijn, zullen ze je niet bevredigen. Met andere woorden: het lijkt me heel moeilijk zo niet onmogelijk te geloven in een God die je niet ervaart. Soms wordt er gezocht naar ‘aards’ geluk: liefde, status, succes, geld, welzijn, seks, opwinding. Daarom kunnen mensen die alles hebben wat hun hartje begeert, toch diep ongelukkig zijn. De oplossing is: de reis naar binnen. Naar huis. Dwars door alle pijn van het pure verdriet heen. Je moet leren huilen, leren loslaten, leren verliezen, leren rouwen, leren vergeven, leren verzoenen op de weg naar waar je vandaan komt. Home. Uiteindelijk zijn dat ‘bekeringsverhalen’. Zie ook het verhaal in de Bijbel over de verloren zoon die weer terugkomt bij zijn vader. Ooit argumenteerde ik dat alle verhalen daar in feite over gaan: zie “De onvergetelijke reis van August King” door John Ehle. De held komt thuis, maar heeft wel een heel leerproject achter de rug. Je kunt de middelpuntvlietende kracht stoppen door rust te nemen, je concentratie bij te sturen of heel bewust jezelf ‘resetten’. En als de terugweg heel erg problematisch is kun je in therapie gaan bij ‘Boswijk’ :). In het boek komt uitgebreid aan de orde wat er gebeurt tijdens de therapiesessies. Daar ga ik in dit bestek niet verder over uitweiden: het is allemaal terug te lezen in het tweede deel van deze prachtige publicatie.

Uitgave: De Toorts – 2018, 270 blz., ISBN 978 906 020 861 8, € 25,95 (5 % studentenkorting)
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 25 juni 2019

Het hermetisch zwart – Marguerite Yourcenar


Het is fascinerend te bedenken dat de manier waarop Philip Troost de moderne kwamtumfysica in “Energie van de Geest” - zie mijn vorige blog - verbindt met spiritualiteit zijn equivalent had in de alchemie, zoals Pieter Steinz beschrijft in “De duivelskunstenaar. De reis van doctor Faust door 500 jaar cultuurgeschiedenis”. Alchemie was de voorloper van scheikunde. Het doel van de alchemisten was ‘transmutatie’, zowel van de natuurlijke stoffen als van zichzelf. Steinz wijst op de medicus, alchemist en filosoof Zeno, het fictieve romanpersonage in “Het hermetisch zwart” van de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar (1903-1987). Ze was de eerste vrouw die werd toegelaten tot de Académie Française. Ik vond een prachtige foto van haar, te midden van een zwik doorluchtige heren - zie hieronder - in de Revisor, jr.gang nr. 10 /1983, die ik gekaapt heb, omdat mijn feministische hart van zoiets opspringt: bijna niemand weet meer wie die mannen zijn, wél wie die vrouw is. Volgens mijn dochter riskeer ik hiermee een gigantische boete vanwege plagiaat – maar à la, als dit een halsmisdaad is hoor ik het wel: zo’n plaatje is toch veel te kostbaar om weg te laten zakken in de eindeloze informatiestroom van het internet?! Yourcenar’s verhaal speelt zich af in de tijd van de Reformatie. Een en ander maakte me razend nieuwsgierig naar “Het hermetisch zwart”(1968), een titel die ontleend is aan een oude alchemistische formule, waarmee de fase van ontbinding en de splitsing van de stof werd aangeduid: het eerste stadium op de weg naar de bereiding van goud. Het kan echter ook staan voor het duister van de geest, net voordat het licht op gaat…


De tijd waarin het boek speelt

Marguerite Yourcenar bleef bijna haar hele leven werken aan “Het hermetisch zwart”, evenals aan haar andere roman waar ze beroemd mee werd: "Hadrianus' gedenkschriften" (1951). Ze onderzocht de tijd waarin haar verhalen spelen tot in de finesses: “ … Zeno, volgens het verhaal geboren in 1510, zou negen jaar zijn geweest op het ogenblik dat de oude Leonado da Vinci in zijn toevluchtsoord bij Amboise overleed, eenendertig bij de dood van Paracelsus, van wie ik hem een geestverwant en soms een bestrijder maakte, drieëndertig bij de dood van Copernicus, die zijn grote werk pas op zijn sterfbed publiceerde maar wiens theorieën al sedert lang in de vorm van handschriften in bepaalde geestelijk vooruitstrevende kringen circuleerden, hetgeen verklaarbaar maakt dat ik de jonge clericus er op de schoolbanken van laat kennisnemen. Ten tijde van de terechtstelling van Dolet, door mij als zijn eerste uitgever voorgesteld, zou Zeno zesendertig jaar zijn geweest en drieënveertig bij die van Servet, die evenals hij arts was en zich evenals hij bezighield met onderzoekingen omtrent de bloedsomloop. Ten naaste bij tijdgenoot van de anatoom Vesalius, van de chirurg Ambroise Paré, van de botanicus Cesalpino en van de wiskundige en filosoof Geronimo Cardano, sterft hij vijf jaar na de geboorte van Galilei en één jaar na die van Campanella. Op het ogenblik van zijn zelfmoord zou Giordano Bruno, die eenendertig jaar later op de brandstapel zou sterven, ongeveer twintig zijn geweest…”. En van al die figuren heeft Zeno wel wat. Dat neemt niet weg dat als iemand Zeno op een dag schertsend toevoegt dat hem nog eens een keer hetzelfde lot zal treffen als ‘Doctor Faustus van de marionetten op de kermis’, dat eigenlijk niet kan omdat Faust een tijdgenoot was, en zijn legende pas later in omloop kwam - zie Steinz – maar een roman is en blijft natuurlijk fictie. In een roman kan álles.

Zelfbewust, maar bang voor onbegrip
Omdat “Het hermetisch zwart” een vrij erudiet verhaal is heb ik er wat informatie bij gezocht, waardoor ik op een prachtig essay over Marguerite Yourcenar stuitte, van Henk Hillenaar uit de voornoemde Revisor (jr.gang 10 -1983). Yourcenar blijkt volkomen te passen in het plaatje van de kunstenaar zoals Tjarko Evenboer dat beschrijft in “Vuurvliegen”. Hillenaar over haar zelfbewustzijn en zelfverzekerdheid: “… als kind van acht jaar wist ze al wat het was ‘er te zijn’: ‘Op een dag’, lezen we in Les yeux ouverts, ‘keek ik in de spiegel en ik zei tot mijzelf: kijk, ik bèn, ik ben belangrijk, en die mensen daar beseffen dat niet’…”. En even verder: “… Onzekerheid, angst, onrust, alles wat neigt naar afhankelijkheid in de relatie met anderen, vormt een blinde vlek in de toch zo wijd open ogen van Marguerite Yourcenar…”. Ieder mens is een eigen wereld, met een eigen centrum, waaraan anderen in wezen geen deel hebben. Wél is Yourcenar bang verkeerd begrepen te worden: “… Al jaren doet zij haar romans en toneelstukken vergezeld gaan van in sommige gevallen zeer uitgebreide aantekeningen over de ontstaansgeschiedenis van het werk, over de keuzes en problemen waar ze tijdens het schrijven mee te maken heeft gehad…”. Yourcenar had niet zoveel met psychologie. Was meer gesteld op Jung dan op Freud. Mystiek en metafysica waren haar ding. Net zoals ze ook meer met mannen dan met vrouwen had. Althans in haar werk. Haar leven deelde ze met een andere vrouw. Een en ander is te verklaren uit haar jeugd. Haar moeder stierf een week na haar geboorte; haar vader betekende alles voor haar. Hillenaar vertelt dat de vrouwenfiguren in haar werk vaak onsympathiek zijn, in het zwart gaan, en meestal met de dood te maken hebben. Hij vraagt zich af of Yourcenar verborgen schuldgevoelens heeft gekoesterd richting een moeder die zich heeft opgeofferd om haar te doen leven. Haar helden zijn jonge of oude mannen – haar vader was vijftig toen zij geboren werd. Yourcenar: “… Hoe ouder ikzelf word, hoe meer ik constateer, niet alleen dat kinderjaren en ouderdom bij elkaar horen, maar ook dat het de twee levensfasen zijn waarin ons de diepste ervaringen geschonken worden… De ogen van het kind en die van de oude mens kijken met de rust en onbevangenheid van wie nog niet meedoet aan het bal masqué, of dit bal al achter zich gelaten hebben. En alles wat daartussen gebeurd is, lijkt een lawaai om niets, een drukdoenerij in de leegte, een nutteloze chaos waarvan men zich afvraagt waarom men er doorheen is gemoeten…”.

Vuurdragers
Overal in haar werk is sprake van ‘het metafoor der metaforen’: vuur. Mannen zijn ‘vuurdragers’. Prometheusfiguren die het vuur in hun binnenste koesteren. In de beheersing van het vuur onderscheidt de mens zich van andere levende wezens: “… Voor Yourcenar zijn grote denkers alchemisten, en is denken een alchemistisch proces waarin het vuur van de geest – of liever: het vuur van het lichaam – onze kennis tenslotte tot wijsheid moet omvormen…”. Evenals Troost in “ Energie van de Geest”, zie mijn vorige blog, betreurt Yourcenar het tekort aan aandacht voor de lichamelijkheid: “ … Zo worden zeer van elkaar verschillende romanschrijvers als Sartre, Mauriac, Genet en Green door haar gelijkelijk ondergebracht in het typisch Franse kamp van de jansenisten. Voor Yourcenar, die haar lichaam haar beste kameraad noemt, is het een ergernis dat deze schrijvers, of ze zich nu existentialist, christen of iets anders noemen, allen het lichaam als minderwaardig afschilderen…”. Ook verzet zij zich tegen het ‘l’art pour l’art’: “… Alles wat een doel in zichzelf is, eindigt slecht…”. Met denken ben je nooit klaar: “… Er bestaan immers wel degelijk waarheden, en er zijn altijd nieuwe waarheden te ontdekken…”. Zie ook Troost, in mijn vorige blog, die stelt dat ‘de waarheid’ geen bundel inhoudelijke geloofsafspraken is, maar een zoeken naar een leven dat klopt; een weg die je gaat en de ervaring die je daarbij op doet. Politiek interesseert Yourcenar alleen als het om plant of dier gaat: “… Voor zeehonden of milieuzaken gaat Yourcenar met een spandoek de straat op…”. Zowel links als rechts boezemen haar een gezonde achterdocht in. Immers: “… Uiteindelijk belanden we altijd weer bij de strijd tussen goed en kwaad…”.

Op avontuur naar macht en kennis
Het verhaal begint als de zestienjarige vagebond Henri-Maximilien door stom toeval zijn twintigjarige neef Zeno tegenkomt, die eveneens over de Franse wegen zwerft. Henri-Maximilien heeft zijn gegoede milieu verlaten om roem te vergaren in het leger van de Franse koning. Zeno heeft de brui gegeven aan zijn theologieopleiding in Leuven om in de leer te gaan bij een oude alchemist in Compostella: “… ‘Ik ga richting Alpen,’ zei Henri-Maximilien. ‘Ik ga richting Pyreneeën,’ zei Zeno. Ze zwegen. De vlakke, door populieren omzoomde weg ontrolde voor hen een stukje van de vrije wereld. De avonturier van de macht en de avonturier van de kennis liepen zij aan zij…”. Het volgende hoofdstuk verhaalt over de geboorte van Zeno. Hij is een bastaard, ontsproten uit de verhouding van een jonge prelaat die aast op een carrière als kerkvorst in Rome en een maagdelijk zusje van een rijke bankier in Brugge. Zijn moeder wil niets van hem weten. Hij groeit op voor de kerk: het priesterschap is voor onechte kinderen het zekerste middel om in welstand te leven en tot ereposten te worden toegelaten. Zeno is een knappe en buitengewoon intelligente jongen, maar “… men huiverde van zijn snijdende stem; de fonkeling van zijn donkere pupillen fascineerde maar deed tevens onbehaaglijk aan…”. Hij zit altijd maar te lezen, “… en zijn geringe belangstelling voor vrouwen bezorgde hem de verdenking van omgang met nachtduivelinnen…”. De laat-middeleeuwse wereld van Yourcenar is fel en bont en wreed: “… Die dag hadden de maaiers een heks gevonden die arglistig bezig was in een akker te wateren om de regen af te roepen over het koren dat al half verrot was door ongewoon hevige regenbuien; ze hadden haar zonder vorm van proces in het vuur geworpen; men dreef de spot met die sibille die meende het water te kunnen gebieden maar zich niet tegen de vuurgloed had weten te beschermen. De kanunnik verklaarde dat de mens, wanneer hij boosdoeners de marteling van de vlammen oplegt die een ogenblik duurt, slechts handelt naar het voorbeeld van God die hen tot dezelfde straf veroordeelt, maar eeuwig…”. Prachtig schrijft Yourcenar over Zeno’s eenzame tochten door “… hoog opgaande wouden uit de heidense tijd: vreemde raadgevingen daalden van hun bladeren neer…”.

Het godsrijk van de anabaptisten
Zeno’s moeder, Hilzonde, gaat met een oude, vrome, rijke, Hollandse wederdoper in zee: “… Deze magere en verveelde vrouw bleef voor hem een grote engel…”. Yourcenar vlecht een schitterend verhaal over de anabaptisten in het boek door deze Hilzonde en haar man naar Münster te laten vertrekken, waar een door het geloof bezeten bakker, Jan Matthijsz, de touwtjes in handen heeft genomen, en zijn godsrijk op aarde sticht. De stad heeft geld nodig, dus Hilzonde blijft met haar dochtertje alleen in Münster achter, terwijl haar man het geld van zijn her en der verspreide bezittingen gaat innen. Heel de stad leeft in een godsroes: “… De vruchten der aarde behoorden aan allen, gelijk Gods lucht en licht; degenen die linnengoed, vaatwerk of meubels hadden, zetten deze op straat opdat men kon delen. In een geest van rigoureuze naastenliefde hielpen allen elkaar, verbeterden elkaar, bespiedden elkaar om elkaar op hun zonden te wijzen; de burgerlijke wetten waren afgeschaft, afgeschaft ook de sacramenten; godslasteringen en vleselijke zonden werden met de strop gestraft; gesluierde vrouwen gleden hier en daar door de straten als grote zoekende engelen, en men hoorde op het marktplein het gesnik van de openbare biechten…”. Ondertussen wordt de stad belegerd en uitgehongerd. Als Jan Matthijsz bij een uitval de dood vindt, wordt Hans Bockeld, alias Jan van Leiden, als ‘levende Christus’ tot Koning-Profeet gekroond: “… de uitverkoren Heilige, was de meest geliefde spreker omdat hij de bloedige beelden van de Apocalyps met zijn komediantengrollen kruidde…”. Langzaam verandert de droom in een nachtmerrie – en ik vraag me af of het onder het regime van IS ook zo is gegaan. Jan van Leiden neemt zeventien vrouwen tot bruiden, waaronder Hilzonde. Als de stad door de knieën gaat wordt de Koning-Profeet opgesloten in een kooi die nog steeds aan de toren van de Sint-Lambertuskerk hangt. Hilzonde vindt haar einde op het schavot.

Eeuwige orde
In het jaar 1549 breekt de pest uit en zien we Zeno terug in Basel, als arts in een rode mantel, ten teken dat hij geen andere zieken helpt dan pestlijders. Als hij zijn neef weer ontmoet, die lichtelijk gedesillusioneerd is over het leven dat achter hem ligt, is Zeno over de veertig en weet hij inmiddels wat rouw is. En toch: “… ‘Kijk, broeder. Er is in bijna alle aardse dingen een ondefinieerbare droesem of nare bijsmaak die je er afkerig van maakt, en de zeldzame voorwerpen die toevallig met volmaaktheid zijn begiftigd zijn dodelijk vervelend. Filosofie is mijn vak niet, maar soms denk ik dat Plato gelijk heeft, en kanunnik Campanus ook. Er moet elders een zeker iets bestaan dat volmaakter is dan wijzelf, een kostbaar goed waarvan de aanwezigheid ons verwart en welks afwezigheid we niet verdragen.’ ‘Sempiterna Temptatio’, zei Zeno. ‘Ik denk dat niets ter wereld, behalve een eeuwige orde of een bizarre neiging van de materie om zichzelf te overtreffen, verklaart waarom ik me elke dag inspan om een beetje helderder te denken dan de vorige dag.’…”. De dichter-soldaat vindt samen met zijn dartele versjes de dood op de bodem van een greppel, onder een paar scheppen zand. Zeno’s publicaties worden verboden. Zeno zelf opgejaagd door de Inquisitie: “… Het was een van de tijdperken waarin de menselijke rede gevangen zit in een ring van vlammen…”. Zijn doldraaiende gedachten komen tot de conclusie dat elk begrip ten slotte onder gaat in zijn eigen tegenstelling. Hij wordt gezien aan het hof in Zweden en Parijs, en keert ten langen leste, grijs en verwaarloosd, onder een valse naam terug naar Brugge, om als armenarts in een hospitaal te gaan werken. Hij heeft lange, intelligente gesprekken met de prior der Kordeliers, die de brandstapels en gewelddadigheden zowel aan paapse zijde als aan die van de protestante geuzen, evenzeer verafschuwt als hijzelf. Volgens Zeno praten de Joden op dezelfde manier over de Schechina, die de goddelijke nabijheid symboliseert, als de monnik over Onze-Lieve-Vrouw. Als Zeno dik in de vijftig is en de prior overleden, probeert hij nog een keertje naar Engeland te vluchten. Het stikt langs de kust van de mensensmokkelaars, net als nu. Onverrichter zaken keert hij terug naar Brugge.

In zekere zin is alles magie
Daar zal hij verraden worden door zijn gemartelde hulpje. Een jonge monnik die met een stel anderen rare ceremonieën organiseert met jonge nonnen uit een ander klooster. Ze vinden elkaar ’s nachts via het netwerk van ondergrondse gangen dat onder heel Brugge loopt. Een en ander loopt uit op een enorm zedenschandaal. Terechtstelling volgt. Zeno wordt ontmaskerd als atheïst, ketter en schrijver van toverboeken. Hij beneemt zich het leven met een scheermes dat hij verborgen heeft in een inktpotje. Hij wil waardig sterven. Een van de mooiste episodes in het verhaal is wat mij betreft een gesprek tussen een bisschop en Zeno in zijn cel, over magie, waarop Zeno evenals Troost in mijn vorige blog wijst op de energie die altijd naar een bepaalde richting trekt, ten goede of ten kwade: “… Terwijl de onnozelen de magie zagen als de wetenschap van het bovennatuurlijke, had de prelaat juist op deze leer tegen dat ze het wonder loochende. Zeno antwoordde op dit punt nagenoeg naar waarheid. Het zogenoemde magische universum was opgebouwd uit aantrekkende en afstotende krachten, gehoorzamend aan wetten die nog duister maar niet noodzakelijkerwijs onvatbaar waren voor het menselijk begrip. Zeilsteen en amber schenen onder de bekende stoffen de enige te zijn die iets onthulden van deze geheimen die nog door niemand waren verkend en die misschien op zekere dag alles zouden verklaren. De grote verdienste van de magie, en van haar dochter de alchemie, was dat zij de eenheid van de materie postuleerden, en wel zo dat sommige hermetische filosofen hadden gemeend deze te kunnen uitstrekken tot het licht en de bliksem. Men begaf zich aldus op een weg die ver voerde, maar waarvan alle adepten die deze naam verdienden de gevaren erkenden. De mechanische wetenschappen, waarmee Zeno zich intensief had beziggehouden, waren verwant aan deze onderzoekingen in die zin dat zij trachtten de kennis der dingen om te zetten in macht over de dingen, en indirect over de mens. In zekere zin was alles magie: magie de kennis der kruiden en der metalen die het de arts mogelijk maakte invloed uit te oefenen op de ziekte en de zieke; magisch de ziekte zelf, die zich aan het lichaam opdringt als een last waarvan het zich soms niet wil bevrijden; magisch de macht van klanken, hoog of laag, die de geest verontrusten of juist kalmeren; magisch vooral de indringende macht van de woorden, bijna altijd sterker dan de dingen, hetgeen verklaart wat op dit punt beweerd wordt in de Sefer Jetsira, om niet te spreken van het Evangelie van Johannes. De verheven bekoring die vorsten omgeeft en van de kerkelijke plechtigheden uitgaat was magie, en magie de zwarte schavotten en het lugubere tromgeroffel van terechtstellingen, die de kijkers nog meer fascineren en beklemmen dan de slachtoffers zelf. Magisch ten slotte de liefde en haat, die in ons brein het beeld prenten van een wezen door wie wij goedschiks onze gedachten laten beheersen…”.

Uitgave: Athenaeum-Polak & Van Gennep – 2017, vertaling Jenny Tuin, 368 blz., ISBN 978 902 530 741 7, € 20,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier