Menu

donderdag 17 januari 2019

Een leven bleek niet lang genoeg – Michiel Bakker


In “Foon” heeft Marente de Moor het over ‘de romantiek van een verloren geloof’. Een prachtige uitdrukking voor iets waar ik zeker mee besmet ben. Als het in de krant over iets ‘gelovigs’ gaat dan lees ik het. Ik heb het de afgelopen week dan ook heel druk gehad – dat snap je wel (Nashville). In het ND van zes november stond een interview met Michiel Bakker, een tweeëntwintig jarige schrijver, die een veelbelovend debuut het licht had doen zien. Hij kreeg maar liefst twee pagina’s! Een nieuwe ster aan het firmament? Ik las dat Bakker filosofie studeerde, uit een reformatorisch milieu kwam, en op dezelfde school als Franca Treur had gezeten. Intussen heeft hij grote vraagtekens bij de religie waarmee hij is groot gebracht en besloot het een en ander van zich af te schrijven. Er zou vooral veel Nietzsche voorbij komen. Heel intrigerend allemaal. Ik wist bij de uitgever een recensie-exemplaar los te peuteren.

Een zwemmer zwemt, hij zwemt in zee

Tsja. Nou, bijzonder is het zeker. Ik denk dat je in dit geval niet eens meer met goed fatsoen over proza kunt spreken. Dit is eigenlijk poëzie. Verder denk ik dat het belangrijk is dat lezers weten dat de schrijver een gereformeerde opvoeding heeft gehad, want de stijl van de taal die gehanteerd wordt kan bijna van niemand anders zijn dan een kerkganger die jarenlang de bevindelijke prekerigheid heeft aangehoord. Hoe kan zó ’n jong iemand, zó ouderwets schrijven?! Niet dat er sprake is van ‘tale Kanaäns’, maar wel van de herkenbare breedsprakerigheid en voortdurende herhalingstechniek, waardoor de preken uit die richting zo lang duren. Zie bijvoorbeeld ook Liesbeth Goedbloed, die in een fragment in “Broeder Ezel” een zevenjarig jongetje ‘domineetje’ laat spelen: “…‘Het wonder van de wedergebóórte, gemeente! Het wonder van de wedergebóórte! Maar niet alleen toen deed de Heere wonderen. Ook nu wil Hij ons verblijden. Een vis die in een kikker verandert! Als dat geen wonder is, geliefden!...”. Enzovoorts. Enzoverder. Of men neme Liesbeth Labeur. Echter, bij de dames zit er een enorme dosis ironie in het spel. Bakker blijft daarentegen bloedje serieus. Er kan geen lachje af. Geen sprankje humor aan zijn horizon. Ik heb stiekem even op bol.com gelezen wat de recensenten daar zeggen. De herhaalde trant zou teleurstellen. Ik vind dat helemaal niet. Die hoort juist bij dit soort verheven jargon, denk ik. Haal ze weg en de geest is uit de fles. Bakkers’ boek deed me aan het oneindig sentimentele, melancholieke “Die Leiden des jungen Werthers” van Goethe denken. En aan het hypersensitieve “Eva” van Carry van Bruggen. En (maar dan heb ik het wel over een halve eeuw geleden), voor wie dat nog wat zegt, aan de in reformatorische kring bekende schrijvers Wilma en Jac. Overeem. Plus de lyriek van de Tachtigers. Terwijl ik las speelde vanzelf het liedje van Boudewijn de Groot door mijn hoofd: “… Een zwemmer zwemt, hij zwemt in zee…” (Alessandro Baricco: iedere geschiedenis heeft zijn eigen muziek, weetjewel).

Niet van brood alleen
De proloog. Een oude man, op sterven na dood, vraagt in een briefje aan zijn beste vriend of hij een stapeltje post naar ene Marianne wil sturen: “… Nu ik tot het verleden behoor, wil ik je desondanks nog eenmaal mijn dank verhalen; want ik dank je, Theo…”. Dat is waarschijnlijk ‘kanselretoriek’, want in de Bijbel gaat het over ‘dank betalen’. In het verhaal dat dan begint blijkt het pakketje inderdaad te zijn aangekomen bij ene Madame Marianne Moreau, een bejaarde dame die in Parijs bivakkeert, ooit een voortrekkersrol speelde aan de Sorbonne, en iets gehad schijnt te hebben met een kunstschilder, die inmiddels is overleden. Er komen negen brieven uit het pakje rollen, die de vrouw eerst verwonderd en daarna herkennend gaat zitten lezen. Dat maakt van “Een leven bleek niet lang genoeg” een brievenroman. Uit het eerste epistel is op te maken dat ze, toen de man en de vrouw jong waren, een relatie hebben gehad die ter ziele ging. Ik kwam er niet achter waarom. Ontgroeiden ze elkaar? Maar waarom zei zíj dan dat ze altijd van hem zou blijven houden en heeft híj haar nooit uit zijn hoofd kunnen zetten? In de brieven is er ook nergens sprake van andere liefdes. Soms is de tekst wel ér-rug over de top: “… Wij hielden van elkaar. Ja, wij hielden, hielden, hielden van elkaar…”. En even verder nogmaals: “… De verdoving van de liefde hield ons op de been. Wij, zotten, hielden immers van elkaar. Wij hielden, hielden, hielden van elkaar, als de zanger van het lied, als de engelen van licht…”. Ik bedoel, als een jeugdvriendje mij dertig jaar na dato iets dergelijks zou schrijven, dan zou ik daar wel een beetje lacherig van worden, geloof ik. Laat staan na vijftig of zestig jaar. Maar als de schrijver zoekt naar antwoorden in verband met het waarom van het leven gaat het verhaal zeker fascineren. Vooral als daar Nietzsche in meekomt, die constateerde dat God dood is: “… Er is sinds lange tijd geen hogere macht meer die ons als stipjes op de tekening der kosmos zet, die ons voortdrijft naar een doel. De stem die uit de hemel kwam en het waarom van de dingen verklaren kon, is lang geleden verstomd. Ja, het is stil geworden op de heilige bergen. Zo is het toch, Marianne. Maar waarom zochten wij er dan toch naar? Waarom zoeken wij dan toch naar zin, naar doel, naar betekenis? Waarom zoeken wij naar zaken alsof er een opperwezen is dat ons ze kan vertellen? God leeft niet meer, Marianne. Dat hebben we toch met elkaar afgesproken, toen de zot schreeuwend het marktplein kwam oprennen? Waarom zochten we dan naar iets dat hoger is dan wij? Waarom vulden wij onze monden niet met aarde bij de aandrang van zulke gedachten over hemel en verheldering? Waarom kauwden we niet wild op boomschors en bladeren om ons eraan te herinneren dat we hier zijn, en dat we alleen maar hier waren…”. Ik zou zeggen: we leven niet van brood alleen.

Klef
In de tweede brief bezingt de oude man zijn voorbije liefde. De weemoedige blikken zijn niet van de lucht. Lief, teder, en vooral diep en dromerig. In een ademloos en stil moment ‘mocht’ zijn ziel zingen. Zijn vingers zijn inmiddels ‘onbekwaam’ om zich te buigen naar zijn wil (dat is absoluut ‘tale Kanaäns’). De oude man heeft ‘geweend’ om zijn ‘jonge en ongeschonden’ hart: “… Waarvan spreken geliefden die met weke knieën naar het einde schuifelen?...”. Toe maar. “… Het willen was nog bij ons; het kunnen verdween langzaam in de mist…”. Jawel. De oude man heeft zeeën van tranen vergoten om zijn geliefde, terwijl de wijn almaar rood kleurde in de glazen. In zijn binnenste smeekte hij zijn beminde om te blijven. Maar ja. Marianne had zin in wat anders. Dat hij niet dood is gegaan van liefdesverdriet snapt hij zelf ook niet: “… Het zwarte water wou mij niet verzinken; waarom is onbekend…”. Kortom, het is allemaal zo gruwelijk klef, dat je je ogen uitwrijft en van de weeromstuit niet meer op kunt houden met verder lezen. Is de schrijver ernstig of dóet hij het erom (zie bijvoorbeeld “Snikken en grimlachjes” van Piet Paaltjens of het oeuvre van Lévi Weemoedt, en Gerard Reve kon zich ook aanstellen als geen ander)? Van een student filosofie kun je natuurlijk van alles verwachten. De oude man zegt er trouwens bij dat het hem geen bal interesseert of anderen hem voor gek verslijten. Het is niet een en al ellende, uiteindelijk heeft hij via deze beproeving zijn ‘zelf’ gevonden.

Ieder z’n mening

In de derde brief filosofeert de oude man over het hebben van een mening. En dat is in Nashville-tijden toch echt wel aan mij besteed. “… Ons standpunt is nooit het onze, en onze zienswijze nooit van onszelf. Ons standpunt is dat van de geesten om ons heen, van de voeten die de aarde om ons heen betreden…”. Wat een wijsheid. “… Elk worden wij bewogen, en elk bewegen wij. Hij, die uit het oog verliest dat hij dat doet, die is een gevaar. Hij, die vergeet dat zijn standpunt niet het zijne is, die er met een scherp mes zijn naam inkrast om het als het zijne te begrijpen. Hij, die liegt tegen zichzelf en daarmee tegen ieder ander, die is een gevaar. Hij zal zich op een verhoging plaatsen, boven de anderen…”. En even verder: “… Meningen zijn voor hen die volle zakken met zekerheid hebben, zij, die dat kwistig kunnen uitgeven. Meningen zijn voor hen die druipen van redeloze weelde, van blinde zekerheid. Maar wij, wat hebben wij? Vraagtekens, dat is wat wij hebben, en vraagtekens vragen slechts; daarvan is niets weg te geven…”. Over gekozen leiders: “… Ze zullen hem prijzen om de eenheid die hij uitstraalt; ze zullen hem een man uit één stuk noemen, uit het juiste hout gesneden…”. En bijna profetisch: “… Wellicht zullen ze hem tot leidsman verkiezen, hij, die de bewoners van zijn hart tegen elkaar heeft opgezet. Hij, die stelling genomen heeft tegen zichzelf…”. Volgens de oude man kun je alleen maar een leider zijn als je een deel van jezelf vermoordt. Ik denk dat het hebben van een mening wel een dingetje is voor pubers op een refo-school. Want je wordt natuurlijk geacht de standpunten van de bubbel waar je in zit tot die van jezelf te maken (wat op zich volstrekt logisch is). Het is dan ook te begrijpen dat Bakker bij monde van de oude man uitroept: “… Waarom werd ons al zo jong geleerd het altijd eens of oneens te zijn?...”.

De bezetene van Gadara
De vierde brief handelt over de eeuwige wederkeer van de lentebloemen in een paradijselijke tuin: mij spreekt de blomme een tale. Je moet er van houden. De oude man lijkt tot de conclusie te komen dat er geen objectieve waarheid bestaat. Dat de waarheid “… is gebakken van onze eigen gedachten…”. Onze subjectieve, hoogstpersoonlijke waarheid noemt hij “… de gedoemde staat waarin wij leven…”. In de vijfde brief bereikt Bakker wat mij betreft waarlijk grootheid als hij een hervertelling ten beste geeft van Nietzsches verhaal over de ‘tolle Mensch’, waarin de oude man zichzelf herkent. In de stad is het zo heet dat “… er grote zweetdruppels parelden op de voorhoofden van de witgepleisterde gebouwen langs de straten. Die gebouwen stonden daar, onbeschermd tegen het felle licht, en terwijl de ongenadige stralen van de zon hun vormen teisteren, sloten ze in een lome moedeloosheid hun ogen…”. De gek lijkt nog het meest op de bezetene van Gadara (Markus 5): “… Zijn ongewassen haren vallen sluik over zijn schedel heen, en zijn baard hangt als een struik aan zijn gezicht…”. Kijk, dat vind ik nu mooi – zo’n woordspeling ben ik nog nooit ergens tegengekomen. En verder: “… Een vermagerd gelaat, met daarin donkere ogen die vurige blikken afschieten, wordt ondersteund door een volledig verwaarloosd lichaam. De gescheurde klederen die om zijn gebogen schouders hangen, hebben de kleur van vuil. De gestalte toont een man die al sinds lange tijd niet meer weet wat rust is, en de klanken die hij uitstoot getuigen van een dierlijke angst…”.

Zelf God zijn
In de zesde brief vertelt de oude man over het afdalen in zijn innerlijk. Zijn psyche heeft wel wat weg van het labyrinth van de Minotaurus (die hij gelukkig niet tegenkomt), met in de verte de zachte zang van sirenen – zie mijn vorige blog. Op een gegeven moment vaart hij in een bootje over ‘de wateren van zijn ziel’. Elders heeft hij het heel gereformeerd over zijn ‘binnenkamers’. Hij komt in een ‘heilige ruimte’ terecht, een soort spelonk, waar hij zich in alle rust oplaadt, maar verder niemand anders aantreft dan zijn zelf. Hij kan niet anders dan tot de conclusie komen dat zijn zelf lijkt op alle andere zelven. Dat is een waarheid als een koe: we lijken meer op elkaar dan we van elkaar verschillen. Gelukkig maar, anders zouden disciplines als de psychologie en psychiatrie weinig voor ons kunnen betekenen. Het lijkt mij dat de oude man op iets als het collectief onbewuste is gestuit, waar Jung het over heeft. Volgens de oude man zijn verliefden op de vlucht voor zichzelf. Een verliefde wil vooral de ander zijn. Daar zit wel wat in, denk ik, daar moet ik nog eens goed over nadenken. In de sublieme zevende brief verbindt de oude man de toren van Babel met Nietzsches uitspraak over dat wij de zee hebben leeggedronken. Hierdoor konden de mensen uitwaaieren over het blootgelegde land, hun vrijheid tegemoet. Maar: “… Die vrijheid bleek het licht; wij werden het donker…”. Het feest van de moord op God eindigt in mineur. Nu moeten we zelf God zijn: dat is nogal wat. We hebben een veel te grote broek aangetrokken. Het valt niet mee om jezelf aan je eigen haren uit het moeras te slepen. Ondertussen trekt God zich in de hemel lachend terug. Hij is blij dat Hij van ons af is…

Terug naar de baarmoeder
De achtste brief bevat een sympathiek referaat over onze onuitroeibare neiging tot (ver-)oordelen. We zien alleen de buitenkant en nooit de binnenkant, dus “… Ons oordeel is een oneindig diepe domheid…”. Ja oude man, denk ik dan, we hebben allemaal overduidelijk gegeten van de boom van goed en kwaad - ik ben niet voor niets recensent. De negende brief, waarin de oude man afscheid neemt van het leven, is weer zo melodramatisch dat ik er draaierig van werd. Soms dacht ik: moet de schrijver niet tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Ik bedoel, toen ik twintig was heb ik ook dagboeken volgeschreven met hoogdravend gejammer. Ik ben blij dat ik het allemaal weggeflikkerd heb: daar wil je niet dood mee gevonden worden! Enfin; Marianne is in ieder geval met stomheid geslagen over wat ze leest, wat ik mij kan indenken, want ik ben dat ook. En daarna wordt ze boos en vervolgens maakt ze het zich eigen. De oude man krijgt nergens een naam, misschien is hij Theo zelf wel. Ik bedacht, met Nashville in mijn achterhoofd, dat het verhaal misschien wat beter te behappen was geweest als Marianne een man zou zijn. Dan waren alle onmogelijke begeertes en waanzinnige eenzaamheid een beetje te plaatsen. Want wat moet je met: “… Het was een schreeuwend verlangen van eindeloze onmacht, snikkend te mogen zijn, huilend en vragend om begrepen te zijn. Mijn handen smachtten hevig om vastgehouden en gestreeld te worden. Mijn ogen verlangden een glimlach te zien, een glimlach te zien van liefde, om te verdrinken in de ogen waarin ze zich verloren. Mijn lichaam huiverde van eindeloos verlangen vastgehouden, gekoesterd te worden. Een wens van onmetelijke omvang doorstroomde mij te mogen huilen in de moederschoot van mijn bestaan, naar de plaats waar ik ooit niets was, waar ik niets mocht zijn; waar ik geborgen was, en veilig, waar ik omgeven was door warme liefde. Huilend zat ik daar in het binnenste van mijn bestaan, het water van mijn ziel tot aan mijn lippen, en ik schreeuwde, schreeuwde van verlangen. Huilend schreeuwde ik; als een dier schreeuwde ik, om vrede, om rust, om liefde. Om liefgehad te worden zonder grenzen, zonder einde, zonder tijd en zonder woorden…”. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Pfff... Heftig toch? We willen allemaal wel eens terug naar de baarmoeder, maar ja, die weg is voorgoed afgesloten.

Een ode aan de oude man
Wát een dramaqueen. En toch flitst er hier en daar iets geniaals door "Een leven bleek niet lang genoeg". Stelt dit boek wat voor, of is het allemaal bullshit en gebakken lucht? ‘Groots en meeslepend’ kan absoluut doorslaan naar potsierlijkheid. Ik snap dat het voor een jonge schrijver moeilijk is de exacte grens te trekken. Als iemand daar een meester in is dan is dat volgens mij Désanne van Brederode – zie “Stille zaterdag”. Echter; alleen al het feit dat ik het, weliswaar met kromme tenen, absoluut gebiologeerd heb zitten lezen, getuigt zeker van impact. Daarom breng ik een ode aan de oude man. Bakker is een goede prediker, maar of hij een goede schrijver gaat worden weet ik niet. Dat is aan zijn lezers. We zullen hem in de gaten houden. Ik ben benieuwd of er uit de hoek van het CLO of Liter een reactie is gekomen. Is dit trouwens een christelijk boek? Ik vind van niet. Jezus is in geen velden of wegen te bekennen. Het gaat vaak over God, maar Hij doet me meer aan “De onbekende God” van John Steinbeck denken. Ook al heeft het verhaal iets oudvader-achtigs. Het is misschien wel het vreemdste debuut dat ik ooit ben tegengekomen. Maar Dada was ook vreemd. En Klaus Nomi ook. Wat mij betreft: hoe vreemder hoe leuker…

Uitgave: Brandaan – 2018, 160 blz., ISBN 978 946 005 045 9, € 18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 10 januari 2019

Circe – Madeline Miller


In 2012 won Madeline Miller (Boston, 1978) met haar debuut "Een lied voor Achilles", een hervertelling van Homerus’ “Ilias”, de Orange Prize for Fiction. Ze werkte er tien jaar aan, terwijl ze ondertussen les gaf in klassieke talen. Inmiddels is haar tweede roman verschenen: “Circe”. Een fantastisch epos over de mythische ‘pharmakis’ oftewel ‘heks’ Circe, de vreemde dochter van de machtige Titaanse zonnegod Helios en najade Perse, hoedster van bronnen en stromen. Miller schept een heel eigen universum, een beetje vergelijkbaar met “Harry Potter” of “In de ban van de Ring”.

In nevelen gehuld

Zijn de goden, de halfgoden en al die andere duizelingwekkende wezens uit de Griekse mythen puur fantasie? Of zit er méér achter al die overgeleverde verhalen? Opwindende gedachte toch? Zie bijvoorbeeld de christelijke schrijvers die out-of-the-box durfden te denken. Alexander Hislop, F. de Graaff, Willem Ouweneel. Hun speculaties. Sprak de momotheïstische God uit de Bijbel niet recht te midden van ‘de goden’ volgens Psalm 82? Gaat het in Genesis 6 niet over ‘giganten’? Over zonengoden die kinderen kregen bij de vrouwen op aarde? Over ‘de befaamde helden uit het verre verleden’, dat zo in nevelen is gehuld? Zijn de Helleense goden misschien de Oud Testamentische engelen die uit de hemel vielen en degradeerden tot duivels? Je zou het bijna denken, gezien een fragment over een meisje uit “Circe”: “… Ik keek toe terwijl ze danste, haar armen gebogen als vleugels, haar sterke, jonge benen verliefd op hun eigen bewegingen. Dat is de manier waarop stervelingen roem vinden, dacht ik. Door oefenen en ijverig zijn, door hun vaardigheden te koesteren als een tuin tot ze stralen onder de zon. Maar goden worden geboren uit ichor en nectar, hun uitmuntendheden barsten al meteen uit hun vingertoppen. Dus die vinden hun roem door te bewijzen wat ze kunnen bederven, door steden te verwoesten, oorlogen te beginnen en plagen en monsters voort te brengen…”. Jaja; de goden zijn bepaald geen lieverdjes, volgens Miller.

Slome sukkel

Godinnen schieten kinderen als kuit. Circe (oftewel ‘Havik’ in onze taal: vanwege haar gele ogen en schrille gehuil) is de zoveelste in haar familie. Niemand die haar ziet staan en ook nog eens zo lelijk als de nacht. Haar kansen op de huwelijksmarkt? Misschien dat een vorst haar ooit zal willen hebben, profeteert haar vader. Een sterveling, gruwt haar moeder. Hoe of die er uit zien, informeert Circe. “ … Je kunt zeggen dat ze zo gevormd zijn als wij, maar dan alleen zoals de worm net zo gevormd is als de walvis…”, zegt haar vader. “… Net wilde zakken verrot vlees…”, aldus haar moeder. En na een blik op haar kind, tegen papa: “… Kom mee. (…) Laten we een betere maken…”. Eigenlijk is de enige aardige god Circes’ oom Prometheus: “… Lang geleden, toen de mensheid nog rillend ineengedoken zat in zijn holen, had hij de wens van Zeus getrotseerd en hun het geschenk van het vuur gebracht. Uit de vlammen van het vuur waren alle kunsten en genietingen van de beschaving voortgekomen die de afgunstige Zeus hun had willen onthouden…”. Hij moet er ongenadig voor boeten. Hij wordt aan een rots geketend waar iedere dag een hongerige adelaar zijn steeds weer aangroeiende lever uit zijn lijf komt trekken. Geen wonder dat sommige middeleeuwse denkers in Prometheus de voorloper van de christelijke Jezus zagen, die immers ook de mensen kwam helpen. Circe, nieuwsgierig naar de stervelingen, legt haar leven in de waagschaal door tijdens Prometheus' proces met hem aan te pappen. Op een stil strandje ontmoet ze op een gegeven moment zelfs een échte sterveling: Glaucos. Een jonge visser waar ze stapelverliefd op wordt. Papa heeft andere plannen met haar, dat weet ze best. Door middel van ‘pharmaka’, plantensap, tovert ze Glaucos om in een god waar ze mee thuis kan komen. Edoch, een knappe rivale, Scylla, troggelt hem binnen de kortste keren van haar af. Dat had ze beter niet kunnen doen. Circe: “… Ik wist alleen maar dat ik haar haatte. Want ik was net als iedere andere slome sukkel die ooit van iemand heeft gehouden die een ander liefhad. Ik dacht: als zij er niet meer was, zou alles anders worden…”. Dus tovert ze Scylla om in een afschuwelijk monster. Als het tot de ietwat benauwde goden doordringt wat voor krachten er in Circe huizen, wordt besloten dat ze verbannen zal worden naar het eenzame eiland Aiaia, waar ze geen kwaad kan. En Glaucos? Ach, geen handvol maar een land vol, zal ik maar zeggen.

Alles voor een offer
Op Aiaia legt Cice zich toe op het verwerven van planten- en kruidenkennis en wordt een steeds bedrevener heks. Af en toe komt de mooie, lacherige, achteloze, nieuwsgierige Hermes langs, god van de dieven en reizigers, van wie ze de laatste roddels uit de godenwereld verneemt. Het verhaal bereikt hier en daar bijna Bijbelse proporties: “… Hij had een sterveling tot vrouw genomen en had inmiddels een baby in windsels en nog een in de buik…”. Hij vertelt dat Scylla, intussen een zeskoppig gedrocht, een zee-engte heeft gevonden dat haar bevalt, met aan de ene kant een draaikolk en aan de andere kant een rotswand, zodat geen zeeman aan haar vraatzucht ontsnapt: “… ‘Kan niemand haar tegenhouden?’ ‘Zeus zou dat kunnen, of je vader, als ze wilden. Maar waarom zouden ze? Monsters zijn een zegen voor de goden. Stel je alle gebeden eens voor.’…”. Hun tomeloze eerzucht: “… ‘Vertel eens,’ zei hij, ‘wie biedt betere offers, een diepongelukkige man of eentje die gelukkig is?’…”. Iemand die gelukkig is natuurlijk, want die is dankbaar. “…‘Fout,’ zei hij. ‘Een gelukkig man heeft het te druk met zijn leven. Die denkt dat hij niemand iets verschuldigd is. Maar laat hem sidderen, dood zijn vrouw, vermink zijn kind, en je zult van hem horen. Hij zal zijn gezin een maand honger laten lijden om een zuiver wit eenjarig kalf voor je te kopen. Als hij het zich kan veroorloven zal hij er honderd voor je kopen.’ ‘Maar je zult hem uiteindelijk toch eens moeten belonen,’ zei ik. ‘Anders houdt hij op offers te brengen.’ ‘Ach, je zou er van opkijken hoe lang zo iemand doorgaat. Maar inderdaad, uiteindelijk is het het beste om hem iets te geven. Dan is hij weer blij. En kun jij opnieuw beginnen.’ ‘Dus zo brengen de Olympiërs hun tijd door. Met manieren bedenken om mensen ongelukkig te maken.' ‘Er is geen reden voor zelfgenoegzaamheid,’ zei hij. ‘Je vader is er beter in dan wie ook. Als hij denkt dat het hem ook maar een koe meer oplevert, zal hij zo een heel dorp met de grond gelijkmaken.’…”. Alles voor een offer. Het doet me een beetje aan de likes op Facebook denken. Tussen haakjes, de rivaliserende Olympiërs en Titanen leven in gewapende vrede.

Zwakke vaten
De gebeurtenissen die Circe met Kreta verbindt, waar ze wordt ontboden, komen voorbij. Koning Minos en zijn labyrinth met de ijzingwekkende Minotaurus. Ariadne. Icarus die uit de hemel valt. Medea. Jason en het gulden vlies. Weer thuis, beginnen de goden hun lastige dochters naar Aiaia te sturen (zonen krijgen nooit straf). Een stoet zeelui uit een verdwaalde boot plonst aan wal. Blij met wat afleiding voorziet Circe ze van eten en drinken. Maar als de heren zijn volgevreten wordt ze verkracht door de kapitein. Ternauwernood weet ze de rest om te toveren in varkens. Het herinnerde me aan Jezus die ook boze geesten in zwijnen liet varen. De beesten die uit Circes’ oude varkenskot ontsnappen storten zich meestal van de klippen, staat er zelfs. Plotseling vroeg ik me af of er daarom in veel religies een verbod op het eten van varkensvlees bestaat – je zal maar per ongeluk... Uiteindelijk zoekt ook Odysseus met zijn mannen heil bij Circe. Ze zijn na de tienjarige oorlog met Troje totaal uitgeput: “… voor het eerst van mijn leven was ik ondergedompeld in sterfelijk vlees. Die fragiele lijven van hen vroegen om onafgebroken aandacht, voedsel en drinken, slaap en rust, het reinigen van ledematen en kanalen. Wat een geduld moesten stervelingen hebben, dacht ik, om zichzelf uur voor uur erdoorheen te slepen…”. Ja, zo bekeken valt het niet mee om mens te zijn. Zwakke vaten noemt ze ons. Circe valt als een blok voor de sterfelijke Odysseus, doet van alles om hem om haar vinger te winden, verzint allerlei klusjes om hem bezig te houden, maar hij blijft maar doorzeuren over zijn geliefde eiland Ithaca, zijn vrouw Penelope en zijn zoontje Telemachus. Naar aanleiding van de doornstruiken die hij kapt: “… ‘Die waren aan het woekeren. Wat je eigenlijk nodig hebt, zijn een paar geiten. Een kudde van vier heeft ze binnen een maand platgevreten. En dan houden ze ze ook plat.’ ‘En waar vind ik geiten?’ Dat woord tussen ons in, ITHACA, als het verbreken van een betovering. ‘Laat maar zitten,’ zei ik. ‘Ik zal een paar schapen omtoveren, dan is dat geregeld.’…”. Met lede ogen ziet ze zijn heimwee aan: “… Pasiphaë had me vast aangeraden een liefdesdrankje te maken en hem aan mij te binden. Aeëtes had vast gezegd dat ik hem zijn verstand moest ontnemen. Ik stelde me zijn gezicht voor dat van alle gedachten ontdaan was, behalve wat ik erin had gelegd. Dan zou hij aan mijn knie naar me omhoog zitten kijken, stompzinnig, vol aanbidding en leeg…”. De vrije-wil-discussie is er niets bij. Na ruim een jaar moet ze hem laten gaan. Hij laat haar achter met een kadootje in haar buik.

Alleenstaande moeder
Circe weet weinig tot niets van zwangerschap. Ze is zo misselijk als een kat. De bevalling wordt een slagveld. En tot overmaat van ramp blijkt haar zoontje - Telegonus is de naam - een huilbaby van de ergste soort: “… Ik maakte een lijst van alle dingen die ik voor hem zou doen. Mijn huid verschroeien. Mijn ogen uitrukken. Mijn voeten tot op het bot verslijten, als hij maar tevreden en gezond was. Hij was niet tevreden. Een ogenblik, dacht ik, ik heb maar een ogenblik nodig zonder die vochtige razernij in mijn armen. Maar dat was het niet. Hij verafschuwde de zon. Hij verafschuwde de wind. Hij verafschuwde het bad. Hij verafschuwde het om te worden aangekleed, bloot te zijn, op zijn buik te liggen en op zijn rug. Hij verafschuwde deze geweldige wereld en alles wat daarop thuishoorde, en het had er alle schijn van dat hij mij het meest van alles verafschuwde…”. Het moederschap valt niet mee: “… Ik vocht door en hij groeide. Meer kan ik er niet over zeggen…”. Daar komt bij dat Circe moet dealen met zijn sterfelijkheid en alle gevaren die dat met zich meebrengt. Telegonus ontwikkelt zich tot een rasechte ADHD-er. Alles heeft Circe voor hem over en tegelijk wordt ze knettergek van hem. Nooit kom je jezelf zo tegen, dan als moeder. Laat staan alléénstaande moeder: “… Ik weet wat ik in die dagen was: onevenwichtig, onstandvastig, een slecht gemaakte boog. De manier waarop hij opgroeide, legde elke fout in mij bloot. Elke zelfzuchtigheid, elke zwakte…”. Het is haar wil tegen de zijne. Ze vermoordt hem nog net niet. Als ze hem eindelijk slapend in zijn bedje heeft: “… Hij hield mijn hand vast, met zijn warme vingertje om de mijne gekruld. Schuldgevoel en schaamte knaagden aan me. Hij zou me moeten haten, dacht ik. Hij zou er vandoor moeten gaan. Maar ik was de enige die hij had. Zijn ademhaling begon te vertragen, zijn ledematen werden slap. ‘Waarom kun je niet wat kalmer doen?’ fluisterde ik. ‘Waarom moet het zo moeilijk zijn?’…”. Ze vecht voor hem als een leeuw, zelfs tegen de goddelijke machten die hem bedreigen en haar eigenlijk te sterk zijn. Het is onvoorstelbaar wat moeders kunnen opbrengen voor kinderen. Als Telegonus eindelijk een beetje tot bedaren komt zijn de moeilijkheden nog lang niet voorbij. Want dan volgt de puberteit en de verpletterende strijd van het loslaten.

Netflix

Miller weeft prachtige fragmenten vol psychische waarheid door het verhaal. Wie het vatten kan, vatte het: “… Odysseus had me eens een verhaal verteld over een koning die een wond had die niet genezen kon worden, niet door een arts, niet door de tijd. Hij ging naar een orakel en hoorde diens antwoord: alleen de man die hem die wond bezorgd had, kon hem herstellen, met dezelfde speer waarmee hij hem had bezorgd. Dus strompelde de koning de wereld over tot hij zijn vijand had gevonden, en die genas hem…”. Of: “… Juist de mannen die in de grootste nood verkeren vinden het het ergst om dankbaar te zijn en zullen naar je uithalen om zich weer heel te voelen…”. Familiedrama volgt op familiedrama. Telegonus bouwt een boot en gaat er vandoor. Op zoek naar zichzelf. Op zoek naar zijn roots. Op zoek naar zijn vader. Odysseus komt weer in beeld. We zouden hem anno 2019 als een soldaat met PTSS bestempelen, denk ik. Het gaat over de vuile handen die we, naarmate we ouder worden, allemaal maken. De schuld die we opstapelen in ons leven vanwege onze onachtzaamheid en overmoed. Over de ruziënde, onbetrouwbare, frivole goden wier machtsmethoden bestaan uit het scheppen van angst. Hoe snel verveeld ze zijn: zo leuk is het niet om honderdduizend keer hetzelfde te zien. En dat het nog niet zo gek is om een sterveling te zijn, want stervelingen groeien en leren en kunnen nieuwe werelden scheppen. Voor zichzelf en voor wie na hen komen. Maar góden: “… Ooit dacht ik dat goden het tegenovergestelde van de dood waren, maar nu zie ik dat ze meer dood zijn dan wat ook, want ze zijn onveranderlijk en kunnen niets in hun handen vasthouden…”. Ene dr. S.J. Suys-Reitsma schrijft in haar “Helleense mythos” dat de oude godenverhalen indertijd niet zozeer functioneerden ter ‘stichting’ als wel ter ‘vermaak’. Dus waarschijnlijk vergelijkbaar met de rol van Netflix van nu. Dan lijkt mij dat Miller die hele soap in de perfecte vorm heeft gegoten.

P.S.: Deze blog is onderdeel van een door de uitgever georganiseerde blogtour. Andere recensies zijn te lezen bij: Biepmiepje, Connie's Boekenblog, Drukinkt en De leestrein.

Uitgave: Orlando – 2018, vertaling Miebeth van Horn, 384 blz., ISBN 978 949 208 682 2, € 23,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 3 januari 2019

Broeder Ezel – Liesbeth Goedbloed


Wat is er met die (ex-) refomeiden aan de hand? Het lijken wel grommende vulkanen die ineens vuur gaan spuwen. De mannenbroeders kwamen al veel eerder los. Zie Maarten ’t Hart en Jan Siebelink. En volgens mij wentelden die zich ook veel meer in zelfmedelijden. Niet dat dat erg is, hoor. Meestal had en heb ik veel medelijden met hun zelfmedelijden. Maar kijk eens naar wat ik allemaal in het afgelopen jaar heb besproken: Liesbeth Labeur, Marieke van Meijeren, Els Florijn, Franca Treur, Marieke Lucas Rijneveld en laat ik daar voor het gemak Tara Westover ook maar even aan toevoegen. Deden de dames er langer over omdat de weg zwaarder was? Je zou het bijna denken. Meisjes dragen de zwaarste lasten. Overal en altijd. Het gaat om moeizaam bevochten identiteit. Alleen al de immense strijd die sommigen van hen leverden om van een raar kerkhoedje af te komen en letterlijk de broek aan te trekken! Dat zorgt voor het nodige oponthoud. Maar ik vind dat ze ongelooflijk sterk tevoorschijn komen. Hun moeders en grootmoeders, die nog onderworpen waren aan de ‘Sarah in haar tent’-, alias ‘de vrouw aan het aanrecht’-, alias ‘rok tot de grond, haar tot de kont’- mentaliteit, kwamen meestal niet veel verder dan de streekromans van Mien van ’t Sant of Annie Oosterbroek-Dutschun. En ik zal de laatste zijn die daar meewarig over doet: ze lázen tenminste. Het was een hele vooruitgang toen ineens Joke Verweerd opdook. Met "De wintertuin" (1995). Sloeg in als een bom. Ik weet het nog precies. Maar voorwaar, de van huis uit gereformeerde zusters die ik hierboven noemde, zijn toch wel van een heel wat zwaarder kaliber. En nu is er daar dus wéér zo eentje: Liesbeth Goedbloed (1981). Wat schreef zij voor een boek? Was het een bekeringsroman? Een inwijdingsroman? Een zelfmoordroman (ik moet toch die “Werther” van Goethe eens lezen…)? Ik weet het niet. Als je het hebt over ‘experimenteel proza’ - zie mijn vorige blog… Kunst met een grote K roept meer vragen op dan ze beantwoordt. Ik was verbijsterd toen ik het uit had. Ik dacht maar één ding: dit is ijzingwekkend goed…

Hel- en verdoemwaardig

Goedbloed weeft twee verhalen door elkaar die matchen in Anna. Het ene gaat over haar broertje Jens, een prachtig zevenjarig jongetje met koperrood haar (en wie zou als christen niet aan David denken - 1 Samuël 16:12), die lijkt te verdrinken in een Hollands slootje. Terwijl zij op hem had moeten passen. Of heeft hij het overleefd? Hoe krijgt een schrijver het voor elkaar dat een kleine tweehonderd bladzijden lang als raadsel te laten staan? Het andere verhaal draait om de inmiddels volwassen Anna die tijdens een vakantie letterlijk een Italiaanse louteringsberg beklimt om met haar schuldgevoelens in het reine te komen. In haar eentje, maar met een ezel: “… een punkerezel en zo eigenwijs als de hel…”. Wie leidt wie? “… Hij gaat voorop en zij loopt achter hem aan, steekt zo nu en dan haar hand tastend uit. Zolang hij voor haar loopt, zal ze niet verdwalen…”. De bijna hermetische taal is zo karig, zo zintuiglijk, de hitte zo zinderend en het klimmen zo slopend, dat het me linea recta aan “De vlucht” van Jesús Carrasco deed denken. En waarachtig: zelfs de omslag ziet er hetzelfde uit, al staat er op de ene een geit en op de andere een ezel – kijk maar. Anna’s eerste stop (of statie): een café aan een doodstil pleintje. Een man in een zwart pak - een politieagent? een postbode? - die haar doordringend op zit te nemen. Het duurt uren voor er iemand achter het vliegengordijn vandaan komt om haar bestelling op te nemen. En die man blijft maar kijken: “… maar zij vermeed zorgvuldig zijn blik, hij moest een zwarte vlek in de hoek van het beeld blijven, als ze nu zijn kant op keek, zou hij een praatje met haar willen maken en ze wilde niet praten. Met niemand…”. Als ze opstaat om naar de wc te gaan, merkt ze dat de man achter haar aan komt. Staat hij met zijn vogelharen en zijn felle blik voor een enge voorganger dan wel ouderling? In het spiegelverhaal zegt de dominee dat ze “… hel- en verdoemwaardig…” is, wat ze zelf ook wel weet, “… ze had echt geen dominee nodig om haar dat te vertellen…”. Daar gaan we weer, dacht ik. In ieder geval zien we die zwarte schaduw daarna niet meer terug.

Jens staat in de hens
De volgende statie is een kruis langs de bochtige weg: “… Christus verscheen in de gedaante van een porseleinen adonis met krullend, kastanjebruin haar, een keurig getrimd baardje en een brede borstkas. Nergens sporen van geweld, Hij hing daar volledig op Zijn gemak en had zelfs een dakje boven Zijn hoofd, zodat Hij ook geen last had van de regen. Hij had zijn ogen dicht, het leek of Hij van verveling in slaap gevallen was…”. Hij roept vooral agressie in haar op: “… Hij verdiende het dat ze Hem aan scherven sloeg, zijn lichaam brak, haar handen aan Hem openhaalde…”. Waarom reageer jij zo? - denk ik dan. In het gras langs de weg klinkt geritsel. Anna bedenkt ongerust dat er ook slangen moeten zijn: “… Op hun buik schuifelden ze door de berm en aten stof. Voor straf. Zo ging dat als je een weg bewandelde die niet goed was, een weg naar je eigen gedachten…”. Zelf zit ze ondertussen ook op een alternatieve route, maar ze kan altijd nog tegen de ezelverhuurder zeggen dat de ezel geen andere kant op wilde: “… Die ezel die gij mij gegeven hebt…”. De Christenreis van John Bunyan, een boek dat - naast de Bijbel - in de protestantse orthodoxie een belangrijke rol speelt, wordt erbij gehaald: “… Waar was ze nu? Op de smalle of op de brede weg?...”. Vervolgens gaat het weer over Jens met wie ze ‘martelaartje’ en ‘kerkje’ speelt. Een oud bruin gordijn als een toga om hem heen. Zijn rode krullen die afsteken als ‘het brandende braambos’: “… Jens staat in de hens…”. Hoe hij improviseert uit een kikkervisjesboek van de bibliotheek: “… ‘Geliefde gemeente,’ begon hij zijn preek, ‘mijn preek gaat over kikkervisjes. Wij allen weten dat kikkervisjes door God geschapen zijn en dat zij in de sloot leven. Sommige mensen vinden ze glibberig en vies’, bij deze woorden keek hij haar aan – ‘maar zijn we niet allemaal zondaren? Geliefde gemeente, wij zijn hier bijeen om te overdenken, om te bedenken dat…’ Even keek hij zoekend om zich heen, toen begon hij weer met zijn beste domineesstem: ‘Het wonder van de wedergebóórte, gemeente! Het wonder van de wedergebóórte! Maar niet alleen toen deed de Heere wonderen. Ook nu wil Hij ons verblijden. Een vis die in een kikker verandert! Als dat geen wonder is, geliefden! Maar de poorten der hel zullen haar niet overwellen.’ Overweldigen, dacht Anna…”. Nou, dat belooft nog wat, die jongen. Ik bedoel: daar kan Youp van ’t Hek nog een puntje aan zuigen. Ik zal het maar niet over het Youtube-filmpje gaan hebben dat mijn neefje me laatst liet zien: een volwassene die de tale Kanaäns los liet op ‘Ik zag twee beren, broodje smeren’. Jawel. Als Jens daarop als een echte diaken met een bingozakje rond gaat: “… ‘Geliefde zuster,’ zei hij tegen de moeder, ‘uw jongedochter heeft niet stilgezeten. Hoe kan zij zo voor God verschijnen?...”. En Anna woedend: “… Jij hebt die hond toch zeker zelf in de kerk gezet!…”.

Als je weggaat, maak ik je dood
Het is duidelijk dat Anna een inwendige strijd uitvecht. Ze begint onderweg zelfs tegen de ezel te praten: “… O, ik weet wel hoe het werkt hoor. Iedereen kiest het beste voor zichzelf. Ik, jij, Jens, mama, Maria – iedereen kiest het beste. Zelfs bij God werkt het zo, die heeft ook zijn verworpenen en zijn verkorenen…”. Zoals Maria. Al zit ze er af en toe half in haar blootje bij. Zolang ze het kindeke Jezus maar baart: “… met haar appelborstjes en haar zoete pruimenmondje. Maria mag alles, want Hij is dol op schoonheid en heiligheid en smetteloosheid en zij is de gezegendste onder de vrouwen…”. Hier is iemand heel erg gefrustreerd over God. Eigenlijk heb ik zelden zulk rauw en tegelijk beheerst proza gelezen: “… Het zal best waar zijn allemaal, dat Hij een goede herder is die zijn verloren schapen zoekt, maar Hij zoekt alleen de zoetblatende, zachtwollige – geen schapen die het liefst wolven zouden zijn, die zouden willen dat ze één keer tanden hadden en konden grommen, die één keer in de rug zouden willen aanvallen, de tanden in een schouderbot zetten, de smaak van bloed op de tong – die één keer zouden willen dat het omgekeerd was, niet gegeten worden, maar zelf eten, niet bang maar angstaanjagend zijn…”. En over Jezus: “… Hij mag toch altijd op schoot?...”. Haar striemende eenzaamheid: “… Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God, maar ik ben hier nog, in het land der levenden, in deze welaangename tijd, en ik kan nog gered worden – maar zeg me hoe, Broeder Ezel, want ik weet het niet. En je mag niet bij me weggaan, als je weggaat, maak ik je dood, je mag me niet alleen laten. Hoor je me, Broeder Ezel, of moet ik soms tegen je schreeuwen?...”. Als er een regenbui losbreekt: “… Nu kon ze huilen zonder dat iemand het merkte, zelfs zijzelf niet…”.

Russisch-orthodoxe ogen
Naarmate het verhaal vordert wordt het steeds esoterischer en dwingender. In mythen bespieden saters soms badende nymphen in poelen en meertjes. Anna begluurt halverwege haar tocht zes mooie kerels die een bal naar elkaar overgooien in een meertje. Een eind onder haar: zij is de baas. En onmiskenbaar zinnelijk: “… zwart doch lieflijk. Uit hun haar druppelden diamanten. Ze keek naar al die natte schouders die om beurten uit het water oprezen en dacht aan hun lichamen onder water. Armen, gestrekte vingers om de bal te vangen, trappelende, naakte voeten, borsthaar en zes geslachten die bij elke beweging schommelden als slapende vissen…”. Het lijkt erop dat ze hen wil stenigen. De mannen horen wat en kijken zwijgend omhoog. Een slang houdt haar tegen een kei te gooien. De hele weg zal hij achter hen aanhobbelen of voor hun voeten schuifelen. Soms lift hij mee op het pakzadel van de ezel: “… Als ze zich morgen moediger voelde, moest ze hem doodtrappen, hem de kop vermorzelen. Dan deed ze in elk geval nog iets goeds…”. In afzonderlijke fragmenten wordt de slang aangesproken met Bettino. Door wie? Door God? Is de slang echt of een hallucinatie? Ze beschrijft een volwassen Jens. Droomt ze? Het lijkt erop dat ze de berg beklimt om Broeder Ezel te offeren: “… ‘Zo gingen die beiden tezamen,’ zei ze en schrok van haar eigen stem…”. Is Anna langzaam maar zeker gek aan het worden? Ze hoort stemmen. Ze is manisch aan het tellen. Ze doet aan zelfbeschadiging: “… hoe meer pijn, hoe meer God, hoe meer waarheid…”. Even later vraagt ze zich weer heel nuchter af of ze nog boodschappen moet doen in een stadje waar ze doorkomt, want ze heeft nog drie (sic!) dagen te gaan. Ze slaat de ezel met een braamtak om even later acht stekels uit zijn zachte neus te peuteren. Ze struikelt en ploetert, zwetend en scheldend, langs de hier en daar onmogelijk steile helling naar boven, terwijl ze zich afvraagt wat er zou gebeuren als ze zich naar beneden laat glijden. Of misschien wel storten. De ezel gaat haar voor en wacht geduldig tot ze weer ‘bij’ is. Soms heb je hele zinnen nodig om een wereld op te roepen, soms heb je aan één waanzinnig mooi woord genoeg, als je dat tenminste kunt vinden: de ezel neemt Anna aandachtig op met zijn grote “… Russisch-orthodoxe…” oog.

De schoot van God
s’ Avonds laat op de terugweg na een opa- en omabezoek: “… ‘Heerlijk, hè, als de kinderen zo slapen?’. Papa knikte en keek even opzij naar mama. Het zoemde in de auto. Ze hield haar adem in. Als ze nu niet merkten dat ze wakker was, zouden ze even gelukkig zijn…”. De herinneringen aan vreugdeloze ouders zijn om depressief van te worden. Papa die zuchtend de krant doorneemt. Waarschijnlijk het RD, maar dat staat er niet bij. Mama die het niet kan laten met haar vinger over de vensterbank te gaan als ze haar dochter bezoekt op haar studentenkamer. Nou, dan weet je het wel. Tijdens de bergtocht stuit Anna plotseling op een villa met zwembad. Zomaar in the middle of nowhere. Bewoond door een oude man die doet denken aan een middeleeuwse monnik. En wat mij betreft ook aan de mysterieuze figuur die de hoofdpersoon in “De magiër” van John Fowles ontmoet, op een Grieks eiland. Hij heet ook nog eens Antonio. Hij nodigt haar uit voor wat letterlijk en figuurlijk lijkt op het Heilig Avondmaal. Brood en wijn. Hij biedt haar een logeerkamer aan. s‘ Nachts, overweldigd door angst, sluipt ze naar het slaapvertrek van de oude man en kruipt bij hem in bed. Als ze de volgende dag wakker wordt is hij verdwenen. Het doet me denken aan het Bijbelverhaal over de hoogbejaarde koning David, die het niet meer warm kon krijgen, en waarbij een jong en mooi meisje in bed werd gestopt. Ze wisten van aanpakken in oeroude tijden. Het mocht evenwel niet baten; zijn viriliteit was voorgoed uitgeblust. Anna herpakt zich, en stijgt verder, terwijl ze tegelijk afdaalt, in de diepten van haar ziel. Er wordt gedraald met een vlijmscherp mes. Er zijn strippen pillen in een badkamer waar Anna zich opsluit. Als een woeste Delila knipt ze het haar van haar lievelingspop. Er zijn visioenen over de pratende ezel van Bileam. En natuurlijk over Fransiscus van Assisi, die de dieren aansprak met zuster en broeder, en zo mooi dichtte: “… Dank u zelfs voor zusje dood / die ons terugdraagt in uw schoot…”. Alleen de ezel van Reve ontbreekt, maar Goedbloed hoedt zich voor blasfemie. Anna haalt euforisch de eindstreep. Er is sprake van een catharsis. Het dal onder haar ziet er niet langer uit als een opengesperde muil maar als de schoot van God. De schoot van God? Voor de zekerheid noem ik hierbij toch maar even het nummer van de zelfmoordpreventielijn: 113.

Uitgave: Mozaïek – 2018, 192 blz., ISBN 978 902 395 526 9, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier