Menu

maandag 11 februari 2013

Het geheim van Treurwegen – Guus Bauer


“Het geheim van Treurwegen” van Guus Bauer (Amsterdam – 1955, schrijver, recensent, uitgever) begint als een soort volksverhaal over een jongen die zichzelf ziet als de eerste burger van de nieuwe eeuw, omdat hij volgens zijn moeder klokslag 1900 werd geboren. Dat is voor ons, als lezers, erg prettig; want zo weten we precies hoe oud hij is als in het boek de eerste wereldoorlog uitbreekt.
Willem Maria Treurwegen – 14 jaar: “… Ik ben geen kind meer. Ik ben een loonwerker. Een man die zorgt dat er te eten is…”.


Klompen tellen
Willem groeit op in een Vlaams gat ergens aan de Nederlands-Belgische grens, tussen negen oudere zussen, twee jongere broertjes, drie jongere zusjes en een nakomertje: een huilbaby, volgens hem. En dan zijn er ook nog twee broertjes vóór hem in de wieg gestorven en eentje in de waterput gevallen en verdronken. Je zou van minder de weg kwijt raken: “…Va telt voor het slapengaan de klompen onder het afdak. Zo weet hij of iedereen binnen is…”.
Zijn vader verhuurt zich als boerenknecht en vult de inkomsten aan met stropen en smokkelen. Vanaf zijn zevende gaat Willem met hem mee. Het is armoe troef:
“… Als de pastoor of de kapelaan bij ons thuis kwam, haalde moeder voorzichtig de kopjes en schotels en de theepot onder uit haar commode. Als ze het bezoek inschonk hield ze angstvallig de kant van de pot waar de stukken vanaf zijn naar zich toe. ‘Neemt u zelf niet?’ vroeg de geestelijke verwonderd aan moe. ‘Nee, eerwaarde, dank u, drinkt u maar rustig een kopje met mijn man (na de koffie volgen trouwens de borrels – va zuipt de pastoor steevast onder de tafel).’ We hebben namelijk maar twee kopjes en twee schotels die heel zijn… ", en “… Ik lig in bed. Mijn broertjes naast elkaar met hun hoofd aan mijn voeteneind. Ze zijn niet lang. Als ik ze een schop wil geven, moet ik helemaal onder de paardendeken kruipen…”.
Maar Willem weet niet beter, en is eigenlijk heel gelukkig, ook al bestaat zijn ruige opvoeding voornamelijk uit pakken slaag. En toch: met dezelfde hand waarmee ma hem een oorveeg geeft drukt ze hem tegen haar dikke buik. s’Avonds zit het hele koppel rond de luie stoel van va zich te verkneukelen om zijn sterke verhalen:
“… Een van mijn zussen pakt de baby uit de door va getimmerde wieg, een eikenhouten kist op twee halvemanen. Daar hebben we allemaal de eerste tien maanden in gelegen. Al hadden we er rustig nog jaren in kunnen slapen, de kist is groot genoeg voor een volwassen vent, maar er kwam nu eenmaal meestal na een maand of elf, twaalf weer een nieuwe Treurwegen bij. ‘Als ik dood ben,’ zei va, ‘ga ik in dat ding de grond in.’ En als hij zin had om ons eens flink aan het schrikken te maken, dan zei hij nog: ‘Jullie hebben allemaal in mijn doodskist gelegen.’…”.

Den dodendraad

Wat ik nooit heb geweten: om te voorkomen dat in W.O. I de Belgen massaal naar het neutrale Nederland vluchtten bouwden de Duitsers een kilometers lang elektrisch hek langs de grens. In het boek wordt de vader van Willem daarbij te werk gesteld; Willem zelf ontspringt de dans. Elektriciteit is onbekend. Om te laten zien wat schrikdraad van 3000 volt uitwerkt laten de Duitsers een varken tegen het hek aanlopen: “… Zoiets heb ik nog nooit gezien. Er zitten grote zwarte plekken op de roze huid en er kringelt rook omhoog. Toen de zeug tegen de draden aan liep, knetterde en flitste het alsof we midden in een onweer zaten. Het lichaam van het dier schokte en sidderde. ‘Die wiert ja richtig gegrild,’ zei een soldaat. Hij floot tussen zijn tanden. Waarom was de zeug niet snel de andere kant op gelopen? Het leek alsof ze aan het hek vastgeplakt zat. ‘Dat is wat elektriek kan doen,’ hoorde ik de doodgraver zeggen. ‘De longen verlammen, het hart geeft het op en de lichaamssappen gaan koken.’…”.
Ik las ergens dat Bauer dit verhaal heeft gebaseerd op een regel van Willem Elsschot (1882-1960): “... Gedurende de Grote Oorlog zijn ongeveer duizend landgenoten gestorven door den dodendraad…”.
Er zit meer Elsschot, pseudoniem voor Alphons de Ridder, in het verhaal: de ouders van Willem overlijden op dezelfde manier als Elsschot en zijn vrouw, en er komt een oom Alphons opdagen van wie Willem een geheimzinnig pakketje krijgt, waarin o.a. een revolver, een landkaart en een legeruniform zit. Willem trekt er op een nacht in deze soldatenoutfit van tussen, vast van plan om zijn vader te bevrijden, maar loopt regelrecht in de armen van een Nederlandse grenspatrouille die hij wijsmaakt dat hij een legerofficier is, en waardoor hij in een krijgsgevangenkamp terecht komt. Via een enorm kaliber Bulletje- en Bonestaakachtige avonturen belandt Willem uiteindelijk in Engeland, waar hij een militaire opleiding krijgt: “… Oorlog is slecht, maar het brengt een plattelandsjongen op plaatsen waar ik anders nooit zou zijn gekomen. En in contact met mensen die me anders niet zien staan…”.

De hel breekt los
Ik heb me lang verbaasd over de grappig-afstandelijke manier waarop Bauer het verhaal luchthartig uit zijn mouw schudt (zo leuk was die oorlog toch ook weer niet). Willem neemt het leven zoals het komt, kent geen heftige gevoelens nog negatieve emoties; hoogstens ‘schrikt’ hij een keertje. Waar gaat dit over; dacht ik op een gegeven moment. Maar dan vliegt een zeppelin hem na 200 van de 270 bladzijden, met zijn commando-eenheid terug naar het Europese vasteland en raakt hij verzeild in de loopgravenoorlog. Het contrast kan niet heviger. De hel breekt los (iedere gevoelige ziel kan nu beter even zijn of haar handen over zijn of haar ogen leggen): “… Her en der liggen afgerukte ledematen. Midden in een krater staat een soldaat. In zijn buik zit een volmaakt rond gat ter grootte van een voetbal. Zijn hoofd ontbreekt. Ik kruip langs een paar kreunende gewonden heen. Een soldaat zonder voeten, een broekie nog, klampt me met zijn laatste krachten aan en vraagt me hem dood te schieten. In dat geval kan ik net zo goed het pistool tegen mijn eigen slaap zetten. De sluipschutters knallen me direct neer zodra ze de vuurmond zien of de knal horen. Bovendien heb ik geen kogels meer. Ik heb de afgelopen dagen wel stilgezeten in de bosjes, maar me ook terdege laten gelden. Als ik goed heb geteld, dan heb ik zeker vijf officieren en drie onderofficieren omgelegd. De gewone manschappen liet ik over het algemeen met rust. Ik til het hoofd van de soldaat op en pak zijn kaak vast, bijna teder. Het kost me weinig moeite om zijn kippennek te kraken. Even later kom ik het hoofd tegen van de soldaat uit de krater. Een van zijn ogen, staalblauw, hangt op zijn wang. Hij steekt zijn tong naar me uit. Een belediging van een officier. Normaal goed voor een strafexpeditie. Ik laat het gaan. Natuurlijk mag hij de spot met me drijven. Hij is ontsnapt…” en “…Ik heb verhalen gehoord over uitgehongerde soldaten die de maden van hun rottende benen afhalen en opvreten. Geen idee of dat waar is…”. Dit is allemaal nog niks vergeleken met wat Bauer aan gruwelijks opdist als Willem in een veldhospitaal op zoek gaat op de gas- en koudvuurafdelingen naar een vriend.
Enfin: Bauer tipt met gemak aan alle W.O.I films en boeken die ik ken en laat het verhaal ook nog eens op een fantastische manier uitlopers schieten naar W.O. II.
Nog even over de voorkant van dit boek: die z.g. Willem Treurwegen is toch maar een verduiveld mooie jongen (foto: Imperial War Museums)…

Soldatenmoed
Ik heb het vaker gezegd: je kunt niet anders dan met enige afstand de meest vreselijke dingen onder woorden brengen.
“… Soldatenmoed is de sterkste verbloeming van dwaasheid…”, schrijft oom Alphons op het einde in een brief. Dat is de strekking van dit verhaal. Wat een waanzin is oorlog.
Na het lezen van dit boek word je vanzelf overtuigd pacifist.

Uitgave: Signatuur - 2013, 280 blz., ISBN 978 905 672 465 8, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 3 februari 2013

Stil – Susan Cain


Subtitel: De kracht van introvert zijn in een wereld die niet ophoudt met kletsen

Trendwatcher Lidewij Edelkoort voorspelde het vorig jaar al in “Zomergasten”: introversie wordt ‘in’. Daarmee bedoelt ze natuurlijk niet dat extraverten gaan veranderen in introverten - die keus heb je
niet -, maar dat er weer oog komt voor introverte eigenschappen (bijvoorbeeld in de mode: ‘verhullende’ kleding - capes en capuchons).
Mensen beginnen langzaamaan genoeg te krijgen van de competitieve ratrace die het leven is geworden. De manier waarop de grootste schreeuwers het meeste bereiken wordt steeds vaker als stuitend ervaren. We zoeken rust en stilte. In het best verkochte managementboek aller tijden, “De zeven eigenschappen van effectief leiderschap” van Stephen Covey, gaat het weer onverbloemd over zelfinzicht, dienstbaarheid en het wegpoetsen van eigen ego. Een ‘zachte revolutie’ lijkt gaande – en stemt mij oneindig vrolijk. Ik heb al vaker gewezen op de nieuwe wind die is gaan waaien en van ‘onderaf’ lijkt op te komen: zie mijn blogs over “Identiteit” van Paul Verhaeghe, “Happy me” van Sanne Bloemink, “Compassie” van Karen Armstrong , “Borderline Times” van Dirk de Wachter en b.v. het VPRO-programma Tegenlicht met de documentaire “Gaten in de markt”. De New Yorkse Bestseller “Stil” is ook een loot aan deze stam.


Muurbloempjes en nerds
Als je aan een New Yorkse advocate denkt, dan denk je bijna vanzelf aan het toppunt van extraversie. Toch is Susan Cain dat niet. Integendeel. Ze vertelt in dit boek verhalen over hoe ze bij tijden bijna kotsend van de zenuwen naar haar werk ging, en over verlegen mede-introverten die, om maar met niemand te hoeven praten, zichzelf tussen briljant afgestoken speeches door opsluiten in de wc. Introverten zijn er in alle soorten en maten. Wat ze vooral gemeen lijken te hebben is ‘een hekel aan enge feestjes’ – zoals die andere hilarische New Yorkse advocaat, Sanne Bloemink, opdist in “Happy me”, dat bijna een voorloper lijkt van het diepgravende en erudiete “Stil”.
In een wereld waarin extraversie de norm is, valt het niet mee om introvert te zijn. “Stil” is een fascinerende verdediging van muurbloempjes en nerds. Wie zijn die mensen die liever alleen zijn dan met z’n allen, die liever luisteren dan praten en liever denken dan doen?

Sociale angst
Minstens een derde van de mensen om ons heen is introvert. Dat is altijd zo geweest volgens de geschiedenisverslagen. Introversie werd pas een probleem toen rond 1900 het extraverte ideaal boven kwam drijven en onze zogeheten ‘karaktercultuur’, waarin het er vooral om ging dat je je serieus, gedisciplineerd en eerbaar gedroeg, omsloeg in dat van de ‘persoonlijkheidscultuur’, waarin het er op aan komt hoe je overkomt. Cain: “… Daarmee ging er een doos van Pandora open, vol particuliere angsten waarvan we nooit helemaal zouden bijkomen…”. De druk om te amuseren, om jezelf te verkopen en nooit te laten zien dat je bang bent betekende een goudmijn voor de geneesmiddelenindustrie: niets verkoopt beter dan pillen tegen sociale problemen. Spreken in het openbaar is de grootste angst in Amerika, en komt veel vaker voor dan angst voor de dood.
Je zou introversie en extraversie kunnen opvatten als een voorkeur voor een bepaald prikkelniveau: “… Je kunt jezelf bewust gaan situeren in omgevingen die gunstig zijn voor jouw persoonlijkheid: niet te veel en niet te weinig prikkelend, niet saai en niet angstwekkend…”.
Een belangwekkende bevinding: “… Introverte mensen vinden mensen die ze in een vriendelijke context tegenkomen aardig; extraverte mensen geven juist de voorkeur aan mensen met wie ze concurreren…”.
Er zit wel wat speling in de menselijke persoonlijkheid. Mensen kunnen veranderen, maar niet voorbij een bepaald punt: “… Dat zou je de ‘elastiektheorie’ kunnen noemen. We zijn elastiekjes in ruste. We zijn elastisch en kunnen onszelf oprekken, maar niet eindeloos…”.

Oude en nieuwe hersenen
Evenals Karen Armstrong in "Compassie" heeft Cain het over oude extraverte hersenen en nieuwe introverte hersenen. De oude hersenen in de vorm van de amygdala die verbonden is met het genotscentrum zeggen voortdurend: “… ‘Ja, ja ja! Eet meer, drink meer, vrij meer, neem meer risico, kies voor al het genot dat je kunt beleven en denk vooral niet na!...”. De nieuwe hersenen in de vorm van de neocortex zijn verantwoordelijk voor denken, plannen maken, taal en besluitvorming en waarschuwen: “… ‘Nee, nee, nee! Doe dat niet, want dat is gevaarlijk, is niet logisch, is niet in jouw belang, of in dat van je gezin, of van de samenleving.’ De oude hersenen en de nieuwe hersenen werken samen, maar niet altijd even goed. Soms, zijn ze het regelrecht met elkaar oneens en dan hangt de beslissing er maar net van af welk hersendeel sterkere signalen uitzendt…”.
En zo kon het gebeuren dat minachting voor angst, onzekerheid en twijfel – en voor het type persoon dat deze doorgaans ervaart, de kredietcrisis veroorzaakte: “… De voorzichtige types werden steeds meer geïntimideerd en gepasseerd tijdens promoties…”, vertelt een bestuurder die de kredietcrisis in 2008 vanaf een stoel op de eerste rij aanschouwde.
Een verontrustend onderzoek uit 2010 aan de University of Michigan geeft aan dat studenten van nu 40 procent minder empatisch zijn dan dertig jaar geleden, waarbij de daling grotendeels na het jaar 2000 heeft plaatsgevonden: “… De auteurs van het onderzoek speculeren dat de verminderde empathie verband houdt met de dominantie van sociale media, reality-tv en ‘hyper-concurrentiedrang’…”.
Iets wat ondersteund wordt door een opmerkelijk onderzoek waaruit blijkt dat werknemers in hun eentje meer en betere ideeën produceren dan in groepsverband. Dat ‘brainstormen’ is echt niet alles. Ook blijkt dat werknemers veel beter presteren in een eigen werkruimte dan wanneer ze met z’n allen boven op elkaar zitten:
“… Kantoortuinen verlagen de productiviteit en verslechteren de geheugenfunctie. Ze vertonen een relatie met een groot personeelsverloop. Ze maken mensen ziek, vijandig, ongemotiveerd en onzeker. Mensen die in kantoortuinen werken hebben meer kans op hoge bloeddruk, stress en griep; ze maken vaker ruzie met collega’s; ze zijn bang dat collega’s hun telefoongesprekken afluisteren en op hun computerscherm spieden. Ze voeren minder persoonlijke en vertrouwelijke gesprekken met collega’s. Ze worden vaker blootgesteld aan luid en oncontroleerbaar lawaai, dat de hartslag verhoogt; dat zorgt voor de afgifte van cortisol, het vecht- of vluchthormoon dat het lichaam bij stress aanmaakt; en dat mensen sociaal afstandelijk, licht ontvlambaar, agressief maakt en ongenegen om anderen te helpen…”.

Hoog-sensitief
Susan Caine bracht ook een weekend door met een groep hoog-gevoelige introverte mensen onder leiding van de bekende psychologe Elaine Aron, die het begrip ‘hoog-sensitiviteit’ introduceerde. Dat was nogal ontregelend: “… Sommige mensen zijn zó gereserveerd dat ze nors overkomen. Soms dreigt de doe-het-zelf-mentaliteit te ontaarden in wederzijdse eenzaamheid terwijl iedereen zijn gangetje gaat. Ik begin zo zachtjes te praten dat ik het gevoel krijg dat ik mezelf in slaap wieg…”.
Wel grappig is dat er verbazend vaak een relatie lijkt te bestaan tussen hoogsensitiviteit en lichaamskenmerken als blauwe ogen, allergieën en hooikoorts, een slank lichaam en een smal gezicht. Onbewust geven animators in tekenfilms gevoelige figuren als Assepoester, Pinokkio en Dopey dan ook vaak kwetsbare blauwe ogen en meer assertievere personages als de stiefzusters van Assepoester, Grumpie en Peter Pan donkere ogen.
Het meest leefbaar is een sociale situatie met een goeie mix van introverten en extraverten.

Introverten in de kerk
Intrigerend is wat Susan Cain vertelt over een bezoek aan de Saddleback Church, een evangelische kerk met een wekelijks bezoekersaantal van ruim 22.000 (!) mensen. De pastor, Rick Warren (die tijdens de de inhuldiging van president Obama het openingsgebed uitsprak), werd wereldberoemd met zijn buitengewoon succesvolle Alpha-cursus, waarin je vrijblijvend kunt kennismaken met het christelijke geloof, en die in heel veel geloofsgemeenschappen, ook in Nederland, wordt gegeven. Het punt is dat het extraverte ideaal in dit soort kerken tot in het extreme de boventoon voert: “… Als je niet luidkeels van Jezus houdt (muziek, getuigenissen), is het vast geen echte liefde. Het volstaat niet om je eigen spirituele band met het goddelijke op te bouwen: die moet publiekelijk getoond worden…”. En zo zijn: “…veel mensen in de Evangelische kerk godsvrucht gaan associëren met sociabiliteit…”.
Wat ik dan weer heel opmerkelijk vind: terwijl in Nederland steeds meer kerken hun deuren sluiten is het helemaal hot je bij tijd en wijle terug te trekken in de contemplatieve sfeer van een klooster. Van de week is de Visie, het magazine van de Evangelische Omroep, geheel gewijd aan “Op zoek naar God in de stilte”. Ook het streng-orthodoxe Reformatorische Dagblad had in het kader van de maand van de spiritualiteit een onderhoudend artikel over “Stilte: een veemde eend in de bijt van de tijd”. En al die boeddhabeeldjes overal: ik denk dat die toch echt iets te maken hebben met onze zoektocht naar rust en vrede.
Mij lijkt de hedendaagse sympathie voor introversie b.v. ook af te lezen aan het eclatante succes van de tv-serie “The Big Bang Theory”, die bevolkt is met gekke nerds.

Opa
Op het gevaar af dat deze blog veels te lang wordt misschien wel het allermooiste verhaal uit “Stil”:
“… Mijn grootvader was een zachtmoedige man met vriendelijke blauwe ogen en een passie voor boeken en ideeën. Hij droeg altijd een pak en kon op een hoffelijke manier zijn blijdschap tonen over de juichenswaardige kanten van mensen, vooral van kinderen. In de wijk Brooklyn waar hij als rabbijn werkzaam was, wemelde de stoepen van de mannen met een zwarte hoed, vrouwen met een rok die hun knieën verborg en kinderen die zich onwaarschijnlijk netjes gedroegen. Op weg naar de synagoge begroette mijn grootvader de voorbijgangers, en prees daarbij zachtjes het goede verstand van het ene kind, de lengte van een ander kind en de kennis over actuele gebeurtenissen van een derde. Kinderen waren dol op hem, zakenlieden respecteerden hem en verloren zielen klampten zich aan hem vast.
Maar hij hield boven alles van lezen. Op zijn kleine etagewoning, waar hij als weduwnaar tientallen jaren woonde, hadden alle meubels hun oorspronkelijke functie verloren en dienden nu als draagvlak voor stapels boeken: Hebreeuwse teksten met goud op snee naast Margaret Atwood en Milan Kundera. Mijn grootvader zat doorgaans onder een halo-vormige fluorescentielamp aan zijn piepkleine keukentafel, waar hij thee van Lipton dronk en marmercake oppeuzelde, met een boek opengeslagen op het witte, katoenen tafelkleed. In zijn preken, die stuk voor stuk oeroud en humanistisch denken met elkaar verweefden, vertelde hij aan zijn gemeente wat zijn studie deze week had opgeleverd. Hij was een verlegen man die moeite had om oogcontact met zijn gehoor te maken, maar zijn spirituele en intellectuele verkenningen waren zo gewaagd dat de synagoge tot de nok toe gevuld was wanneer hij preekte…”
.
Wat een opa!
En wat een boek!

Uitgave: De Arbeiderspers - 2012, 352 blz., ISBN 978 902 957 838 7, €24,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 31 januari 2013

Liefde, lust en ellende – Roos Vonk


Boeken zijn er over vol geschreven: liefde. Vervelen doet het nooit, erover uitgepraat raak je niet, maar snappen: nou, nee.
Waarom nu juist die ene? Roos Vonk: “… Vorige week gebeurde het weer. Ik ontmoette de geliefde van een vriendin; de man naar wie zij hunkert en die haar niet ziet staan. En ik dacht: wat is nou de big fuzz? Doodgewone man! Waar maakt ze zich zo druk om? Niet dat ik zo’n ijskonijn ben. Omgekeerd is het natuurlijk ook voorgekomen dat ik hysterisch deed over een man waar mijn vriendinnen de grote attractie niet van in zagen…”, of, zoals Emily Dickinson verheven dichtte: “… The Voice that stands for Floods to me, Is sterile borne to some – The Face that mades the Morning mean, Glows impotent on them - …”. Duidelijk verliefd.
‘Liefde, lust en ellende’ is een eigentijdse drieslag over “… dat eigenzinnige mysterie, de liefde, waarin we tot op zekere hoogte allemaal ervaringsdeskundige worden - soms onvrijwillig, maar meestal met overgave…”.


Onromantische hormonen
Het leuke aan de boeken van Roos Vonk (1960; hoogleraar Sociale Psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen) is dat ze in korte columns ingewikkelde onderwerpen terug brengt naar alledaagse, herkenbare en vaak grappige toestanden – die je helpen het leven een beetje beter te begrijpen.
Zo is liefde vooral een kwestie van onromantische hormonen. Niet erg leuk om te bedenken als je in vuur en vlam staat; maar misschien kan het idee een doekje tegen het bloeden zijn als je gek wordt van liefdesverdriet. De biologische functie van verliefdheid is paarvorming. Het activeert in het brein dezelfde gebieden die betrokken zijn bij verslaving en zorgt voor de aanmaak van ‘lekkere’ stoffen, zoals dopamine. Als het lukt om een band te smeden, komen de verliefdheidshormonen vanzelf tot bedaren, en kun je weer overgaan tot de orde van de dag. Als het niet lukt gaan je hormonen alleen nog maar harder tekeer. Vandaar dat Woody Allen zei: ‘De enige liefde die stand houdt is onbeantwoorde liefde.’ Dus als je verliefd bent op de verkeerde is er maar één oplossing: “… alle contact verbreken en afkicken van de verliefdheidshormonen. Cold turkey, net als bij elke verslaving…”.

Internetdaten
Heel veel mensen denken dat ze moeten laten zien hoe geweldig ze zijn als ze indruk op iemand willen maken. Het tegenovergestelde is het geval: je moet juist die ánder laten voelen hoe geweldig hij of zij is. Oftewel: het draait niet om jou. Het is dan ook best raar dat uit onderzoek is gebleken dat meer dan 80 procent van de participanten op datingsites zich op de een of andere manier veel beter voordoen dan ze in werkelijkheid zijn: “ … Ze zijn slank en sporten, ze staan midden in het leven. Geen muurbloempjes en nerds te bekennen! Ze hebben leuk werk, veel vrienden en veel hobby’s (vaak ‘passies’ genoemd). Vrouwen zijn ‘spontaan’ en overal voor in, hebben een ‘te gekke job’, ‘fantastische kids’ en missen alleen nog een ‘brede schouder’. Mannen hebben het ‘goed voor elkaar’, zijn ‘communicatief ingesteld’ (ze praten!) en vermaken zich met hun veelzijdige interesses, ze zitten vol leuke en spontane invallen, ze houden van romantiek (strandwandelingen en open haard) en koken (‘goed glas wijn’), en zijn dermate spannend dat hun annonce moet eindigen met de provocerende vraag ‘Durf jij het aan?’…”. Nou, ik denk het niet, eerlijk gezegd; bij dergelijke volmaaktheid kun je niet in de schaduw staan. “… Nu zeggen de meeste adverteerders wel dat ze ‘gewoon lekker zichzelf’ zijn, maar dat is non-informatie (ik moet waar dan ook de eerste nog tegenkomen die zegt ‘Ik ben meestal niet mezelf’)…”. Roos Vonk is niet erg positief over internetdaten: “… Nog los van flatteuze foto’s en keiharde leugens over leeftijd en gewicht, heb ik het gevoel dat de singles zich happiër en stoerder presenteren dan ze zijn, uit angst om voor de welbekende kneus of oude vrijster te worden versleten. (…) Je laat je niet kennen. En dat is precies het probleem. Want om je zielsverwant te ontmoeten, moet je je ziel laten zien…”. Ondanks het overweldigende aanbod - driekwart miljoen singles struinen geregeld de sites af - vindt 93 procent geen duurzame relatie via internet.

Jezelf zijn
Voor mensen in intieme, langdurige relaties is het juist belangrijk dat ze mogen zijn die ze zijn, inclusief hun gebreken – waaronder ook rimpels, vetrollen, platvoeten en terugtrekkende haargrenzen: “… Je moet er toch niet aan denken dat je je hele verdere leven je buik moet inhouden voor je partner, of achteruit de slaapkamer uit moet lopen als je niks aan hebt?…”.
Vaak wordt beweerd dat tegenpolen elkaar aantrekken. Ook dat blijkt niet waar:
“… Mensen vallen veel eerder op iemand die op hen lijkt wat betreft intelligentie, politieke overtuiging, godsdienst, leeftijd, aantrekkelijkheid, achtergrond en opleiding, interesses, voorkeuren, leefsituatie...". Gelijkenis is een belangrijke voorwaarde voor stabiele gelukkige relaties (vandaar die ouderwetse uitdrukking: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen?).
Niet alleen voor mensen, ook voor dieren, is het vinden van een partner soms een hele toer. Wat dacht je hiervan: “… Octopussen vechten soms tijdens de seks met seksegenoten die ook willen. Toch handig om veel armen te hebben dan. Concurrenten die niet zo sterk zijn, hebben een andere tactiek: zij doen zich voor als vrouwtjes-octopus en komen zogenaamd casual voorbij dobberen, tralala, en in een onoplettend moment steken ze gauw hun paararm uit naar de begeerde vrouw. Hagedissen en inktvissen doen zich ook voor als vrouw, en mensenmannen die niet zo stoer zijn trouwens ook; zij zetten zichzelf als vrouw op dating- en chatsites om met vrouwen in contact te komen en intieme ontboezemingen aan hen te ontlokken…”.

Verschillen
Roos Vonk legt in haar boek het een en ander uit over het verschil tussen mannen en vrouwen en over veilige en onveilige hechting. Ik denk dat wat begrip over en weer heel wat geruzie kan voorkomen. Iedereen die aan een relatie begint zou van te voren moeten weten dat mannen door hun hogere testosteronspiegel een hogere seks-drive hebben dan vrouwen: “… Onbewust is seks voor vrouwen vaak een middel om de ander te veroveren en te binden. Als dat gelukt is, haakt de vrouw in lustmatige zin af…”. Je hoeft dus niet gelijk te gaan denken dat er iets mis is met jou of je relatie als je als vrouw minder zin hebt om te vrijen. Integendeel: het is misschien eerder een teken dat je relatie stabiel is, dat je je partner vertrouwt en je geborgen voelt.
Verder zijn mannen meer ingesteld op het hier en nu en op plezier. Mannen produceren meer dopamine als ze leuke dingen doen, zoals hard rijden, sport kijken en drinken. Vrouwen denken aan verantwoordelijkheden, verplichtingen en later. Vrouwen willen weten van de hoed en de rand, gaan gerust moeilijk doen en houden zich niet in omdat anderen lol willen hebben.

Blijven of gaan

Uitgebreid gaat Roos Vonk in op relatieproblemen en uit elkaar gaan: het uitmaken, de wraak, de rouw en het weer single zijn:
“… Ik geloof helemaal niet in de stelling: liefde is een werkwoord. Taalkundig klopt dit al niet, om mee te beginnen: liefde is een zelfstandig naamwoord. Maar los daarvan: de stellen die ik ken bij wie het goed zit, hoor ik nooit over ‘werken aan de relatie’. Bij een goeie match klikt het gewoon en gaat het vanzelf. Je kunt ontspannen bij elkaar. Natuurlijk moet je weleens tijd maken voor elkaar, voorkomen dat je elkaar vanzelfsprekend gaat vinden. Maar ‘werken’, dat zie ik alleen koppels doe waar het niet lekker bij loopt. Zoals het liedje gaat: ‘Als er over de liefde gepraat wordt, is de liefde voorbij’…”.
Tsja, ik moest denken aan de reactie van mijn man toen ik hem ooit eens vertelde dat er bij ons in de kerk een ‘Mariage Course’ werd gegeven om huwelijken te versterken: “Als je dat nodig hebt zit het al niet goed”. Een beetje gelijk heeft hij wel – denk ik. Schrijfster Ann De Craemer heeft het in ‘De seingever’ over een stel dat het na anderhalf jaar “… net zo vanzelfsprekend vindt om te trouwen als elke morgen je voet in een sok stoppen…”. Dat klinkt niet echt spannend, maar wel ‘duurzaam’.
Er is veel onderzoek gedaan naar hoe mensen zich voelen na een beëindigde relatie: “… Wat bleek: kort na de breuk voelden ze zich inderdaad ellendig, maar zes weken later was dat al zo bijgetrokken dat ze vrijwel op hun oude geluksniveau terug waren…”. Kortom: het leed duurt korter dan je denkt. Ooit las ik een keer een onderzoek waarin gesteld werd dat de meeste mensen in zes weken overal aan wennen. In dit verband ging het over gegoede burgers die miserabele concentratiekampen overleefden.
Vonk: “… Natuurlijk heb je momenten van wanhoop, leegte, je geamputeerd voelen, en dat is verschrikkelijk – maar hé, je gaat er niet dood van. En waar je niet dood van gaat… zo is het…”.

Oud en lelijk
Ter relativering: “… Uiteindelijk worden we allemaal oud en lelijk, en mensen die het samen supergezellig hebben worden ook nog eens dik. Als de liefdeshormonen eenmaal toeslaan, ga je de ander vanzelf mooi vinden. Zo kun je heerlijk samen lelijk, oud en dik worden, en heel gelukkig…”.
Kijk aan: dán maar dik…

Uitgave: Scriptum Psychologie - 2013, ISBN 978 905 544 294 7, €18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier