Menu

donderdag 13 maart 2014

De vrouw die de honden eten gaf – Kristien Hemmerechts


In mijn vorige blog ging het o.a. over ‘grenzen’. Kan kunst te ver gaan? John Updike kreeg vanwege zijn roman “De terrorist” het verwijt naar zijn hoofd dat hij begrip zou kweken voor zelfmoordterroristen. Ook Jonathan Littell kreeg in 2008 bakken kritiek over zich heen omdat hij zijn ongeëvenaarde roman “De Welwillenden” vorm gaf vanuit het ik-perspectief van een SS-officier: Maximilien Auge. Kristien Hemmerechts (1955) overkwam recent hetzelfde omdat ook zij vanuit het gemoed van een dader schreef. Ze maakte het zelfs nog een graadje erger. Waren de hoofdpersonages van Updike en Littell verzonnen figuren, Hemmerechts schreef een fictief verhaal over een bestaand persoon: Michelle Martin, de ex-vrouw en handlangster van kindermoordenaar Marc Dutroux, die tijdens de gevangenschap van haar man wel zijn honden te eten gaf, maar niet de meisjes die hij in zijn kelder gevangen hield. Ze stierven een verschrikkelijke hongerdood.
Lezend België stond op zijn kop.


Heftig

In een interview vertelt Hemmerechts dat ze niet wist wat haar overkwam toen ze nietsvermoedend van een kerstvakantie in Nieuw-Zeeland terug kwam, en werd geconfronteerd met de hevige aversie die haar inmiddels verschenen roman had opgeroepen. Dat lijkt me nogal sterk. Ik ben niet eens een Belg, en ik heb al dagen zitten dubben of ik het heftige “De vrouw die de honden eten gaf” überhaupt wel moest recenseren. Maar ik had het gelezen. Het voelt inmiddels bijna alsof ik ‘voor niets’ lees, als ik er niet over schrijf. Het is mijn manier om literatuur te verwerken. En daarnaast: hoe je er ethisch ook over denkt, “De vrouw die de honden eten gaf” is een ontzagwekkend goed geschreven verhaal. Uiteindelijk besloot ik twee recensies tegelijk te schrijven, zodat degenen die niet geconfronteerd wensen te worden met de zaak Dutroux, door kunnen klikken naar een volgende blog over een ‘gewoon’ boek (daar wordt het wel eens tijd voor – geloof ik). Hierbij…

De meest gehate vrouw van België
Goed. Kristien Hemmerechts vertelde dat ze tijdens een gastschrijversproject in Amsterdam een schrijfopdracht kreeg voor een verhaal van 12000 woorden. Het was zomer 2012 en het nieuws stond bol van verontwaardiging over de vervroegde vrijlating van ‘de meest gehate vrouw van België’, Michelle Martin. Ze zou ondergebracht worden in een klooster. Dat bracht Hemmerechts op het idee in het hoofd van Martin te kruipen. Ze las en bestudeerde alles wat ze over haar kon vinden.
Ik moet zeggen, toen ik met het boek in handen stond en bedacht wat ik zou gaan schrijven als ík de opdracht kreeg mij in het brein van de vrouw van Dutroux te verplaatsen, mijn gedachten stokten. Ik kon mij er gewoon niets bij voorstellen. Ik snap dan ook heel goed dat de vader van een van de overleden meisjes, Paul Marchal, tijdens een confrontatie met Kristien Hemmerechts fel tekeer ging tegen haar roman. Ze zou Martin vermenselijken. En Martin was geen mens. Maar een psychopate zonder empathie. Punt. Hemmerechts dacht daar anders over. En juist dat trok mijn aandacht. Wat denkt Kristien Hemmerechts over wat Michelle Martin denkt? En voelt? Want natuurlijk is het niet echt. Niemand weet wat er zich precies in het binnenste van Martin afspeelt. Niemand komt dat vooralsnog ook te weten: ze mag geen interviews geven. Het doet me denken aan het spel met de waarheid van de bekende kunstenaar Rene Margritte, die onder een afbeelding van een pijp ‘Ceci n’est une pipe’ (dit is geen pijp) schreef.

Moederhormonen
Het boek is een bijna sobere monoloog van korte, krachtige zinnen waarin Martin in het personage van Odette haar gedachten uit. Haar ex noemt ze kortweg M. Ze zit in de gevangenis. Een psychotherapeut, Anouk: “… Volgens Anouk hebben alle vrouwen in de gevangenis een laag zelfbeeld. ‘Daar begint het’, zegt ze. ‘Bij het zelfbeeld.’ …”, en een non, zuster Virginie, doen hun best haar voor te bereiden op haar vrijlating, maar echt tot haar doordringen kunnen ze niet. Odette is voornamelijk gefocust op zichzelf. En op haar kinderen. Want het gekke is; toen ze werd opgepakt had ze twee zoontjes, een jongetje van elf en een peuter van twee, en was ze net bevallen van een meisje – die ze alle liefde van de wereld gaf: “… Jérôme was een lichte slaper. Van het minste geluid schrok hij wakker. Gilles gilde soms in zijn slaap. Zonder wakker te worden. Als ik dat hoorde, sprong ik uit mijn bed en haastte me naar hun kamer… ik verzekerde de jongens dat ze me altijd mochten roepen als er iets was. En ook mochten ze het licht aanknippen…”.
Het is bijna onvoorstelbaar dat een vrouw, die na het baren van een dochtertje nog vol moederhormonen zit, andere meisjes gewoon laat creperen. Ze was notabene onderwijzeres; ze was gewend om kinderen om zich heen te hebben.
De omstandigheden waar ze in was beland waren evenwel schokkend. M weigerde naar haar om te kijken, had haar vervroegd uit het ziekenhuis gehaald en in een krot van een woning gedumpt zonder douche of warm water, zonder geld om voor de baby pampers te kunnen kopen, of voor haarzelf maandverband, waardoor ze alleen daardoor al de deur niet uit kon. Bij toeval zag ze in een tijdschrift een advertentie van een hulpverleningsinstantie, die ze belde, en waardoor mensen haar kwamen helpen, maar uit niets blijkt dat er lange termijnhulp werd ingeschakeld om het gezin uit de ellende te halen.

Allerlei zelven
Odette is een overlever die het lukt haar moeder geld af te troggelen. Als M in de gevangenis belandt geeft hij Odette de opdracht hun honden, die hij heeft achtergelaten in de bouwval waar de meisjes gevangen zitten, plus de kinderen zelf, eten te geven (ze woonden gescheiden, dat was goedkoper voor de belasting, en zo kon M bij hem thuis doen wat hij wilde, zonder dat Odette het hoefde te weten). Haar hele leven volgde Odette de bevelen van M op. Behalve deze. Ze zegt dat ze niet kon geloven dat er kinderen in de kelder zaten, ze zegt dat de meisjes het aan zichzelf te wijten moeten hebben gehad dat M ze opsloot, ze zegt dat ze te moe was om zich ook nog eens verantwoordelijk te voelen voor de slachtoffers van M - ze sliep ‘s nachts nooit langer dan twee uur achter elkaar, ze zegt dat ze bang was dat de honden haar aan zouden vallen, ze zegt dat er een zware kast voor de ingang van de kelder stond die ze niet weg kon krijgen. Ze klaagt dat M een volstrekt afhankelijke pillenjunk van haar maakte en dat zij wordt verafschuwd voor zaken die ze heeft nagelaten, terwijl niemand het heeft over vrouwen die daadwerkelijk tot moorden overgaan. Ze is ziekelijk geobsedeerd door Geneviève Lhermitte, die haar vijf kinderen ombracht met een mes. Ze ontkent en verdringt, en stort zich op haar geloof (M zou een keer al haar Bijbels hebben verbrand). Volgens Anouk gebruikt ze God om haar problemen op te lossen.
Odette is een vrouw met verschillende kanten. Wij zijn geen personen uit één stuk; wij hebben allerlei zelven – die naast elkaar bestaan, aldus Hemmerechts.

Liefde interesseerde hem niet

De psychopatische trekken van M zijn veel duidelijker. Odette: “… Liefde interesseerde hem niet. Seks wel, maar liefde niet. Omdat hij het niet kende. Hij wist niet was het was. Hij kon het niet herkennen, hij kon het niet geven, hij kon het niet ontvangen. Het ergste was dat hij dat besefte. Soms. Er waren momenten waarop hij het besefte. Dan wist hij heel goed waarom hij was wie hij was en hoe hij was…”. Hij behandelde haar als zijn seksslavin (het boek is af en toe, maar niet overdadig, doortrokken van getormenteerde seks - het draait niet voor niets om een ophefmakend zedenmisdrijf, al gaat het gelukkig nergens over de meisjes) en richtte haar af als een dier: “… ‘Odette kan erg goed schoonmaken.’ M over mij tegen zijn vriendjes. Op dat toontje van hem. Alleen een getraind oor hoorde het gevaar. Wie hem niet goed kende, rook geen onraad. Die noemde hem vriendelijk. Charmant. In het gebergte beginnen honden te janken lang voor een mensenoor het eerste gerommel van een lawine hoort. Ik was zo’n hond. M had van mij een hond gemaakt. Geen sint-bernhard en ook geen Duitse scheper zoals mijn trouwe Brutus en Nero, maar een jack russell, zoals Fifi: klein maar dapper. En vooral: onvermoeibaar. Gewerkt dat ik heb voor die man! Mij afgebeuld. En nooit was het genoeg. ‘Laat eens zien, Odette, hoe goed jij kunt schoonmaken.’ Hij schopte de vuilnisbak om. ‘Sorry. Ongelukje.’ Of hij goot melk op de grond, stapte in de plas en legde in het hele huis een melkspoor. ‘Dank u, M.’ En dan mocht ik niet vergeten mijn mond in een glimlach te trekken…”. Ze trouwde met hem omdat ze bang was dat hij haar anders uit de weg zou ruimen – zegt ze. Hij gaf haar de trouwring van zijn eerste partner, omdat hij te gierig was om een nieuwe ring te kopen: “… Ik heb die trouwring bijna tien jaar gedragen. Met haar naam en trouwdatum erin gegraveerd…”.
Hij wilde geen cent aan de kinderen uitgeven: “… Anouk zegt: ‘Ik zou de vrouwen geen onderdak willen geven die een geheim spaarpotje moeten aanleggen om hun kinderen te eten te kunnen geven. Of die bij hun ouders moeten gaan bedelen.’ ‘Hoe komt dat?’ vroeg ik haar. Ze haalde haar schouders op. ‘Veel mannen willen kinderen, maar ze hebben er niets voor over. Ze willen hen zoals ze een auto willen, en een huis, of een horloge. Meer als bezittingen. Of als statussymbool.’ ‘Waarom vertellen ze ons dat niet op school?’ ‘Omdat anders niemand aan kinderen zou beginnen. Er zijn andere mannen, maar ik heb ze nooit ontmoet. Mannen willen op hun gemak zijn. Vrouwen moeten ervoor zorgen dat ze op hun gemak zijn. Je aanvaardt het of je aanvaardt het niet.’…”.
M mishandelde en vernederde Odette continu en zij pikte álles: “… Hij slokte me op, en spuwde me uit om me opnieuw te kunnen opslokken…”.

Maman
De moeder van Odette was een abnormaal claimend type. Haar vader kwam om bij een verkeersongeluk toen hij haar naar school bracht. Haar moeder wreef haar in dat dat haar schuld was. Toen haar man er niet meer was, nam ze ter vervanging Odette zelfs bij haar in bed. De relatie was zo verstikkend dat Odette geen enkel besef van een eigen identiteit lijkt te hebben ontwikkeld. Ze rolde als een nog net niet dooie vlieg uit het spinnenweb van haar moeder zo in het spinnenweb van M. Beiden bepaalden wat ze moest doen en laten.
Met het vorige boek nog in mijn hoofd, deed Odette’s moeder me denken aan de Franse kunstenares Louise Bourgeois, die een reusachtige sculptuur van een spin tentoonstelde in de Tate Modern Hall in Londen (2000), ‘Maman’ genaamd: “… Sinds de oudheid en de mythe van de jonge Arachne die, omdat ze pronkte met haar weefkunst, door een jaloerse godin werd gestraft, leeft de spin, tegelijk zorgzaam en dodelijk, buitenaards en huiselijk, in het culturele bewustzijn als een dubbelzinnig symbool van de risico’s die creativiteit met zich meebrengt… Wie onder haar negen meter hoge sculptuur staat met zijn stalen poten die de horizon in segmenten verdelen, voelt hoe Bourgeois’ innigste liefde en diepste angsten in dit beeld gestalte hebben gekregen…”. ("Honderd meesterwerken die onze tijd markeren" – Kelly Grovier).
De ouders van M waren nog honderd keer erger.

Reconstrueren
“De vrouw die de honden eten gaf” is een enorm confronterend boek. Het dwingt je na te denken over de verschillende kanten van jezelf. Over wat je zelf wegstopt. Over waar je zelf met een grote boog omheen loopt.
Zondag 2 maart vertelde breinprofessor Margriet Sitskoorn naar aanleiding van het boek "153 x cafeine voor je geest" in een, in dit verband buitengewoon interessante uitzending van Jinek (ze komt na 21.50 min. aan het woord), over de gebieden in je hersenen die bepalen of je anderen als ‘mensen’ dan wel ‘objecten’ ziet. Dat heeft alles te maken met twee feiten waar je onbewust op oordeelt: warmte en competitie. Vinden wij iemand warm, en voelen wij weinig rivaliteit, dan zullen wij gauw medelijden en empathie voelen. Vinden we iemand niet warm en ook niet competent; dan willen we niets met hem te maken hebben. Als we iemand dehumaniseren, hem niet aankijken, doen of hij niet bestaat, halen we zijn morele bescherming weg en is er voor hem of haar geen noodzaak meer om zich menselijk te gedragen. Ik vraag me af of er zoiets met Odette is gebeurd. Wat ze deed, of juist niet deed, is onvergeeflijk, maar door je middels dit boek in haar te verdiepen, wordt wat zich heeft afgespeeld wel begrijpelijker.
Kristien Hemmerechts over haar werk: “… ‘De vrouw die de honden eten gaf’ is geen verdediging of rechtvaardiging, wel een poging om de gruwelijke gebeurtenissen te reconstrueren vanuit haar (dat van Michelle Martin's) standpunt…”.
België is overduidelijk nog niet klaar voor dit boek. De zaak Dutroux is een nationaal trauma. De reacties zijn vergelijkbaar met de ophef in Duitsland naar aanleiding van de film “Der Untergang”, waarin Hitler veels te menselijk zou zijn neergezet – hij was aardig voor zijn honden en zijn secretaresse. De rest van de wereld (ikzelf incluis) vond het best een mooie film.
In mei komt de Franse vertaling van “De vrouw die de honden eten gaf”: ik verwacht opnieuw een hetze.

Uitgave: De Geus – 2014, 248 blz., ISBN 978 904 453 158 9, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 6 maart 2014

Honderd meesterwerken die onze tijd markeren – Kelly Grovier


Bovenstaande titel is een nogal pontificale vertaling van het heel wat minder stellige “100 Works of Art That Will Define Our Age”, een ongelooflijk mooi uitgevoerd kunstboek van de jonge dichter, historicus en criticus (voor o.a. The Observer en Times Literary Supplement) Kelly Grovier, die het jaar 1989 als vertrekpunt neemt voor het bespreken van kunst van nu. Wil je wat begrijpen van de wereld om je heen, dan kun je niet om kunst heen – denk ik. Kunst wijst naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Kunst confronteert, evoceert, shockeert. Kunst wil wat vertellen. Iets wat nog nooit is gehoord. Of gezien. Kunst is heftig, bevreemdend en soms onverdraaglijk. Haalt je uit je gewone doen. Bekritiseerd en bevraagd. Wie ben je? Wat zou jij doen als? Waar ligt je grens? Dat soort vragen…

Het einde van alles
De keus om ‘kunst van nu’ te laten beginnen rond het eind van de jaren tachtig heeft te maken met de conclusie van de gerespecteerde kunstcriticus en filosoof Arthur Danto, die indertijd ‘het einde van de kunst’ aankondigde. Dat betekent niet dat hij dacht dat er een tijdperk was aangebroken waarin geen kunst meer zou worden gemaakt, maar dat we in een vrije val terecht waren gekomen waarin ‘alles was toegestaan’: er viel geen touw meer aan vast te knopen. Tot dan toe was de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis altijd een soort kettingreactie geweest. De ene beweging ging over in de andere: romantiek in realisme, het expressionisme in het abstract expressionisme, enz. Elke nieuwe generatie ging provocatief op de schouders van de vorige staan, of pleegde heel freudiaans ‘vadermoord’, zou je kunnen zeggen - het is maar hoe je het bekijkt. Trouwens; Thomas Vaessens breekt in “Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur” ook al met de chronologische, lineaire traditie van de literatuur (zie mijn blog van 05.11.2013).
Dat ‘einde van alles’-idee vind ik enorm fascinerend omdat het destijds ook in allerlei andere disciplines opdook. Politiek filosoof Francis Fukuyama kondigde ‘het einde van de geschiedenis’ aan: door de ineenstorting van het communisme was er geen ideologische strijd meer nodig. Wetenschapsjournalist John Horgan kwam met een studie die ‘het einde van de wetenschap’ aankondigde, waarbij het niet ging om de ondergang, maar om de voltooiing van de wetenschap. De joodse bioloog Gunther Stent was van mening dat de biologie in hoofdzaak ‘klaar’ was, en volgens fysicus Leo Kadanoff was de natuurkunde ook al bijna ‘af’. Filosoof Willem J. Ouweneel noemt het jaar 1989 in "De zesde kanteling" dan ook niets minder dan een ‘kanteljaar’. Vanaf dan zouden wij een nieuw tijdperk zijn ingegaan - want elk einde is een nieuw begin. Hoe de contouren van deze nieuwe periode eruit zien? Ik heb nog steeds geen idee. In ieder geval wordt het beheerst door de digitale revolutie (op een wandkleed van Grayson Perry – ‘The Vanity of Small Differences’; 2012 - een moderne versie van de ‘Bewening’ van Christus van de vijftiende-eeuwse Vlaamse Primitief Rogier van der Weyden, neemt het conventionele memento mori, de schedel van Adam onderaan in het midden, de vorm aan van een frivole iPhone: “… de digitaal programmeerbare schedel van een tijdperk dat door het materiële is geobsedeerd…”) en postmoderne versnippering (zie b.v. “Vater” van Neo Rauch; 2007 – een groot zelfportret van de kunstenaar in kleren uit de Franse revolutie, en met enorme mickeymousehanden, die een proportioneel veels te kleine oude besnorde man in kunstenaarskiel in zijn armen wiegt; in een hoek staat een man met een fotocamera, alsof ze in een fotostudio zijn – e.e.a. zal te maken hebben met het feit dat de ouders van Rauch, die allebei kunst studeerden, enkele maanden na zijn geboorte omkwamen bij een treinongeluk).

Groot, groter, grootst
Een opvallend kenmerk van kunst anno nu is volgens Grovier de enorme omvang van de objecten. Veel hedendaagse werken zijn zo groot dat ze niet eens meer in normale expositieruimtes en traditionele galeries passen. Joost Zwagerman heeft het in “Kennis is geluk” over de ‘onstuimige schilderijen van reuzenformaat’ van Julian Schnabel, oftewel ‘Mr. Big’, die in de jaren tachtig in het Stedelijk werden tentoongesteld, en waarvan sommigen rond de 700 kilo (!) wogen: “… Schnabel had, in navolging van kunstenaars als Robert Rauschenberg en Anselm Kiefer, de gewoonte om van alles op de doeken te bevestigen. Serviesgoed. Boomtakken. Geweien. Een enkele keer een compleet meubelstuk, of delen van een kast…”.
In “Honderd meesterwerken” staat een foto van een reusachtige stalen doos - dertien meter hoog, tien meter breed, dertig meter lang - op fragiele pootjes, waarin je wordt opgeslokt door een totale, verbijsterende, Egyptische duisternis (‘How it is’, 2009, Miroslow BaŁka). Panic room.
Olafur Eliasson maakte in 2003 ‘The Weather Project’, een enorme amberkleurige zon van natriumlampen die spectaculair was opgehangen in de canyonachtige ruimte van Tate Modern. Het straalde een langzaam dovend apocalyptisch licht uit waardoor het publiek als het ware werd ‘betoverd’.
Zelfs de spaarzame naakten in “Honderd meesterwerken” zijn van gigantische proporties. Rubensvrouwen in het kwadraat. Dat kan ook haast niet anders als je het op moet nemen tegen het heersende schoonheidsideaal van dun, dunner, dunst. Merkwaardig genoeg is er in het hele boek geen spoortje preoccupatie met seks te bekennen. Misschien zijn alle taboes geslecht en is seks inmiddels een gepasseerd station?

Citaten
Het boek is onderverdeeld in een aantal hoofdstukken die steeds de titel van een vraag hebben op een tussen twee zwarte pagina’s gevatte grijze pagina, met als antwoord op de achterkant een citaat van een kunstenaar: “… V. Kan kunst te ver gaan? A. De vijand van de kunst is de afwezigheid van grenzen. Orson Welles…”, “… V. Kan kunst de wereld veranderen? A. Wat verkiest men? Kunst die de strijd aanbindt om de sociale normen te doorbreken, maar daarin faalt? Of kunst die louter wil behagen en plezieren, en daarin slaagt. Robert Hughes…”, en “… V. Waar gaan we naartoe? A. Een vorm vinden die onderdak biedt aan de chaos. Dat is de taak van de hedendaagse kunstenaar. Samuel Beckett…”.
Bij elke afbeelding geeft de schrijver een duidelijke uitleg, waarin hij het kunstwerk in zijn context plaatst, associaties met ander werk legt, en tot mijn verrassing veel fragmenten uit de literatuur aanhaalt om wat over hedendaagse kunst te zeggen. Daardoor is het boek tevens een hele goede introductie voor degenen die, wat moderne kunst betreft, van toeten nog blazen weten.

Take Care of Yourself
Ik kan moeilijk over elk ‘meesterwerk’ wat zeggen; ik pik er gewoon een paar treffende uit. Heel bijzonder vond ik de installatie van de dan 51-jarige Franse kunstenares Sophie Calle, ‘Take Care of Yourself’ uit 2007, die ze maakte nadat haar vriend via een e-mail totaal onvoorzien hun relatie beëindigde met de luchthartige afscheidswoorden ‘Prenez soin de vous’ (Zorg goed voor uzelf). Ze was in shock: “… Zijn e-mail bracht bij haar het verwarrende gevoel teweeg dat we allemaal wel kennen, wanneer vertrouwde woorden plotseling vreemd, wanstaltig en zonder betekenis lijken…”. Het trauma inspireerde haar tot het maken van een multi-media spektakel met 107 vrouwen die ze uitnodigde om het onthutsende mailtje te lezen: “… Ze koos de vrouwen op basis van hun beroep: een bijbelgeleerde, een clown, een expert in maatschappelijke omgangsvormen, een gerechtspsychiater, een schaakmeesteres, een seksuologe, een operazangeres, een poppenkastspeelster… Sophie Calle fotografeerde of filmde hen terwijl ze de harteloze e-mail lazen. In die opnamen komt zowel het temperament als de professionele invalshoek van de deelneemsters duidelijk tot uiting, maar ook de gedeelde verbijstering en pijn. De installatie bevat tevens bewijzen van de meedogenloze tests waaraan Calle de e-mail onderwierp: van scrupuleuze zinsontleding tot karikaturale animatie, van interpretatie met tarotkaarten tot beschieting door een (vrouwelijke) scherpschutter wier kogels drie gaten hebben geboord in een geprinte versie van de e-mail. Er is er ook een vertaling in brailleschrift te zien, waarvan de gebobbelde witheid contrasteert met de kille lineariteit van de omzetting tot barcode, of met het mozaïek van een kruiswoordraadsel. Calles voortdurende ingespannen pogingen om met de hardvochtige betekenis van de woorden en zinnen in het reine te komen, krijgen een pijnlijke intensiteit. Het werk wordt een metafoor voor de ontreddering die we allen voelen tegenover het leed dat onverschilligheid en verwaarlozing teweegbrengen…”.
Zo werd ‘Take Care of Yourself’ een reusachtig dossier van tekstanalyses, films en foto’s waarin de boodschap telkens opnieuw werd ontleed. “… ‘De herhaling maakt ons ziek maar geneest ons ook; zij ketent en vernietigt ons maar bevrijdt ons ook,’ schreef ooit de Franse filosoof Gilles Deleuze…”. Ik kan me zo voorstellen dat Sophie Calle er uiteindelijk helemaal ‘klaar’ mee was. Hoe genees je jezelf…
Calle deed wel meer aparte dingen. Zo maakte ze een fotoreportage van een nietsvermoedende man die ze schaduwde van Parijs tot in Venetië, en liet ze haar moeder een privédetective inhuren die háár moest volgen en fotograferen. Ze ging als kamermeisje werken in een hotel, om de persoonlijke bezittingen van nietsvermoedende gasten te fotograferen, en toen ze op straat een adresboekje vond, belde ze naar alle telefoonnummers die er in stonden om een profiel te maken van de eigenaar – die van niets wist.

The Artist is Present
Nog zo’n spraakmakende artiest is de performancekunstenares Matina Abramović, die haar publiek al veertig jaar uitdaagt om recht in de ogen van het fenomeen ‘onverschilligheid’ te kijken. Over ‘The Artist is Present’ – 2010: “… Gedurende twee en een halve maand, van midden maart tot einde mei, zat Abramović op een stoel aan een tafel in het Museum of Modern Art in New York, terwijl participanten om de beurt en zolang ze het volhielden, in haar ogen mochten kijken. De kunstenares staarde gedurende 736,5 uren onbewogen voor zich uit. Intussen beantwoorden golven onbekenden één na één haar onpeilbare blik over de lage tafel heen. Door het museum bewaarde foto’s van vrijwilligers onthullen het hele gamma van uitdrukkingen die door de statische houding van Abramović werden uitgelokt, van geamuseerd tot angstig, van verveeld tot vertwijfeld…”. Dat is niets vergeleken met haar vroege werk “Lips of Thomas”- 1975, waarmee zij “… de schuldige passiviteit van het toekijkend publiek op de korrel nam door op haar eigen naakte lichaam een reeks verontrustende mishandelingen uit te voeren, die schijnbaar getriggerd werden door de blik van de toeschouwers. Zij verorberde ontstellende hoeveelheden honing en wijn, kerfde met een scherp lemmet de vorm van een Sovjet-Russisch pentagram in het vel van haar buik, geselde zichzelf heftig op de rug met een zweep. De hele tijd werden de toeschouwers uitgedaagd om haar tegen te houden, maar slechts weinigen deden dat…”.

L.O.V.E.

En dan deze. Tijdens de bankencrisis werd midden in het hart van het financiële centrum in Milaan – bij het beursgebouw - een enorme stenen hand met opgestoken middelvinger (11 meter hoog) onthuld van de kunstenaar Maurizo Cattelan: L.O.V.E. – 2010. “… Invloedrijke financiers, beledigd door wat ze beschouwden als een onterend gebaar van collectieve sociale afkeer, verplaatsten hun meetings naar elders. Handelsscholen annuleerden lezingen die in aanpalende gebouwen zouden worden georganiseerd. Kaderleden met een luxueus kantoor dat op het plein uitkeek, eisten een nieuwe werkplek, ver van de grove belediging…”. Is dit de hand van het volk dat symbolisch uithaalt naar de bankiers die de wereld aan de rand van de afgrond brachten, of is het omgekeerd? Cattelan was zich van geen kwaad bewust; hij wilde volgens eigen zeggen alleen maar de groet van Mussolini misvormen. Als je goed kijkt zie je dat de vingers niet naar binnen zijn gebogen om de nadruk te leggen op die ene corrumperende middelvinger, maar zijn afgebroken.

I'm desperate
Indrukwekkend is ook een fotoreportage van Gillian Wearing die aan willekeurige vreemden op straat vroeg of ze op een stuk karton wilde schrijven hoe ze zich van binnen voelden. Daar maakte ze dan een foto van: “… Het resultaat was een vijftigtal foto’s van een ogenschijnlijk verrassende eerlijkheid, als een kaartspel van persoonlijk lijden. Een politieagent in uniform toont één enkel woord dat de hele kaart vult: ‘HELP’. Een meisje met een spottend lachje heeft ‘MY GRIP ON LIFE IS RATHER LOOSE!’ (mijn greep op het leven is nogal los!) geschreven. Een man wiens gezicht half bedekt is met de tatoeage van een slang, toont een kaart met daarop ‘I HAVE BEEN CERTIFIELD AS MIDLY INSANE!’ (ik ben goedaardig krankzinnig verklaard!). De meeste toeschouwers waren vooral onder de indruk van de spanning tussen de verrassende emotionele openheid van de geschreven verzuchtingen die Wearing kon losweken, en de non-verbale informatie die uit het uiterlijk van de deelnemers sprak. Dat geldt vooral voor de bekendste foto uit de reeks, waarop een ogenschijnlijk gegoede jonge zakenman wat vreemd toegeeft ‘ I’M DESPERATE’ (ik ben wanhopig)…”.

Monsters
Nogmaals: kan kunst te ver gaan? Ja, dat kan zij zeker. Misschien gaat kunst die wat voorstelt wel altijd te ver: “… In 1877 kreeg criticus John Ruskin een proces wegens smaad aangesmeerd toen hij de schilder Whistler ervan beschuldigde op een antisociale manier ‘een pot verf’ in het gezicht van het publiek te gooien’ met zijn ‘Nocturne in Black and Gold: The Falling Rocket’ (1875)…”. Van de avant-garde van elke generatie wordt verwacht dat ze de grenzen verlegd van wat de samenleving slikt.
In het boek staat een afbeelding van de meest gehate vrouw van Engeland, de beruchte moordenares Myra Hindley, die tussen 1963 en 1965 met haar handlanger Ian Brady vijf kinderen folterde en doodde. Het portret is opgebouwd uit honderden kinderhandjes, zoals wel eens met vingerverf op kleuterschooltjes worden gemaakt. Het riep hevige verontwaardiging op onder het publiek: het overheersende gevoel was blijkbaar dat het een eer is om in een kunstwerk te worden vereeuwigd.
Er staat een afbeelding in van een kunstenaar die om de zoveel tijd een afgietsel maakt van zijn eigen hoofd, gevuld met eigen afgetapt bloed, om zijn eigen verouderingsproces gade te slaan.
Het blasfemische ‘The Holy Virgin Mory’ van Chris Ofili – 1996 – werd door de burgemeester van New York, Rudy Giuliani, betiteld als ‘walgelijk’. Hij dreigde het Brooklyn Museum of Art aan te pakken als het dit werk zou tonen. De National Gallery of Australia in Canberra wilde de tentoonstelling na de heisa in New York niet eens meer hebben.
Zo staan er meer voorbeelden van ontregelende kunst in dit boek, waarvan Santiago Sierra misschien wel de kroon spant. Hij werd in 2006 gesommeerd zijn tentoonstelling in een voormalige synagoge waar hij een operationele gaskamer had ingebouwd na één dag te sluiten. Via een systeem van plastic vacuümslangen liet hij de dodelijke uitlaatgassen van zes auto’s de kamer binnenstromen. De bezoekers moesten gasmaskers dragen om het te overleven. “… Doet het lot van het werk vermoeden dat we de grenzen van de toelaatbare artistieke expressie hebben bereikt, en dat er zich van af hier monsters bevinden, zoals oude wereldkaarten aangeven?...”, vraagt Grovier zich af.
Vaak wordt gezegd dat kunst ‘bevrijdend’ werkt. In zoverre is het misschien wel waar, dat als je de overweldigende imaginaire reis langs de besproken creaties in “Honderd meesterwerken” - die volgens mij net zo goed geduid kunnen worden als de krankzinnige obsessies van hun makers – hebt voltooid, je in ieder geval weer heel blij kunt zijn met je ‘normale’ leven. Ik tenminste wel. Ik heb deze documentaire ervaren als een louteringsberg. Kunst doet wat met je. ‘Geen boek voor kunstwatjes’, kopte het Nederlands Dagblad in een artikel over “Honderd meesterwerken die onze tijd markeren” (14.02.2014). Daar sluit ik mij bij aan.

Uitgave: Ludion – 2013, 320 blz., ISBN 978 946 130 127 7, €28,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 28 februari 2014

Haar goede naam - Ruth Axtell & De terrorist – John Updike


Soms krijg ik recensie-exemplaren toegestuurd waar ik eigenlijk niet zoveel mee heb, maar waar ik toch geacht word wat van te zeggen. Dat kan natuurlijk net zo goed aan mij als aan het boek liggen: als je veel leest ontwikkel je vanzelf een eigen smaak. Daar gaat hij dan. “Haar goede naam” van Ruth Axtell. Uitgever: De Banier – een uitgeverij die vooral voorziet in de leesbehoefte van reformatorisch Nederland. Axtell is een christelijke Amerikaanse schrijfster die vergelijkende taalwetenschap studeerde aan het Smith College en zich heeft gespecialiseerd in Franse en Engelse literatuur. Heel indrukwekkend – dus dan verwacht je wat. Maar eerlijk gezegd valt dat tegen.

Christelijke soap
Het verhaal draait om Espy, een onwaarschijnlijk mooie meid, die opgroeit in een achterbuurt in Holleston, Maine, 1892. Haar vader is een constant bezopen lapzwans die vooral goed is in het verwekken van een zoveelste broertje of zusje. Hoe haar moeder er aan toe is hoef ik niet te vertellen. Er is geen geld om door te leren, maar als Espy de kans krijgt om bij een professor te gaan schoonmaken, verruilt ze haar baantje in de fabriek, zonder er een seconde over na te denken: ze mag namelijk net zoveel boeken uit zijn bibliotheek lenen als ze wil. Ze wordt smoorverliefd op een al even onwaarschijnlijk mooie jongen - uit de kerk: Warren Brentwood. Het probleem is dat hij de zoon is van een geldmagnaat, en arm en rijk, dat gaat niet samen. Als hij haar op een avond door een donker boslaantje thuisbrengt, heeft hij zichzelf niet in bedwang en kust haar voluit op de mond, wat het paar voor de rest van het boek in opperste verlegenheid en radeloze gewetensnood brengt. Die gasten zijn geen tien; die gasten zijn in de twintig!
Het volgende probleem is de professor. Hij begint Espy ook al te kussen, op zijn kantoor, en net als zijn vrouw onverwacht de deur open doet. Hij zegt dat Espy is begonnen en zet haar zonder pardon op straat. Zijn vrouw vertelt de hele Hollestonse gemeente wat voor ongelooflijke sloerie die Espy is, waarop deze zich niet verdedigt (en ook niet láát verdedigen: er zijn een paar jongens die met alle liefde de professor in elkaar willen stampen), maar het achterlijke roddeldorp ontvlucht om vervolgens een mooie carrière op te bouwen in een universiteitsstad, met medewerking van een paar evangelische hulpverleners die op haar pad verschijnen alsof ze op haar hebben staan wachten. Duikt die Warren ook nog op: is theologie gaan studeren tegen de uitdrukkelijke wens van zijn vader. Ziet in dat hij Espy verkeerd heeft beoordeeld. Komt er nog een collega te voorschijn die hetzelfde is overkomen als Espy, en haar van alle blaam zuivert. En zo wordt ze dan uiteindelijk toch nog helemaal gelukkig met haar dominee. “Goudelsje” is er niets bij (voor zover iemand dat nog wat zegt). Voor wie een paar uur mierzoet wil zwijmelen: dit is christelijke soap op zijn best…


I read slower than I write
Als ik iets moet lezen waar ik niet zoveel zin in heb, lees ik meestal tegelijk iets anders, zodat ik kan overschakelen voor er een wolk van algehele sufheid over mij neerdaalt (ik zie hem gelukkig ver van te voren hangen). “De terrorist” van John Updike (1932-2009) lag er nog. Het verrassende is dat Updike in dit boek ook over een religieuze jongen schrijft, die evenals Warren uit het bovengenoemde boek, ‘zichzelf rein probeert te bewaren’. Alleen gaat het niet om een christen, maar een moslim. In allebei de boeken is zondige begeerte een groot struikelblok; maar Ruth Axtell draait er suggestief omheen, zonder ook maar één keer welk beestje dan ook bij zijn naam te noemen – wat op zich best spannend en in ieder geval een hele prestatie is. Daar heeft Updike geen last van. Zijn ooit populaire “Rabbit” serie, waar ik geen woord van heb gelezen, schijnt voornamelijk over verveelde ontucht in trieste Amerikaanse suburbs te gaan. Maar hij kon meer. Ik kwam Updike tegen in een essay van Joost Zwagerman – de meest enthousiaste en aanstekelijke schrijver over kunst en literatuur die er bestaat – waarin deze zegt dat niemand zo’n ontzagwekkende hoeveelheid uitmuntende en veelzijdige recensies uit zijn mouw wist te schudden als wijlen John Updike. Hij zou alleen vergelijkbaar zijn met Simon Vestdijk, over wie de dichter Adriaan Roland Holst ooit opmerkte: ‘Vestdijk schrijft sneller dan God kan lezen’. Updike zei over zichzelf: ‘I read slower than I write’. Mijn belangstelling was direct gewekt. Ik kick op notoire veellezers. Helaas gaan romans tegenwoordig niet langer mee dan de blogs die ik schrijf. Ze staan een paar weken in de belangstelling (evenals de schrijvers) en daarna hoor of zie je van de meesten nooit meer wat. Wat een geploeter voor een paar momenten glorie, denk ik wel eens. Als je nagaat dat sommige auteurs jaren aan een boek werken. En dan komt er zo’n rotrecensentje die in een halve pagina…, afijn. Ik houd mij dan ook niet aan de bestsellerslijsten. Dan ontgaat mij te veel moois. “De terrorist” stamt maar liefst uit 2006. Het werd niet onverdeeld ontvangen. De karakters zouden te flets zijn. Updike zou, door in de huid van een moslimextremist te kruipen, begrip voor terroristen kweken. Maar begrijpen is heel wat anders dan er mee eens zijn. Ik denk dat het voor het effectief bestrijden van het kwaad juist van wezenlijk belang is dat je je in je tegenstander verdiept. Of Updike daarin is geslaagd is een tweede. Maar hij probeerde het tenminste…

Allahgedoe
“… ‘Satans’, denkt Ahmad. ‘Deze satans trachten mijn God van me af te nemen’…”. De beginzin van “De terrorist”, een verhaal over Ahmad, de achttienjarige zoon van een artistieke Iers-Amerikaanse hulpverpleegster (“… Ik steek graag mijn handen uit de mouwen – omgaan met mensen op het niveau van wat ze echt nodig hebben. Het niveau van de ondersteek…”), die in haar vrije tijd schildert en door zijn Egyptische vader aan haar lot werd overgelaten toen Ahmad drie werd. Vanaf zijn elfde jaar brengt zijn moeder hem naar de moskee van sjeik Rasid, omdat Ahmad daarom heeft gevraagd: “… Hij had altijd zoiets eenzaams. Hij is helemaal alleen aan dat Allahgedoe begonnen, zonder enige steun van mij. Nog minder dan steun, eigenlijk – ik was er gepikeerd over dat hij zich zoveel gelegen liet liggen aan een vader die voor hem nooit een poot heeft uitgestoken. Voor ons. Maar ik neem aan dat een jongen een vader nodig heeft, en als hij er geen heeft, verzint hij er een. Is dat een staaltje Freud van de koude grond, of niet?...”. Zelf doet ze nergens aan. Op school is Ahmad een goede leerling. Wat Updike laat zien is dat het niet perse aan de sociale omstandigheden – milieu, opvoeding, armoede, discriminatie, leerachterstand of iets dergelijks – hoeft te liggen of iemand een fundamentalist wordt. Al legt hij ook weer niet uit waarom wel. Ahmad is zelfs roomser dan de paus. Hij vindt dat de wereld zijn imam heeft ‘verweekt’. De imam zegt b.v. dat de beschrijving van de hel in de Koran figuurlijk is bedoeld, maar volgens Ahmad heeft de Profeet het wel degelijk over ‘echt vuur’.

Het ware geloof
Ik vind de beschrijving van het gedachtegoed van Ahmad meesterlijk: “… Op Central High lopen de meisjes de hele dag wiegend en grijnzend te koop met hun zachte lichamen en verleidelijke haar. Hun blote buiken, getooid met glimmende navelpiercings en sensuele paarse tatoeages, vragen ‘Wat valt er verder te zien?’ Jongens paraderen en lummelen rond met een holle blik en geven met hun opgefokte, bloeddorstige gebarentaal en hun onverschillige en smalende lach te kennen dat er niets anders bestaat dan deze wereld – een lawaaierige, gelakte hal met aan weerskanten metalen kasten en aan het einde een lege muur geschonden door graffiti en zo vaak met de roller overgeschilderd dat het lijkt of hij millimeters dichterbij is gekomen. De leraren, zwakke christenen en niet-praktiserende joden, doen alsof ze rechtschapenheid en deugdzame zelfbeheersing willen overdragen, maar hun huichelachtige ogen en holle stemmen verraden hun gebrek aan overtuiging. Ze worden door de gemeente New Prospect en de staat New Jersey betaald om die dingen te zeggen. Ze missen het ware geloof; ze bevinden zich niet op het Rechte Pad; ze zijn onrein. Ahmad en de tweeduizend andere leerlingen kunnen hen na schooltijd op het gebarsten en met afval bezaaide parkeerterrein snel in hun auto’s zien kruipen, als bleke of donkere krabben die zich in hun schulp terugtrekken, maar het zijn mannen en vrouwen als alle anderen, vervuld van lust en angst en dwepend met dingen die te koop zijn. Ongelovig als ze zijn, denken ze dat veiligheid te vinden is in het vergaren van wereldse zaken en in de verderfelijke afleiding van het flikkerende televisietoestel. Ze zijn slaven van beelden, valse beelden van geluk en weelde. Maar zelfs getrouwe beelden zijn zondige imitaties van God, die als enige kan scheppen…”. Met onmetelijke arrogantie kijkt Ahmad neer op het onheilige ondermaanse.

Vijandsdenken

De uitgebluste schooldecaan, Jack Levy, - een mistroostige zestiger, gevangen in een sleurhuwelijk met Beth, een eetverslaafde en oeverloos babbelende vrouw (“… Ze weet dat het hem tot op zekere hoogte niet zou kunnen schelen als ze dood was, dat zou een gewicht van honderdvijftien kilo van zijn schouders nemen. Van de andere kant weet ze ook dat hij nooit bij haar weg zal gaan, vanwege zijn joodse verantwoordelijkheidsgevoel en een sentimentele trouw, die vast ook joods is. Als je tweeduizend jaar lang bent vervolgd en uitgescholden, is trouw aan hen die je lief zijn een zinnige overlevingstactiek…”) - probeert Ahmad te overreden om verder te studeren, maar zijn imam sommeert hem vrachtwagenchauffeur te worden: “… Hij zei dat de keuze voor een universitaire opleiding me blootstelde aan corrupte invloeden – kwalijke filosofie en kwalijke literatuur. De westerse wereld is goddeloos...”.
Ik moet zeggen: nog niet zo heel lang geleden werd er in de provinciale orthodoxe wereld waaruit ik stam helemaal niet zoveel anders gedacht. Je ziet dat ook terug als een vriendinnetje, Joryleen, Ahmad uitnodigt om naar een kerkdienst te komen waar zij in een gospelkoor zingt (niet dat ze zo gelovig is, ze zingt gewoon graag). Hij gaat daar op in. Hij wil wel eens meemaken hoe de ‘satans’ hun geloof beleven. De preek wordt haarfijn uit de doeken gedaan, inclusief de bedenkingen die door het hoofd van Ahmad gaan. Ahmad moet al zijn vijandsdenken aanspreken om niet toe te geven dat veel van wat er wordt gezegd hem uit het hart gegrepen is. De dominee gaat ook tekeer tegen drugs en alcohol en buitenechtelijke seks. Toch zegt Ahmad later tegen Joryleen:
“… Mijn leermeester in de moskee zegt dat alle ongelovigen onze vijanden zijn. De Profeet heeft gezegd dat alle ongelovigen uiteindelijk uitgeroeid moeten worden…”. Hij vindt zichzelf een goede moslim, in een wereld die spot met geloof. Zijn God voelt hij als een ‘tweelingbroer’ om hem heen; ‘dichterbij als zijn halsslagader’.
“… Heb je in plaats van goed te zijn nooit eens zin om je goed te ‘voelen’?...”, vraagt Joryleen.
Later wordt Ahmad bedreigd door Joryleens vermeende vriendje, die haar laat tippelen voor geld. Hoeveel Ahmad om haar geeft, uit zich in het gebaar dat hij maakt, als hij zich uiteindelijk laat ronselen als zelfmoordterrorist. Zijn moeder zal een hoop geld krijgen vanwege zijn offerdaad. Hij wil dat het geld op Joryleens banknummer wordt gestort omdat zijn moeder zich toch wel redt. Misschien kan Joryleen zich dan vrijkopen uit de klauwen van haar vriendje…

Thriller
De best wel aardige Beth, “… de wereld heeft samengezworen om haar zacht en corpulent te maken, geïsoleerd tegen hartstocht en gevaar, die gaan knetteren zodra mensen echt te dicht bij elkaar in de buurt komen…”, heeft een zus die secretaresse is van een minister, waardoor Updike de hele strategie aan Amerikaanse antiterrorismemaatregelen het boek binnen kan loodsen.
Ahmad gaat meubels en tapijten vervoeren voor een meubelzaak, laat zich steeds verder meevoeren in de fanatieke zwart-wit wereld van zijn manipulerende sjeik, heeft vergevoerde discussies met de zoon van zijn islamitische baas, die wat rekkelijker denkt, en uiteindelijk belandt hij op een grote tankwagen gevuld met explosieve vloeistof waarmee hij naar een zinderende finale rijdt: een drukke verkeerstunnel waar hij de zaak zal laten ontploffen en zijn leven geven in de strijd voor Allah. Ware het niet dat zijn decaan, die een kortstondige verhouding aanknoopt met zijn moeder, alsnog een spaak in het wiel steekt, en iemand van wie je het helemaal niet verwacht een FBI-spion blijkt te zijn die ook de nodige roet in het eten gooit. Daardoor krijgt het verhaal bijna iets van een thriller. Volgens critici maken deze onverwachte wendingen het boek ongeloofwaardig. En vooral ook: onliterair. Maar ach, waar ligt de grens?

Juichen over Gods schepping
Ik vind dat Updike het fundamentalistische denken in deze pageturner heel goed onder woorden heeft gebracht. Wel denk ik dat er meer nodig is om van iemand een zelfmoordterrorist te maken, dan hij in de persoon van Ahmad - die zich bijna letterlijk ‘dood’ ergert aan de geur van kauwgum, slecht cafetariavoedsel, ontsierende graffiti, vulgaire kleding, materialistische koopgekte, oversekste reclame, vette lijven en het enkel en alleen gericht zijn op het hier en nu – ten berde brengt. Beth en Jack, die helemaal niet godsdienstig zijn, ergeren zich net zo goed aan de pijnlijke lelijkheid en het egoïstische eigenbelang van hun omgeving. Ik bedoel: ik sta ook heus niet te juichen over de schoonheid van Gods schepping als ik zomers het leger van onmogelijk zelfvoldane heren met hun 20 jaar jongere vriendinnen, korte lontjes, grote bekken en dikke blote pensen ongegeneerd voorbij zie paraderen over het strand waar ik vlakbij woon – maar om de hele boel dan maar op te blazen: dat gaat toch wel ver…

“Haar goede naam” – Ruth Axtell, uitgave: De Banier - 2013, 356 blz., ISBN 978 903 363 451 2, €20,95, rechtstreeks bestellen: klik hier
“De terrorist” – John Updike, uitgave: De Arbeiderspers - 2006, vertaling Joop van Helmond, 280 blz., ISBN 978 902 956 409 0, €19,95, rechtstreeks bestellen: klik hier