Menu

maandag 5 september 2011

Een boek per dag – Nina Sankovitch


Ondertitel: Een jaar vol inspiratie

Toen ik een tijdje geleden Pieter Steinz op de radio hoorde vertellen over een boek, geschreven door een vrouw die, om in het reine te komen met haar zelf, het besluit nam een jaar lang iedere dag een boek te lezen, en daar dan ook nog eens een verslag van op internet te zetten, dacht ik, yes, dát moet ik lezen: die doet hetzelfde als ik – al vind ik één boek per week al meer dan zat.


In mijn allereerste stukje op deze weblog (zie 28.11.2010) vroeg ik mij af of boeken kunnen ‘helen’. ‘Ik denk het wel’; schreef ik toen. Nu weet ik het zeker. Dit boek is een verpletterende getuige.
Lang, lang geleden dat ik zó-ó heb zitten janken om een boek: gelukkig was er niemand thuis. En dat niet alleen; ik rolde af en toe ook nog bijna uit mijn stoel van het lachen.

De wereld van Nina Sankovitch, Amerikaans juriste, evenals ik veertiger en moeder van vier zonen, - “Ik vond vier een ideaal getal, een even getal om groepjes te maken en te delen, en geen gedoe met twee tegen een. Ik had genoeg tijd voor vier kinderen, en voor ieder apart. Ik kon me hun namen herinneren wanneer ik boos was en schreeuwde (ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik eens, toen ik heel kwaad was, de namen van de katten heb geschreeuwd), en ik kon ze alle vier tegelijk in mijn armen nemen. Vier vond ik genoeg en ik bleef thuis om voor ze te zorgen, voor ieder apart en voor allemaal samen” - , stort in, als haar oudste zus, een briljante kunsthistorica, overlijdt aan galblaaskanker. Ze is drie maanden ziek geweest.

Vanaf die tijd heeft Nina het gevoel dat ze voor twee tegelijk moet leven:
“… Ik begon te racen op de dag dat Anne-Marie stierf, weg van de dood, weg van mijn vaders pijn en mijn moeders verdriet, weg van het verlies en de verwarring en de wanhoop. Ik was bang om dood te gaan, bang om mijn eigen leven te verliezen. Ik was bang voor wat de dood deed met de achtergebleven familie, de eenzaamheid en de hulpeloosheid. En de afschuwelijke twijfel: hadden we andere artsen moeten raadplegen, andere behandelwijzen moeten proberen, andere methoden?
Ik was bang een leven te leiden dat het leven niet waard was. Waarom verdiende ik het leven en was mijn zus gestorven? Ik was verantwoordelijk geworden voor twee levens, dat van mijn zus en dat van mezelf en shit, ik kon er maar beter iets van maken. Ik moest het onderste uit de kan halen en een vol leven leiden. Als mijn zus niet kon leven, moest ik dubbel zo hard leven. Ik voerde mijn tempo steeds verder op. Ik joeg mezelf voort door middel van actie en plannen en uitjes en activiteiten. Ik wilde mijn ouders weer laten lachen en mijn kinderen laten ophouden over de dood te denken. Ik wilde Jack (man) liefhebben en kilometers met Natasha (andere zus) wandelen. Ik moest alles compenseren wat iedereen om me heen verloor toen Anne-Marie stierf…”.

Na drie jaar topsnelheid beseft ze dat dat niet lukt. Dat ze het niet redt. Ze kan niet meer om haar verdriet heen: “… Mijn zesenveertigste verjaardag kwam eraan, en plotseling kon ik alleen nog maar denken aan het feit dat mijn zus op haar zesenveertigste was overleden. Ik had altijd gehoord dat je, wanneer je van middelbare leeftijd wordt, je af gaat vragen: is dit alles? Maar in mijn geval was het de vraag die gesteld werd door de dood van mijn zus drie jaar eerder, die steeds harder op de deur van mijn brein klopte…
Ik dacht aan wat we gedeeld hadden. Plezier. Woorden. Boeken. Boeken. Hoe meer ik dacht aan hoe ik moest ophouden met alle activiteit en weer een gezond, heel mens moest worden, hoe meer ik aan boeken dacht. Ik dacht aan ontsnappen. Niet aan rennen om te ontsnappen, maar aan lezen om te ontsnappen… Ik wilde mezelf onderdompelen in boeken en als heel mens weer aan de oppervlakte komen…”.

Een jaar lang een boek per dag lezen: is dat geobsedeerd en krankzinnig, of toegewijd en gedisciplineerd? Dat moet de lezer maar uitmaken…

Nina leest en schrijft en denkt en herinnert:
“… Anne-Marie was de schoonheid, Natasha was het brave meisje en ik was het dikkerdje, de grapjas…”. Ze vertelt hoe ze iedere dag naar het ziekenhuis ging: “… De broek die ik die dag aanhad, zat ruim. Ik had de afgelopen maand geregeld maaltijden overgeslagen en dronk s’avonds geen wijn meer. Ik hoefde maar één glas te drinken en dan huilde ik al… Onderweg ging ik naar een winkel om een riem voor mijn te wijde broek te kopen. Ik wilde iets opvallends, want dat was mijn taak zolang Anne-Marie in het ziekenhuis lag: haar aandacht trekken, haar aan het lachen maken of een spitse, scherpe opmerking aan haar ontlokken – bewijs dat ze nog steeds onder ons was... Ik droeg nieuwe en vreemde kledingcombinaties, steeds gekker dan die van de dag ervoor. Anne-Marie lachte wanneer ze me zag. Even vergat ze dat ze op sterven lag. Ik had er alles voor over om haar zo’n moment te geven. Dus koos ik een schokkend lelijke, feloranje riem met witte en roze strepen en reeg hem door mijn oude spijkerbroek…”.

Het hartverscheurende: "... Marvin sliep iedere nacht bij Anne-Marie op de kamer, dus was hij iedere dag moe. Het was niet makkelijk om te slapen met zijn armen om een vrouw die in een ziekenhuisbed aan allerlei slangetjes en zakjes lag...".
Nina's oma filosofie: "... Alle liefde is heilig...".

De humor. Over de aanschaf van een veels te grote kerstboom: “…’Je moet’ m optillen,’ brulde Jack. ‘Niet slepen, optillen!’… Niet begeleid door kerstliedjes maar door scheldwoorden waarvan we gezworen hadden die nooit in het bijzijn van de jongens te gebruiken, maar toch ieder jaar gebruikten wanneer we een kerstboom in huis haalden. Ik zette een blonde engel die dienst deed als piek op de boom (waar hadden we dat vreselijke ding in vredesnaam vandaan?) en we gingen in de houding staan om de boom overeind te zetten. Na nog meer duwen, trekken en schelden slaagden we erin hem in zijn bijna twee ton wegende ijzeren houder te zetten. De boom wankelde en liet lange strepen groen en bruin op de muren en het plafond achter. ‘Komt hij ergens tegenaan?’ vroeg Jack vanuit zijn positie bij de houder. ‘Nee, hoor,’ antwoordde ik. ‘Het ziet er goed uit hierboven.’…
We hadden onszelf weer overtroffen…”.

Haar genadeloze eerlijkheid: “… Anne-Marie vond me niet zo aardig toen we kinderen waren. En daar had ze goede redenen voor. Ik was een kreng… Anne-Marie heeft mijn ouders nooit verteld dat ik dingen van haar pikte en haar pestte. Ze was geen verklikker. Maar ik wel. Ik verklikte haar toen ik sigaretten in de badkamer had gevonden, en zei tegen mijn moeder dat ik me zorgen maakte om Anne-Maries gezondheid. Maar dat was het niet, toen niet. Ik wilde haar gewoon in moeilijkheden brengen. Ik wilde dat ze me aandacht gaf, dat ze aandacht schonk aan dat miezerige zusje van haar… Ik gebruikte de enige macht die ik had, de macht van het pesten en irriteren. Anne-Marie was groter, slimmer en veel mooier dan ik. Maar ik was irritanter, geen twijfel mogelijk…”.
En toch: “ … Ze mocht me dan niet aardig vinden, ze hield wel van me… Anne-Marie werd mijn grote voorbeeld, degene wier goedkeuring ik wilde – nog meer dan die van mijn ouders. Ik zette haar op een voetstuk en wat mij betreft is ze daar nooit meer afgekomen…”.
De dynamiek tussen zussen: “… Ik hield van ze, ook al zou ik misschien nooit vriendschap met ze hebben gesloten als ik ze in een café of op een feest was tegengekomen. Ik heb meer met mijn ouders gemeen dan ik vroeger wilde toegeven, maar met Anne-Marie had ik weinig anders gemeen dan onze liefde voor boeken en schoonheid in kunst. Natasha’s interesses lijken meer op de mijne, maar geen van ons drieën heeft ooit dezelfde soort vrienden of minnaars gehad. We konden het geen van drieën ooit eens worden over de ideale maaltijd, vakantie, het ideale huis of de politiek. Toen ik kinderen kreeg, waren we het ook oneens over namen, kapsels en de tijd dat een kind naar bed moest… Toch hielden we onvoorwaardelijk van elkaar. Als er iets aan de hand was, dan waren we er voor elkaar, en als er niets was, waren we er ook…”.
Echt meiden, dus, en ík kan het weten, want ik heb zelf drie zussen (en twee broers). Daar zal het wel door komen dat ik zo ondersteboven ben van dit boek.
Mijn ouders waren geen intellectuelen, zoals de ouders van Nina, maar ons huis, een ruime (kinder-)boerderij, lag net zo vol met boeken en kranten en tijdschriften als het huis van Nina. Wij keken ook geen televisie; wij lazen. Wij werden ook heel veel voorgelezen, en wij waren ook ongelooflijk slordig en raakten om de haverklap onze bibliotheekkaarten kwijt, zodat de strenge bibliothecaresse van het bibliotheekgebouwtje waar wij praktisch naast woonden, al bij voorbaat met haar ogen begon te rollen, als er weer een Alting (zo heet ik van mijn meisjesnaam) aan kwam zetten. Volgens mij kon dat gebouwtje zo’n beetje bestaan van al onze te-laat-boetes.
En allemaal zijn we stuk-voor-stuk fanatieke lezers geworden.

Nina Sankovitch leert door boeken achterom te kijken; en ik leer dat weer van haar. In al haar wijsheid vertelt ze wat haar boeken haar hebben geleerd over ‘omzien om vooruit te gaan’: “… Adrienne Rich in 'Stepping Backward': "... We leven centimeter voor centimeter en zien maar heel af en toe de volledige dimensie...". Door om te kijken, kan ik mijn huidige leven in zijn volledigheid zien, kan ik zien wat het me gekost heeft om op dit punt aan te komen en wat ik graag zou willen in het leven dat nog voor me ligt. Het grote geheel, het grote perspectief. Ik kan begrijpen wat belangrijk is door achterom te kijken om te zien wat ik me herinner…”. Giovanni Marinetti in 'Waarom ik in het eeuwige leven geloof': "... Het verleden is een trampoline die springen mogelijk maakt, niet een hangmat...".
In gedachten maak ik een diepe knieval voor Nina's taaie levensmoed:
“… Er is altijd een antwoord op wanhoop en dat is de belofte van schoonheid in de toekomst…”. Al gaat dat soms tegen de klippen op: ze kijkt uit naar momenten van schoonheid, omdat ze weet dat ze komen. Het bewijs is geleverd door de momenten die ze al heeft meegemaakt.

Wat haar en mij zelfs herhaaldelijk gebeurde: een hele morgen schrijven en dan per ongeluk op een verkeerde knop op de computer drukken, om daarna tot de conclusie te komen dat al je werk is gewist. En dan een half uur als een idioot tegen het lege scherm schelden en gewoon maar weer opnieuw beginnen: er zit niks anders op…
De horten en stoten waarmee recensies soms (vaak) worden geschreven:
“… Ik holde terug naar de computer en worstelde met de recensie. Terug naar Martin en de emmer (kotsend kind). Terug naar de computer om mijn recensie op de website te zetten. Terug naar...”.
En dan dat geobsedeerde lezen van haar; alleen al de hilarische beschrijving over hoe ze voorovergebogen gaat zitten als het over seks gaat in de hoop dat niemand over haar schouders meeleest…
Het schuldgevoel omdat ze vindt dat ze de kinderen te weinig aandacht geeft en haar Jack te weinig 'liefde betuigt'. “… Jullie krijgen allemaal meer zakgeld,’ beloofde ik. ‘Maar je vergeet altijd om het ons te geven,’ zei Michael terecht. ‘En jullie vergeten er altijd om te vragen,’ antwoordde ik terwijl ik me voornam om de jongens netjes iedere week hun zakgeld te geven…”. Terwijl de manier waarop ze na twintig jaar huwelijk over haar man schrijft zo ontroert, dat ze daarmee volgens mij ruimschoots alle momenten vergoedt waarop ze in slaap is gevallen terwijl ze vast van plan was er voor hem te zijn: als je het hebt over 'liefde betuigen'...
En hoe ze haar best doet om tijdens etentjes niet steeds het hoogste woord over haar boeken te voeren: “… het was al erg genoeg dat ik ‘I’m in love, I’m in love, I’m in love, I’m in love with a wonderful book’ zong.
En de boeken die vanzelf naar je toe komen, als mensen eenmaal weten dat je erover schrijft: “… De wereld was vol veellezers en ze hadden allemaal ‘dit-moet-je-lezen’ en ‘ik-vond-het-prachtig’- boeken voor me…”.
Oh ja, zo gaat dat allemaal.
En dan heb ik het nog helemaal niet gehad over alle prachtige boekcitaten waarmee dit verhaal is volgestouwd (zie voor enkele voorbeelden kolom hiernaast).
Nog veel meer ‘Nina Sankovitch’ is te vinden op haar website:
http://www.readallday.org

Doe als ik: stuur iedereen het huis uit, zoek een diepe stoel, zet een koptelefoon met Eleanor McEvay’s CD “Yola” op, zo hard mogelijk, en laat je louteren door dit prachtige boek… dát is ‘schoonheid’.

Uitgave: Artemis & Co - 2011

woensdag 31 augustus 2011

Job – Joseph Roth


Nog steeds ongelooflijk mooi om te lezen is de klassieker 'Job' (1930) van de Joodse schrijver Moses Joseph Roth (1894-1939). In sommige uitgaven staat achter de titel ook nog: ‘roman over een eenvoudig man’. In de mijne niet; ik heb een oude zwarte beertjes pocket.

Het bekendste werk van Joseph Roth is waarschijnlijk ‘Radetzkymars’ (1932), dat verwijst naar de gelijknamige compositie van Johann Strauss. Ooit was dat het volkslied van het, als gevolg van de Eerste Wereldoorlog uit elkaar gevallen, Habsburgse rijk van keizer Franz Joseph. De z.g. Oostenrijks-Hongaarse ‘Dubbelmonarchie’, waarin Roth werd geboren (Brody-Galicië; ligt nu in de Oekraïne). Hij diende in het leger, maakte mee dat zijn vaderland werd ‘gesmoord in de loopgraven’, en hoorde dus bij de ‘verliezers’. Dat verklaart het heimwee waarmee zijn werk doortrokken is.
Joseph Roth studeerde in Wenen en werkte vanaf 1920 als journalist in Berlijn. Daarnaast schreef hij romans en korte verhalen. Zijn sociale bewogenheid en compassie voor minderbedeelden uitte zich in politiek linkse standpunten; maar een reis door de Sovjet-Unie riep zulke grote vragen bij hem op, dat hij overliep naar het conservatieve kamp. Hij had een afkeer van het nationalisme dat Europa in zijn greep kreeg, onderkende al vroeg de gevaren van het fascisme, en zette zich fel af tegen de opkomende nazibeweging.
Roth heeft ontzettend geleden onder het feit dat zijn vrouw, Friedl Reichler, vanwege schizofrenie moest worden opgenomen in een gesloten inrichting (óók in 1930). Hij gaf zichzelf de schuld van haar waanzin: “…Wie een vrouw heeft verraden, zal op aarde nooit meer gelukkig zijn…”. In 1940 werd zij als geesteszieke door de Nazi’s vermoord.
In 1933 ontvluchtte Joseph Roth nazi-Duitsland, waar zijn boeken verboden werden. Hij begon aan een zwervend bestaan dat zich afspeelde in cafés en hotels in Amsterdam en Parijs, waar hij als gevolg van alcoholisme en vrijgevigheid, compleet blut, in een armenhospitaal stierf, nog geen 45 jaar oud. Hij is begraven op het bekende Cimetière de Thiais. Sommigen zeggen dat Roth uit sympathie voor het verleden, op het eind van zijn leven, Rooms-Katholiek is geworden.

‘Job’, in het Duits ‘Hiob’, is een parabelachtig verhaal, gebaseerd op het gelijknamige bijbelboek ‘Job’. Samen met de boeken Spreuken en Prediker behoort Job tot de z.g. ‘wijsheidsliteratuur’, dat tot doel heeft de hoorder of lezer kennis en moreel besef bij te brengen. “… In het boek Job betreft dat vooral de vraag naar de zin van het lijden en naar de rol van God daarbij. De ervaringen van Job vormen het kader waarbinnen die vraag aan de orde komt. Hoewel Job een rechtvaardig en deugdzaam man is, wordt hij getroffen door veel onheil en ellende. De vrienden van Job verklaren zijn lijden in het licht van de traditionele theologische opvattingen: God beloont het goede handelen van de mens en bestraft het kwade, Job moet dus wel ernstig gezondigd hebben. Job betwist deze verklaring. Hij verdient zoveel ellende niet, want hij is een vroom man en heeft altijd onberispelijk geleefd. Hij kan niet begrijpen dat God juist hem zo treft. Daarom verlangt hij van God zelf duidelijkheid en dringt hij erop aan dat God zelf zijn onschuld vaststelt…”, aldus de Nieuwe Bijbelvertaling.

De Russisch-joodse dorpsonderwijzer Mendel Singer uit het verhaal van Roth, lijkt een moderne reïncarnatie van de bijbelse Job.
Zijn ellende begint als zijn vierde kind, een jongetje, Menoechim, geboren wordt. Hij tiert niet, en lijdt aan epileptie. Mendels vrouw, Deborah, laat het er niet bij zitten en gaat met hun zieke zoontje naar een wonderrabbi. Deze profeteert dat Menoechim na lange jaren gezond zal worden: “… het leed zal hem wijs maken, de mismaaktheid goedig, de bitterheid mild en de ziekte sterk…”. Hij stuurt haar weg met de woorden: “… verlaat je zoon niet, ook als hij je tot grote last is, geef hem niet uit je handen, hij komt uit jou, zoals een gezond kind ook…”.

Tussen Mendel en Deborah botert het niet. Deborah ergert zich rot aan Mendel: “…’De mens moet zich zelf weten te helpen, dan zal God hem helpen! Zo staat in de Schrift, Mendel! Steeds ken je de verkeerde teksten van buiten. Vele duizenden teksten staan in de Schrift, maar je onthoudt alle overbodige! Je bent zo dom geworden, omdat je kinderen les geeft. Je geeft hun je beetje verstand en ze geven je al hun domheid.’…”.
Ze raken elkaar niet meer aan, en leggen zich daar beiden zwijgend bij neer: “… omdat niet de gloed der liefde in ons was doch tussen ons de kilte der gewoonte, stierf alles om ons heen, verschrompelde alles en kwam alles om…”.

De twee oudste jongens, Jonas, “sterk en traag als een beer”, en Sjemarjah, “sluw en rap als een vos”, worden opgeroepen om de tsaar te dienen. Jonas ziet dat wel zitten: soldaat worden. Dan kan hij zuipen en met de meiden slapen. Zijn vader “… hield niet op zich te verbazen, dat deze zoon uit zijn eigen lendenen ontsproten was…”. Sjemarjah deserteert en vlucht naar het buitenland – Amerika welteverstaan, waar hij een geslaagd zakenman wordt, die binnen de kortste keren zijn ouders vraagt ook naar ‘God’s Own Country’ te komen.
Het huis is leeg zonder hen:”…’Waarvoor ben ik zo gestraft?’ dacht Mendel. En hij zocht in zijn brein naar de een of andere zonde, doch kon geen zware vinden… ‘Wat voor zonde? Waar schuilt die zonde?...”.
De druppel die Mendel’s emmer doet overlopen is zijn mooie dochter Mirjam, “koket en achteloos als een gazel”, die in een donkere nacht ligt te vrijen met een Kozak. Mendel en Deborah wagen met haar de oversteek naar Amerika ‘om erger te voorkomen’. Alsof daar geen kerels zijn. Tegen de raad van de rabbi in wordt Menoechim achtergelaten. Bij de buren. Dat kan natuurlijk nooit goed gaan.

In Europa breekt oorlog uit. Soldaat Jonas wordt vermist. Amerika gaat mee doen, Sjemarjah geeft zich op voor het leger, en als Deborah het bericht krijgt dat hij is gesneuveld, valt ook zij dood van haar stoel.
Mendel: “…Ik ben Mendel Singer niet meer, ik ben het overschot van Mendel Singer. Amerika heeft ons gedood…”. Op de morgen van de achtste dag van rouw, krijgt Mendel daar overheen de boodschap dat zijn dochter gek is geworden.
Hij is razend op God: “… ‘Het is uit, uit, uit met Mendel Singer’ roept hij en stampt er met zijn laarzen de maat bij, zodat de vloerplanken dreunen en de pannen tegen de muur beginnen te klepperen. ‘Hij heeft geen zoon, hij heeft geen dochter, hij heeft geen vrouw, hij heeft geen Heimat, hij heeft geen geld. God zegt: Ik heb Mendel Singer gestraft; maar waarom heeft God hem gestraft? Waarom Lemmel, de slager, niet? Waarom straft Hij Skowronnek niet? Waarom straft Hij Menkes niet? Alleen Mendel straft Hij. Mendel krijgt de dood, Mendel krijgt de waanzin, Mendel krijgt de honger, alle gaven Gods krijgt Mendel.’…”.
Kommentaar van de dokter: “… Zijne Majesteit het Leed is in de oude jood gevaren...”.
Mendels vrienden worden erbij geroepen. Hij heeft een flink vuur gestookt, waarin hij zijn roodzijden zakje met gebedsriemen, bidkleed en gebedenboeken wil verbranden, maar dat lukt hem niet. Hij hangt het aan een spijker. Tegen zijn vrienden zegt hij dat hij ‘God wil verbranden’:
“… Alle vier woonden reeds lang genoeg in Amerika, ze werkten op sabbat, ze hadden hun zinnen op geld gezet, en het stof der wereld lag reeds dik, hoog en grijs op hun oude geloof. Vele gebruiken hadden ze vergeten, vele wetten hadden ze gezondigd. Maar God woonde nog in hun harten. En als Mendel God lasterde, leek het of hij met scherpe vingers naar hun naakte harten gegrepen had…”.
Mendel meent dat zijn aanwezigheid ongeluk brengt en zijn liefde vloek aantrekt, zoals een eenzame boom bliksem in het vlakke veld: “… Alle jaren van mijn leven heb ik God liefgehad, maar Hij heeft mij gehaat. Alle jaren van mijn leven heb ik Hem gevreesd. Nu kan Hij me niets meer aandoen. Alle pijlen uit zijn koker hebben mij reeds getroffen. Hij kan me alleen nog doden. Maar daarvoor is Hij te wreed…”.
Mendel bidt niet meer.

Als Mendel oud is geworden staat er tijdens het vieren van een Paasfeest en het rituele oproepen van de Messias opeens een vreemdeling voor de deur: zijn verloren gewaande zoon. Het moment van wederopstanding van Menoechim is aangebroken. Dan komt het vertrouwen van Mendel Singer in God in volle hevigheid terug:
“…Zware zonden heb ik bedreven, doch de Heer heeft zijn ogen toegedrukt. Een Isprawnik heb ik Hem genoemd. Hij heeft zijn oren dicht gehouden. Hij is zo groot, dat onze slechtheid daarnaast nietig wordt…”.
Tevens keert de liefde voor Deborah aan het einde van zijn leven terug:
“… Dankbaar herinnerde zich Mendel haar jeugdige warmte, die hij vroeger genoten had, haar rode wangen, haar halfgeloken ogen, die in het donker der liefdesnachten geschitterd hadden, kleine verlokkende lichtjes. Deborah, dode Deborah!...”.
Paul Verhaeghe stelt in zijn boek “Liefde in tijden van eenzaamheid” dat de belevingswereld van vrouwen en mannen zo verschillen dat het bijna niet voor te stellen is dat ze überhaupt samen op kunnen trekken. Alleen de liefde, en altijd weer de liefde, kan voor deze koppeling zorg dragen; schijnt Roth te willen zeggen.
Dit ‘happy end’ werd bij verschijnen met enige scepsis ontvangen. Toch is de herwonnen spiritualiteit van de hoofdpersoon de cruciale boodschap van de schrijver.

Een van de mooiste passages vind ik die waarin Mendel zegt: “… Oud ben ik geworden, een paar werelden heb ik onder zien gaan, eindelijk ben ik verstandig geworden. In al die jaren was ik een dwaze onderwijzer. Nu weet ik, wat ik zeg…”. Daarin klinkt de echo van de bijbelse Job: “… Ik leg mijn hand op mijn mond… Eerder had ik slechts over U gehoord, maar nu heb ik U met eigen ogen aanschouwd…”. Ervaring leidt tot inzicht.

In bijna al het werk van Joseph Roth staat transitie – een vorm van overgang van de ene toestand in de andere - centraal. De migratie van het ene land naar het andere, van de ene cultuur naar de andere, maar ook de overgang naar een radicaal ander inzicht.
Ik moest denken aan wat Ruud Sonnen zegt in zijn boek “De smaak van God; over spirituele ervaring”: “… Het is alsof de wonde die het lijden slaat in de buitenste ervaringslagen, een diepere laag in de mens opent. De laag waar God werkzaam is in de mens…”.

Uitgave: L.J. Veen Klassiek - 2018, vertaling Wilfred Oranje, ISBN 978 902 041 402 8, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier


donderdag 25 augustus 2011

Waarom ik een christen ben – Prof. O. Hallesby


Een vriendin van mij vroeg of ik via internet een oud en onverkrijgbaar boekje voor haar op kon scharrelen, want zij was daar niet zo handig in. Ze vertelde verder niet waar het over ging. Dat lukte. Toen ik het thuis gestuurd kreeg bladerde ik het door, en werd er zo door geboeid, dat ik het eerst even zelf las voor ik het aan haar doorgaf.

Eigenlijk is dit boek het tegenovergestelde verhaal van Ann de Craemers’ “Vurige Tong” (zie mijn blog van 09.07.2011). Ann de Craemer vertelt hoe ze van haar geloof afviel, Hallesby (1879-1961), hoogleraar te Oslo, vertelt hoe hij juist een gelovige wérd.
Ik had nog nooit van Hallesby gehoord. Op internet kon ik ook praktisch niets over hem vinden. Het enige waar ik achter kwam was dat hij een leidende rol heeft gespeeld in het kerkelijke (Noorse, dus waarschijnlijk Lutherse) verzet tegen de Nazi’s en daarvoor twee jaar in een concentratiekamp zat.   
En verder: “… In simple, personal terms his book shows the way through from skepticism and doubt to a firm Christian faith…”. Genoeg om mijn nieuwsgierigheid te prikkelen.

Volgens Hallesby is de reden waarom mensen aan het Christendom twijfelen het feit dat ze er wel over ‘denken’ maar het niet ‘beleven’. Anselm Grün heeft het over hetzelfde (zie mijn blog van 13.07.2011): “… mensen hebben er niet genoeg aan in God te geloven, ze willen Hem ervaren…”.
Er staat zoveel onbegrijpelijks en tegenstrijdigs in de Bijbel dat een mens er met zijn ratio alleen niet uitkomt: “… Ik geloof niet, dat redeneren de weg is om iemand van twijfel terug te brengen. De dingen zelf ervaren kan alleen onze ziel van twijfel tot zekerheid brengen…”.
Religie wordt onwerkelijk voor iemand die geen religieus leven lijdt: “… De christelijke waarheden, evenals trouwens alle religieuze en morele waarheden, zijn van dien aard, dat het onmogelijk is ze op dezelfde manier te bewijzen, als waarop men een stelling in de mathematica of fysica kan bewijzen. Mathematische, logische en algemeen historische waarheden zijn van dien aard, dat ieder normaal denkend mens ze moet aannemen. Morele en religieuze waarheden hebben echter niet noodzakelijkerwijs voor ieder denkend mens waarde. Alleen door te leven in de sfeer van moraal en religie kan iemand bewust maken van de waarde der morele en religieuze waarheden…”.  

Wil je God ervaren dan raadt Hallesby aan te beginnen met het lezen van het Nieuwe Testament. Zo heeft hij dat ook gedaan. Zijn gedachtegang vertrekt vanuit Johannes 7:17 waar staat dat “… wie ernaar streeft te doen wat God wil, zal weten of mijn (Jezus spreekt hier) leer van God komt of dat ik namens mezelf spreek…”. Dus ‘doe het’!  Hier belooft Jezus persoonlijke zekerheid te zullen geven op de grondslag van ervaring, op voorwaarde dat iemand de wil van God wil doen. Als je de Bijbel gaat lezen kom je zowat op iedere bladzij iets tegen wat je ongetwijfeld zult moeten erkennen als “Gods wil”. Neem b.v. Mattheus 7:12 “…Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten…”. Nou, ga er maar aan staan, zegt Hallesby. Binnen de kortste keren zul je erachter komen dat je daar van geen kant toe in staat bent. Wij zijn egoïstisch tot op het bot (had de overtuigd atheistische evolutie-bioloog Richard Dawkins het niet over onze ‘zelfzuchtige genen’?!). De enige die dat wél kon was Jezus zelf. Dat maakt van Hem een wonderlijke en bovennatuurlijke persoonlijkheid.
Hallesby’s tweede raad: Maak een begin met gebed. Het is onzin te menen dat je dat niet kunt. Bidden is openhartig en vertrouwelijk met God spreken. Je spreekt toch ook met andere mensen?

Verder raadt Hallesby aan, wanneer je bij een kerk hoort, zo mogelijk deel te nemen aan het Heilig Avondmaal, ook al snap je misschien niet zo goed wat er gebeurt. Jezus zegt: “doe dat tot Mijn gedachtenis”. Er gaat een onzichtbare werking van uit.
Ook is het goed een kring van gelovige vrienden om je heen te hebben. Het christelijke leven moet als een ellips zijn, die zich beweegt om twee vaste punten: de stilte waarin je je in je eentje terug kunt trekken om te bidden en te mediteren, en, in modern psychologisch jargon, de peer-group, waarbinnen je de ‘gemeenschap der heiligen’ kunt beleven: “… Christus wenst zijn volgelingen te verbinden tot een broederschap van de intiemste soort… Het voorrecht van uitwisseling van gedachten en ervaringen betekent een geestelijke verrijking voor beide partijen…”.

Hallesby: “… Hoe meer ik de religieuze geschiedenis van het menselijk geslacht bestudeerde, des te duidelijker werd het mij, dat religie een eigenschap is van het menselijk ziele-leven, erfelijk wonend in de mens op dezelfde manier als poëzie en muziek, en die men niet uit het leven kan verwijderen. Immers is de mens naar Gods beeld geschapen en Zijn Goddelijke afkomst verloochent zich nooit helemaal. Ik merkte op dat er geen ongodsdienstige volken zijn (waarschijnlijk werd dit, gezien het ouderwetse taalgebruik, in de jaren ‘30/’40 van de vorige eeuw geschreven; literatuurwetenschapper, journalist en schrijver Maarten Meester liet onlangs weten dat tegenwoordig zes miljard mensen religieus zijn, ‘wat de resterende half miljard mensen toch wel aan het nadenken zou moeten zetten’…). Ik ontdekte, dat een ongodsdienstig mens een kunstmatig produkt is, alleen gevonden onder hyper-wijsgerige en hyper-beschaafde volken in diverse tijdperken, vooral in tijdperken van decadentie. Ik zag ook, dat dit kunstmatig produkt het resultaat was van onderdrukking van ingeboren religieuze neigingen. In de regel is de onderdrukking bereikt ten koste van grote inspanning, doordat de personen zelf hun godsdienstige gevoelens en verlangens in de kiem smoorden door een zogenaamd intellectuele of wetenschappelijke levenshouding. Ik merkte verder op, dat zelfs in niet-religieuze, ongodsdienstige personen de erfelijke religieuze verlangens zo sterk zijn, dat zij een uitweg zoeken in sofisme. De religieuze verlangens van mensen schijnen vaak door de mazen van hun intellectueel ongeloof heen…”.   

Een van de kenmerken van het menselijk leven is o.a. dat het zijn eigen betekenis moet ontdekken: “… In alle andere levende wezens ontplooit het ingeboren leven zich vanzelf, automatisch, door middel van het instinct. Maar in de mens vindt deze ontplooiing bewust plaats, opzettelijk. Hij moet zelf zijn omgeving uitzoeken, waarin zijn eigen leven zich kan ontwikkelen. Hiermee hebben de mensen zich de eeuwen door bezig gehouden, zolang wij enige historische gegevens bezitten van het menselijke leven. De beste mannen en vrouwen van iedere generatie waren zij, die hun tijd en kracht besteedden om de betekenis van het leven te leren verstaan…”. Hij zegt zelf dat het wel raar klinkt, maar dat hij christen werd om echt ‘mens te zijn’ (weer die link met Anselm Grun die stelt dat echte Godservaring tegelijk de weg naar authentieke menswording is; zie mijn blog van 13.07.2011).  Als orthodox godsdienstleraar oordeelt Hallesby opvallend mild richting andere levensbeschouwingen. In iedere geloofsrichting kunnen goede dingen worden gevonden.

Hallesby komt tot de conclusie dat Jezus op een manier geleefd heeft, zoals hij zelf zou moeten leven, en hij kan niet anders dan de keus maken Hem te volgen: “… dit leidde tot een ander groot wonder dat ik ervaren mocht; wat de Bijbel ‘wedergeboorte’ noemt. Een hele nieuwe wereld ging voor mij open. Alsof ik met een zesde zintuig was toegerust voelde ik de wereld der onzichtbare dingen mij omgeven. Ik weet nu, dat deze onzichtbare wereld mij te voren ook omgeven had. Maar ik miste het vermogen, om haar te zien. Nu gingen echter de ogen van mijn ziel open. Ik zag het onzichtbare. De oren van mijn ziel gingen open. Ik hoorde de muziek van de hemel. Bovenaardse melodieën in machtige golven van vreugde, vervulden mij… En nu ondervond ik, dat dit nieuwe leven het leven is, waarvoor ik eigenlijk geschapen werd. Vissen zijn geschapen om in het water te leven. Zij voelen zich alleen vrij in water. Vogels zijn geschapen voor de lucht. Zij zijn alleen vrij in de lucht. Ik ben geschapen om voor God te leven. En ik ben alleen vrij, wanneer ik in afhankelijkheid van Hem leef… Het wonder bestaat hierin, dat de Geest de onzichtbare, eeuwige wereld voor je in een nieuw licht zet. Het is het werk van de Geest, om contact te scheppen tussen de eeuwige en de tijdelijke wereld, tussen zichtbare en onzichtbare werkelijkheden…”.

Hallesby spreekt uitgebreid over deze ‘wedergeboorte’ als ‘het verborgen element in het Christendom’ (zie het verhaal over Nicodemus in het N.T.): “… In al wat leeft is iets, waarin ons verstand niet door kan dringen. Wij noemen dat gewoonlijk het mysterieuze, het verborgen element in het leven, hoewel we niet in staat zijn, het nauwkeurig te omschrijven. Hoe hoger de levensvorm, hoe groter dit mysterieuze element wordt; hoe groter de levenssfeer, waarin onze geest niet vermag door te dringen. Daar het Christendom de hoogste vorm van leven is, zal het ons niet verbazen, dat we in contact komen met het grootste van alle mysteries…”.
De ‘wedergeboorte’ is tevens  het meest irritante, het aanstootgevende, het ergernis oproepende, het kruis van het Christendom. Omdat het niet begrepen kan worden door mensen die het zelf niet hebben meegemaakt. Het is iets wat God geeft, mits je je serieus naar Hem toewendt, ‘bekeert’. Jij hoeft daar niets voor te doen. Jij hoeft niet naar God toe te klimmen; God komt naar jou toe. Het heeft te maken met Jacobus 4:8 “… Nader tot God, dan zal Hij tot u naderen…”. Als jij een stap naar God doet, doet God twee stappen naar jou. Miljoenen christenen hebben dat ervaren. Hierin verschilt het Christendom met alle andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Vandaar dat de vermaarde theoloog dr. W. Aalders christenen dan ook omschrijft als ‘burgers van twee werelden’. 

Ik vond dit boek een ongelooflijk mooi en authentiek verslag. Natuurlijk moet je er wel bij bedenken in welke tijd het werd geschreven. Ik denk dat Hallesby omringd is geweest door mensen die naar de kerk gingen omdat iedereen dat deed – nu ben je bijna een excentriekeling als je dat doet -, en die zich allemaal aan christelijke waarden en normen hielden omdat dat zo hoorde. Kortom: het tentoongespreide geloof was lang niet altijd even écht. Hij schreef het vóór de seksuele revolutie, en de digitale revolutie, vóór bekend werd hoeveel ravage leiders als Hitler, Stalin en Mao hebben aangericht, vóór de secularisatie, vóór de leegloop van de kerken, en vóór de terroristische aanslagen. Ons wereldbeeld heeft ondertussen een draai van 180 graden gemaakt. Maar: eeuwige waarheden blijven altijd hetzelfde…

Uitgave: J.N. Voorhoeve – Den Haag