maandag 14 januari 2013
Een Marokkaan in Noord – Barbara Schouten
Subtitel: ‘Moslimjongeren over geloof, hoop en seks’.
Ongeveer het eerste bericht dat ik in het nieuwe jaar op Nu.nl tegenkwam ging over Wilders die van plan is in 2013 zijn peilen stevig op de Islam te richten. “Daar gaan we weer”, dacht ik. Ik was dan ook aangenaam verrast door een artikeltje in de ochtendkrant over sociaal psycholoog Barbara Schouten (1970) die, voor zover ik weet voorlopig als enige, een boekje heeft geschreven waarin zij een aantal moslimjongeren die in onze samenleving als probleem worden ervaren – en dat is nog zachtjes uitgedrukt -, zélf aan het woord laat. Er zijn genoeg literaire moslimstemmen die zich in Nederland laten horen, maar zij zijn allemaal van gesettelde en aangepaste HBO-plussers. In “Een Marokkaan in Noord” komen in nog geen honderd bladzijden de jongens en meiden van de straat langs. Dat verdient het voetlicht.
Alsof je geen mens bent
Schouten slaat een brug naar een wereld die voor mijn gevoel steeds verder afdrijft. Dat viel in eerste instantie niet mee. Het vergde een aantal weken van eindeloze potjes pool (gelukkig had ze het spel dankzij een fanatiek vriendje van vroeger nog steeds in haar vingers), computerspelletjes en het zetten van kopjes thee, voordat ze het vertrouwen van een groep Marokkanen in een jongerencentrum in Amsterdam-Noord waardig was. De doorzetter wint. Het leverde een aantal diepte-interviews op waaruit negen verhalen zijn ontstaan die een goed beeld geven van wat gemiddeld doorgaat voor ‘Marokkaans tuig’.
Hamid: “… Ik wilde haar (een verkoopster) een beetje bang maken. Zei ze: die kutmarokkanen altijd weer. Maar ik ga er niet op in, ik word niet boos als ze zeggen: ja, die kutmarokkanen. Af en toe loop ik rond en zeg ik: ja, die kutmarokkanen, wat moeten we er toch mee? Maar van binnen voel je je wel verdrietig, alsof je geen mens bent…”.
De roes van geweld en seks
Het zijn vaak schreinende verhalen over jongens met weinig vooruitzichten, die het thuis zwaar hebben en in de buitenwereld constant het mikpunt zijn van grote en kleine vernederingen (niet met de bus mee mogen, niet welkom zijn in discotheken). Ook al lokken ze dat misschien zelf uit; het gaat ze niet in de koude kleren zitten. Soms krijg je de indruk dat ze in een niet te stoppen spiraal naar beneden roetsjen.
De statistieken over criminaliteit onder jonge Marokkanen zijn bekend. Er gaat veel fout. Barbara Schouten windt daar geen doekjes om: “… De roes van het geweld, die even vergetelheid biedt aan het monotone, grauwe migrantenbestaan en waarin je je voor een moment een held kunt wanen, zet deze jongeren misschien wel het meeste aan tot crimineel gedrag. Iemand zijn. Een onschuldiger roes waarin veel jongens hun heil zoeken, is de roes van seks. Sommige jongens willen, naar de normen van de islam, maagd blijven tot ze gaan trouwen, maar zij zijn in de minderheid. De meeste jongens die ik sprak, hebben al op jonge leeftijd hun eerste seksuele ervaring opgedaan, meestal zonder dat er sprake is van verliefdheid of zelfs genegenheid…”. Liefde uit een ‘koud hart’; noemt ene Rachid dat. Hij vindt dat wel zo veilig.
Niets te verliezen
Over de vraag waarom sommige Marokkaanse jongens zich vervelend gedragen, hoeft Sahara, een Marokkaanse jongerenwerkster, niet lang na te denken: “… Dat komt door hun ouders. Veel ouders van kinderen uit deze buurt hebben geen flauw idee wat hun kinderen uitspoken, waar ze uithangen en met wie. Die ouders hebben hun kinderen gigantisch verwaarloosd, die hebben nooit nagedacht over kinderen krijgen, over wat dat met zich meebrengt, wat dat van je vraagt. Er zijn veel Marokkaanse ouders die simpelweg geen interesse hebben in hun kinderen, die hebben er zoveel…”.
En ene Murat: “… Die Marokkaanse jongens hebben niets te verliezen, begrijp je? Die krijgen zoveel gezeik thuis als ze geen werk hebben dat ze gaan stelen om te laten zien dat ze goed bezig zijn. Niet laten zien dat je niks doet of niks bent. Ze hebben het moeilijk thuis, ze worden hard aangepakt. Marokkaanse vaders slaan hun kinderen ook. Mijn vader slaat niet, hij schreeuwt alleen…”.
Een beetje sneaky
Voor veel moslimjongeren is het onbestaanbaar iemand mee naar huis te nemen:
“… Dat is ook de reden dat veel Marokkaanse jongens op straat rondhangen. Als de meisjes thuiskomen en er vriendinnen over de vloer komen, mogen er geen mannen zijn. En mannen mogen al helemaal niet mee naar huis worden genomen, want dan moeten de dochters het huis uit. En dochters op straat sturen, dat doe je niet. Dus dan maar niemand binnen…”.
Zelfs de in mijn ogen zeer geëmancipeerde Othman (voor zijn opleiding sociaal cultureel werk loopt hij als enige man stage op een kinderdagverblijf), die zijn moeder, een weduwvrouw, op handen draagt, vertelt: “… Mijn moeder vermoedt wel dat ik een vriendin heb. s’ Avonds als we elkaar bellen vraagt ze altijd; met wie bel je zo lang? Dan zeg ik altijd: met iemand. Dat is bij veel Marokkaanse jongeren zo: je gaat niet zo gemakkelijk naar je ouders toe. Nederlandse kinderen wel, die nemen hun vriendin zelfs mee naar huis, maar bij ons gaat dat niet, zoiets doe je niet. Het is een beetje een schande hè, het is niet zoals bij Nederlandse families, dat je vriendinnetje je komt ophalen. Het is een beetje sneaky. Alles wat met meisjes te maken heeft: niks is thuis. Een keer stond ik op straat met Aïcha te kussen, had mijn moeder me gezien. Alleen, ze zegt niks. Ik durfde van schaamte niet in de woonkamer te lopen, ik ben zeker twee dagen in mijn kamer gebleven…”.
Omar over de verhoudingen tussen de seksen: “… Ik ben geen klootzak van een broer. Mijn zusje heeft een Nederlandse vriend, dat is voor mij geen probleem, en ik heb haar vroeger vaak betrapt met sigaretten, dan kwam ze huilend naar me toe en zei ze: alsjeblieft, niet slaan, niet slaan. Dan zei ik altijd: ik ga je niet slaan, zo ben ik niet, je moet zelf weten wat je doet…”.
Maagdmeisjes
Terwijl het gedoogd wordt dat jongens zich seksueel uitleven wordt van islamitische meisjes veelal bijna obsessief verwacht dat ze als maagd het huwelijk ingaan (soms moet er als bewijs een laken met ontmaagdingsbloed worden getoond, maar ach, als je een beetje bij-de-hand bent kun je natuurlijk altijd wel aan een beetje bloed komen).
De gelovige Bilal: “… Als je een meisje ontmaagd voordat ze gaat trouwen, is het volgens de koran zo dat je zeven mensen hebt doodgemaakt…”. Hij legt uit dat je een vrouw als een diamant moet zien die iedereen wil stelen.
Samira’s verhaal laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “… Dat ze een nieuwe vriend heeft, ligt gevoelig thuis, maar zolang Samira het niet over hem heeft, wordt zijn bestaan getolereerd. Als ze thuis zouden weten dat Samira met hem naar bed is geweest, zou het snel gedaan zijn met de tolerantie. ‘Mijn moeder zou me killen en het aan mijn broer vertellen. En als mijn broer zou weten dat ik seks heb gehad met Lorenzo, zou hij mijn tanden breken. Letterlijk. Hij zou me de tering slaan als hij zou weten dat ik geen maagd meer ben. Hij is 23 en probeert streng tegen me te zijn, omdat hij veel meisjes kent die al zijn ontmaagd voor het huwelijk. Hij is bang dat mij dat ook gaat overkomen, hij zegt: ik vertrouw jou wel, maar ik vertrouw de mens niet,’…”. En dat zegt dan een meisje dat vanaf haar zesde jaar verkracht werd door een oom: “… Vier jaar geleden hadden we hier in het jongerencentrum een gesprek over seksualiteit en ontmaagding. De meiden zeiden toen dat als iemand wordt verkracht het een hoer is…”. Over wel of niet aangifte doen: “… ik kan me er nog steeds boos om maken, maar voor zijn vrouw is het ook zielig. Voor mij is het misschien ook maar beter zo, ik bedoel, stel dat de mensen me gaan uitkotsen? Ik kan misschien wel vinden dat hij moet worden aangegeven, maar de gemeenschap denkt daar heel anders over, die denkt dat als je bent verkracht je minder waard bent en het aan jezelf ligt…”.
Yasmina: "... Thuis moet ik me als een moslima gedragen en buiten weer zo. Ik moet me steeds aanpassen, gek word ik er van...".
Durven dromen
Het is gelukkig niet alleen maar ellende. Er zijn jongens die durven dromen. Sommigen hebben het over profvoetballer worden, of kickbokser. Sommigen willen school afmaken, geld verdienen en dan terug naar Marokko. Een jongen bombardeert Bram Moszkowicz tot identificatiefiguur (waar je ook zo je vraagtekens bij kunt zetten – maar daar hebben we het een andere keer wel weer over). Sommige jongens zoeken een meisje buiten hun bevolkingsgroep als het hen te moeilijk wordt gemaakt: “… Omar heeft nog nooit serieus verkering gehad met een Marokkaans meisje. ‘Ik heb het wel eens geprobeerd toen ik zestien was, maar als ik dan ergens met haar afsprak of we liepen ergens, dan was het: nee, daar woont mijn oom, nee, daar woont mijn neef. Ze was bang gezien te worden met mij…”.
Veel Marokkanen staan verrassend open voor de Nederlandse samenleving. Schouten: “… Erbij horen, dat is wat veel Marokkaanse jongens willen, veel meer dan bijvoorbeeld Turken, die zich meestal terugtrekken in hun eigen gemeenschap. Zou dat niet de reden kunnen zijn dat er tussen Marokkanen en Nederlanders meer wrijving is dan tussen Turken en Nederlanders? Wrijving, die het gevolg is van het onbeantwoorde Marokkaanse geklop op de deur van de Nederlandse samenleving. Geklop dat, als die deur maar lang genoeg gesloten blijft, vanzelf overgaat in oorverdovend gebonk?...”.
Dat jongeren die voortdurend te maken hebben met afwijzing uiteindelijk obstinaat gaan reageren is niet zo vreemd, lijkt mij (waarmee ik niets goed wil praten, hoor!).
Barbara Schouten houdt de samenleving een heldere spiegel voor.
Uitgave: VOC Uitgevers - 2012, 96 blz., ISBN 978 907 981 211 0, €9,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier
zaterdag 5 januari 2013
Duizendmaal dank - Ann Voskamp
Als voorproefje mailde de uitgever/vertaler mij de eerste bladzijden van dit bijzondere boek. Het begint zo: “… Een gloeiende zon-bol vult de lucht op een dag in augustus. Het begin van dit verhaal, mijn geboortedag, de dag dat ik begin te leven. Ik vul de scheurende vuurcirkel van mijn moeder met mijn lichaam. De lucht van de aarde schroeit mijn maagdelijke longen binnen en ik kom ter wereld zoals iedereen die geboren wordt ter wereld komt: met gebalde vuisten. Vanuit de omtrek van haar volheid maak ik haar leeg – en ze bloedt. Verfrommeld, onder de huidsmeer en krijsend word ik tegen het licht gehouden. Dan krijg ik een naam. Kon het korter? Drie letters. Zelfs de versiering van een extra e kon er niet vanaf. Ann, een trio van welvingen en strepen. Het betekent: vol van genade. Dat ben ik niet geweest. Wat wil dat zeggen, vol van genade leven? Het volle leven leven? Ze wassen mijn kleverige huid en ik haal adem. En ik sla om me heen. Ik sla om me heen …”.
Eucharisteo
Als vanzelf ging ik er vanuit dat ik met een literaire roman te maken had. Dat was niet het geval. “Duizendmaal dank” bleek een onvervalste spirituele autobiografie te zijn. Ik had het natuurlijk kunnen weten met een ondertitel als: “Zoek het ware leven waar het te vinden is: vlak voor je neus”, maar ach, tegenwoordig zetten schrijvers de raarste subtitels onder de echte – geen hond die daar nog op let.
Stel je voor: Canada, Ontario, ergens in the middle of nowhere tussen de eindeloze maïsvelden, een vrouw op een boerderij met boer-echtgenoot en zeshonderd zeugen annex achthonderd biggen. Plus zes kinderen, 24/7: ze geeft haar kinderen thuisonderwijs - zo ver zitten ze dan dus waarschijnlijk van scholen verwijderd. Kortom: ‘één grote partij gekte’.
Ze schrijft een mystiek werk dat herinneringen oproept aan de “Belijdenissen” van Augustinus, “De navolging van Christus” van Thomas a Kempis, “Louteringsberg” van Thomas Merton, en “Eindelijk thuis” van Henri Nouwen. Beslist geen flauwekul-niveau.
Ze wil meer God in haar leven. Ze bedrijft een soort christelijke mindfulness, niet met “aandacht” als middelpunt, maar “dankbaarheid”. Eucharisteo.
‘Leren’ zien
En werkt dat? Nou en of. Haar leven verandert in een adembenemend crescendo van spirituele schoonheid en vreugde: iets wat we allemaal wel willen… . Wat let je: je kunt het nadoen. Maak lijstjes van alle dingen die je mooi vindt en wees daar ‘dankbaar’ voor. ‘Tel je zegeningen’: letterlijk. Kijk wat er gaat gebeuren, want je moet ‘leren’ zien. ‘Alles hier beneden is heilig, voor hen die weten hoe ze kijken moeten.’ - Pierre Teilhard de Chardin.
Ann’s hypersensitiviteit brengt haar naar de toppen van ontvankelijk schouwen. Het wordt zo erg, dat ik me op een gegeven moment toch onrustig af ga vragen waar ‘de schaduw’ blijft - waarschijnlijk teveel Jung gelezen. En ja hoor, daar komt het dan, op blz. 148:
“… Ik ben zeventien en mijn hand laat de lege jampot vallen, glas op beton, en de scherven regenen over de vloer van de garage. Ook mijn strakke binnenste spat uiteen. De pijn spuit eruit. Ik voel naar de scherpste rand, lang en glad, leg die tegen de naakte huid van de binnenarm en snij open, zie het lopen, zoute rode tranen. Ik wil niet dood. Ik wil alleen maar bloeden. In de lange jaren na mijn bekering en doop op mijn zestiende, breek ik en snij ik de zelfhaat weg, de zorgen, direct bij mijn polsen, omhoog langs mijn arm. Snijden in mijn vlees brandt, brandt de pijn weg, en het bloed druppelt, de angst vloeit weg, weg de verre verte in. Ik probeer te bidden. Ik ben twintig en sta te wachten op de lift in Varey Hall op een bitter koude dag in februari als die eerste paniekaanval me naar de keel grijpt en ik stukjes huid van mijn nek fijnknijp tussen mijn vingers, lucht, lucht! Wild vlieg ik naar een deur, snij dwars door zwermen andere studenten, rugzakken, boeken, uitgang!...”.
Iemand die recht van spreken heeft.
Natuurmystiek
Het boek bevat veel natuurmystiek, wat niet verwonderlijk is gezien Ann’s leefomgeving: “… Zachtjes komt de herfst, biedt het landschap liefde. De esdoornen langs de oprijlaan blozen en ontkleden zich in stilte..”. En even verder: “… Aan de rand van de wereld, uitzicht op verguld graan, luister ik naar de verlegen regen op het dak, naar de ruisende bladeren van het graan, bladeren van de doden die nog overeind staan…”. Ook al ben ik een stadbewoner, ik vind dit schitterend, het doet me denken aan die andere grote natuuraanbidster: Emily Dickinson (zie mijn blog van 01.08.11). Voor mij schrijft Ann het ontroerendst als ze het bladzijdenlang heeft over hoe ze als een ‘maanzieke’ vrouw over een donker veld vol tarwestoppels rent: “… Vreemd – ik had helemaal niet door dat mijn ziel naar schoonheid hongerde totdat ik mijn race naar de maan begon…”, in een waanzinnige poging om de volle maan te vangen met haar fototoestel: “… Scherpstellen en klik, scherpstellen en klik. Een jager op zoek naar prooi. En geen van de opnamen zijn dichtbij genoeg, breed genoeg, stralend genoeg voor de jager. Wat voel ik toch binnen in mij, meedogenloos door mijn aderen jagen, brandend, vurig…”, en totaal overrompeld wordt door wat ik niet anders kan duiden dan een archetypische ‘godsontmoeting’. Ze beschrijft hoe ze ‘rondtolt’ in een universum dat mij nog het meest doet denken aan de draaiende schijven van lichten op de schilderijen van Van Gogh. Eigenlijk is het niet te geloven dat ze woorden heeft gevonden voor waar geen woorden voor zijn. Ze valt, evenals die ‘aangeraakte’ vader van Jan Siebelink in ‘Knielen’: “.. De maan klimt hoger, een stralende schijf, en achter me, ergens in de dikker wordende duisternis, hoor ik kinderen roepen, over de velden rennen. ‘Mama? Mama!’ En ze vinden me en moeten zo lachen dat ik achter de maan aangegaan ben en ik lach dat dat het nog waar is ook…”.
Gekke mama…
Opgeblazen ego
Nieuw voor mij: “… Ze zeggen dat je eerste herinneringen opgewekt worden door de elektrische schok van een trauma…”.
Heel mooi: “… In mijn lege bestelauto hoor ik verwonde stemmen – de stemmen van mensen van wie ik houd en hun stemmen huilen pijn en ‘ik eer hen door naar hen te luisteren’…”.
De les die ik uit dit boek en uit alle wijsheidsliteratuur en geloofstradities overhoud begint altijd weer met ‘ontdoe je van je hebzuchtige, opgeblazen ego…’. Van Paul Verhaegens verhaal over eros en thanatos in “Identiteit” (zie mijn blog van 10.10.12) tot Sanne Bloeminks gemis aan ‘verbondenheid’ in “Happy me” (zie mijn blog van 17.10.12), van Tatjana van Zantens “Supergelukkig” (zie mijn blog van 14.11.12) over de competitieve ratrace waaruit het leven voor velen bestaat tot Karen Armstongs “Compassie” (zie mijn blog van 06.11.12) waarin ze uitlegt hoe iedere godsdienst ons uitdaagt om ons ‘primitieve reptielenbrein’, dat nog steeds zelfzuchtig gefocust is op vechten, vluchten, voedsel en voortplanten te verzaken, en ons te richten op het vermogen tot compassie, dat zich in de loop der tijd in onze neo-cortex heeft ontwikkeld. Ergens schijnen wij allemaal wel te weten dat wij een keus hebben. Zelfs over een jonge indiaan las ik het volgende verhaal: “… ‘Er zitten twee wolven in mij. De ene wil doden en vernietigen, de ander wil vrede stichten en schoonheid scheppen. Welke van de twee zal er winnen, grootvader?’ De oude antwoordt: ‘Degene die jij voedt’…”.
Ann Voskamp zegt dat het gaat om leeg worden zodat je weer kunt ontvangen. Dat het gaat om worden als een kind, omdat je anders het koninkrijk van God niet binnen kunt gaan. Dat het gaat om loslaten en overgave. Dat het gaat om echte nederigheid.
Ik kreeg een kerstkaart met daarop een tekst van de vermoorde theoloog en verzetsheld Dietrich Bonhoeffer, die het zo stelde: “… Wie zal het Kerstfeest op de juiste manier vieren? Degene die alle geweld, alle eer en aanzien, alle ijdelheid, alle hoogmoed, alle eigenwilligheid eindelijk aflegt bij de kribbe…”.
Onze tijd spiegelt dat, misschien vanuit de naïeve hype rond het populariseren van oosterse filosofie, heel makkelijk voor, maar dat is het niet. Het gaat om niets minder dan een wedergeboorte. Ann Voskamp: “… Ik weet het nu op nog weer een dieper niveau: deze eucharisteo is geen roze wolk maar het scherp van de snede. Slechts mijn eigen ik kan de vreugde doden..”. Ze haalt een andere christen aan, die stelt: “… ‘Iedereen die ooit tot God heeft gezegd: Uw wil geschiede, en dat met heel zijn hart meende, heeft altijd vreugde gevonden – niet pas in de hemel, of in de verre toekomst in dit leven, maar in dit leven op datzelfde moment. Elke christen die ooit geleefd heeft heeft precies datzelfde in zijn eigen leven ervaren. Het is een experiment dat miljarden keren gedaan is, telkens en telkens weer, en de uitkomst was steeds gelijk…”.
Zieners
Ondertussen heeft Ann Voskamp een blog die 40-50 duizend bezoekers per week ontvangt, en ook fanatieke christelijke critici, zoals dat hoort bij iedereen die zijn kop boven het maaiveld steekt.
Dit boek gaat over een gebrokene van hart. Dit boek gaat over heling.
Ik denk niet dat “Duizendmaal dank” iedereen aan zal spreken. Niet iedereen is hetzelfde. Maar voor de selecte groep ‘zieners’ met een naar-binnen-gericht en contemplatief talent zal het absoluut overweldigend zijn.
Uitgave: Van Wijnen - 2012, 256 blz., ISBN 978 905 194 434 1, €16,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier
woensdag 2 januari 2013
Vrij man - Nelleke Noordervliet
Laten we het nieuwe jaar maar eens met wat ‘vuurwerk’ binnen vallen! “Vrij man. Het leven van Menno Molenaar”. Nelleke Noordervliet. Ik vond het fantastisch: letterlijk en figuurlijk. Ik was begonnen met “Het boek Henry”, de vertaling van de historische roman “Bring Up the Bodies” van Hilary Mantel, die daarmee voor de tweede keer de prestigieuze Man Booker Prize won, maar na een bladzij of vijf boeide het me nog steeds niet. Toen pakte ik het eveneens historische “Vrij Man”, wat me zo bij de kladden greep dat ik een paar dagen van de wereld was. Gaf niks: het was toch kerstvakantie. Zo persoonlijk kan lezen zijn dus…
Postmodern drama
Het fascinerende is dat Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 1945, Neerlandicus) zichzelf nadrukkelijk in het verhaal schrijft en een ontmoeting met haar 17de eeuwse hoofdpersoon arrangeert in Woodstock anno nu. Alsof hij op zijn Suske’s en Wiske’s verdwaasd uit een teletijdmachine komt rollen, of een late echo is van dat andere schitterende geschiedenisrelaas: “Kruistocht in spijkerbroek” van La Beckman. Ze ondervraagt hem, ze beschuldigt hem dat hij liegt en de helft niet vertelt, en op een gegeven moment gaat ze zelfs met hem naar bed.
‘Hoge’ en ‘lage’ cultuur; Nelleke Noordervliet vlecht het allemaal schitterend ineen, in een ongekend postmodern drama, wat haar – tot mijn verbazing - nogal wat kritiek heeft opgeleverd. Waarom ze niet een ‘gewoon’ geschiedenisboek schrijft… Maar dat is het hem nu juist: dit is geen geschiedenisboek, dit is een roman. En van mij mag in een roman alles, ook en misschien wel juist de dingen die niet kunnen. Dat is de vrijheid van het verhaal, de vrijheid die de kunst voor heeft op het echte leven. Zonder verbeeldingskracht zou er helemaal geen literatuur zijn. ‘Vrij man’ worden, valt dan misschien niet mee : “… De fuik in zwemmen, het weten en niets anders kunnen doen dan dat. De kop met de kieuwen achter het net steken. Wanneer ben je vrij? Nooit. Vrijheid bestaat uitsluitend als verlangen…”, maar ‘vrij vrouw’ zijn, gaat Noordervliet prima af. Ze heeft lak aan de regelen der kunst. Mooi zo!
Trouwens, het is maar de vraag of die ontmoeting niet kan, want het is duidelijk een treffen ‘in de geest’ en ‘vond strikt genomen niet plaats’, aldus de eerste zin van dit boek.
Dat is niet het enige dat “Vrij man” volgens sommigen nodeloos ingewikkeld maakt; het wordt ook nog eens vanuit verschillende perspectieven verteld. Nu staat er boven elke episode keurig de naam vermeldt van degene die aan zet is, dus hoe moeilijk kan dat nu helemaal zijn?! Mopperaars hierover verwijs ik ter oefening naar “De stad der blinden” van Jose Saramago en het wereldberoemde “Rayuela; een hinkelspel” van Julio Cortázar (van de laatste snap ik nog steeds geen laars). Overigens; ik denk dat dit soort commentaar meer zegt over luie lezers dan over getalenteerde schrijvers.
Ik heb gezegd.
Opkomst van de rede
Het boek beschrijft het levensverhaal van Menno Molenaar, armoedzaaier/theoloog i.o./drinkebroer/schuinmarcheerder/arts/jurist/dubbelspion/moordenaar/avonturier maar vooral ‘filosoof’ in de Gouden Eeuw. Het is de tijd waarin het bijgeloof zich langzaam terug gaat trekken in de duisternis waar het vandaan komt: “… Lies Tomboy, de vroedvrouw, kwam bij me met een zwartbehaard hondje, nog nat van de geboorte. Opgewonden vertelde ze dat ze bij een zwangere vrouw was geroepen die zes maanden in haar dracht weeën kreeg en na veel gekerm dit wezen produceerde, waarvan ze niet wist of het een mens of een dier was…”. Het is de tijd van de opkomst van de rede.
Vrijdenkers
Gedwongen theologie te studeren (een oom betaalt!) aan het strenge Statencollege in Leiden onder leiding van Jacob Revius – wat trouwens niet lang duurt, hij wordt betrapt met een hoertje, dat kan natuurlijk niet voor een toekomstige dominee -, beweegt hij zich als opstandige puber al snel in de kringen van vrijdenkers rond de Rijnsburgse lenzenslijper Baruch Spinoza. Adriaan en Johannes Koerbagh, Lodewijk Meijer, Descartes, jawel, hij kent ze allemaal. Hij wordt hulpje van een anatomieprofessor, en zuigt in de openbare snijzaal, het z.g. Theatrum Anatomicum, geobsedeerd praktische kennis op over de werking van het menselijk lichaam. Geneeskunde zal heel zijn leven zijn grote passie blijven. Hij heeft een morbide belangstelling voor de dood. Denkt daarmee het geheim van het leven te kunnen ontrafelen. Hij komt in de macht van een mecenas die een studie rechten voor hem financieert in ruil voor strengverboden homoseks en politieke infiltratie. Het brengt hem in de nabijheid van mannen als raadspensionaris Johan de Witt en de zeehelden Maarten Tromp en Michiel de Ruyter.
Contrasten in de Gouden Eeuw
Menno verkeert in de hoogste kringen maar voelt zich thuis aan de zelfkant:
“… Contrasten, daar hield hij van. Ze stelden hem voor raadsels. Hij stelde zichzelf voor raadsels. Zijn leven was een experiment. In hem keek – afwachtend achteroverleunend – de man toe die hij moest worden…”. Rauw tekent Noordervliet de overweldigende stank van de armoedige achterbuurten, de dodelijke ziektes, de immorele bordelen, de ranzige herbergen die hij bezoekt. Gewapend met medisch inzicht staat Menno zijn hospita bij in het op poten houden van een illegale abortuspraktijk.
Een aantal jaren geleden ben ik naar Madame Tussauds geweest in Amsterdam, waar de Gouden Eeuw ook in de schijnwerpers stond (geen idee of dat nog zo is). Enfin; we kwamen op een lieflijk binnenplaatsje terecht waar zwangeren en hartpatiënten werden geweerd (stront aan de knikker, dacht ik gelijk). Even later doken er een stel doodenge acteurs op, verkleed als waanzinnige misdadigers, die ons dwars door een donkere gevangenis met kooien vol krijsende gekken begonnen te loodsen. Ik heb een grote bek, maar een klein hartje. “Ik vind dit maar niks”, fluisterde ik tegen de studente die ons rondgidste. “Ga aan de buitenkant staan, die lui proberen altijd in het midden van de groep te komen”, siste ze terug. Aan haar dank ik zo niet mijn leven, dan toch mijn soepele passage door dat hellegat. De herinnering werd bij het lezen weer helemaal levend. Moraal van het verhaal: ook dit is de Gouden Eeuw. Het doet een beetje denken aan die andere duizelingwekkende hoerenroman: “Lelieblank, scharlakenrood” van Michel Faber.
Hij zoekt en vindt niet
Bijna 500 bladzijden lang rijgt Nelleke Noordervliet teksten aan elkaar die af en toe de tranen in mijn ogen deden springen, zo mooi - en dat zonder ook maar ergens in te zakken: “… De anderen zouden er niet moeten zijn. Ze kijken je in een vorm die je niet wilt hebben…”. Een katholieke vrouw in een gebed voor Menno: “… ‘Lieve Moeder Maria, wees mijn voorspraak bij Uw zoon naast wie U in de hemel zit. Ik breng U hier een kind Gods, dat zijn God niet kent. Waarom kent hij zijn God niet? De hele schepping is immers getuige van zijn bestaan? Houdt hij zijn ogen stijf gesloten omdat hij bang is voor zijn macht en majesteit? Heeft hij wegen ingeslagen die hem naar duistere oorden leidden, waar het licht van de waarheid niet kan doordringen? Is hij het lam dat verdwaald is? Neem hem bij de hand en leid hem terug naar de kudde. Hij heet Menno Molenaar en hij staat naast me. U ziet hem wel staan. Hij schaamt zich. Hij vindt het gesprek met U een verderfelijke vorm van bijgeloof, want hij vertrouwt op het instrument van de rede, en zijn verstand zegt hem dat ik als een dwaas zit te praten tegen verf op hout, nog wel op mijn knieën, en dat een prentje geen oren heeft. En zelfs al aanvaardt hij de afbeelding van U als een symbool, dan nog ziet hij geen enkel bewijs in deze materiële wereld voor Uw lichaamsloze aanwezigheid. Hij worstelt innerlijk. Hij zoekt en vindt niet. Geef dat ik hem door Uw kracht de liefde Gods mag laten ervaren. Amen…”.
Een verpletterde ziel
Als Menno geen kant meer op kan, doodt hij zijn manipulerende mecenas, en verdwijnt naar de ‘Nieuwe Wereld’ om een tweede leven op te bouwen. Hij sluit zich aan bij andere emigranten, trouwt, en vergaart rijkdom. Maar ook in die verre, ruige wereld, wachten de boeien van godsdienst en familie: “… Wee het schaap dat van de kudde dwaalt, wee degene die een andere god aanbidt, die een ander kerkgenootschap bezoekt, die een vreemde autoriteit erkent. En hij voer voort over de suprematie van de Nederduits Gereformeerde Kerk, die onder druk kwam te staan van de Engelse gezagsdragers die hun eigen opvatting van het Woord van God als wet wensten te stellen, ‘en dat terwijl wij allen weten dat zij dwalen in schemering’. Het woord ‘duisternis’ wilde hij in zijn grote verdraagzaamheid niet gebruiken, omdat hij de mogelijkheid van bekering openhield; de ene sekte was immers de andere niet. En nader dan de verachtelijke roomsen stonden toch de puriteinen. Onderscheid mocht worden gemaakt in de omgang met andersdenkenden, maar vermenging was streng verboden. De leer moest zuiver worden doorgegeven van vader op zoon. Wie laks en toegeeflijk was riep niet alleen de toorn van God (‘ophangen in de zon!’) over zich af, maar vooral de toorn van de dominee en de afkeuring van de hele gemeenschap. Het volk boog het hoofd en dacht aan de maaltijd, aan de oogst, aan de handel, aan de dood, aan liefde en haat, aan een zijden japon, een ziek paard, aan het bleke lichaam van de dominee onder de zwarte toga, aan kots en angst, aan zwangerschap, rum, huis, sneeuw, aan water om in te verdrinken, aan de aard van de zonde, aan verrukking, aan geld, aan de goedheid van God, aan Spinoza. Die laatste was Menno Molenaar…”.
Dit zegt een vriend over hem: “… Hij zoekt iets dat nergens te vinden is, niet in de Bijbel, niet bij de wilden, niet in drank of seks, maar leer mij mensen kennen. De zoektocht naar het geheim, het binnenste van de aarde zal ik maar zeggen bij gebrek aan een betere term, verplettert je ziel. Zo. Foei! Donders! Ik krijg het er helemaal benauwd van…”.
En dat heeft die vriend goed bekeken, want al dat gezoek naar het ‘authentieke zelf’ blijft vruchteloos, omdat iets als een ‘authentiek zelf’ volgens psycholoog Paul Verhaeghe (zie mijn blog van 10.10.’12) helemaal niet bestaat. Onze identiteit ontlenen wij aan onze omgeving – daar is dit boek maar weer eens het bewijs van: “… Het maakt niet uit in welke tijd je woont. Wie zich losdenkt, hangt…”.
Vergezichten van een Godloze samenleving
Aan het eind van zijn leven is Menno misschien ‘klaar’ met God, maar veel levert hem dat niet op: “… Welke leidraad voor goed en kwaad neem ik? Veel anders dan die van de dominee zal het niet zijn, afgezien van diens kleinzielige gelijkhebberij, de angstige dwang van de ene ware kerk. De tien geboden van Mozes staan nog altijd gebeiteld. Maar ik heb de helft ervan overtreden en de grootste misdaad begaan. Hoe moet ik leven? Zeg me hoe ik moet leven…”. Leegte, zinloosheid, wanhoop.
“… Een schorpioen was hij met de staart gericht op het eigen hart…”.
Zo fraai zijn de vergezichten van een Godloze samenleving nu ook weer niet…
Uitgave: Augustus - 2012, “Vrij man” is voor €19,95 rechtstreeks te bestellen bij internetboekhandel IZB-Ark als je hier klikt (voor meer informatie over IZB-Ark: zie kolom hiernaast).
Uitgave: Augustus - 2012
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)


